CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Consultatieversie Wblo.pdf

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 4 juni 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de schriftelijke reactie aan de minister van BZK op de consultatieversie van de Wet bestemming lichamen overledenen (VN2025-005914)13.934 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Consultatieversie

Wet houdende bepalingen over het vaststellen van de aard van het overlijden, de doodsoorzaak en de identiteit van overledenen en over de bestemming van lichamen van overledenen (Wet bestemming lichamen van overledenen) VOORSTEL VAN WET Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het vanwege een aantal maatschappelijke ontwikkelingen en behoeften van burgers wenselijk is de Wet op de lijkbezorging te vervangen door een nieuwe wet waarin de kwaliteit van de schouw wordt gewaarborgd en regels over de vaststelling van de aard van het overlijden, de doodsoorzaak en de identiteit van overledenen worden geactualiseerd en aangevuld, invasieve handelingen aan het lichaam van een overledene van een grondslag worden voorzien, alkalische hydrolyse als nieuwe bestemming van het lichaam van een overledene wordt toegevoegd en een aantal andere wijzigingen wordt aangebracht die samenhangen met de aan het lichaam van een overledene te geven bestemming; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1. Begrippen en reikwijdte Artikel 1.

Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: alkalische hydrolyse: het proces waarbij het lichaam van een overledene wordt opgelost in een basische vloeistof, waarbij een vloeistof en een vaste stof overblijft; begraafplaats: een gemeentelijke of bijzondere begraafplaats als bedoeld in artikel 37, met inbegrip van een gedeelte daarvan; bestemming: een bestemming als bedoeld in artikel 3; burgerservicenummer: burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer; doodgeborene: een na een zwangerschapsduur van ten minste 24 weken levenloos geboren kind; lichaamsdeel: een deel van het menselijk lichaam, niet zijnde een separaat orgaan of separaat weefsel; overledene: een persoon bij wie de dood is ingetreden, met inbegrip van een doodgeborene; overlijdensonderzoek: het onderzoek door een gemeentelijk schouwarts en ambtenaren van politie in geval van aanwijzingen voor een mogelijk niet-natuurlijk overlijden, naar de aard van het overlijden en de identiteit van een overledene; schouw: het uitwendig onderzoek aan het lichaam van een overledene door de behandelend arts of een gemeentelijk schouwarts naar de aard van het overlijden; vaste stof: de na alkalische hydrolyse overgebleven resten van het lichaam van de overledene die een vaste substantie hebben. Artikel 2. Reikwijdte 1.

Deze wet is niet van toepassing op een kind dat na een zwangerschapsduur van minder dan 24 weken: a. levenloos ter wereld is gekomen; of b. binnen 24 uur na de geboorte is overleden. 2. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt een lichaamsdeel dat buiten een begraafplaats is aangetroffen en door de officier van justitie is vrijgegeven gelijkgesteld met een lichaam van een overledene. Op een aangetroffen lichaamsdeel zijn 1

Consultatieversie

hoofdstuk 2, eerste paragraaf en de artikelen 15, 16, 20, 22, 23, derde lid, onderdeel a, 25, 29, voor zover het ziet op de schouw, 34, 84 en 85 niet van toepassing. 3. Een persoon van wie een lichaamsdeel bij leven wordt afgescheiden, kan dat lichaamsdeel bij leven een bestemming als bedoeld in artikel 3 geven. Op een dergelijke bestemming zijn de artikelen 5 en 6, hoofdstuk 2 en de artikelen 23, 24, 25, 26, 29, 30, 31, 34, 35, 36, 84 en 85 niet van toepassing. § 2. Bestemmingen Artikel 3. Toegelaten bestemmingen Het lichaam van een overledene mag slechts worden begraven, gecremeerd, alkalisch gehydrolyseerd of een bijzondere bestemming als bedoeld in de artikelen 75 en 78 worden gegeven. Artikel 4. Individuele of gezamenlijke bestemming 1. Het lichaam van een overledene krijgt individueel een bestemming en wordt daartoe individueel in een kist of een ander omhulsel gelegd. 2. Zolang twee of meer lichamen van overledenen nog geen bestemming hebben gekregen, kunnen deze lichamen gezamenlijk worden bestemd en daartoe in een kist of ander omhulsel worden gelegd, op verzoek van de in artikel 6 bedoelde persoon. Artikel 5. Wilsbeschikking bestemming 1. In de bestemming, bedoeld in de artikelen 3 en 4, wordt voorzien in overeenstemming met de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden. 2.

Eenieder die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, kan, ook indien diegene niet bekwaam is een uiterste wil te maken, door middel van een notariële akte of een eigenhandig geschreven, gedagtekende en ondertekende verklaring beschikkingen maken over de bestemming van zijn lichaam na overlijden als bedoeld in de artikelen 3 en 4. 3. Een in algemene bewoordingen gestelde herroeping van uiterste wilsbeschikkingen wordt geacht geen herroeping in te houden van een vroeger te kennen gegeven wens als bedoeld in het eerste lid. 4. Onder bestemming wordt voor de toepassing van deze paragraaf ook begrepen het geven van een bestemming aan de as, bedoeld in artikel 64, en de vaste stof, bedoeld in artikel 74. Artikel 6. Voorziening in de bestemming In de bestemming van het lichaam van een overledene overeenkomstig de artikelen 3 en 4 en de zeggenschap over de uitvoering hiervan, wordt voorzien door de persoon die het in het artikel 23 bedoelde verlof aanvraagt of degene die redelijkerwijs geacht kan worden in zijn plaats te zijn getreden. Hoofdstuk 2. Maatregelen ten behoeve van het vaststellen van de aard van het overlijden, de doodsoorzaak en de identiteit van de overledene § 1. Schouw door arts Artikel 7. Schouw 1. De schouw van het lichaam van de overledene wordt verricht door de behandelend arts of door een gemeentelijk schouwarts.

De schouw geschiedt zo spoedig mogelijk na het overlijden. 2. De schouw is van goede kwaliteit en van goed niveau. Hieronder wordt verstaan een schouw die tijdig en doeltreffend is en waarbij de behandelend arts of de gemeentelijk schouwarts: a. handelt in overeenstemming met de op diegene rustende verantwoordelijkheden; en b. de rechten van de overledene zorgvuldig in acht neemt en het lichaam van de overledene met respect behandelt. Artikel 8. Benoeming gemeentelijk schouwarts en inschrijving register 1. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor het verrichten van de schouw van lichamen van overledenen door de gemeentelijk schouwarts. Het college van burgemeester en wethouders benoemt hiertoe een of meer gemeentelijke schouwartsen. 2. Uitsluitend artsen die als forensisch arts zijn ingeschreven in een daartoe gehouden register, worden benoemd als gemeentelijk schouwarts.

