CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Eindrapport Versterken integrale aanpak voor plegers van HGKM en seksueel geweld 2024.pdf

RAAD 18 juli 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Voortgangsrapportage 2023 Regioaanpak Veiligheid voor Elkaar (2020-2024) (VN2024-010209)11.145 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Versterken integrale aanpak voor plegers van HGKM en seksueel geweld Regio Amsterdam-Amstelland

Versterken van een integrale aanpak voor plegers HGKM en seksueel geweld Regio Amsterdam-Amstelland

- EINDRAPPORT -

Auteurs Britt van den Berg René Haring Frank Kriek Caroline Mobach Eline Verbeek

Amsterdam, 6 maart 2024 Publicatienr. 22176

© 2024 Regioplan, in opdracht van de gemeente Amsterdam Het gebruik van cijfers en/of teksten als toelichting of ondersteuning in artikelen, scripties en boeken is toegestaan mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/ of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Regioplan. Regioplan aanvaardt geen aansprakelijkheid voor drukfouten en/of andere onvolkomenheden.

Inhoudsopgave 1 Inleiding

1

2 Analysekader plegeraanbod 2.1 Huiselijk geweld en kindermishandeling 2.2 Seksueel geweld 2.3 Randvoorwaarden 2.4 Factoren voor bejegening

4 4 5 5 7

3 Stand van zaken huidige plegeraanbod 3.1 Analysekader 3.2 Randvoorwaarden 3.3 Bejegeningsfactoren

10 10 11 14

4 Conclusies en aanbevelingen 4.1 Conclusies 4.2 Aanbevelingen

17 17 19

Bijlage 1 Ingevuld analysekader huiselijk geweld en kindermishandeling

24 24

Bijlage 2 Ingevuld analysekader seksueel geweld

25 25

Bijlage 3 Overzicht van organisaties die deel hebben genomen aan het onderzoek

26 26

Inleiding

1

1 Inleiding

In de Regioaanpak Huiselijk Geweld en Kindermishandeling ‘Veiligheid voor Elkaar’ 2020-2024’ (regio Amsterdam-Amstelland) is de ambitie opgenomen om een (bewezen) effectieve en integrale plegeraanpak door te ontwikkelen; een aanpak waarmee (herhaling van) huiselijk geweld, kindermishandeling, seksueel geweld en (ex)-partnergeweld (waaronder stalking) voorkomen kan worden door niet alleen zorg en ondersteuning aan te bieden aan slachtoffers, maar ook aan plegers. Daarvoor is het noodzakelijk dat die zorg en ondersteuning er is, en laagdrempelig, toegankelijk en goed bereikbaar is voor diegenen die dat nodig hebben. Dit vraagt om een brede inventarisatie van het huidige aanbod, een analyse van het huidige functioneren van dat aanbod en aansluitend het benoemen en beschrijven van de mogelijkheden om dat aanbod nog beter te laten aansluiten bij de vraag naar en behoefte aan zorg en ondersteuning voor (potentiële) plegers. Regioplan heeft van de directie Onderwijs, Jeugd, Zorg en Diversiteit in samenwerking met het Actiecentrum Veiligheid en Zorg van de gemeente Amsterdam de opdracht gekregen om deze inventarisatie uit te voeren en aansluitend te benoemen welke verbetermogelijkheden er zijn en hoe die mogelijkheden het beste benut kunnen worden (door wie en onder welke voorwaarden). We hebben dit onderzoek uitgevoerd aan de hand van een analysekader.

Dat kader (opgenomen in hoofdstuk 2) vormt de kapstok waar we de onderzoeksactiviteiten aan hebben ophangen en heeft het onderzoek structuur gegeven. Binnen deze structuur wordt duidelijk aan de hand van welke criteria het hulpaanbod voor plegers van HGKM vorm moet krijgen, waarbij ook rekening gehouden wordt met een aantal in landelijke kaders vastgestelde dan wel aanbevolen randvoorwaarden en kwaliteitseisen. Het analysekader hebben we opgebouwd langs de volgende lijnen: 1. de Bouwstenen Plegeraanbod in vrijwillig kader huiselijk geweld en kindermishandeling (HGKM); 2. het proces van signalering – interventie en hulpverlening (met daarbinnen de fasering1 directe veiligheid/veiligheidsplan, risico-gestuurd/hulpverleningsplan, herstelgericht) – nazorg (na afronding traject); 3. het vrijwillig en verplicht kader (kan zijn strafrecht, bestuursrecht, civiel recht); 4. kennis over wat werkt uit bestaand onderzoek. Die kennis is deels verwerkt in de Bouwstenen, maar ook los daarvan, zoals via het langlopende onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut naar de aanpak van HGKM en bijvoorbeeld het onderzoek naar de werkwijze en resultaten van peersupport bij hulp aan plegers van huiselijk geweld van Arno van Dam & Janneke Aerts (2022). Een belangrijk doel van de opdrachtgever met dit onderzoek was en is om onder andere de effectiviteit van het aanbod te versterken.

De invulling van effectiviteit komt terug in de regiovisie, waar de ambities van de aanpak in staan: • HGKM is zichtbaar, bespreekbaar en ieders verantwoordelijkheid; • verantwoord ouderschap en veilige relaties; • geweld stoppen en structureel oplossen. Aan deze ambities zijn doelen gekoppeld; het aanbod voor plegers moet bijdragen aan deze doelen, wil het effectief zijn (denk bijvoorbeeld aan het voorkomen van recidive). We hebben kennis uit bestaand onderzoek gebruikt en deze aangevuld met interviews met experts op het gebied van huiselijk geweld en kindermishandeling en seksueel geweld en ervaringsdeskundigen op het gebied van huiselijk geweld en kindermishandeling om te komen tot randvoorwaarden voor effectiviteit, oftewel: randvoorwaarden die bijdragen aan het realiseren van deze doelen, bezien vanuit het perspectief van de hulp aan plegers ‘als deel van het geheel’. We zijn in april 2023 gestart met het onderzoek door een literatuuranalyse uit te voeren die we hebben gebruikt om het analysekader op te bouwen. Parallel hieraan hebben we vier landelijke experts geïnterviewd om het analysekader met hen door te spreken en waar nodig aan te scherpen. Dit analysekader hebben we vooraf toegestuurd aan de genodigden van de eerste bijeenkomst en gepresenteerd tijdens 1 Deze fasering is opgebouwd conform de visie gefaseerd samenwerken aan veiligheid van Stichting Civil Care.

1

een fysieke startbijeenkomst met alle betrokken partners bij de aanpak van plegers van seksueel geweld en huiselijk geweld en kindermishandeling in de regio Amsterdam-Amstelland. Tijdens deze bijeenkomst hebben we hen ingelicht over het onderzoek, het analysekader aan hen voorgelegd en hebben ze de ruimte gekregen om input en feedback op het analysekader te geven. Aansluitend hieraan hebben de partners hun eigen werkzaamheden ingevuld in dit kader. Hierdoor kregen we een eerste inzicht in het plegeraanbod in de regio Amsterdam-Amstelland, onderscheiden naar enerzijds huiselijk geweld en kindermishandeling en anderzijds seksueel geweld, de verschillende vormen van geweld en de verschillende fasen in de aanpak. We hebben de partners gevraagd relevante documentatie over hun eigen aanbod, het functioneren daarvan en de behaalde resultaten aan ons toe te sturen zodat wij ons konden voorbereiden op de interviews. Vervolgens hebben we de partners geïnterviewd met als doel hun eigen aanbod te typeren aan de hand van het analysekader en met hen de verbetermogelijkheden te bespreken. De resultaten hiervan zijn weergegeven in bijlage 1 en 2. We hebben het onderzoek afgerond met een fysieke slotconferentie (september 2023) waarin we de resultaten van het onderzoek hebben gepresenteerd en de verbetermogelijkheden hebben besproken. De opbouw van het rapport is als volgt.

In hoofdstuk 2 presenteren we het analysekader, hoofdstuk 3 beschrijft de huidige stand van zaken met betrekking tot het plegeraanbod in Amsterdam-Amstelland en in hoofdstuk 4 hebben we de conclusies en aanbevelingen voor verbetermogelijkheden beschreven. De ingevulde analysekaders staan vermeld in bijlage 1 en 2. Bijlage 3 biedt een overzicht van de partners die meegewerkt hebben aan dit onderzoek.

