3a. Rapport Criminele inmenging in de Amsterdamse amateursport - DEF.pdf
Tekst van het document
Criminele inmenging in de Amsterdamse amateursport “Je gaat het pas zien als je het doorhebt” Onderzoek, Informatie en Statistiek
-
1
In opdracht van: Programma De Weerbare Stad Projectnummer: 21122 Auteurs: Sara de Wilde, Sara Rubingh, Anne Huijzer, Nathalie Hesseling E-mailadressen: s.wilde@amsterdam.nl, s.rubingh@amsterdam.nl , a.huijzer@amsterdam.nl, nathalie.bosman@amsterdam.nl Bezoekadres: Weesperstraat 113-117 Telefoon: 020 251 0333 Postbus 658, 1000 AR Amsterdam data.amsterdam.nl Amsterdam, maart 2022 Foto voorzijde: Apollohal, fotograaf Alphons Nieuwenhuis (2020)*
*Deze foto dient als illustratie bij dit rapport en heeft geen relatie tot de inhoud van het rapport
2
Inhoud
Samenvatting en conclusie Methode Kennisniveau/status quo Aard en omvang Handelingsperspectief Conclusies
Inleiding Doel onderzoek en onderzoeksvragen Definitie criminele inmenging Doelgroep Methode Rapport
1 Kennisniveau 1.1 Meeste sportclubs en sportbonden hebben van criminele inmenging gehoord 1.2 Meeste respondenten hebben een beeld bij criminele inmenging in de amateursport 1.3 Criminele inmenging is een probleem zodra het ontstaat
2 Aard en omvang
5 5 6 8 10 12
14 14 15 15 16 17
18 18 19 21
23
2.1 Mediascan en RIEC: enkele casussen van criminele inmenging bij voetbalclubs 23 2.2 Drie procent van de sportclubs vermoedt of ziet criminele inmenging bij de eigen club 24 2.3 Meerderheid van de sportclubs heeft niet te maken gehad met situaties die kunnen duiden op criminele inmenging 24 2.4 Veertien procent van de sportclubs vermoedt of ziet criminele inmenging bij andere clubs 28 2.5 De meeste bonden zien geen signalen van criminele inmenging, maar zien wel situaties die erop kunnen duiden 30 2.6 Professionals zien diverse signalen bij Amsterdamse amateursportclubs 32 2.7 Snelle stijgers lijken niet op grote schaal voor te komen in Amsterdam 36 2.8 De meeste sportclubs vinden zichzelf niet kwetsbaar hoewel er wel degelijk kwetsbaarheden zijn 36
3 Handelingsperspectief 3.1 Sportclubs niet altijd in staat om criminele inmenging te herkennen en te weren 3.2 Veel sportclubs nemen geen bewuste maatregelen tegen criminele inmenging 3.3 Clubs zien belang van thema criminele inmenging maar er is weinig tijd voor beschikbaar
42 42 44 47
3
3.4 Sportclubs zouden bij vermoedens vooral in gesprek gaan met de politie, gemeente of sportbond 49 3.5 Meeste sportclubs hebben geen behoefte aan hulp en ondersteuning van personen of organisaties om de sportclub te weren tegen criminele inmenging 50 3.6 Zes op de tien sportclubs zeggen niets nodig te hebben om criminele inmenging te weren 51 3.7 Sportbonden hebben niet altijd voldoende kennis in huis om sportclubs te helpen met criminele inmenging 52 3.8 Gemeente zou sportclubs op diverse manieren kunnen helpen 54 3.9 Opsporingsinstanties kunnen helpen bij herkenning en bewustwording van clubs 56
4
Samenvatting en conclusie
In 2020 is in opdracht van de ministeries Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Justitie en Veiligheid (J&V) een landelijk onderzoek gedaan naar criminele inmenging binnen de amateursport omdat de omvang van ondermijning in de amateursport nog onvoldoende in beeld was.1 Het landelijke rapport bevatte aanknopingspunten om lokaal verder onderzoek te doen naar dit fenomeen. In het initiatiefvoorstel Amsterdamse aanpak sportondermijning is daarom onder meer voorgesteld om de sportondermijning in Amsterdam in beeld te brengen.2 Hierbij is gevraagd aan te sluiten bij het landelijke onderzoek en aandacht te besteden aan clubs die plotseling stijgen in het klassement. Het programma De Weerbare Stad van de gemeente Amsterdam heeft Onderzoek, Informatie en Statistiek (OIS) gevraagd om dit Amsterdamse onderzoek uit te voeren. De doelen van het Amsterdamse onderzoek zijn: Aanknopingspunten bieden voor handelingsperspectief tegen criminele inmenging. In kaart brengen in hoeverre betrokken actoren criminele inmenging kunnen signaleren. In kaart brengen hoe sportclubs zich weren tegen criminele inmenging. Een globale schatting maken van de mate waarin en de manieren waarop criminele inmenging plaatsvindt in de Amsterdamse amateursport. Deze doelen zijn te definiëren in drie thema’s (kennisniveau/status quo, aard en omvang van de problematiek en handelingsperspectief).
Bij elk van deze drie thema’s is een aantal onderzoeksvragen geformuleerd die in deze samenvatting worden beantwoord.
Methode Om de onderzoeksvragen te beantwoorden, heeft OIS een aantal onderzoeksmethoden toegepast. Allereerst is een korte literatuur- en mediascan gedaan om inzicht te krijgen in criminele inmenging in de amateursport. Ook zijn de mogelijk signalen en situaties die in deze eerdere onderzoeken zijn uitgevraagd of naar voren kwamen gebruikt in het opstellen van de enquêtes en topiclijsten voor het voorliggende onderzoek. Vervolgens is een enquête opgesteld en uitgestuurd naar 579 Amsterdamse amateursportclubs en naar 63 sportbonden. In totaal vulden 158 Amsterdamse sportclubs de enquête in (27% respons) en 11 sportbonden (17% respons). Daarnaast zijn verdiepende interviews gehouden met vijf Amsterdamse amateursportclubs, drie sportbonden (beide uit diverse takken van sport en zowel sporten in teamverband als individuele sporten) en zes professionals die vanuit opsporing, beleid of advisering betrokken zijn bij dit onderwerp. De meeste interviews werden vanwege de coronapandemie digitaal, via MS Teams, gehouden. 1 Bruinsma, M., Stevens, V., Cremers, R. & Spapens, T. (2020). Criminele inmenging bij amateursportverenigingen.
Utrecht/Tilburg: Bureau Bruinsma, Mulier Instituut, Tilburg University. Te raadplegen via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/11/20/criminele-inmenging-bijamateursportverenigingen 2 Bron: Initiatiefvoorstel Poot (VVD) en Mbarki (PvdA), getiteld: Amsterdamse aanpak sportondermijning (2020).
5
Onder criminele inmenging in de amateursport is, afgeleid van het landelijke onderzoek, in dit onderzoek verstaan: Personen die een link (lijken te) hebben met criminaliteit en die een rol hebben of proberen te krijgen binnen de sportclub. Het kan ook gaan om vermoedens of signalen dat de sportclub wordt gebruikt voor criminele activiteiten. Voorbeelden hiervan zijn:
Het sponsoren van de club met zwart geld en/of met geld dat is verkregen door criminele activiteiten.
Personen met een criminele achtergrond die invloed uitoefenen op het beleid van de club.
Het clubgebouw wordt gebruikt voor illegale activiteiten, zoals drugsopslag of gokken.
Dit zijn slechts voorbeelden, criminele inmenging is een breed begrip. Het kan verschillende vormen aannemen en het is ook niet altijd duidelijk dat er sprake is van criminele inmenging. Het is dan ook vaak een langzaam proces, criminele inmenging gebeurt meestal niet van de een op de andere dag. Kortom: het is een grijs gebied. De definitie van amateursportclubs in het huidige onderzoek betrof: Sportaanbieders die geen winstoogmerk hebben, een bestuur hebben, eventueel zijn aangesloten bij een sportbond, niet actief zijn binnen professionele competities en geregistreerd staan als vereniging of als stichting.