2

Consultatieversie

Artikel 9. Uitzondering optreden als schouwarts 1. Een behandelend arts of een gemeentelijk schouwarts verricht geen schouw, indien tussen die arts en de overledene of de moeder van de doodgeborene bloed- of aanverwantschap tot in de derde graad, een huwelijk of een geregistreerd partnerschap bestond of bestaat. 2. Een gemeentelijk schouwarts treedt niet als zodanig op als diegene gedurende de laatste twee jaar geneeskundige behandelingen heeft verricht bij de overledene of de moeder van de doodgeborene. § 2. Verklaringen en verslagen Artikel 10. Verklaring van natuurlijk overlijden 1. De arts die de schouw heeft verricht, geeft een verklaring van natuurlijk overlijden af, indien deze ervan overtuigd is dat de dood is ingetreden als gevolg van een natuurlijke oorzaak. 2. Indien de behandelend arts degene is die de schouw van het lichaam van een minderjarige overledene heeft verricht, geeft deze een verklaring van natuurlijk overlijden slechts na overleg met de gemeentelijk schouwarts af. 3. Indien de behandelend arts de schouw heeft verricht en meent geen verklaring van natuurlijk overlijden af te kunnen geven, deelt deze dat onverwijld mede aan de gemeentelijk schouwarts door middel van een daartoe vastgesteld formulier. 4.

Indien de gemeentelijk schouwarts de schouw heeft verricht en meent geen verklaring van natuurlijk overlijden af te kunnen geven, brengt deze indien van toepassing zoveel mogelijk in overleg met de ambtenaar van politie onverwijld telefonisch verslag uit aan de officier van justitie, en waarschuwt de gemeentelijk schouwarts onverwijld de ambtenaar van de burgerlijke stand. De gemeentelijk schouwarts voorziet het telefonisch verslag zo snel mogelijk van een schriftelijke bevestiging. Artikel 11. Verslag in geval van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding 1. Indien het overlijden het gevolg is van de toepassing van levensbeëindiging op verzoek of het verlenen van hulp bij zelfdoding, bedoeld in artikel 293, tweede lid, of artikel 294, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht, geeft de behandelend arts geen verklaring van natuurlijk overlijden af als bedoeld in artikel 10, eerste of tweede lid, en doet de arts van de oorzaak van het overlijden onverwijld mededeling aan de gemeentelijk schouwarts door invulling van een daartoe vastgesteld formulier. 2. Bij de mededeling voegt de arts een beredeneerd verslag inzake de naleving van de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. 3.

De behandelend arts kan de mededeling en het beredeneerd verslag elektronisch verzenden naar de gemeentelijk schouwarts, indien de gemeentelijk schouwarts kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Bij het openstellen van de elektronische weg wijst de gemeentelijk schouwarts een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke wijze van verzenden van de mededeling en het beredeneerd verslag aan. De gemeentelijk schouwarts kan eisen stellen aan de wijze van elektronische verzending mits die eisen de mogelijkheid van elektronische verzending niet onevenredig belemmeren. 4. Elektronische verzending als bedoeld in het derde lid, geschiedt slechts op de door de betreffende gemeentelijk schouwarts aangewezen wijze. De artikelen 2:16, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 2:17, 2:18, eerste lid, 2:20 en 2:25 van de Algemene wet bestuursrecht, zijn van overeenkomstige toepassing. 5. In afwijking van het vierde lid, eerste zin, kan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de in dat lid bedoelde elektronische verzending bij regeling voorschrijven. Artikel 12. Verslag aan regionale toetsingscommissie 1.

Onverminderd artikel 10, vierde lid, brengt de gemeentelijk schouwarts, indien sprake is van een mededeling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onverwijld verslag uit aan een regionale toetsingscommissie, als bedoeld in artikel 3 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, door invulling van een daartoe vastgesteld formulier. De gemeentelijk schouwarts zendt het beredeneerd verslag, bedoeld in artikel 11, tweede lid, mee. 2. Indien de regionale toetsingscommissies de elektronische weg openstellen voor het aan hen verzenden van de in het tweede lid bedoelde verslagen, wijzen zij daartoe een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke wijze van elektronische verzending aan. 3. Elektronische verzending van de verslagen geschiedt slechts op de door de regionale toetsingscommissies aangewezen wijze. 4. In afwijking van artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de in het vierde lid bedoelde elektronische verzending bij regeling voorschrijven. 3

Consultatieversie

Artikel 13. Vaststelling modellen van verklaring en verslag 1. De modellen van de verklaring van natuurlijk overlijden, bedoeld in artikel 10, eerste lid, en het formulier, bedoeld in artikel 10, derde lid, worden geregeld bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, handelende in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 2. De modellen van de mededeling en het verslag, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de mededeling bedoeld in artikel 11, eerste lid, en van de formulieren, bedoeld in artikel 10, vierde lid, en artikel 11, eerste lid, worden geregeld bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, handelende in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid. § 3. Onderzoek politie Artikel 13a. Onderzoek politie in kader van het overlijdensonderzoek 1. In geval van aanwijzingen voor een mogelijk niet-natuurlijk overlijden kan een ambtenaar van politie, onder gezag van de officier van justitie, voor zover dat redelijkerwijs nodig is ter uitvoering van het overlijdensonderzoek: a. de plaats waar de overledene zich bevindt of de plaats ten aanzien waarvan aanwijzingen bestaan dat zich daar een overledene bevindt betreden, zonder toestemming van de rechthebbende of de bewoner; b.

de plaats waar de overledene zich bevindt doorzoeken en onderzoek verrichten aan voorwerpen die zich op die plaats bevinden; c. een onderzoek verrichten aan de kleding en aan het lichaam van de overledene en de voorwerpen die de overledene onder zich heeft; d. een onderzoek verrichten dat gericht is op het meten van de temperatuur in de openingen of holten van het lichaam van de overledene; e. een niet-stelselmatig onderzoek van gegevens verrichten aan digitale-gegevensdragers of geautomatiseerde werken die zich bevinden op de plaats waar de overledene zich bevindt. 2. In het geval van doorzoeking van een vervoermiddel is artikel 96b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing. 3. De ambtenaar van politie kan de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, uitoefenen voorafgaand aan, gelijktijdig met en kort na afloop van de schouw. 4. De ambtenaar van politie maakt schriftelijk verslag op van hetgeen hij ter uitvoering van het overlijdensonderzoek overeenkomstig het eerste lid heeft verricht. 5. Indien na het onderzoek aanwijzingen voor een mogelijk niet-natuurlijk overlijden blijven bestaan, brengt de ambtenaar van politie, zoveel mogelijk in overleg met de gemeentelijk schouwarts, onverwijld verslag uit aan de officier van justitie. De ambtenaar van politie voorziet een telefonisch verslag zo snel mogelijk van een schriftelijke bevestiging. 6.

Het eerste lid is niet van toepassing indien het de officier van justitie bekend is dat de daarin genoemde handelingen al op grond van het Wetboek van Strafvordering op bevel van de hulpofficier van justitie, de officier van justitie of de rechter-commissaris hebben plaatsgevonden. § 4. Nader onderzoek gemeentelijk schouwarts Artikel 14. Nader onderzoek gemeentelijk schouwarts na de schouw 1. De gemeentelijk schouwarts kan, na het lichaam van de overledene te hebben geschouwd, in afwijking van artikel 10, vierde lid, en, indien van toepassing, zoveel mogelijk in overleg met betrokken ambtenaren van politie, een nader onderzoek naar de aard van het overlijden verrichten of laten verrichten indien de gemeentelijk schouwarts op basis van de verrichte schouw niet overtuigd is dat het overlijden een natuurlijke oorzaak heeft. Artikel 7, tweede lid, is op het nader onderzoek van overeenkomstige toepassing. 2. In het geval van een overleden minderjarige kan de gemeentelijk schouwarts, na het lichaam van de overledene te hebben geschouwd, in afwijking van artikel 10, vierde lid, zorg dragen voor een nader onderzoek naar de doodsoorzaak. 3. De gemeentelijk schouwarts meldt het voornemen tot het verrichten van een nader onderzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid aan de officier van justitie.

