CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. 't Warderschip_Toelichting.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 6 december 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘t Warderschip (VN2023-021930)25.878 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

4.7

Water

Wetgeving Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet voert de waterbeheertaken uit namens AGV. De uitvoerende taak ligt bij Waternet. Binnen het beheergebied bevindt zich een interne watergang langs de Johan van Hasseltweg, waarvoor het onderhoud bij Stadswerken van de gemeente Amsterdam ligt. Rijkswaterstaat is voor het overige omliggende oppervlaktewater (het IJ) de gebiedsbeheerder. Algemene waterwetgeving De landelijk geldende Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen, waaronder waterkeringen, oppervlaktewater- en grondwaterlichamen. Hierbij moet worden gedacht aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik, watergebruikers, de omgeving en de ruimtelijke ordening. Volgens de Waterwet mag een ondergrondse ontwikkeling geen structureel nadelige effecten op de grondwaterstand hebben. Het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) Stelt een watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen (artikel 3.1.6, eerste lid, onder b). bestemmingsplan_'t Warderschip (vastgesteld)

blz. 55

Keur (2019) De Keur is de waterschapsverordening van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). De regels in de Keur beschermen de waterkeringen en watergangen. Voor werkzaamheden rond water of een dijk is een vergunning van het waterschap nodig. Bijvoorbeeld bij de aanleg van leidingen, lozingen op het oppervlaktewater, het plaatsen van bouwwerken of het onttrekken van grondwater. Grondwater Conform het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam 2016-2021 dient voor alle nieuwbouw in de eindsituatie te voldoen aan de gemeentelijke grondwaternorm. Het plan is om het beleid na 2021 aan te passen om te voldoen aan een uniforme ontwateringsnorm van 0,9 m voor de openbare ruimte. Daarom wordt in deze waterparagraaf uitgegaan van een ontwateringsnorm van 0,9 m in de openbare ruimte. De grondwaterzorgplicht vereist dat ontwikkelingen in het plangebied zowel tijdens uitvoering als in de eindsituatie geen verslechtering van de grondwatersituatie mogen veroorzaken, ook niet voor naastgelegen gebieden. Teneinde ongewenste ruimtelijke effecten en daarmee schade als gevolg van aanleg van kelders te voorkomen, is door de gemeente Amsterdam het Afwegingskader Grondwaterneutrale kelders Amsterdam (hierna: Afwegingskader) opgesteld. In dit afwegingskader zijn de volgende onderdelen opgenomen: 1. Gebiedsanalyse waarin wordt aangegeven welke maatregelen per buurt nodig zijn. 2.

Technische eisen aan de aanleg van een kelder om de stroom van het grondwater in stand te houden. 3. Een analyse van het beschikbare instrumentarium voor de vastlegging van de gewenste maatregelen, met daarbij voorstellen hoe het 'technische deel' juridisch zal worden geïmplementeerd. 4. De wijze waarop de aangelegde voorzieningen om te komen tot grondwaterneutraliteit kunnen worden geborgd ook nadat het eigendom van een pand is overgegaan op een andere eigenaar. Van een grondwaterneutrale kelder is volgens het Afwegingskader sprake als door de aanleg van die kelder de stand en stroming van het grondwater niet of nauwelijks verandert, waar mogelijk zal verbeteren, en waarbij er geen negatieve grondwatereffecten optreden. De regels zoals genoemd in het afwegingskader worden vastgelegd in een paraplubestemmingsplan. Het paraplubestemmingsplan "Grondwaterneutrale kelders" is in oktober 2021 vastgesteld. In een van de volgende paragrafen wordt hier nader op ingegaan. Waterkwaliteit De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De voornaamste doelstelling van het KRW is internationaal en stroomgebiedsgericht het beschermen en verbeteren van aquatische ecosystemen (grond- en oppervlaktewater).

