CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Toelichting.pdf

RAAD 17 juli 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Cruquius brug Nieuwe Vaart e.o. (VN2024-006382)39.061 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

De doorvaartprofielen zijn een bijlage bij het document Nautische Richtlijnen Programma Varen (zie paragraaf 3.6.5). Uit bijlage II van dat document is op te maken dat aan de Nieuwe Vaart Doorvaartprofiel B is toegekend en aan het Lozingskanaal Doorvaartprofiel A2. Over de doorvaarthoogte is niets bepaald. Wel over de doorvaartprofielbreedte en de doorvaartprofieldiepte. Voor voorliggend bestemmingsplan geldt het volgende: het plan leidt niet tot versmalling van een doorvaartprofielbreedte. het plan leidt niet voor een verondieping van een doorvaartprofieldiepte. Geconcludeerd wordt dat het bestemmingsplan past in het beleid zoals verwoord in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050.

Gemeente Amsterdam

blz. 70

3.6.4

Beleidskader Verkeersnetten Amsterdam (2018 en 2023)

In 2018 is het oorspronkelijk Beleidskader Verkeersnetten vastgesteld. In 2023 is dat beleidskader gewijzigd op een aantal onderdelen, waaronder beleidsonderdeel "30 in de stad". In het beleidskader is de indeling van straten en pleinen naar Plusnetten, Hoofdnetten en Basisnetten voor voetganger, fiets, openbaar vervoer en auto vastgelegd. Ook is het doel van de verkeersnetten opgenomen en aan welke eisen en toetskwaliteiten ze ten minste moeten voldoen. In de Plusnetten krijgt de betreffende modaliteit; de voetganger, de fiets, het openbaar vervoer of de auto, actief prioriteit. Dit gebeurt met toetswaarden voor de doorstroming (snelheden op trajectniveau) waaraan minimaal voldaan moet worden. In de Hoofdnetten legt de gemeente het accent meer op het behouden van voldoende capaciteit en kwaliteit, gerelateerd aan de functie(s) die het heeft in het netwerk. Als de gemeente voor beter functionerende Plusnetten maatregelen moet nemen, is het doelstelling om de Hoofdnetten zoveel mogelijk te ontzien. Als dat niet kan, wordt gezocht naar compensatie voor de verslechtering elders op de hoofdnetroute. Voor de voetganger is de onderverdeling in Plus- en Hoofdnet gekoppeld aan doorstroming en aan type gebruik zoals winkelen. Het stelsel van Plus- en Hoofdnetten biedt de weggebruiker doorlopende routes over de stadsdeelgrenzen heen.

En het verdeelt verschillende verkeerssoorten zodanig dat de doorstroming van het verkeer versterkt wordt, zonder dat verkeers- deelnemers elkaar in de weg zitten. Het beleidskader is geen investeringsprogramma maar dient vanuit de regierol van de gemeente als basis voor investeringen, herinrichtingsplannen en andere maatregelen om de doorstroming van verkeer te verbeteren. Verbetering in de doorstroming leidt over het algemeen ook tot een verbetering van de luchtkwaliteit. Het Beleidskader Verkeersnetten zelf is geen ‘plan’ waar direct effecten op luchtkwaliteit, congestie, veiligheid of geluidscontouren aan te verbinden zijn.

bestemmingsplan_Cruquius brug Nieuwe Vaart e.o. (vastgesteld)

blz. 71

Afbeelding: uitsnede digitale kaart waarop aangegeven een overzicht van zogeheten 'plusnetten en hoofdnetten infrastructuur' (geraadpleegd mei 2023, bron: https://maps.amsterdam.nl/plushoofdnetten/?LANG=nl). Afweging: De beoogde langzaamverkeerbrug ligt niet in de directe nabijheid van een Plusnet of Hoofdnet fiets of Plusnet of Hoofdnet voor voetgangers. Wel biedt de brug de mogelijkheid voor verkorting van de afstand tussen een deel van het Cruquiusgebied en infrastructuur met dergelijke status. In zoverre draagt de brug bij aan verbetering van een fijnmazig netwerk dat zorgt voor verbinding. 3.6.5

Nautische Richtlijnen Programma Varen (juni 2021)

Nautisch beheer (grondslag Scheepvaartverkeerswet) Op grond van het besluit van 16 juni 2020 (Gemeenteblad nummer 164960) heeft het college van burgemeester en wethouders de directeur van het cluster Ruimte en Economie aangewezen voor de binnenwaterbeheertaken in Amsterdam. Namens burgemeester en wethouders oefent hij de (nautische) bevoegdheden uit die worden genoemd in de Scheepvaartverkeerswet en de Verordening op het binnenwater. Op grond van het besluit van 16 juni 2020 (Gemeenteblad nummer 162456) heeft het college de directeur van het cluster Ruimte en Economie tevens aangewezen als bevoegde autoriteit als in het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement. De directeur heeft voornoemde bevoegdheden op 1 juli 2020 in (onder) mandaat gegeven aan de programmamanager van het programma Varen. Op deze gronden ziet zij erop toe dat de scheepvaart op het Amsterdamse binnenwater vlot en veilig verloopt. Voorafgaand aan het houden van evenementen, het uitvoeren van werkzaamheden of het plaatsen van voorwerpen in, op of boven openbaar gemeentewater moet daarom te allen tijde een nautisch kader worden gesteld door Ruimte en Economie - Programma Varen - Team Nautisch Beheer van de Gemeente Amsterdam. Het nautisch kader en de (eventuele) voorschriften in dit nautische kader zijn bindend. Gemeente Amsterdam

blz. 72

De Nautische Richtlijnen van het programma Varen zijn de richtlijnen voor het aanvragen van werkzaamheden en evenementen op de vaarwegen die vallen onder het Nautisch Beheer van programma Varen van de gemeente Amsterdam. Het toenemend gebruik van het water en de werkzaamheden aan bruggen en kademuren zorgen voor druk op de hoeveelheid bevaarbaar water. Het team nautisch beheer en advies van het programma Varen heeft de wettelijke taak om te zorgen voor een vlotte en veilige doorvaart op de Amsterdamse vaarwegen, en om de minimale bereikbaarheid te garanderen. In de Nautische Richtlijnen staan de stappen toegelicht die gezet moeten worden bij werkzaamheden en evenementen op Amsterdamse vaarwegen. Deze stappen zijn van toepassing op alle werkzaamheden, evenementen of transportbewegingen in, op, boven, onder of naast het vaarwater. Nautisch beheer bepaalt de mate van overlast (hinderklasse) en op basis daarvan het scenario dat de aanvrager moet doorlopen. Voor iedere aanvraag moet de aanvrager een plan van aanpak opstellen. De Nautische Richtlijnen helpen daarbij. Het document Nautische Richtlijnen Programma Varen (2021) is bedoeld als naslagwerk en richtlijn voor eenieder die nautische toetsing, al dan niet in combinatie met tijdelijke verkeersmaatregelen, nodig heeft binnen dit werkingsgebied. Bijvoorbeeld in het kader van de realisering van werkzaamheden en evenementen.