De gemeentelijk schouwarts kan de bevoegdheid, bedoeld in het eerste of tweede lid, niet uitoefenen indien hij of de officier van justitie vermoedt dat het overlijden het gevolg is van een strafbaar feit. 4. De behandelend arts en andere betrokken hulpverleners verstrekken de gemeentelijk schouwarts onverwijld op diens verzoek de informatie of verlenen inzage in of afschrift van bescheiden over de overledene, die naar het oordeel van de gemeentelijk schouwarts noodzakelijk zijn voor het nader onderzoek, bedoeld in het eerste of tweede lid.

4

Consultatieversie

5. De gemeentelijk schouwarts is met inachtneming van artikel 35a, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, bevoegd tot het verrichten of laten verrichten van: a. radiologisch onderzoek aan het lichaam van de overledene; of b. een katheterisatie of punctie om lichaamsmateriaal van de overledene af te nemen voor toxicologisch onderzoek. 6. De gemeentelijk schouwarts is slechts bevoegd tot het verrichten van de in het vijfde lid bedoelde onderzoeken indien de gemeentelijk schouwarts deze noodzakelijk acht voor de vaststelling van de aard van het overlijden, dit doel niet op een andere, minder ingrijpende wijze kan worden bereikt en de gevolgen van de onderzoeken voor de overledene en diens lichaam in een redelijke verhouding staan tot het belang van de vaststelling van de aard van het overlijden. 7. Artikel 36, achtste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg is van overeenkomstige toepassing op het verrichten van het radiologisch onderzoek, bedoeld in het vijfde lid, onder a. 8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt het lichaamsmateriaal aangewezen waarop een toxicologisch onderzoek kan worden verricht en kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van afname van het lichaamsmateriaal, het verrichten van toxicologisch en radiologisch onderzoek en het bewaren, vervoeren en vernietigen van het lichaamsmateriaal.

9. Na het nader onderzoek, bedoeld in het eerste of tweede lid, geeft de gemeentelijk schouwarts met overeenkomstige toepassing van artikel 10, eerste of vierde lid, een verklaring van natuurlijk overlijden af of brengt hij onverwijld verslag uit aan de officier van justitie en waarschuwt hij onverwijld de ambtenaar van de burgerlijke stand. De gemeentelijk schouwarts voorziet een telefonisch verslag zo snel mogelijk van een schriftelijke bevestiging. 10. De met het nader onderzoek verkregen informatie of afschriften van bescheiden mogen niet voor een ander doel worden gebruikt dan voor het vaststellen van de aard van het overlijden of de doodsoorzaak, bedoeld in het tweede lid. § 5. Identificatie overledene Artikel 15. Voorziening identificatiemiddelen en vermelding gezondheidsrisico’s 1. Indien de identiteit van een overledene vaststaat, bevestigt de arts die de schouw verricht een identificerend middel op niet-invasieve wijze aan het lichaam van de overledene. 2. Indien de identiteit van een overledene in geval van een natuurlijk overlijden niet vaststaat, stelt de arts die de schouw verricht de burgemeester daarvan onmiddellijk in kennis. 3.

Voor zover die arts kennis draagt over gevaren die bij de behandeling en bestemming van het lichaam van de overledene een aanmerkelijk risico kunnen opleveren voor de gezondheid van de mens, kan de arts het bestaan van dit gevaar tevens op het identificerend middel vermelden. 4. Degene die het lichaam van de overledene in een kist of ander omhulsel legt, stelt een document op waarin de gegevens van het identificerend middel worden overgenomen en een registratienummer wordt vermeld. Slechts het registratienummer wordt aangebracht op de kist of het omhulsel. Na opname van de gegevens van het identificerend middel in het register, bedoeld in artikel 41, wordt het document vernietigd. 5. In het geval van een gezamenlijke bestemming van twee of meer lichamen van overledenen, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, wordt voor elk van de lichamen een afzonderlijk registratienummer vermeld op het document en op de kist of een ander omhulsel. 6. Tot begraving, crematie of alkalische hydrolyse wordt niet overgegaan dan nadat de houder van de begraafplaats, het crematorium of het hydrolysatorium heeft vastgesteld dat het op de kist of het omhulsel vermelde registratienummer overeenkomt met het nummer vermeld op het identificerend middel. 7.

Indien er reden is om aan te nemen dat de gegevens op het identificerend middel, het document of de kist of het omhulsel niet juist zijn, vindt zo mogelijk de identificatie van het lichaam van de overledene plaats door twee personen die de overledene bij leven hebben gekend, in aanwezigheid van de houder van de begraafplaats, het crematorium of het hydrolysatorium. 8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de persoonsgegevens en gezondheidsgevaren aangewezen die van de overledene die op het identificerend middel kunnen worden vermeld en worden regels gesteld over het materiaal van het middel en de wijze van uitvoering van het eerste tot en met vijfde lid. Artikel 16. Zorg burgemeester voor vaststelling identiteit overledene 1. Indien de identiteit van een overledene in geval van een natuurlijk overlijden niet vaststaat, draagt de burgemeester zorg voor het vaststellen van de identiteit van de overledene en het invullen van de verklaring van overlijden. Een ambtenaar van politie kan in dat geval, onder

5

Consultatieversie

gezag van de burgemeester, ondersteuning bieden bij de identificatie van het lichaam van de overledene. 2. Voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor het vaststellen van de identiteit van de overledene, kan de burgemeester een ambtenaar van politie: a. de plaats waar de overledene zich bevindt laten betreden en doorzoeken, zonder toestemming van de rechthebbende of de bewoner; b. een onderzoek laten verrichten aan de kleding van de overledene en de voorwerpen die de overledene onder zich heeft. 3. In het geval van doorzoeking van een vervoermiddel is artikel 96b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing. 4. De ambtenaar van politie die de doorzoeking, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, heeft verricht, maakt daarvan schriftelijk verslag op. Artikel 17. Zorg burgemeester voor vaststelling identiteit onbekende overledene 1. Indien de identiteit van een overledene niet met toepassing van het bepaalde in de artikelen 13a en 16 kan worden vastgesteld, draagt de burgemeester er, uitsluitend ten behoeve van de identificatie, zorg voor dat celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek dat zich richt op het vergelijken van DNA-profielen of het vaststellen van verwantschap. 2. DNA-profielen worden slechts verwerkt voor het vaststellen van de identiteit van een overledene.

De verwerking van DNA-profielen en celmateriaal vindt plaats onder beheer van de politie. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verwerken van DNA-profielen en celmateriaal. 3. Zo nodig kan de burgemeester in geval van het eerste lid tevens: a. een ambtenaar van politie een of meer afdrukken van delen van het lichaam van de overledene laten maken, met uitzondering van een gebitsafdruk; b. een arts een onderzoek in het lichaam van de overledene laten verrichten of een gebitsafdruk van de overledene laten maken. 4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing indien het de burgemeester bekend is dat daarin genoemde handelingen al op grond van het Wetboek van Strafvordering op bevel van de officier van justitie, de hulpofficier van justitie of de rechter-commissaris hebben plaatsgevonden. 5. Indien alsnog de identiteit van de overledene is vastgesteld, bevestigt degene die zorg draagt voor het lichaam van de overledene een identificerend middel op niet-invasieve wijze aan het lichaam. Artikel 15, tweede tot en met vijfde lid, is van toepassing. § 6. Sectie of ander geneeskundig onderzoek Artikel 18. Klinische sectie of ander geneeskundig onderzoek 1. Indien de overledene daarvoor bij leven toestemming heeft verleend, kan diens lichaam na overlijden aan een sectie of ander geneeskundig onderzoek worden onderworpen.