De uit de KRW voortkomende milieudoelstellingen en maatregelen zijn verwerkt in de waterbeheerplannen (2016-2021) van de waterschappen. Hemelwater Amsterdam Rainproof heeft als lange termijn perspectief de stad in 2050 regenbestendig te laten zijn. In het Programmaplan Amsterdam Rainproof is hiervoor een aanpak uitgewerkt. Het hoofddoel van Amsterdam Rainproof is om de stad Amsterdam regenbestendiger te maken. Het perspectief is dat de stad zodanig is ingericht dat enerzijds hemelwater nuttig wordt gebruikt voor een aantrekkelijke en leefbare stad en anderzijds schade, wateroverlast of negatieve invloeden op de volksgezondheid door (zeer) hevige regen wordt tegengaan of beperkt. Het gaat daarbij zowel om de regenbestendige inrichting van de publieke als de private ruimte(n), die vooral tot stand is gekomen door het toepassen

Gemeente Amsterdam

blz. 56

van kleinschalige, fijnmazige oplossingen. Voor nieuw- of her- te ontwikkelen kavels de Hemelwaterverordening van de gemeente Amsterdam (zoals op 26 april 2021 is vastgesteld) dat zij waterneutraal moeten bouwen. Deze verordening regelt een verplichting voor nieuwe gebouwen en voor bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, waaraan één of meer bouwlagen worden toegevoegd, of waarvan het bebouwde oppervlak wordt uitgebreid, om per m² minimaal 60 liter hemelwater te bergen en dit hemelwater over de opvolgende 60 uur af te voeren. Bouwen van kelders Amsterdam wil de negatieve gevolgen van de aanleg van kelders voorkomen. Uit onderzoek van Waternet en het Ingenieursbureau van Amsterdam bleek dat in grote delen van de stad de effecten van (met name cumulatieve) kelderbouw negatief zijn. Door de barrièrewerking van meerdere kelders naast elkaar wordt de stand en stroom van het grondwater beïnvloed. Dit leidt tot onder- en overlast van het grondwater. Dit heeft negatieve gevolgen in de openbare ruimte en op particuliere percelen. Hiervoor is door de gemeenteraad in januari 2021 het ‘Afwegingskader Grondwaterneutrale kelders’ vastgesteld. Het Afwegingskader ziet primair op kelders kleiner dan 300 m2 en tot maximaal 4 meter diep; daarvoor voorziet het beleidskader in mogelijke standaardmaatregelen waarmee de grondwaterneutraliteit kan worden aangetoond.

Een zodanig kleine kelder heeft op zichzelf beschouwd beperkte grondwatereffecten, meerdere van dergelijke kleine kelders leiden echter tot cumulatieve grondwatereffecten die mogelijk wel negatieve gevolgen voor het grondwater hebben. Voor grotere kelders (denk aan parkeerkelders of grote opslagkelders onder bedrijfsgebouwen) moet de grondwaterneutraliteit worden aangetoond door middel van een geohydrologisch rapport; het gaat hierbij om maatwerk. De gemeenteraad heeft op 7 oktober 2021 een bestemmingsplan vastgesteld voor de gehele stad als vertaling van het afwegingskader. Zowel grote als kleine kelders worden in het parapluplan worden mogelijk gemaakt op voorwaarde dat zij grondwaterneutraal kunnen worden gebouwd. In de ‘rode gebieden’, waar het risico op permanente kwel te groot is, worden kelders echter geheel verboden. Het plangebied is onderdeel van het ‘rode gebied’. 4.7.1

