CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Consultatieversie Wblo.pdf

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 4 juni 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de schriftelijke reactie aan de minister van BZK op de consultatieversie van de Wet bestemming lichamen overledenen (VN2025-005914)13.934 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De bestemming van een terrein om permanent as op te verstrooien door de houder van een crematorium en de houder van een plaats van bijzetting vindt uitsluitend plaats met een vergunning van het college van burgemeester en wethouders. Artikel 70. Nadere regels as Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de berging, de bestemming en de bewaring van de as. § 3. As uit het buitenland Artikel 71. As uit het buitenland 1. Uit het buitenland afkomstige as wordt zo nodig, in opdracht van een nabestaande, geborgen in een of meer asbussen. 2. Het bergen geschiedt door de houder van een crematorium. Artikel 63, eerste en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

15

Consultatieversie

Hoofdstuk 8. Alkalische hydrolyse § 1. Hydrolysatorium Artikel 72. Alkalische hydrolyse Alkalische hydrolyse geschiedt in een hydrolysatorium. Artikel 73. Nadere regels alkalische hydrolyse Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze van alkalische hydrolyse en de inrichting van hydrolysatoria. § 2. Vaste stof Artikel 74. Vaste stof 1. Na de alkalische hydrolyse bergt de houder van het hydrolysatorium de vaste stof. 2. De vaste stof wordt geborgen in een of meer stofbussen. Op het bergen en de bestemming van de vaste stof zijn de artikelen 63, tweede en derde lid, 64 en 71 van overeenkomstige toepassing. 3. Op het bewaren van de vaste stof door de houder van het hydrolysatorium is artikel 64, eerste lid, van toepassing. 4. Op het bijzetten of verstrooiing van de vaste stof zijn de artikelen 66 en 69 van overeenkomstige toepassing. 5. Op het ter beschikking stellen van een bijgezette stofbus of het ruimen of verwijderen van een stofbus zijn de artikelen 64, vijfde lid, 67 en 68 van overeenkomstige toepassing. Artikel 74a. Nadere regels vaste stof Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de berging, de bestemming en de bewaring van de vaste stof. Hoofdstuk 9. Bijzondere bestemmingen § 1. Ontleding in het belang van de wetenschap Artikel 75. Ontleding 1.

Het lichaam van een overledene kan, in het belang van de volksgezondheid, ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijk onderwijs worden ontleed. 2. Ontleding geschiedt slechts indien de overledene zijn lichaam daartoe heeft bestemd. Artikel 5 is van toepassing. 3. Bij gebreke van een wilsbeschikking van de overledene over de bestemming van zijn lichaam kan ontleding ook plaatsvinden indien de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel dan wel, bij ontstentenis of onbereikbaarheid van deze, de naaste onmiddellijk bereikbare meerderjarige bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, of, wanneer ook deze niet bereikbaar zijn, de aanwezige meerderjarige erfgenamen of anders degenen die de zorg voor het lichaam op zich nemen, deze daartoe bestemmen. 4. Ontleding wordt slechts verricht door of onder het toezicht van een arts. Artikel 76. Verlof ontleding Het lichaam van een overledene wordt slechts ontleed met schriftelijk verlof van de burgemeester. Het verlof wordt binnen drie dagen kosteloos afgegeven en vermeldt de plaats van ontleding. De artikelen 23, 26 en 33 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 77. Termijn ontleding Ontleding vangt niet eerder aan dan 36 uur na het overlijden. § 2. Overledenen op zee Artikel 78.

Overledenen op zee Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze waarop wordt omgegaan met lichamen van personen of doodgeborenen die zijn overleden onderscheidenlijk ter wereld gekomen aan boord van een schip op zee dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren.

16

Consultatieversie

Hoofdstuk 10. Buitengewone omstandigheden Artikel 79. In- en buitenwerkingstelling regulering bij buitengewone omstandigheden 1. Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, als buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, voor het gehele land of een gedeelte daarvan artikel 80, 81 of 82, gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld. 2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden over het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde regels. 3. De regels die op grond van het eerste lid in werking zijn gesteld, worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, onverwijld buiten werking gesteld: a. als het voorstel van wet door een van beide kamers der Staten-Generaal wordt verworpen; of b. zodra de omstandigheden dit toelaten. 4. Het besluit, bedoeld in het eerste en derde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt en treedt in werking onmiddellijk na de bekendmaking. Het besluit wordt zo snel mogelijk na de bekendmaking tevens geplaatst in het Staatsblad, met vermelding van de wijze en datum waarop de bekendmaking heeft plaatsgevonden. Artikel 80.