2

Analysekader Plegeraanbod

2

2 Analysekader plegeraanbod

In dit hoofdstuk presenteren we het analysekader dat we hebben gebruikt om het plegeraanbod in de regio Amsterdam-Amstelland te analyseren. We hebben daarbij een onderscheid gemaakt tussen huiselijk geweld en kindermishandeling enerzijds en seksueel geweld anderzijds. De analysekaders zijn in eerste instantie gebaseerd op de literatuurstudie en de interviews met experts op het gebied van HGKM en seksueel geweld. Vervolgens hebben de aanbieders en verwijzers in Amsterdam-Amstelland tijdens de bijeenkomst hierop kunnen reageren en feedback kunnen geven. Hun input is verwerkt, waardoor het analysekader in samenspraak met de organisaties tot stand is gekomen. Tevens hebben we op basis van de literatuuranalyse de randvoorwaarden voor het functioneren van het plegeraanbod toegevoegd en ook de zogenoemde bejegeningsfactoren opgenomen: wat is er nodig in de bejegening van plegers om het aanbod zo effectief mogelijk in te kunnen zetten? Ook hier hebben de aanbieders en verwijzers de mogelijkheid gehad, om feedback te geven op de gepresenteerde randvoorwaarden en deze waar nodig aan te vullen. In paragraaf 2.1. en 2.2. hebben we de analysekaders opgenomen die een kwantitatief inzicht bieden in het aanbod voor plegers van respectievelijk HGKM en seksueel geweld. In paragraaf 2.3.

beschrijven we de randvoorwaarden voor het optimaal laten functioneren van het plegeraanbod en in paragraaf 2.4. beschrijven we de bejegeningsfactoren.

2.1 Huiselijk geweld en kindermishandeling Onderstaande tabel biedt de mogelijkheid het plegeraanbod te typeren aan de hand van de diverse vormen van HGKM en de verschillende fasen in de aanpak. De aanbieders van plegeraanbod én de verwijzers kunnen aan de hand van dit kader hun eigen aanbod positioneren annex typeren.

Overlap partnergeweld en kindermishandeling

Overig huiselijk geweld

Ouderenmishandeling (ouder dan 65jr)

(Ex-) partnergeweld

Geweld tegen ouders door hun kinderen

Analysekader voor overzicht aanbod plegeraanpak HG/KM1

Kindermishandeling

Tabel 2.1

Preventie Signalering Directe veiligheid/ veiligheidsplan Risicogestuurde zorg/ hulpverleningsplan Herstelgerichte zorg Nazorg 1

De indeling naar type geweld is gebaseerd op de indeling in de Impactmonitor aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling 2021 van het CBS.

De aanbieders en verwijzers met hulpaanbod voor plegers van huiselijk geweld en kindermishandeling in Amsterdam-Amstelland hebben hun eigen aanbod getypeerd aan de hand van het analysekader in tabel 2.1. De resultaten hiervan zijn weergegeven in paragraaf 3.1.

4

2.2 Seksueel geweld Aan de hand van dit kader kunnen de aanbieders van een aanbod voor plegers van seksueel geweld en de verwijzers hun eigen aanbod typeren en positioneren.

Seksueel geweld binnen het gezin

Overig seksueel geweld

Seksuele uitbuiting/ mensenhandel

Groepsgeweld

Hands-off geweld tegen volwassenen

Hands-off geweld tegen kinderen

Hands-on geweld tegen kinderen

Analysekader voor overzicht aanbod plegeraanpak seksueel geweld

Hands-on geweld tegen volwassenen

Tabel 2.2

Preventie Signalering Directe veiligheid/ veiligheidsplan Risicogestuurde zorg/ hulpverleningsplan Herstelgerichte zorg Nazorg

De aanbieders met hulpaanbod voor plegers van seksueel geweld in Amsterdam-Amstelland hebben hun eigen aanbod getypeerd aan de hand van het analysekader in tabel 2.2. Ook de verwijzers hebben hun werkzaamheden in het analysekader geplaatst. De resultaten hiervan zijn weergegeven in paragraaf 3.1.

2.3 Randvoorwaarden Uit de literatuur komen enkele randvoorwaarden voor de effectiviteit van het hulpaanbod naar voren. Deze voorwaarden, weergegeven in onderstaande tabel, gelden zowel voor plegers van huiselijk geweld en kindermishandeling als voor plegers van seksueel geweld. In deze paragraaf worden de randvoorwaarden toegelicht. Randvoorwaarden A. De inzet van de ervaringsdeskundigheid van ex-plegers B. Integrale (multidisciplinaire, domeinoverstijgende) aanpak C. Systeemgerichte aanpak D. Voldoende expertise bij professionals, onder andere in de lokale teams E. Samenwerking tussen partijen: • Het werken via de visie gefaseerd samenwerken aan veiligheid • Het werken met de TOP-3 methodiek

De inzet van ervaringsdeskundigheid van ex-plegers De ervaringsdeskundigheid van voormalige plegers kan op verschillende manieren en in verschillende fases van de hulpverlening worden ingezet:2 2 GGD West-Brabant (2021) Ervaring met ervaring. De inzet van ervaringsdeskundigen binnen huiselijk geweld-situaties geëvalu-

eerd. 2018-2020/ GHNT (2021) Focus op de pleger – deel van het geheel.

5

• Het bevorderen van motivatie: De ervaringsdeskundige kan een belangrijke rol spelen, doordat deze herkenning biedt zonder oordeel en de pleger de ruimte voelt om open te zijn. De hulp die de ervaringsdeskundige kan bieden is daardoor laagdrempelig. Ervaringsdeskundigen kunnen ingezet worden om een ingang bij een pleger te creëren, deze te motiveren en het contact te onderhouden. • Deskundigheidsbevordering bij professionals en beleidsmakers: Ex-plegers kunnen het handelen van de professionals vanuit het perspectief van de cliënt bekijken en hier kritisch op reflecteren. Het perspectief dat de ervaringsdeskundige toevoegt kan de communicatie en bejegening door professionals verbeteren. De inzet van ervaringsdeskundigen zorgt ook voor meer bewustwording bij de professional over alle aspecten van huiselijk geweld en kindermishandeling en seksueel geweld. Door een ex-pleger zijn of haar verhaal te laten doen, nemen stigma en taboes af. • Borgen van (directe) veiligheid: Ervaringsdeskundigen kunnen, in aanvulling op de professionals, de pleger handvatten bieden die positief bijdragen aan de veiligheid. Zij kunnen op de juiste wijze het eigen gedrag van de pleger ter discussie stellen, waardoor escalatie kan worden voorkomen. Voor plegers heeft hulp die niet afkomstig is van een professional soms meer impact.

• Lotgenotengroep: Ervaringsdeskundigen kunnen een rol spelen in het bespreekbaar maken van situaties, bijvoorbeeld in de vorm van een lotgenotengroep. In deze setting kunnen (ex-)plegers hun ervaringen en gevoelens delen, waardoor lastige onderwerpen bespreekbaar worden. Een integrale (multidisciplinaire en domeinoverstijgende) aanpak In situaties waar sprake is van huiselijk geweld/kindermishandeling of seksueel geweld speelt vaak ook andere problematiek. Er kan sprake zijn van opvoedproblematiek, werkloosheid, middelenmisbruik, traumaklachten of andere problematiek. In de aanpak is het van belang dat eerst wordt samengewerkt om directe veiligheid te realiseren, dan om risicofactoren weg te nemen en vervolgens om aan herstel te werken (bron: Visie gefaseerd samenwerken aan veiligheid,3 Stichting Civil Care). Hiervoor is het van belang om integraal te werken en risicofactoren te herkennen. In de literatuur zijn enkele voorwaarden voor de inrichting van een integrale aanpak geformuleerd:4 • Veiligheid in het gezin is de verantwoordelijkheid van iedereen. • Het bespreekbaar maken vraagt om een heldere probleemdefiniëring. • Zorgvuldige screening van de problematiek zodat de juiste hulp geboden wordt. • Er moet meer aandacht zijn voor de gevolgen voor de kinderen. • Begeleiding is een kwestie van een lange adem hebben.

