4. Magazine Met Zorg Aangepakt - tien jaar Top600.pdf
Tekst van het document
De GGD probeert behandeling zowel via het gedwongen kader, als in het vrijwillig kader te stimuleren. Soms raadt zij regisseurs aan om behandeling van een verslaving als bijzondere voorwaarde mee te geven aan de reclassering ten behoeve van het advies aan de rechter. Soms stellen zij in samenwerking met GGZ en een woningcorporatie een behandelcontract op als voorwaarde voor een woonplek.
Grimbergen: ‘Het is daarnaast het bewijs dat het handig is dat wij als GGD in zo’n vroeg stadium meedenken. Wij hebben van die verschillende leefdomeinen wat verstand en vooral goede samenwerkingsrelaties met partners in die domeinen, waar we naar kunnen doorverwijzen. Met schuldhulpverlening, dagbesteding en jobcoaches, om maar een paar te noemen. We kiezen het liefst voor één hulpverleningsinstantie die alles in huis heeft.’
Segeren: ‘In de Top600 zien wij dat bijna de helft van de personen aan vier ACEs of meer is blootgesteld. Daarmee hebben zij het allerhoogste risicoprofiel en de kans is heel groot dat zij altijd problemen en zelfredzaamheidsproblemen zullen houden.’
10 jaar Top600
Grimbergen: ‘Een groot deel van de Top600personen zal dus altijd een vorm van ondersteuning nodig hebben. Het zou goed zijn als dat besef bij alle partijen doordringt.’ Segeren: ‘Precies én het besef dat juist de stapeling van ACE’s leidt tot de meeste schade op latere leeftijd, daarom is het heel belangrijk om meer in te zetten op het voorkomen daarvan. Dat betekent dus dat de kinderen of de broertjes en zusjes van Top600-personen extra goed in de gaten gehouden moeten worden. Ze hebben al met één ACE te maken (namelijk gezinslid in de gevangenis, red.), het liefst wil je dat het er niet meer worden.’
Van screening tot verwijsadvies Het screeningsinstrument dat de GGD voor de Top600-aanpak ontwikkelde, baseerde zij op screeningsinstrumenten voor dak- en thuisloze jongvolwassenen en paste zij aan op de Top600-doelgroep. Een belangrijk onderdeel van de screening is de ZelfredzaamheidsMatrix (ZRM). De ZRM gaat uit van elf levensdomeinen; van huisvesting en dagbesteding, tot financiën en geestelijke gezondheid. Het is een instrument om iemands zelfredzaamheid in kaart te brengen en de ontwikkeling in de zelfredzaamheid te volgen. Op groepsniveau levert dit veel informatie over de zorgzwaarte en zorgbehoefte van de doelgroep op. Later heeft de GGD aan de Top600-screening een SCIL-vragenlijst toegevoegd, die screent op de vermoedelijke aanwezigheid van een lichte verstandelijke beperking, en een signaleringslijst voor Niet-Aangeboren Hersenletsel. De GGD bespreekt de resultaten uit de screening op het indicatieoverleg met de zorgpartners die bij de betreffende Top600persoon betrokken zijn. Zij brengen relevante, aanvullende informatie uit hun medische dossiers in, bijvoorbeeld over behandelingen die in het verleden wel of niet goed gewerkt hebben. Gezamenlijk stellen de GGD en de betrokken zorgpartners een behandeladvies en een bejegeningsadvies op. De GGD verwijst de cliënt vervolgens naar de betreffende behandeling.
33
Tot slot is nog winst te behalen in de benadering of bejegening van personen die in hun jeugd mishandeld of verwaarloosd zijn, aldus Segeren. ‘Een jongere die stelselmatig door zijn vader is gekleineerd en gemanipuleerd, houdt hier een trauma aan over en kan een bepaalde geautomatiseerde weerstand of zelfbeschermingsreactie hebben ontwikkeld. Zo’n reactie kan worden geactiveerd als een politieagent of andere hulpverlener zich in zijn ogen onnodig hardhandig of dominant opstelt. Deze mensen voelen zich eerder bedreigd, vertonen daarom vaker afweergedrag, die bij de andere betrokkene weer kan leiden tot een tegenreactie. Het is daarom belangrijk om ons meer te verdiepen in hoe we inzichten uit de “trauma-sensitieve aanpak” kunnen meenemen in de bejegening van personen.’
Het bejegeningsadvies gaat naar de Top600regisseur. Hierin staat naar welke zorgpartij iemand wordt verwezen en hoe de regisseur het best met de persoon om kan gaan. Voor een persoon die op LVB-niveau functioneert, kan het advies aan de regisseur bijvoorbeeld zijn: Spreek in korte heldere zinnen, houd het overleg kort, herhaal de informatie die je geeft en geef de informatie op papier mee.
“ Een groot deel van de Top600-personen zal altijd een vorm van ondersteuning nodig hebben.”
34
10 jaar Top600
Gezichten van de aanpak: De regisseurs
‘Wat mij in mijn werk typeert? Ik ben opgegroeid in een buurt met veel criminaliteit om mij heen, hierdoor begrijp ik de jongeren die ik begeleid vaak goed. Nooit ga ik boven iemand staan, altijd ernaast. Ik probeer te levelen en geef de personen zelf de regie. Tegelijkertijd ga ik er ook hard in als dat nodig is. Elke jongere probeer ik mee te geven om te geloven in zichzelf. Dit zeg ik vanuit oprechtheid want ik geloof ook echt in ze, iedereen heeft in mijn ogen potentie. We bereiken met een jongere vaak meer, maar als ik ze alleen al meer zelfvertrouwen kan meegeven, maakt mij dat super trots.’
“We bereiken met een jongere vaak meer, maar als ik ze alleen al meer zelfvertrouwen kan meegeven, maakt mij dat super trots.” Gigy (regisseur vanuit Jeugdbescherming Regio Amsterdam)
10 jaar Top600
“Waar komt een persoon vandaan en waarom pleegt hij of zij een delict? Dat zijn vragen die ik mijzelf, sinds mijn werk als regisseur, continu stel.” Victor (regisseur vanuit politie)
‘Waar komt een persoon vandaan en waarom pleegt hij of zij een delict? Dat zijn vragen die ik mijzelf, sinds mijn werk als regisseur, continu stel. Deze manier van denken komt echt door het integrale werken binnen de aanpak. Nauw samenwerken met andere organisaties, zoals bijvoorbeeld gedragsdeskundigen van de GGD, hebben mijn blik op de mens verbreed. Dat ik een regisseur van de politie ben, zorgt in het begin altijd voor argwaan. In het begin halen de Top600-personen “regisseur”, vaak door elkaar met “rechercheur”. Transparant ben ik altijd: als je delicten blijft plegen moet je weten: ik blijf bij de politie werken dus dan volgen er consequenties. Ik vind het mooi om te zien dat ik het wantrouwen om kan zetten in vertrouwen. Als ik een aantal personen uit de aanpak zie, zijn ze oprecht blij om mij te zien.’
35
36
10 jaar Top600
Professionals: Aan het woord
Het uitdagende vak van regie voeren
Regie voeren is een vak. Een vak waarin het Actiecentrum Veiligheid en Zorg (AcVZ) de regisseurs van de Top600 (en van de andere programma’s van het AcVZ) opleidt, bijschoolt en de randvoorwaarden schept om met deze meest complexe doelgroep vorderingen te maken. Judith Paleari is teamleider van vierentwintig regisseurs in dienst bij de gemeente Amsterdam (in totaal leveren 14 organisaties regisseurs, red.) en wil dat zij hun talenten kunnen benutten en plezier houden in dit uitdagende vak. Samir Achbab is onderzoeker en docent aan de Vrije Universiteit (VU) en bestudeert op dit moment het vak van regie voeren binnen het AcVZ. Op het AcVZ spreken ze over alles wat het vak behelst en over wat het zo bijzonder en belangrijk maakt.
Samir Achbab (VU) en Judith Paleari (AcVZ)
10 jaar Top600
37
38
10 jaar Top600
Professionals: Aan het woord
Samir: ‘Hoe zou jij regie vanuit het AcVZ omschrijven, Judith?’
netwerksamenwerking via het AcVZ wordt gefaciliteerd.’