Het document is toepasbaar voor het gehele proces van deze activiteiten vanaf de initiatieffase tot en met de uitvoeringsfase. Dit document geldt voor de vaarwegen die vallen onder het Nautisch Beheer van het programma Varen, het Amsterdamse binnenwater met uitzondering van de hoofddoorvaartroutes (Kostverlorenvaartroute en Amstelroute). Werkzaamheden/evenementen: Voor werkzaamheden en evenementen moet altijd nautische toestemming aangevraagd worden op grond van artikel 1.23 Binnenvaart Politieregelement (BPR). Voor het uitvoeren van werkzaamheden of het houden van een evenement kunnen verkeersmaatregelen nodig zijn. Als de werkzaamheden/evenement op een vaarweg van een andere vaarwegbeheerder impact hebben, moet hiervan tijdig een melding gedaan worden door de aanvrager bij de bevoegde autoriteit. Voor verkeersmaatregelen voor werkzaamheden die langer dan 13 weken duren, is een verkeersbesluit nodig. Dit verkeersbesluit wordt opgesteld door het programma Varen.

bestemmingsplan_Cruquius brug Nieuwe Vaart e.o. (vastgesteld)

blz. 73

Afbeelding: uitsnede van kaart in bijlage 2 bij het document "Nautische richtlijnen Programma Varen" uit 2021 waarop aangegeven een classificatie van "Doorvaartprofielen" Afweging en conclusie Het aspect Nautisch beheer ziet toe op vlotte en veilige doorvaart op het water. Dit betreft niet het planologisch gebruik van het water, maar de spelregels voor het scheepvaartverkeer "op het water". Let op, dit is wat anders dan vaarwegbeheer (vaarwegbeheer betreft o.a. regels over diepte en breedte van een vaarweg om een boot te kunnen laten varen). In zoverre spelen de Nautische Richtlijnen van het programma Varen geen rol in de afwegingen voor dit bestemmingsplan. Bij de uitvoering van de werkzaamheden voor plaatsing van brug en woonark spelen ze wel een rol, maar dat betreft een fase die pas aan de orde is na vaststelling van het bestemmingsplan.

Gemeente Amsterdam

blz. 74

3.6.6

Woonboten en Oevergebruik stadsdeel Oost (2013)

Voorliggend bestemmingsplan betreft het met het oog op een goede ruimtelijke ordening toestaan van het vervangen van een woonboot type woonschip door type woonark. Voor het onderwerp "woonboten" in stadsdeel Oost is op 25 juni 2013 het document met titel "Beleidsnotitie Woonboten en Oevergebruik stadsdeel Oost" vastgesteld. Dit bij besluit van het dagelijks bestuur, de deelraad Oost. Op respectievelijk 28 november 2017 en 20 december 2017 is door het college en de gemeenteraad besloten dat stadsdeelbeleidsregelingen met betrekking tot water worden verlengd (bekendgemaakt in Gemeenteblad nr. 14540, 23 januari 2018). Als onderdeel 5 van het betreffende besluit van college en gemeenteraad is ook het document "Beleidsnota regels woonboten en oevergebruik stadsdeel Oost, stadsdeel Oost, vastgesteld bij besluit van het dagelijks bestuur, de deelraad Oost op 25-06-2013" genoemd. In de inleiding van het document "Beleidsnotitie Woonboten en Oevergebruik stadsdeel Oost" is aangegeven dat water een belangrijke rol speelt in de beleving van de openbare ruimte waarbij de verschillende wateren in Oost een eigen dynamiek en uitstraling hebben. Wonen op het water is een van de vele gebruiksvormen van water die tevens zeer bepalend is voor de beleving van de openbare ruimte.

Het document "Beleidsnotitie Woonboten en Oevergebruik stadsdeel Oost" is destijds opgesteld om die invloed van woonboten op de openbare ruimte te sturen. Doel was om duidelijkheid te scheppen door een zevental eerdere regelingen voor verschillende gebieden samen te voegen. In het document "Beleidsnotitie Woonboten en Oevergebruik stadsdeel Oost" is aangegeven dat het bestaat uit drie onderdelen, te weten een kaart als eerste onderdeel, een beschrijving van het beleid als tweede onderdeel en een set regels als derde onderdeel. Het tweede onderdeel is opgedeeld in de hoofdstukken "2 Uitgangspunten, 3 Bestaande wet- en regelgeving, 4 Maatvoering, 5 Vervanging, 6 Objecten water en oever, 7 Oevergebruik, 8 Gebiedsindeling, 9 Regeling per gebied". In hoofdstuk "2 Uitgangspunten" van het document "Beleidsnotitie Woonboten en Oevergebruik stadsdeel Oost" is aangegeven dat bestaande situaties, mits legaal, blijven toegestaan. Met bestaande situaties worden de woonboten en het oevergebruik bedoeld zoals deze door middel van ligplaatsvergunningen, bestemmingsplanregelingen, beleid, overeenkomsten etc. zijn toegestaan (N.B. anno vaststelling document in 2013). Wel kan het zijn dat bij vervanging van de woonboot andere regels gaan gelden dan in voorgaand beleid het geval was.

In hoofdstuk "5 Vervanging" is onder meer in paragraaf 5.2 beschreven wat het beleid is voor vervanging door een ander type woonboot: "Het vervangen van woonboten door een ander type woonboot is mogelijk indien hierbij een verbetering van de beleving van de openbare ruimte ontstaat. Vanwege hun uitstraling zijn woonschepen goed ruimtelijk inpasbaar en om die reden de meest gewenste type woonboten. Hierna volgen de woonarken als meest gewenst type woonboot. Woonarken vormen een duidelijk eenheid qua vorm. Daarbij zijn woonarken ruimtelijk beter inpasbaar in het ruimtelijk/landschappelijke straatbeeld dan woonvaartuigen. Woonvaartuigen zijn het minst gewenste type woonboot. Door de gradatie van typen woonboten op het gebied van wenselijkheid is een onderverdeling per type gemaakt. Er wordt een onderscheid gemaakt in woonschepen, woonarken en woonvaartuigen.

Bij vervanging van een woonboot door een ander type woonboot zijn de volgende voorwaarden van toepassing: Een woonschip mag uitsluitend worden vervangen door een woonschip; Een woonark mag uitsluitend worden vervangen door een woonschip of een woonark; Een woonvaartuig mag worden vervangen door een woonschip, een woonark of een woonvaartuig." In paragraaf 5.3 van het document "Beleidsnotitie Woonboten en Oevergebruik stadsdeel Oost" is vervolgens beschreven wat het beleid is ten aanzien van de maatvoering bij vervanging door een ander type woonboot: "Indien bij vervanging een ander type woonboot gewenst is, dan dient het nieuwe type te voldoen aan de maatvoering die voor dit specifieke type woonboot in het betreffende gebied in hoofdstuk 9 is opgenomen."

bestemmingsplan_Cruquius brug Nieuwe Vaart e.o. (vastgesteld)

blz. 75

Het woonschip "Hoop op Welvaart" aan de Zeeburgerdijk 585 ligt in het zogeheten "Gebied 8 Lozingsk anaal/Nieuwe Vaart" van het document "Beleidsnotitie Woonboten en Oevergebruik stadsdeel Oost". In hoofdstuk 9 van dat document wordt voor dat gebied aangegeven dat de maatvoering geldt van hoofdstuk 4 van dat document. Gezien de vraagstelling voor voorliggend bestemmingsplan (is vervanging van een woonschip door een woonark mogelijk?) is van belang dat in het betreffende hoofdstuk 4 de volgende maatvoering staat vermeld voor een woonark: Maximale lengte woonark is 20 meter [Opmerking: Ter vergelijking, het huidige woonschip "Hoop op Welvaart" is langer, namelijk 22,88 meter. En het bestemmingsplan Indische Buurt en Flevopark laat/liet een woonschip toe van maximaal 25 meter]. Maximale breedte woonark is 5 meter [Opmerking: Ter vergelijking, het huidige woonschip "Hoop op Welvaart" is minder breed, namelijk 4,58 meter. En het bestemmingsplan Indische Buurt en Flevopark laat/liet een woonschip toe van maximaal 6 meter breed]. Maximale hoogte woonark is 3 meter [Opmerking: Ter vergelijking, het huidige woonschip "Hoop op Welvaart" is hoger, namelijk 3,26 meter. En het bestemmingsplan Indische Buurt en Flevopark laat/liet een woonschip toe van maximaal 5 meter hoog].

