CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. toelichting & regels bestemmingsplan Johan Greivestraat.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 6 september 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Johan Greivestraat (VN2023-015720)30.476 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De waardering van de bebouwing is gebaseerd op vier aspecten: Kaart A: de interne organisatie van het object (typologie en plattegrond); Kaart B: de ruimtelijke vormgeving van objecten (architectuur); Kaart C: de groepering van objecten (verkaveling); Kaart D: de bijdrage van objecten aan de kwaliteit van tuinstedelijke ensembles als geheel (bijdrage aan tuinstadkarakter). Alle objecten en groepen van objecten zijn op deze vier aspecten kort getypeerd en gewaardeerd met 1-5 punten. Het totaal komt uit op een schaal van 0-20 punten. De totaalwaardering leidt tot de volgende ordewaarderingen: 0-10 basiskwaliteit (Basisorde); 11-14 middel kwaliteit (Orde 3); 15-17 hoge kwaliteit (Orde 2); 18-20 topkwaliteit (Orde 1). Hieronder is een uitsnede van de waarderingskaart ter hoogte van het plangebied opgenomen.

Afbeelding: uitsnede waarderingsk aart (maps.amsterdam.nl) De Johan Greivestraat is onderdeel van de Westelijke tuinsteden en opgericht volgens de AUP concepten (zie paragraaf 2.1). Er bevinden zich orde 2 panden op de projectlocatie. Die zijn van cultuurhistorische waarde. De panden zijn echter is dusdanig slechte staat dat behoud en renovatie niet 49

Johan Greivestraat mogelijk is. Volgens de Nota Cultuurhistorie Amsterdam Nieuw-West (26 juni 2013) is de locatie Johan Greivestraat gewaardeerd als 'AUP Raamwerk'. Bij deze waardering horen richtlijnen voor nieuwbouwontwikkelingen. Binnen het beschermingsregime 'AUP Raamwerk' zijn in principe alle verkavelingsvormen toegestaan.

Afbeelding: cultuurhistorische waarderingskaart Amsterdam Nieuw-West (projectlocatie rood omcirkeld) 4.10.4 Conclusie Het plangebied valt onder het beschermingsregime 'AUP Raamwerk', waarbinnen in principe alle verkavelingsvormen toegestaan. Bij de uitwerking van de bouwplannen is rekening gehouden met de richtlijnen voor nieuwbouw die bij deze waardering horen. Zo sluit de bouwhoogte aan bij de omgeving en wordt door de twee 'woontorens' wat vrijer in het groen te plaatsen en uit te lijnen met de bestaande omringde bebouwingen voldaan aan het AUP principe.

4.11

Ladder voor duurzame verstedelijking

In artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is voorgeschreven dat indien bij een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, in de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording daarvan moet plaatsvinden. Dit is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' dat een instrument is voor efficiënt ruimtegebruik. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” Bepaald moet worden of er sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' zoals bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro: “Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.”

50

Johan Greivestraat

Planspecifiek De herontwikkeling van de Johan Greivestraat, waarbij de bestaande woningen worden gesloopt en ten behoeve van nieuwbouw, voorziet in een toename van ongeveer 150 woningen. Gezien de omvang, aard en locatie van de beoogde ontwikkeling is de conclusie dat in het voorliggende geval, waarbij sprake is van een nieuwbouw van woningen, sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid moet de behoefte nader onderbouwd te worden. Met de Monitor Plancapaciteit, een samenwerking van de Metroolpool Regio Amsterdam (MRA) en de provincie Noord-Holland, wordt bijgehouden welke woningbouwplannen en -locaties gemeenten in beeld hebben. Zie ook paragraaf 3.3.1. De regionale bouwopgave is groot. Volgens de laatste prognoses groeit de woningbehoefte tot 2040 met minimaal 250.000 woningen. Met het Rijk heeft de regio afgesproken tot 2025 gemiddeld 15.000 woningen per jaar te bouwen. Een forse opgave die grotendeels via complexe binnenstedelijke gebiedsontwikkelingen moet worden ingevuld. Bovendien moet de bouw van nieuwe woningen ook bijdragen aan een toekomstbestendige en betaalbare woningvoorraad. Met de voorliggende stedelijke ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de behoefte aan woningen binnen de metropoolregio en Amsterdam.

4.11.1 Conclusie Gezien het beleid van de provincie, de Metropoolregio Amsterdam en de gemeente (zie paragraaf 3.2 en 3.4) en de woningbouwopgave, zal de beoogde herontwikkeling voorzien in een behoefte.

4.12

Hoogbouweffectrapportage (HER)

De Structuurvisie Amsterdam 2040, die in februari 2011 door de gemeenteraad is vastgesteld, staat de visie van de gemeente Amsterdam ten aanzien van hoogbouw. De visie is nader uitgewerkt in het door B&W in mei 2011 vastgestelde beleidstuk: Hoogbouw in Amsterdam. Amsterdam streeft naar een economisch sterke en duurzaam ingerichte stad. Daarbij vormt het intensiever gebruik van de stad en tegelijk het openhouden van het landschap één van de doelen. Hoogbouw kan een belangrijk middel zijn bij de verdichting van de stad, maar is niet in alle gevallen even wenselijk. De structuurvisie geeft aan in welke gebieden hoogbouw wordt gestimuleerd en in welke gebieden hoogbouw zeer terughoudend wordt toegepast wanneer de impact van een hoogbouwplan op het stedelijk landschap onderzocht moet worden. Op de kaart ‘Hoogbouw in Amsterdam’ is zichtbaar gemaakt waar hoogbouw wordt gestimuleerd: in de (paarse) zones langs de Ringweg/Ringlijn, met name rond de ov-knooppunten, en in twee ovale zoekgebieden langs het IJ. De zones en zoekgebieden zijn indicatief; het is niet de bedoeling dat alle bebouwing daarbinnen naar een hoogte van 60 meter of hoger reikt.

51

Johan Greivestraat

Een rapportage over landschappelijke effecten is verplicht gesteld bij: Middelhoogbouwinitiatieven vanaf 22,5 meter of 25% hoger dan hun directe omgeving in het UNESCO-gebied. Hoogbouwinitiatieven hoger dan 30 meter of tweemaal de hoogte in hun directe omgeving binnen de op de hoogbouwkaart aangegeven 2 km-zone rondom het UNESCO-gebied. Hoogbouwinitiatievenvanaf 30 meter buiten die zone, maar binnen één van de hierboven genoemde 'gebieden met bijzondere waarden'. Hoogbouwinitiatieven vanaf 30 meter in de randen van de groene scheggen. hoogbouwinitiatieven vanaf 40 meter in het Buiten-IJ Hoogbouwinitiatieven vanaf 60 meter elders, met uitzondering van de stimuleringsgebieden (op de hoogbouwkaart paars aangeduid). Planspecifiek Het plangebied ligt in een 'paarse' zone langs een infrastructuurbundel (A10, metronetwerk en spoor). De maximale bouwhoogte bedraagt 40 meter. Een hoogbouweffectrapportage is niet noodzakelijk.