Regulering bij buitengewone omstandigheden 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan, in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie en Veiligheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij ministeriële regeling regels stellen over: a. een tijdelijk verbod op een bestemming als bedoeld in artikel 3, met uitzondering van begraven, en regels over een individuele of gezamenlijke bestemming als bedoeld in artikel 3, de wilsbeschikking met betrekking tot de bestemming, bedoeld in artikel 4, en de voorziening in de bestemming, bedoeld in artikel 6, waaronder afwijking van de artikelen 4, 5 en 6; b. de maatregelen ten behoeve van het vaststellen van de aard van het overlijden, de doodsoorzaak en de identiteit van de overledene, bedoeld in hoofdstuk 2, waaronder afwijking van de artikelen 7 tot en met 22, voor zover het belang van de opsporing van strafbare feiten zich niet tegen regeling of afwijking verzet; c. de algemene procedures voor de bestemming van lichamen, bedoeld in hoofdstuk 3, waaronder afwijking van de artikelen 23 tot en met 33; d. de verzorging van het lichaam, bedoeld in hoofdstuk 4, waaronder afwijking van de artikelen 23 tot en met 36; e. de algemene bepalingen voor de bestemmingen, bedoeld in hoofdstuk 5, waaronder afwijking van de artikelen 37 tot en met 41; f.

de in de hoofdstukken 6 tot en met 8 geregelde voorzieningen betreffende begraving, crematie en alkalische hydrolyse, waaronder afwijking van de artikelen 42 tot en met 74a, met uitzondering van de artikelen 44, 45, 49, 56, 60, 68, 69, 72 en 74, vierde en vijfde lid, voor zover die zien op de toepassing van de artikelen 67 tot en met 69 voor de vaste stof; g. toezicht, handhaving en rechtsbescherming, bedoeld in de hoofdstukken 11 en 12, waaronder afwijking van de artikelen 83 tot en met 92. 2. Bij de regeling kunnen slechts voorzieningen worden geregeld die noodzakelijk zijn om ontwrichting of ernstig dreigende ontwrichting van de vaststelling van de aard van het overlijden, de doodsoorzaak en de identiteit van overledenen of de bestemming van lichamen van overledenen tegen te gaan dan wel te voorkomen. 3. De regeling treedt niet in werking voordat deze is bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant of op een andere door Onze Minister van Binnenlandse Zaken bepaalde wijze. Artikel 81. Taak commissaris van de Koning 1.

Om ontwrichting of ernstig dreigende ontwrichting van de vaststelling van de aard van het overlijden, de doodsoorzaak en de identiteit van overledenen of de bestemming van lichamen van overledenen tegen te gaan dan wel te voorkomen, kan de commissaris van de Koning de gemeenteraden, burgemeesters, colleges van burgemeester en wethouders of colleges van gedeputeerde staten in de provincie aanwijzingen geven over de uitvoering van hetgeen bij of krachtens deze wet van deze organen is gevorderd. 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan de commissaris van de Koning opdragen in een concreet geval de in het eerste lid bedoelde aanwijzingen te geven. 3. De commissaris van de Koning verricht de werkzaamheden, bedoeld in het eerste en tweede lid, volgens een door de regering gegeven ambtsinstructie.

17

Consultatieversie

Artikel 82. Landelijke uitvoering Om ontwrichting of ernstig dreigende ontwrichting van de vaststelling van de aard van het overlijden, de doodsoorzaak en de identiteit van overledenen of de bestemming van lichamen van overledenen tegen te gaan dan wel te voorkomen, kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bevoegdheden van de gemeenteraden, burgemeesters, colleges van burgemeester en wethouders, provinciale staten, commissarissen van de Koning of colleges van gedeputeerde staten op grond van deze wet geheel of ten dele aan zich trekken dan wel een andere autoriteit daarmee geheel of ten dele belasten. Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving § 1. Bestuursrechtelijk toezicht en handhaving Artikel 83. Toezicht door gemeente 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 40, 47, 49, 66, vierde lid, en 69, vierde lid, zijn belast de bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van die gemeente aangewezen ambtenaren. 2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Artikel 84. Schriftelijke aanwijzing schouw 1.