Conclusie Uit het tweede onderdeel van de documentatie "Beleidsnotitie Woonboten en Oevergebruik stadsdeel Oost" wordt onder meer opgemaakt dat bij de afweging over vervanging in ieder geval de volgende aspecten een rol spelen: 1. Het verbeteren van de beleving van de openbare ruimte. 2. Woonschepen zijn voor wat betreft de ruimtelijke inpassing de meest gewenste type woonboten. 3. Woonschepen mogen uitsluitend vervangen worden door een woonschip. 4. Voor het vervangen van woonboten zijn beleidsmatige maxima opgenomen voor de toegestane afmetingen. Het vervangen van een woonschip door een woonboot is in strijd met een deel van de inhoud van het document "Beleidsnotitie Woonboten en Oevergebruik stadsdeel Oost", namelijk "woonschepen mogen uitsluitend vervangen worden door een woonschip". Algemene afweging met betrekking tot de conclusie Van een beleidsegel in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan op grond van artikel 4:84 Awb in bepaalde situaties worden afgeweken: Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. In hoofdstuk 2 is in paragraaf 2.3.6 eerst afgewogen of dit in voorliggend plan aan de orde is. En daarna is daarin geconcludeerd dat dat het geval is.

3.6.7 Afwegingskader Grondwaterneutrale kelders en Beleidsregels Grondwaterneutrale kelders De aanleg van kelders levert extra ruimte op voor bijvoorbeeld wonen, opslag of parkeren. Naast het voordeel van extra ruimte, kan kelderbouw ook nadelen met zich meebrengen. Met name bij een cumulatie aan kelders in een gebied kan schade optreden aan de openbare ruimte. Belangrijkste oorzaak daarvoor is de invloed van een kelder op de stroommogelijkheden van het grondwater. Hierdoor kan de grondwaterstand beïnvloed worden (barrièrewerking). Dit leidt tot een (te) hoog peil van het grondwater, de zogenaamde grondwateroverlast, of een (te) laag peil van het grondwater, de zogenaamde grondwateronderlast. Grondwateroverlast heeft met name negatieve gevolgen voor woningen en groen, maar ook voor de verharding. Grondwateronderlast heeft vooral negatieve gevolgen voor funderingen, zetting van grond/verharding/leidingen en wederom groen.

Gemeente Amsterdam

blz. 76

Door de klimaatverandering, en de wens de stad daar bestendig tegen te maken, zijn de gevolgen van onderkeldering op grondwaterstand en –stroom actueler geworden. Het vermogen grotere hoeveelheden hemelwater op te nemen en af te voeren wordt beïnvloed door de grondwaterstand en -stroom. Op 20 januari 2021 is het 'Afwegingskader grondwaterneutrale kelders Amsterdam' vastgesteld door de raad. En op 7 september 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders de Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam vastgesteld. Dit als vervolg op het eerder op 20 januari 2021 door de gemeenteraad vastgestelde Afwegingskader. De gemeente beoogt hiermee de aanleg van kelders in de stad mogelijk te blijven maken waar dat kan, maar deze wel aan zodanige eisen te onderwerpen dat de kans op deze schade als gevolg van grondwaterstanden, zowel voor naastgelegen percelen als voor de openbare ruimte, minimaal is. Als gevolg van inwerkingtreding van deze Beleidsregel moeten alle aanvragen voor kelders waarvoor een binnenplanse afwijking van het bestemmingsplan of kruimelafwijking vereist is getoetst worden aan de Beleidsregel, die vervolgens weer verwijst naar het Afwegingskader grondwaterneutrale kelders Amsterdam. Dit betekent dat dergelijke aanvragen moeten voldoen aan de eis van grondwaterneutraliteit zoals geformuleerd in het Afwegingskader.

Daarin wordt onder grondwaterneutraal bouwen van kelders het volgende verstaan: De stand en stroming van het grondwater veranderen niet of nauwelijks door de aanleg van een kelder, waar mogelijk zal deze verbeteren, en er treden geen negatieve grondwatereffecten op. Onder deze negatieve grondwatereffecten vallen in ieder geval het risico op een te dunne deklaag en het risico op opbarsten van de deklaag (dit is de bodemlaag die de diepere bodemlagen afdekt en het diepe grondwater slecht doorlaat). In het Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam zijn daarom vanwege het risico op een te dunne deklaag of het risico op opbarsten van de deklaag ook gebieden opgenomen waar geen kelderbouw meer kan worden toegestaan. Alleen een kelder die grondwaterneutraal kan worden aangelegd komt voor vergunningverlening in aanmerking. De (algemene) regels uit het Afwegingskader hebben primair betrekking op kelders met één verdieping, een oppervlakte van maximaal 300 m² en een diepte van maximaal 4 meter onder het grondoppervlak (maaiveld) gerekend aan de straatkant. Ten aanzien van de kelders die groter zijn dan 300 m² en/of dieper dan 4 meter wordt in het Afwegingskader bepaald dat medewerking alleen mogelijk is indien aan de hand van een geohydrologisch rapport wordt aangetoond dat de aanleg grondwaterneutraal zal plaatsvinden.

De maatregelen zoals die in het Afwegingskader zijn vastgelegd voor kelders die wel aan de bovengenoemde maatvoeringeisen voldoen zijn dus niet zonder meer toepasbaar. Uit het geohydrologisch rapport zal dus moeten blijken welke maatregel kan en zal worden toegepast om de kelder op de betreffende locatie grondwaterneutraal aan te leggen. Als grondwaterneutrale aanleg niet mogelijk is, moet de omgevingsvergunning voor die kelder worden geweigerd. Uit het juridisch onderzoek in het kader van de opstelling van het Afwegingskader kwam naar voren dat het bestemmingsplan het aangewezen instrument is om het hierin vervatte beleid juridisch te borgen. Het Afwegingskader is de basis geweest voor het paraplubestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders. Daarbij zijn de in het Afwegingskader vervatte beleidsregels hieruit gedestilleerd en omgezet in een separaat document met (alleen) beleidsregels in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam). Afweging / consequenties voor voorliggend bestemmingsplan In voorliggend bestemmingsplan worden de regels van het paraplubestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders overgenomen zodat er geen gat valt in de gemeentedekkende regeling voor grondwaterneutrale kelderbouw.

Wat dat betreft geldt voor voorliggend plangebied dat het onderdeel is van gebied dat in het paraplubestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders de aanduiding "overige zone-2" heeft gekregen en dat de regels behoorde bij die zone dus worden overgenomen in voorliggend plan. Concreet betekent dit

bestemmingsplan_Cruquius brug Nieuwe Vaart e.o. (vastgesteld)

blz. 77

dat de realisatie van nieuwe kelders en de uitbreiding van bestaande kelders niet bij recht zijn toegestaan en dat daarvoor, via het spoor van de binnenplanse omgevingsvergunning, onder voorwaarden van kan worden afgeweken. Daarmee verandert er wat de regelinggeving voor grondwaterneutrale kelderbouw betreft, voor dit plangebied dus niets.

Gemeente Amsterdam

blz. 78

bestemmingsplan_Cruquius brug Nieuwe Vaart e.o. (vastgesteld)

blz. 79

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu aspecten

Milieu effect

Kader Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. In de Wet milieubeheer (art 7.2) en het Besluit milieueffectrapportage (art 2 lid 5) is verankerd dat er een beoordeling moet worden gemaakt of een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden als een plan of besluit (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) wordt opgesteld voor één of meerdere activiteiten met mogelijk belangrijke negatieve effecten op het milieu. Activiteiten waarvoor dat het geval is, worden genoemd in de bijlage onderdeel C en D van het Besluit mer. In onderdeel C staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en dus het opstellen van een MER verplicht is. In onderdeel D staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is.