Systeemgerichte aanpak Een systeemgerichte aanpak, waarbij er ook gerichte aandacht voor plegers binnen het systeem is, is een voorwaarde voor effectief hulpaanbod. De systeemgerichte aanpak kan bijdragen aan duurzame veiligheid. Hiervoor is het van belang dat professionals uit verschillende domeinen elkaar weten te vinden en dat professionals met verschillende expertises samenwerken. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat niet in alle situaties een systeemgerichte aanpak hetzelfde kan worden vormgegeven. In situaties van dwingende controle bijvoorbeeld, kan systeemtherapie leiden tot meer schade. De systeemgerichte aanpak is daarom maatwerk.5 Voldoende expertise bij professionals, onder andere in de lokale teams De uitvoerende professionals moeten over voldoende expertise beschikken om hun werk naar behoren te kunnen uitvoeren. Dat betekent dat zij: • in staat moeten zijn om te werken vanuit een integrale analyse van de (onderliggende) oorzaken en achtergronden van HGKM en seksueel geweld om vanuit die analyse te kunnen bepalen hoe zij hun eigen aanbod het beste kunnen inzetten; • op de hoogte moeten zijn van het totale aanbod om eventuele samenwerking met andere aanbieders aan te kunnen gaan als dat nodig is; • goed in staat moeten zijn om de pleger op de juiste manier te kunnen bejegenen.

3 https://vng.nl/sites/default/files/2021-01/20210125-visie-gefaseerd-samenwerken-aan-veiligheid-def.pdf 4 Verwey Jonker Instituut (2020). Kwestie van lange adem. Kan kindermishandeling en huiselijk geweld echt stoppen? 5 GHNT (2021) Focus op de pleger – deel van het geheel.

6

Samenwerking tussen partijen Voor een goede samenwerking tussen partijen is het noodzakelijk dat de aanbieders en verwijzers in de regio elkaar goed kennen en op de hoogte zijn van de expertise en het aanbod van de andere aanbieders. Wanneer alle aanbieders en verwijzers met de visie ‘Gefaseerd samenwerken aan veiligheid’ en de TOP-3 methode werken, bevordert dit de samenwerking. De samenwerking tussen partijen kan verbeteren wanneer deze gefaciliteerd wordt. De gemeente kan hier een rol in spelen.

2.4 Factoren voor bejegening Uit de literatuur komen enkele factoren voor bejegening van professionals naar plegers naar voren die bijdragen aan de effectiviteit van het hulpaanbod. Deze factoren, weergegeven in onderstaande tabel, gelden zowel voor de bejegening van plegers van huiselijk geweld en kindermishandeling als voor de bejegening van plegers van seksueel geweld. In deze paragraaf worden de factoren voor bejegening toegelicht. Factoren voor bejegening A. Traumasensitief B. Aandacht voor genderdiversiteit C. Aandacht voor LHBTIQA+ D. Aandacht voor cultuurdiversiteit E. Aandacht voor licht verstandelijke beperking (LVB) F. Juiste attitude G. Het aanbod is snel en laagdrempelig beschikbaar H. Aanbod duurt voort zo lang als nodig is

Traumasensitief Traumasensitief werken houdt in dat er in de aanpak rekening wordt gehouden met de rol die trauma’s kunnen spelen. Trauma’s kunnen relaties beïnvloeden. Ook de geweldsdynamiek kan beïnvloed worden door trauma’s van de pleger. Naast het herkennen van trauma’s is het ook belangrijk dat wanneer trauma’s worden geconstateerd deze worden behandeld als ze van invloed zijn op de risicofactoren voor geweld. Aandacht voor genderdiversiteit Het is in de bejegening belangrijk om oog te hebben voor de behoeften die gekoppeld kunnen zijn aan gender. Bij mannen is bijvoorbeeld een belangrijke behoefte dat zij gehoord worden en er mogen zijn. Het aansluiten bij die genderspecifieke behoeften is een belangrijke factor voor een juiste bejegening. Aandacht voor LHBTIQA+ Er moet in de aanpak aandacht zijn voor de identiteit en persoonskenmerken van de pleger, waaronder gender en seksuele identiteit. Hiervoor dient aandacht in de aanpak ingeruimd te worden. Dit maakt deze aanpak toegankelijker voor plegers met een LHBTIQA+-achtergrond. Aandacht voor cultuurdiversiteit In de bejegening moet rekening gehouden worden met de culturele achtergrond van de pleger en de normen, waarden en opvattingen die daar onderdeel van zijn.

Aandacht voor licht verstandelijke beperkingen (LVB) Wanneer een pleger een licht verstandelijke beperking (LVB) heeft, vraagt dit om een andere benadering door de hulpverleners. Het succes van de behandeling is veelal afhankelijk van het contact tussen de pleger en de behandelaar. Dit contact leggen kan moeilijk zijn, omdat deze doelgroep vaak wordt overschat. Hier moeten professionals rekening mee houden. Ook moet het tempo van de behandeling mogelijk worden aangepast.6 6 Groenewold, Dijkstra & Jansen (2019). De behandeling van jongeren met een licht verstandelijke beperking en seksueel grens-

overschrijdend gedrag.

7

Juiste attitude Plegers kunnen een sceptische houding hebben ten opzichte van hulpverleners. Daarnaast is er niet altijd vanaf het begin sprake van motivatie bij de pleger. Daarom is het belangrijk dat professionals zich motiverend opstellen, en een outreachende houding en een open blik hebben. De hulpverleners moeten een actieve rol spelen in het aan boord houden van de pleger.7 Dus moeten zij de pleger als mens niet veroordelen, maar inzoomen op zijn of haar gedrag. Professionals moeten zich hierbij bewust zijn van mogelijke vooroordelen die hun houding of bejegening kunnen beïnvloeden. Het aanbod is snel en laagdrempelig beschikbaar De effectiviteit van het plegeraanbod wordt mede bepaald door de laagdrempelige en snelle toegankelijkheid van dit aanbod. Het komt nogal eens voor dat de pleger die in aanmerking komt voor een specifiek aanbod, op de wachtlijst geplaatst wordt en eventueel een alternatief (tussentijds) aanbod krijgt. Hierdoor ontstaat een risico dat de pleger afhaakt. Dit kan invloed hebben op de directe veiligheid en een uitgesteld aanbod kan uiteindelijk ook van invloed zijn op de risico-gestuurde zorg. Aanbod duurt voor zo lang als nodig is Bepaalde plegers hebben langdurige hulp en begeleiding nodig, inclusief nazorg en dat aanbod is niet altijd beschikbaar, onder meer vanwege de soms beperkte aanbod- of behandelcapaciteit.

Het is ook niet altijd goed te bepalen hoe lang het aanbod nodig is, want dat is van veel (ook context)factoren afhankelijk en die moeten (vanuit de integrale analyse) in beeld gebracht zijn, wat niet altijd het geval is.

7 GHNT (2021) Focus op de pleger – deel van het geheel.

8

Stand van zaken huidige plegeraanbod

3

3 Stand van zaken huidige plegeraanbod

3.1 Analysekader De oorspronkelijke gedachte was het Plegeraanbod huiselijk geweld en kindermishandeling in Amsterdam-Amstelland weer te geven in het analysekader zoals weergegeven in tabel 2.1: welke partners zijn actief in welke fasen van de hulpverlening en op welke soorten geweld richten zij zich? Helaas hebben niet alle partners het analysekader ingevuld, waardoor het een onvolledig en incompleet beeld opleverde. Daarom hebben we ervoor gekozen de ingevulde analysekaders niet op te nemen in dit hoofdstuk, maar in de bijlagen. Uiteraard hebben we de ingevulde analysekaders wel gebruikt als achtergrondmateriaal voor de beschrijving van de huidige stand van zaken van het plegeraanbod zoals beschreven in dit hoofdstuk. Beide analysekaders kunnen worden gebruikt om in de eerste stap van het verbetertraject (zie hoofdstuk 4) het huidige aanbod in kaart te brengen. Dit kan door de partners de gelegenheid te bieden zichzelf te positioneren in de analysekaders, aan te geven welke activiteiten/taken worden uitgevoerd en wat de beschikbare capaciteit is en hoe die wordt ingezet/benut.

