4. Bestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
In het Amsterdams geluidbeleid is vastgelegd dat de geluidbelasting onaanvaardbaar is als de gecumuleerde waarde 3 dB hoger is dan de hoogste vast te stellen hogere waarden. In hoofdstuk 1 van het beleidskader is het toepassingsbereik van het beleid echter beperkt tot de ontwikkeling van woningen en andere geluidgevoelige objecten op locaties met een hoge(re) geluidbelasting. In voorliggende situatie worden geen woningen of andere geluidgevoelige objecten gerealiseerd. Het geluidbeleid is daarom niet actief toegepast binnen dit onderzoek. Dit betekent dat de verhoging ten opzichte van de geldende grenswaarde in beginsel niet meer dan 5 dB bedragen. Naast bovengenoemde buitenwaarden zijn er in de Wet geluidhinder tevens maxima gesteld aan de geluidsbelasting binnen gevoelige bestemmingen (de binnenwaarde). Toetsing daaraan vindt plaats in het kader van de aanvraag om een omgevingsvergunning, activiteit bouwen. 7.1.2
Wegverkeer
Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen geluidzones waarbinnen de geluidbelasting vanwege de weg aan het gestelde in de wet moet worden getoetst. Dit geldt niet voor wegen: die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of; waarvoor een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken. Dit is samengevat in onderstaande tabel. Aantal rijstroken
Geluidzones stedelijk gebied
Geluidszones buitenstedelijk gebied
Weg met één of twee rijstroken
200 meter
250 meter
Gemeente Amsterdam
blz. 38
Weg met drie of meer rijstroken
350 meter
nvt
Weg met drie of vier rijstroken
nvt
400 meter
Weg met vijf of meer rijstroken
nvt
600 meter
Tabel: breedte v an geluidzones langs autowegen in stedelijk gebied
In artikel 76 van de Wet geluidhinder is geregeld dat bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan de wettelijke voorkeursgrenswaarden in acht moeten worden genomen van de artikelen 82 (bij nieuwbouw) en 100 (in geval het bestemmingsplan voorziet in een reconstructie van een weg) van de Wet geluidhinder. Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden kan nieuwbouw van geluidsgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd indien de waarde niet hoger is dan de maximaal toelaatbare hogere waarde dan de voorkeursgrenswaarde, en mits deze hogere waarde kan worden verleend. Voor zogenaamde 'reconstructies' gelden aparte normen. Een reconstructie is een fysieke wijziging van de weg waardoor in het maatgevende jaar de geluidsbelasting met 2 dB of meer wordt verhoogd. De gehele activiteit waarin voorliggend bestemmingsplan voorziet is een “reconstructie” in de zin van de Wet geluidhinder. Ter hoogte van de Max de Haasstraat en de keerlus ter hoogte van de Eva Besnyöstraat wordt het spoor verdubbeld en de brug 2060 krijgt een extra rijstrook die rechtsaf slaat naar de Muiderlaan. Verder wordt het wegdek vervangen (van groenstrook naar verhard wegdek) om de weg ook geschikt te maken als busbaan.
De maximale geluidsbelasting in geval van een reconstructie is (zo is bepaald in artikel 100a Wet geluidhinder): als geluidsbelasting hoger is dan 48 dB: 48 dB; als eerder een hogere waarde is vastgesteld en heersende geluidsbelasting is hoger dan 48 dB: de laagste waarde (van de hogere waarde en de heersende geluidsbelasting), en als geen hogere waarde vastgesteld en de heersende geluidsbelasting is hoger dan 48 dB: heersende waarde. Op basis van artikel 110g van de Wet geluidhinder mag er op de geluidbelasting vanwege een weg, op de gevel van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen, een aftrek worden toegepast in verband met het stiller worden van het verkeer in de toekomst. De aftrek bedraagt maximaal (artikel 3.6 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006): 2 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt; 5 dB voor overige wegen; 0 dB in het geval de geluidbelasting wordt gebruikt voor de bepaling van de gevelisolatie (Bouwbesluit) of het de binnenwaarde betreft. 7.1.3
Trams
Trams vallen sinds 1 juli 2012 onder de Wet geluidhinder. Dit betekent dat zij als onderdeel van het wegverkeerslawaai in het akoestisch onderzoek moeten worden onderzocht. Voor een aantal tramlijnen is hierop een uitzondering gemaakt. Trams die zijn aangewezen in de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder worden in het akoestisch onderzoek onderzocht als spoorlijn (als aparte gezoneerde geluidbron). Een deel van het traject van de IJtram is aangewezen in de Regeling zonekaart spoorwegen
bestemmingsplan_IJtram, Pampuslaan (concept)
blz. 39
geluidhinder. Het gaat hier om (een deel van) het al aangelegde traject op Haveneiland. Omdat de plannen voor verlenging van het tracé van de IJtram in 2012 nog onvoldoende concreet waren is het in het kader van dit bestemmingsplan te reconstrueren deel van de weg niet aangewezen op de kaart die bij de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder hoort (zie hieronder afbeelding 10). Om die reden is het tramverkeer onderzocht als onderdeel van het wegverkeer.
Afbeelding 10: Zonekaart behorende bij de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder (IJtram weergeven als traject 419).
7.1.4
Cumulatie geluidsbronnen
Bij het vaststellen van een hogere waarde voor een woning of andere geluidsgevoelige bestemming wordt op grond van artikel 110f van de Wet geluidhinder rekening gehouden met de cumulatie van de geluidsbelasting van andere gezoneerde geluidsbronnen (zoals wegen, spoorwegen en industrie). Als de woning of andere geluidsgevoelige bestemming binnen de geluidszone van andere geluidsbronnen ligt, dient inzicht te worden geboden in de gecumuleerde geluidssituatie vanwege de gezamenlijke geluidsbronnen. Het vaststellen van een geluidsbelasting mag er niet toe leiden dat een onaanvaardbare gecumuleerde geluidsbelasting kan ontstaan die zich zonder deze vaststelling niet zou kunnen voordoen. Hiervoor zal per geval een afweging moeten worden gemaakt.
7.2
Resultaten onderzoeken
Met een akoestisch onderzoek is de geluidsbelasting op alle gevels van gevoelige bestemmingen binnen de zone van de Pampuslaan onderzocht. Het gaat om de geluidsbelasting vanwege autoverkeer en spoorwegverkeer (tram). Op onderstaande afbeelding zijn de resultaten weergegeven van het reconstructie-effect op de gevels Gemeente Amsterdam
blz. 40
aan de Pampuslaan en de IJburglaan. Op vrijwel alle direct omliggende panden is sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder: de geluidtoename tussen 2022 en 2040 bedraagt meer dan 1 dB.