Analyse situatie plangebied Het bestemmingsplan maakt de realisatie mogelijk van een langzaamverkeerbrug over een watergang in Amsterdam en de wijziging van een bestaande woonbootligplaats type woonschip in een woonbootligplaats type woonark. De ligplaats betreft een bestaande ligplaats waar reeds op grond van het geldende bestemmingsplan mag worden gewoond. In zoverre is het geen nieuwe woonbestemming. De initiatieven die met bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt betreffen geen activiteiten van kolom 1 van de onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit mer. Dit betekent dat het plan niet MER-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. Conclusie Het aspect milieueffect in de zin van Besluit-mer is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.2

Milieuzonering bedrijven - Bedrijven en milieuzonering

Kader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is het deelaspect 'milieuzonering' het toepassen van het ruimtelijke ordeningsprincipe dat zich richt op functiescheiding van milieubelastende activiteiten in de vorm van industriele en dienstverlenende bedrijvigheid, landbouw, vormen van publieke dienstverlening en recreatie en milieu-planologisch gevoelige functies (bijvoorbeeld wonen). In planvorming wordt hierin onderscheid gemaakt in: het bestemmen / projecteren van nieuwe situaties / nieuwe ontwikkelingen en het (opnieuw) bestemmen van bestaande situaties. Een nieuwe situatie / nieuwe ontwikkeling betreft een plan dat nog niet eerder als zodanig is bestemd in een bestemmingsplan of vergund met een omgevingsvergunning. Een bestaande situatie is de feitelijke bebouwde situatie en feitelijke functionele situatie zoals die is bij inventarisatie voor een nieuw bestemmingsplan.

Gemeente Amsterdam

blz. 80

Het maken van een afweging over het waar nodig en mogelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies bij nieuwe ontwikkelingen / in nieuwe situaties dient twee doelen: Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Met deze doelstelling wordt bij het plannen van een nieuwe functie om redenen van goede ruimtelijke ordening gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functie wordt ingepast. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? De VNG-publicatie Handreiking Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel bij het beantwoorden van deze vragen voor nieuwe situaties. Milieuzonering beperkt zich in de VNG-publicatie tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de milieubelasting afneemt naarmate de afstand van/tot de bron toeneemt.

De VNG-publicatie bevat een tweetal richtafstandlijsten voor nieuwe situaties waarin een groot aantal niet-woonactiviteiten (zoals productie, handel en dienstverlenende activiteiten, onderwijs, sport en recreatie, etc.) zijn vertaald naar een milieucategorie met bijbehorende indicatieve richtafstanden. De activiteiten en bijbehorende categorieën zijn weergegeven in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) en in voorkomend geval (afhankelijk van de wijze van bestemmen) ook in de bijlage bij de regels van een bestemmingsplan. In de VNG-publicatie is benadrukt dat milieuzonering zich uitsluitend richt op het sturen van nieuwe ontwikkelingen en dat milieuzonering niet bedoeld is voor het beoordelen van bestaande situaties waarbij gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op minder dan de richtafstand van elkaar staan. Analyse situatie plangebied Plangebiedsdeel 'brug' Het plangebiedsdeel 'brug' betreft een nieuwe langzaamverkeersbrug en voorziet derhalve niet in een nieuwe bedrijfsfunctie in de zin van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' of in een nieuwe milieuhindergevoelige bestemming. Het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' is op dit planonderdeel niet van toepassing.

Plangebiedsdeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585' Het plangebiedsdeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585' betreft een bestaande woonbootligplaats nabij bestaande bedrijven. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe woonbootligplaats mogelijk of nieuwe bedrijfsbestemmingen, maar enkel de mogelijkheid om het ene type woonboot te vervangen door een ander type woonboot. Zoals in het kader is weergegeven, leent het aspect functiescheiding zoals bedoeld in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' zich niet goed voor het beoordelen van bestaande situaties. Het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' is op dit planonderdeel dan ook niet van toepassing. Dit laat onverlet dat de omgeving wel onderdeel is van de afwegingen voor het voorliggend bestemmingsplan en wel op grond van sectorale milieuregelgeving. Hiervoor wordt verwezen naar de paragrafen 4.3, 4.4 en 4.5.

bestemmingsplan_Cruquius brug Nieuwe Vaart e.o. (vastgesteld)

blz. 81

4.3

Geluid

Kader Voorliggend plan betreft een nieuwe brug voor langzaam verkeer en een bestaande woonbootligplaats. Voor een ligplaats voor een woonboot geldt volgens de Wet geluidhinder dat een woonboot zelf geen geluidgevoelig object is, maar dat de ligplaats wordt aangemerkt als 'geluidgevoelig terrein'. Dit laatste geldt sinds 1 juli 2012. Voordien was dat niet het geval. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. Op grond van de Wgh gelden in bepaalde situaties zones rond (spoor)wegen en industrieterreinen. Voor vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot dergelijke zones stelt de Wgh eisen aan de geluidsbelasting. Voor woonboten is dat de grens van het geluidgevoelige terrein, vrij vertaald de grens van het vlak waarbinnen volgens het bestemmingsplan een woonboot is toegestaan. Op grond van de Wet geluidhinder dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling die voorziet in nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen in zones van wegen, spoorwegen of industrieterrein akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Tevens schrijft de Wet geluidhinder voor dat akoestisch onderzoek noodzakelijk is wanneer een nieuwe spoorweg, weg voor autoverkeer en/of geluidzoneringsplichtig industrieterrein mogelijk wordt gemaakt. Voor bestaande situaties is dat gedeeltelijk anders. Wat dat betreft geldt dat akoestisch onderzoek niet altijd aan de orde is. Dat is geval bij het opnieuw bestemmen van een bestaande woonbootligplaats in een zone van een bestaande weg (artikel 76, derde lid Wgh). Een dergelijke regeling is er (nog) niet voor het opnieuw bestemmen van een bestaande woonbootligplaatsen in een bestaande zone van een industrieterrein. Vrij vertaald stelt artikel 57 Wgh in samenhang met artikel 2.1 en 2.2 van het Besluit geluidhinder (Bhg) dat dan maximale geluidbelasting in acht moet worden genomen van 50 dB(A), dan wel een hogere vastgestelde waarde tot maximaal 55 dB(A). Of anders gesteld, er dient op grond van artikel 57 Wgh voor bestaande situaties te worden onderzocht of voldaan wordt aan de waarden van de Wet geluidhinder. Analyse situatie plangebied Plangebiedsdeel 'brug' De realisatie van een brug voor langzaamverkeer betreft geen nieuwe geluidsgevoelige bestemming of nieuwe weg voor autoverkeer. De Wet geluidhinder is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dat onderdeel van het bestemmingsplan.

Plangebiedsdeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585' Voor het water van plangebiedsdeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585' is met het op 8 juni 2010 vastgestelde bestemmingsplan Indische Buurt en Flevopark een aantal bepalingen opgenomen ten aanzien van de gebruiksdoeleinden. Het water van het plangebiedsdeel is onder meer mede bestemd als: ligplaats voor dienstwoonboten, woonschepen en overige woonboten en meer specifiek, als ligplaats voor het woonboottype 'woonschepen'; 'geluidzone - industriegebied cruquius' . Het bestemmingsplan Indische Buurt en Flevopark is vastgesteld in 2010. Dit betekent dat de ligplaats op moment van vaststellen van het geldende bestemmingsplan volgens de Wet geluidhinder geen

Gemeente Amsterdam

blz. 82

'geluidsgevoelig terrein' was en dat om die reden destijds geen akoestisch onderzoek is verricht naar de geluidbelasting van het industrieterrein op de bestaande woonbootligplaatsen. Dit betekent onder meer dat destijds niet is bepaald wat de geluidbelasting van het industrieterrein was op de bestaande woonboten en of een hogere waarde aan de orde was. Na de vaststelling van het geldende bestemmingsplan is de Wet geluidhinder evenwel gewijzigd met als gevolg dat nu voor bestendigen van een reeds bij bestemmingsplan toegestane woonbotenligplaats in een bestaande zone van een industrieterrein bepaald moet worden of voldaan wordt aan de hoogst toelaatbare geluidbelasting van 50 dB(A). En als dat niet het geval is, of dan een hogere waarde kan worden vastgesteld tot maximaal 55 dB(A). In juli 2023 is dit onderzocht door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Uit het onderzoek wordt opgemaakt dat de geluidbelasting niet hoger is dan 50 dB(A) en dat derhalve voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder.