Artikel 5 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat kan worden volstaan met een gedagtekende en door diegene ondertekende verklaring. 2. Bij gebrek aan toestemming van de overledene kan daarvoor de toestemming in de plaats treden van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel of, bij afwezigheid of onbereikbaarheid van deze persoon, van de naaste onmiddellijk bereikbare meerderjarige bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, of, wanneer ook deze niet bereikbaar zijn, van de aanwezige meerderjarige erfgenamen of anders van degenen die de zorg voor het lichaam van de overledene op zich nemen. Artikel 19. Sectie of ander geneeskundig onderzoek op last van de overheid 1. In afwijking van artikel 18 kan het lichaam van een overledene aan een sectie of ander geneeskundig onderzoek worden onderworpen, indien er sprake is van: a. een bevel van een bevoegde autoriteit in verband met een strafrechtelijk onderzoek; b. een verzoek van de inspecteur-generaal van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd; of c. een verzoek van de voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid. 2. De persoon, bedoeld in artikel 18, tweede lid, wordt van de sectie of ander geneeskundig onderzoek in kennis gesteld. Artikel 20. Sectie of ander geneeskundig onderzoek minderjarigen 1.

Indien een gemeentelijk schouwarts na het verrichten van een nader onderzoek als bedoeld in artikel 14, sectie of ander geneeskundig onderzoek aan het lichaam van een overleden minderjarige noodzakelijk acht, kan de gemeentelijk schouwarts bij gebreke van toestemming van een ouder van de minderjarige de rechtbank verzoeken vervangende toestemming te verlenen. 6

Consultatieversie

2. Bevoegd is de rechtbank van de plaats waar het ziekenhuis of andere instelling waarin het nader onderzoek wordt verricht, is gelegen. 3. De rechtbank verleent de toestemming, tenzij het belang om de aard van het overlijden van minderjarigen vast te stellen niet opweegt tegen de gevolgen die inwilliging van het verzoek voor de ouder zou hebben. Artikel 21. Verrichten van de sectie of ander geneeskundig onderzoek Een sectie of ander geneeskundig onderzoek als bedoeld in de artikelen 18 tot en met 20, wordt verricht door een arts, nadat deze zich voorafgaand daaraan heeft verzekerd dat een andere arts het intreden van de dood heeft vastgesteld en dat aan de vereisten, genoemd in de artikelen 18 tot en met 20, is voldaan. § 7. Beperking vervoer en bestemmingen bij aanwijzingen voor niet-natuurlijk overlijden Artikel 22. Beperking vervoer en bestemmingen 1. In geval van aanwijzingen voor een mogelijk niet-natuurlijk overlijden, mag het lichaam van de overledene slechts met toestemming van de officier van justitie worden vervoerd. 2. In een geval als bedoeld in het eerste lid vinden de volgende handelingen niet plaats, of worden zij, indien daarmee al is gestart, niet voortgezet, tenzij de officier van justitie daarvoor toestemming heeft verleend: a. ontleding; b. conservering als bedoeld in artikel 35, eerste en vierde lid; c.

sectie of ander geneeskundig onderzoek als bedoeld in de artikelen 18 tot en met 20; d. verwijdering van organen uit het lichaam van de overledene voor orgaandonatie als bedoeld in de Wet op de orgaandonatie. 3. In een geval als bedoeld in het eerste lid kan de officier van justitie bevelen tot: a. uitstel van het geven van een bestemming aan het lichaam; b. een verbod op het geven van een bestemming als bedoeld in artikel 3; c. een verbod op het geven van een gezamenlijke bestemming van twee of meer lichamen van overledenen als bedoeld in artikel 4, tweede lid. 4. Zolang een bevel als bedoeld in het derde lid van kracht is, geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand geen verlof af tot bestemming. Indien de officier van justitie besluit het in het derde lid bedoelde bevel niet of niet verder ten uitvoer te leggen, geeft deze een verklaring af van geen bezwaar tegen bestemming. 5. Indien de officier van justitie in het geval, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van oordeel is dat geen verklaring van geen bezwaar kan worden afgegeven, stelt deze de gemeentelijk schouwarts en een regionale toetsingscommissie, bedoeld in artikel 3 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, hiervan onverwijld in kennis. Hoofdstuk 3. Algemene procedures voor de bestemming § 1. Verlof door ambtenaar burgerlijke stand en doodsoorzakenstatistiek Artikel 23.

Verlof tot bestemming 1. Het lichaam van een overledene krijgt geen bestemming voordat de ambtenaar van de burgerlijke stand daarvoor verlof heeft afgegeven. Het verlof wordt kosteloos afgegeven. 2. Het formulier voor het verlof wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 3. De ambtenaar van de burgerlijke stand verleent geen verlof indien deze niet beschikt over: a. een verklaring van natuurlijk overlijden als bedoeld in artikel 10; of b. een verklaring van geen bezwaar tegen bestemming van de officier van justitie. 4. De in het derde lid bedoelde documenten worden bij de akte van overlijden gevoegd. Bij gebreke van een akte worden deze documenten bewaard door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het lichaam van de overledene een bestemming is gegeven. Artikel 24. Verklaring levenloos geboren of vroeg overleden kind Onverminderd artikel 2 kan aan een in dat artikel bedoeld kind een bij of krachtens deze wet geregelde bestemming worden gegeven, mits door de behandelend arts een verklaring is afgegeven waaruit blijkt dat het lichaam een levenloos geboren kind of een binnen 24 uur na de geboorte overleden kind is. Artikel 25. Doodsoorzakenstatistiek 1.

De behandelend arts of de gemeentelijk schouwarts doet zo spoedig mogelijk na de afgifte van de verklaring van natuurlijk overlijden, bedoeld in artikel 10, opgave van de doodsoorzaak en 7

Consultatieversie

de onmiddellijk daarmee samenhangende gegevens aan de medisch ambtenaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De opgave van de doodsoorzaak geschiedt met gebruikmaking van het in het vierde lid bedoelde formulier. 2. Bij de opgave wordt het burgerservicenummer van de overledene vermeld indien de overledene op het moment van overlijden was ingeschreven in de basisregistratie personen, bedoeld in artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen. Bij een kind jonger dan één maand waarvan het burgerservicenummer nog niet bekend is of bij een doodgeborene wordt het burgerservicenummer van de moeder vermeld. 3. In afwijking van het eerste lid, doet een arts die de officier van justitie heeft aangewezen, de opgave van de doodsoorzaak, indien het lichaam van de overledene wordt begraven, gecremeerd, alkalisch gehydrolyseerd, ontleed, gebalsemd of aan een andere conserverende bewerking wordt onderworpen krachtens een verklaring van geen bezwaar tegen bestemming. 4. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stelt een formulier vast voor de opgave van de doodsoorzaak. 5. Indien het Centraal Bureau voor de Statistiek krachtens artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de elektronische weg openstelt voor het doen van de opgave van de doodsoorzaak, schrijft zij daartoe een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke wijze van elektronische verzending voor. 6.