Afbeelding 11: Resultaat reconstructietoets
De resultaten uit het onderzoek geven aan dat extra maatregelen en hogere grenswaarden vereist zijn voor de Pampuslaan en een deel van de IJburglaan. Indien aanvullende maatregelen niet getroffen worden, is de geluidtoename als gevolg van de reconstructie te groot en is het project juridisch niet uitvoerbaar. Als gevolg van de realisatie van het tramspoor, maar met name van de verkeersgroei in zijn totaliteit op de IJburglaan en de Pampuslaan, treden in het hele onderzoeksgebied toenames op. Langs de IJburglaan treden toenames van circa 2 dB op, aan het einde van de Pampuslaan treden toenames van 4 tot 6 dB op. Op ruim 1500 woningen is sprake van reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder en gelet op de hoogte van de toename van het geluidsniveau is daarmee het treffen van maatregelen juridisch verplicht. Ten aanzien van het reduceren van de geluidsemissie zijn de mogelijke maatregelen onderzocht en beoordeeld op wenselijkheid en haalbaarheid. Daaruit is een aantal maatregelen naar voren gekomen waarmee het geluidsniveau dusdanig wordt verminderd dat de planologische wijziging juridisch ook toepasbaar is: Minischermen (tot 80 cm hoog) plaatsen langs het tramspoor op de Pampuslaan tussen de Evan Besnyöstraat en de Bert Haanstrakade. De IJburglaan en Pampuslaan tussen Julius Pergerstraat en Muiderlaan uitvoeren in hoogwaardig geluidreducerend asfalt (SMA-NL8G+).
Toepassen van wielrailconditionering. Deze voorziening zorgt voor een continue polijsting van de spoorstaaf, zodat deze in nieuwstaat blijft en geluidstoename door slijtage aan de spoorstaaf wordt voorkomen. Door toepassing van deze maatregelen kan voor 1368 woningen de toename niet volledig worden weggenomen. Omdat de toekomstige geluidsbelasting op veel woningen nog wel lager is dan de in het verleden reeds verleende en vigerende hogere grenswaarden, is voor nog slechts 180 woningen het vaststellen van een nieuwe hogere grenswaarde noodzakelijk. Deze procedure is doorlopen en hogere waarden voor deze adressen zijn vastgesteld. Met toepassing van de genoemde maatregelen en de voorgenomen vast te stellen hogere grenswaarden is de voorgenomen ontwikkeling ruimtelijk aanvaardbaar en wordt voldaan aan de geluidsnormen. bestemmingsplan_IJtram, Pampuslaan (concept)
blz. 41
Hoofdstuk 8 8.1
Luchtkwaliteit
Algemeen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bij het opstellen van een bestemmingsplan uit het oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening worden gehouden met luchtkwaliteit. Een goede ruimtelijke ordeningkan in de weg staan van een project op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn.
8.2
Beleid en regelgeving
8.2.1 Europese richtlijn 2008/50/EG betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa Sinds mei 2008 is de nieuwe Europese richtlijn 2008/50/EG betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa, van kracht. Deze nieuwe richtlijn vervangt de huidige EU-richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit, met uitzondering van de vierde dochterrichtlijn. De richtlijn heeft onder meer ten doel om bepaalde waarden vast te stellen teneinde schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu in zijn geheel te vermijden, te voorkomen of te verminderen, alsmede ervoor te zorgen dat de concentraties van de betreffende stoffen in de lidstaten op basis van gemeenschappelijke methoden en criteria worden beoordeeld. De richtlijn bevat onder meer grenswaarden, overschrijdingsmarges en alarmdrempels voor de verschillende stoffen. De richtlijn geeft lidstaten de mogelijkheid om later te voldoen aan grenswaarden voor PM10 en NO2 als de betreffende lidstaten voldoende inspanning laten zien om de luchtkwaliteit te verbeteren. Om voor deze derogatie in aanmerking te komen moeten de lidstaten een luchtkwaliteitsplan indienen bij de Europese Commissie. Met dit plan moet een lidstaat laten zien op welke manier alsnog, binnen de derogatietermijnen, aan de normen zal worden voldaan.
Nederland heeft om derogatie verzocht op basis van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Mede op grond van het NSL heeft de Europese Commissie op 7 april 2009 derogatie verleend en Nederland daarmee langer de tijd gegeven om overal aan de grenswaarden te voldoen. Dit betekent dat de norm voor stikstofdioxide uiterlijk 1 januari 2015 gehaald moet zijn en de norm voor fijnstof uiterlijk 11 juni 2011. In de richtlijn zijn verder nieuwe normen en streefdata geïntroduceerd voor de fijnere fractie van fijnstof (PM2.5). Verder bevat de richtlijn expliciet de mogelijkheid tot aftrek van fijnstof afkomstig van natuurlijke bronnen bij het vaststellen van overschrijdingssituaties. De werkingssfeer van de richtlijn wordt beperkt door te bepalen dat de richtlijn niet van toepassing is op plaatsen waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben. Hiermee samenhangend is de richtlijn (bijlage III) nu ook heel expliciet over locaties waar de luchtkwaliteit niet beoordeeld wordt. De lidstaten zijn ingevolge de richtlijn verplicht om de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de grenswaarden worden nageleefd. Wanneer de concentraties hoger zijn dan de overschrijdingsmarges dient een plan of programma opgesteld en uitgevoerd te worden dat ertoe leidt dat binnen de daarvoor gestelde termijnen aan de grenswaarden wordt voldaan.
Gemeente Amsterdam
blz. 42
8.2.2
Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit)
Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Ingevolge de wet is een specifiek op luchtkwaliteit betrekking hebbende titel 5.2 in de Wet milieubeheer (hierna: Wm) opgenomen. De wet voorziet onder meer het rijksprogramma het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het begrip "in betekenende mate" (ibm) en gebiedssaldering. De kern van de wet wordt gevormd door een programmatische aanpak om de grenswaarden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, te halen en door de introductie van het begrip "in betekenende mate". Per 1 augustus 2009 is de wet van 12 maart 2009 tot Wijziging van de Wet milieubeheer (implementatie en derogatie luchtkwaliteitseisen)in werking getreden. Deze wet dient de navolgende doelen: implementatie van richtlijn nr. 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PbEG L 152), hierna te noemen: de richtlijn; implementatie van het uit die richtlijn volgende uitstel en vrijstelling van de verplichting om aan bepaalde grenswaarden te voldoen (derogatie). Dit krijgt zijn beslag in de desbetreffende voorschriften van bijlage 2 van de Wm. Daartoe worden de ingangsdata van de desbetreffende (inhoudelijk ongewijzigde) normen gewijzigd, met een nadere invulling bij algemene maatregel van bestuur binnen het wettelijke kader.