Kennisniveau/status quo In hoeverre weten amateursportclubs wat criminele inmenging is? Twee derde van de ondervraagde sportclubs zegt weleens te hebben gehoord van criminele inmenging en te weten wat het is. Dat geldt ook voor de meeste sportbonden. Respondenten kennen het voornamelijk uit de media of van horen zeggen, waarbij het vooral gaat om voorbeelden van voetbalclubs. Respondenten denken bij criminele inmenging vooral aan witwassen, (criminele) personen die invloed proberen uit te oefenen binnen de club, betalingen of sponsoring met crimineel of zwart geld en het gebruiken/misbruiken van de club voor criminele activiteiten. Professionals denken ook nog aan status- en goodwillverwerving. Het beeld van de respondenten sluit aan bij de definitie die gebruikt is in dit onderzoek. Daarentegen heeft 17% van de geënquêteerde sportclubs nog nooit van criminele inmenging gehoord en 16% heeft er wel van gehoord maar weet niet wat het is. Sommige geïnterviewde sportclubs denken criminele inmenging moeilijk te kunnen herkennen. Een aantal professionals heeft de indruk dat het kennisniveau van de clubs (heel) laag is doordat clubs voornamelijk draaien op vrijwilligers, vooral bezig zijn met praktische zaken binnen de club en enigszins naïef zijn over dit thema.
Uit het landelijke onderzoek bleek eveneens dat sportclubbestuurders moeite hebben met wat onder criminele inmenging moet worden verstaan. In hoeverre zijn amateursportclubs zich bewust van criminele inmenging? Hoewel de meeste sportclubs weten wat criminele inmenging is, is het lastiger voor sportclubs om het bij hun eigen sportclub te herkennen. Zo vindt de ene sportclub het lastig te bepalen of er mogelijk criminele inmenging speelt of dat het gaat om roddels, een ander geeft aan er niet dagelijks mee bezig te zijn en het daardoor niet snel te herkennen. Volgens de sportbonden zijn er clubbesturen die hun leden goed kennen en weten wat er speelt op de club. In hoeverre clubs criminele inmenging kunnen herkennen is dan ook afhankelijk van kwetsbaarheden van de clubs. Daarnaast kan het niet kunnen herkennen van criminele inmenging een club ook kwetsbaar maken. 6
De meeste sportclubs vinden hun club niet kwetsbaar voor criminele inmenging: 63% denkt dat de club (zeer) onkwetsbaar is. Een derde vindt de club niet kwetsbaar maar ook niet onkwetsbaar. Twee procent vindt hun club wel kwetsbaar voor criminele inmenging. De sportbonden zijn iets meer verdeeld over de kwetsbaarheid van hun sportclubs. Sportclubs, sportbonden en professionals hebben in de interviews factoren genoemd waarvan zij denken dat die sportclubs kwetsbaar maken voor criminele inmenging, onder te verdelen in financiële en organisatorische factoren: financiële kwetsbaarheid financiële en administratieve problemen bij veel clubs (leidt bijv. tot minder vragen stellen aan sponsoren) gebrekkige screening/controle van sponsoren
organisatorische kwetsbaarheid hoge ambities in combinatie met een laag moreel kompas belangenverstrengeling/niet-transparante processen
mate waarin het bestuur open staat voor aanbiedingen om het eerste elftal te betalen/om hogerop te komen het financiële model van clubs (lage contributie versus steeds hogere eisen) ambities voor topsport als daar geen budget voor is
schaarste van vrijwilligers en bestuurders; teveel zaken bij één persoon beleggen kleine clubs (scheiding tussen strategie en uitvoering kan vervagen) grote clubs (overzicht op alles wat er binnen de club gebeurt kan ontbreken) bestuursproblematiek
in sommige sporten gaat veel geld om, waardoor het aantrekkelijk is voor criminelen hoe meer faciliteiten een club nodig heeft (accommodatie, tenues etc.), hoe meer geld er nodig is
een lang zittend bestuur weinig belangstelling van leden, bijvoorbeeld voor een ALV
Daarnaast zijn er nog enkele kwetsbaarheden genoemd niet passen in deze indeling: Goed presterende clubs (gokken en matchfixing kunnen op de loer liggen). Clubs in kwetsbare wijken. Teamsporten (mogelijkheid om spelers in te wisselen). Doen amateursportclubs al iets om zich te weren tegen criminele inmenging? Hoewel sportclubs diverse kwetsbaarheden kennen voor criminele inmenging, zegt driekwart van de geënquêteerde sportclubs geen maatregelen te nemen om zich te weren tegen criminele inmenging en daar ook niet mee bezig te zijn. Een op de vijf doet dit wel. Als aan sportclubs in de enquête vervolgens een lijst specifieke maatregelen wordt voorgelegd, blijkt dat sportclubs wel degelijk maatregelen nemen die criminele inmenging kunnen weren. Het betreft met name controlerende maatregelen rondom financiën en bij de club betrokken personen. Zo houden bij 91% van de clubs minimaal twee personen toezicht en controle op de financiën. Bij ongeveer de helft van de clubs worden gesprekken met mogelijke sponsors of donateurs altijd met twee bestuursleden gedaan, is er een vertrouwenspersoon aangesteld, vindt bij nieuwe sponsoren, bestuurders en trainers een algemene screening plaats op basis van openbare bronnen en worden er Verklaringen Omtrent Gedrag (VOG) aangevraagd bij nieuwe sponsoren, bestuurders en trainers.
Criminele inmenging is daarentegen nauwelijks gespreksonderwerp binnen de eigen club of met partijen daarbuiten; een conclusie die ook werd getrokken in het landelijke onderzoek.
7
Basiseisen Sociale Veiligheid Sport3 De gemeente Amsterdam wil dat sportaanbieders waarmee de gemeente een contractuele relatie heeft minimaal voldoen aan basiseisen op het gebied van sociale veiligheid. Denk aan een VOG voor trainers en begeleiders van de sportclub, het tekenen van de Gedragscode Sociale Veiligheid en beschikken over een vertrouwenscontactpersoon. 41% van de ondervraagde sportclubs zegt de Basiseisen Sociale Veiligheid Sport toe te passen.4 15% zegt dat deze deels worden toegepast en 4% zegt dat deze niet worden toegepast. Opvallend is dat 26% de basiseisen niet kent en 15% weet het niet of geeft geen antwoord.
Aard en omvang Hoeveel Amsterdamse amateursportclubs hebben naar schatting te maken met criminele inmenging? Twee procent van de ondervraagde sportclubs zegt zeker te weten dat zij in de afgelopen twee jaar te maken hebben gehad met criminele inmenging en 1% vermoedt het maar weet het niet zeker. De meerderheid (88%) zegt zeker te weten er niet mee te maken te hebben gehad, 9% vermoedt van niet. Het aantal Amsterdamse casussen dat uit een mediascan over de afgelopen tien jaar naar voren kwam is op één hand te tellen. Ook bij het RIEC5 gaat het om enkele behandelde casussen in de afgelopen vijf jaar. Schattingen uit het Amsterdamse en het landelijke onderzoek van de aard en omvang van criminele inmenging in de amateursport zijn niet zonder meer één op één te vergelijken. Dat komt onder meer door verschillen in vraagstelling, methode en in de doelgroep waaraan de vragen zijn voorgelegd. De conclusie die op basis van beide onderzoeken wel te trekken is, is dat zowel in Amsterdam als landelijk het overgrote deel van de sportclubs zegt niet te maken te hebben (gehad) met criminele inmenging of met situaties die kunnen duiden op criminele inmenging.