Elektronische verzending van de opgave van de doodsoorzaak aan het Centraal Bureau voor de Statistiek, geschiedt slechts op de door haar voorgeschreven wijze. 7. In afwijking van artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de in het zesde lid bedoeld elektronische verzending bij regeling voorschrijven. Artikel 26. Bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand 1. Tenzij bij deze wet anders is bepaald, wordt voor de toepassing van deze wet als bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand aangemerkt die van de gemeente, waarin de overledene door middel van een akte in het register van overlijden wordt ingeschreven. 2. Bij gebreke van een akte is de ambtenaar van de burgerlijke stand bevoegd van de gemeente waarin het lichaam van de overledene een bestemming is gegeven. § 2. Termijn Artikel 27. Termijn 1. Begraving, crematie of alkalische hydrolyse geschiedt uiterlijk op de tiende dag na het overlijden. 2. Crematie of alkalische hydrolyse geschiedt niet eerder dan 36 uur na het overlijden. Artikel 28. Uitzondering termijn 1.

De burgemeester van de gemeente waar het lichaam van de overledene zich bevindt, kan voor de begraving, crematie of alkalische hydrolyse in afwijking van artikel 27, eerste lid, een afwijkende termijn stellen, tenzij de burgemeester van oordeel is dat belangen van de volksgezondheid of de openbare orde en goede zeden zich hiertegen verzetten. 2. De burgemeester van de gemeente waar het lichaam van de overledene zich bevindt, kan, na overleg met de officier van justitie, voor de crematie of alkalische hydrolyse in afwijking van artikel 27, tweede lid, een kortere termijn dan binnen 36 uur toestaan, tenzij de officier van justitie van oordeel is dat dit in strijd is met het belang van de opsporing van strafbare feiten. 3. De burgemeester kan een arts horen voordat de burgemeester een besluit neemt als bedoeld in het eerste lid. § 3. Overheidszorg Artikel 29. Zorg burgemeester 1. Indien niemand maatregelen neemt tot de schouw of bestemming van het lichaam van een overledene overeenkomstig de wet, draagt de burgemeester van de gemeente waar het lichaam van de overledene zich bevindt zorg voor de verrichting van de schouw en de bestemming. 2. Aan hoofdstuk 9, paragraaf 1, wordt in een geval als bedoeld in het eerste lid, geen toepassing gegeven, tenzij de overledene diens lichaam uitdrukkelijk tot ontleding heeft bestemd. 3.

Indien de burgemeester niet kan voorzien in de schouw of bestemming omdat het lichaam zich in een woning bevindt en de afgifte van het lichaam of de toegang tot de woning wordt geweigerd, heeft de burgemeester of een ambtenaar van politie zonder toestemming van de bewoner toegang tot die woning, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.

8

Consultatieversie

Artikel 30. Bestemming onbekende overledene 1. In het geval van een overledene waarvan de identiteit niet kan worden vastgesteld, draagt de burgemeester van de gemeente waar het lichaam zich bevindt, zorg voor de bestemming van het lichaam. 2. Het lichaam van een overledene als bedoeld in het eerste lid wordt begraven. Artikel 31. Voorziening in de kosten door de gemeente 1. De kosten verbonden aan het vervoer, bewaren, verzorgen en de bestemming van het lichaam van een overledene waarvoor de burgemeester zorg draagt, daaronder begrepen lichamen die uit zee worden aangebracht, komen ten laste van de gemeente waar het lichaam zich bevindt voor zover deze kosten anders ten laste van de in artikel 6 bedoelde persoon waren gekomen. 2. Voor zover de nalatenschap niet toereikend is om de in het eerste lid bedoelde kosten te voldoen, kan de gemeente deze kosten verhalen op de bloed- en aanverwanten die krachtens de artikelen 392 tot en met 396 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest, dan wel de werkgever indien en voor zover kosten van de bestemming van het lichaam van de overledene op grond van artikel 720, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek voor diens rekening komen. Paragraaf 6.5 van de Participatiewet is van overeenkomstige toepassing. 3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de in het eerste lid bedoelde kosten die ten laste van de gemeente komen, worden uitgebreid. Artikel 32. Maatregelen infectieuze of giftige lichamen Indien het lichaam van een overledene is besmet met een infectieus of giftig agens of een infectieuze of giftige stof, of een gegrond vermoeden daarvan bestaat, waardoor een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan ontstaan, kan de burgemeester van de gemeente waar het lichaam zich bevindt, na advies van de gemeentelijke gezondheidsdienst, bedoeld in artikel 17 van de Wet publieke gezondheid, maatregelen treffen om dit gevaar af te wenden. § 4. Lichamen uit het buitenland Artikel 33. Lichamen uit het buitenland 1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over lichamen van overledenen die Nederland worden binnengebracht. Hierbij kan worden afgeweken van het bepaalde in hoofdstuk 2, paragraaf 1 en 2, en hoofdstuk 3, paragraaf 1 en 2. 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het vervoer van lichamen van overledenen uit Nederland naar het buitenland en uit het buitenland naar Nederland. Hoofdstuk 4. Verzorging van het lichaam Artikel 34. Moment van verzorging Het lichaam van een overledene mag slechts worden verplaatst, gekoeld, verzorgd, of op enige andere wijze behandeld voor zover dit de schouw niet verhindert of belemmert. Artikel 35.

Conserverende bewerking 1. Het lichaam van een overledene wordt niet gebalsemd of onderworpen aan enige andere conserverende bewerking die niet is gericht op gebruik van delen van het lichaam op grond van de Wet op de orgaandonatie. In uitzonderlijke gevallen kan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ontheffing van dit verbod verlenen. In de ontheffing wordt de wijze en de plaats van de bestemming vermeld. De artikelen 23, 26 en 33 zijn van overeenkomstige toepassing. 2. Het verbod, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien het lichaam tot ontleding bestemd is of naar het buitenland wordt gezonden. 3. Artikel 77 is van overeenkomstige toepassing. Indien het lichaam tot ontleding is bestemd, is alleen het tweede lid van dat artikel van overeenkomstige toepassing. 4. In afwijking van het eerste lid kan een lichaam worden onderworpen aan een conserverende bewerking die ten hoogste tien dagen effect heeft. 5. Een bewerking als bedoeld in het vierde lid vindt slechts plaats nadat is vastgesteld dat verwijdering van een of meer organen als bedoeld in de Wet op de orgaandonatie niet zal plaatsvinden. 6. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld aan de opleiding en de vakbekwaamheid van degenen die de bewerking, bedoeld in het vierde lid, uitvoeren alsmede aan de wijze van bewerking.