De Europese Commissie heeft op 7 april 2009 derogatie verleend; wettelijke regeling van enige onderwerpen die volgen uit de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat leidde tot de wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) alsmede van enige onderwerpen van juridisch-technische aard. Naast de wijziging van de Wet milieubeheer (implementatie en derogatie luchtkwaliteitseisen) is in augustus 2009 tevens het Besluit derogatie in werking getreden en is de Regeling beoordeling luchtkwaliteit gewijzigd. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan, waarvan de uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, worden uitgeoefend indien (samengevat) aannemelijk is gemaakt dat: 1. deze uitoefening niet leidt tot het overschrijden of waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 van de wet opgenomen grenswaarde; 2. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft, of 3. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert; 4.
deze uitoefening niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen; 5. deze uitoefening is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is vastgesteld programma (NSL). In bijlage 2 van de wet zijn de grenswaarden, plandrempel en alarmdrempels voor de diverse stoffen opgenomen. Voor fijn stof en stikstofdioxide zijn de belangrijkste grenswaarden in onderstaande tabel weergegeven Tabel 1 bijlage 2: grenswaarden maatgevende stoffen
stof
toetsing van
grenswaarde
bestemmingsplan_IJtram, Pampuslaan (concept)
geldig vanaf
blz. 43
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
2010
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
2005
dagnorm 24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer 2005 dan 50 µg/m³
Ten gevolge van de derogatie geldt binnen de agglomeratie Amsterdam/Haarlem, uitstel of vrijstelling van de grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxide genoemd in bijlage 2. Concreet betekent dit dat de grenswaarden voor fijn stof per 11 juni 2011 moeten worden behaald en stikstof per 1 januari 2015. Tot deze tijdstippen gelden andere hogere grenswaarden genoemd in Bijlage 2. Voor fijn stof en stikstofdioxide zijn de belangrijkste grenswaarden in tabel weergegeven 2. Aan het einde van de derogatietermijn zal overal in Nederland aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit moeten worden voldaan (tabel 1). Tabel 2 Grenswaarden maatgevende stoffen vanaf 1 augustus 2009 in agglomeratie Amsterdam/Haarlem
stof
toetsing van
grenswaarde
geldig tot
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
60 µg/m³
1 januari 2015
uurgemiddelde concentratie
300 µg/m³
1 januari 2015
Max. 18 X per kalenderjaar overschrijden, fijn stof (PM10)
fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie
48 µg/m³
11 juni 2011
dagnorm 24-uurgemiddelde concentratie
75 µg/m³
11 juni 2011
jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Max 35 X per kalenderjaar overschrijden gaat gelden vanaf 1 januari 2015 Tot 1 januari 2015 geen beoordeling en toetsing.
De dagnorm 24-uurgemiddelde concentratie houdt in dat de norm voor fijn stof (PM10) maximaal 35 dagen per jaar mag worden overschreden. Daarnaast geldt een plaatsafhankelijke aftrek voor de jaargemiddelde norm voor fijn stof. Voor Amsterdam bedraagt de aftrek voor het jaargemiddelde fijn stof Gemeente Amsterdam
blz. 44
6 µg/m³ en voor het 24-uurgemiddelde 6 overschrijdingen per jaar. Met deze aftrek mag de dagnorm derhalve 41 keer worden overschreden. Voor luchtkwaliteit als gevolg van wegverkeer is stikstofdioxide (NO2, jaargemiddelde) in Amsterdam het meest maatgevend, aangezien deze stof door de invloed van het wegverkeer het snelst een overschrijding van de grenswaarde uit de wet veroorzaakt. Daarnaast zijn ook de concentraties van fijn stof (PM10) van belang. 8.2.3
Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)
Ingevolge (artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van) de Wet milieubeheer kan een bestemmingsplan worden vastgesteld hetzij indien een uitoefening dan wel toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12, eerste lid, of artikel 5.13, eerste lid, vastgesteld programma. Het NSL is 1 augustus 2009 in werking getreden. Nu het NSL van kracht is, hoeven de hierin opgenomen IBM-projecten niet meer aan de grenswaarden te worden getoetst. In plaats daarvan vindt de zogenaamde “programma-toetsing” plaats. Daarbij gaat het erom of een project is genoemd of beschreven, dan wel past binnen of niet in strijd is met het NSL. Besluit en Regeling Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Artikel 5.16, eerste lid, onder b, van de wet introduceert het begrip "niet in betekende mate. In het Besluit 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit Nibm) en de Regeling Niet in betekenende mate bijdragen (Regeling Nibm) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip "niet in betekende mate (nibm)".
Projecten waarvan vastgesteld is dat deze 'niet in betekenende mate' (nibm) bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In artikel 2 van het besluit Nibm is bepaald dat indien aannemelijk is gemaakt dat de uitoefening van een of meer bevoegdheden of de toepassing van een of meer wettelijke voorschriften niet in betekenende mate bijdragen, als gevolg van die uitoefening of toepassing indien de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide met ingang van het tijdstip dat een het NSL in werking is getreden niet de 3%- grens overschrijdt; In de Regeling Nibm is voor bepaalde categorieën van projecten de 3%-grens getalsmatig geconcretiseerd. Voor deze categorieën is het wettelijk geregeld dat in die gevallen de negatieve effecten de 3%-grens in ieder geval niet overschrijden. Dit betekent dat in de aangewezen gevallen zelfs geen indicatieve berekening hoeft plaats te vinden en dat het project zonder verdere motivering of toetsing door kan gaan.
De belangrijkste aangewezen categorieën voor de 3 %-grens zijn de bouw van niet meer dan 1.500 woningen (of 3.000 woningen indien er twee ontsluitingswegen zijn met een gelijkmatige verkeersverdeling) en de bouw van kantoren met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 ( of 200.000 m2 indien er twee ontsluitingswegen zijn met een gelijkmatige verkeersverdeling). Verder zijn er nog drempels opgenomen voor de aanleg van gemengde woningbouw- en kantoorlocaties en voor het oprichten van landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen. In de toekomst zal deze lijst nog aangevuld worden met categorieën voor infrastructuur. Om versnippering van 'in betekenende mate' (ibm) projecten in meerdere nibm-projecten te voorkomen is een anticumulatie-bepaling (artikel 5 Besluit NIBM) opgenomen. Deze heeft betrekking op aan elkaar grenzende of in elkaars directe nabijheid gelegen bedrijfslocaties, kantoorlocaties, woningbouwlocaties of locaties voor inrichtingen of infrastructuur die (samengevat) worden gerealiseerd die gebruikmaken van
bestemmingsplan_IJtram, Pampuslaan (concept)
blz. 45
dezelfde ontsluitingsinfrastructuur en die aan elkaar grenzen of in elkaars nabijheid zijn gelegen (tot maximum 1000 meter). In het Besluit Nibm is het bepaald dat deze locaties voor als één locatie worden gezien. Dit is om te voorkomen dat grote projecten in kleine stukjes worden opgedeeld die allemaal onder de Nibm-regeling zouden kunnen vallen. Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007 Ook in het nieuwe wettelijk stelsel voor luchtkwaliteit bestaat de mogelijkheid van projectsaldering. Saldering is de mogelijkheid om ruimtelijke plannen uit te voeren in gebieden waar te veel fijn stof en stikstofdioxide in de lucht zit. Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren. De saldobenadering voor projecten is vastgelegd in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder b, sub 1 en 2, van de Wet milieubeheer.