52

Johan Greivestraat

4.13

Trilling

4.13.1 Beleid en regelgeving In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van hinder of schade door trillingen. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. SBR - richtlijn Een belangrijk en voor veel situaties te gebruiken hulpmiddel is de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Deze richtlijn bestaat uit drie delen: Deel A, Schade aan gebouwen; Deel B, Hinder voor personen in gebouwen; Deel C, Storing aan apparatuur. De richtlijnen hebben alleen betrekking op trillingen die van buiten het te beoordelen gebouw komen. Dat houdt in dat het gaat om trillingen die via de ondergrond en de funderingen het gebouw bereiken. Dat is ook het beoordelingscriterium voor deel A (schade aan gebouwen). Bij deel B (hinder voor personen in gebouwen) worden de trillingen gemeten op vloeren, omdat daar de hinder optreedt. Beoordeling trillingshinder Trillingshinder wordt beoordeeld aan de hand van het maximale trillingsniveau en het gemiddeld trillingsniveau.

Dit is vergelijkbaar met het maximale geluidsniveau en het langtijdgemiddeld geluidsniveau bij de beoordeling van geluid. Voor een aantal typen trillingen en verschillende gebouwfuncties (wonen, onderwijs e.d.) staan in de richtlijn grens- en streefwaarden met een onderscheid tussen maximaal optredende trillingsniveaus en gemiddelde trillingsniveaus. Overschrijding van de streefwaarden leidt tot een reële kans op hinder. 4.13.2 Toetsing plangebied De geplande nieuwbouw ligt in de nabijheid van de spoorlijn Schiphol – Amsterdam Centraal. Gezien de beperkte afstand tot het spoor kan trillingshinder als gevolg van treinverkeer niet op voorhand worden uitgesloten. Daarom is onderzoek gedaan om vast te stellen of er sprake zal zijn van trillingshinder in de geplande nieuwbouw, en zo ja, met welke maatregelen deze hinder is te voorkomen (zie bijlage 13). Het onderzoek heeft uitgewezen dat door de relatief grote afstand tot het spoor en de dempende werking van de tussengelegen spoorsloot de trillingen op deze locatie relatief laag zijn. Bij een bouwconcept met een betonnen kern en breedplaatvloeren, of een concept met kalkzandsteen en metselwerk, zijn geen maatregelen of aanpassingen nodig om te voldoen aan het beoordelingskader voor trillingen. Bij een houtskelet bouwconcept zijn wel aanpassingen nodig.

Denk hierbij aan het verzwaren van de kern en kolommen (twee keer zo stijf als constructief benodigd) en het verzwaren van de vloer (kortere balkafstand, hogere balken of een kokervloer). 4.13.3 Conclusie Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat in de toekomstige nieuwbouw weinig tot geen trillingshinder zal optreden vanwege het railverkeer. Als bij de uitwerking van de plannen gekozen wordt voor een bouwconcept met een betonnen kern en breedplaatvloeren of een concept met kalkzandsteen en metselwerk, zijn geen aanpassingen nodig. Bij houtskeletbouw zijn wel aanpassingen nodig. Dit wordt niet geregeld in een bestemmingsplan, maar bij de omgevingsvergunning om te bouwen. Mogelijke trillingshinder vormt op voorhand geen belemmering voor het realiseren van de woningen.

53

Johan Greivestraat

4.14

Luchthavenindelingsbesluit

4.14.1 Algemeen Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) is een Algemene Maatregel van Bestuur, die gebaseerd is op de Wet luchtvaart. In de Wet luchtvaart is bepaald dat onder andere bij de vaststelling van een bestemmingsplan het LIB in acht moet worden genomen. In het LIB is o.a. een beperkingengebied vastgesteld waar in verband met de nabijheid van de luchthaven Schiphol met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting beperkingen noodzakelijk zijn ten aanzien van de bestemming of het gebruik van de grond. Het beperkingengebied is aangegeven op kaartmateriaal dat onderdeel uitmaakt van het LIB. Het LIB bevat regels over: de bestemming en het gebruik van grond in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer; de bestemming en het gebruik van grond in verband met de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer; de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer; een bestemming die, of van een gebruik dat, vogels aantrekt, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer. 4.14.2 Toetsing plangebied Het plangebied ligt binnen het beperkingengebied van het LIB en krijgt daardoor te maken met de volgende beperkingen:

Beperking bebouwing: LIB 5: afwegingsgebied geluid en externe veiligheid Woningen/woonruimten zijn in het plangebied toegestaan maar er dient conform de Omgevingsverordening NH2020 wel rekenschap te worden gegeven van het feit dat op de betreffende locatie sprake is van geluid en externe veiligheidsrisico vanwege het luchtverkeer. Ook dienen de redenen te worden vermeld die er toe hebben geleid om op de betreffende locatie nieuwe woningen te bestemmen. De gemeenteraad heeft naar aanleiding van de 20 Ke-contour op 29 juni 2017 de beleidsregel ‘Wonen en vliegen 20 Ke contour Schiphol’ bekrachtigd en bepaald dat de toelichting van een bestemmingsplan de volgende onderdelen bevat: a. een weergave en beschrijving van de exacte ligging van de woningbouwlocatie in het beperkingengebied; b. een beschrijving van de huidige situatie op die woningbouwlocatie; c. een beschrijving van verwachte toekomstige ontwikkelingen die kunnen zorgen voor een verandering van de huidige situatie op de woningbouwlocatie; d. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de belangen die met de

54

Johan Greivestraat beoogde woningbouw zijn gemoeid, waaronder de actuele behoefte waarin de woningbouw voorziet; e. een slotconclusie over de bevindingen naar aanleiding van de onderwerpen bedoeld in a., b., c. en d. In aanvulling op het voorgaande kan bij de te maken afweging de gecumuleerde geluidsbelasting van vliegtuiglawaai worden betrokken. Verder wordt als uitgangspunt gehanteerd dat in het geval maatregelen worden getroffen om geluidsbelasting dan wel geluidhinder te verminderen, de toelichting een beschrijving van die maatregelen en de afweging die daaraan te grondslag ligt, bevat. a. Ligging en situatie De geluidsbelasting ter hoogte van het plangebied wordt vooral bepaald door startende vliegtuigen vanaf de Zwanenburgbaan. Deze vliegtuigen starten in noordelijke richting, maken vervolgens een bocht en vliegen aan de noordkant van het plangebied verder in zuidelijke richting. De feitelijk optredende geluidbelasting in de omgeving van Schiphol worden voortdurend gemeten. De feitelijke geluidsbelasting vanwege de aanvliegroute van de Zwanenburgbaan ter plaatse van de dichtstbijzinde meetpost (meetpunt 34 Amsterdam-Osdorp) bedroeg in 2019 tussen de 60 en 88 dB(A) waarbij het merendeel van de metingen tussen 70 en 78(A) lagen. De geluidbelasting ter plaatse van het plangebied zal lager zijn doordat de vliegtuigen ter plaatse van het plangebied hoger vliegen.