Judith: ‘Regie binnen het AcVZ gaat over het samenbrengen van drie werelden: die van veiligheid, zorg en het sociaal domein. Om de personen in de Top600 op het goede pad te krijgen, proberen wij ervoor te zorgen dat die drie werelden elkaar raken en vinden. Op alle niveaus, het niveau van bestuurders, organisaties en professionals. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar dat was het niet tien jaar geleden en dat is het nog steeds niet. Alle netwerkpartners hebben ieder vanuit hun verantwoordelijkheid of professionaliteit een ander perspectief op de persoon in regie. En het bij elkaar krijgen van die perspectieven, het tot een plan van aanpak komen waaraan alle partners zich kunnen verbinden, waar zij allemaal eigenaarschap voor voelen, zónder dat je zeggenschap over hen hebt - dat is regie. Daar zijn onze regisseurs goed in, in regie voeren zonder macht.’
Judith: ‘Ja, daarmee zijn we echt een voorloper geweest!’
Samir: ‘Waarom is regie zo belangrijk? Hoe leg jij dat uit?’
Judith Paleari heeft jarenlange werkervaring binnen de domeinen veiligheid en zorg. Sinds 2017 werkt ze voor het AcVZ. Op dit moment is Judith verant woordelijk voor de aansturing van 24 regisseurs Veiligheid en Zorg. Daarnaast vertegenwoordigt ze de stadsdelen in het programmateam en maakt deel uit van het team Vakontwikkeling.
10 jaar Top600
Judith: ‘We willen recidive verminderen, perspectief bieden en broertjes en zusjes uit de criminaliteit houden. Dat kan niet door op één knop te drukken. De personen uit de aanpak hebben problemen op allerlei vlakken. In hun familie, in de wijk, in hun netwerk… achter al die problemen zitten partners die al iets doen of kunnen doen om die persoon in beweging te krijgen. Maar het is niet vanzelfsprekend dat zij elkaar opzoeken. Sterker nog, als het je lukt om al die partners aan tafel te krijgen en als iedereen voelt: hier moeten we voor gaan, dan heb je al iets in beweging gezet.’
“Het bij elkaar krijgen van Samir: ‘Interessant, wat je nu noemt, daar de perspectieven, het tot een plan heb ik voor mijn onderzoek veel over gelezen. Je ziet dat de mate van overheidssturing van aanpak komen waaraan alle in de afgelopen decennia is veranderd van top-down naar horizontaal, via netwerken. partners zich kunnen verbinden, Van government naar governance. Zodra problemen ingewikkelder worden, als er waar zij allemaal eigenaarschap voor meerdere betrokkenen, belangen en visies zijn, werkt top-down niet meer. Governance voelen, zónder dat je zeggenschap is het antwoord op hardnekkige vraagstukken, zoals complexe veiligheidsvraagstukover hen hebt - dat is regie.” ken. Ik vind het heel bijzonder dat deze
39
Samir: ‘Zeker en het bijzondere daarvan is dat de netwerkpartners met het ondertekenen van het convenant beloven dat zij hun capaciteit gericht inzetten en expertise zullen delen. Eigenlijk is het AcVZ ook een soort informatiecentrum. Doordat in het convenant de samenwerkingsafspraken beschreven staan, mag de noodzakelijke informatie met elkaar gedeeld worden. Dit is een ontzettend belangrijke basis voor goede samenwerking. De regisseur krijgt vanuit de Informatieverzamelgroep (waar alle kernpartners in zitten, red.) een basisdossier over de Top600-persoon en op basis daarvan brengt hij of zij professionals bij elkaar.’ Judith: ‘Dat is een belangrijke randvoorwaarde die je noemt, de informatiepositie van het AcVZ is inderdaad uniek. Het delen van informatie is tegelijkertijd steeds een belangrijk gespreksonderwerp van het programmateam (waarin managers van alle kernpartners zitten, red.). De laatste tijd is het vaker dan vroeger voorgekomen dat het met een persoon in regie goed lijkt te gaan, maar dat iemand opeens een heftig delict pleegt. Dan is de vraag: hadden we dit kunnen voorkomen? Informatie speelt daar een rol in. Soms weet de politie wel meer, maar kan zij dat vanwege rechercheonderzoek niet delen met de regisseur. Dat is een voorbeeld van een situatie waarin het organisatiebelang botst met het belang van het plan van aanpak.
We bespreken dan welke informatie wel gedeeld kan worden.’ Samir: ‘Ja, de verschillen tussen de drie werelden, de botsende waarden, daarover is in de literatuur veel geschreven. Het zoeken naar oplossingen voor hardnekkige problemen gaat volgens de literatuur idealiter volgens een regulatieve cyclus. Op het eerste uitvoerdersoverleg is de eerste stap dat de regisseur deelt: dit is het vraagstuk en zo kijk ik hiernaar. De volgende stap is het verkennen van de visies van anderen. Hoe kijken jullie? De volgende stappen zijn: het opstellen van het plan, het plan in werking
Samir Achbab is bestuurskundige en werkzaam als onderzoeker en docent bij de afdeling Bestuurswetenschap & Politicologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Zijn belangstelling gaat uit naar sociaal beleid, de verzorgingsstaat en de governance van het lokaal sociaal domein. Samir onderzoekt op dit mo ment voor het AcVZ hoe er binnen de Top600- en Top400-aanpak invulling wordt gegeven aan regie op het snijvlak van veiligheid en zorg.
“Regie vraagt om slim meebewegen, improviseren, geduld, toewijding, inlevingsvermogen, kunnen duiden en verbinden en jezelf empathisch positioneren.”
40
10 jaar Top600
stellen en vervolgens het herhalen van deze cyclus. In de verkenningsfase is het vooral belangrijk om stil te staan bij de verschillen. Dat klinkt misschien raar, je zou denken dat je voor een samenwerking op zoek gaat naar overeenkomsten, maar dit is bij hardnekkige vraagstukken van belang, omdat je daarmee een stukje realisme inbrengt. Goede samenwerking begint bij het besef dat er wellicht geen goede, duurzame oplossing is, maar dat je zoekt naar een suboptimale oplossing. Herken je dat?’ Judith: ‘Zo had ik er niet eerder naar gekeken, maar ik herken het zeker. Een voorbeeld: een Top600-persoon wordt verdacht van een (licht) delict dat net is gepleegd, maar heeft vandaag zijn diploma-uitreiking. Haalt de politie hem toch gelijk op of wacht zij met het oog op zijn ontwikkeling en het belang van een succeservaring tot na de uitreiking? Dat is zo’n vraagstuk. Het inventariseren hoe iedereen in het plan van aanpak staat, is overigens iets wat regisseurs op elk uitvoerdersoverleg proberen te doen. Zijn we er nog met elkaar? Hoe zit iedereen erin? En wat betekent dat?’ Samir: ‘De literatuur over regie voeren, benadrukt de empathische positie van de regisseur. Het moet iemand zijn die zich goed in de positie van anderen kan verplaatsen.’ Judith: ‘Ja, regisseurs kunnen bij uitstek de belangen van andere partners zien en de verschillende belangen bij elkaar brengen.
Daar zijn ze in getraind. De vakontwikkeling voor alle regisseurs gaat zowel over kennis als over vaardigheden: motiverende gesprekstechnieken, waarderende, open manieren van communiceren. De kern van regie voeren zonder macht is het idee van dienend leiderschap en dan ontkom je niet aan zelfinzicht. In de vakontwikkeling staan de regisseurs daarom stil bij hun eigen handelen, hun talenten en het ontwikkelen van een regiestijl. Als teamleider houd ik in de gaten dat ze de talenten zoveel mogelijk in kunnen zetten, dat motiveert natuurlijk. Naast een opleiding basisregie, hebben we ook verdiepende cursussen over regie voeren voor ervaren regisseurs en collectieve dagen voor alle regisseurs over actuele thema’s die regisseurs zelf aandragen. Het team
Professionals: Aan het woord
Vakontwikkeling is hier verantwoordelijk voor. Op de volgende collectieve dagen zijn “groepsdynamica” en “drillrap” thema’s.’ Samir: ‘Ja, ik heb gehoord dat het inspelen op nieuwe ontwikkelingen belangrijk is…’ Judith: ‘Precies. Het blijft de meest complexe doelgroep waarmee we werken en we moeten op de hoogte blijven van nieuwe ontwikkelingen. Naast ontwikkelingen binnen de doelgroep, zijn ook trends in de samenleving en bij de netwerkpartners relevant voor het werk van regisseurs. De hoge woningnood in Amsterdam is iets waarmee regisseurs voor hun personen in regie moeten dealen: zo is begeleid wonen lastiger te realiseren dan tien jaar geleden. Capaciteitsproblemen bij netwerkpartners: een ander voorbeeld dat invloed heeft op het plan van aanpak.’ Samir: ‘De regisseurs die ik voor mijn onderzoek spreek, hebben wel eenzelfde soort profiel. Het zijn allemaal mensen die intrinsiek gemotiveerd zijn voor deze doelgroep, en die niet schrikken van verandering, chaos en terugval. Hoogleraar beleids- en bestuurswetenschappen Willem Trommel heeft het over een bepaalde mate van ironie die nodig is voor het opstellen van beleid. Bestuurlijke netwerken worden vaak gepresenteerd als het perfecte antwoord op complexe vraagstukken, maar de werkelijkheid is weerbarstig.