Afbeelding: resultaten akoestisch onderzoek geluid industrieterrein (Bron: Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied) Conclusie Het plan voldoet aan de bepalingen van de Wet geluidhinder. De bepalingen van de Wet geluidhinder zijn geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.4

Luchtkwaliteit

Kader Op grond van het wettelijke kader zoals dat geldt op het moment van opstellen van voorliggende toelichting, is een voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit inpasbaar, indien in ieder geval aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. Er worden geen grenswaarden voor de luchtkwaliteit overschreden; 2. Er treedt geen verslechtering van de luchtkwaliteit op, of er vindt per saldo een verbetering van de luchtkwaliteit plaats door compenserende maatregelen; 3. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging (NIBM); 4. De voorgenomen ontwikkeling is onderdeel van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Analyse situatie plangebied Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie mogelijk van een langzaamverkeerbrug over een

bestemmingsplan_Cruquius brug Nieuwe Vaart e.o. (vastgesteld)

blz. 83

watergang in Amsterdam en de wijziging van een bestaande woonbootligplaats type woonschip in een woonbootligplaats type woonark. Van belang is onder meer dat de brug niet bestemd is voor autoverkeer. En dat de woonbootligplaats een bestaande woonbootligplaats is waar reeds op grond van het geldende bestemmingsplan mag worden gewoond. In zoverre is het geen nieuwe woonbestemming. Voor wat betreft de luchtkwaliteit ter plaatse is de monitoringstool van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit geraadpleegd (https://www.cimlk.nl/kaart). De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10) in het plangebied tussen 2020 en 2030. De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2020 en 2030 in en rond het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. In deze peiljaren bedraagt de concentratie NO2 en PM10 op de omringende wegen minder dan 35 microgram/m³ en bedraagt de concentratie PM2,5 minder dan 20 microgram/m3. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 van 40 microgram/m3 en 25 microgram/m3 voor PM2,5 worden dan ook niet overschreden.

Gerelateerd aan de grenswaarden van de Wet Milieubeheer, wordt een onaanvaardbare luchtkwaliteit in en nabij het plangebied dan ook niet verwacht. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.5

Externe Veiligheid

Kader Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen) en het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Regelgeving is onder vastgelegd in het volgende: Risicovolle inrichtingen: De externe veiligheidsregelgeving voor inrichtingen ligt vast in het Besluit Externe Veiligheid voor Inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen (Revi). Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren: Voor het transport van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor heeft het Rijk normen vastgesteld. Deze staan in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. Buisleidingen: Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd (vanaf 16 bar en met een uitwendige diameter groter dan 50 mm), is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Voor initiatieven voor nieuwe kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten nabij bestaande risicovolle inrichtingen of transportroutes en buisleidingen voor gevaarlijke stoffen gelden grenswaarden die in acht moeten worden genomen.

Analyse situatie plangebied Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie mogelijk van een langzaamverkeerbrug over een watergang in Amsterdam en de wijziging van een bestaande woonbootligplaats type woonschip in een woonbootligplaats type woonark. Een brug is geen kwetsbare of beperkt kwetsbare functie in de zin van de regelgeving voor externe veiligheid. Ook betreft het geen nieuwe transportroute van gevaarlijke stoffen. De woonbootligplaats is een bestaande woonbootligplaats waar reeds op grond van het geldende bestemmingsplan mag worden gewoond. In zoverre is het geen nieuwe woonbestemming waardoor het aantal personen op deze locatie niet toeneemt. Dat is van belang indien de locatie in een invloedsgebied Gemeente Amsterdam

blz. 84

van een bron met gevaarlijke stoffen ligt. E.e.a. in de zin van Revi, Bevt en Bevb. Wat dat betreft geldt voor de bestaande woonbootlocatie dat het Amsterdam-Rijnkanaal een route voor transport gevaarlijke stoffen is. De woonbootlocatie ligt echter op ruime afstand van het Amsterdam-Rijnkanaal (circa 300 meter). Die afstand is dermate ruim dat het aspect externe veiligheid geen belemmering is voor de woonfunctie. Er is geen sprake van overschrijding van een grenswaarde voor plaatsgebondenrisico of een omstandigheid die een verantwoording Groepsrisico verlangt. Conclusie Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.6

Bodemkwaliteit

Kader en situatie plangebied Bij het toekennen van een (gevoelige) bestemming aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie mogelijk van een langzaamverkeerbrug over een watergang in Amsterdam en de wijziging van een bestaande woonbootligplaats type woonschip in een woonbootligplaats type woonark. Dit betreft geen nieuwe gevoelige bestemmingen waarvoor de vraag aan de orde is of de milieu hygiënische bodemkwaliteit passend is voor het beoogde gebruik. Conclusie Het aspect milieu hygiënische bodemkwaliteit is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

bestemmingsplan_Cruquius brug Nieuwe Vaart e.o. (vastgesteld)

blz. 85

Hoofdstuk 5

Omgevingsaspecten

5.1

Waterparagraaf

5.1.1

Kader

Op grond van artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In deze waterparagraaf is het resultaat weergegeven van de watertoets waarbij ingegaan wordt op het waterbeleid, de bestaande waterhuishoudkundige situatie, een beoordeling van de effecten op de bestaande waterhuishoudkundige situatie en de maatregelen die genomen (moeten) worden voor het waarborgen van een goede waterhuishouding. 5.1.2

Waterbeheerders

Het beheer van watersystemen is onder te verdelen in verschillende beheertaken, te weten: Waterstaatkundig beheer. Beheer waterkwaliteit. Beheer waterkwantiteit. Vaarwegbeheer. Nautisch beheer. De beheertaken zijn belegd bij verschillende overheden en instanties. In paragraaf 3.3.2 is inzicht gegeven in vaarwegbeheer en nautisch beheer en in paragraaf 3.5 in het waterstaatkundig beheer en het beheer van de waterkwaliteit en waterkwantiteit voor voorliggend plangebied. Daaruit is op te maken dat te onderscheiden beheertaken belegd zijn bij: Waterschap Amstel Gooi en Vecht (AGV). Dit met betrekking tot: 1. Waterstaatkundig beheer en beheer waterkwaliteit en waterkwantiteit van het water bij plandeel 'brug'. Van belang voor het planonderdeel 'brug' zijn de volgende AGV beheeraspecten: a. Aan- en afvoer van water van zogeheten "primaire wateren" in de zin van de keur AGV 2019. b. Waterkering, bescherming van zogeheten "beschermde gronden" in de zin van de keur AGV 2019. 2. Waterstaatkundig beheer water en beheer waterkwaliteit en waterkwantiteit van het water bij plandeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585'. Van belang voor het planonderdeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585' zijn de volgende AGV beheeraspecten: a. Aan- en afvoer van water van zogeheten "primaire wateren" in de zin van de keur AGV 2019. b.