We hebben de analysekaders gebruikt om met de partners in gesprek te gaan over het huidige aanbod en we gaan de analysekaders ook gebruiken om een tweetal sociale kaarten op te stellen, één voor de aanpak van plegers van huiselijk geweld en kindermishandeling, en één voor de aanpak van plegers van seksueel geweld. Die sociale kaarten moeten de aanbieders van hulp aan de plegers in staat stellen elkaar beter te leren kennen en als dat wenselijk, noodzakelijk en mogelijk is, beter samen te werken. Voor plegers van huiselijk geweld en kindermishandeling is in de fases signalering, directe veiligheid/veiligheidsplan en risico-gestuurde zorg/hulpverleningsplan het meeste hulpaanbod beschikbaar, zo bleek uit de eerste bijeenkomst met aanbieders en verwijzers. Op het gebied van preventie, herstelgerichte zorg en nazorg is minder hulpaanbod beschikbaar. Dat er voor plegers van kindermishandeling weinig nazorg aanwezig is, wordt door verschillende partners als zowel opvallend als zorgelijk ervaren. Er is namelijk veel kennis over intergenerationele overdracht op het gebied van kindermishandeling; het belang van nazorg lijkt dan ook evident. Ook is er voor plegers van oudermishandeling minder hulpaanbod beschikbaar dan voor plegers van de andere typen geweld, gaven de aanbieders en verwijzers die aanwezig waren op de eerste bijeenkomst aan.

In de interviews wordt door meerdere partners afzonderlijk aangegeven dat een goede sociale kaart ontbreekt. Hierdoor weten partijen onvoldoende wat er beschikbaar is aan hulpaanbod voor plegers in de afzonderlijke fases en weten zij elkaar ook niet altijd te vinden. Het hulpaanbod bereikt de plegers daardoor niet, ondanks dat het aanbod wel bestaat. De behoefte aan een sociale kaart met daarop het aanbod van alle partners is sterk aanwezig bij veel partners. Daarnaast geven verschillende organisaties met hulpaanbod ook aan dat er van bepaald aanbod niet voldoende is. Het samenwerkingsverband Switch wordt bijvoorbeeld als zeer effectief ervaren. Switch biedt integrale behandeling en begeleiding aan gezinnen waar geweld al jaren of zelfs generaties lang speelt. Hulpverleners vanuit jeugdzorg, vrouwenopvang en (forensische) GGZ werken hierbij samen in één behandelteam. Samen kijken zij welke hulp nodig is om de (intergenerationele) geweldspatronen te stoppen en te doorbreken. Hierbij richten zij zich op alle gezinsleden. Trauma en hechting zijn daarbij belangrijke thema’s. Vanuit dit initiatief van Altra Jeugdhulp, Blijf Groep, BRight GGZ en De Waag worden gezinnen waar sprake is van langdurig huiselijk geweld en/of kindermishandeling, behandeld en begeleid. Switch helpt echter slechts tien gezinnen per jaar vanwege de manier waarop de financiering is geregeld.

In de interviews wordt de wens uitgesproken om meer gelijksoortig aanbod te ontwikkelen of te faciliteren dat Switch hulp kan bieden aan meer gezinnen. De gemeente Amsterdam onderzoekt momenteel al mogelijkheden om dit aantal uit te breiden. In het analysekader seksueel geweld (zie tabel 2.2) zou moeten zijn weergegeven welke partners een hulpverleningsaanbod hebben voor plegers van seksueel geweld, op welke fasen van de hulpverlening zij zich richten en op welke soorten van seksueel geweld. Ook hiervoor geldt dat niet alle partners werkzaam in Amsterdam-Amstelland zichzelf hebben gepositioneerd in het analysekader en daarom is de keuze gemaakt het deels ingevulde analysekader niet op te nemen in de rapportage, maar in de bijlage.

10

Uit de gesprekken met de partners hebben we opgehaald dat voor plegers van seksueel geweld ook minder hulpaanbod beschikbaar is in de nazorg en de preventie; dit komt overeen met de verdeling van het aanbod voor plegers van huiselijk geweld en kindermishandeling. Voor plegers van seksueel geweld tegen kinderen is er relatief veel aanbod, zo bleek uit de eerste groepsbijeenkomst en de gesprekken met de partners. Hetzelfde geldt voor plegers van seksuele uitbuiting. Voor plegers van geweld tegen volwassenen en groepsgeweld is er in alle fases veel minder gespecialiseerd aanbod. De partners hebben tijdens de eerste bijeenkomst aangegeven dat er minder aandacht is voor seksueel geweld dan voor huiselijk geweld en kindermishandeling. Er is vaak sprake van meerdere vormen van geweld als we het hebben over huiselijk geweld en kindermishandeling, fysiek geweld, psychisch geweld, maar ook seksueel geweld. De organisaties hebben plegers van seksueel geweld nog niet altijd scherp in beeld, zo blijkt ook uit de interviews. Dit leidt ertoe dat niet altijd duidelijk is welk hulpaanbod er is, en voor welke doelgroep dit beschikbaar is. Ook wat betreft seksueel geweld spreekt een groot deel van de partners de behoefte aan een sociale kaart uit. Daarnaast blijkt uit de interviews dat niet voor alle plegers evenveel aandacht is.

Partners geven aan dat een belangrijk deel van de minderjarige en jongvolwassen plegers niet in beeld zijn. Aandacht voor deze groep vanuit de maatschappij ontbreekt. Er is onder andere nog onvoldoende aanbod voor jonge kinderen met seksueel grensoverschrijdend gedrag. Hier komt bij dat de hulp voor jonge plegers die er wel is, niet altijd effectief is, volgens de aanwezige organisaties bij de bijeenkomst. Deze hulp sluit niet altijd aan bij de leefwereld van jongeren. Ook voor specifieke doelgroepen plegers ontbreekt er soms aanbod.

3.2 Randvoorwaarden Inzet van ervaringsdeskundige plegers Het merendeel van de organisaties werkt (nog) niet met ervaringsdeskundige ex- of voormalig plegers. De wens om met ervaringsdeskundigen te werken is er wel, maar organisaties wijzen erop dat het lastig is om de juiste mensen hiervoor te vinden. Er zijn weinig ervaringsdeskundige voormalige plegers bekend in de regio; een stedelijk netwerk of pool zou kunnen bijdragen aan het vergroten van de inzet van ervaringsdeskundige ex- of voormalig plegers. Kansen voor de inzet van ervaringsdeskundigen worden zowel gezien bij huiselijk geweld en kindermishandeling als bij seksueel geweld. De organisaties die al wel werken met ervaringsdeskundigen zijn over het geheel genomen positief over deze samenwerking. Ervaringsdeskundige ex- of voormalig plegers kunnen bijvoorbeeld als buddy voor de pleger worden ingezet of bijdragen aan het gesprek tussen professionals en de pleger. Plegers kunnen zich in sommige gevallen gemakkelijker identificeren met de ervaringsdeskundige waardoor zij zich meer openstellen. Daarnaast hebben professionals soms moeite met het aannemen van de juiste houding of ontbreekt het aan kennis (en ervaring) over de juiste gesprekvoering, zo blijkt uit meerdere gesprekken met de bij dit onderzoek betrokken organisaties en ook uit de gesprekken met ervaringsdeskundigen.

Een ervaringsdeskundige aan tafel kan ook de professionals helpen bij de juiste attitude en vraagstelling. Integrale aanpak Bij een integrale aanpak gaat het erom oog te hebben voor de achterliggende problematiek of risicofactoren op verschillende leefgebieden. Een multidisciplinaire benadering helpt daarbij. Uit de interviews blijkt dat organisaties inzetten op een integrale aanpak. Een aantal organisaties werkt met multidisciplinaire risicoanalyses of profielen waar vervolgens hulp op ingezet kan worden. Het zoeken naar onderliggende oorzaken en risicofactoren krijgt steeds meer aandacht in de aanpak en het hulpaanbod. Denk bijvoorbeeld aan het opstellen van een behandelplan op meerdere leefgebieden, op basis van een integrale risicoanalyse waarin ook aandacht is voor de dynamiek tussen de betrokkenen in het systeem. Wel stellen organisaties dat het in de praktijk lastig kan zijn multidisciplinair te kijken en te handelen. Dit komt bijvoorbeeld doordat het hulpaanbod op de verschillende leefgebieden en problematieken versnipperd is. Een integrale aanpak vereist continue afstemming en die is er niet altijd. Casemanagement of een regiefunctie kan daaraan bijdragen. Daarnaast belemmeren knelpunten in informatiedeling en het gebrek aan ‘dezelfde taal’ een integrale samenwerking en uitwisseling. Een voorbeeld van een integrale aanpak is MDA++.