Op de vraag aan sportclubs of zij andere clubs in hun tak van sport zien die te maken hebben gehad met criminele inmenging zien, antwoordt 14% bevestigend: 5% weet dat zeker, 9% vermoedt het.6 De meeste sportbonden zien geen signalen van criminele inmenging bij hun clubs. Ook de professionals benadrukken dat de Amsterdamse amateursport niet doorspekt is met criminele inmenging. Zeker gezien het hoge aandeel Amsterdammers dat actief is bij een sportclub: omdat er zoveel mensen actief zijn bij een sportclub, is de kans groter dat er iets speelt. Welke vormen van criminele inmenging worden gesignaleerd bij Amsterdamse amateursportclubs? Het is lastig om met zekerheid vast te stellen welke vormen van criminele inmenging daadwerkelijk voorkomen in Amsterdam. In gesprekken met clubs, bonden en professionals komen enkele casussen naar voren waarbij sterke vermoedens van criminele inmenging zijn, 3 De basiseisen sociale veiligheid sport zijn in 2021 ingevoerd voor clubs die een samenwerking/relatie met de
gemeente Amsterdam hebben. Met clubs die in 2022 niet voldoen aan deze basiseisen, verbreekt de gemeente de samenwerking. https://www.amsterdam.nl/sociaaldomein/sport/sportaanbieders/sportaanbieders-socialeveiligheid/basiseisen/ 4 Van de ondervraagde sportclubs is echter niet bekend of zij een contractuele relatie met de gemeente hebben en dus verplicht zijn om de Basiseisen Sociale Veiligheid Sport toe te passen. 5 Het Regionale Informatie- en Expertise Centrum (RIEC’s) richt zich op de bestrijding van ondermijnende criminaliteit. 6 Dit hoeven niet per definitie vermoedens te zijn bij Amsterdamse sportclubs; de vraagstelling ging algemeen over andere clubs in de tak van sport.
8
mede doordat er opsporing en publiciteit bestaat rondom deze casussen. Daarbij is dan ook overlap met gevallen die in de media zijn genoemd. Het gaat daarbij om vrij ernstige problematiek, zoals betrokkenheid van criminelen bij de sportclub, het gebruik van misdaadwinsten voor de sportclub en bestuursleden, sponsors en/of trainers met contacten in het criminele circuit hebben of die zelf antecedenten of verdacht worden van (zware) criminaliteit. Andere situaties die zijn uitgevraagd en/of waarover is gesproken in interviews gaan om vermoedens, onderbuikgevoelens, situaties waarbij niet duidelijk is of er sprake is van criminele inmenging of zaken die niet crimineel zijn maar wel onwenselijk. Zo zijn aan de sportclubs diverse situaties voorgelegd omtrent personen en sponsoring bij de club die kunnen duiden op criminele inmenging. Voor alle voorgelegde situaties geldt dat de meeste respondenten zeker weten dat het niet voorkomt bij hun sportclub. Hoewel het om kleine percentages gaat, lijken situaties rondom sponsoren iets vaker te worden gerapporteerd. Bij situaties omtrent leden of vrijwilligers valt op dat een relatief groot deel van de personen niet zeker weet of het voorkomt. In totaal zegt 11% van de ondervraagde clubs wel zeker te weten met een of meerdere situaties te maken te hebben gehad of dit te vermoeden.
Hoewel de bevraging en doelgroep verschilde van het landelijke onderzoek, is deze omvang in lijn met resultaten uit het landelijke onderzoek. Relatief veel sportclubs kunnen lastig beoordelen of bij andere clubs in de tak van sport situaties spelen die kunnen duiden op criminele inmenging: op alle voorgelegde signalen antwoordt ongeveer de helft van de respondenten niet of zij weten het niet. In interviews is toegelicht dat men andere clubs bijvoorbeeld niet kent of dat men het lastig vindt om verhalen te toetsen. De situatie die het vaakst wordt gezien bij andere clubs in de tak van sport is sportclubs die opeens financiële problemen hebben wanneer een sponsor wegvalt. De meeste bonden zien geen signalen van criminele inmenging, maar wanneer aan hen situaties worden voorgelegd die kunnen duiden op criminele inmenging, sluiten ze deze niet uit. Professionals hebben wel signalen van criminele inmenging gezien. Daarbij gaat het om uiteenlopende signalen en de professionals verschillen van mening hoe vaak het voorkomt. Bovendien is de professional er soms zeker van dat het speelt maar gaat het ook geregeld om vermoedens. Sommige professionals geven aan dat (kwetsbaarheid voor) criminele inmenging vooral speelt bij zaal- en veldsporten en bij teamsporten.
Bij zaal- en veldsporten is er geld nodig voor faciliteiten, bij teamsporten spelen financiën een rol in het aantrekken van betere spelers. De voorbeelden die in de interviews maar ook in de mediascan naar voren kwam waar criminele inmenging speelt of waar ‘niet-pluis’ gevoelens over bestaan, betreffen – net als in het landelijke onderzoek - veelal voetbalclubs of commerciële aanbieders rondom voetbal, zoals voetbalscholen. Gegeven verklaringen zijn dat voetbal populair is ‘in alle lagen van de bevolking’, de grootste tak van sport is in Amsterdam, er veel geld in omgaat en de sport om deze redenen veel aandacht krijgt. Opvallend is dat een aantal professionals de vergelijking maken met hockey; daar kan men zich criminele inmenging minder goed voorstellen vanwege het hogere opleidingsniveau en de sterke banden met het bedrijfsleven. Als er al criminele inmenging zou spelen bij hockey, verwacht men dat dit eerder gaat om het opzoeken van de wettelijke grenzen door mensen die de wet goed kennen en om wittenboordencriminaliteit. 9
Snelle stijgers 10% van de sportclubs vermoedt dat er snelle stijgers zijn in de tak van sport of weet dit zeker. In interviews is opgemerkt dat dit bij individuele sporten minder voorkomt; een individuele sporter kan immers moeilijk ineens sterk verbeteren. Bij een team kunnen met financiële middelen goede spelers aangetrokken worden. Maar het kan ook gebeuren dat een goed team bij een sportclub “neerstrijkt” of dat een goede speler zelf lid wordt van de vereniging. Bij snelle stijgers hoeft geld dus niet per definitie een rol te spelen en hoeft niet sprake te zijn van criminele inmenging. Wel valt op dat bij de Amsterdamse casussen die de jaren de media haalden vanwege signalen van criminele inmenging veelal sprake was van snelle stijgers of clubs van een hoger niveau.
Handelingsperspectief Wat hebben Amsterdamse amateursportclubs (nog meer) nodig om criminele inmenging te weren en van wie zouden zij hulp kunnen gebruiken hierbij? In de enquête geeft 79% procent aan geen behoefte hebben aan hulp of ondersteuning van personen of organisaties om criminele inmenging te weren. 62% van de sportclubs heeft überhaupt helemaal niets nodig om criminele inmenging te weren. Door hen wordt vooral toegelicht dat criminele inmenging niet speelt bij de club en/of dat zij hun zaken al op orde hebben. Uit de interviews blijkt daarnaast dat clubs zo min mogelijk tijd en energie in dit onderwerp kunnen en willen steken; zij zijn druk met de dagelijkse organisatie van de club. Clubs die wel hulp zouden willen, willen dat vooral van de bond of gemeente. Zij hebben met name behoefte aan: Voorlichting of informatie over criminele inmenging, bijvoorbeeld in tips & tricks, een hand-out of een checklist. Ontvangen van voorbeelden en uitwisselen van ervaringen. Een aanspreekpunt/meldpunt of vertrouwenspersoon waar men terecht kan in specifieke situaties. Toezicht op financiën en financiële transparantie. Meer handhaving en straffen, de pakkans voor criminelen vergroten en hen afschrikken.
Wat kan de gemeente bieden aan amateursportclubs om hen te helpen zich te weren tegen criminele inmenging? Naast de vraag waar sportclubs behoefte aan hebben, is in de interviews gevraagd hoe de gemeente hen kan helpen om criminele inmenging te herkennen of te weren en hoe het onderwerp bekender gemaakt kan worden. Er is vooral behoefte aan inzichten in het fenomeen criminele inmenging, wat gegeven kan worden door: Het gesprek voeren met clubs zodat zij weten waar zij op moeten letten. Een checklist of handreiking maken voor het bestuur van de club maar ook om te delen binnen de club. Sessies organiseren, bijvoorbeeld een webinar, waar bijvoorbeeld casussen in worden besproken. Publiceren, informeren en e-mails sturen aan de sportclubs. Via media bekend maken wanneer er iets is gebeurd rondom criminele inmenging in de amateursport zodat bestuursleden dit in de media zien. Een film of serie maken op basis van een waargebeurd verhaal.