Waterparagraaf

Algemeen In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de betrokken waterbeheerders moeten worden geraadpleegd bij het opstellen van bestemmingsplannen en bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning die in strijd is met het bestemmingsplan. De watertoets is een instrument om ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen en een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen in strijd met het bestemmingsplan”, te toetsen op de mate waarin rekening wordt gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. Het gaat daarbij onder meer om aspecten als waterkwaliteit en waterkwantiteit (ruimte voor water) en veiligheid (bescherming tegen overstroming). 't Warderschip Het bestaande gebouw en de beoogde uitbreiding zijn in de huidige situatie ook bebouwd, dan wel geheel verhard. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. In het kader van de projectnota voor het Buikslotermeerplein (waarin 't Warderschip is gelegen) is een Waterparagraaf opgesteld. Doel van de waterparagraaf is inzicht te verschaffen in de te volgen strategie hoe de bestaande wateroverlast op het Buikslotermeerplein te reduceren in relatie tot de geplande ruimtelijke ontwikkelingen. Uitgangspunt hierbij is het gemeentelijk beleid ten aanzien van Klimaatadaptief Bouwen. Dit heeft betrekking op de componenten grondwater, hemelwater(afvoer) en hittestress. Deze zijn aan elkaar gerelateerd.

Een hoge grondwaterstand in combinatie met een gebrekkige hemelwaterafvoer bij piekbuien leidt tot wateroverlast in de openbare ruimte en kan resulteren in waterschade aan gebouwen en ondergrondse gebouwde parkeervoorzieningen. Een hoge

bestemmingsplan_'t Warderschip (vastgesteld)

blz. 57

grondwaterstand heeft ook tot gevolg slechte groeicondities voor met name bomen. Grote, volwassen bomen zijn een effectief middel om hittestress te verminderen, in combinatie met andere vormen van vergroening en het toevoegen van oppervlaktewater. Toevoegen van groen en oppervlaktewater draagt weer bij aan een verbeterde hemelwaterafvoer. De combinatie van de lage ligging (ca. NAP -3,5m.) en de grote hoeveelheid verharding op het Buikslotermeerplein heeft tot gevolg dat het Buikslotermeerplein op deze drie aspecten niet goed scoort. De gemiddelde laagste grondwaterstand (glg) bevindt zich op meerdere plekken minder dan 50 cm. onder het maaiveld terwijl het (nog vast te stellen) gemeentelijk beleid adviseert een minimale ontwateringsnorm van tenminste 90 cm. Wat betreft hemelwaterafvoer is het Buikslotermeerplein deels gecategoriseerd als regenwaterknelpunt. Een regenwaterknelpunt is een (deel van een) straat of buurt met een (verhoogde) kans op overlast en schade bij extreme neerslag. De knelpunten variëren in ernst en grootte. De knelpunten zijn geïnventariseerd en inzichtelijk gemaakt op de kaart Amsterdam Rainproof. Het Buikslotermeerplein heeft op deze kaart de status 'urgent'. Dit betekent dat er een reële kans op schade aan vastgoed aanwezig is bij buien met een intensiteit 60 mm. in één uur.

De hittekaart van de gemeente maakt duidelijk dat het overgrote deel van het Buikslotermeerplein in de hoogste categorie valt wat betreft hittetress met een gemiddelde gevoelstemperatuur (PET) van 46 graden (of hoger), gemeten op 1 juli 2015 tussen 12-18u. Grondwater Om de beoogde ontwateringsnorm van 90 cm te bereiken adviseert Waternet in eerste instantie in te zetten op een ophoging van het maaiveld, daar waar mogelijk. Andere maatregelen om de waterhuishouding te verbeteren zijn de introductie van oppervlaktewater en drainage. In de volgende fase moet per deelgebied onderzocht worden met welk pakket aan maatregelen de gewenste ontwateringsdiepte bereikt kan worden, op korte of lange termijn, en welke maatregelen op korte termijn kunnen bijdragen aan het verbeteren van de waterhuishouding indien ophoging vooralsnog niet aan de orde is. Laatstgenoemde heeft betrekking op bijvoorbeeld het winkelcentrum waar de fasering en uitvoering van de transformatie afhankelijk is van de eigenaren en winkeliers. Centrumplein Het gebouw 't Warderschip is gelegen aan het centrumplein. Naar verwachting gaat dit deelgebied als eerste ontwikkeld worden waarbij ophoging het uitgangspunt wordt. Dit principe is reeds toegepast bij de recentelijk opgeleverde bioscoop. Het maaiveldniveau van het Buikslotermeerplein ligt globaal op NAP -3.45m.