In de nabijheid van het plangebied is echter geen meetpunt aanwezig zodat er geen actuele gegevens beschikbaar zijn. De geluidsbelastingen vanwege het vliegverkeer zullen in de toekomst veranderen. Enerzijds kan het luchtverkeer toenemen en stiller worden door moderne technieken, anderzijds kunnen vliegroutes worden gewijzigd. Bovendien wordt een nieuw stelsel, het Nieuwe Normen- en Handhavingsstelsel (NNHS) ingevoerd waarmee de afgelopen jaren al werd geëxperimenteerd. De gevolgen van mogelijke toekomstige ontwikkelingen zijn op dit moment niet bekend. Tenslotte geldt dat het plangebied vanwege de ligging binnen de 20 Ke-contour is gelegen in een gebied met een verhoogde kans op een vliegtuigongeval met dodelijke slachtoffers op de grond. De kans op een vliegtuigongeval binnen het plangebied is echter zeer klein te noemen. Vanwege de ligging buiten de LIB 3 zone is de kans kleiner dan 1 op de 1 miljoen per jaar. b. Overwegingen Geluid Er zijn geen wettelijke kaders voor de beoordeling van luchtvaartgeluid. De wettelijke mogelijkheden worden begrensd door de LIB 4 zone. De LIB 4 zone heeft tot doel om ernstige hinder en ernstige slaapverstoring door luchtvaartgeluid te voorkomen, omdat dit kan leiden tot negatieve gezondheidseffecten van inwoners en gebruikers van dit gebied. De buitengrens van de LIB 4 zone is aangewezen op basis van de berekende 58 dB(A) Lden contour.

Binnen de LIB 4 zone / boven de 58 dB(A) Lden wordt het geluidniveau zodanig hinderlijk geacht dat woningbouw daar niet of slechts onder beperkte voorwaarden wenselijk wordt geacht. De 58 dB(A) Lden staat niet gelijk aan de feitelijke geluidmetingen. In het kader van het gelijkwaardigheidsbeginsel (op grond van de Wet luchtvaart en het Luchthavenverkeersbesluit) wordt tevens gekeken naar de 48 dB(A) Lden en 40 dB(A) Lnight contouren. Boven de 48(A) Lden is de kans dat hinder wordt ervaren groot. Boven het niveau van 40 dB(A) Lnight kan ernstige slaapverstoring optreden. De feitelijk optredende geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied bedraagt circa 48 dB(A) Lden en ruim lager dan 40 dB(A) Lnight . Hoewel bij deze niveaus bewoners overdag enige geluidhinder kunnen ondervinden, zijn de geluidsbelastingen niet zodanig hoog dat het schadelijk is voor de gezondheid, van ernstige slaapverstoring is geen sprake. Op grond van de GES-methodiek wordt, om de impact op gezondheidskwaliteit te beoordelen, geluidsbelasting vanwege vliegverkeer ingedeeld in scores van zeer goed tot zeer onvoldoende. Een geluidsbelasting tussen de 48 en 50 dB(A) Lden wordt geclassificeerd als redelijk. De geluidsbelasting van minder dan 40 dB(A) Lnight wordt geclassificeerd als goed. De geluidsbelastingen ter plaatse van het plangebied worden daarom aanvaardbaar geacht.

Een stedelijk woonmilieu gaat met een hogere geluidbelasting gepaard dan in een rustige woonwijk. Derhalve kan in het plangebied ook een hogere geluidbelasting als aanvaardbaar gezien worden. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de maximaal aanvaardbare cumulatieve geluidsbelasting 58 dB

55

Johan Greivestraat bedraagt. Gelet op de aanwezige geluidsbronnen en de veroorzaakte geluidsbelastingen blijft de gecumuleerde geluidsbelasting aanzienlijk onder deze waarde zodat geen sprake is van een onaanvaardbare geluidscumulatie. Overigens geldt dat luchtvaartgeluid gezien de zeer lage langtijdgemiddelde geluidbelasting niet relevant voor de cumulatie is. Hierbij wordt opgemerkt dat geluidhinder een subjectieve ervaring is. De één vindt een bepaald geluidsniveau hinderlijk, de ander niet. Verder is bij het ervaren van hinder ook maatgevend in hoeverre geluid geaccepteerd wordt. De acceptatie van geluid wordt vergroot indien aspirant-bewoners van tevoren bewust zijn van de te verwachten geluidbelasting. Gelet hierop de gemeente aspirant-bewoners actief informeren over luchtvaartgeluid. Dit kan door hierover afspraken met ontwikkelaars en corporaties vast te leggen in de erfpachtovereenkomst. Daarbij worden afspraken gemaakt over het verplicht opnemen van informatie over luchtvaartgeluid in de koop- en huurovereenkomsten en worden makelaars verplicht gesteld om deze informatie te geven. Externe veiligheid De kans op een vliegtuigongeval binnen het plangebied is zeer klein te noemen. Het is in ieder geval kleiner dan 1 op de 1 miljoen per jaar, gelet op de ligging buiten de LIB 3 zone.

Een kans van 1 op de 1 miljoen per jaar wordt in het algemeen (bij andere risicobronnen) al zo gering gezien dat het risico als aanvaardbaar wordt geacht. In de omgeving zijn verder geen gevaarlijke of ontplofbare objecten aanwezig waardoor een vervolgschade (kettingreactie of domino-effect) zou kunnen ontstaan. Er wordt uiteraard alles aan gedaan om het vliegverkeer zo veilig mogelijk te laten lopen. De (rijks)overheid stelt strenge eisen aan luchthavens, de verkeersleiding en luchtvaartmaatschappijen. De eisen zijn zowel ten aanzien van vliegtuigen (technische veiligheid), maar ook voor persoonlijke veiligheid. Er zijn regels voor bemanningen, voor mensen die op of in de buurt van de luchthaven werken en voor reizigers. De overheid controleert of de organisaties aan de gestelde eisen voldoen. c. Noodzaak woningbouw Zoals beschreven in paragraaf 3.4 Gemeentelijk beleid en hoofdstuk 4.11 Ladder voor duurzame verstedelijking van de plantoelichting is de druk op de Amsterdamse woningmarkt groot. Gezien deze woningbehoefte heeft de gemeente Amsterdam de ambitie uitgesproken vanaf 2018 minimaal 5.000 woningen per jaar te realiseren. De schaarste zorgt voor stijgende prijzen waardoor de betaalbaarheid voor lagere en middeninkomens verder onder druk komt te staan.

De vraag naar woningen in Amsterdam is onverminderd groot, vooral in de stedelijke woonmilieus binnen de A10 maar ook in gebieden daaromheen. Om tegemoet te komen aan de grote woningvraag moet de planvoorraad worden vergroot. Uitgangspunt van onder meer de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 en Koers 2025 is dat de ruimte voor nieuwe woningbouw met name in de bestaande stad moet worden gevonden. De herontwikkeling van de Johan Greivestraat, waarbij de bestaande woningen worden gesloopt en ten behoeve van nieuwbouw, voorziet in een toename van ongeveer 150 woningen. De bestaande bebouwing bestaat uit middelhoogbouw (5 bouwlagen met kap) in een open verkaveling. In de openbare ruimte tussen de bouwblokken is veel groen. In het plangebied kan verdichting plaatsvinden. Het plangebied ligt op een aantrekkelijke locatie, dichtbij het Sloterpark en het Rembrandtpark en metrostation Postjesweg. De herontwikkeling van de Johan Greivestraat levert met circa 150 extra woningen/woonruimten een bijdrage aan de grote stedelijke woningbehoefte binnen Amsterdam. d. Maatregelen Geluid Het is niet aan gemeenten om bronmaatregelen te (laten) treffen om het luchtvaartgeluid te verminderen. Door innovatieve ontwikkelingen worden vliegtuigen steeds stiller. Ten aanzien van vliegroutes kan worden opgemerkt dat op luchthaven Schiphol een systeem van geluidpreferent baangebruik wordt toegepast.