Waterkering, bescherming van een zogeheten "half-verholen waterkering" in de zin van de keur AGV 2019. Gemeente Amsterdam (zie hierna onder "Uitvoeringsdiensten voor waterbeheer"). Dit met betrekking tot: 1. Nautisch beheer water bij plandeel 'brug'. 2. Nautisch beheer water bij plandeeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585'. 3. Vaarwegbeheer water bij plandeel 'brug'. 4. Vaarwegbeheer water bij plandeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585'. Uitvoeringsdiensten voor waterbeheer Voor het waterbeheer door Waterschap AGV en de gemeente Amsterdam is een deel van de praktische uitvoering uitbesteed aan Waternet. Dit is voor voorliggend bestemmingsplan onder ander van belang voor het vragen van advies inzake de vraag welke watergerelateerde belangen worden geraakt. Waternet

Gemeente Amsterdam

blz. 86

werkt in dat geval: A. namens waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). B. namens gemeente Amsterdam en wat dat betreft: 1. is bij mandaatbesluit d.d. 7-2-2023 (publicatiedatum 15-2-2023, Gemeenteblad nr. 64346) bepaald dat Waternet namens de gemeente onder meer bevoegdheden heeft in verband met vaarwegbeheer en nautisch beheer, waaronder: a. Alle bevoegdheden op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die zien op uitvoering van Scheepvaartverkeerswet (Svw), Besluit administratrieve bepalingen scheepvaartverkeer (Babs) en Binnenvaartpolitiereglement (Bpr) ten behoeve van het nautisch vaarwegbeheer van de doorgaande vaarroutes te weten de Kostverlorenvaart-route (ook wel de Staande Mast route en de Oostroute (ook wel Amstelroute) en het nautisch vaarwegbeheer bij bruggen en sluizen. b. De nautische bevoegdheden genoemd in de Svw, Babs en Bpr met betrekking tot bruggen en sluizen binnen de gemeente Amsterdam en de doorgaande vaarroutes. 2. zijn bij jaarmandaatbesluit d.d. 13-12-2022 (publicatiedatum 20-12-2022, Gemeenteblad nr. 55914) bepaald de aangelegenheden van gemeentelijke taken van (de directeur) Waternet in het kader van de beleidsvoorbereiding en uitvoering voor de gemeente van de gemeentelijke taken ten aanzien van onder andere: a. de zorg van het ondiepe grondwater. b.

de aanleg en het beheer en onderhoud van de natte infrastructuur, waaronder het vaarwegbeheer, met name omvattende het baggeren en drijfvuilvissen. c. het nautisch beheer van de doorgaande vaarroutes, te weten de Kostverlorenvaartroute (ook wel staande mast route) en de Oostroute (ook wel Amstelroute), alsmede nabij gemeentelijke bruggen en sluizen. Binnen de gemeente Amsterdam is een aantal nautische bevoegdheden niet alleen toebedeeld aan Waternet (zie hierboven onder B.1.a en b), maar ook aan andere diensten, zoals: onderdelen van Cluster Ruimte en Duurzaamheid, met ondermandaat en machtiging voor onder meer de programmamanager Programma Varen en met bepaalde ondermanadaten voor Team Nautisch Beheer. Dit betreft onder meer: 1. bevoegdheden op grond van de Algemene wet bestuursrecht die zien op uitvoering van de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer en de Verordening op het binnenwater 2010. 2. nautische bevoegdheden genoemd in de Scheepvaartverkeerswat (Svw), Besluit administratrieve bepalingen scheepvaartverkeer (Babs) en Binnenvaartpolitiereglement (Bpr) met betrekking tot vaarwegen in beheer en onderhoud bij de gemeente Amsterdam, met uitzondering van de doorgaande vaarroutes te weten: De Kostverlorenvaartroute (ook wel Staande Mast Route) en de Oostroute (ook wel Amstelroute).

Wat bovenstaande bevoegdheden betreft is voor initiatieven in de wateren van voorliggend bestemmingsplan onder meer het volgende van belang: Volgens artikel 1.23 van het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) is het verboden om zonder toestemming van de bevoegde autoriteit werkzaamheden te verrichten waardoor hinder of gevaar voor het scheepvaartverkeer kan ontstaan. De gemeente heeft in dat kader regels vastgesteld, onder andere met de Regeling Doorvaartprofielen en de Verordening op het binnenwater 2010 (Vob 2010). De Vob 2010 vormt een (gemeentelijke) aanvulling op de landelijke wet- en regelgeving die de nautische beheerders tot hun beschikking hebben voor het toezicht op een vlot en veilig verloop van het scheepvaartverkeer. Een doorvaartprofiel bepaalt welk formaat schepen er in een bepaalde gracht mag varen en hoeveel vaarwater er beschikbaar moet zijn. Een schip dat afgemeerd ligt binnen dat doorvaartprofiel veroorzaakt een engte. In artikel 7.02 lid 1 onder e van het BPR staat dat het afmeren in een engte en in de nabijheid daarvan, alsmede op een plaats van de vaarweg waar als gevolg van het stilliggen een engte zou ontstaan en in de nabijheid daarvan, verboden is. Volgens artikel 2.1.3 van de gemeentelijke bestemmingsplan_Cruquius brug Nieuwe Vaart e.o. (vastgesteld)

blz. 87

Verordening op het binnenwater 2010 is het verboden een object in, op of boven het water te plaatsen of te houden en kan het college hiervan ontheffing verlenen indien de overige vereiste vergunningen of ontheffingen voor het aanbrengen of plaatsen van die objecten zijn verleend. Aandachtspunt voor initiatiefnemers voor activiteiten in en om plangebied Zoals hiervoor al eerder is aangegeven bij de inventarisatie van de regelgeving van het waterschap AGV (zie paragraaf 3.5.6), zal een initiatiefnemer voor activiteiten in en nabij de wateren van voorliggend bestemmingsplan, op het moment van concretisering van een initiatief niet alleen moeten nagaan of de activiteit mogelijk is op grond van het bestemmingsplan, maar ook op grond van andere regelgeving. Dit betreft onder meer ook de regelgeving van de gemeentelijke Verordening op het binnenwater 2010. Het is raadzaam om tijdig deze regelgeving te raadplegen om opgelegde beperkingen mee te kunnen nemen in een ontwerp. Een aanvraag voor een vergunning op grond van de Verordening op het binnenwater 2010 betreft een separate procedure en staat los van de bestemmingsplanprocedure. 5.1.3

Beleid en Bestaande waterhuishoudkundige situatie

Het bestemmingsplangebied betreft water dat voor verschillende doeleinden in beheer is bij verschillende waterbeheerders met elk hun eigen taken en daarvoor opgesteld beleid. Voor de beschrijving daarvan en de beschrijving van de bestaande watershuishoudkundige situatie wordt verwezen naar paragraaf 2.2 en hoofdstuk 3 van voorliggende toelichting, met onderscheid in: rijksbeleid (paragraaf 3.2), provinciaal beleid (paragraaf 3.3), beleid Waterschap AGV (3.5) en gemeentelijk beleid (3.6). 5.1.4

Beoordeling van effecten en eventuele maatregelen

In paragraaf 5.1.2 en hoofdstuk 3 is geïnventariseerd wat de verschillende waterbeheerders zijn en wat hun beleid is voor de verschillende beheerstaken. Daaruit is op te maken dat er effecten kunnen zijn op de bestaande waterhuishoudkundige situatie en dat om die reden in de uitvoeringsfase (fase na vaststelling bestemmingsplan) mogelijk enkele separate toestemmingsprocedures aan de orde kunnen zijn. Dit verschilt per planonderdeel. Wat dat betreft is uit hoofdstuk 3 het volgende op te maken over potentiele effecten op de bestaande waterhuishouding: met het oog op het belang "aan- en afvoer van water en waterberging" (primaire wateren waterschap AGV) is (mogelijk) een separate toestemmingsprocedure bij waterschap AGV aan de orde voor: 1. planonderdeel 'brug' (zie paragraaf 3.5.3). 2. planonderdeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585' (zie paragraaf 3.5.3). Hiervoor geldt onder meer dat vanwege de doorstromingsdoelen van het Lozingskanaal de vraag aan de orde is of eisen moeten worden gesteld aan exacte positionering van een nieuwe woonboot die een woonschip op ligplaats "Zeeburgerdijk 585" vervangt en de diepte van de woonboot. Verdiepte woonboten zorgen voor meer opstuwing en moeten worden voorkomen. Daarnaast liggen ze sneller in de bagger.