De gemiddelde hoge grondwaterstand zit daar niet ver onder in de bestaande situatie. Rekenkundig is dit wel tot 0,20 m onder het huidige maaiveld. Het toepassen van parkeerkelders onder de nieuwbouw verslechterd de huidige situatie minimaal. Uit de doorgevoerde berekeningen blijkt de situatie zich met enkele centimeters te verslechteren. Daarbij opgemerkt dat de huidige situatie verre van optimaal is. In het kader van 't Warderschip worden geen nieuwe kelders gebouwd. Naast ophoging wordt de introductie van oppervlaktewater op het Centrumplein voorgesteld. De uiteindelijke uitkomsten en conclusies naar aanleiding van dit onderzoek dienen vastgelegd te worden in een bouwenvelop (of tender) en zijn randvoorwaardelijk voor het architectonisch ontwerp. Aansluiting van de nieuwe maaiveldhoogtes op de bestaande hoogtes nabij de te handhaven bebouwing en de directe omgeving vereist maatwerk en maakt deel uit van het ontwerp van de openbare ruimte. Hemelwaterafvoer / Rainproof Gebaseerd op het vastgestelde programma dient in de vervolgfase de wateropgave gekwantificeerd te

Gemeente Amsterdam

blz. 58

worden (in m3) zodat de benodigde waterberging bij piekbuien inzichtelijk wordt. Uitgangspunt hierbij is de totale opgave en de opgave per deelgebied te bepalen, mede gezien de bestaande eigendomsverhoudingen en de (verwachte) gefaseerde uitvoering van het project. Een tweede uitgangspunt is dat de benodigde waterberging deels op eigen terrein, bijvoorbeeld in de vorm van polderdaken, en deels in de openbare ruimte wordt gerealiseerd. De opvang van regenwater op eigen terrein wordt vastgelegd in de op te stellen kavel- of blokpaspoorten middels de hemelwaterverordening van de gemeente. De opvang van regenwater in de openbare ruimte wordt verder uitgewerkt in een op te stellen openbare ruimte plan waarbij ingezet wordt op waterbergend groen en / of het toevoegen van oppervlaktewater, mede afhankelijk van de ligging in het plangebied en de mogelijkheden hiertoe. Hierbij dient opgemerkt te worden dat gezien het toekomstige hoogstedelijke karakter van het gebied de ruimte voor waterberging, in de vorm van waterbergend groen en / of oppervlaktewater niet onbeperkt aanwezig is. Aanvullend op de introductie van waterbergend groen of oppervlaktewater kan ook gedacht worden aan het toepassen van open bestrating als middel om de infiltratie van regenwater in de bodem te bevorderen.

Bovenstaande opties moeten verder onderzocht worden in de vervolgfase, mede in relatie met de -lage- grondwaterstand. Afhankelijk van de uitkomsten van dit onderzoek kan per deelgebied een afgewogen pakket van maatregelen uitgewerkt worden.

4.8

Natuur en landschap

4.8.1

Kader

Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Floraen faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Vanaf 1 januari 2017 is niet de minister, maar de provincie bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing voor overtreding van verbodsbepalingen en het vaststellen van vrijstellingsregelingen ten aanzien van beschermde soorten. De provincie blijft bevoegd gezag voor het afgeven van vergunningen voor plannen of projecten met effecten op een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden zijn Europees beschermde gebieden. Per gebied zijn hiervoor specifieke instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. Significant negatieve effecten op deze doelstellingen zijn in beginsel niet toegestaan. Natuurnetwerk Nederland Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het 'Natuurnetwerk Nederland' (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, PRV, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving. Binnen de NNN kan de uitwisseling van soorten plaatsvinden en wordt de instandhouding van de biodiversiteit ondersteund. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan, als deze ontwikkelingen de wezenlijke kenmerken of waarden van het NNN aantasten.