10
Daarnaast kan de gemeente ook een signalerende rol hebben: De gemeente kan signaleren wat er speelt bij clubs en kan daarmee een samenwerkingspartner zijn voor opsporingsinstanties en de sportbond. De gemeente zou grote invloed hebben bij sportclubs op het moment dat er een terrein/een hal wordt verpacht aan een club. Dan is de gemeente betrokken vanwege het belang voor de wijk, sportterreinen zijn immers schaars en de gemeente heeft een verantwoordelijkheid dat op die terreinen het goede gebeurt. Ook omdat sport juist is bedoeld om “de jeugd van de straat te houden”. Ook heeft de gemeente een toezichthoudende functie als het gaat om vergunningsaanvragen bij de gemeente. De gemeente dient contact te hebben met de wijkagent en buurtregisseur, zodat signalen ergens belanden. De gemeente kan kijken naar de subsidies die zij verstrekken aan sportclubs, daar zou eventueel een Bibob aan gekoppeld kunnen worden. Daarnaast zou ondersteuning vanuit de gemeente welkom zijn als het “foute boel” is. Wat opvalt is dat de voorkeur voor de wijze waarop communicatie/hulp vanuit de gemeente plaats zou moeten vinden verschilt tussen clubs. De een ziet meer in een bijeenkomst, de ander in informatie per e-mail. Dit duidt erop dat van meerdere kanalen gebruik gemaakt dient te worden om sportclubs te voorzien in hun informatie- of hulpbehoefte.
Integriteitsbeleid of huisregels van de gemeente Geïnterviewde sportclubs zijn gematigd enthousiast over een integriteitsbeleid of huisregels vanuit de gemeente. De voorstanders zijn wel geïnteresseerd, maar benadrukken dat het niet te ingewikkeld of betuttelend moet zijn. Anderen vragen zich af criminele inmenging er mee voorkomen wordt.
In hoeverre weten andere actoren wat zij moeten doen om amateursportclubs te helpen zich te weren tegen criminele inmenging? Uit het onderzoek blijkt dat er geen centraal georganiseerd orgaan bekend is dat criminele inmenging bij sportclubs signaleert, weert of aanpakt. Casuïstiek bij sportclubs komt vooral door verdachte personen of criminele organisaties aan het licht die een relatie hebben met de club en niet in eerste instantie door de sportclub zelf; een conclusie die ook in het landelijke onderzoek werd getrokken. Een aantal geïnterviewden pleit voor een meer integrale aanpak of meer samenwerking tussen partijen. Daarnaast is vooral benoemd wat diverse partijen zouden kunnen doen om criminele inmenging tegen te gaan. Als het gaat om de vraag wie er verantwoordelijk voor is om criminele inmenging bij sportclubs tegen te gaan, vinden de meeste geïnterviewde sportclubs dat deze verantwoordelijkheid ligt bij de sportclubbesturen. Ook een aantal geïnterviewde sportbonden en professionals delen deze mening. Maar ook opsporingsinstanties, de gemeente en sportbonden zouden een verantwoordelijkheid hebben rond criminele inmenging. Dit zijn ook de partijen waar sportclubs als eerst naartoe zouden gaan bij vermoedens van criminele inmenging.
Sportbonden kunnen hulp bieden voor specifieke sporten omdat criminele inmenging zich wellicht verschillend manifesteert bij verschillende type sporten. Ook kunnen bonden signaleren wat speelt bij clubs. Daardoor kunnen zij en samenwerkingspartner zijn voor opsporingsinstanties of sportclubs doorverwijzen naar de juiste instanties. Tot slot kunnen sportbonden helpen bij herkenning en bewustwording van clubs, bijvoorbeeld door 11
sessies/presentaties met daarin voorbeelden uit het verleden en door het bieden van een meldpunt. Bij de geïnterviewde sportbonden is criminele inmenging echter niet echt een thema binnen het beleid. Ook hangt het er vanaf of er binnen de bond genoeg kennis/kunde is om sportclubs te helpen op dit thema. In de enquête geven zes van de elf sportbonden aan zelf behoefte te hebben aan hulp en ondersteuning. Het gaat hierbij met name om voorlichtingsmateriaal en informatie, zodat zij meer bewustwording kunnen creëren rondom dit onderwerp. Opsporingsinstanties kunnen samenwerken met sportbonden en de gemeente en zijn aan zet wanneer sprake is van criminaliteit. Intensiever contact tussen de wijkagent en sportclubs kan ervoor zorgen dat de afstand tussen hen verkleint. Politie en justitie kunnen clubs vertellen wat criminaliteit en ondermijning is en kunnen daarmee helpen aan bewustwording, bijvoorbeeld met sessies/presentaties (door de wijkagent) over dit onderwerp waarin voorbeelden uit het verleden worden genoemd. Ook kan de politie een meldpunt bieden.
Conclusies Criminele inmenging in de Amsterdamse amateursport lijkt niet heel vaak voor te komen. De gevallen die clubs kennen, zijn voornamelijk van horen zeggen en uit de media bekend. In betreffende gevallen kwam de sportclub niet (per se) in beeld doordat er verdenkingen bestonden over de sportclub zelf maar doordat er verdenkingen waren over personen of organisaties die bij de club betrokken waren. Er is geen integraal zicht op amateursportclubs door een centraal georganiseerd orgaan waar criminele inmenging aan het licht kan komen. De enkele gevallen van criminele inmenging die naar voren kwamen, gaan overwegend over voetbal. Daar is een aantal verklaringen voor gegeven, zoals de hoeveelheid geld dat omgaat in de sport, maar ook het imago van de sport (‘voor iedereen’) en/of omdat er een blinde vlek is voor andere sporten. Een aantal meer algemene kwetsbaarheden kan andere takken van sport namelijk ook kwetsbaar maken voor criminele inmenging. Algemene kwetsbaarheid van sportclubs zit namelijk in de schaarste van vrijwilligers en gegadigden voor een bestuursfunctie en in financieel opzicht. Clubs zouden het financieel dikwijls moeilijk hebben, wat hen kwetsbaar maakt voor ‘fout geld’. Teamsporten zijn daarbij kwetsbaarder omdat een team beter gemaakt kan worden door met geld goede spelers aan te trekken.
Daarnaast zijn sporten waar faciliteiten (zoals een zaal/veld of tenues) nodig zijn kwetsbaarder omdat ook daar geld voor nodig is. Opvallend is dat een deel van de clubs wel degelijk controlerende maatregelen neemt omtrent financiën, maar dat heeft waarschijnlijk andere redenen; criminele inmenging is immers zelden gespreksonderwerp bij clubs. Dit lijkt niet per se onwelwillendheid te zijn maar eerder te maken te hebben met onwetendheid en/of andere prioriteiten bij de club. Het feit dat weinig clubs bewust maatregelen nemen tegen criminele inmenging, geeft aan dat het onderwerp weinig prioriteit heeft bij de clubs. Dat heeft enerzijds te maken met de mate waarin clubs criminele inmenging kunnen herkennen maar anderzijds ook met de indruk dat criminele inmenging geen issue is bij de club en de beperkte beschikbare tijd die clubbesturen, die dit werk veelal vrijwillig doen, hebben. Er is bij een groot deel van de geënquêteerde clubs dan ook weinig behoefte aan hulp en ondersteuning. Toch zouden clubs wel geholpen kunnen zijn met ondersteuning, zo lang dit past binnen hun capaciteit. Denk aan laagdrempelige, beknopte informatie over hoe criminele inmenging te herkennen is en wat eraan gedaan kan worden en een centraal 12
aanspreekpunt waar zij naartoe kunnen bij vragen of vermoedens. Het is daarbij raadzaam in te zetten op diverse manieren om clubs hierover te informeren. Hoewel de verantwoordelijkheid om criminele inmenging te voorkomen volgens diverse actoren ligt bij de clubs, zien zij ook een grote rol voor de gemeente, de sportbonden en de opsporingsinstanties. De indruk uit de interviews is ook dat kennis en capaciteit over dit onderwerp meer ligt bij deze professionals dan bij de club zelf. Deze partijen kunnen korte webinars of checklists geven aan clubs zodat zij weten waar ze op moeten letten, maar kunnen ook een vertrouwenspersoon instellen of op een andere wijze zorgen dat er meer integraal en structureel zicht is op de club en er tijdig ondersteund kan worden.