Dit alles is overigens geborgd bij en via het stelsel van de watervergunning waarvoor het waterschap AGV het bevoegd gezag is, maar mogelijk dat dit ook bij bestemmingsplan moet worden geregeld. Vandaar dat daarover advies wordt gevraagd aan het waterschap AGV (zie paragraaf 5.1.5). met het oog op het belang "nautisch beheer" is op grond van de Verordening op binnewater 2010 (mogelijk) een separate toestemmingsprocedure bij de gemeente aan de orde voor: 1. plandeel 'brug' (plaatsen van object in, op of boven het water te plaatsen). 2. plandeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585' (ligplaatsvergunning). met het oog op het belang "waterkering":

Gemeente Amsterdam

blz. 88

1. krijgt het plangebiedsdeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585' in ieder geval een dubbelbestemming Waterstaat - waterkering (zie paragraaf 3.3.2); 2. is (mogelijk, want de beoordeling is voorbehouden aan betreffend bevoegd gezag) een toestemmingsprocedure aan de orde voor het planonderdeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585' (zie paragraaf 3.5.4). 5.1.5

Overleg met de waterbeheerder

Te onderscheiden onderdelen in advies en afstemming Uit paragraaf 5.1.2 is op te maken dat de taken van waterbeheer bij meerdere partijen is belegd. Dit betekent dat voor voorliggend bestemmingsplan advies is en wordt gevraagd aan: a. Waternet als "instantie met bevoegdheden namens de gemeente" over de vraag of het bestemmingsplan effect heeft op de belangen die gemoeid zijn met: 1. Nautisch beheer bij bruggen en sluizen v.w.b. het plandeel 'brug'. 2. Beheer en onderhoud van de natte infrastructuur, waaronder het vaarwegbeheer bij plandeel 'brug'. 3. Beheer en onderhoud van de natte infrastructuur, waaronder het vaarwegbeheer bij plandeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585'. b. waterschap Amstel, Gooi en Vecht over de vraag of het bestemmingsplan effect heeft op de belangen die gemoeid zijn met: 1. Waterstaatkundig beheer water bij plandeel 'brug'. Van belang voor het planonderdeel 'brug' zijn de volgende AGV beheeraspecten: Aan- en afvoer van water van zogeheten "primaire wateren" in de zin van de keur AGV 2019. Waterkering, bescherming van zogeheten "beschermde gronden" in de zin van de keur AGV 2019. 2. Waterstaatkundig beheer water bij plandeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585'.

Van belang voor het planonderdeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585' zijn de volgende AGV beheeraspecten: Aan- en afvoer van water van zogeheten "primaire wateren" in de zin van de keur AGV 2019. Waterkering, bescherming van een zogeheten "half-verholen waterkering" in de zin van de keur AGV 2019. c. team Nautisch beheer van Programma Varen van de gemeente Amsterdam over de vraag of het bestemmingsplan effect heeft op de belangen die gemoeid zijn met Nautisch beheer van het water bij plandeeel 'woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585'. d. de provincie (zie paragraaf 3.3.2): Voor het plandeel "woonbootligplaats Zeeburgerdijk 585" dient dan op grond van artikel 6.77, derde lid overeenstemming te worden bereikt tussen gemeente, waterbeheerder en provincie over dit specifieke plandeel. e. Rijkswaterstaat in verband met beheertaken ten aanzien van het Amsterdam-Rijnkanaal. Navolgend de weergave van overleg met Waternet en Rijkswaterstaat (vanwege de nabijheid van het Amsterdam-Rijnkanaal en eigendomsituatie) dat in de voorbereiding al heeft plaatsgevonden over het initiatief voor de brug. Planonderdeel 'brug' Over het planonderdeel 'brug' heeft in de loop der tijd ambtshalve overleg plaatsgevonden tussen gemeente en waterbeheerders. Navolgend een weergave daarvan.

Deze aspecten hebben mede als uitgangspunt gediend voor het ontwerp van de brug en de locatie van de brug zoals dat in paragraaf 2.3 is beschreven. Verkennende overleggen met Waternet (2015 en 2017)

bestemmingsplan_Cruquius brug Nieuwe Vaart e.o. (vastgesteld)

blz. 89

In 2015 en 2017 heeft ambtshalve verkennend / inventariserend overleg plaatsgevonden met Waternet over het initiatief tot aanleg brug en het openbaar toegankelijk maken van de Zeeburgerdijk nabij de Zeeburger(schut)sluis. Dat deel van de Zeeburgerdijk was lange tijd afgesloten met een hek vanwege de afscherming van Gemaal Zeeburg en voorboezem van het gemaal. In verkenning op de mogelijkheid en wenselijkheid om een brug aan te leggen op deze locatie zijn binnen Waternet gesprekken gevoerd over de brug zelf, over de risico's ten aanzien van het gemaal, over de kansen op het gebied van cultuurhistorie en over het beheer van het terrein. Waternet vervult verschillende rollen/ taken. Navolgend is aangegeven in welke hoedigheid Waternet destijds in 2017 heeft geadviseerd: Waternet heeft destijds in 2017 namens het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) aangegeven positief te staan tegenover het aanleggen van een brug. Wel zijn destijds voorwaarden meegegeven waaraan de uiteindelijke brug en het openbaarstellen van het terrein zou moeten voldoen: 1. Cultuurhistorie: Het fiets- en voetgangersverkeer langs de dijk zorgt voor zichtbaarheid van het historische gemaal en de sifons. Waternet wil het publiek informeren over de werking en historie van het gemaal en sifons.

Daarom is door Waternet in 2017 verzocht om in de verdere uitwerking rekening te houden met het plaatsen van informatieborden, waaronder het reserveren van ruimte voor het plaatsen van deze borden op de geschikte plek bij het gemaal en bij het sifon. 2. Beheer en eigendom: In 2017 is aangegeven dat als de Zeeburgerdijk openbaar toegankelijk wordt gemaakt voor fietsers en voetgangers, het hek verplaatst wordt richting het gemaal. Het gemaal dient onder andere vanwege veiligheid afgeschermd te worden. Waternet zal binnen de hekken het beheer op zich blijven nemen en wenste in 2017 recht van opstal voor dit terrein. Passend bij het openbaarstellen van het terrein heeft Waternet in 2017 aan de gemeente gevraagd om het beheer van het toekomstig openbare deel van de Zeeburgerdijk op zich te nemen. 3. Veiligheid gemaal: In 2017 is door Waternet aangegeven dat het openbaar toegankelijk maken van de Zeeburgerdijk risico's voor het beheer van Gemaal Zeeburg met zich meebrengt. Het gemaal is een vitaal werk in het watersysteem van Waternet. Het openbaar toegankelijk maken van de Zeeburgerdijk is volgens Waternet alleen mogelijk als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan (aangegeven in 2017): a. Het gemaalgebouw Zeeburg en het sifongebouw wordt afgeschermd door een hek waarmee vandalisme en inbraak worden voorkomen. b. De bedrijfsvoering van Waternet mag niet bedreigd worden.