Voor wat betreft het NNN is er alleen bij directe aantasting sprake van vervolgstappen, waaronder compensatie. Beschermde soorten In hoofdstuk 3 'Soorten' van de Wnb is soortbescherming opgenomen en opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn;

bestemmingsplan_'t Warderschip (vastgesteld)

blz. 59

3. 'andere soorten' (onderdeel A 'fauna' en onderdeel B 'flora'). Omgevingsverordening NH2020 Het planologische beleid van de provincie Noord-Holland is vastgelegd in de Omgevingsverordening NH2020. Deze documenten bevatten de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), de ecologische verbindingszones (EVZ) en het weidevogelleefgebied. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Ingrepen in de EHS, ecologische verbindingszones en weidevogelleefgebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op deze gebieden, of als negatieve effecten kunnen worden tegengegaan door het nemen van mitigerende maatregelen (maatregelen die de negatieve effecten zoveel mogelijk beperken). Heeft een ingreep wel een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van een EHS gebied, dan geldt het 'nee, tenzij-regime'. Een project kan dan alleen doorgaan als er geen reële alternatieven zijn en als sprake is van een groot openbaar belang. Als een ingreep wordt toegestaan moet de initiatiefnemer de (potentiële) natuurwaarden die verloren gaan, op eigen kosten compenseren. Dit beschermingsregime is verankerd in de Structuurvisie, de Omgevingsverordening NH2020 en de Beleidsregel compensatie natuur en recreatie Noord-Holland.

Onder wezenlijke kenmerken en waarden worden verstaan: de bij het gebied behorende natuurdoelen en -kwaliteit; geomorfologische en aardkundige waarden en processen; de waterhuishouding; de kwaliteit van bodem, water en lucht; rust, stilte, donkerte en openheid; de landschapsstructuur; de belevingswaarde; de recreatieve mogelijkheden in het gebied. Voor de NNN geldt op basis van artikel 6.43 van de Omgevingsverordening NH2020: Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland en het werkingsgebied natuurverbindingen strekt in ieder geval tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden. Het ruimtelijk plan stelt in ieder geval regels in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden. Bij het stellen van deze regels moeten de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden in acht worden genomen.

Het ruimtelijk plan maakt geen nieuwe activiteiten mogelijk die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden Gedragscode Flora- en faunawet Amsterdam De gedragscode is van toepassing binnen de grenzen van de gemeente Amsterdam en het beheer gebied van het Amsterdamse Bos op alle medewerkers van de gemeente Amsterdam die zelf of samen met andere werkzaamheden uitvoeren of die daartoe opdracht geven aan derden. Deze derden verklaren bij hun werkzaamheden de 'Gedragscode flora en fauna van de gemeente Amsterdam' te onderschrijven en te volgen. Op verzoek kunnen zij een exemplaar van de gedragscode overhandigen aan controlerende instanties of verenigingen. Met de gedragscode beschrijft de Gemeente Amsterdam de voorzorgsmaatregelen die erop gericht zijn de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten die binnen haar gemeente grenzen voorkomen bij het uitvoeren van werkzaamheden te handhaven dan wel te versterken. Daarmee voldoet de gemeente Amsterdam aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 16c van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantsoorten Flora- en faunawet.