In de interviews stellen organisaties dat MDA++ weinig wordt gebruikt. Daarnaast is de TOP-3 methodiek onvoldoende bekend en geïmplementeerd bij de verschillende 11

organisaties. De Waag werkt met de ‘Risk Need Responsivity’-methode waarbij behandelaanbod aangepast wordt aan behoeften van plegers. Daarbij is ook aandacht voor intergenerationele verbanden en de dynamiek met het slachtoffer. Systeemgericht werken Organisaties stellen systeemgericht werken als uitgangspunt te nemen. Steeds vaker richt de hulpverlening zich op zowel pleger als slachtoffer. Toch zijn hulpverleningstrajecten in de praktijk vaak nog gericht op óf het slachtoffer (en kinderen) óf de pleger; dat geldt in sterkere mate voor situaties waarin sprake is van acute onveiligheid. Dit komt onder andere doordat de samenwerking tussen straf en zorg verbeterd kan worden. Dit is bijvoorbeeld zo bij de uitvoering van het tijdelijk huisverbod. Hoewel dit instrument wél systeemgericht is, kan de samenwerking tussen straf en zorg ook hier beter. Systeemgericht denken en handelen is nog onvoldoende opgenomen in het DNA van de organisaties. Veel organisaties werken veelal individugericht en hebben daardoor onvoldoende oog voor het gehele systeem. Een voorbeeld is het tijdelijk huisverbod. De pleger wordt uit huis geplaatst waarbij de focus ligt op de veiligheid van het slachtoffer; in deze gevallen is er vaak onvoldoende oog voor de stress die een uithuisplaatsing voor de pleger veroorzaakt en de risico’s en gevolgen die deze stress met zich meebrengen.

Daarnaast zijn er organisaties die veelal individugericht werken en daardoor onvoldoende oog hebben voor het gehele systeem. In het vrijwillig kader is van oudsher meer aandacht voor het slachtoffer, waar vanuit het strafrechtelijk kader veelal enkel naar de pleger wordt gekeken. Hierin vindt steeds meer een beweging plaats naar systeemgericht werken (denk aan de persoonlijke communicatie richting het slachtoffer vanuit het OM), maar dit behoeft nog verdere aandacht. Een knelpunt bij aanbod voor slachtoffers en plegers van seksueel geweld dat genoemd wordt door de organisaties is dat het vaker voorkomt dat plegers en hun systeem niet mee willen werken. Dan lukt het niet altijd om het systeem erbij te betrekken, zelfs niet in het verplichte kader. Organisaties wijzen wel op het belang van systeemgericht werken bij seksueel geweld. Een goed voorbeeld van systeemgericht werken in zaken van seksueel geweld door minderjarige plegers (en huiselijk geweld/kindermishandeling) is de Multi Systeem Therapie van De Viersprong. Een ander voorbeeld waarin systeemgericht wordt gedacht en gehandeld is de aanpak Switch. Vanuit deze aanpak worden interventies geboden aan de verschillende betrokkenen in het systeem. De inzet van de interventies is maatwerk en wordt op basis van integrale analyses bepaald. Daarbij is er aandacht voor intergenerationele overdracht, trauma en risicofactoren.

Bij de Oranje Huis aanpak van de Blijfgroep wordt systeemgericht en gendersensitief gewerkt en worden de plegers standaard bij de hulpverlening betrokken, als de veiligheid dat toelaat. Voldoende expertise bij professionals Ook op het gebied van expertise zijn aandachtspunten te benoemen. Organisaties wijzen erop dat bepaalde expertises nog onvoldoende zijn geborgd. Op verschillende vlakken bestaan kennishiaten: • basiskennis over (geweldspatronen bij) huiselijk en seksueel geweld; • gespreksvoering met plegers en daarmee samenhangend bejegening en attitude richting plegers; • de TOP-3 methodiek; • de meldcode. Dit wil niet zeggen dat er helemaal geen kennis beschikbaar is over bovenstaande onderwerpen, maar over het geheel genomen zijn dit onderwerpen waarop rondom de plegeraanpak van zowel huiselijk geweld en kindermishandeling als seksueel geweld kennisbevordering noodzakelijk is. Organisaties stellen dat de expertise veelal persoonsafhankelijk is en daarmee niet breed gedragen binnen organisaties. Binnen een aantal organisaties zijn aandachtsfunctionarissen aangewezen. Doordat kennis momenteel met name persoonsafhankelijk is en er sprake is van een hoog personeelsverloop binnen organisaties is het behouden van voldoende expertise een uitdaging en kwetsbaar.

Een uitzondering hierop zijn enkele specialisten op het gebied van huiselijk geweld en kindermishandeling, zoals De Waag en Blijf Groep. Bij deze organisaties is de expertise wel aanwezig en is deze niet persoonsafhankelijk, maar ingebed in de organisatie.

12

Samenwerking Een andere randvoorwaarde voor effectieve hulpverlening is integrale samenwerking tussen organisaties. Op drie onderdelen is nagegaan in welke mate dit terugkomt in de uitvoeringspraktijk in Amsterdam-Amstelland. Visie gefaseerd samenwerken aan veiligheid Uit de interviews blijkt dat niet alle organisaties volgens de visie gefaseerd samenwerken aan veiligheid werken. Organisaties werken op verschillende manieren, waarbij bijvoorbeeld andere (eigen) fases worden gehanteerd. De visie zou breed geïntroduceerd en geïmplementeerd moeten worden zodat deze als standaard wordt gebruikt door alle organisaties. TOP-3 methodiek Voor het werken volgens de TOP-3 methodiek geldt hetzelfde als voor de visie: deze methodiek is niet bij alle organisaties bekend en een deel van de organisaties werkt dan ook niet volgens deze methodiek. Een voorbeeld van een organisatie die wel volgens de TOP-3 methodiek werkt, is de Blijf Groep. Bij een deel van de andere organisaties is het in ontwikkeling; hier worden momenteel trainingen opgestart (of gepland) om professionals op de hoogte te brengen van de methodiek en deze werkwijze te implementeren. Op dit moment is dat nog onvoldoende het geval.

Daarbij komt dat organisaties, net als dat geldt voor de visie, de methodiek in sommige gevallen op een eigen manier invullen waardoor er in de praktijk verschillen bestaan in de manier waarop de methodiek wordt toegepast. De trainingen zijn een stap in de goede richting, maar er is meer nodig om ervoor te zorgen dat de TOP-3 methodiek breed gedragen, geïmplementeerd en geborgd wordt. Organisaties zien hierin een rol voor de gemeente: het sturen op het gebruik van en werken volgens de visie gefaseerd samenwerken aan veiligheid en de TOP-3 methodiek door alle organisaties. Bekendheid met het hulpaanbod van andere partijen Vrijwel geen enkele organisatie is op de hoogte van het gehele hulpaanbod. Het aanbod van een aantal partijen, zoals De Waag, Blijf Groep en BRight GGZ, is bij de meeste organisaties wel bekend, maar het volledige zicht ontbreekt. Ook verwijzers hebben geen actueel beeld van het hulpaanbod specifiek voor plegers; daar wordt op ingezet, maar dit is nu nog onvoldoende op orde. Deze onbekendheid wordt onder andere veroorzaakt doordat het hulpaanbod versnipperd en gefragmenteerd is. Dit geldt ook voor aanbod in het gedwongen en vrijwillig kader. Organisaties wijzen er daarbij op dat de overgang tussen hulp in het gedwongen en vrijwillig kader beter kan.