Het gebruik van het gemaal voor de maandelijkse test of in geval van calamiteit mag niet worden belemmerd. c. De Zeeburgerdijk blijft begaanbaar voor werkvoertuigen die nodig zijn voor het onderhoud van het gemaal. d. Er worden borden geplaatst met verbod op zwemmen en waarschuwing voor levensgevaarlijke stroming. e. Er wordt een bescherming/hek geplaatst voor de bocht in het fietspad waar fietsers van de brug af komen, zodat ze niet per ongeluk (uitglijden en) in het water terechtkomen. f. De inrichting is zo dat mensen niet (on)bedoeld het water van de voorboezem kunnen betreden. Dit in verband met de sterke stroming die ontstaat door het gemaal. Namens de gemeente Amsterdam/AGV: Een brug op deze locatie is voor Waternet haalbaar als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. De brug valt in het karakter van de omgeving, voldoet aan de Richtlijnen Vaarwegen 2011 en het doorvaartprofiel van het achterliggende vaarwater (A2). b. De brug mag de functie van de Zeeburgerschutsluis niet belemmeren. c. Bij een open brug is de doorvaarthoogte onbelemmerd, terwijl bij gesloten stand de brug minimaal 1,5 meter boven waterniveau is, met een gemiddelde waterstand van 0,4 meter -NAP. d. De breedte van de brug is minimaal de breedte van de naastgelegen Zeeburgerschutsluis. e. De voorkeur van de vaarwegbeheerder een brug die loodrecht op de vaarweg is gesitueerd. Gemeente Amsterdam

blz. 90

De punten zijn verwerkt en in acht genomen bij de verdere planvorming, met dien verstande dat over de volgende nadere specifieke aandachtspunten van Waternet een nadere afweging heeft plaatsgevonden: Aangegeven is dat de voorboezem waar het gemaal in uitkomt, extreem gevaarlijk is wanneer het gemaal aan staat en dat er een afscheiding zou moeten komen om ervoor te zorgen dat men niet het water in kan vanwege verdrinkingsgevaar door aanzuiging van het gemaal. 1. In het ontwerp is dit als volgt meegenomen: Het is niet de bedoeling dat daar gezwommen gaat worden. Middels een brede groenstrook langs het fiets-/voetpad wordt hieraan invulling gegeven in het ontwerp. Door het realiseren van een afscheiding langs de voorboezem is een verbodsbord overbodig. Aangegeven is dat de schotbalksponning bij de sluis bereikbaar dient te blijven voor een grote mobiele kraan. Het nieuwe ontwerp van de brug over de sluis mag de functionaliteit van de sluis en noodvoorziening niet belemmeren. Er dient rekening gehouden te worden met de opslaglocatie van de schotbalken en de opstelplaats van de kraan. 1. In het ontwerp is dit als volgt meegenomen: Vanuit het oogpunt bruikbaarheid gemaal en veiligheid is deze eis meegenomen. Waternet wenst aanvullende bebording en informatievoorziening in verband met eventueel ongewenst parkeren, vissen en zwemmen. 1.

In het ontwerp is dit als volgt meegenomen: bebording wordt opgenomen aan noord- en zuidzijde van het fiets-/voetpad. Waternet geeft aan dat er in het verleden wel eens mensen uit de bocht zijn gevlogen bij bestaande de scherpe bocht van het pad van/naar het gemaal. Hier zijn destijds betonnen paaltjes geplaatst om dit te voorkomen. Er wordt geadviseerd hier in de nieuwe situatie rekening mee te houden. Wellicht door het plaatsen van een vangrail en/of plaatsen van bebording. 1. In het ontwerp is dit als volgt meegenomen: In de bocht voorziet het ontwerp in een verhoogd plateau met inrichting van informatiebord, bankjes en lichtmast is afdoende voor de veiligheid. Bomen dienen minimaal 9,0m vanuit de referentielijn geplaatst te worden. Bomen mogen een maximale hoogte van 5,0m vanaf het aansluitende maaiveld hebben. Er mogen geen bomen op de kruin of in het talud van de kering geplaatst worden. Aangegeven door Waternet dat maatwerk mogelijk is. 1. In het ontwerp is dit als volgt meegenomen: met deze voorkeur wordt rekening gehouden. Afstemming met Rijkswaterstaat (2018 en 2020) Met Rijkswaterstaat heeft ambtshalve afstemming plaatsgevonden over twee te onderscheiden onderdelen: a. langzaamverkeerbrug; b. openstelling en opnieuw inrichten van de weg/fietspad langs Amsterdam-Rijnkanaal. Ad a.

Afstemming Rijkswaterstaat 2018 over langzaamverkeersbrug In 2018 is door Rijkswaterstaat over het initiatief voor de langzaamverkeerbrug onder meer aangegeven dat de haalbaarheid van de realisatie van een vaste langzaam-verkeersbrug ter plaatse van de westelijke kanaaldijk afhankelijk is van de exacte locatiekeuze. Aangegeven is dat de bouw van de brug binnen de begrenzing van de rijksvaarweg Amsterdam-Rijnkanaal zoals weergegeven op de afbeelding (blauwe lijn op navolgende afbeelding) niet wenselijk is.

bestemmingsplan_Cruquius brug Nieuwe Vaart e.o. (vastgesteld)

blz. 91

Afbeelding: met blauwe lijn is in 2018 door Rijkswaterstaat aangegeven waar een nieuwe langzaamverkeersbrug volgens hen niet gewenst is. Bij de locatiekeuze voor de fietsbrug ten westen van de rijksvaarweg dient rekening gehouden te worden met de vrijwaringszone voor de vaarweg zoals vastgelegd in het Barro artikel 2.1.2, in dit geval 25 meter breed. In deze vrijwaringszone gelden de nautische criteria. Bij criterium B is paragraaf 3.8 van de Richtlijnen Vaarwegen 2017 van belang waarin is voorgeschreven dat er bij splitsingen van vaarwegen een vrije uitzichtsdriehoek aanwezig moet zijn. Ten slotte is door Rijkswaterstaat in 2018 aangegeven dat er op het Amsterdam-Rijnkanaal wordt gevaren met 2x2-baks duwvaart met CEMT-klasse VIb. Deze duwbakken veroorzaken een grote zuiging op het Amsterdam-Rijnkanaal, alsook wateronttrekking vanuit de Nieuwevaart. Een toekomstige langzaam-verkeersbrug dient hiertegen bestand te zijn. Ad b. Afstemming Rijkswaterstaat in 2020 over openstelling en opnieuw inrichten van de weg/fietspad In 2020 is ambtshalve door Rijkswaterstaat onder meer aangegeven dat Rijkswaterstaat geen probleem heeft met het opstellen en opnieuw inrichten van de weg/fietspad. Ook is de aanplant van nieuwe bomen niet bezwaarlijk voor Rijkswaterstaat.

Punt van aandacht is volgens Rijkswaterstaat het beheer van het groen waarbij ook de beelden van de leeuwen moeten worden meegenomen [N.B. deze staan ten zuiden van het syphongebouw in de berm langs het Amsterdam-Rijnkanaal]. Verder is aangegeven dat de damwanden in beheer blijven van Rijkswaterstaat en dat eventuele nieuwe bomen dusdanig geplaatst dienen te worden dat de damwanden niet door wortelgroei worden weggedrukt, dat het bellenscherm (in beheer van Rijkswaterstaat) bereikbaar moet blijven, dat er geen inrijverbod moet gaan gelden voor Rijkswaterstaat en Waternet (het gemaal en de sifon zijn in beheer van Waternet) en dat de borden van Rijkswaterstaat langs het Amsterdam-Rijnkanaal op de huidige plaats moeten blijven staan en dat de verlichting van de borden behouden moet blijven. Een ander punt van aandacht betreft "wachtende vaartuigen bij het uitnemen van de brug" en hoe daar mee om te gaan. Dit gezien de klasse / het type scheepvaart op het Amsterdam-Rijnkanaal. Het gaat om grotere vaartuigen op het Amsterdam-Rijnkanaal met een zuigende werking. Ook de windfactor kan hierin een rol spelen. Wachtende schepen bij het uitnemen van de brug kunnen in de invloedsfeer komen van het Amsterdam-Rijnkanaal met mogelijke aanvaringen tot gevolg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14382287/1