Projecten in gebieden waar de grenswaarden worden overschreden kunnen, evenals onder het voorheen geldende Besluit luchtkwaliteit 2005 doorgaan als de concentratie van een stof gelijk blijft of verbetert (sub 1, projectsaldering in enge zin) en ook als weliswaar de concentratie van een stof verder verslechtert, maar er per saldo, door de inzet van extra maatregelen of door het optreden van gunstige effecten elders, sprake is van een verbetering van de luchtkwaliteit (sub 2, projectsaldering in ruime zin). Net zoals onder het regime van het Besluit luchtkwaliteit 2005 gelden er belangrijke wettelijke voorwaarden waaraan met name bij de projectsaldering als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, dient te worden voldaan. 8.2.4
Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007
Ook in het nieuwe wettelijk stelsel voor luchtkwaliteit bestaat de mogelijkheid van projectsaldering. Saldering is de mogelijkheid om ruimtelijke plannen uit te voeren in gebieden waar te veel fijn stof en stikstofdioxide in de lucht zit. Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren. De saldobenadering voor projecten is vastgelegd in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder b, sub 1 en 2, van de Wet milieubeheer. Projecten in gebieden waar de grenswaarden worden overschreden kunnen, evenals onder het voorheen geldende Besluit luchtkwaliteit 2005 doorgaan als de concentratie van een stof gelijk blijft of verbetert (sub 1, projectsaldering in enge zin) en ook als weliswaar de concentratie van een stof verder verslechtert, maar er per saldo, door de inzet van extra maatregelen of door het optreden van gunstige effecten elders, sprake is van een verbetering van de luchtkwaliteit (sub 2, projectsaldering in ruime zin). Net zoals onder het regime van het Besluit luchtkwaliteit 2005 gelden er belangrijke wettelijke voorwaarden waaraan met name bij de projectsaldering als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, dient te worden voldaan. Projectsaldering is aan de orde wanneer de gevolgen van een project de 3% grens, voor 'niet in betekenende mate' overschrijden.
Bij het bepalen van de precieze gevolgen van het in betekenende mate project speelt die grens vervolgens geen rol meer. De omvang van de salderingsopgave beslaat immers de gehele verslechtering. Bij het bepalen van de omvang van het studiegebied zullen alle significante gevolgen dienen te worden meegenomen. De regeling stelt eisen aan overheden om ruimtelijke besluiten goed te onderbouwen en te motiveren. 8.2.5
Regionaal Actieplan Luchtkwaliteit
Doel van het Regionaal Actieplan Luchtkwaliteit (RAL) (december 2006) is om in 2015 alle overschrijdingen van de normen voor stikstofdioxide en voor fijn stof (in 2010) te saneren. Het RAL dient eveneens als startdocument voor de bijdrage vanuit de Stadsregio Amsterdam voor dit Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het RAL is een deelprogramma voor het Noordvleugelgebied.
Gemeente Amsterdam
blz. 46
In het RAL wordt ingegaan op de problematiek wat betreft luchtkwaliteit en wordt een toelichting gegeven op de relatie van dit regionaal actieplan met andere plannen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Daarbij wordt een overzicht gegeven van de knelpunten wat betreft luchtkwaliteit, indien de Stadsregio Amsterdam en de gemeenten zelf geen maatregelen nemen. Voorts worden de maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Deze maatregelen zijn onderverdeeld in gemeentelijke maatregelen met (gedeeltelijke) financiële dekking, gemeentelijke maatregelen zonder financiële dekking en regionale maatregelen. 8.2.6
Besluit gevoelige bestemmingen
De AMvB is in januari 2009 in werking getreden. Met deze AMvB wordt beoogd de realisering van scholen en andere gevoelige bestemmingen in de nabijheid van drukke (snel)wegen tegen te gaan als op de locatie in kwestie sprake is van een (dreigende) overschrijding van de Europese normen voor luchtkwaliteit. Deze AMvB vormt een aanvulling op het beginsel van een goede ruimtelijke ordening zoals verankerd in de Wet ruimtelijke ordening. De AMvB heeft niet tot doel om op voorhand elk risico af te dekken, maar om de meest nijpende situaties via een dwingende regeling te voorkomen. Tot de gevoelige bestemmingen behoren: scholen (voor onderwijs aan minderjarigen), kinderopvang, bejaarden-, verzorgings- en verpleegtehuizen. Achtergrond hiervan is dat de AMvB is gericht op functies die specifiek bedoeld zijn voor groepen mensen die extra gevoelig zijn voor verontreinigende stoffen, zijnde kinderen, ouderen en zieken.
Als een bestuursorgaan voornemens is een besluit te nemen over een gevoelige bestemming op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen (snelwegen en autowegen in beheer bij het rijk) of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen (autowegen en overige wegen in beheer bij de provincie), dan moet het bestuursorgaan onderzoeken of op die locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor zwevende deeltjes (fijn stof; PM10 ) en/of voor stikstofdioxide (NO2 ). Ook tijdens de zogenoemde derogatieperiode blijven voor de toepassing van deze AMvB de oorspronkelijke (dus niet tijdelijk verhoogde) grenswaarden gelden van 40 µg/m3 jaargemiddeld voor PM10 en voor NO2 en 50 µg/m3 etmaalgemiddeld met maximaal 35 overschrijdingsdagen per jaar voor PM10. Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo'n (dreigende) overschrijding, dan mag ter plekke geen gevoelige bestemming worden gevestigd, ongeacht of het gaat om nieuwbouw ten behoeve van die gevoelige bestemming of om functiewijziging van een bestaand gebouw.