Dat wil zeggen dat binnen de mogelijkheden van operationele uitvoerbaarheid het vliegverkeer zo veel mogelijk worden afgehandeld op de banen die de minste hinder veroorzaken (Polderbaan en Kaagbaan). De mate van hinder in het plangebied wordt met name bepaald door het gebruik van de Oostbaan. Deze baan wordt niet ’s nachts en overdag alleen in uitzonderlijke gevallen (zoals zuidwesterstorm) door grotere toestellen als landingsbaan gebruikt, omdat dit dan de enige baan is om veilig tegen de wind in te kunnen landen.

56

Johan Greivestraat

Er is nog beperkt ervaring met maatregelen om luchtvaartgeluid te beperken. De vorm en materialisatie van gebouwen kunnen reflectie tussen wanden in een straat (en daarmee de geluidsbelasting op de gevel) verminderen. Naast maatregelen om geluidverspreiding te beïnvloeden kunnen ontwerpkeuzes worden gemaakt om de geluidsbeleving te beïnvloeden, zoals het zorgen voor maskerende geluiden of het aanbrengen van vegetatie. Met een goede geluidsisolatie kan een aangenaam geluidsniveau binnen het huis (en met name in de woon- en slaapvertrekken) bereikt worden. Het wettelijke minimumvereiste voor de geluidswering van buitenmuren is 20 dB. Doorgaans hebben gebouwen een betere geluidswering (rond de 25-30 dB), enerzijds vanwege energiebesparing, anderzijds omdat een hogere geluidswering doorgaans vanwege andere geluidsbronnen vereist is (vaak vanwege wegverkeersgeluid). Gelet op de te verwachten geluidniveaus en de gebruikelijke geluidswering is het aannemelijk dat binnen de gevoelige vertrekken van woningen/woonruimten een aanvaardbaar binnenniveau zal ontstaan. In het kader van de verdere uitwerking van de bouwplannen zal bij het ontwerp worden gevraagd om rekening te houden met vliegtuiglawaai.

De gemeente laat in de realisatie- en erfpachtovereenkomst tenslotte opnemen dat toekomstige bewoners op de hoogte worden gesteld dat zij in een gebied gaan wonen dat onder de invloedssfeer van Schiphol valt. Externe veiligheid De gemeente kan geen maatregelen treffen om ongelukken met vliegverkeer te voorkomen (bronmaatregel). De mogelijkheden voor het treffen van effectmaatregelen om de gevolgen te beperken, zijn ook nihil. De enige maatregel is bouwen met minder intensief gebruik. Gezien de grote woningbehoefte en de schaarste aan de locaties waar binnenstedelijk in deze behoefte kan worden voorzien kan plaatsvinden is juist het doel om het plangebied te transformeren tot een gemengd woon-werkgebied met een hoge bebouwingsdichtheid. De nood- en hulpdiensten treden in het geval van een vliegtuigongeval volgens het hiervoor geldende protocol op. De kwaliteit van de nood- en hulpdiensten wordt door intensieve monitoring steeds verbeterd. Sinds de Bijlmerramp zijn de lokale rampenplannen verbeterd. Lokale bestuurders zijn en worden getraind in het leiding geven tijdens crisissituaties. Dit wordt periodiek herhaald en geëvalueerd. In het kader van de herontwikkeling van de Johan Greivestraat worden de volgende maatregelen getroffen om de zelfredzaamheid en hulpverlening te verbeteren. In het plangebied worden woningen/woonruimten gerealiseerd.

Uitgangspunt is dat bewoners zichzelf en anderen goed kunnen redden. Er worden geen functies voorzien voor personen met een minder fysieke gesteldheid, die daardoor een beperkte zelfredzaamheid hebben. De (rijks)overheid adviseert burgers om in geval van een vliegtuigongeval het volgende te doen: niet gaan kijken, afstand houden bij brand vanwege hitte en giftige rook en mogelijk vrijkomende gevaarlijke stoffen en 112 bellen als dat nog niet is gebeurd. Bij het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met de bereikbaarheid voor nood- en hulpdiensten. Het plangebied is van meerdere kanten bereikbaar: vanuit het oosten via de Piet Mondriaanstraat en vanuit het zuiden en noorden via de Jan Tooropstraat (vanaf de Postjesweg respectievelijk Jan Evertsenstraat). Bij het ontwerp openbare ruimte wordt rekening gehouden met voldoende voorzieningen voor bluswater. Daarnaast kan indien nodig extra water worden gewonnen uit de watergang langs het spoor en de metro. In het kader van de planontwikkeling voor de bouwblokken wordt rekening gehouden met goede vluchtmogelijkheden. De gemeente laat in de realisatie- en erfpachtovereenkomst tenslotte opnemen dat toekomstige bewoners op de hoogte worden gesteld dat zij in een gebied gaan wonen dat onder de invloedssfeer van Schiphol valt. Beperking vogels:

57

Johan Greivestraat

In dit gebied is een grondgebruik of een bestemming binnen de volgende categorieën niet toegestaan: 1. 2. 3. 4. 5.

industrie in de voedingssector met extramurale opslag of overslag; viskwekerijen met extramurale bassins; opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag of verwerking; natuurreservaten en vogelreservaten; moerasgebieden en oppervlaktewateren groter dan 3 hectare.

Onderhavige ontwikkeling valt niet onder een van deze categoriën. Toetszone windturbines en lasers:

Beperkingen voor windturbines en vaste laserinstallaties Onderhavige ontwikkeling maakt geen windturbines en/of laserinstallaties mogelijk. 4.14.3 Conclusie Het LIB vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.15

Bezonning

In verband met de hoogbouw van maximaal 40 meter binnen het plangebied is een bezonningsstudie gedaan (Bijlage 14). Bij deze sutdie is gekeken naar de schaduw van de verschillende gebouwen op 21 februari, 21 juni, 21 oktober en 21 december. De schaduwwerking is het grootst in februari en oktober vanwege de lage stand van de zon. Na 21 februari zal de situatie elke dag verbeteren tot en met 21 juni, wanneer de zon op het hoogste punt staat en er nauwelijks schaduwwerking is. Daarna wordt de schaduwwerking weer elke dag groter,tot het einde van de onderzoeksperiode op 21 oktober. Uitgangspunt bij de planvorming is dat omliggende bebouwing niet meer dan circa 2 uur extra schaduwhinder ten gevolge van de nieuwbouw mag ondervinden per dag. Het aantal woningen waarvoor schaduwwerking als gevolg van de nieuwbouw optreedt is derhalve klein en de impact beperkt. Er is geen sprake van ernstige beperking van dag- en of zonlicht. Bezonning vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