Indien Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van oordeel is dat het bepaalde bij of krachtens artikel 7, eerste lid, tweede zin of tweede lid, niet wordt nageleefd, kan deze de desbetreffende behandelend arts of gemeentelijk schouwarts een schriftelijke aanwijzing geven. 2. In de aanwijzing geeft Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met redenen omkleed aan op welke punten het bepaalde bij of krachtens artikel 7, eerste lid, tweede zin of tweede lid, niet wordt nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen. 3. Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de behandelend arts of de gemeentelijk schouwarts de maatregelen treft. Artikel 85. Toezicht Inspectie gezondheidszorg en jeugd 1. De ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd zijn belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de artikelen 7 en 14 bepaalde alsmede van een aanwijzing als bedoeld in artikel 84. 2. De aan de in het eerste lid bedoelde ambtenaren toekomende bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5:16 en 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, hebben mede betrekking op het patiëntendossier van de overledene, de formulieren en verslagen, bedoeld in de artikelen 7 en 14, achtste lid, en de mededeling en het verslag, bedoeld in artikel 12, eerste lid. 3.

Voor zover de betrokken arts of gemeentelijk schouwarts uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift tot geheimhouding van het dossier of de genoemde formulieren, verslagen of mededeling verplicht is, kan deze beroepsbeoefenaar deze verplichting, in afwijking van artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet inroepen tegenover de in het eerste lid bedoelde ambtenaren. Op deze ambtenaren rust dezelfde geheimhoudingsplicht als op de betrokken beroepsbeoefenaar. Artikel 86. Bestuursdwang schouw Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens artikel 7, eerste lid, tweede zin, en tweede lid, en van een krachtens artikel 84 gegeven aanwijzing. § 2. Strafbepalingen Artikel 87. Misdrijf Het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 van deze wet wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. Artikel 88.

Zware overtredingen Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft: 1° het bestemmen, bewaren, wegmaken, vervoeren, vernietigen, ontleden, balsemen, conserverend behandelen of anderszins behandelen van het lichaam van een overledene in strijd met of anders dan met inachtneming van hetgeen is bepaald bij of krachtens de artikelen 6, 22, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 23, eerste lid, 33, 35, 36, 38, 42, 47, derde lid, 58, eerste lid, 60, 72, 75, 76, 77, tweede lid, en 78;

18

Consultatieversie

2° het geven van verlof tot bestemming in strijd met de artikelen 22, derde en vierde lid, en 23, derde lid; 3° het begraven, cremeren, hydrolyseren, ontleden, balsemen of op andere wijze conserverend behandelen van het lichaam van een overledene voordat dit ingevolge het bij of krachtens de artikelen 27, tweede lid, 28, eerste lid, en 77, eerste lid, bepaalde is toegestaan; 4° overtreding van de artikelen 63, 64, 71, 74, eerste en tweede lid; 5° het verwijderen of ruimen van een asbus of stofbus in strijd met de artikelen 64, vijfde lid, 67, 68 of 74, vijfde lid; 6° het verrichten van sectie of het verwijderen van delen uit het lichaam van een overledene in strijd met het bepaalde bij de artikelen 18 tot en met 21 en 22, tweede lid; 7° het verhinderen of belemmeren van een schouw dan wel een poging daartoe; 8° overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 80, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid. Artikel 89.

Lichte overtredingen Met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: 1° overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 7, eerste lid, eerste zin, 9, 10, eerste, derde en vierde lid, 11, eerste en tweede lid, 12, eerste lid, 15, eerste tot en met vierde lid, 25, eerste en derde lid, 29, eerste lid, 40, eerste lid, en 41; 2° de weigering tot afgifte van het lichaam van een overledene als bedoeld in artikel 29, derde lid; 3° het ter beschikking stellen van een begraafplaats, crematorium of hydrolysatorium als bedoeld in de artikelen 38 en 58, eerste lid; 4° het ruimen van een graf in strijd met artikel 50; 5° het gebruik maken van een begraafplaats na sluiting of geslotenverklaring, bedoeld in artikel 57 57, in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 58, tweede en derde lid; 6° het bijzetten van een asbus of stofbus in strijd met of anders dan met inachtneming van hetgeen is bepaald bij of krachtens artikel 41, eerste lid, 66 en 74, vierde lid; 7° het verstrooien van de as of vaste stof in strijd met artikel 69, eerste tot en met derde lid, en 74, vierde lid; 8° overtreding van het bepaalde krachtens de artikelen 52, 62, 70, 73 en 74b, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid. Artikel 90. Strafrechtelijke kwalificatie 1.