13
Inleiding
In 2020 is in opdracht van de ministeries Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Justitie en Veiligheid (J&V) een landelijk onderzoek gedaan naar criminele inmenging binnen de amateursport omdat de omvang van ondermijning in de amateursport nog onvoldoende in beeld was.7 Het landelijke rapport bevat aanknopingspunten om lokaal verder onderzoek te doen naar dit fenomeen. In het Amsterdamse initiatiefvoorstel Amsterdamse aanpak sportondermijning hebben raadsleden Poot en Mbarki daarom onder meer voorgesteld om de sportondermijning in Amsterdam in beeld te brengen.8 Hierbij is gevraagd aan te sluiten bij het landelijke onderzoek en aandacht te besteden aan clubs die plotseling stijgen in het klassement. Het programma De Weerbare Stad van de gemeente Amsterdam heeft Onderzoek, Informatie en Statistiek (OIS) gevraagd om dit Amsterdamse onderzoek uit te voeren.
Doel onderzoek en onderzoeksvragen De doelen van het Amsterdamse onderzoek zijn: Aanknopingspunten bieden voor handelingsperspectief tegen criminele inmenging. In kaart brengen in hoeverre betrokken actoren criminele inmenging kunnen signaleren. In kaart brengen hoe sportclubs zich weren tegen criminele inmenging. Een globale schatting maken van de mate waarin en de manieren waarop criminele inmenging plaatsvindt in de Amsterdamse amateursport. Deze doelen zijn te definiëren in drie thema’s met bijbehorende, hieronder geformuleerde onderzoeksvragen. Kennisniveau/status quo: In hoeverre weten amateursportclubs wat criminele inmenging is? In hoeverre zijn amateursportclubs zich bewust van criminele inmenging? Doen amateursportclubs al iets om zich te weren tegen criminele inmenging? Zo ja, wat? In hoeverre worden de Basiseisen Sociale Veiligheid Sport9 al toegepast? Aard en omvang: Hoeveel Amsterdamse amateursportclubs hebben naar schatting te maken met criminele inmenging? 7 Bruinsma, M., Stevens, V., Cremers, R. & Spapens, T. (2020). Criminele inmenging bij amateursportverenigingen.
Utrecht/Tilburg: Bureau Bruinsma, Mulier Instituut, Tilburg University. Te raadplegen via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/11/20/criminele-inmenging-bijamateursportverenigingen 8 Bron: Initiatiefvoorstel Poot (VVD) en Mbarki (PvdA), getiteld: Amsterdamse aanpak sportondermijning (2020). 9 De basiseisen sociale veiligheid sport zijn in 2021 ingevoerd voor clubs die een samenwerking/relatie met de gemeente Amsterdam hebben. Met clubs die in 2022 niet voldoen aan deze basiseisen, verbreekt de gemeente de samenwerking. https://www.amsterdam.nl/sociaaldomein/sport/sportaanbieders/sportaanbieders-socialeveiligheid/basiseisen/
14
Welke vormen van criminele inmenging worden gesignaleerd bij Amsterdamse amateursportclubs? Omdat deze problematiek zich er niet voor leent om uitgedrukt te worden in een exact cijfer, gaat het om een globale schatting. Ook was het nadrukkelijk niet het doel om te onderzoeken bij welke sportclubs of personen vermoedens zijn van criminele inmenging. Handelingsperspectief: Wat hebben Amsterdamse amateursportclubs (nog meer) nodig om criminele inmenging te weren en van wie zouden zij hulp kunnen gebruiken hierbij? Wat kan de gemeente bieden aan amateursportclubs om hen te helpen zich te weren tegen criminele inmenging? In hoeverre weten andere actoren wat zij moeten doen om amateursportclubs te helpen zich te weren tegen criminele inmenging?
Definitie criminele inmenging Onder criminele inmenging in de amateursport is, in navolging van het landelijke onderzoek, in dit onderzoek verstaan: Personen die een link (lijken te) hebben met criminaliteit en die een rol hebben of proberen te krijgen binnen de sportclub. Het kan ook gaan om vermoedens of signalen dat de sportclub wordt gebruikt voor criminele activiteiten. Voorbeelden hiervan zijn:
Het sponsoren van de club met zwart geld en/of met geld dat is verkregen door criminele activiteiten.
Personen met een criminele achtergrond die invloed uitoefenen op het beleid van de club.
Het clubgebouw wordt gebruikt voor illegale activiteiten, zoals drugsopslag of gokken.
Dit zijn slechts voorbeelden, criminele inmenging is een breed begrip. Het kan verschillende vormen aannemen en het is ook niet altijd duidelijk dat er sprake is van criminele inmenging. Het is dan ook vaak een langzaam proces, criminele inmenging gebeurt meestal niet van de een op de andere dag. Kortom: het is een grijs gebied. De definitie van amateursportclubs in het huidige onderzoek betrof: Sportaanbieders die geen winstoogmerk hebben, een bestuur hebben, eventueel zijn aangesloten bij een sportbond, niet actief zijn binnen professionele competities en geregistreerd staan als vereniging of als stichting.
Doelgroep In de keten van amateursport zijn diverse actoren betrokken. OIS heeft in het onderzoek gefocust op diverse doelgroepen die betrokken zijn bij de amateursport en/of kennis hebben over het onderwerp criminele inmenging in relatie tot amateursport: Bestuur van sportclubs. Sportclubbesturen zijn immers op de hoogte van het reilen en zeilen bij de club. Sportbonden. Sportbonden vertegenwoordigen veel sportverenigingen en kunnen daarmee inzicht geven in signalen die zij ontvangen vanuit de sportverenigingen. In dit onderzoek is gericht op bonden waarbij Amsterdamse clubs zijn aangesloten of op regionale onderdelen van de sportbond. 15
Professionals die betrokken zijn bij de Amsterdamse amateursport (vanuit beleids- of adviesfuncties) en actoren die betrokken zijn bij het thema criminele inmenging (vanuit opsporingsfuncties).
Methode OIS heeft het onderzoek stapsgewijs vormgegeven. Allereerst is een korte media- en literatuurscan uitgevoerd op een aantal recente onderzoeken. De input uit de literatuurscan heeft OIS gebruikt om twee enquêtes vorm te geven: één onder sportbonden en één onder sportclubs. Tot slot zijn er verdiepende interviews gehouden met sportbonden en sportclubs en met professionals die kennis hebben over sportclubs en criminele inmenging. Literatuur- en mediascan en RIEC-casuïstiek Allereerst heeft OIS een korte literatuurscan gedaan naar recente onderzoeken om inzicht te krijgen in criminele inmenging in de amateursport. De literatuurscan is ook gebruikt om de enquêtes en interviews vorm te geven. Zo heeft OIS signalen en situaties die in de eerdere onderzoeken zijn uitgevraagd of daarin naar voren kwamen gebruikt in de enquêtes en interviews.10 Een uitgebreid overzicht van de opbrengsten uit de literatuurscan is te vinden in bijlage 1. Daarnaast is een mediascan gedaan naar welke signalen van criminele inmenging in de Amsterdamse amateursport de afgelopen tien jaar media-aandacht kregen en is via de directie OOV een uitvraag gedaan naar de hoeveelheid behandelde RIEC-casussen in de afgelopen vijf jaar. Enquête Vervolgens heeft OIS per e-mail een online enquête gestuurd aan sportbonden en amateursportclubs die in Amsterdam actief zijn.