Enige ironie kan dan helpen een realistisch ambitieniveau te stellen en leren om te gaan met tegenvallers en teleurstellingen. Hetzelfde geldt voor het plan van aanpak. Dat hoorde ik wel terug bij de regisseurs, ze houden rekening met kleine stappen.’
10 jaar Top600
gericht is op de goede samenwerking tussen de netwerkpartners. De eerste vindt het heel belangrijk om vertrouwen te creëren en dat sluit vaak aan bij de overtuiging dat hij of zij met een kwetsbaar persoon te maken heeft en het tweede type regisseur vindt het vooral leuk om creatief te zijn in het verbinden van verschillende partijen en te improviseren. Dat sluit goed aan bij het werk van bijzonder hoogleraar Polarisatie & Veerkracht Hans Boutellier over de improvisatiemaatschappij. Improviseren gaat over pragmatisch handelen, maar wel op basis van vakkennis. Volgens hem is improvisatie een stijl van ‘georganiseerde vrijheid’ die ruimte biedt voor dynamiek en spontaniteit. Volgens een aantal is dat laatste overigens lastiger geworden. Bijvoorbeeld vanwege de krapte op de woningmarkt die je al noemde, protocollen of de wachttijden voor behandeling.’ Judith: ‘Deze stijlen herken ik. Het is overigens wel interessant dat in de afgelopen jaren de overtuiging is gegroeid dat alle regisseurs het vertrouwen van de persoon in regie moeten winnen. Anders is het heel lastig om iets te bereiken. Zoek contact, interesseer je in de ander, de persoon in regie moet geen schaduw boven zich voelen, maar moet weten wat er gebeurt. Dat is ook de gedachte achter een initiatief als de credible messengers van het programma Weerbare Mensen, Weerbare Wijken, alleen in verbinding kun je iets bereiken.
Daarin is de balans tussen afstand en nabijheid wel belangrijk. In onze vakontwikkeling is hier steeds meer aandacht voor. Welke andere verbeterpunten noemden de regisseurs in de gesprekken?’
Judith: ‘Ja, dat is wel een mooie omschrijving; een bepaalde mate van ironie. Dat heb je wel nodig om plezier te houden in dit uitdagende vak. Je hebt ook onderzoek gedaan naar de verschillende regiestijlen toch? Welke stijlen kwam jij onder regisseurs tegen?’
Samir: ‘Het andere verbeterpunt gaat over uitstroom van personen. Wanneer is het een succes als iemand van de aanpak uitstroomt? Volgens een aantal regisseurs is dat succes niet altijd glorieus. Dan moeten ze een persoon in regie loslaten, omdat hij niet meer aan de harde criteria voldoet en geen delicten meer pleegt, maar maken zij zich zorgen over hoe het verder gaat na regie.’
Samir: ‘Wat ik in mijn onderzoek voor het AcVZ zie is dat de ene regisseur meer motivatie haalt uit de perspectiefverbetering van de persoon in de aanpak en de andere meer
Judith: ‘Ja, dat is een heel belangrijk onderwerp dat onze constante aandacht heeft: hoe zorg je dat de vooruitgang doorzet? Wat hebben professionals in de wijk nodig om
deze persoon goed verder te helpen? In veel gevallen is informatiedeling daar opnieuw het grootste knelpunt, omdat na uitstroom minder informatie gedeeld mag worden. Ik weet dat regisseurs soms heel gefrustreerd zijn bij uitstroom. “Deze persoon is nog helemaal niet klaar!” Dan is het moeilijk om iemand zelf los te moeten laten, ook al zorgen regisseurs ervoor dat een casus zo goed mogelijk wordt overgedragen aan de reguliere partners. Maar er zijn natuurlijk ook veel voorbeelden van personen die uitstromen, waarop regisseurs heel trots zijn. Waar kunnen wij volgens jouw onderzoek echt trots op zijn, Samir? Wat is bijzonder? Dan kan ik mijn regisseurs daarmee een hart onder de riem steken als zij weer eens een tegenslag ervaren.’ Samir: ‘In de literatuur over netwerken en samenwerkingsverbanden blijken regisseurs cruciaal voor het proces. Het zijn sleutel figuren en institutionele ondernemers die in staat zijn ‘tussen de linies’ te opereren en hiervoor de kwaliteiten, vaardigheden en karaktereigenschappen hebben. Regisseren in netwerken is niet eenvoudig. Het is een manier van werken die velen niet onder de knie hebben en die zich ook niet makkelijk laat omschrijven. Die manier van werken moet je dus echt leren, via ervaring op doen maar ook via trainingen zoals het AcVZ aanbiedt aan de regisseurs.
Het vraagt om slim meebewegen, improviseren, geduld, toewijding, inlevingsvermogen, kunnen duiden en verbinden en jezelf empathisch positioneren. En dat ook nog eens in een politiek-bestuurlijke context. Het is moeilijk wat de regisseurs doen en ze doen het toch maar mooi!’ De studie van de VU naar regie binnen het AcVZ wordt begin 2022 gepubliceerd.
41
42
10 jaar Top600
Moeders aan het woord
Wij willen betrokken zijn Het verhaal van de moeders Hoe is het als je kind criminele delicten pleegt en op de Top600- of Top400-lijst staat? Wat komt er allemaal op je af als ouder en wat helpt je om in die storm overeind te blijven? In de stichting ‘De moeder is de sleutel’ van Diana Sardjoe delen moeders met zonen die in aanraking komen met politie en justitie hun verdriet en adviezen en moeten ze soms ook hard lachen samen om wat er nú weer gebeurd is. ‘We kunnen niet alleen maar huilen!’ De ervaringen van de moeders beschreven in dit interview gaan voor een deel over de periode vóór instroom in de Top600- of Top400-aanpak. Dit stuk is bedoeld om te laten zien hoe moeders hun situatie met een kind in de criminaliteit en in de aanpak ervaren en te leren wat belangrijk voor hen is in het contact met het Actiecentrum Veiligheid en Zorg (AcVZ) en professionals uit de domeinen veiligheid en zorg.
Voor het AcVZ denken Diana en drie andere moeders (onder pseudoniem) met zonen die in de Top600- of Top400-aanpak hebben gezeten of zitten, mee over hoe ouders het best betrokken kunnen worden. Het is voor de moeders om verschillende redenen niet altijd duidelijk bij welke aanpak hun kind betrokken is, wat er achter de schermen gebeurt en waarom. Waar mogelijk wor den knelpunten genoemd door ouders verbeterd. Een betere samenwerking met ouders is onderdeel van de herijking van de Top400 (en daarmee onderdeel van het programma Positief Perspectief van de gemeente Amsterdam).
Als je hoort dat je kind op de Top600-lijst staat Diana: ‘Bij mij stonden er opeens twee mensen voor de deur, iemand van het AcVZ en iemand van de politie, met een brief. Aan de ene kant dacht ik: oké, we krijgen hulp. Maar aan de andere
kant voel je ook: we hebben geen keuze. Alleen al zoiets dat ze zonder afspraak voor je deur staan. De intentie is goed, maar ik had liever gehad dat ze me hadden gevraagd: “Komt het nu uit?” Op dat moment had ik heel veel aan mijn hoofd.’ Carla: ‘Dat herken ik. Nou ja, voor een andere aanpak voor mijn pleegzoon voor gangvorming en drillrap. Het was zaterdag en ik had net boodschappen gehaald en toen stonden er twee mensen voor mijn deur. Ik stond er op dat moment helemaal niet open voor en ik ben geloof ik best onaardig geweest. Achteraf dacht ik: o, het was misschien wel handig geweest om meer te horen. Wij zitten soms met z’n allen uit te vogelen in welke aanpak onze kinderen zitten en wat die aanpak inhoudt. Wat zijn onze rechten en plichten? Wat wordt van ons verwacht? Op de websites wat filmpjes die meer uitleggen over de verschillende aanpakken zou ook helpen. Als ouder heb je zo’n vol hoofd, dat informatie op een website lezen al lastig kan zijn.’