Nadat hulp in het gedwongen kader is gestopt, is er niet altijd een goede, directe overgang naar hulp in het vrijwillig kader terwijl deze wel nodig is. Een sociale kaart waarop het aanbod en de aanbieders specifiek voor plegers in beeld wordt gebracht, zou volgens organisaties kunnen bijdragen aan beter zicht op het gehele hulpaanbod. Verder wordt gewezen op de noodzaak voor betere samenwerking tussen straf en zorg. Deze werelden liggen uit elkaar en zijn onvoldoende op de hoogte van elkaars (on)mogelijkheden. Hiervoor is het onder andere noodzakelijk dezelfde taal te leren spreken. Deze partijen hebben in casuïstiek een andere zienswijze die samenwerking in de weg kan staan (in plaats van dat de verschillende zienswijzen een aanvulling vormen). Inzicht in elkaars rol en aanbod, heldere afspraken en taakverdeling en elkaar kennen en korte lijnen worden als succesfactoren voor goede samenwerking aangewezen. Aanbod is snel en laagdrempelig toegankelijk Voor een groot deel van het hulpaanbod in de regio bestaan wachtlijsten, evenals voor contacten met of termijnen bij verwijzers. Deze wachtlijsten belemmeren de snelle en tijdige inzet van hulpaanbod. Daarnaast stellen organisaties dat doorverwijzing en toeleiding naar hulpaanbod aandacht behoeft.

Partijen zijn onvoldoende op de hoogte van het passende en beschikbare aanbod of partijen bezitten onvoldoende kennis over de juiste handvatten om met de pleger in gesprek te gaan over passend aanbod waardoor doorverwijzing lastig kan zijn. Daarnaast moeten plegers zich voor verschillende vormen van aanbod zelf melden (bijvoorbeeld bij een huisarts) voor een doorverwijzing of intake. Uit angst om veroordeeld te worden of uit angst voor stigmatisering zullen plegers daar terughoudend in zijn. Dit belemmert een laagdrempelige toegang. Ook mist er laagdrempelig aanbod voor plegers van seksueel grensoverschrijdend gedrag of seksueel geweld buiten de gezinssituatie. In de gevallen waarin er geen

13

aangifte gedaan wordt van seksueel geweld, bijvoorbeeld tijdens uitgaan of onder studenten, is er weinig laagdrempelig aanbod beschikbaar voor plegers. Aanbod duurt zo lang als het nodig is Organisaties oordelen verschillend over de duur van het aanbod. Enkele organisaties stellen dat het aanbod zo lang kan voortduren als nodig is en daarmee dus aansluit op de hulpbehoefte van plegers. Anderen wijzen erop dat dit niet altijd mogelijk is, bijvoorbeeld door beperkingen in financiering, doorlooptijd of vaste afspraken over termijnen voor een hulptraject. Alle organisaties wijzen op de urgentie van langdurige hulp: om geweld te stoppen is het onder andere noodzakelijk patronen te doorbreken en onderliggende oorzaken aan te pakken; dat kost altijd tijd en kan niet in enkele maanden (of soms weken) worden opgelost. Randvoorwaarden: Toekomstscenario Net als andere gemeenten in het land werkt Amsterdam-Amstelland toe naar een nieuwe manier van werken, volgens het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming. Het regionale veiligheidsteam Blijvend Veilig dat intensief samenwerkt met de lokale teams heeft daarin een prominente plek. Voor dit onderzoek is ook met medewerkers van Blijvend Veilig gesproken. Uit dat gesprek blijkt dat belangrijke randvoorwaarden voor een effectieve plegeraanpak aanwezig zijn in de ontwikkeling richting Toekomstscenario.

Voorbeelden hiervan zijn het integraal en systeemgericht werken en het werken volgens de visie Gefaseerd Samenwerken aan Veiligheid. Het gesprek laat ook zien dat er nog een weg te gaan is binnen de regionale ontwikkeling en samenwerking rondom de plegeraanpak. Vanuit de werkwijze van het regionale veiligheidsteam wordt er expertise bijgehaald als een specifieke expertise in het team ontbreekt. Zo is er een nauwe samenwerking met de Blijf Groep en de Reclassering Nederland (RN), maar ook nauwe samenwerking met bijv. de ggz is van belang voor een brede visie op de plegeraanpak. Binnen het regionale veiligheidsteam wordt er naar het individu gekeken met aandacht voor individuele problematiek, niet alleen vanuit de ouderrol. Ook wordt er begeleiding geboden aan huishoudens zonder kinderen waarbij sprake is van onveiligheid in afhankelijkheidsrelaties.

3.3 Bejegeningsfactoren Traumasensitief Voor traumasensitief werken is niet overal voldoende aandacht. Traumasensitief werken vraagt om vaardigheden die niet alle professionals bezitten. Professionals zijn niet altijd getraind in traumasensitief handelen waardoor de aandacht voor trauma verschilt per professional (en daarmee dus persoonsafhankelijk is). Sommige aanbieders richten zich specifiek op trauma(behandeling) waardoor traumasensitiviteit onderdeel is van het aanbod en de bejegening; dit is echter niet bij alle organisaties het geval. Gendersensitiviteit Voor gendersensitiviteit geldt hetzelfde als voor traumasensitief werken: het verschilt per organisatie en professional in welke mate hier aandacht voor is. Uit de interviews blijkt dat professionals het lastig kunnen vinden gendersensitief te kijken naar een casus. Stereotype beelden over mannelijkheid, plegerschap en geweld dragen daaraan bij, zowel bij seksueel geweld als bij huiselijk geweld en kindermishandeling. Voorbeelden van gevolgen hiervan zijn bijvoorbeeld dat bij plegers vaak aan mannen wordt gedacht en er sprake is van onderrapportage van vrouwelijke plegers, zo bleek uit de interviews. Het is van belang dat professionals verder kijken dan stereotype beelden en expliciet aandacht hebben voor de rol van gender in deze casuïstiek.

Dit vergt (training in) vaardigheden die niet alle professionals niet bezitten. Een gevolg hiervan is bijvoorbeeld dat bij plegers vaak aan mannen wordt gedacht en er sprake is van onderrapportage van vrouwelijke plegers. Aandacht voor LHBTIQA+ De aandacht voor LHBTIQA+ is er nog onvoldoende binnen organisaties. Een aantal hulpverlenende partijen wijzen erop dat aandacht voor gender en LHBTIQA+ onderdeel is van hun werkwijze en bejegening, maar uit de interviews blijkt ook dat de mate waarin deze aandacht er is verschilt per professional. 14

Cultuurdiversiteit Cultuurdiversiteit is eveneens persoonsafhankelijk en geen breed geborgd onderdeel van de bejegening van plegers. In verhouding tot gender en LHBTIQA+ lijkt cultuurdiversiteit meer ingebed te zijn en beter op het netvlies te staan. Aandacht voor LVB De aandacht voor plegers met een licht verstandelijke beperking lijkt in grotere mate te zijn geborgd. Organisaties zijn alert op signalen en passen hun bejegening aan als blijkt dat sprake is van een LVB. Wel wijzen organisaties erop dat het herkennen en signaleren van een LVB lastig kan zijn. Een ander aandachtspunt dat wordt benoemd bij plegers van seksueel geweld met een LVB is dat het ontwikkelingsniveau niet altijd goed in kaart wordt gebracht. Hierdoor sluiten hulpverleners niet altijd goed aan bij het ontwikkelingsniveau van de pleger en kunnen ze niet altijd de juiste verklarende factoren voor het gedrag identificeren. Inzicht in het ontwikkelingsniveau van de pleger draagt ook bij aan het aanbieden van de juiste preventieve zorg. Genoemd is ook dat het aandacht vraagt om expertise over LVB binnenboord te houden binnen organisaties. Juiste attitude De attitude naar plegers behoeft verdere aandacht. Het merendeel van de organisaties noemt dit als aandachtspunt. Er is vaak sprake van handelingsverlegenheid bij professionals en ze hebben te weinig handvatten voor gespreksvoering.