9

Consultatieversie

Artikel 36. Invasieve postmortale zorg 1. Het is verboden invasieve handelingen aan het lichaam van een overledene te verrichten, tenzij de overledene bij leven toestemming heeft verleend, of bij het ontbreken daarvan, indien de in artikel 6 bedoelde persoon toestemming heeft verleend, voor: a. het openen van het lichaam voor het uitnemen van een medisch hulpmiddel; b. het openen van het lichaam voor het herstel van het uiterlijk; c. het verrichten van een punctie; d. balseming of een andere conserverende bewerking als bedoeld in artikel 35, eerste lid; e. een conserverende bewerking als bedoeld in artikel 35, vierde lid. 2. Degene die de invasieve handeling verricht, verstrekt, voordat deze handeling aanvangt, aan de in artikel 6 bedoelde persoon begrijpelijke informatie over de aard van deze handelingen en de gevolgen daarvan voor het lichaam van de overledene. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op invasieve handelingen ten behoeve van de uitvoering van de artikelen 7, 14 en 17 tot en met 20, 75 of de verwijdering van een of meer organen in overeenstemming met de Wet op de orgaandonatie. Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen voor de bestemmingen Artikel 37. Gemeentelijke en bijzondere voorzieningen 1. De begraafplaatsen, crematoria en hydrolysatoria worden onderscheiden in gemeentelijke en bijzondere. 2.

Van een gemeentelijke begraafplaats, een gemeentelijk crematorium of gemeentelijk hydrolysatorium is sprake indien deze wordt aangelegd en in stand gehouden door een: a. gemeente; b. openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen of bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, waaraan de gemeente samen met een of meerdere gemeenten deelneemt; c. privaatrechtelijke rechtspersoon waaraan de gemeente, alleen of samen met andere gemeenten, deelneemt voor rekening en risico van die gemeente of gemeenten. 3. Een bijzondere begraafplaats, een bijzonder crematorium of bijzonder hydrolysatorium kan worden aangelegd en in stand gehouden door een natuurlijk persoon of een rechtspersoon, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon. Artikel 38. Terbeschikkingstelling en gebruik voorzieningen Het is verboden een begraafplaats, crematorium of hydrolysatorium ter beschikking te stellen of te gebruiken, als deze niet op de voet van het bepaalde bij of krachtens deze wet is aangelegd of in gebruik is genomen. Artikel 39. Aanwijzing van de grond 1. Voor het aanleggen of uitbreiden van een begraafplaats, crematorium of hydrolysatorium wordt alleen de grond gebruikt, die daartoe door de gemeenteraad is aangewezen. 2.

Op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing van de grond is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel 40. Vergunning gebruik 1. Het in gebruik nemen en wijzigingen van het gebruik van een begraafplaats, crematorium of hydrolysatorium vereist een vergunning van het college van burgemeester en wethouders. De vergunning wordt slechts geweigerd, indien niet aan de wettelijke voorschriften is voldaan. 2. Het college van burgemeester en wethouders kan voorschriften aan de vergunning verbinden teneinde de grond geschikt te maken om als begraafplaats, crematorium of hydrolysatorium te dienen. 3. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag van een vergunning als bedoeld in het eerste lid. 4. Indien het college van burgemeester en wethouders nalatig blijft een besluit te nemen als bedoeld in het eerste lid, bepaalt het college van gedeputeerde staten op verzoek een termijn waarbinnen het besluit alsnog wordt genomen. Als het besluit voor afloop van deze termijn niet is genomen, wordt het college van burgemeester en wethouders geacht afwijzend te hebben beschikt.

10

Consultatieversie

Artikel 41. Registerplicht 1. De houder van een begraafplaats, crematorium, hydrolysatorium of een plaats van bijzetting houdt een openbaar register bij. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de gegevens die in het register worden vastgelegd. 2. Bij opheffing van een bijzondere voorziening als bedoeld in artikel 37, derde lid, wordt het register overgebracht naar het archief van de gemeente waarin de voorziening was gevestigd. Hoofdstuk 6. Begraving § 1. Algemene bepalingen Artikel 42. Begraving 1. Begraving vindt plaats op een begraafplaats. 2. Begraving vindt plaats in een algemeen of particulier graf. Artikel 43. Algemeen graf en notificatieplicht bij aflopen grafrecht 1. Een algemeen graf is een graf waarop geen uitsluitend recht als bedoeld in artikel 44 is gevestigd. De houder van een begraafplaats bepaalt wie in een algemeen graf wordt begraven. 2. Ten minste zes maanden en ten hoogste één jaar voor het verstrijken van de termijn van uitgifte van een algemeen graf, doet de houder van de begraafplaats daarvan schriftelijk mededeling aan de belanghebbende bij dat graf, voor zover van die belanghebbende het adres of andere contactgegevens bij de houder van de begraafplaats bekend zijn. Artikel 44. Particulier graf 1. Een particulier graf is een graf waarop een uitsluitend recht is gevestigd. De rechthebbende bepaalt wie daarin wordt begraven. 2.

Een uitsluitend recht op een graf, welke vorm aan dit recht ook wordt gegeven, kan uitsluitend schriftelijk worden gevestigd. Het uitsluitend recht op een graf is geen registergoed. 3. Een uitsluitend recht kan voor onbepaalde tijd of voor een bepaalde tijd van ten minste tien jaar worden verleend. 4. Het voor bepaalde tijd verleende recht wordt op verzoek van de rechthebbende, mits gedaan binnen twee jaar voor het verstrijken van de termijn, telkens verlengd. De houder van de begraafplaats bepaalt de duur van de verlenging. 5. Binnen een jaar na de aanvang van de termijn waarin verlenging van het recht kan worden verzocht, doet de houder van de begraafplaats aan de rechthebbende voor zover van diegene het adres of andere contactgegevens bij de houder van de begraafplaats bekend zijn, schriftelijk mededeling van het verstrijken van de termijn en van het bepaalde in het vierde lid. 6. Indien niet binnen drie maanden na verzending van de mededeling, bedoeld in het vijfde lid, om verlenging van het recht is verzocht, maakt de houder van de begraafplaats bij het graf en bij de ingang van de begraafplaats door middel van een mededeling bekend welke eindtermijn voor het gevestigde recht geldt Artikel 45.

Verbod graf in gesloten gebouw De toegang of ingang van een graf of grafkelder, waaronder tevens wordt begrepen een graf in een bovengrondse constructie, mag zich niet bevinden of worden aangelegd in een gebouw voor het belijden van godsdienst of levensovertuiging of in een ander gesloten gebouw, tenzij dat gebouw uitsluitend voor begraven bedoeld is. Artikel 46. Verwaarlozing onderhoud particulier graf 1. Bij kennelijke verwaarlozing van het onderhoud van een particulier graf, kan de houder van de begraafplaats, voor zover de plicht tot onderhoud niet bij de houder ligt, de verwaarlozing vastleggen in een schriftelijke verklaring, die de houder toezendt aan de rechthebbende van het graf, voor zover diens adres of andere contactgegevens bij de houder van de begraafplaats bekend zijn. Hierbij wordt gewezen op het derde lid. De rechthebbende voorziet binnen een jaar na ontvangst in het onderhoud. 2. Indien de ontvangst van de verklaring niet wordt bevestigd, doet de houder van de begraafplaats daarvan mededeling bij het graf en bij de ingang van de begraafplaats, gedurende een periode van vijf jaar of totdat in die periode in het onderhoud is voorzien. 3.