De enquête is door de afdeling Sport en Bos van de gemeente Amsterdam aangekondigd in de nieuwsbrief voor sportaanbieders. In de enquête zijn diverse onderwerpen aan bod gekomen, zoals waar men aan denkt bij criminele inmenging in de sport, of specifieke signalen van criminele inmenging voorkomen bij de eigen club en bij andere clubs in de tak van sport, wat de respondenten zou helpen om criminele inmenging te herkennen en wat men al doet om zich te weren tegen criminele inmenging. Daarbij waren we ons ervan bewust dat sportclubs die zelf een actieve rol hebben in ondermijning/criminele inmenging waarschijnlijk niet mee zouden doen aan een onderzoek naar dit thema of vragen ontkennend zouden beantwoorden. Andersom zullen sportclubs die kennis of interesse hebben over het onderwerp sneller deelnemen aan het onderzoek. In de enquête is daarom bijvoorbeeld ook gevraagd naar signalen bij andere clubs in hun tak van sport en zo ja, welke signalen en bij hoeveel clubs. Dit zegt niet per se iets over de omvang van criminele inmenging maar geeft wel een indruk. In bijlage 2 zijn de volledige vragenlijsten te vinden. De enquête is verstuurd naar 579 Amsterdamse amateursportclubs en naar 63 sportbonden. 158 Amsterdamse sportclubs vulden de enquête in (27% respons) en 11 sportbonden (17% respons). De enquête kon ingevuld worden tussen eind augustus en eind september 2021.
10 De volgende onderzoeken zijn daarbij gebruikt: Bruinsma, M., Stevens, V., Cremers, R. & Spapens, T. (2020).
Criminele inmenging bij amateursportverenigingen. Utrecht/Tilburg: Bureau Bruinsma, Mulier Instituut, Tilburg University; Duijvestijn, P. & Piepers, N. (2020). Ondermijningsrisico’s in de Gelderse sport in beeld. Amsterdam: DSPgroep; Bruinsma, M. Y., Ceulen, R., & Spapens, A. (2019). Ook criminelen houden van voetbal: Criminele sponsors van het amateurvoetbal in Brabant en Zeeland. Bureau Bruinsma & Tilburg University.
16
Aan het eind van de enquête is gevraagd of respondenten mee zouden willen doen met een individueel kwalitatief interview om dieper op het onderwerp in te gaan. Interviews Tot slot heeft OIS interviews gehouden met: Drie vertegenwoordigers van sportbonden die iets weten over de Amsterdamse situatie. Twee bonden vertegenwoordigden sporten die met name in teamverband worden beoefend, één bond vertegenwoordigde een sport die met name individueel wordt beoefend. Vijf bestuursleden van Amsterdamse amateursportclubs die zich hebben aangemeld in de enquête. Het betrof bestuursleden van uiteenlopende takken van sport en ook met uiteenlopende ledenaantallen. Het betrof zowel sporten die vooral in teamverband worden beoefend als sporten die vooral individueel worden beoefend. Zes professionals die vanuit hun functie zicht hebben op de Amsterdamse amateursport en/of criminele inmenging. De professionals zijn werkzaam in opsporingsfuncties, in beleidsfuncties en in adviesfuncties. Elk interview duurde ongeveer een uur. De meeste interviews werden vanwege de coronapandemie digitaal, via MS Teams, gehouden. In de gesprekken stonden dezelfde thema’s centraal als in de enquêtes maar in de interviews ging het vooral om verdiepende inzichten bij deze thema’s. In bijlage 3 zijn de drie verschillende topiclijsten te vinden die zijn gebruikt in de gesprekken.
Rapport Het voorliggende rapport bevat thematische hoofdstukken. Allereerst wordt het kennisniveau over criminele inmenging in de Amsterdamse amateursport in kaart gebracht, gevolgd door de aard en omvang van criminele inmenging bij sportclubs of van situaties die kunnen duiden op criminele inmenging en kwetsbaarheden daarvoor. Het laatste hoofdstuk gaat over weerbaarheid en handelingsperspectief. Binnen deze thematische hoofdstukken komt de informatie die met behulp van verschillende methodes is verzameld (enquêtes, interviews en mediascan) samen. Leeswijzer De enquêteresultaten worden niet uitgesplitst naar takken van sport vanwege de kans op herleidbaarheid naar clubs of casuïstiek. Enkele takken van sport hebben namelijk wel veel clubs in Amsterdam maar veel takken van sport ook niet. De resultaten van de enquête onder sportbonden worden vanwege het kleine respondentaantal (n=11) gerapporteerd in absolute aantallen in plaats van percentages.
17
1 Kennisniveau
Uit het landelijke onderzoek11 blijkt dat sportclubbestuurders moeite hebben met wat onder criminele inmenging wordt verstaan. Als zij er een idee bij hebben, denken zij vooral aan georganiseerde misdaad en drugscriminaliteit. Weten Amsterdamse sportclubs, sportbonden en professionals wat criminele inmenging is? Waar denken ze aan bij criminele inmenging en wanneer is criminele inmenging een probleem? Deze vragen komen in dit hoofdstuk aan de orde.
1.1 Meeste sportclubs en sportbonden hebben van criminele inmenging gehoord Van de 158 ondervraagde Amsterdamse amateursportclubs zegt twee derde van criminele inmenging gehoord te hebben en ook te weten wat het is (figuur 1.1). Zestien procent zegt ervan gehoord te hebben maar niet te weten wat het is en 17% zegt er nooit van gehoord te hebben. Hoe meer leden sportclubs hebben, hoe vaker zij van criminele inmenging hebben gehoord. Zo zegt 38% van de clubs met 0-50 leden nog nooit gehoord te hebben van criminele inmenging, tegenover 3% van de clubs met 500 leden of meer. Figuur 1.1 Heeft u weleens gehoord van criminele inmenging? En zo ja, weet u wat het is? (sportclubs, n=158, procenten) 17% nee, nooit van gehoord 16% 67%
ja, van gehoord, maar ik weet niet wat het is ja, van gehoord en ik weet (ongeveer) wat het is
Ook de meerderheid van de ondervraagde sportbonden zegt in de enquête gehoord te hebben van criminele inmenging, namelijk negen van de elf (figuur 1.2). Acht van hen zeggen ook te weten wat criminele inmenging is. Twee sportbonden hebben niet van criminele inmenging gehoord.
11 Bruinsma, M., Stevens, V., Cremers, R. & Spapens, T. (2020). Criminele inmenging bij amateursportverenigingen.
Utrecht/Tilburg: Bureau Bruinsma, Mulier Instituut, Tilburg University.
18
Figuur 1.2 Heeft u weleens gehoord van criminele inmenging? En zo ja, weet u wat het is? (sportbonden, n=11, aantallen) 17% nee, nooit van gehoord 16% 67%
ja, van gehoord, maar ik weet niet wat het is ja, van gehoord en ik weet (ongeveer) wat het is
Alle geïnterviewde sportclubs en sportbonden waren, voordat ze de enquête hadden gekregen, bekend met criminele inmenging in de amateursport. Die bekendheid komt vooral vanuit bekende dossiers en berichten uit de media of ze hebben er via via over gehoord. Een enkeling heeft zelf weleens criminelen zien rondhangen bij andere sportclubs of heeft weleens gesproken met een club die te maken had met verkeerde sponsors. Een van de geïnterviewde sportbonden heeft een e-learning over dit thema voorbij zien komen bij het NOC*NSF. Die e-learning ging over hoe bestuurders van clubs moeten omgaan met gevaren van criminele inmenging. Een geïnterviewde sportclub merkt op door de enquête van dit onderzoek aan het denken te zijn gezet over dit onderwerp, met name dat criminele inmenging in meer vormen en op meer manieren voorkomt dan bekend was uit de media.