58

Johan Greivestraat

4.16

Windcomfort

Voor gebouwen hoger dan 30 meter is een windstudie gewenst. De maximum bouwhoogte van de zuidelijke toren bedraagt 40 meter, die van de noordelijke toren 31 meter. Daarnaast is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening wenselijk om het windklimaat rond het gebouw aan de Jan Tooropstraat te onderzoeken. Om die reden is er door OMRT een windcomfortstudie uitgevoerd (zie bijlage 15 Windonderzoek), waarin inzichtelijk gemaakt wordt wat het windcomfort op straatniveau is. Aanvullend is ten behoeve van de omgevingsvergunning gekeken naar het windcomfort rondom entrees en de binnentuin en de impact van de nieuwe ontwikkeling rondom de bestaande bebouwing in de omgeving van de nieuwe ontwikkeling. Het windklimaat is over het algemeen goed. Rondom de laagbouw is het klimaat zeer goed, met lokaal een uitzondering. De impact op de omgeving is beperkt, alleen rondom de metrolijn is een verslechtering naar klasse C te zien. Dit klimaat is desondanks 'goed' voor de activiteit lopen. De noord- en oostzijdes van de torens hebben een goed klimaat, de zuid- en westzijde slechter. In het ontwerp kan dit klimaat eventueel verbeterd worden door strategische positie van entrees, en aanpassen van de torenvorm of het toepassen van vegetatie en schermen. Er onstaat nergens windgevaar.

Torens Over het algemeen hebben de noord- en oostkanten van het gebouw een zeer goede windklimaat waardoor deze geschikt zijn voor alle voetgangersactiviteiten, inclusief entrees. De zuidzijdes van de torens hebben een slechter windklimaat voor recreatieve voetgangersactiviteiten. Het is niet wenselijk hier terrassen of entrees te plaatsen. De slechtere windcondities door wind uit de west- en zuidwestelijke richtingen kunnen enerzijds worden verklaard door het open gebied met beperkte belemmeringen in het zuidwesten van het gebied, gecombineerd met de dominante zuidwestelijke windrichting. Op de zuidwesthoeken kunnen eventueel wel entrees worden geplaatst, door een lokaal beter windklimaat. Er onstaat geen windgevaar rondom de torens Sociale woningbouw De west- en zuidzijde van het gebouw hebben grotendeels klasse A en B (goed), en plaatselijk C en D (matig). Dit is mede het gevolg van de hogere torens langs de westzijde van het gebouw. De rest van het gebouw, namelijk de binnenplaats, de oost- en noordgevels en de oksel van het gebouw liggen in de luwte van het gebouw zelf en zijn omgeving. Alledrie de entrees hebben een goed windklimaat. Dit is het gevolg van de plaatsing van de entrees aan de noordzijde, oostzijde en in de oksel van het gebouw.

De binnenplaats heeft een goed windklimaat met klasse A, waardoor het een goede omgeving is voor langdurige buitenactiviteiten zoals zitten en dineren. De op het oosten gerichte gevel heeft volledig een klasse A, waardoor het een goede omgeving is voor een entree en activiteiten als 'zitten' of langdurig verblijf. Mede als gevolg van de torens aan de westzijde, is langs de westgevel lokaal klasse C en D te zien. Er onstaat geen windgevaar in het gehele gebied rondom het gebouw. Omgeving Rondom de gebouwen ten noorden van het plan heerst zowel in de nieuwe als bestaande situatie een goed klimaat. Langs de metrolijn, ten westen van de ontwikkeling, verslechtert het klimaat enigszins, met een groter gebied klasse C als gevolg. Voor de activiteit ''lopen'' is dit nog steeds een goed klimaat. De noordwesthoek van het gebouw ten zuiden van de ontwikkeling heeft lokaal een gebied met klasse D in zowel de nieuwe als de bestaande situatie. Het gebied met klasse C vergroot enigszins door de nieuwe ontwikkeling. Ten oosten van de ontwikkeling is geen impact te zien door de nieuwbouw Maatregelen

59

Johan Greivestraat

Maatregelen zijn in principe niet vereist, maar kunnen altijd bijdragen aan het verbeteren van het windklimaat. Vijf suggesties zijn toegelicht: Het is van belang de entrees op posities te plaatsen met windklasse A en B. Verhoogde borstweringen voor balkons aan de westzijde van het sociale gebouw en/of aan de torens verbeteren het klimaat in de buitenruimtes Vegetatie in de tussengebieden en het juiste landschapsontwerp kunnen het windklimaat nog verder verbeteren. Het toepassen van een setback op de plint of het versmallen van de toren vermindert de 'valwinden' en verbetert het klimaat op straatniveau. Het plaatsen van balkons op de zuid- en westzijde van de torens vermindert de valwinden en verbetert het klimaat op straatniveau Windhinder vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.17

Vormvrije m.e.r. beoordeling

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. De regelgeving met betrekking tot de milieueffectrapportage is verankerd in de Wet milieubeheer. Voor sommige plannen of activiteiten geldt direct de verplichting om een MER op te stellen, maar er zijn ook plannen waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of zij het nodig vindt om ter voorbereiding van een besluit een MER te laten maken (m.e.r.-beoordeling). In het Besluit m.e.r. is opgenomen voor welke activiteiten de m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat. Het gaat dan met name om activiteiten die aanzienlijke nadelige effecten op het milieu kunnen hebben. Ook kan er sprake zijn van een zogenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor activiteiten die wel worden genoemd in het Besluit m.e.r., maar vanwege de omvang van de activiteit(onder de drempelwaarde) geen m.e.r.(beoordelings)plicht kent. De voorgenomen ontwikkeling behelst de stedelijke vernieuwing van de Johan Greivestraat, gelegen aan de Johan Greivestraat en de Jan Tooropstraat.

Het gaat om sloop-nieuwbouw en een toename van circa 150 woningen (zie hoofdstuk 2 voor een meer uitgebreide beschrijving van het project). De stedelijke vernieuwing valt daarmee onder categorie D 11.2 “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. De omschrijving van de drempelwaarden die bij deze categorie horen is opgenomen in onderstaande tabel.

Voor de categorie D 11.2 activiteit uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een ondergrens voor een m.e.r.-beoordelingsplicht. De activiteit die met de omgevingsvergunning mogelijk wordt gemaakt (gedeeltelijk sloop-nieuwbouw en een toename van circa 150 woningen) blijft onder deze drempelwaarden. Dit betekent dat er in dit geval geen directe m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht bestaat, maar dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd dient te worden. Hiervoor is een separate MER-aanmeldnotitie opgesteld (zie Bijlage 16), met daarin de informatie op basis waarvan het bevoegd gezag kan en moet besluiten of er sprake is van "belangrijke nadelige

60

Johan Greivestraat gevolgen voor het milieu", die het doorlopen van de m.e.r.-procedure wenselijk/noodzakelijk maken. Deze informatie is tevens opgenomen in de toelichting op dit bestemmingsplan. Uit de effecten die zijn beschreven kan worden geconcludeerd dat als gevolg van de stedelijke vernieuwing van de Johan Greivestraat, bestaande uit sloop-nieuwbouw, er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Geconcludeerd wordt dat er geen MER noodzakelijk is.