Indien toepassing is gegeven aan het eerste of tweede lid en niet alsnog in het onderhoud van het graf is voorzien, vervalt het recht op het graf op het moment dat de periode van één dan wel vijf jaar, bedoeld in het eerste respectievelijk tweede lid, is verstreken. 4. Indien het recht op het graf nog geen tien jaar is gevestigd op het moment dat de periode, bedoeld in het tweede lid is verstreken, blijft de mededeling in stand totdat de periode van tien jaar is verstreken of totdat in die periode in het onderhoud is voorzien. Indien niet voor die tijd 11

Consultatieversie

in het onderhoud van het graf is voorzien, vervalt het recht op het graf zodra de termijn van tien jaar is verstreken. Artikel 47. Opgraving 1. Het lichaam van een overledene wordt slechts opgegraven met vergunning van de burgemeester van de gemeente waarin het lichaam is begraven, en, bij een particulier graf, met toestemming van de rechthebbende op het graf. 2. Aan de vergunning verbindt de burgemeester voorschriften die noodzakelijk zijn voor het geneeskundig toezicht, het vervoer en de bewaring van het lichaam. 3. Een opgegraven lichaam mag worden gecremeerd of alkalisch gehydrolyseerd, wanneer de in artikel 6 bedoelde persoon dat verzoekt aan de houder van de begraafplaats. Artikelen 63 tot en met 67 en 74 zijn van toepassing. Hoofdstuk 2, paragraaf 1, en hoofdstuk 3, paragrafen 1 en 2, zijn niet van toepassing. 4. Crematie of alkalische hydrolyse van het lichaam binnen een jaar na de begraving is slechts toegestaan als de officier van justitie daarvoor verlof heeft afgegeven. Artikel 48. Strafrechtelijke opgraving Artikel 47 is niet van toepassing bij een opgraving als gevolg van een bevel van een bevoegde autoriteit ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek. Artikel 49. Grafrusttermijn en ruimen van graven 1. Een graf wordt niet eerder geruimd dan tien jaar nadat in het graf laatstelijk een lichaam is geplaatst.

Ruiming gebeurt slechts op last van de houder van de begraafplaats en, indien het een particulier graf betreft, met toestemming van de rechthebbende op het graf. Artikel 47, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing. 2. Onverminderd het eerste lid meldt de houder van de begraafplaats gelijktijdige ruiming van tien of meer graven aan het college van burgemeester en wethouders. Het college kan naar aanleiding van de melding maatregelen voorschrijven in verband met het vervoer en de bewaring van de overblijfselen van de geruimde lichamen. 3. De overblijfselen van de geruimde lichamen worden op een begraafplaats ter aarde besteld of, met overeenkomstige toepassing van artikel 47, derde lid, gecremeerd of alkalisch gehydrolyseerd. 4. Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten de in het eerste lid genoemde termijn te verlengen. Artikel 50. Grafrust onbekende overledene 1. In afwijking van artikel 49, eerste lid, wordt het graf van een onbekende overledene niet eerder geruimd dan ten minste vijftig jaar na begraving van het lichaam. 2. Ten minste twee maanden voordat een graf van een onbekende overledene wordt geruimd, stelt de houder de burgemeester daarvan in kennis.

De burgemeester draagt er, uitsluitend ten behoeve van de identificatie, zorg voor dat van de overblijfselen van een onbekende overledene celmateriaal wordt afgenomen of een gebitsafdruk wordt opgemaakt. Artikel 17, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. 3. In het geval bedoeld in het tweede lid wordt de ruiming opgeschort, ten minste tot het moment dat de uitslag van het onderzoek dat aan de hand van het celmateriaal of de gebitsafdruk is verricht, bekend is. 4. Indien de identiteit van een onbekende overledene gedurende de in het eerste of derde lid bedoelde termijn alsnog wordt vastgesteld, doet de houder van de begraafplaats aan de nabestaanden, voor zover het adres of andere contactgegevens bij de houder bekend zijn, schriftelijk mededeling van zijn voornemen het graf te ruimen. Na verzending van die mededeling wordt het graf ten minste één jaar niet geruimd. Artikel 51. Natrekking grafstenen en grafmonumenten Gedurende de periode dat een graf niet geruimd mag worden, is artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e en f, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing op wat op het graf is geplaatst of op het gebouw of het werk of in de grafkelder waarin het graf zich bevindt. Artikel 52.

Nadere regels begraven Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van begraven, de inrichting van het graf, de onderlinge afstand van de graven, het ruimen van de graven, het verwijderen van grafmonumenten en de teraardebestelling van de overblijfselen van lichamen van overledenen.

12

Consultatieversie

§ 2. Begraafplaatsen Artikel 53. Gemeentelijke begraafplaats 1. Een gemeente voorziet voor zich of met een of meer andere gemeenten gezamenlijk tenminste in een gemeentelijke begraafplaats. 2. Het college van gedeputeerde staten kan van de in het eerste lid bedoelde verplichting tijdelijk ontheffing verlenen. Artikel 54. Begraafplaats in een andere gemeente 1. Een gemeente behoeft voor het aanleggen of uitbreiden van een begraafplaats op het grondgebied van een andere gemeente toestemming van de gemeenteraad van die gemeente. 2. De verordenende bevoegdheid met betrekking tot die begraafplaats wordt door de gemeenteraad uitgeoefend in overeenstemming met die van de andere gemeente. 3. Wordt deze overeenstemming niet verkregen dan stelt het college van gedeputeerde staten de verordeningen vast. Liggen de gemeenten in verschillende provincies, dan worden de verordeningen bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, vastgesteld. De colleges van gedeputeerde staten van de betrokken provincies worden voor de vaststelling gehoord. Artikel 55. Gelegenheid tot begraving 1. Op een gemeentelijke begraafplaats wordt elke dag gelegenheid tot het begraven gegeven gedurende een redelijke tijd, bij gemeentelijke verordening te bepalen. 2.

Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat, in afwijking van het eerste lid, geen of beperkte gelegenheid wordt geboden tot begraven op een zondag of algemeen erkende feestdag. Artikel 56. Bijzondere begraafplaatsen en godsdienstige of levensbeschouwelijke instellingen 1. Het college van burgemeester en wethouders stelt aan een godsdienstige of levensbeschouwelijke instelling een of meer bijzondere begraafplaatsen ter beschikking tot een zodanige uitgestrektheid, als overeenkomt met een redelijk deel van de grond die in de gemeente voor begraafplaatsen bestemd is. De gemeenteraad kan aan een bedoelde instelling op haar verzoek toestaan grotere of meer begraafplaatsen te hebben, onverminderd het recht van andere godsdienstige of levensbeschouwelijke instellingen. 2. Indien de godsdienstige of levensbeschouwelijke instelling geen eigenaar van de benodigde grond is, draagt het college van burgemeester en wethouders desgevraagd zorg, dat de godsdienstige of levensbeschouwelijke instelling de grond, mede gelet op de staat waarin deze ingevolge artikel 40, tweede lid, moet verkeren, op redelijke voorwaarden in eigendom kan verwerven. Kunnen het college van burgemeester en wethouders en de instelling niet tot overeenstemming komen, dan bepaalt het college van gedeputeerde staten op verzoek van een van hen of beide de voorwaarden. 3.