1.2 Meeste respondenten hebben een beeld bij criminele inmenging in de amateursport Op de vraag in de enquête “Waar denkt u aan bij criminele inmenging in de amateursport?” antwoordt 23% van de sportclubs hier geen beeld bij te hebben en 4% geeft geen antwoord. Onder de sportbonden geeft één respondent aan hier geen beeld bij te hebben. Respondenten die aangaven wel een beeld te hebben bij criminele inmenging in de amateursport, hebben hier meestal een beeld van dat aansluit bij de in dit onderzoek gehanteerde definitie. Hierbij dient te worden opgemerkt dat dit associaties zijn bij dit onderwerp en niet per definitie zaken die zij daadwerkelijk hebben waargenomen. De meest genoemde associaties zijn: Witwassen. Eén van de respondenten zegt bijvoorbeeld: “Crimineel geld dat witgewassen wordt door bijvoorbeeld te investeren in voetbalclubs.” (Criminele) personen die invloed proberen uit te oefenen binnen de club en daar kwade of criminele bedoelingen mee hebben. Sponsoring met crimineel- of zwart geld of betalingen die binnen de club worden gedaan met zwart geld. De club gebruiken (misbruiken) voor criminele activiteiten. Minder vaak worden matchfixing en gokken genoemd. Alle antwoorden die respondenten hebben gegeven zijn te vinden in de bijlage. Ook in de interviews is deze vraag gesteld.
Sportclubs en sportbonden denken vooral aan geldkwesties en invloed op het bestuur uitoefenen. Hierbij komen dezelfde associaties als in de enquête naar voren. Hieronder zijn alleen de associaties opgenomen die niet veelvuldig genoemd zijn in de enquête: Penningmeester die er met het geld vandoor gaat. Bevriende partijen/bedrijven klussen gunnen. Een bestuurslid dat alles betaalt en die een stroman van een crimineel is. 19
Spelers die zwart worden betaald om op een hoger niveau te kunnen spelen of een club die op een niveau speelt dat niet past bij de club. Een crimineel/persoon met criminele connecties die als zaakwaarnemer, voetbalschool of trainer spelers verhandelt en zich vervolgens mengt in de club. Exploitatie van de kantine (grote omzet op papier).
Eén geïnterviewde sportclub vermoedt dat kindermisbruik ook valt onder criminele inmenging, maar weet dat niet zeker. Een sportbond zag binnen de clubs op lagere niveaus dat spelers meededen met een wedstrijd in ruil voor een alcoholische versnapering. De geïnterviewde zag dit niet als criminele inmenging, maar meer als “een beetje studentikoos”. Tot slot is ook de professionals gevraagd waar zij aan denken bij criminele inmenging bij sportclubs. Zij hebben een iets breder beeld van criminele inmenging. Hieronder zijn alleen de zaken opgenomen die niet door de sportclubs en sportbonden zijn genoemd: Statusverwerving; goodwill verwerven bij vrienden, kennissen en buurtgenoten – als weldoener bekend komen te staan. Sponsoring, naamsbekendheid voor bedrijf verkrijgen, bedrijf bonafide doen lijken. Club gebruiken als melkkoe. (Financiële) druk uitoefenen, bijvoorbeeld op de opstelling van een team. Geld toelaten waarvan afgevraagd kan worden of het “in de haak is” vanwege ambities om op een zo hoog mogelijk niveau te spelen. Het gebruik van de sportlocatie voor andere activiteiten, zoals feesten en netwerkbijeenkomsten of voor het stallen (stashen) van illegale spullen. Criminelen die via de sportclub/sponsor in contact komen met jongeren, ronselen van jongeren. Witwassen, verenigingen betalen veel zwart. Vrijwilligers en trainers krijgen een vergoeding.
Dat wordt vaak op een andere manier opgelost en dat is een gebied waar het makkelijkst en snelst dingen mis kunnen gaan, voor de vereniging zelf maar ook voor invloed van buitenaf.
Ook is door een professional opgemerkt dat criminele inmenging kan variëren van iets heel kleinschalig, soms zonder nare agenda, tot iets heel groots (en alles er tussenin) en zou het van alle tijden zijn en op allerlei fronten kunnen voorkomen. Daarnaast zouden andere gedragingen – “van heel knullig tot heel ernstig”- die niet per definitie crimineel zijn wel onwenselijk kunnen zijn. Een voorbeeld is een bedrijf dat in ruil voor sponsoring eist dat de club(leden) een dienst of product afneemt bij het bedrijf. Ook is aangekaart dat structurele misstanden met betrekking tot een veilig sportklimaat ook crimineel zijn, zoals foute trainers die misbruik maken van leden. Tot slot vindt een geïnterviewde dat er minder over criminele inmenging gesproken kan worden als een sportclub gebruikt wordt als locatie om criminele activiteiten uit te oefenen dan wanneer een crimineel invloed uitoefent op het beleid van de club.
20
1.3 Criminele inmenging is een probleem zodra het ontstaat De meeste geïnterviewde sportclubs vinden criminele inmenging bij hun club een probleem zodra het ontstaat: zodra criminelen een voet aan de grond proberen te krijgen bij de club, de leden voor zich winnen en/of als er daadwerkelijk iets voorvalt qua criminele inmenging. Daarnaast vinden geïnterviewden het een probleem wanneer de sportclub niet meer onafhankelijk functioneert en/of beïnvloedbaar is. Als je als bestuur niet meer onafhankelijk bent, als je in een soort chantabele situatie komt waarbij een extern persoon de touwtjes in handen krijgt of jouw vereniging misbruikt voor zijn eigen doeleinden, dan wordt het echt een probleem.
Het wordt een probleem als ze [criminelen] het sentiment zo kunnen draaien dat het merendeel van de leden in hun verhaal meegaat, het door de vingers zien wat niet klopt en alleen maar kijken naar meer voordelen die zo’n crimineel kan meebrengen; meer geld, betere trainers. Bestuur kan dan niks meer doen.
Ook volgens de geïnterviewde sportbonden is criminele inmenging bij sportclubs altijd een probleem: het begint vaak klein (bijvoorbeeld shirts sponsoren van een zoontje) en gaat over naar een glijdende schaal en wordt steeds erger (de sponsor gaat meer sponsoren binnen de club en wil invloed uitoefenen op het beleid van de club). Dan wordt het vrij snel een probleem: de club zit eraan vast en komt er niet makkelijk vanaf. De gevolgen hiervan kunnen groot zijn, volgens de sportbonden. Een crimineel zou invloed kunnen uitoefenen op het beleid van de club en de club kan niet meer doen wat ze belangrijk vindt. Als het over het beleid gaat, vriendjespolitiek met een criminele achtergrond, dat zou voor mij zorgwekkend zijn. Witwassen en illegaal gokken is ook not done. Je wil dat de vereniging een veilige omgeving is voor kinderen en anderen die er sporten. Als je dan weet dat er criminele activiteiten plaatsvinden, dat wil je niet.
De geïnterviewde professionals vinden criminele inmenging bij sportclubs een probleem als: Criminele organisaties of personen de club proberen te beïnvloeden/het beleid van een sportclub wordt beïnvloed en veranderd. Jongeren worden beïnvloed in het kader van ronselen, opkijken tegen ‘stoere criminelen’ en met hen in aanraking komen. Een sportclub regels overtreedt, ook als dat gebeurt wanneer ze het zelf niet weten. Clubs afhankelijk worden van vermogende personen en in de problemen raken als de geldschieter vertrekt. Er sprake is van uitvoering van criminele activiteiten op een club (zoals drugshandel). Het kan ook zijn dat er ‘verdachte’ personen of mensen met een strafrechtelijk verleden rondlopen op de club. Een geïnterviewde vindt dit weliswaar onwenselijk, maar nog niet per definitie problematisch: er hoeft (nog) geen sprake te zijn van criminele inmenging. Een aantal professionals schetst gevolgen die kunnen ontstaan door criminele beïnvloeding van de sportclub. Wanneer clubs financieel afhankelijk zijn van iemand die plotseling vertrekt of die het geld terug wil zien, ontstaat een probleem. Het contant betalen van spelers of trainers kan ertoe leiden dat anderen zich niet meer geroepen voelen zich vrijwillig in te zetten voor de club. Ook kan de beïnvloeding leiden tot tweedeling binnen een club of de omgeving als een deel van 21
de club of bewoners het positief vindt dat de club beter presteert en daar trots op is, maar anderen het crimineel geld fout vinden en van mening zijn dat spelers uit de eigen omgeving geen kans meer maken bij de club.