61

Johan Greivestraat

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Algemeen

Waar de overige paragrafen van deze bestemmingsplantoelichting de achtergronden van het bestemmingsplan belichten, geeft deze paragraaf een toelichting op de bestemmingsplanregels. Uitgelegd wordt wat de bedoeling en strekking is van de verschillende onderdelen van de regels. Daartoe worden in deze paragraaf de regels per artikel toegelicht. Het (juridisch deel van het) bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding heeft een functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van de bestemming en overige regels. In de toelichting wordt ook een relatie met het relevante beleid gelegd en een gebiedsbeschrijving gegeven.

Op basis van het beleid en de gebiedsbeschrijving zijn vervolgens de uitgangspunten voor het bestemmingsplan geformuleerd.

5.2

Planvorm

Dit bestemmingsplan is gericht op ontwikkeling: de bestaande bebouwing zal worden gesloopt en plaatsmaken voor nieuwbouw. Het bestemmingsplan maakt deze ontwikkeling mogelijk. Er is gekozen voor een gedetailleerd bestemmingsplan, met daarin de nodige flexibiliteit om te kunnen komen tot een zo goed mogelijk resultaat.

5.3

Artikelsgewijze toelichting

5.3.1

Toelichting op de planregels

Algemeen In de standaarden voor vergelijkbaarheid, de SVBP 2012, is voorgeschreven hoe de regels van het bestemmingsplan dienen te worden opgebouwd. Voor de leesbaarheid en raadpleegbaarheid dienen de regels in hoofdstukken te worden geplaatst. Daarbij dient een vaste volgorde te worden aangehouden. De regels van het bestemmingsplan zijn opgebouwd uit vier hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk worden de begrippen en wijze van meten behandeld. Deze hebben als doel begrippen in de regels te verklaren en eenduidige richtlijnen te geven op basis waarvan de bouwmaten die zijn opgenomen in de regels dienen te worden gemeten. In het tweede hoofdstuk zijn de regels opgenomen, die betrekking hebben op alle bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Het derde en vierde hoofdstuk omvat een aantal regels, die niet op een bepaalde bestemming betrekking hebben, maar voor het gehele bestemmingsplan gelden. Het overgangsrecht en de anti-dubbeltelregel zijn opgenomen in het Bro met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan. In een bestemmingsregel wordt aangegeven waarvoor en – zo nodig – hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. Ter bevordering van de leesbaarheid en de raadpleegbaarheid is hierbij een vaste volgorde aangehouden. In de bestemmingsomschrijving is beschreven welke functies binnen de betreffende bestemming zijn toegestaan.

In de bouwregels is weergegeven of en hoe gebouwd mag worden. Daarin wordt in algemene zin geregeld in alle bestemmingen dat er slechts gebouwd mag worden ten behoeve van de bestemming. In de navolgende (sub)leden zijn maten zoals oppervlakten en bouwhoogten opgenomen, die betrekking hebben op de toegestane gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. In een

62

Johan Greivestraat aantal gevallen is een afwijking van bepalingen in de eerder genoemde leden als direct recht mogelijk, in andere gevallen moet het dagelijks bestuur een besluit nemen om af te wijken van de regels uit het bestemmingsplan. In de specifieke gebruiksregels zijn nadere bepalingen gegeven over de functies die zijn vermeld in de doeleindenomschrijving. Zo kan bijvoorbeeld de omvang van bepaalde functies beperkt worden, of de situering van functies worden aangewezen. Begrippen Artikel 1 geeft, in alfabetische volgorde, een omschrijving van een aantal begrippen die in de regels worden gebruikt. Hiermee wordt formeel vastgelegd wat wel en wat niet onder het betreffende begrip moet worden verstaan. Dit artikel is dus primair bedoeld om begrippen duidelijk te begrenzen en niet om de gedachten achter de gebruikte termen uit te leggen. Daarvoor is juist deze toelichting bedoeld. In deze toelichting worden gehanteerde begrippen waar nodig uitgelegd. Wijze van meten Met dit artikel wordt aangegeven op welke wijze moet worden beoordeeld in hoeverre een initiatief past binnen de minima en maxima die door de overige regels worden aangegeven. 5.3.2

Toelichting op de bestemmingen

In deze paragraaf worden de juridische aspecten van de bestemmingsbepalingen toegelicht. Artikel 3 Groen De bestemming Groen is geggeven aan de grond die hoofdzakelijk bedoeld zijn voor groenvoorzieningen. Binnen deze bestemming is nog de aanduiding 'parkeergarage' opgenomen. Hier kan een ondergrondse parkeergarage worden gebouwd. Artikel 4 Verkeer De gronden die hoofdzakelijk een verkeersfunctie hebben de bestemming 'Verkeer' gekregen. Een ondergrondse parkeergarage is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' Artikel 5 Wonen De woongebouwen binnen het plangebied hebben de bestemming 'Wonen' gekregen. Op de verbeelding zijn de bouwhoogtes aangebracht. In de regels is geregeld dat de op de verbeelding aangebrachte bouwhoogtes de maximale hoogtes zijn en dat bebouwing alleen is toegestaan binnen de bouwvlakken. In een deel van het plangebied, langs de Jan Tooropstraat, wordt een beperkte mate van functiemenging voorgestaan. In de regels worden dan ook binnen de aanduiding 'gemengd ' verschillende functies, onder meer bedrijven, detailhandel en dienstverlening, mogelijk gemaakt. Ter plaatse van de aanduiding 'horeca' is tevens lichte horeca toegestaan. Het maximale bruto vloeroppervlak per vestiging bedraagt 250 m2.

Ter plaatse van de aanduiding 'kinderdagverblijf' is een kinderdagverblijf toegestaan in de eerste en tweede bouwlaag met een maximum bruto vloeroppervlak van 450 m2. Het maximaal aantal woningen dat is toegestaan bedraagt 265. Bouwen is alleen toegestaan als de woningen beschikken over een stille zijde. Verder wordt door middel van de aanduiding 'parkeergarage' aangegeven waar waar een ondergrondse parkeergarage gerealiseerd mag worden. Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd. Artikel 7 Algemene bouwregels In deze regel wordt geregeld dat bepaalde overschrijdingen van de bouwregels zijn toegestaan. Artikel 8 Algemene gebruik sregels Dit artikel bevat een algemeen gebruiksverbod, verbodsregels, regels ten aanzien van auto- en

63

Johan Greivestraat fietsparkeren, welke bedrijven zijn toegestaan en onder welke omstandigheden kan worden afgeweken van het besetmmingsplan. Artikel 9 Overige regels In artikel 9 wordt verwezen naar de geldende wet en regelgeving ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Artikel 10 Overgangsrecht Hier wordt geregeld dat bouwwerken mogen worden gehandhaafd of gebruik mag worden voortgezet vanaf het moment dat het plan rechtskracht heeft verkregen ondanks dat de bebouwing of het gebruik niet (langer) overeenkomt met de regels die in dit bestemmingsplan worden gegeven. Artikel 11 Slotregel De slotregel ten slotte geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer alsmede de datum van vaststelling door de gemeenteraad.