De gedragscode heeft betrekking op plannen en projecten die in opdracht van of door de gemeente Amsterdam worden voorbereid en uitgevoerd. De

Gemeente Amsterdam

blz. 60

gedragscode betreft: de voorbereiding en uitvoeren van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling; het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Hoofdgroenstructuur In de Structuurvisie Amsterdam 2040 is de hoofdgroenstructuur van Amsterdam vastgelegd. Het plangebied waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft, ligt volledig buiten de hoofdgroenstructuur. In de huidige situatie is het gebied volledig bebouwd en verhard en in gebruik als sterk stedelijk gebied met diverse stedelijke voorzieningen. 4.8.2

't Warderschip

In het kader van het bestemmingsplan is Ecologisch onderzoek uitgevoerd. Soortenbescherming Met het in achtnemen van besproken aanbevelingen, beperkingen en restricties zoals beschreven in het onderzoek worden geen belangrijke negatieve effecten verwacht voor beschermde soorten bij uitvoer van de plannen. Er dient altijd rekening te worden gehouden met de zorgplicht. Gebiedsbescherming Natura2000 Het plangebied ligt op meer dan 2,5 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (zie plaatje hieronder). Gezien de grote afstand, afscherming (groengebied/stedelijk) en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden.Wel is het niet uit te sluiten dat de plannen een toename van stikstofdepositie tot gevolg hebben op in de omgeving liggende Natura 2000-gebieden.

bestemmingsplan_'t Warderschip (vastgesteld)

blz. 61

Figuur 4.8.2 NNN en Natura 2000-gebieden Door van der Goes en Groot is een Stikstofberekening uitgevoerd. Bij de berekening van stikstofemissie zijn twee fases te onderscheiden, de aanlegfase (sloop & bouw) en de gebruikfase (gebruik ontwikkelde gebied na afloop van de aanlegfase inclusief aantrekking verkeer e.d.). Aanleg en gebruik komen niet naast elkaar voor. In het onderzoek is zowel de aanleg als de gebruiksfase beschouwd. De projectbijdrage van het gebruik (zonder saldering) is 0,01 mol/ha/jaar. Bij (interne) saldering van het bestaande gebruik op de referentiedatum blijkt dat de huidige projectbijdrage van zowel aanlegfase als de gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Deze bijdragen worden als verwaarloosbaar beschouwd. Bij een kleine tijdelijke depositie kunnen negatieve gevolgen op stikstofgevoelige habitats op voorhand worden uitgesloten. Hiermee is aangetoond dat een aanvraag voor Wnb-vergunning niet nodig is. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden. Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN-gebied optreden.

De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) Het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) is het regime voor bescherming in Noord-Holland voor gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn. Het BPL is beschreven in kernkwaliteiten per deelgebied. De voormalige beschermingsregimes Bufferzones, Aardkundig Monument en Weidevogelleefgebied zijn geborgd in de kernkwaliteiten. Het gebied is niet begrensd als een Bijzonder Provinciaal Landschap en ligt ook niet in de directe omgeving hiervan. Er is geen negatief effect mogelijk op het BPL, een nadere toetsing is niet nodig. Conclusie

Gemeente Amsterdam

blz. 62

Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Wnb of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen.

4.9

Bodemkwaliteit

Wetgeving De bescherming van de bodem wordt wettelijk o.a. geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). De Wbb is een zogenaamde raamwet, wat betekent dat de kaders worden aangegeven maar dat de uitwerking daarvan geregeld is in verschillende besluiten en circulaires (o.a. Besluit bodemkwaliteit, Besluit Uniforme Saneringen en Circulaire bodemsanering 2009). De Wbb stelt in het bijzonder regels ter voorkoming van bodemverontreiniging en sanering van ontstane verontreiniging. De Wbb heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. In de Wbb maakt grondwater wel onderdeel uit van de bodem. De wet bestaat uit een tweetal regelingen: 1. Een regeling voor de bescherming van de bodem, met daarin opgenomen de zorgplicht; 2. Een regeling voor de aanpak van overige bodemverontreiniging op land. Nota Bodembeheer De gemeenteraad heeft op 4 april 2012 de Nota Bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam vastgesteld. Het Besluit bodemkwaliteit geeft gemeenten de vrijheid eigen normen op te stellen voor toepassen van grond binnen de eigen gemeente, het zogenaamde gebiedsspecifieke beleid. Dat is met genoemde nota voor Amsterdam ingevuld. Deze eigen normen (de lokale maximale waarden) waarborgen het stand-still principe binnen Amsterdam, het uitgangspunt waarbij de kwaliteit van de bodem binnen de gemeentegrenzen niet verslechtert.