10 jaar Top600
Anne: ‘Ik vond een ongeopende brief over de Top600-aanpak toen ik de kamer van mijn zoon leegruimde, omdat hij vastzat. Hij woonde bij zijn vader toen hij op de lijst kwam, maar met mij is daarover nooit contact opgenomen. Dat vind ik nog steeds gek. Ik schrok op zich niet van het bericht dát hij in de aanpak zat. Ik schrok toen hij de eerste keer werd opgepakt voor een mislukte gewapende overval, toen was ik totaal in paniek. En toen we een paar maanden later op het politiebureau zaten en ik mijn keukenmes zag en een soort Halloween masker dat we op vakantie in Engeland hadden gekocht. Dat hij later in de aanpak kwam vond ik wel logisch. Ik weet overigens niet of hij nog steeds op de lijst staat. Hij is nu eenentwintig, dan informeren instanties jou als ouder minder en hij zit in voorlopige hechtenis.’ Als je kind 18 wordt Habiba: ‘Wat Anne zegt, merkte ik ook. Mijn zoon is in juni achttien geworden en ik merk een heel groot verschil. Ik hoorde opeens niets meer en dacht: het gaat goed! Nou, helemaal niet. Via via hoorde ik dat hij de dag daarvoor op het politiebureau was. Ik zei tegen mijn zoon: “Was je koffie drinken of zo? Ik wil dit weten!” Hij had geen toestemming gegeven dat ik betrokken werd, dus ik mocht niet meer op de uitvoerdersoverleggen1 komen.
Ik heb contact met zijn regisseur en ik zei hem: “Al wordt hij zeventig, het is mijn kind! Ik wil betrokken zijn.” Nu hebben wij wel weer contact, maar ik moet er veel meer achteraan.’ Als je tegenover hulpverleners zit Anne: ‘De uitvoerdersoverleggen zijn best intimiderend. Je zit daar tegenover een hele groep hulpverleners, helemaal verkrampt door alle stress en zorgen en met het gevoel dat je als ouder gefaald hebt. Het had mij heel erg geholpen als een aantal hulpverleners wat meer levenservaring hadden gehad. Ik heb regelmatig op overleggen met alleen maar van die jonge meiden gezeten, die kunnen met alleen hun opleiding niet voelen wat jij voelt. Iemand die mij snapt en iemand die mijn zoon snapt, dat was ideaal geweest.’
1 In de uitvoerdersoverleggen bespreken de regisseur, de medewerkers van de betrokken instanties (zoals bijvoor beeld Leerplicht, politie, reclassering, jeugdbescherming) zo mogelijk met de Top600-persoon en betrokken ouders, de voortgang van het plan van aanpak.
Als onjuistheden in het verslag staan Carla: ‘Wat wij heel frustrerend vonden bij onze zoon was dat hulpverleners zochten naar omstandigheden die konden verklaren dat hij was zoals hij was. Dan stonden er dingen in het verslag als: “Moeder had het heel druk met werk.” Of zelfs eens een melding over huiselijk geweld, terwijl dat beide niet waar was. Dat vonden wij heel pijnlijk. Vervolgens is het heel moeilijk om dat weer uit zo’n verslag te krijgen. Het lijkt alsof het niet aan intrinsieke factoren alleen kan liggen, dat ouders altijd iets verkeerd hebben gedaan.’ Als je vermoedt dat er meer speelt Anne: ‘Ik volgde mijn zoon zonder dat hij het wist op social media en op een gegeven moment voelde ik, dit gaat helemaal niet goed. Ik wilde een crisisoverleg, maar dat kon niet: “Het was niet ernstig genoeg en hij behaalde al zijn doelen”. Niet veel later is het dramatisch misgegaan en nu zit hij al veertien maanden in voorarrest, ik kan het nu eindelijk zeggen zonder in tranen uit te barsten, maar ik heb er een jaar lang om gejankt.’ Carla: ‘Dat machteloze gevoel ken ik. Wij hebben aangegeven dat onze zoon zat te dealen, maar daar is ook niets mee gedaan.
Het staat zelfs genoteerd in een uvo-verslag (uitvoerdersoverleg-verslag, red.) Een hulpverlener vroeg mij: “Waarom denkt u dat uw zoon dealt?” Ik zei: “Omdat hij een weegschaal heeft en veel geld en omdat er nieuwe jongens in en uitlopen.” Dat was niet voldoende, er is nooit iets mee gedaan.’ Als je als ouder het gevoel hebt dat je moet bewijzen dat je belangrijk bent Diana: ‘Het voelt soms alsof we steeds moeten bewijzen dat we belangrijk zijn. Als moeders worden we nog te vaak gedownsized of weggezet als hysterisch. Ik heb weleens gehad dat op een uitvoerdersoverleg over mij in de derde persoon werd gesproken. Toen zei ik: “Het is Diana en voor jou is het mevrouw.”’ Carla: ‘Terwijl wij als ouders zó belangrijk zijn voor onze kinderen. Een paar vrienden van mijn zoon, die hebben niemand meer. Die zie ik nog veel sneller afglijden.’ Anne: ‘Helemaal mee eens. Laatst tijdens bezoekuur vroeg ik mijn zoon wat het ergste is dat hij in zijn leven heeft meegemaakt: “Dat jij me niet kwam halen toen ik de eerste keer vrij kwam”, zei hij. Een hulpverlener zou hem ophalen en die stond er niet en vrienden van mij hadden mij
43
44
10 jaar Top600
op het hart gedrukt niet te gaan. Dit laat voor mij ook zien waarom het zo belangrijk is om moeders te helpen overeind te blijven. Die hulp vanuit instellingen, op momenten dat het er echt op aankwam, die heb ik wel gemist.’ Als je regisseur je ziet Diana: ‘Vanuit de Top600 had ik op een gegeven moment voor mijn twee zonen, twee regisseurs en een intensive gezinscoach die mij wel echt zagen. Die ik wel midden in de nacht kon bellen en die dan kwamen. Toen had ik voor het eerst rust. Ik durfde dingen uit handen te geven. De regisseurs waren toevallig alle twee vanuit de politie en heel doelgericht. Dat klikte met mij. Ik heb ook regisseurs gehad met wie het niet klikte, of die ik niet eens heb ontmoet! Maar ik heb doorgestreden voor die twee en dat was het waard.’ Habiba: ‘De regisseur creëerde voor mij ook rust, ik had veel aan mijn hoofd en veel organisaties wilden met mij praten. Ik bel en app veel met de regisseur en hij legt dingen die voor mij moeilijk zijn te begrijpen goed uit, zoals informatie vanuit de rechtbank. Wat mij ook heel erg heeft geholpen is dat hij hulp heeft gezocht voor de behandeling voor mijn eigen trauma’s. Verder kan ik hem bellen met de vraag wat te doen als mijn zoon niet op tijd thuis is, hij is dan een steun in de opvoeding.
Ook met mijn zoon heeft de regisseur goed contact, hij bleef hem motiveren tijdens een traject bij de Waag (forensische ambulante hulpverlening, red.). Dat was belangrijk.’ Als iemand je goed helpt Anne: ‘Zo’n ervaring had ik met de leerplichtambtenaar (van het Top1000-team, red.). Daar kon ik echt mee levelen. De andere leerplichtambtenaren leken er meer voor de school en niet voor de ouders te zijn. Deze leerplichtambtenaar had ook interesse in mijn zoon, keek wat zijn realiteit is. Hij gaf me weer vertrouwen in hulpverleners. Hij is nou écht een rolmodel.’ Diana: ‘Mijn zonen hebben met diezelfde leerplichtambtenaar te maken gehad. Als die niet wilden gaan, kwam hij ze halen. Hij kan heel goed aanvoelen wat speelt, meebewegen, maar ook streng zijn. Hij houdt de jongeren in hun waarde en zegt niet alleen wat ze verkeerd doen.
Moeders aan het woord
10 jaar Top600
En hij gaf ook tijd aan mij als ouder. Ik kon ook mijn verhaal doen en voelde me gerespecteerd. We hadden een gemene deler, we wilden het beste voor deze jongens. Net als in de stichting, daar gaat het ook niet om afkomst, opleiding of geloofsachtergrond, het gaat om onze kinderen.’ Als je andere ouders ontmoet Diana: ‘De enige voorwaarde om je als moeder bij onze groep aan te kunnen sluiten, is dat je moet erkennen dat jouw kind naast slachtoffer ook dader is. Er zijn weleens moeders geweest die hun kind alleen ophemelden, maar dat werkt niet. Je moet als ouder boven het gedrag van je kind staan. We hebben ouders met kinderen in concurrerende drillrap gangs, dat maakt niets uit. Het zou mooi zijn als moeders nog eerder anderen kunnen ontmoeten. Nodig ouders in de eerste brief gelijk uit voor een voorlichtingsavond en wij kunnen daar aanwezig zijn en meedenken over wat nodig is om het te laten flowen. Dat daar niet iemand van de gemeente zit om aantekeningen te maken bijvoorbeeld.’