Het in artikel 87 strafbaar gestelde feit is een misdrijf. 2. De bij of krachtens de artikelen 88 en 89 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. Hoofdstuk 12. Rechtsbescherming Artikel 91. Spoedeisende procedure Van een besluit van de burgemeester als bedoeld in de artikelen 28 en 76 staat binnen 24 uur beroep open bij de commissaris van de Koning, die daarop onmiddellijk beslist. Artikel 92. Schorsende werking beroep Een besluit op grond van de artikelen 28, 39, 40, 56, 57, 66, vierde lid, 74, vierde lid, en 76 waartegen bezwaar of beroep openstaat of aanhangig is, treedt zolang dit het geval is niet in werking, onverminderd het bepaalde in artikel 49, vierde lid. Hoofdstuk 13. Overige bepalingen Artikel 93. Koninklijk huis 1. Deze wet is niet van toepassing op de bestemming van lichamen van overleden leden van het Koninklijk Huis. 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan ten aanzien van andere bloeden aanverwanten van de Koning ontheffing verlenen van bepalingen van deze wet. Artikel 94. Continentale plat 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de in deze wet geregelde onderwerpen voor: a. de territoriale zee; b. het aan Nederland grenzende deel van het continentale plat, waarop het Koninkrijk soevereine rechten heeft; en c.

landen buiten Nederland voor het geval daar door of vanwege Nederlandse militaire autoriteiten ter uitvoering van een internationale overeenkomst handelingen ten aanzien van deze onderwerpen verricht kunnen worden. 19

Consultatieversie

2. In de regels wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de in Nederland geldende wettelijke bepalingen. Artikel 95. Termijnenwet De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen, gesteld in artikelen 27, 28, 29, eerste lid, 76 en 77. Artikel 96. Gemeentelijke regelgeving De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, gehandhaafd, voor zover die verordeningen niet met deze wet in strijd zijn. Hoofdstuk 14. Overgangs- wijzigings- en slotbepalingen § 1. Overgangsbepalingen Artikel 97. Overgang schouw 1. De artikelen 3 en 10a van de Wet op de lijkbezorging zoals die luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijven van toepassing op schouwingen die zijn aangevangen voor dit tijdstip en nog niet zijn afgerond op het moment van inwerkingtreding. 2. Op de schouwingen, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 7, 14, 84, 85 en 86 van deze wet niet van toepassing. Artikel 98. Overgang invasieve postmortale zorg Op handelingen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, die reeds zijn aangevangen voorafgaand aan inwerkingtreding van dat artikel en nog niet zijn afgerond op het moment van inwerkingtreding, is artikel 36 niet van toepassing. Artikel 99. Overgang vergunningplicht 1.

De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in gebruik zijnde begraafplaatsen en crematoria worden geacht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zijn aangelegd en opengesteld onderscheidenlijk gevestigd en in werking gesteld te zijn en te beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 40. 2. De grond waarop op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een begraafplaats of crematorium is gevestigd, wordt geacht op grond van artikel 39 door de gemeenteraad te zijn aangewezen. 3. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende ontheffingen, verleend op grond van artikel 33 van de Wet op de lijkbezorging zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, worden overeenkomstig artikel 53, tweede lid, geacht te zijn verleend. Artikel 100. Overgang graven buiten een begraafplaats en grafkelders 1. In graven of grafkelders als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de lijkbezorging (Wet van 10 april 1869, Stb. 1869, 65) kunnen het lichaam van degene, die daarvan eigenaar is ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet en de lichamen van de overleden leden van zijn geslacht worden begraven. In of op deze graven en in deze grafkelders kunnen asbussen, waarin de as van het lichaam van overledenen bedoeld in de eerste lid is geborgen, en stofbussen, bedoeld in 74, tweede lid, worden bijgezet. 2.