Eenmalig kan een beperkte uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming worden toegestaan die leidt tot een toename van maximaal 10% van het aantal personen dat ter plekke verblijft; hierbij is niet het feitelijk aantal verblijvende personen doorslaggevend, maar het aantal personen dat rechtens ter plaatse mag verblijven. Gezien de aanzienlijke afstand van het plangebied tot rijks- en provinciale wegen, ruimschoots meer dan 300 meter is een expliciete toets aan normen uit de AMvB niet noodzakelijk.
bestemmingsplan_IJtram, Pampuslaan (concept)
blz. 47
8.2.7
Richtlijn gevoelige bestemmingen Amsterdam
Deze richtlijn, op 5 januari 2010 vastgesteld door het College van Burgemeester en Wethouders, is een uitwerking van een amendement dat de gemeenteraad op 1 maart 2006 heeft aangenomen bij de behandeling van het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam. Het amendement houdt in dat “geen voorzieningen voor gevoelige groepen in nabijheid van plekken waar veel verkeer is” wordt vervangen door: “in het ruimtelijk ordeningsbeleid er meer rekening gehouden wordt dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst, of dat het beschermen van de volksgezondheid vormt een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Amsterdamse luchtkwaliteitsbeleid. De gemeente wil ook in relatie tot ruimtelijke planvorming in de omgeving van het eigen wegennet zorgvuldig met deze groepen omgaan er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is” (Amendement C - Gemeenteblad afd. 1, nr. 148). Uitgangspunten zijn dat: 1. binnen de zone van 300 meter gemeten van de rand van een snelweg en 50 meter gemeten van de rand van een provinciale weg, geen gevoelige bestemmingen worden geprojecteerd; 2. bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 mvt per etmaal binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg geen gevoelige bestemmingen in de eerste lijnsbebouwing worden geprojecteerd.
Van de onder 1 en 2 genoemde uitgangspunten kan gemotiveerd worden afgeweken indien (bijzondere) omstandigheden en belangen hiertoe aanleiding geven. Indien men vanuit projecten gevoelige bestemmingen langs drukke wegen wil realiseren, dan is een advies van de GGD, afdeling Milieu en Gezondheid nodig. Daarbij is van belang dat de aan de luchtkwaliteit gerelateerde gezondheidsaspecten worden beschouwd in relatie tot alle overige spelende belangen. Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, namelijk: gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. De richtlijn heeft, evenals bij het landelijke Besluit gevoelige bestemmingen alleen betrekking op nieuwe situaties en bij een uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming, indien de toename eenmalig ten hoogste 10% van het aantal daar reeds verblijvende personen bedraagt.
8.3
Conclusie
De IJtram wordt een all-electric tram, kent daarom geen uitstoot en heeft dan ook geen nadelig effect op de luchtkwaliteit.
Gemeente Amsterdam
blz. 48
bestemmingsplan_IJtram, Pampuslaan (concept)
blz. 49
Hoofdstuk 9 9.1
Bodem
Algemeen
Bij het toekennen van bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het kader van goede ruimtelijke ordening moet voorkomen worden dat gevoelige bestemmingen op verontreinigde gronden worden gerealiseerd. Ook op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Bouwverordening is het verboden te bouwen op verontreinigde grond. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan tevens in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren.
9.2
Beleid en regelgeving
De bescherming van de bodem wordt wettelijk o.a. geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). De Wbb is een zogenaamde raamwet, wat betekent dat de kaders worden aangegeven maar dat de uitwerking daarvan geregeld is in verschillende besluiten en circulaires (o.a. Besluit bodemkwaliteit, Besluit Uniforme Saneringen en Circulaire bodemsanering 2009). De Wbb stelt in het bijzonder regels ter voorkoming van bodemverontreiniging en sanering van ontstane verontreiniging. De Wbb heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. In de Wbb maakt grondwater wel onderdeel uit van de bodem. De wet bestaat uit een tweetal regelingen: 1. Een regeling voor de bescherming van de bodem, met daarin opgenomen de zorgplicht; 2. Een regeling voor de aanpak van overige bodemverontreiniging op land. Het doel van de Wet Bodembescherming is het behoud en de verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit is in het kader van een bestemmingsplan van belang indien er sprake is van functieveranderingen of een ander gebruik. De bodem moet geschikt zijn voor de nieuwe functie. In geval van graafwerkzaamheden is een bodemonderzoek aan de orde om te bepalen of eventuele vervuilde grond gesaneerd dient te worden. Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een tramspoor op de Pampuslaan.
Er was in het voorgaande bestemmingsplan ter plaatse ook reeds een 'verkeersbestemming' gelegd, echter zonder een planologische aanduiding op basis waarvan feitelijk de spoorbaan aan gelegd kon worden. Met het oog op werkzaamheden die impact hebben op de bodem is er dus geen sprake van wijzigingen als gevolg van voorliggend bestemmingsplan. Bovendien geldt dat IJburg enkele jaren geleden uit schoon zand is opgespoten en er sindsdien geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. In april 2003 heeft de toenmalige Dienst Milieu en Bouwtoezicht op basis van de indertijd bekende onderzoeksresultaten vrijstelling verleend van de verplichting tot het uitvoeren van bodemonderzoek bij aanvragen voor een omgevingsvergunning op onder meer Haveneiland. Een bodemonderzoek is in het kader van het bestemmingsplan daarom niet aan de orde.
Gemeente Amsterdam
blz. 50
9.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de bodemgesteldheid geen belemmering vormt voor vaststelling en uitvoering van het bestemmingsplan.
bestemmingsplan_IJtram, Pampuslaan (concept)
blz. 51
Hoofdstuk 10
Cultuurhistorie en archeologie
In het kader van het bestemmingsplan moet onderzocht worden of in het plangebied archeologische en cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het archeologisch en cultuurhistorisch erfgoed zal vervolgens via de bestemmingsregeling beschermd moeten worden. Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen en structuren die in de bodem bewaard zijn. Ook landschappelijke of infrastructurele elementen kunnen een cultuurhistorische of archeologische waarde hebben. Het doortrekken van de IJtram heeft geen effect op archeologisch of cultuurhistorische waarden op en rondom IJburg, eerste of tweede fase of de karakteristieke eigenschappen van het gebied. Aangezien IJburg, eerste fase, onlangs uit schoon zand nieuw is opgespoten worden ook geen monumenten of objecten met een archeologische of cultuurhistorische waarde in de grond verwacht.
Gemeente Amsterdam
blz. 52
bestemmingsplan_IJtram, Pampuslaan (concept)
blz. 53
Hoofdstuk 11
Duurzaamheid
Het aspect duurzaamheid speelt de laatste jaren steeds meer een rol bij gebiedsontwikkelingen. Dit begint al bij het formuleren van het kader en de ambities voor een plangebied. Een bestemmingsplan kan ten aanzien van het aspect duurzaamheid alleen datgene regelen wat een direct verband houdt met de bestemming die aan de gronden wordt toegekend. De planregels moeten rechtstreeks betrekking hebben op het ruimtebeslag van de gronden zelf of effect hebben op het ruimtegebruik van nabijgelegen gronden. Duurzaamheid heeft gedurende het gehele planvormingstraject van de IJtram een rol gespeeld. Duurzaamheid is verweven in onder andere de milieuaspecten zoals de keuze van intensief ruimtegebruik en het belang van een goed en betrouwbaar openbaar vervoer in de stad. Ook bij de verdere planuitwerking zal duurzaamheid een belangrijke overweging zijn, bijvoorbeeld bij keuzen ten aanzien van materiaalgebruik, afvalketens en energiegebruik.