“Het voelt soms alsof we steeds moeten bewijzen dat we belangrijk zijn. Als moeders worden we nog te vaak gedownsized of weggezet als hysterisch.”
Carla: ‘Bij deze stichting hoef je andere ouders niet uit te leggen hoe het is om een kind in de criminaliteit te hebben. Dat vond ik een verademing. Ik heb fijne vrienden en aardige collega’s, maar die snappen niet wat je meemaakt. Hier moeten we soms ook hard lachen samen om wat er nu weer gebeurd is.’ Diana: ‘We kunnen niet alleen maar huilen!’ Anne: ‘Ja, dat is een goede eerste stap, gelijk investeren in het contact tussen ouders. Als ouder voelt de aanpak niet gelijk als een samenwerking. Ik kan me voorstellen dat moeders in het begin niet openstaan voor suggesties van professionals, het vertrouwen moet groeien. Vaak moet de pijn er eerst uit, voordat je openstaat voor informatie en volgende acties. Daar kunnen wel een aantal ontmoetingen voor nodig zijn. Toen ik de andere moeders ontmoette, voelde ik dat vertrouwen gelijk. Ik denk dat wij elkaar beter kunnen aanmoedigen om stappen te zetten, om zelf ook therapie te volgen, contact met je regisseur te zoeken. Wij helpen elkaar om hier door heen te komen en er goed mee om te gaan.’
45
46
10 jaar Top600
Professionals: Aan het woord
Wij sluiten aan op de straat Virgil Tevreden (Stichting Jongeren Die het Kunnen)
10 jaar Top600
Donderdagochtend half tien, vlakbij metrohalte Ganzenhoef, vertelt Virgil Tevreden in het kantoor van zijn stichting Jongeren Die het Kunnen zijn levensverhaal én dat van zijn stichting. Die twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Na anderhalf uur bevlogen vertellen, zet hij zijn telefoon weer aan. Tweeëntwintig gemiste oproepen. Een verhaal over onvoorwaardelijkheid, eten of gegeten worden en niet gezien zijn.
47
48
Leren in jezelf te geloven ‘Sinds groep drie zijn mijn rekenschriften meerdere malen uit het raam gegooid. Ik was heel aanwezig, had altijd rood in mijn werkstukken, kreeg racistische opmerkingen naar mijn hoofd. Veel van de leerkrachten op mijn basisschool in Amsterdam Zuidoost hebben mijn zelfvertrouwen geschaad. Vanaf groep zeven ging ik naar de IMC Weekendschool, daar ging het niet over mijn fouten en ben ik in mezelf gaan geloven. Op de Weekendschool triggeren ze jongeren over hun toekomst na te denken. Mijn moeder en mijn opa zijn docent en zelf had ik in die tijd een buurjongen waar ik een soort rolmodel voor was. Die ik een beetje in de gaten hield. Op de Weekendschool zei ik tegen de directeur: “Ik wil met jongeren met gedragsproblemen werken”, toen was ik elf.
10 jaar Top600
Professionals: In actie
maar echt naar mijn cijfers en gaven me een kans. Daar kwam ik met alleen maar vrouwen in de klas. Peer pressure was er niet, ik hoefde me niet te bewijzen door bepaalde merken te dragen. Op een middelbare schoolfeest was ik full Armani. Daarvoor leende ik geld van mijn broer en kocht ik slippers van Armani van honderdtwintig euro om erbij te horen. In die nieuwe klas op het ROC was dat niet aan de orde. Daar ging het om: “Welke cijfers haal jij?” Het was een heel zorgzame omgeving, heel positief en ik vond de inhoud super interessant. Het contact met de jongens van mijn oude school verwaterde, die vonden SPW een vrouwenstudie.
Overleven op school Daarna kwam ik zelf tussen die jongeren terecht, werd ik zo’n jongere. Op de middelbare school in Zuidoost waar ik terecht kwam, was het eten of gegeten worden. In de eerste klas werd ik al afgeperst, kwam ik in aanraking met vuurwapenbezit, drugshandel en seksuele handelingen. Ik heb heel veel meegemaakt en zelf andere mensen het leven zuur gemaakt. Later heb ik nog veel mensen mijn excuses aangeboden. Je drijft eigenlijk af van de realiteit. Op die school was het overleven.
Positief rolmodel Na mijn diploma voor niveau drie ging ik door voor niveau vier. Daarnaast werkte ik bij een kinderdagverblijf, dat was geen uitdaging. Toen ben ik op een gegeven moment stage gaan lopen, in groep 7/8 met jongeren met een licht verstandelijke beperking (LVB) en bijkomende problematiek. Ja, dat was het moment. Het was in Zuidoost, ik zag jongeren met verschillende etnische achtergronden en ik herkende mezelf in hen en in mijn buurjongen, die ik vroeger het goede voorbeeld probeerde te geven. Ik wilde een positief rolmodel voor hen zijn. Op die school heeft Cordaan me een baan aangeboden om een project op te zetten om jongeren tijdens schooltijd te begeleiden.
Zorgzame omgeving Het keerpunt voor mij was dat ik na die middelbare school, alleen op basis van mijn cijferlijst, de kans kreeg om op het ROC, SPW3 te gaan doen. Ze keken niet naar mijn gedrag,
Iets magisch Op een dag had ik een intake met een jongen die om half acht vanuit Suriname in Nederland was geland en twee uur later bij ons op gesprek kwam. Nou, die intake ging helemaal mis.
Ik kwam aanlopen en ik zie stoelen en tafels door het lokaal vliegen en ik zie mensen hem in een houdgreep houden. Die jongen schreeuwde en wilde niet. Ik zei dat ze hem los moesten laten en tegen hem: “Luister ik ga je niet aanraken, maar ik wil dat je met mij meeloopt.” En hij loopt met me mee en we gaan samen naar buiten.
Hoop voor Morgen, zodat ze niet met een lege maag zouden sporten. De eerste keer dat ik het stadsdeel om hulp vroeg, werd dat afgewezen. Ik ben niet zo’n emotioneel persoon, maar toen heb ik wel wat tranen gelaten. Dat zij niet snapten wat er speelt. Dat zij niet zien hoe belangrijk dit is voor deze jongeren, dat vond ik echt erg.
Daar gebeurde iets magisch dat ervoor zorgde dat hij me accepteerde, we hadden een soort geestelijke connectie. Ik ging hem onder schooltijd begeleiden, maar het was een heel beschadigde jongen, met beperkte cognitieve vermogens. Hij had eigenlijk ook buiten schooltijd iets nodig. We zijn samen naar Only Friends in Noord gegaan, een sportclub voor jongeren met LVB en lichamelijk gehandicapte jongeren. Daar wilde hij niet naar terug “Ik ben niet gehandicapt,” zei hij. We gingen naar een reguliere voetbalclub, maar daar was hij al voordat ik mijn thee in de kantine op had, in gevecht met twee jongens uit het team die hem verkeerd aankeken.
Toen ik een jaar bezig was kreeg ik wel subsidie van de gemeente en daarvoor heb ik, gecombineerd met subsidie van de NSGK, gelijk een stichting opgericht, met de directeur en een andere bekende van de IMC Weekendschool in het bestuur. Het logo is ontworpen door mijn buurjongen. Wij richten het vizier alleen op wat de jongeren kunnen. Die bovenste drie streepjes in het logo staan voor rust, reinheid en regelmaat en die onderste drie voor liefde, voeding en consequentheid. Jongeren dragen ons logo echt met trots.