Op de in het eerste lid bedoelde graven en grafkelders zijn de artikelen 41, 45, 47, 48, 49 en 50, tweede en vierde lid, en 51 van toepassing. Artikel 101. Overgang verplichting tot betaling van schadeloosstelling 1. De gemeenteraad van een gemeente waarop een verplichting rust tot betaling van een jaarlijkse schadeloosstelling in verband met het niet meer plaatsvinden van begravingen in gebouwen voor het belijden van godsdienst of levensovertuiging of andere gesloten gebouwen, hebben het recht deze verplichting af te kopen tegen betaling van een som, die het twintigvoudige van het bedrag van de schadeloosstelling is. 2. Indien de rechthebbende op de afkoopsom weigert deze te aanvaarden of onbekend dan wel afwezig is, kan het college de afkoopsom doen opnemen in de consignatiekas. Artikel 102. Overgang verklaring van verwaarlozing Indien ten aanzien van een graf waarop voor 1 januari 2010 een uitsluitend recht is gevestigd, voor 1 januari 2025 een verklaring van verwaarlozing als bedoeld in artikel 28, vierde lid, van de 20

Consultatieversie

Wet op de lijkbezorging zoals dat luidde voor inwerkingtreding van deze wet is opgesteld, vervalt het recht, in afwijking van artikel 46, derde lid: a. met ingang van 1 januari 2030, mits op dat tijdstip dertig jaar is verstreken sinds de laatste begraving in dat graf; of b. op een later gelegen tijdstip waarop dertig jaar is verstreken sinds de laatste begraving in dat graf. § 2. Wijzigingsbepalingen andere wetten Artikel 102a. Wijziging Algemene wet bestuursrecht In artikel 1 van Bijlage 2. Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak bij de Algemene wet bestuursrecht wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: Wet bestemming lichamen van overledenen: artikel 91 Artikel 103. Wijziging Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 19f wordt als volgt gewijzigd: 1. In het tweede lid wordt “lijk” telkens vervangen door “lichaam van een overledene”. 2. In het derde lid wordt “lijk” vervangen door “lichaam van de overledene”. B In artikel 19g, eerste lid, wordt “lijk” vervangen door “lichaam van de overledene”. C Artikel 19h wordt als volgt gewijzigd: 1. Het tweede lid komt te luiden: 2.

De persoon die in de bestemming van het lichaam van de overledene voorziet, kan binnen de termijn bedoeld in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Wet bestemming lichamen van overledenen voor de begraving, crematie of alkalische hydrolyse door een in het eerste lid bedoelde persoon worden gemachtigd tot het doen van de aangifte. In dit geval kan de aangifte door de gemachtigde ook elektronisch worden gedaan, als deze weg is geopend. 2. Het vijfde lid komt te luiden: 5. Wanneer tot de aangifte bevoegde personen ontbreken of nalaten binnen de in de Wet bestemming lichamen van overledenen gestelde termijn voor de begraving, crematie of alkalische hydrolyse de aangifte te doen, geschiedt deze door of vanwege de burgemeester van de gemeente alwaar de akte van overlijden moet worden opgemaakt. D In artikel 22, tweede lid, wordt “lijk” vervangen door “lichaam van de overledene”. Artikel 104. Wijziging Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek In artikel 288, onder b, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, wordt “kosten van de lijkbezorging” vervangen door “kosten van de bestemming van het lichaam van de overledene”. Artikel 105. Wijziging Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek In artikel 7, eerste lid, onder b, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, wordt “kosten van de lijkbezorging” vervangen door “kosten van de bestemming van het lichaam van de overledene”.

21

Consultatieversie

Artikel 106. Wijziging Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek In artikel 108, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, wordt “kosten van de lijkbezorging” vervangen door “kosten van de bestemming van het lichaam van de overledene”. Artikel 107. Wijziging Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 720, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: 1. In onderdeel a, wordt “lijkbezorging” vervangen door “bestemming van het lichaam van de overledene”. 2. Onderdeel b komt te luiden: b. indien de bestemming van het lichaam van de overledene plaatsvindt in het land waar deze diens woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, de kosten van en in verband met het vervoer van de resten van het lichaam van de overledene naar de woonplaats of gewone verblijfplaats in dat land, alsmede de kosten van en in verband met de daartoe noodzakelijke opgraving van de resten van het lichaam van de overledene. B In artikel 976 wordt “kosten van de lijkbezorging” vervangen door “kosten van de bestemming van het lichaam van de overledene”. Artikel 108. Wijziging Coördinatiewet uitzonderingstoestanden Aan de lijsten A en B, behorende bij de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden, wordt aan de opsomming toegevoegd: van de Wet bestemming lichamen van overledenen: de artikelen 80 tot en met 82. Artikel 109.