Gemeente Amsterdam
blz. 54
bestemmingsplan_IJtram, Pampuslaan (concept)
blz. 55
Hoofdstuk 12 12.1
Externe veiligheid
Algemeen
Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen. Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn.
Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De regionale brandweer dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. Mogelijke risicobronnen zijn inrichtingen gericht op gebruik, opslag en productie van gevaarlijke stoffen, vervoer van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), luchthavens en windmolens.
12.2
Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg
De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren; hierin is onder andere vastgelegd welke stoffen behoren tot de categorie 'gevaarlijke stoffen' en dat het transport binnen de bebouwde kom zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Om bij ruimtelijke ontwikkelingen het vervoer van gevaarlijke stoffen te laten voldoen aan de externe veiligheidsnormen moet het bevoegd gezag rekening houden met het PR en het GR. Voor de wijze waarop het PR en GR beoordeeld moeten worden, is de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (verder: de Circulaire) van toepassing. De Circulaire beschrijft het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. De overheid vraagt gemeenten, provincies en infrabeheerders om medewerking aan dit beleid te verlenen door bij de besluitvorming die onder hun verantwoordelijkheid valt, de veiligheidsbelangen overeenkomstig deze Circulaire af te wegen. Hierbij gaat het om diverse besluiten gerelateerd aan vervoer van gevaarlijke stoffen en ruimtelijke ordening. Op basis van de Circulaire is voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe
Gemeente Amsterdam
blz. 56
situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. Voor het GR geldt op basis van de Circulaire voor het bevoegd gezag een verantwoordingsplicht in de gevallen van een overschrijding van de oriëntatiewaarde of een toename van het GR. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De Circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Desondanks kan uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een verantwoording voor het groepsrisico ook buiten deze 200 meter op zijn plaats zijn, met eventuele beperkingen, zoals bijvoorbeeld in de sfeer van maatregelen die de zelfredzaamheid van de bevolking bevorderen.
12.3
Buisleidingen
Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht: het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letailiteitsgebied of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is of het groepsrisico is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%. Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook (strekkende tot 5 meter aan weerszijden) meegenomen, waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht.
Verder dienen bestemmingsplannen een vergunningstelsel in te stellen voor het uitwerken van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden binnen de belemmeringsstrook die de integriteiten en werking van de buisleiding kunnen verhinderen.
12.4
Beoordeling risicokaart
Volgens de risicokaart (www.risicokaart.nl) zijn er in en in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven aanwezig. Wel is er in de directe nabijheid een tweetal risicovolle bedrijven aanwezig: 1. De energiecentrale Diemen aan de Overdiemerweg 35 waar productie en distributie van elektriciteit, aardgas, stoom en warm water plaatsvindt; 2. Het LPG-tankstation aan de IJburglaan 10 waar zich een vulpunt, reservoir en afleverinstallatie bevindt. De terreingrens van de energiecentrale ligt op meer dan 400 meter van (beperkt) kwetsbare objecten op IJburgende risicocontour van de centrale is buiten het plangebied van het bestemmingsplan gelegen. Het tankstation aan de IJburglaan 10 ligt op meer dan 650 meter vanaf (beperkt) kwetsbare objecten op IJburg. In het kader van de herontwikkeling van het Zeeburgereiland is de opslag en verkoop van LPG in bestemmingsplan_IJtram, Pampuslaan (concept)
blz. 57
2009 definitief gestaakt. Er is daardoor geen sprake meer van een risicocontour. Tenslotte is er nog een vuurwerkopslag aanwezig op IJburglaan 1293B. Deze vuurwerkopslag levert,gelet op de maximale hoeveelheid vuurwerkopslag,echter geen gevaar op voor de omgeving. Onderzoek naar risicovolle bedrijven is is gelet op het voorgaande niet nodig. 12.4.1 Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren Vervoer over de weg In het plangebied van het bestemmingsplan worden geen gevaarlijke stoffen vervoerd. Over de Ringweg Oost (A10) en de Rijksweg A1 worden wel gevaarlijke stoffen vervoerd. Het plangebied van dit bestemmingsplan is echter gelegen buiten het invloedsgebied van deze wegen. Uit de risicoatlas van de gemeente Amsterdam blijkt dat de contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6 per jaar) niet binnen het plangebied van het bestemmingsplan is gelegen waardoor deze contour geen gevolgen heeft voor het bestemmingsplan. Omdat het bestemmingsplan niet leidt tot een hogere personendichtheid binnen het invloedsgebied, is er geen sprake van een toename van het groepsrisico. Derhalve is in het kader van het bestemmingsplan geen verantwoording van het groepsrisico nodig. Vervoer over het spoor Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een spoorweg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
12.4.2 Buisleidingen Volgens de risicokaart (www.risicokaart.nl)bevindt zich tussen de A10 en Steigereiland een gastransportleiding van de Gasunie. De leiding (W-572-01-KR-004) is op minimaal 130 meter afstand van Steigereiland gelegen. Het plangebied bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van de gastransportleiding.
12.5
Conclusie
Externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Gemeente Amsterdam
blz. 58
bestemmingsplan_IJtram, Pampuslaan (concept)
blz. 59
Hoofdstuk 13 13.1
Natuur en Landschap
Wet natuurbescherming
Natura 2000-gebied Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De provincie is bevoegd gezag voor het afgeven van vergunningen voor plannen of projecten met effecten op Natura 2000-gebieden. Natura 2000-gebieden zijn op grond van Europees recht beschermde gebieden. Per gebied zijn hiervoor specifieke instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. Significant negatieve effecten op deze doelstellingen zijn in beginsel niet toegestaan. In de nabije omgeving van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer. Andere Natura-2000 gebieden liggen op grotere afstand van het plangebied. De effecten op Natura 2000-gebieden zijn als gevolg van de voorliggende herziening in beeld gebracht. Op 15 november 2019 is een ecologisch onderzoeksrapport opgeleverd. De conclusie luidt onder meer dat het doortrekken van de IJtram geen effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. Stikstof Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Afdeling heeft geoordeeld dat het PAS niet aan alle eisen van de Habitatrichtlijn voldoet. Het PAS geeft onvoldoende zekerheid dat met de uitgifte van ontwikkelingsruimte significante gevolgen voor Natura 2000 zijn uitgesloten.