64

Johan Greivestraat

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1

Economische uitvoerbaarheid

De gemeente is volgens de Wet ruimtelijke ordening verplicht om kostenverhaal toe te passen in geval het een bouwplan betreft voor het toevoegen van één of meerdere woningen. Hiervoor dient een exploitatieplan vastgesteld te worden, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Op basis van het aanvullend convenant erfpacht zijn door de gemeente Amsterdam en de ontwikkelaar De Key in het kader van dit plan afspraken gemaakt over de financiële afhandeling. Het betreft afspraken aangaande de realisatie van de plannen en het verhalen van ambtelijke kosten. Het vaststellen van een exploitatieplan is derhalve niet meer nodig; het kostenverhaal is namelijk anderszins verzekerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Participatie voortraject

Voor het project is een website opgericht met informatie: www.johangreivestraat.nl. Om buurtbewoners te betrekken bij de ontwikkeling van de plannen voor sloop- en nieuwbouw zijn er verschillende participatiebijeenkomsten geweest. Vanwege covid waren veel van deze bijeenkomsten online. De presentaties en verslagen van deze bijeenkomsten staan op de website Johan Greivestraat . Op deze site wordt ook informatie verstrekt over de planning, het nieuwbouwplan en het sociaal plan. Met buurtbewoners die zich hadden aangemeld, zijn twee bijeenkomsten georganiseerd met een klankbordgroep. Hierin is gesproken over de belangrijkste prioriteiten uit de buurt die uit de online informatiebijeenkomst van 8 april kwamen. Ook is uitvoerig gesproken met de bewonerscommissie. Deze gesprekken hebben uiteindelijk geleid tot een plan waarin beide partijen zich kunnen vinden. Dit is op 11 februari 2022 contractueel vastgelegd. 6.2.2

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Conform het bepaalde in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening vindt overleg plaats met "de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn". Door ProRail en Waternet is een reactie gegeven op het voorontwerpbestemmingsplan. ProRail constateerde dat het trillingshinderonderzoek niet als bijlage bij het bestemmingsplan was opgenomen. Dit rapport is nagezonden en opgenomen als bijlage bij de toelichting. Hieruit blijkt dat in de toekomstige nieuwbouw weinig tot geen trillingshinder zal optreden vanwege het railverkeer en dat alleen maatregelen nodig zijn als gekozen wordt voor houtskeletbouw. Het is niet nodig om het bestemmingsplan op dit punt aan te passen. Waternet had een aantal tekstuele opmerkingen en aanvullingen op het geohydrologisch rapport. De tekstuele opmerkingen zijn verwerkt en het geohydrologisch rapport is aangevuld en als bijlage bij de toelichting opgenomen. Het is niet noodzakelijk het bestemmingsplan naar aanleiding van deze reactie te wijzigen. 6.2.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 23 maart 2023 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende die periode kon een ieder zienswijzen indienen. In totaal is er 1 zienswijze ingediend. Deze zienswijze is samengevat en beantwoord in de Nota van Beantwoording zienswijze (zie Bijlage 18). De zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan.

65

Johan Greivestraat vast te stellen bestemmingsplan 16 juni 2023

Johan Greivestraat

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

4 4 10

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5

Bestemmingsregels Groen Verkeer Wonen

11 11 12 13

Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Overige regels

15 15 16 17 19

Hoofdstuk 4 Artikel 10 Artikel 11

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

20 20 21

2

Johan Greivestraat

Regels

3

Johan Greivestraat

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Begrippen

plan

het bestemmingsplan 'Johan Greivestraat' met identificatienummer NL.IMRO.0363.F2203BPSTD-VG01 van de gemeente Amsterdam. 1.2

bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

aanduidingsvlak

een aangegeven vlak met eenzelfde aanduiding. 1.6

automatenhal

een voor het publiek toegankelijke ruimte waar meer dan twee speelautomaten of andere mechanische toestellen in de zin van artikel 30 van de Wet op de kansspelen zijn opgesteld. 1.7

ambacht

het bedrijfsmatig gehele of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen en installeren van goederen. 1.8

bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.9

bebouwingspercentage

een in de regels of verbeelding aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bestemmingsvlak of bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd. 1.10

bed and breakfast

het gedeeltelijk gebruik van een zelfstandige woonruimte voor kort verblijf bij de hoofdbewoner van die woonruimte, al dan niet met ontbijt. 1.11

bedrijf

Inrichting voor de bedrijfsmatige uitoefening van industrie, ambacht, groothandel, internetverkoop, opslag en/of transport. 1.12

bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak. 1.13

bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.14

bijzondere bouwlaag

kelder, souterrain, kap, dakopbouw.

4

Johan Greivestraat

1.15

bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.16

bouwgrens

de grens van een bouwvlak. 1.17

bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van bijzondere bouwlagen. 1.18

bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.19

bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.20

consumentverzorgende dienstverlening

persoonlijke verzorging van consumenten, waaronder kapperszaken, nagelstudio's, schoonheidsinstituten, fitness, sauna, stomerij, wasserette en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven. 1.21

detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, het verhuren of het leveren van zaken aan in hoofdzaak personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met inbegrip van ondergeschikte horeca. 1.22

dienstverlening

Het verrichten van activiteiten welke bestaan uit het verlenen van diensten aan derden met of zonder rechtstreeks contact met het publiek. Onder te verdelen in: 1. consumentverzorgende dienstverlening 2. publieksgerichte zakelijke dienstverlening 3. maatschappelijke dienstverlening. 1.23

dove gevel

een bouwkundige constructie waarin, a. geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A); b. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. 1.24

gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

5

Johan Greivestraat

1.25

geluidsluwe zijde

De zijde van een gebouw waar de geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde zoals bedoeld in de Wet geluidhinder niet mag overschrijden, dan wel waar een serre of loggia wordt gebouwd waardoor deze voorkeurswaarde op de scheidingsconstructie van de achtergelegen verblijfsruimte wordt bereikt. 1.26

geluidwerende vlies

Een bouwkundige constructie aangebracht aan de buitenzijde van een gevel met het doel een geluidsreductie op deze gevel te bewerkstelligen, als gevolg waarvan voldaan wordt aan het gestelde in de Wet geluidhinder, waarbij de afstand tussen geluidwerende vlies en gevel tenminste 0,5 meter is en waarbij er tussen geluidwerende vlies en gevel sprake is van buitenlucht, met openingen ten behoeve van de luchtverversing met een capaciteit van tenminste 6 dm³ per seconde per m² vloeroppervlak van de achterliggende woning(en). 1.27

geohydrologisch rapport

Het resultaat van een geohydrologisch onderzoek neergelegd in een rapport met daarin de eigenschappen en kenmerken van het grondwatersysteem op een bepaalde locatie. In het geohydrologisch rapport worden in ieder geval in beeld gebracht: de bodemopbouw; de doorlatendheid (k-waarde) van de bodem; de grondwaterfluctuatie; de grondwaterstroming; de gevolgen voor het grondwatersysteem door de voorgenomen activiteit; de mitigerende maatregelen om grondwaterneutraal te kunnen bouwen. 1.28

groenvoorzieningen

ruimten in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen, groen en open speelplekken, met de daarbij behorende sloten, vijvers en daarmee gelijk te stellen wateren. 1.29