Wijziging Kernenergiewet Artikel 46, tweede lid, onder f, van de Kernenergiewet, komt te luiden: f. het begraven, cremeren, alkalisch hydrolyseren, bewaren, behandelen of vervoeren van lichamen van personen, die mogelijk radioactief besmet zijn, Artikel 110. Wijziging Successiewet In artikel 20 van de Successiewet 1956 wordt “kosten van de lijkbezorging” telkens vervangen door “kosten van de bestemming van het lichaam van de overledene”. Artikel 111. Wijziging Wetboek van Strafrecht Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 148 komt te luiden: Artikel 148 Hij die opzettelijk de geoorloofde toegang tot een begraafplaats, crematorium of hydrolysatorium of het geoorloofd vervoer van een lichaam van een overledene naar een begraafplaats, crematorium of hydrolysatorium verhindert of belemmert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie. B In artikel 150 wordt “lijk” telkens vervangen door “lichaam van een overledene”.

22

Consultatieversie

C In artikel 151 vervalt “verbrandt,” en wordt na “begraaft,” ingevoegd “cremeert, hydrolyseert,” Artikel 112. Wijzing Wetboek van Strafvordering In de artikelen 55c, vierde lid, 151a, achtste lid en 195a, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt “lijk” telkens vervangen door “lichaam van een overledene”. Artikel 113. Wijziging Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden In artikel 2, zesde lid van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden wordt “lijk” vervangen door “lichaam van een overledene”. Artikel 114. Wijziging Wet op de orgaandonatie De Wet op de orgaandonatie wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 16 komt te luiden: Artikel 16 Bij verwijdering van een orgaan uit resten van een lichaam van een overledene geschiedt de schouw als bedoeld in artikel 7 van de Wet bestemming lichamen van overledenen niet door een arts die bij de verwijdering of de implantatie van het orgaan betrokken is. B In artikel 17 wordt “artikel 76, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging” vervangen door “artikel 22, tweede lid, van de Wet bestemming lichamen van overledenen”. Artikel 115. Wijziging Wet op het notarisambt In artikel 49a van de Wet op het notarisambt wordt “lijk is begraven of verbrand” vervangen door “lichaam is begraven, gecremeerd of gehydrolyseerd”. Artikel 116.

Wijziging Wet publieke gezondheid De Wet publieke gezondheid wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd: 1. De begripsbepaling van lijk komt te vervallen 2. In alfabetische volgorde wordt een begripsbepaling ingevoegd luidende: lichaam van een overledene: een lichaam van een overledene als bedoeld in artikel 1 van de Wet bestemming lichamen van overledenen;. 3. De begripsbepaling van goed komt te luiden: goed: tastbaar product, met inbegrip van planten en met uitzondering van dieren, vervoermiddelen en een lichaam van een overledene;. B In de artikelen 21, tweede lid, 24, tweede lid, 27, derde lid, 28, vierde lid wordt “lijk” telkens vervangen door “lichaam van een overledene”.

23

Consultatieversie

Artikel 117. Wijziging Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding De Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding wordt als volgt gewijzigd: A In artikel 8, eerste lid, wordt “artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging” vervangen door “artikel 10, eerste lid, van de Wet bestemming lichamen van overledenen”. B In artikel 9, tweede lid, onder b, wordt “artikel 12, laatste volzin van de Wet op de lijkbezorging” vervangen door “artikel 22, vijfde lid, van de Wet bestemming lichamen van overledenen”. § 3. Samenloopbepalingen PM [Zie artikelsgewijze toelichting] § 4. Slotbepalingen Artikel 120. Intrekking Wet op de lijkbezorging De wet op de lijkbezorging (de wet van 7 maart 1991, Stb. 1991, 130) wordt ingetrokken. Artikel 120a. Evaluatie Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zendt in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel 121. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel 122.

Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet bestemming lichamen van overledenen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, De Minister van Justitie en Veiligheid, De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15581298/1