Bij de keuze van de lokale normen is rekening gehouden met het daadwerkelijk gebruik van de bodem, de gemiddelde gehalten in een gebied en mogelijke blootstelling aan verontreiniging. Voor elke stof is de gekozen lokale maximale waarde afhankelijk van de bodemfunctie. Hoe gevoeliger de functie, hoe strenger de norm. Wat schoon is moet schoon blijven. In het gebiedsspecifieke kader kan een op de functie gerichte norm beschermen waar dat nodig is, maar ook verruimen waar dat verantwoord is. Omdat er ruimte blijft om bij stedelijke vernieuwing gemotiveerd de afweging te maken tussen gezondheidsrisico’s en maatschappelijke belangen is lokaal maatwerk mogelijk. Amsterdam maakt op deze manier optimaal gebruik van de beleidsvrijheid vanuit de wettelijke kaders. De Amsterdamse maximale waarden gelden niet voor de naoorlogse wijken van Amsterdam en het havengebied Westpoort. De grond in dit gebied (bijna 50% van Amsterdam) is schoon en geschikt om overal zonder onderzoek te hergebruiken. Uit het oogpunt van efficiency en eenduidigheid in onderhoud en beheer is één bodemkwaliteitskaart opgesteld voor heel Amsterdam (bestaande uit meerdere deelkaarten). De kaart vormt de technisch inhoudelijke onderbouwing voor het nieuwe Amsterdamse bodembeleid.

bestemmingsplan_'t Warderschip (vastgesteld)

blz. 63

Figuur 4.9.1 Uitsnede uit de bodemkwaliteitskaart Amsterdam Conform de Bodemkwaliteitskaart behoort de grond onder het winkelcentrum tot "Zone 1". De grond is geschikt voor de beoogde functies (waaronder wonen). Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10

Externe veiligheid

Kader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.). Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop.

Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Gemeente Amsterdam

blz. 64

Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels restaurants. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam De gemeente Amsterdam wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. Daarnaast is het van belang dat (economische) ontwikkeling kan blijven plaatsvinden. Binnen Amsterdam worden regelmatig besluiten genomen waarbij externe veiligheid een afwegingscriterium vormt.

Om als Amsterdam eenduidig met externe veiligheidsrisico's om te kunnen gaan moet duidelijk zijn met welke risico's van gevaarlijke stoffen rekening moet worden gehouden, hoe (groeps)risico's als gevolg van gevaarlijke stoffen worden meegewogen in de besluitvorming en welke maatregelen kunnen worden getroffen om deze risico's te beperken. Deze aspecten worden beschreven in het uitvoeringsbeleid. Het doel van Amsterdam is om risico's zoveel mogelijk te beperken, zoals gesteld in het duurzaamheidsprogramma 2011-2014. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Besluit externe veiligheid transportroutes(Bevt) Het Bevt stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Nieuwbouw van (beperkt) kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de afstanden van het plaatsgebonden risico. Binnen de plasbrandaandachtsgebieden kunnen soms (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Deze moeten voldoen aan de extra eisen uit het Bouwbesluit 2012. Als nieuwbouw binnen het invloedsgebied van een transportroute komt, is een verantwoording van het groepsrisico nodig.