22
2 Aard en omvang
Uit het landelijke onderzoek12 blijkt dat een klein deel van de sportclubs denkt dat er criminele inmenging plaatsvindt in hun tak van sport. Een nog kleiner deel heeft zelf zorgen gehad over criminele connecties binnen hun eigen club. Ruim één op de tien ziet bij de eigen club wel ‘serieus te nemen signalen’ van criminele inmenging. Clubs die vermoedens hebben van criminele inmenging, zouden daar niet gauw mee naar de bond stappen. Ook blijkt dat criminele inmenging in de sport vooral ontdekt wordt als opsporing plaatsvindt naar een persoon of criminele organisatie; niet omdat de sportclub zelf onderwerp van onderzoek is. Het onderzoek liet zien dat criminele inmenging vooral lijkt te spelen bij voetbalclubs, maar niet uitsluitend. Hebben Amsterdamse sportclubs te maken met criminele inmenging? Hoe vaak worden signalen van criminele inmenging gezien bij andere sportclubs en bij de eigen club? Zien sportbonden criminele inmenging bij hun sportclubs? In welke mate zijn clubs kwetsbaar voor criminele inmenging? Deze vragen komen in dit hoofdstuk aan de orde.
2.1 Mediascan en RIEC: enkele casussen van criminele inmenging bij voetbalclubs Om in kaart te brengen welke signalen van criminele inmenging bij Amsterdamse amateursportclubs publieke bekendheid hebben gehad, is er een mediascan uitgevoerd naar artikelen over dit onderwerp. Daarbij is beperkt tot berichtgeving van de afgelopen 10 jaar. In de mediascan is gezocht algemene zoektermen, zoals criminele inmenging, ondermijning, criminaliteit en witwassen, gecombineerd met ‘Amsterdamse (amateur)sport’. Hierop is gezocht via Lexis Nexis, Google en de zoekfuncties van diverse landelijke en Amsterdamse media. Ook is gebruik gemaakt van ‘tags’ in mediaberichten waarop geklikt kon worden en die gerelateerde mediaberichten over dezelfde onderwerpen toonden. Daar is gebruik van gemaakt in de zoektocht. Wanneer een club of signaal naar voren kwam, is op de specifieke sportclubs doorgezocht via bovengenoemde zoekfuncties naar meer of recentere berichtgeving. Deze zoektocht leverde diverse artikelen op waarin signalen werden genoemd van criminele inmenging/ondermijning bij Amsterdamse amateursportclubs. Tussen deze artikelen bestond overlap; diverse bronnen berichten over dezelfde casus. Het uiteindelijke aantal individuele casussen bij Amsterdamse niet-commerciële amateursportclubs is op één hand te tellen. In alle gevallen ging het om signalen bij Amsterdamse veld- en zaalvoetbalclubs.
Het ging overwegend om clubs die op een relatief hoog niveau speelden en/of promoties hadden gemaakt in de competitie. In de gevallen uit de artikelen kwam de sportclub veelal in beeld doordat er verdenkingen bestonden over personen of organisaties die bij de club betrokken waren, waarbij de verdenkingen niet (per se) via de sport zijn ontstaan.
12 Bruinsma, M., Stevens, V., Cremers, R. & Spapens, T. (2020). Criminele inmenging bij amateursportverenigingen.
Utrecht/Tilburg: Bureau Bruinsma, Mulier Instituut, Tilburg University.
23
Uit de mediascan komen de volgende signalen naar voren: Betrokkenheid van criminelen bij de sportclub. Misdaadwinsten gebruiken voor de sportclub. Bestuursleden, sponsors en/of trainers met contacten in het criminele circuit. Bestuursleden, sponsors en/of trainers met antecedenten of verdenkingen van: o Drugscriminaliteit. o Zedendelicten. o Levensdelicten. o Belastingfraude. In de mediascan is ook gezocht naar andere takken van sport dan voetbal. Deze zijn niet gevonden; er is in de media uitsluitend geschreven over voetbalclubs. Daarnaast is via de directie OOV navraag gedaan naar het aantal RIEC-casussen in de afgelopen vijf jaar. Het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC) Amsterdam Amstelland ondersteunt onder andere de gemeente Amsterdam bij casussen van ondermijning. In de afgelopen jaren is het RIEC betrokken geweest bij enkele casussen betreffende ondermijning in de amateursport. De sportclubs kwamen veelal in beeld als bijvangst in bijvoorbeeld een witwasof drugsonderzoek.
2.2 Drie procent van de sportclubs vermoedt of ziet criminele inmenging bij de eigen club Na uitleg van de term criminele inmenging die in dit onderzoek is gebruikt, is in de enquête aan sportclubs gevraagd of hun eigen sportclub de afgelopen twee jaar weleens te maken heeft gehad met criminele inmenging. De meerderheid (88%) van de ondervraagde sportclubs zegt zeker te weten dat dit niet het geval is (figuur 2.1). Ongeveer een tiende (9%) zegt te vermoeden van niet, maar weet het niet zeker. 2% zegt zeker te weten dat hun sportclub te maken heeft gehad met criminele inmenging en 1% zegt het te vermoeden, maar niet zeker te weten. Figuur 2.1 Heeft uw eigen sportclub de afgelopen twee jaar weleens te maken gehad met criminele inmenging? (sportclubs, n=158, procenten) 1% 2% 1% 9%
88%
ja, dat weet ik zeker ik vermoed van wel, maar weet het niet zeker ik vermoed van niet, maar weet het niet zeker nee, ik weet zeker van niet weet niet, geen antwoord
2.3 Meerderheid van de sportclubs heeft niet te maken gehad met situaties die kunnen duiden op criminele inmenging Nadat aan sportclubs is gevraagd of zij in het algemeen te maken hebben gehad met criminele inmenging, zijn aan hen specifieke situaties voorgelegd die kunnen duiden op criminele inmenging bij de club. Van de dertien voorgelegde situaties, zegt 11% van de sportclubs zeker te 24
weten met een of meerdere situaties te maken te hebben gehad of dit te vermoeden. Hoe meer leden sportclubs hebben, hoe vaker zij aangeven dat hun club met een of meerdere signalen van criminele inmenging te maken hebben gehad. In de figuren 2.2 en 2.3 zijn de dertien voorgelegde situaties te vinden. Bij alle situaties geven de meeste respondenten aan zeker te weten dat het niet voorkomt bij hun sportclub. Voor alle signalen geldt dat 1% tot 3% van de ondervraagde sportclubs aangeven zeker te weten dat hun sportclub daarmee te maken heeft gehad. Van de volgende vier signalen zegt 2-3% van de sportclubs zeker te weten ermee te maken te hebben gehad. Deze signalen gaan met name over sponsors en donateurs: Een sponsor of donateur die invloed eist op het beleid van de sportclub. Een sponsor of donateur die alleen contant wil betalen. Een sponsor of donateur die anoniem wilde blijven. Bedreigingen die worden geuit richting het bestuur, vrijwilligers of leden. Bij twee signalen zeggen relatief veel respondenten het vermoeden te hebben dat het niet speelt, maar het niet zeker te weten. Deze signalen gaan over leden en vrijwilligers: Een lid of vrijwilliger met (vermoedelijk) contacten in het criminele circuit. Een lid of vrijwilliger dat in aanraking is gekomen met politie of justitie vanwege betrokkenheid bij georganiseerde misdaad.
De respondenten is ook gevraagd of zij met andere signalen te maken hebben gehad die kunnen duiden op criminele inmenging. 2% van de respondenten zegt van wel, dat betreft drie respondenten. Zij noemen het volgende: “Phishing e-mails. Omdat we een publieke website zijn [worden] email adres en contact formulier misbruikt.” “Externe huurders van het sportpark die intimideren en bedreigen van medegebruikers van het sportpark.” “Criminelen die eisen dat je als bestuur per direct opstapt. Of tegen betaling of met dreiging met geweld (vooral naar familieleden).”
25
Figuur 2.2 Kunt u aangeven of uw sportclub de afgelopen twee jaar te maken heeft gehad met de volgende situaties? (sportclubs, n=158, procenten) bedreigingen die worden geuit richting het bestuur, 31 6 vrijwilligers of leden verdachte personen met vermoedelijke criminele connecties, die geen lid zijn, maar wel rondhangen op 12 de club