Grondwaterneutraal bouwen

het bouwen van een kelder waarbij de stand en stroming van het grondwater niet of nauwelijks veranderen, waar mogelijk zal verbeteren, en geen negatieve grondwatereffecten optreden. Tot negatieve effecten worden in ieder geval gerekend risico's op opbarsten van de deklaag en welvorming. 1.30

groothandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder inbegrepen de uitstalling voor verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan instellingen of personen voor de aanwending in een andere bedrijfsactiviteit. 1.31

horeca van categorie 1

Een inrichting die kleine etenswaren, ijs en/of alcoholvrije dranken verstrekt, al dan niet voor consumptie ter plekke. 1.32

horeca van categorie 2

Een inrichting die gericht is op het verstrekken van maaltijden die ter plaatse aan tafel genuttigd kunnen worden en verkoop van (alcoholhoudende) drank, eventueel aangevuld met een afhaalfunctie. 1.33

horeca van categorie 3

Een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van alcoholhoudende dranken, of anderzijds de uitstraling heeft van een café, waaronder een shisha lounge. 1.34

horeca van categorie 4

Een inrichting die fastfood en alcoholvrije drank verstrekt, al dan niet voor consumptie ter plekke.

6

Johan Greivestraat

1.35

horeca van categorie 5

Een inrichting met nachtelijke openingstijden die bedrijfsmatig muziek ten gehore brengt en gelegenheid geeft tot dansen, al dan niet met live muziek, al dan niet met het schenken van (alcoholhoudende) drank en/of etenswaren voor consumptie ter plekke. 1.36

horeca van categorie 6

Verhuur van zalen ten behoeve van besloten feesten, muziek- en dansevenementen, al dan niet met levende muziek en al dan niet in combinatie met verkoop van (alcoholhoudende) dranken en etenwaren. 1.37

horeca van categorie 7

Verhuur van zalen ten behoeve van congressen en seminars, al dan niet als nevenactiviteit van een hotel. 1.38

horeca van categorie 8

Een inrichting met een logiescapaciteit en ondersteunende diensten zoals restaurant en/of verhuur vergader-/congresruimtes. 1.39

huishouden

Een alleenstaande dan wel twee personen met of zonder kinderen, die een gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren; 1.40

industrie

Het bedrijfsmatig industrieel vervaardigen, bewerken of herstellen van goederen. 1.41

internetverkoop

Handel via internet waarbij geen sprake is van het ter plekke bezichtigen, ophalen en/of betalen van de gekochte waar door de kopende partij. 1.42

kantoor

het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, daaronder tevens begrepen congres- en vergaderaccommodatie. 1.43

kelder

Ondergronds (deel van een) gebouw, uitgezonderd funderingsconstructies, voor zover de onderkant van de vloer van de betreffende bouwlaag dieper is gelegen dan 0,50 meter onder peil. 1.44

maatschappelijke dienstverlening

Het verlenen van publieksgerichte diensten op het gebied van overheids-, educatieve, welzijns-, (para-)medische, sociaal-medische, levensbeschouwelijke, sociaal-culturele voorzieningen. 1.45

maatvoeringsvlak

Een geometrisch bepaald vlak waarbinnen maatvoeringsaanduidingen gelden. 1.46

nutsvoorziening

Een voorziening ten behoeve van de distributie van gas, water en elektriciteit, en de telecommunicatie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten, ondergrondse afvalsystemen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen.

7

Johan Greivestraat

1.47

onzelfstandige woonruimte

Woonruimte, niet-zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft of welke niet door een huishouden zelfstandig kan worden bewoond, zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, waarbij als wezenlijke voorzieningen worden aangemerkt: keuken en sanitaire voorzieningen; 1.48

peil

Onder het peil wordt verstaan: a. voor gebouwen direct grenzend aan de weg: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang tot het perceel waar het gebouw zich op bevindt. 1.49

praktijk- of vrije beroepsuitoefening aan huis

Dienstverlening, voornamelijk bestaande uit hoofdarbeid, waarbij in overwegende mate de woonfunctie behouden blijft. 1.50

prostitutie

het aanbieden of verrichten van seksuele diensten tegen een materiële vergoeding. 1.51

prostitutiebedrijf

een bedrijf waar prostitutie wordt bedreven. 1.52

publieksgerichte zakelijke dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek in overwegende mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, zoals banken, makelaarskantoren, reisbureaus, wasserettes en uitzendbureaus. 1.53

seksinrichting

een gebouw of een gedeelte van een gebouw waarin tegen betaling handelingen of voorstellingen plaatsvinden van erotische of pornografische aard. Hieronder worden mede begrepen een seksbioscoop, -theater, -automatenhal en –winkel en naar de aard daarmee te vergelijke inrichtingen. 1.54

smartshop

Een winkel waarin de hoofdactiviteit of een van de activiteiten wordt gevormd door detailhandel in psychotrope stoffen. 1.55

souterrain

een bijzondere bouwlaag waarvan de vloer onder het gemiddeld aangrenzend peil is gelegen en waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag maximaal 1,50 meter boven peil is gelegen. 1.56

stille zijde

De zijde van een gebouw waar de geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde zoals bedoeld in de Wet geluidhinder niet mag overschrijden, dan wel waar een serre of loggia wordt gebouwd waarvoor deze voorkeursgrenswaarde op de scheidingsconstructie van de achtergelegen bedrijfsruimte wordt bereikt. 1.57

wonen

permanente huisvesting, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van ruimten, waarbij de mate van zelfstandigheid en samenlevingsverband niet relevant is; 1.58

woonruimte

besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden, alsmede standplaatsen.

8

Johan Greivestraat

1.59

zakelijke dienstverlening

Het verlenen van economische of commerciële diensten aan derden, waarvan de uitoefening geschiedt in een rechtstreeks contact met het publiek, zoals banken en reisbureaus.

9

Johan Greivestraat

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.2

bouwdiepte van een bouwwerk

vanaf peil tot aan het laagste punt van het bouwwerk, met uitzondering van fundering of ondergeschikte onderdelen van het bouwwerk. 2.3

bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4

bruto vloeroppervlakte

de bruto vloeroppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

10

Johan Greivestraat

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Groen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g.

plantsoenen; parken; groenvoorzieningen; extensief dagrecreatief gebruik; openbare ruimte; waterlopen en waterpartijen; ter plaatse van de aanduiding 'kinderdagverblijf' tevens voor buitenruimte ten behoeve van het naastgelegen kinderdagverblijf; h. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' tevens voor parkeergarage; met daarbij behorende: i. j. k. l.

voet- en fietspaden; straatmeubilair; speelvoorzieningen; en nutsvoorzieningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13065154/1