De consequentie is dat het PAS niet als basis voor toestemming voor projecten of andere activiteiten kan worden gebruikt. Er zal daarom een eigenstandige projectspecifieke ecologische beoordeling in de vorm van een voortoets en eventueel een passende beoordeling moeten worden gemaakt. Gelet hierop heeft op 4 november 2019 een stikstofonderzoek plaatsgevonden. In de directe omgeving van het plangebied is het Natura 2000-gebied het Markermeer & IJmeer gelegen. Deze ligt mogelijk binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Effecten door optische verstoring, versnippering, e.d. zijn op voorhand uitgesloten. Effecten door stikstofdepositie zijn afhankelijk van welk materieel wordt ingezet. Om te bepalen of daadwerkelijk een toename aan stikstofdepositie is - is voor de aanlegfase een Aerius-berekening uitgevoerd. De berekeningen van de stikstofdepositie zijn uitgevoerd met AERIUS Calculator versie 2019. De ingebruikname van de tramlijn zal niet tot een toename aan stikstofdepositie leiden, aangezien dit een all-electric uitvoering betreft. Effecten in de gebruiksfase zijn dan ook op voorhand uit te sluiten. De maximale toename van de stikstofdepositie in de aanlegfase is niet hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar.
Indien de voorgenomen werkzaamheden volgens de beschreven uitgangspunten worden uitgevoerd is er geen effect op beschermde natuurwaarden van Natura 2000-gebieden en is er geen vergunningplicht Wet natuurbescherming. Beschermde soorten De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt ook plant- en diersoorten. Op grond van die wet zijn activiteiten verboden die schadelijk zijn voor beschermde soorten. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: Afwijking is alleen mogelijk als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de Gemeente Amsterdam
blz. 60
verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. De ingreep mag geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Uit verkennend onderzoek kwam naar voren dat er beschermde soorten aanwezig zijn in of in de nabijheid van het plangebied. Dit betreft de huismus. Naar aanleiding van de resultaten is een aanvullend onderzoek naar de huismus uitgevoerd. Uit het aanvullend onderzoek komt naar voren dat het plangebied essentieel leefgebied is voor de huismus. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd en dient deze te worden verleend. Een activiteitenplan wordt opgesteld waarin de noodzaak van de werkzaamheden wordt uitgelegd en mitigerende en compenserende maatregelen worden opgenomen. Mitigerende maatregelen kunnen bestaan uit het uitvoeren van de werkzaamheden in het najaar en/of het aanlegen van tijdelijk leefgebied voor de huismus in de directe omgeving van het plangebied. Compenserende maatregelen bestaan uit het weer geschikt maken van het plangebied voor de huismus. Hierbij valt te denken aan het aanbrengen van geschikte hagen voor de huismuis. Met dit document kan een ontheffing Wet natuurbescherming worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (RUD NHN).
Deze ontheffing Wet natuurbescherming wordt gelet op de kenmerken van de omgeving en de aard en impact van het plan op voorhand verleenbaar geacht. De aanwezigheid van andere (strikt) beschermde soorten kan uitgesloten worden. Om te voldoen aan de zorgplicht, worden mitigerende maatregelen genomen. Deze kunnen bestaan uit het uitvoeren van de werkzaamheden vanaf één kant, de werkzaamheden rustig opstarten en bij het aantreffen van dieren, worden deze de gelegenheid gegeven om het plangebied te verlaten. Voor aanvang van de werkzaamheden wordt bij het bevoegd gezag, Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, een melding gedaan van de aanwezige vrijgestelde beschermde soorten binnen het plangebied. Verwacht wordt op basis van de habitats aanwezigheid van de volgende vrijgestelde soorten binnen het plangebied: bosmuis, egel, huisspitsmuis en gewone pad. De mitigerende maatregelen in het kader van de zorgplicht worden verder uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol. Mitigerende maatregelen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het gefaseerd werken waar de gevoelige periode(s) van de te verwachten soorten wordt vermeden. Gevoelige periodes zijn onder andere de voortplantingsperiode in het (vroege) voorjaar (februari t/m mei) en de overwinteringsperiode (oktober t/m februari). De Wnb vormt geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
13.2
Hoofdgroenstructuur
Op 17 februari 2011 heeft de gemeenteraad van Amsterdam de Structuurvisie Amsterdam 2040 vastgesteld. In de structuurvisie is de benodigde hoeveelheid groen die Amsterdam minimaal wil waarborgen, vastgelegd als de Hoofdgroenstructuur. De Hoofdgroenstructuur omvat de gebieden die waardevol zijn voor de stad en de metropool, omdat zij een onmisbare functie vervullen voor groene recreatie, verbetering leefklimaat, waterhuishouding, hittedemping, verbetering luchtkwaliteit, biodiversiteit en voedselproductie. Behoud van cultuurhistorische waarden en een gevarieerd totaalaanbod aan groen zijn belangrijke aspecten. Plannen in de Hoofdgroenstructuur moeten worden voorgelegd aan de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (TAC). Dit geldt voor nieuwe bestemmingsplannen en voor afwijkingen op het bestemmingsplan in het kader van een omgevingsvergunning. de TAC is een deskundige commissie die de inpasbaarheid van het iniatief in de Hoofdgroenstructuur toetst.
bestemmingsplan_IJtram, Pampuslaan (concept)
blz. 61
Het plangebied van de voorliggende herziening valt buiten de Hoofdgroenstructuur. Om die reden hoeft de TAC niet om advies te worden gevraagd. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat direct langs de Pampuslaan wel het Theo van Goghpark ligt. Dit stadspark is onderdeel van de Hoofdgroenstructuur (zie hieronder Afbeelding 12).
Afbeelding 12: Ligging plangebied ten opzichte v an de Hoof dgroenstructuur
Voorliggende herziening heeft geen negatieve invloed op het Theo van Goghpark. Verbeteringen aan de IJtram kunnen zelfs bijdragen aan een goede ontsluiting van het park. Omdat met de voorliggende herziening niet wordt ingegrepen in de Hoofdgroenstructuur is een advies van de TAC hierover niet vereist.
13.3
Conclusie
Het plan IJtram heeft geen nadelige invloed op natuur- en landschapswaarden en ook de Hoofdgroenstructuur blijft in tact. Met mitigerende maatregelen in het kader van de zorgplicht vindt verder in voldoende mate soortenbescherming plaats.
Gemeente Amsterdam
blz. 62
bestemmingsplan_IJtram, Pampuslaan (concept)
blz. 63
Hoofdstuk 14 14.1
Water
Algemeen
Op grond van artikel 3.1.6 lid b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is de zogenaamde waterparagraaf. Deze waterparagraaf moet inzicht geven in de wijze waarop het waterbeleid is vertaald naar de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan. Daarbij wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop bij het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Daarbij wordt aandacht besteed aan de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4. 5.
ruimtelijk relevant waterbeleid; de taken van de waterbeherende instantie; het overleg met de waterbeherende instantie; het huidige watersysteem; het toekomstige watersysteem.