Het aannemen van de juiste houding en het gebruiken van de juiste woorden is voor veel professionals een uitdaging; dit is wel van belang omdat plegers bang kunnen zijn om veroordeeld te worden of sceptisch zijn tegenover hulpverleners. Daarnaast vinden professionals gesprekken met plegers spannend of voelen ze ongemak. Vragen als ‘hoe reageer je op agressie of woede?’, ‘hoe kalmeer je iemand?’, ‘hoe kom je tot de kern?’, ‘hoe motiveer je iemand?’ of ‘hoe dring je tot iemand door?’ zijn daarbij aan de orde. Om plegers niet veroordelend te benaderen en te motiveren tot hulpverlening zijn vaardigheden van belang; training in gespreksvoering wordt daarom door diverse organisaties als wenselijk (dan wel noodzakelijk) gezien. Een voorbeeld van een dergelijke training is ‘Zicht op mensen die huiselijk geweld plegen’. Dit is een training voor maatschappelijk werkers, ontwikkeld door de Blijf Groep. Een ander voorbeeld waarin het niet-oordelend benaderen van plegers terugkomt, is het stress-sensitief werken vanuit de buurtteams. Deze methode stimuleert professionals om zonder oordeel het gesprek te voeren en naast iemand te gaan staan (in plaats van tegenover) om op deze manier een verbinding te creëren zodat een open gesprek ontstaat.

15

Conclusies en aanbevelingen

4

4 Conclusies en aanbevelingen

4.1 Conclusies Dit onderzoek was gericht op het in beeld brengen van het hulpaanbod voor plegers van huiselijk geweld en kindermishandeling en seksueel geweld in de regio Amsterdam-Amstelland en de mogelijkheden om dit aanbod effectiever en efficiënter te identificeren. We hebben bij het formuleren van onze conclusies en aanbevelingen de indeling gehanteerd zoals opgenomen in het analysekader. Dat houdt in dat de eerste conclusies betrekking hebben op de mate waarin het aanbod voor plegers als compleet wordt ervaren, met andere woorden: is het aanbod gericht op alle doelgroepen en alle vormen van geweld en alle fasen van de aanpak? Daarna gaan we in op de randvoorwaarden zoals opgenomen in het analysekader. We besluiten met conclusies die betrekking hebben op de bejegeningsfactoren. De hieronder beschreven conclusies hebben betrekking op het aanbod voor zowel plegers van huiselijk geweld en kindermishandeling als op het aanbod voor plegers van seksueel geweld, tenzij anders vermeld. Hulpaanbod voor plegers is onvoldoende sluitend en compleet Het onderzoek laat zien dat het hulpaanbod voor plegers onvoldoende sluitend en compleet is. Op verschillende vlakken moet er meer aanbod worden ontwikkeld. Zo zien hulpverleners (en plegers) bijvoorbeeld graag dat er meer support- en lotgenootgroepen beschikbaar komen en ontbreekt er aanbod gericht op traumabehandeling voor plegers.

Ook het aanbod gericht op (primaire en secundaire) preventie voor het voorkomen van huiselijk geweld en kindermishandeling en seksueel geweld moet verder worden ontwikkeld. Het aantal aanbieders van plegerhulp is op dit moment in de regio Amsterdam-Amstelland beperkt (de voornaamste zijn De Waag, BRight GGZ, Blijf Groep en de Reclassering). Randvoorwaarden onvoldoende ingevuld: aandacht nodig voor tijdig, laagdrempelig aanbod, zo lang als nodig en over grenzen van kaders heen Het onderzoek heeft uitgewezen dat hulpaanbod voor plegers (van zowel huiselijk geweld en kindermishandeling en seksueel geweld) niet altijd tijdig en laagdrempelig beschikbaar is. Dit wordt onder andere veroorzaakt door lange wachtlijsten en onvoldoende outreachend en vraaggericht werken. Niet alleen de snelle inzet van hulpverlening is lastig te realiseren, ook het aanbod inzetten zo lang als nodig is, blijkt niet altijd mogelijk. Financieringsbeperkingen of afspraken over (maximum) termijnen beperken de mogelijkheden om hulpverleningstrajecten te verlengen indien dat nodig is. De overgang tussen hulpaanbod in verschillende kaders moet worden verbeterd. Het gaat daarbij om de overgang tussen jeugd- en volwassenhulp, hulp in het vrijwillig en gedwongen kader en de verbinding tussen zorg en straf.

Hulpaanbod kan in verschillende kaders worden aangeboden en in sommige gevallen is hulp uit verschillende kaders noodzakelijk/wenselijk. Idealiter sluiten die kaders goed op elkaar aan. In de praktijk komt het echter voor dat er een ‘gat’ ontstaat tussen aanbod vanuit bijvoorbeeld jeugd- en volwassenhulpverlening. Dit kan ertoe leiden dat de pleger minder gemotiveerd is hulpverlening voor te zetten of dat behaalde resultaten uit eerdere hulpverleningstrajecten (gedeeltelijk) verloren gaan. Samenwerking tussen de verschillende domeinen is essentieel om hulpaanbod uit de verschillende kaders goed op elkaar te laten aansluiten. Aandacht voor individuele pleger als onderdeel van systeemgerichte aanpak We zien dat in het hulpaanbod over het geheel genomen nog te weinig aandacht is voor de (individuele) pleger. Wanneer sprake is van huiselijk of seksueel geweld is hulpverlening (in eerste instantie) met name gericht op het slachtoffer (en eventuele kinderen). Dit geldt in sterkere mate wanneer er sprake is van acute onveiligheid; in dat geval wordt primair gekeken naar de veiligheid van en hulpverlening voor het slachtoffer. Juist in dergelijke crisissituaties kan een focus op pleger leiden tot meer motivatie tot hulpverlening. Een systeemgerichte benadering is dan ook van belang om hulpverlening (tijdig) in gang te zetten, ook voor de pleger.

Op dit moment is het hulpaanbod in de regio nog onvoldoende systeemgericht. Meer samenwerking nodig voor een integrale, multidisciplinaire aanpak Het werken volgens de visie gefaseerd samenwerken aan veiligheid en de TOP-3 methodiek zijn belangrijke randvoorwaarden voor effectieve hulpverlening in geval van huiselijk en seksueel geweld binnen 17

het gezin. Uit het onderzoek blijkt dat niet alle organisaties in de regio Amsterdam-Amstelland de visie en TOP-3 methodiek hebben geïmplementeerd en gebruiken. Wel is een deel van de organisaties voornemens trainingen te geven over de TOP-3 methodiek. Daarnaast zien we dat organisaties die wel volgens de visie en/of TOP-3 methodiek werken daar eigen varianten of aanpassingen in doorvoeren. Dat maakt dat bijvoorbeeld met verschillende fases of definities wordt gewerkt. Een eenduidige werkwijze ontbreekt daardoor. Een andere belangrijke randvoorwaarde voor effectieve hulpverlening is integraal en multidisciplinair (samen)werken. Steeds meer organisaties proberen een integrale aanpak in te zetten en bijvoorbeeld risico’s of onderliggende oorzaken van het geweld te achterhalen. Toch is dit nog geen standaard werkwijze in de regio en behoeft een integrale aanpak meer aandacht. Een integrale aanpak vraagt om een brede blik en een analyse van risicofactoren, onderliggende oorzaken en de dynamiek tussen de verschillende betrokkenen in een systeem. Een integrale aanpak vereist ook dat de verschillende aanbieders elkaar kennen, elkaar begrijpen, dezelfde taal spreken en van daaruit een gezamenlijke visie en analyse kunnen opbouwen om de betrokkenen, inclusief de plegers, adequaat te kunnen ondersteunen.

Deze benadering van de problematiek vraagt meer aandacht; niet altijd wordt met deze brede blik naar de pleger en het geweld gekeken. Professionals hebben onvoldoende zicht op elkaars aanbod en (on)mogelijkheden. Dit belemmert eventuele doorverwijzingen. De context rondom de hulpverlening speelt ook een rol: er is sprake van lange wachtlijsten, hoge werkdruk en een personeelstekort. Dit leidt onder andere tot onvoldoende tijd en aandacht voor een grondige risicoanalyse per casus. Voorbeelden waarin deze integraliteit wel gerealiseerd worden zijn Switch en de MDA++-aanpak. Switch is echter voor een kleine groep plegers beschikbaar per jaar en MDA++ wordt te weinig benut in de regio. Het is belangrijk om in de samenwerking meer aandacht te besteden aan het kunnen delen van relevante informatie annex gegevens in relatie tot de privacy van de betrokken personen. Door velen wordt de AVG gezien als een belemmering om gegevens te delen, terwijl de AVG daar in principe (onder bepaalde voorwaarden) wel mogelijkheden voor biedt. Het gaat dan bijvoorbeeld om het delen van gegevens over specifieke casussen met betrekking tot personen die net 18 jaar zijn geworden, personen die verhuizen naar andere gemeenten (en voor wie dus eventueel overdracht plaats zou moeten vinden naar andere aanbieders), maar ook om samenwerking tussen verschillende aanbieders in één specifieke casus.