Iets nieuws “Kan ik niet met jou sporten, meester?” vroeg hij toen. Hij gaf me het gevoel van die buurjongen van vroeger. Zo iemand die een broer zoekt. Toen heb ik gezegd: “Oké, is goed.” Dat ging eigenlijk heel goed en een paar maanden later wilden die andere tien jongens, die ik tijdens schooltijd begeleidde, ook. In eerste instantie deed ik dat in mijn eigen tijd, want hier was geen opdracht voor vanuit Cordaan. Ik regelde een busje waarmee ik de jongens op zondag ophaalde, een ruimte in de sportschool Pleizier en voedselpakketten van de voedselbank
49
10 jaar Top600
Top600 Ik ben al vroeg met de Top600 in aanraking gekomen, omdat ik aangaf dat ik die moeilijke jongeren had. Er was weinig zicht op wie ze waren en bij mij meldden ze zich zelf aan. Ik heb altijd met de zwaarste jongeren gewerkt, altijd. Later begonnen regisseurs Top600- en Top400jongeren naar mij door te sturen. Wij sluiten aan op de straat. Wij hebben op een ander niveau contact met de jongeren dan de regisseurs. Waar dat kan informeren wij regisseurs wel over dingen, maar daarover zijn we transparant richting de jongeren: “Dit moeten we delen en zo gaan we je daarna proberen te helpen”. Wij proberen er vooral onvoorwaardelijk voor jongeren te zijn.
Credible messengers De laatste jaren zie ik veel meer wapens op straat. Zowel steekwapens als vuurwapens en er zijn veel meer incidenten die niet gemeld worden, uit angst. Niemand wil een snitch zijn. Wapens zijn niet een probleem van Zuidoost of van Amsterdam, die zijn een probleem van het land! Het is te makkelijk om via AliExpress aan een wapen te komen. Daarnaast heb ik het idee dat er teveel negatieve rolmodellen zijn die geweld verheerlijken. De positieve rolmodellen missen. Daarin voel ik een grote verantwoordelijkheid, ik wil laten zien dat je geen wapens of veel geld hoeft te hebben om succesvol te zijn. Ik draag daarom ook bij aan de bouw van het credible messenger-netwerk dat vanuit het AcVZ wordt vorm gegeven. Een credible messenger is zo’n positief rolmodel. Iemand uit de buurt met ervaring die het verschil voor jongeren kan maken en hen kan motiveren tot positief gedrag. Meedoen en sociale skills Sinds 2015 hebben we een “Support” en “Support Plus” groep. Support is meer preventief, daarin zitten jongeren die bijvoorbeeld alleen met HALT te maken hebben gehad. Support Plus is de forensische tak, daarin zitten vooral de
Top600- en Top400-jongeren. We bereiken veel met onze jongeren. Het positieve probeer ik uit te bouwen. Ik vraag alleen van jongeren dat ze meedoen met kickboksen, voetbal of fitness en zo hun sociale skills ontwikkelen. Het liefst zou je willen dat iemand uit de criminaliteit stapt, maar dat is soms een heel groot doel. Wij krijgen wel regelmatig jongeren doorgestuurd die niemand meer aankan en die bij ons niet meer in aanraking met de politie komen. Dat laat zien dat we iets goed doen. Uit bed komen Om nog meer impact te hebben, heb ik in 2020 een 24 uurs voorziening opgezet: “Eigen Kracht, jeugd en gezin”. In Zaandam, Almere en Amsterdam hebben we woningen waar in totaal twaalf jongeren onder begeleiding wonen. Eerst was het, na school naar “Jongeren Die het Kunnen” en dan weer naar huis. Nu hebben we ook thuis invloed op het pedagogisch klimaat; als iemand ’s ochtends niet uit bed komt voor werk, kom ik persoonlijk langs. Dat gaat heel ver ja! Zodra zij daaraan toe zijn, bouwen we dat weer af, in contact met de ouders. Dan kunnen de jongeren het zelf: leven op een manier waar ze trots op zijn.’
50
10 jaar Top600
Gezichten van de aanpak: De regisseurs
“Moet ik op het proces zitten, of juist meer op het contact met de persoon zelf? Doen wat nodig is staat altijd centraal.” Maaike (regisseur vanuit directie Werk, Participatie
51
10 jaar Top600
“Ik investeer heel veel in de betrokkenheid en betrouwbaarheid. Een kaartje sturen als iemand is geslaagd, mijn telefoon na 5 uur nog opnemen of vaak op huisbezoek gaan.”
Nicole (regisseur vanuit gemeente Uithoorn)
en Inkomen, gemeente Amsterdam)
‘Er is geen vastomlijnd model van regie voeren. Binnen elke casus kijk ik naar de persoon en het netwerk eromheen en bepaal dan de strategie. Moet ik op het proces zitten, of juist meer op het contact met de persoon zelf? Doen wat nodig is staat altijd centraal. Het doel van ons werk is om gedragsverandering bij de persoon te bereiken, dat doe ik door veel energie te steken in persoonlijk contact, zowel met de persoon als met het netwerk. Onze doelgroep vraagt om een lange adem, en dus ook van ons als professionals om door te zetten. Des te belangrijker dat we elkaar als netwerkpartners vertrouwen en er gelachen kan worden. Je moet het immers toch lang volhouden met elkaar.’
‘Ik ben een regisseur in hart en nieren. Waarom? Nou, van netwerkpartners en personen in de aanpak krijg ik terug dat ik betrouwbaar ben, oprecht ben, betrokken ben, beschik over veel kennis van het sociaal domein en goed samenwerk. Ik investeer heel veel in de betrokkenheid en betrouwbaarheid. Een kaartje sturen als iemand is geslaagd, mijn telefoon na 5 uur nog opnemen of vaak op huisbezoek gaan. Leidend in het werk is de persoon in regie - ongeacht wat diegene op zijn kerfstok heeft. De mens centraal, daar gaat het om. Als ik mensen vertel over mijn werk dan is de eerste reactie altijd: waarom krijgt een crimineel juist zoveel extra’s, zoveel aandacht? “Ja,” zeg ik dan, “als iedereen zijn handen van die persoon aftrekt, dan komt het nooit meer goed.” Iemand pleegt niet van de ene op de andere dag delicten. Dan moet je ook niet de illusie hebben dat je dat gedrag direct kan veranderen. Een lange adem is nodig. Relatief kleine successen moet je daarom koesteren en verder zien uit te breiden.’
52
10 jaar Top600
Professionals: Aan het woord
Dat we gezinnen helpen, daarvan ben ik overtuigd Niet alleen de Top600-aanpak, maar ook het Preventief Interventie Team van de gemeente Amsterdam, beter bekend als het PIT, bestaat dit jaar tien jaar. Het PIT streeft naar het zo vroeg mogelijk ondersteunen van ouders en leerkrachten om gedragsproblemen bij kinderen aan te pakken. Daarnaast heeft het team al tien jaar lang speciale aandacht voor de broertjes, zusjes of minderjarige kinderen van personen in de Top600 en Top400. PIT-medewerker Joyce Warmerdam over wetenschappelijke screening, geduld en een nieuw stapelbed.
Joyce Warmerdam (PIT)
10 jaar Top600
53
54
10 jaar Top600
Preventief Joyce Warmerdam: ‘Het PIT kent twee soorten aanpakken: De Top600-/Top400-aanpak en de Scholenaanpak. Bij de Top600-/Top400-aanpak gaan we af op gezinnen waarvan een zoon of dochter of een ouder op de lijst staat en daar kijken we: hoe gaat het met de andere kinderen tussen de acht en de achttien jaar in het gezin (de GGD richt zich op de kinderen tussen 0 en 8 jaar oud om negatieve invloed te voorkomen, red.)? Door de gezinnen te ondersteunen in wat ze nodig hebben, proberen we zo te voorkomen dat broertjes of zusjes ook afglijden naar de criminaliteit. Preventief dus. Uit het onderzoek ‘In de Nesten’ (van de GGD Amsterdam uit 2014, red.) kwam onder andere naar voren dat veel van de problemen al op scholen werden gesignaleerd, maar er dat er geen partij was die daar op de juiste manier bij kon ondersteunen. Dit bevestigde voor ons de noodzaak van de inzet van het PIT. In samenwerking met scholen proberen wij kinderen met gedragsproblemen zo vroeg mogelijk te helpen - een succesvolle schoolcarrière maakt de kans om in de criminaliteit te komen immers weer kleiner.’ Wetenschappelijke screening ‘De aanpak van het PIT is gericht op kinderen met externaliserende gedragsproblemen: gedrag dat naar buiten gericht is, zoals niet luisteren naar regels, boosheid en brutaal zijn. Op dat gedrag heeft de Universiteit Leiden een gerichte screening ontwikkeld.