De waterparagraaf geeft ook een weergave van de watertoets. Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten, zoals veiligheid, wateroverlast, riolering, watervoorziening, volksgezondheid, bodemdaling, grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur. Hieronder wordt eerst de toepasselijke regelgeving beschreven. Naast de Europese en nationale wetgeving worden ook de toepasselijke (beleids)regels van de bevoegde lagere organen genoemd. Het waterschap Amstel, Gooi en Vecht is water(kwaliteit- en kwantiteit)beheerder van de Amstel. Het nautisch beheer ligt deels bij de Dienst Binnenwaterbeheer van de Gemeente Amsterdam. Het stadsdeel Oost is verantwoordelijk voor het beheer van water als openbare ruimte; het stadsdeel verleent de vergunningen voor het afmeren van (woon)schepen en het aanleggen van steigers.
14.2
Beleid en regelgeving
14.2.1 Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden, waarmee een achttal wetten is samengevoegd tot één wet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet richt zich op de zorg voor waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterfuncties (zoals de drinkwatervoorziening). De wet biedt de basis voor het stellen van normen ten aanzien van deze onderwerpen. Verder bevat de wet regelingen voor het beheer van water. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Met als resultaat één vergunning; de watervergunning. Watervergunningen kunnen betrekking hebben op bouw- of aanlegwerkzaamheden bij water en dijken; lozen en onttrekken van water; varen, aanmeren en evenementen en plannen ten behoeve van natuur en recreatie en uitbreidingsplannen. Minstens zo belangrijk is dat zoveel mogelijk activiteiten onder algemene regels vallen. In de regel komt dit neer op een meldingsplicht in plaats van een vergunningenprocedure. Niet alles is in algemene regels vast te leggen en voor deze activiteiten in, op, onder of over watersystemen is er de watervergunning. Personen die een ligplaats hebben of aanvragen moeten tevens een watervergunning aanvragen bij het
Gemeente Amsterdam
blz. 64
bevoegd gezag. 14.2.2 Nationaal waterplan Op 22 december 2009 is het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan vervangt de Vierde Nota Waterhuishouding en de daarop gebaseerde nota's, zoals de 'Nota Anders omgaan met Water' en 'Waterbeleid in de 21ste eeuw'. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer en richt zich op: 6. 7. 8. 9.
een goede bescherming tegen overstroming; het zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast en droogte; het bereiken van een goede waterkwaliteit; het veiligstellen van strategische watervoorraden.
Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan pleit daarom voor meer samenhang tussen het beleid voor water, ruimtelijke ordening en milieu, gericht op de verschillende belangen zoals veiligheid, landbouw, natuur, drinkwatervoorziening, transport, recreatie en visserij, daarbij ruimte scheppend voor gebiedsgericht maatwerk. 14.2.3 Waterbesluit In het Waterbesluit zijn de regels gegeven die betrekking hebben op beheer en gebruik van watersystemen die in beheer zijn van het Rijk. Voor het gebruik maken van een waterstaatswerk (een oppervlaktewaterlichaam, waterkering of kunstwerk zoals een sluis) kan een watervergunning vereist zijn. Voor de waterstaatswerken in beheer bij het Rijk is dat geregeld in het Waterbesluit en de Waterregeling. Voor regionale waterstaatswerken staan de regels in de keur van het waterschap. Oppervlaktewaterlichamen in rijksbeheer zijn o.a. IJsselmeer en daaraan verbonden wateren zoals het Markermeer en IJmeer; de Rijn en daarmee verbonden wateren zoals het Amsterdam-Rijnkanaal, Buiten IJ, Afgesloten IJ en Noordzeekanaal (zie bijlage II van het Waterbesluit).
Ook de zijwateren van deze oppervlaktewateren zijn in principe in beheer bij het rijk. Andere watergangen zoals het Nieuwe Diep ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal (Boven Diep) en de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen zijn in beheer bij het Rijk. Voor het maken of behouden van werken, het plaatsen van vaste substanties of voorwerpen en het uitvoeren van werkzaamheden op of in rijkswateren, anders dan in overeenstemming met de functie, is een watervergunning vereist. Met de toevoeging "anders dan in overeenstemming met de functie" wordt geregeld dat het varen op een vaarweg of het zwemmen in zwemwater niet vergunningplichtig is. Deze toevoeging moet echter vrij beperkt geïnterpreteerd worden; het maken van een laad- en losplaats voor schepen is wel degelijk vergunningplichtig, ook als het betreffende water de functie scheepvaart heeft. Op de vergunningplicht bestaat een flink aantal uitzonderingen. De volgende handelingen zijn niet vergunningplichtig: het uitvoeren van activiteiten genoemd in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (behoudens enkele uitzonderingen); het uitvoeren van onderhoud, aanleg of wijziging van waterstaatswerken door of in opdracht van de beheerder; het maken van werken om oeverafslag tegen te gaan; het permanent afmeren van woonschepen of andere drijvende objecten in andere rijkswateren dan de grote rivieren
bestemmingsplan_IJtram, Pampuslaan (concept)
blz. 65
Deze niet-vergunningplichtige activiteiten zijn in het algemeen wel meldingsplichtig op grond van artikel 6.14 van de Waterregeling. 14.2.4 Provinciale waterplan 2010-2015 In het Waterhuisplan "Beschermen, Benutten, Beleven en beheren" zijn de hoofdlijnen van beleid geformuleerd voor het beheer van het Noord-Hollandse watersysteem. Het Waterplan geeft als strategische waterdoelen tot 2040 en acties tot 2015 aan: Het waarborgen met waterschappen en Rijkswaterstaat van voldoende bescherming van mens, natuur en bedrijvigheid tegen overstromingrisico's via het principe: preventie (het op orde houden van de waterkeringen met aandacht voor ruimtelijke kwaliteit), gevolgschade beperken (bijvoorbeeld waterbestendig bouwen daar waar nodig) en rampenbeheersing (bijvoorbeeld goede vluchtroutes en informatievoorziening). De provincie zal samen met waterschappen, gemeenten en Rijkswaterstaat zorgen dat water in balans en verantwoord benut en beleefd wordt door mens, natuur en bedrijvigheid. Het watersysteem en de beleving van het water wordt versterkt door deze te combineren met natuurontwikkeling, recreatie en/of cultuurhistorie. De provincie zal samen met gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en drinkwaterbedrijven zorgen voor schoon en voldoende water. We doen dat door een kosteneffectief en klimaatbestendig grond- en oppervlaktewatersysteem.