Nog veel ontwikkelruimte in de bejegening van plegers Het op een effectieve manier van bejegenen vereist meer training en structurele aandacht. Daarbij gaat het met name over ‘sensitief werken’. Dat wil zeggen oog hebben voor de mogelijke invloed van bijvoorbeeld trauma, gender, cultuur of seksuele geaardheid. Het onderzoek wijst uit dat de mate waarin deze bejegeningsfactoren terugkomen in het hulpaanbod momenteel vooral persoonsafhankelijk is. Professionals zijn onvoldoende getraind om de invloed van deze factoren te herkennen en daarnaar te handelen. Daarnaast ontbreken bij sommige organisaties vaardigheden voor gespreksvoering met plegers. Professionals ervaren ongemak of angst bij het aangaan van een (motivatie)gesprek met plegers en stellen dat zij onvoldoende handvatten hebben om bijvoorbeeld zonder oordeel en motiverend een gesprek te voeren over hulpverlening. Ook zou er meer aandacht besteed moeten worden aan het gendersensitief (leren) werken waardoor er minder sprake zal zijn van bejegening vanuit het stereotype denken over mannen en vrouwen. Ter illustratie: in de bejegening richting mannen en vrouwen wordt veelal uitgegaan van de gedachte dat vrouwen handelen vanuit emotie en mannen vanuit agressie.

Specifieke conclusies met betrekking tot het aanbod voor plegers van seksueel geweld Het aanbod voor plegers van seksueel geweld behoeft specifieke aandacht en moet op verschillende onderdelen worden verbeterd: 1. Ten eerste is er te weinig aanbod beschikbaar voor plegers van seksueel geweld. Dit geldt in algemene zin, maar in het bijzonder voor plegers die buiten de gezinssituatie seksueel geweld plegen en voor plegers van seksueel geweld tegen volwassenen en van groepsgeweld.

18

2. Ook is er nog onvoldoende aanbod voor jonge kinderen met seksueel grensoverschrijdend gedrag. Deze conclusies gelden voor vrijwel alle fasen in het plegeraanbod. En als er wel aanbod is, dan sluit dit aanbod niet altijd goed aan bij de leefwereld van jongeren. 3. De plegers van seksueel geweld zijn ook niet altijd goed in beeld, dit geldt met name voor de minderjarige en jongvolwassen plegers. 4. Er zou bovendien ook meer gebruik gemaakt moeten worden van de inzet van ervaringsdeskundigen in met name het aanbod voor plegers van seksueel geweld. Er zijn momenteel te weinig ervaringsdeskundigen op dit gebied die op deze wijze kunnen worden ingezet.

4.2 Aanbevelingen Uit de conclusies blijkt dat een effectieve plegeraanpak in Amsterdam-Amstelland vraagt om stevige doorontwikkeling op de gefragmenteerde basis die er momenteel ligt. Hieronder doen we aanbevelingen voor deze ontwikkeling. Daarbij hanteren we, net als bij de conclusies, het analysekader als kapstok. We eindigen met een tweetal overkoepelende aanbevelingen gericht op het realiseren van een verbetertraject waar alle partners zich gezamenlijk eigenaar van voelen, en op het realiseren van de beoogde aanpak binnen de ontwikkeling richting Toekomstscenario. Naar een sluitend en compleet hulpaanbod Het onderzoek wijst uit dat er geen sprake is van een volledig dekkend hulpaanbod voor plegers in de regio. Voor een dekkend aanbod is het van belang het aanbod uit te breiden en door te ontwikkelen zodat voor alle vormen van geweld en alle type plegers voldoende aanbod bestaat (in de verschillende fasen). Daarbij bevelen we aan de nadruk te leggen op het realiseren van aanbod dat bewezen effectief is. De ontwikkeling is in ieder geval nodig op support- en lotgenootgroepen, hulpaanbod voor plegers van seksueel geweld, traumahulpverlening, preventie, de verbetering van de samenwerking tussen straf en zorg bij de inzet van het tijdelijk huisverbod, de inzet van het tijdelijk huisverbod, time-outplekken en hulp voor jonge plegers van huiselijk geweld en seksueel geweld.

Een systeemgerichte en integrale aanpak is daarbij van belang. Om die reden kan het nuttig zijn na te gaan in hoeverre Switch kan worden uitgebreid, of de mogelijkheid te verkennen of andere combinaties van aanbieders een soortgelijk aanbod kunnen bieden, en of MDA++ beter kan worden benut. Om meer inzet op preventie mogelijk te maken, is het noodzakelijk dat signalen die kunnen duiden op de prevalentie van deze geweldstypen vroegtijdig worden herkend en opgepakt. Op die manier kan preventief worden ingegrepen, bijvoorbeeld door betrokkenen gebruik te laten maken van time-outplekken. Dit zijn plekken waar de betrokkenen uit de (aankomende) geweldsdynamiek gehaald kunnen worden. Hier kan gestart worden met een integrale analyse van de achterliggende oorzaken en kan gekeken worden naar de geschiktste aanpak. Het is dan wel noodzakelijk de juiste expertise op die plekken beschikbaar te hebben en in te kunnen zetten. Een klein deel van de organisaties zet (incidenteel) ervaringsdeskundige voormalig plegers binnen hun (hulp)aanbod voor plegers van huiselijk geweld en kindermishandeling en in hun hulpaanbod voor plegers van seksueel geweld in. Het werken met ervaringsdeskundigen kan verder worden uitgebreid. Met name voor support- en lotgenootgroepen is het van meerwaarde ervaringsdeskundige voormalig plegers te laten aansluiten.

Maar ook in de benadering van en gespreksvoering met plegers kunnen ervaringsdeskundigen van meerwaarde zijn. Hun aanwezigheid kan bijdragen aan het motiveren en kalmeren van en doordringen tot de pleger. Op dit moment zijn organisaties onvoldoende bekend met (de mogelijkheden van) ervaringsdeskundigen en bestaat er geen netwerk. Een manier om de inzet van ervaringsdeskundigen te vergroten, is het opzetten van een pool met ervaringsdeskundige voormalig plegers voor de regio Amsterdam-Amstelland. Het verdient aanbeveling om goed lopende initiatieven op dit gebied te bezoeken zoals De Cirkel is Rond in West-Brabant. Tot slot is het belangrijk om te werken aan de geconstateerde hiaten in de kennis van professionals. Het gaat om basiskennis over (patronen en dynamiek bij) huiselijk en seksueel geweld en kennis over de toepassing van de visie gefaseerd samenwerken aan veiligheid en de TOP-3 methodiek. 19

Invulling randvoorwaarden: tijdig, laagdrempelig, zo lang als nodig en over grenzen van kaders heen Tijdig aanbod realiseren heeft onder andere te maken met het inkopen van voldoende aanbod om zoveel mogelijk te voorkomen dat er wachtlijsten ontstaan. Ook het doorzetten van de inzet op outreachend werken kan hier helpen: er is niet altijd (direct) specialistisch aanbod nodig om daders te helpen. Verder kan er vaker en effectiever gebruikgemaakt worden van de inzet van het Tijdelijk Huisverbod als instrument om snel toegang te kunnen krijgen tot de juiste hulp en ondersteuning voor de pleger, het slachtoffer en eventuele andere betrokkenen. Bijkomend voordeel is dat daar dan ook meteen de basis ligt voor plegerhulp als onderdeel van een stevige systeemgerichte aanpak. Een goede systeemgerichte aanpak sluit aan op de onderliggende dynamiek die het geweld veroorzaakt, bezien vanuit alle betrokkenen in het (relatie)systeem, en gaat dus verder dan alleen het uitzetten van verschillende hulpverleningstrajecten binnen een systeem: de hulp moet op elkaar afgestemd worden en blijven. Dat vereist een vorm van regie of coördinatie op de casus, door iemand die in staat is om ook de pleger binnenboord te houden (zie ook de aanbevelingen die betrekking hebben op bejegening en het Toekomstscenario).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14402529/1