Deze screening brengt in kaart hoe het kind de wereld om zich heen begrijpt en het helpt ons om het gedrag te verklaren. In die screening bekijken twee onderzoekers van de universiteit in hoeverre een kind in staat is dingen te begrijpen, zich in te leven in het gedrag van anderen en het eigen gedrag te reguleren, maar ook hoe de normen en waardenontwikkeling van een kind is. In andere woorden: in hoeverre is een kind in staat zich aan te passen aan zijn omgeving en hoe valt het gedrag te verklaren? Dit levert een profiel op van de sterke en ontwikkelpunten van een kind.’ Sociale leerbaarheid Op basis van de screening en een omgevingsanalyse adviseert het PIT ouders en andere betrokkenen, zoals de Top600-regisseur, hoe zij het beste met het betreffende kind om kunnen gaan, wat de verklaring voor het gedrag is en hoe zij hem of haar het beste kunnen ondersteunen. ‘Wij zien veel kinderen die beoordeeld en
Professionals: Aan het woord
veroordeeld worden op hun gedrag. “Doe niet zo boos” of “luister eens” horen ze vaak, maar wij geloven erin dat dit symptomen zijn van onderliggende problematiek. Als je niet op zoek gaat naar de onderliggende problematiek krijgt een kind sneller nieuwe faalervaringen. Ons streven is om kinderen zo vroeg mogelijk passende hulpverleningstrajecten aan te bieden. Als je vanaf de start een goed beeld hebt van wat het kind nodig heeft, dan kun je een succeservaring creëren die belangrijk is voor een kind met vaak al een beschadigd zelfbeeld. Vaak is het een bewustwordingsproces: dit is wat het kind aankan en je kan dan niet alles van hem of haar vragen. Bij overvraging keert een kind zich naar binnen, of - vooral jongens - naar buiten. Naast dat wij uitleggen waar het gedrag vandaan komt en een advies aan de omgeving geven, kijken wij ook of de sociale leerbaarheid verder ontwikkeld kan worden. Beheersen van de impulsen, verplaatsen in iemand anders of het aanleren van alternatief gedrag zijn hier voorbeelden van.
Binnen het PIT bieden wij gedragsinterventies hiervoor aan, maar we kijken ook naar andere beschikbare interventies binnen Amsterdam om zo de beste match in het belang van het kind te maken.’ Zo snel mogelijk op de bank ‘Als een persoon op de Top600- of Top400-lijst komt en hij of zij heeft broertjes, zusjes of minderjarige kinderen, dan krijgen wij automatisch een melding van het Actiecentrum Veiligheid en Zorg. Wij zoeken dan contact met de regisseur en de andere hulpverleners. Vanaf het moment dat het gezin bij ons bekend is en duidelijk is dat er minderjarige kinderen zijn die onze ondersteuning nodig hebben, willen we zo snel mogelijk bij gezin op de bank zitten. Als een gezinslid delicten pleegt en vervolgens op de lijst Top600 of Top400 komt, gebeurt er veel en krijgt die persoon en het gezin extra aandacht. Voor ouders en broertjes en zusjes kan dat verwarrend of beangstigend zijn. Wij willen hen daarin ondersteunen. De ene ouder is heel blij met ons aanbod om mee te denken. Laatst kwam ik bij een moeder in Noord die riep: “O eindelijk, kom binnen! Ik heb er nog vier!” De andere ouder is juist argwanend en zegt: “Waarom? Met mijn andere kinderen is niets aan de hand.”
55
10 jaar Top600
Altijd een omgevingsanalyse ‘Bij de broertjes en zusjes van Top600-personen komt het in sommige gevallen ook tot een screening, maar we zetten in de eerste plaats in op een omgevingsanalyse. Die maken we altijd. Wat voor gezin is het? In welke buurt wonen ze? Welke opvoedstijl hanteren de ouders? Hoe ziet hun netwerk eruit? Top600-gezinnen zijn heel verschillend. Van gezinnen die kampen met werkeloosheid en schulden, waarvan de vader en moeder zelf een onveilige jeugd hebben gehad, tot een enkel modelgezin waarbij dat soort problemen niet spelen. Daarom proberen we in elk gezin opnieuw te kijken wat we kunnen betekenen. Soms hebben ouders heel veel vragen over de Top600 of Top400 en proberen we hen daar antwoorden op te geven of naar de regisseur te verwijzen. Soms schakelen we aanvullende hulpverlening of begeleiding in als dit nodig is. Maar soms kunnen we ook juist in heel praktische dingen iets betekenen: niet zo lang geleden was ik in een gezin waarin een puberbroer en -zus een eenpersoonsbed moesten delen, voor hen heb ik een fonds aangeschreven en financiering geregeld om een stapelbed te kopen zodat ze met energie naar school gaan. We bereiken altijd wel iets met een gezin: het zijn soms de kleine dingen die grote impact maken.’ Niet streng zijn, maar bewust maken ‘Het bijzondere aan het PIT is dat onze hulp niet verplicht is.
Een essentieel onderdeel van ons werk is dat we een lange adem hebben waarbij we ons soms aan moeten passen aan het tempo dat gezin nodig heeft voor het aangaan van de hulpverlening vanuit het PIT. Blijven zoeken naar een moment waarop we in contact kunnen komen met een gezin waar de deur in eerste instantie niet opengaat. Blijven bellen met ouders die zeggen dat alles goed gaat, om te horen of dat nog steeds het geval is, of dat we iets kunnen betekenen. We proberen altijd aan te sluiten bij de hulpbehoeften van ouders, waarbij we tegelijkertijd duidelijk en eerlijk zijn over de bestaande zorgen. Hen bewust proberen te maken van het feit dat ze invloed hebben. Hoe kun je als ouder zorgen dat je kind minder spanning ervaart? Welke boodschap geef je af als je als ouder lacherig doet over je eigen criminele verleden? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat een andere zoon toch zijn VMBO afmaakt?’
‘Uit onderzoek naar de effectiviteit van het PIT blijkt dat bij 70 tot 80 procent van de kinderen een significante afname van grensoverschrijdend en agressief gedrag te zien is na zes en twaalf maanden. Dit ervaar ik ook in de praktijk, want dat we gezinnen helpen, daarvan ben ik overtuigd.’ Joyce Warmerdam heeft een achtergrond in de pedagogiek en werkte eerder in de jeugdbescherming en de intensieve gezinsbegeleiding. Ze werkt sinds 2015 voor het PIT.
Van Zonneveld (2019). Early Intervention in children at high risk of future criminal behaviour, indications form neuro cognitive and neuroaffective mechanisms, 90-107. https://scholarlypublications.universiteitleiden.nl/access/ item%3A2980576/view
“Door gezinnen te ondersteunen, proberen we te voorkomen dat broertjes en zusjes ook afglijden.”
56
10 jaar Top600
In beeld: Top600-aanpak
10 jaar Top600
beeld en tekst: Jan Rothuizen
57
58
Column Sigrid van de Poel (bestuurder Jeugdbescherming Regio Amsterdam)
10 jaar Top600
Column: Sigrid van de Poel
10 jaar Top600
59
Van verstandshuwelijk naar succesvolle samenwerking Het was tien jaar geleden geen liefde op het eerste gezicht tussen de Top600 en Jeugdbescherming Regio Amsterdam. Hoewel wij het plan van toenmalig burgemeester Eberhard van der Laan om het aantal zware (gewelds)delicten in Amsterdam terug te brengen toejuichten, zagen we de uitvoering anders. Zo pleitte Van der Laan voor een aanpak gericht op het individu. Ook zag hij de Top600 als een project waar bij voorkeur gespecialiseerde mensen op moesten worden gezet. Deze twee uitgangspunten stonden haaks op de transformatie die Jeugdbescherming in 2011 doormaakte, waarbij we van specialistische jeugdbeschermers, jeugdhulpverleners en jeugdreclasseerders overstapten naar generiek gezinsgericht werken met allround gezinsmanagers. De gedachte hierachter was dat alle gezinnen die bij Jeugdbescherming komen - ongeacht via welke weg - in de basis worstelen met dezelfde problemen. Verder richtte onze werkwijze zich niet alleen op de jongere in kwestie, maar op het hele gezin. Een aanpak die zich blijft ontwikkelen Ondanks de verschillen van inzicht, kwam de Top600 er toch. Gelukkig wel. Want wat begon als een verstandshuwelijk, is uitgegroeid tot een effectieve aanpak van straf en zorg, met aantoonbare impact op de High Impact Crime in Amsterdam.