Voor zover een godsdienstige of levensbeschouwelijke instelling geen gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, wordt op haar verzoek door het college van burgemeester en wethouders een deel van de gemeentelijke begraafplaats ter beschikking gesteld. 4. De gemeente blijft belast met het beheer en het onderhoud van en de administratie ten behoeve van de begraafplaats. Over de inrichting, de afscheiding en het gebruik van genoemd deel van de begraafplaats, alsmede over de toepassing van de artikelen 55, eerste lid, en 57 wordt overleg gepleegd met de godsdienstige of levensbeschouwelijke instelling. § 3. Sluiting en opheffing van begraafplaatsen Artikel 57. Sluiting van begraafplaatsen 1. Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten een gemeentelijke begraafplaats te sluiten. 2. Van de sluiting van een bijzondere begraafplaats wordt terstond mededeling gedaan aan het college van burgemeester en wethouders. 3. Indien op een begraafplaats gedurende tien jaren geen begraving meer heeft plaats gehad, kan het college van burgemeester en wethouders de begraafplaats gesloten verklaren. De begraafplaats wordt dan geacht met ingang van de dag na die van de laatste begraving te zijn gesloten. Deze dag wordt in het besluit van het college van burgemeester en wethouders vermeld.

13

Consultatieversie

Artikel 58. Gevolgen van sluiting of geslotenverklaring 1. Op een gesloten begraafplaats worden geen lichamen van overledenen begraven. 2. Onverminderd de artikelen 41, 46 tot en met 50 en 68 blijft een gesloten begraafplaats gedurende twintig jaar onaangeroerd liggen. 3. De grond van een particulier graf mag met toestemming van de rechthebbende gedurende tien jaren na afloop van de in het tweede lid genoemde termijn, of indien het college van gedeputeerde staten de termijn verlengd heeft met toepassing van artikel 49, vierde lid, na afloop van die gestelde termijn, bezaaid of beplant, mits niet dieper dan 0,5 m wordt gegraven. Het college van gedeputeerde staten kan vergunning verlenen tot uitgraving van meer diepte. Artikel 59. Opheffing van begraafplaatsen Een begraafplaats houdt op een begraafplaats te zijn, als de grond die functie heeft verloren en zich daarin geen graf bevindt. Hoofdstuk 7. Crematie § 1. Crematoria Artikel 60. Crematie Crematie geschiedt in een crematorium. Artikel 61. Crematie in een gemeentelijk crematorium 1. In een gemeentelijk crematorium wordt elke dag gelegenheid gegeven tot het houden van crematieplechtigheden gedurende een redelijke tijd, bij gemeentelijke verordening te bepalen. 2.

Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat geen of beperkte gelegenheid wordt geboden tot het houden van crematieplechtigheden op een zondag of algemeen erkende feestdag. Artikel 62. Nadere regels crematie Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze van crematie en de inrichting van een crematorium. § 2. Bestemming van de as Artikel 63. Bergen van de as 1. Na de crematie bergt de houder van het crematorium de as. 2. De as wordt geborgen in een of meer asbussen. Een asbus wordt gesloten en op de bus worden de naam en de voorletters van de overledene, alsmede een registratienummer, vermeld. 3. Een deel van de as kan op verzoek van een nabestaande op een andere wijze worden geborgen en aan de nabestaande ter beschikking worden gesteld, met toestemming van de persoon die opdracht heeft gegeven tot crematie. Artikel 64. Bestemming as 1. De houder van het crematorium draagt zorg voor de bewaring van een asbus gedurende ten hoogste veertien dagen na het bergen van de as in de bus. 2. De houder van het crematorium draagt er vervolgens zorg voor dat op verzoek van de nabestaande door of namens wie de opdracht tot de crematie is gegeven: a. de asbus wordt bijgezet; b. de in de asbus geborgen as wordt verstrooid; c. de asbus ter beschikking wordt gesteld aan de nabestaande; of d. de asbus wordt verzonden naar het buitenland. 3.

Alvorens wordt overgegaan tot de bestemmingen genoemd in het eerste lid, kan op verzoek van de nabestaande de as worden vermengd met de as van een of meer andere overledenen. 4. De houder van het crematorium kan ter uitvoering van het eerste lid, onder a of b, of het tweede lid, de asbus ter bijzetting, onderscheidenlijk verstrooiing of vermenging, overdragen aan een houder van een ander crematorium of van een plaats van bijzetting. 5. Zolang aan de as geen bestemming is gegeven als bedoeld in het tweede lid, draagt de houder van het crematorium zorg voor de bewaring van de asbus. Na verloop van ten minste tien jaar na het bewaren van de as doet de houder schriftelijk mededeling van het verstrijken van deze termijn aan de nabestaande door of namens wie de opdracht tot de crematie is gegeven indien diens adres of andere contactgegevens bij de houder bekend zijn. Na het verstrijken van ten minste zes maanden na de mededeling, wordt door of in opdracht van de houder van het crematorium geruimd door de geborgen as te verstrooien.

14

Consultatieversie

Artikel 65 PM [Zie artikelsgewijze toelichting] Artikel 66. Bijzetting van de asbus 1. Een asbus kan worden bijgezet: a. in een in het bijzonder daarvoor bestemd gedeelte van het crematorium; b. op een graf of op een afzonderlijke plaats op een begraafplaats; c. in een buiten een crematorium of begraafplaats gelegen bewaarplaats; of d. in een kist of ander omhulsel. 2. Het bijzetten vindt plaats ter uitvoering van artikel 64, tweede lid, onder a, of in opdracht van de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft. 3. De bijzetting van een asbus in of op een particulier graf, kan slechts plaatsvinden met toestemming van de rechthebbende op het graf. 4. Een bewaarplaats als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt slechts in gebruik genomen met vergunning van het college van burgemeester en wethouders. 5. De bijzetting van een asbus, bedoeld in het eerste lid, onder d, geschiedt enkel voorafgaand aan de begraving van het lichaam van de overledene. Artikel 67. Ter beschikking stellen en verwijderen na bijzetting 1. Een asbus die is bijgezet kan op verzoek van de nabestaande door of namens wie de opdracht tot bijzetting is gegeven, door de houder van de plaats van bijzetting aan de nabestaande ter beschikking worden gesteld. 2. Verwijdering van de asbus kan slechts geschieden met toestemming van de rechthebbende op de ruimte waar de asbus is bijgezet. Artikel 68.

Ruimen van de asbus 1. Het ruimen van een asbus geschiedt door of in opdracht van de houder van de plaats van bijzetting en vindt niet plaats binnen tien jaar nadat de as in de bus is geborgen, tenzij de rechthebbende op de ruimte waar de asbus is bijgezet daartoe toestemming verleent. 2. Ten minste zes maanden en ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan het verlopen van de termijn beschreven in het eerste lid wordt de nabestaande door of namens wie de opdracht tot bijzetting is gegeven hiervan op de hoogte gesteld, indien diens adres of andere contactgegevens bij de houder bekend zijn. 3. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op het ruimen van een asbus die door de houder van een crematorium in bewaring is genomen overeenkomstig artikel 64, vijfde lid. Artikel 69. Verstrooiing van de as 1. De as in een asbus kan worden verstrooid. 2. Het verstrooien geschiedt: a. ter uitvoering van artikel 64, tweede of vijfde lid; b. door of in opdracht van de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft; of c. ten behoeve van het ruimen van de asbus. 3. Het verstrooien van de as door of in opdracht van de houder van een crematorium of de houder van een plaats van bijzetting is slechts toegestaan: a. op een terrein dat bestemd is om permanent as op te verstrooien; b. in open zee. 4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15581298/1