Juist die combinatie van straf én kijken naar wat een pleger nodig heeft om weer mee te kunnen doen in de maatschappij, maakt de Top600 succesvol. Een grote winst, is dat de betrokken partners elkaar goed hebben leren kennen. We zijn naar elkaar toegegroeid in een werkwijze die ieders stempel draagt. Zo is er meer oog gekomen voor het netwerk waarbinnen plegers opgroeien, inclusief aandacht voor broertjes en zusjes. Vanuit die gedachte is ook de Top400 ontstaan, waarbij we in een vroeger stadium aansluiten bij gezinnen en zo nog meer focussen op preventie. Andersom heeft Jeugdbescherming uiteindelijk inderdaad een speciaal Top600-team ingericht. Al legt de reden waarom voor mij vooral een verbeterpunt bloot: ons jeugdstrafrecht is zo ingewikkeld dat je inderdaad een expert op het gebied van wetgeving moet zijn, om alle ins en outs te kennen. Terwijl niet de complexiteit van ons jeugdstrafrecht leidend zou moeten zijn: de problemen van kinderen en de gezinnen waarin zij opgroeien horen leidend te zijn in dat wat we vragen aan kennis en expertise van onze professionals. En die problemen, zo bevestigt onderzoek naar de Top600, zijn voor jongeren binnen de jeugdreclassering en jeugdbescherming inderdaad hetzelfde: velen groeien op in een omgeving van huiselijk geweld of kindermishandeling en met een trits aan hulpverleners.
Precies daarom blijven wij pleiten voor transparante wetgeving, een andere inrichting van de strafrechtketen en een generieke aanpak waarbij we met elkaar om gezinnen heen staan om dat te doen wat nodig is. Iedereen een hoek Mijn toekomstwens voor de Top600? Dat deze lijst ooit overbodig wordt omdat we ingrijpen, ver voordat situaties binnen gezinnen escaleren. Dat we ons als maatschappij niet langer laten verrassen door jeugdigen die ‘uit het niets’ een zwaar delict lijken te plegen, maar ons bewuster worden van onze gezamenlijke taak om kinderen te beschermen tegen huiselijk geweld of kindermishandeling. Want dát zijn de risicofactoren waar we alert op moeten zijn, willen we geweld in de toekomst voorkomen. Dit kunnen we alleen samen, met de hulp van de hele maatschappij. Of zoals Eberhard van der Laan tijdens een overleg over criminaliteit ooit zei: “We zitten hier aan een grote tafel. Als je die door het raam wilt gooien, lukt dat niet. Maar als we allemaal een hoek pakken, ligt hij zo buiten.”
60
10 jaar Top600
Gezichten van de aanpak: De regisseurs
“In eerste instantie is het proces eromheen - dus de samenwerking met de netwerkpartners - voor mij het meest belangrijk.” Paul (regisseur vanuit Reclassering Nederland)
61
10 jaar Top600
“Ik ben trots op het feit dat we met zoveel verschillende organisaties samenwerken - steeds weer opnieuw.” Hester (regisseur vanuit Leerplicht, gemeente Amsterdam)
‘In ons werk is het belangrijk dat je optimistisch bent. Dat je stilstaat bij de vaak kleine - maar positieve stappen, met de netwerkpartners en de persoon zelf. De personen in mijn caseload krijgen vaak negatieve dingen terug van hun omgeving, bij het positieve moet je daarom ook zeker met hen stilstaan. Ik ben trots op het feit dat we met zoveel verschillende organisaties samenwerken – steeds weer opnieuw. Samen die bereidheid en betrokkenheid tonen, en ondanks de verharding in onze doelgroep, de mens blijven zien. Dat doet mij veel. Zelf benadruk ik altijd die gezamenlijkheid. Van de persoon zelf en zijn ouders tot de netwerkpartners, ik probeer altijd het bewustzijn te stimuleren dat we het samen moeten doen en iedereen een rol erin heeft.’ ‘Regie voer ik veelal op afstand van de Top600-persoon. Tuurlijk, ben ik altijd bereikbaar, op belangrijke momenten zeker en wanneer er echt behoefte aan is, dan zoek ik de ontmoeting op. Maar in eerste instantie is het proces eromheen – dus de samenwerking met de netwerkpartners – voor mij het meest belangrijk. Gezamenlijk een doel formuleren en een plan van aanpak opstellen, mensen met elkaar in verbinding brengen en elkaar vooral niet in de weg zitten. Ja, dat is een uitdaging, maar dat lukt mij vaak goed. Dat houdt mij gemotiveerd in mijn werk en daar ligt mijn kracht.’
62
10 jaar Top600
Professionals: Aan het woord
10 jaar Top600
Van de beschermde afdeling naar hartje Amsterdam
‘Ik stel m’n toren wel beschikbaar,’ zei Pierre Stalman (de toenmalige directeur van de Bijlmerbajes, red.) tien jaar geleden tegen burgemeester Van der Laan. Een unieke actie: alle jongens bij elkaar in de Bijlmerbajes, andere inrichtingen verklaarden Van der Laan en Stalman voor gek. Toch deden ze op de Top600-afdeling de afgelopen tien jaar iets goed. De eerste lichting Top600-personen hebben ze niet terug gezien en andere inrichtingen hebben delen van de aanpak overgenomen. Zorgen zijn er vooral over de samenleving waar de jongeren naar terugkeren en waar een nieuwe generatie veelplegers opstaat: ‘Jongeren verharden, omdat de samenleving verhardt. Over tien jaar lopen ze niet met messen, maar met pistolen.’ Simone, Dick en Marcel (JC Zaanstad)
63
64
10 jaar Top600
Professionals: Aan het woord
Tien jaar geleden stuurden Simone (projectleider Justitieel Complex Zaanstad) en Dick (afdelingshoofd van de Top600afdeling) alle PIW’ers (penitentiair inrichtingswerkers, die een belangrijke rol spelen bij de dagelijkse zorg, beveiliging en bewaring van gedetineerden, red.) van de Bijlmerbajes een mail met de vraag wie op de nieuwe Top600-afdeling wilde komen werken. Ze kregen enkele mails terug, en één daarvan was van Marcel: ‘Ik had wel zin in een uitdaging.’ Nu zitten ze met z’n drieën bij elkaar in het kantoor van Simone in JC Zaanstad en herinneren zich die eerste jaren met een mengeling van enthousiasme en soms ook frustratie. Zo lukte het in de Bijlmerbajes in eerste instantie niet om een aparte afdeling op te richten en zaten de Top600-jongeren wel allemaal in dezelfde inrichting, maar allemaal verspreid. ‘Dat werkte niet zoals we wilden,’ aldus Simone. ‘We raakten die jongeren kwijt. Of ze kregen keer op keer een rapport voor hun gedrag, of ze werden onderdrukt door de slimmere jongens of ze lagen op hun cel met de deur dicht.’ Dick: ‘Veel van die Top600jongens, het zijn bijna altijd jongens, hebben een grote mond en heftige delicten gepleegd, waardoor de eerste indruk is: die redden zich wel binnen de bajes. Maar die redden zich dus helemaal niet. Achter het gedrag van de meesten zit een kwetsbaar, angstig persoon.
Veel zijn nog vrij jong en beseffen nog niet eens wat ze gedaan hebben. Dat komt pas later.’ Marcel: ‘Ja, dan heb je het over de grote groep. Zo’n zeventig procent is kwetsbaar, maar er
65
10 jaar Top600
zijn ook een aantal echte leiders bij.’ Simone: ‘Dan hebben we het over de hardnekkigen en doorgroeiers naar drugscriminaliteit, waarvan we lang nog niet goed wisten: wat kunnen we met hen en welke interventies zetten we gezamenlijk in? Hiervoor hebben we nu onder meer een gezamenlijk motivatie project opgezet voor gedetineerden en bevorderen we ook de deskundigheid van het personeel. Een mooie samenwerking tussen de Dienst Justitiële Inrichtingen en de gemeente als je het mij vraagt!’ Ook voor de netwerkpartners die de basis van de Top600aanpak vormen, werkte het niet toen de jongeren verspreid zaten, herinneren Simone, Marcel en Dick zich. Die hadden een vast aanspreekpunt, afdelingshoofd en een goede groep PIW’ers nodig om goed samen te kunnen werken. De afdeling kwam er, maar dat had wel wat voeten in de aarde. Plotseling zagen de PIW’ers zich geconfronteerd met een heel andere groep gedetineerden. Marcel: ‘De eerste twee jaar waren het drie Top600-afdelingen en na een tijdje zag je een aantal PIW’ers denken: Als ik dit nog vijf jaar doe, ga ik kapot. Het zijn allemaal jongens tussen de achttien en vijfentwintig hè. Die van links naar rechts stuiteren. Jonger dan gemiddeld, een lager IQ dan gemiddeld, impulsiever dan gemiddeld. Veel zijn thuis mishandeld. Die jongens proberen veel meer uit dan andere gedetineerden.