Deze moet worden opgenomen in de toelichting bij een bestemmingsplan of in de ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning tot afwijken. De bouwbeperkingen voor ontwikkelingen langs de transportroutes uit het Basisnet Water staan in het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes (BEVT), de Regeling Basisnet en het Bouwbesluit. Meer informatie hierover staat in de ‘Handreiking Bouwbeperkingen in en langs vaarwegen voortvloeiend uit het Basisnet Water’. In de nabijheid van het plangebied heeft er vervoer plaats over de Nieuwe Leeuwarderweg en de A10 Noord. De projectlocatie is echter gelegen buiten de risico-contouren van deze wegen. Besluit externe veiligheid Buisleidingen (Bevb) Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. In en rond het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan 't Warderschip liggen geen buisleidingen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Onderzoek externe veiligheid is voor dit aspect niet nodig. bestemmingsplan_'t Warderschip (vastgesteld)

blz. 65

Omgevingsveiligheid (Omgevingswet) Omgevingsveiligheid is een begrip dat wordt geïntroduceerd in de Omgevingswet die naar verwachting in 2023 in werking zal treden. Door alle wetten en regelingen binnen het omgevingsrecht samen te voegen ontstaat een verandering onder het motto ‘Eenvoudig beter’. De Omgevingswet introduceert (in het Besluit kwaliteit leefomgeving) een aantal aandachtsgebieden. Deze aandachtsgebieden verschillen per risicobron. Voor transportroutes uit het Basisnet gaan bijvoorbeeld de volgende aandachtsgebieden gelden: Een brandaandachtsgebied van 30 meter; Een explosieaandachtsgebied van 200 meter. Het bevoegd gezag heeft binnen deze aandachtsgebieden de afwegingsruimte om aanvullende voorschriften in de vorm van bijvoorbeeld aanvullende bouwkundige maatregelen voor te schrijven door het vaststellen van een voorschriften gebied. Voor zeer kwetsbare gebouwen (zoals gebouwen bestemd voor het verblijf van jonge kinderen) staat het voorschriftengebied altijd aan. Voor de zeer kwetsbare gebouwen binnen het aandachtsgebied gelden de aanvullende bouwkundige maatregelen (of gelijkwaardige maatregelen) altijd. Conclusie In de nabijheid van de projectlocatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen of andere bronnen die relevant zijn voor externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.11

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie Beleid Het archeologische erfgoed bestaat uit structuren en voorwerpen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Deze materiële overblijfselen vormen een onderdeel van onze leefomgeving. Het beleid voor het archeologisch erfgoed heeft dan ook veel raakvlak met dat van de ruimtelijke ordening. Voor een optimale integratie van archeologie in de ruimtelijke ordening heeft het rijk onder andere de Monumentenwet 1988 en de Wet ruimtelijke ordening aangepast, en de Erfgoedwet geïntroduceerd. De Monumentenwet is per 1 juli 2016 vervallen, maar het deel dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving blijft via het Overgangsrecht in de Erfgoedwet van toepassing. Rijk In 1992 hebben de Europese ministers van Cultuur het Verdrag van Valletta opgesteld (ook bekend als het Verdrag van Malta). Deze culturele overeenkomst had tot doel om meer bewustzijn van het Europese erfgoed te creëren en in het bijzonder het Europese archeologische erfgoed voor toekomstige generaties beter in stand te houden. In Nederland wordt aan dit uitgangspunt invulling gegeven door behoud van archeologisch erfgoed in de bodem (in situ) tijdens de planontwikkeling mee te wegen. Als behoud in de bodem (bijvoorbeeld door middel van technische maatregelen of planaanpassing) geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven (behoud ex situ).

De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en de financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. In de Monumentenwet is een bepaling opgenomen dat in elk bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden. De Erfgoedwet bevat een verplichting om toevalsvondsten te melden (de zogenaamde meldingsplicht).

Gemeente Amsterdam

blz. 66

Provincie Noord-Holland Als toetsingskader voor bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen gebruikt de provincie Noord-Holland de structuurvisie, de leidraad Landschap en Cultuurhistorie en de Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie (ILC). Op grond van de Wro dienen gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie in acht te nemen. Op de ILC zijn o.a. archeologisch verwachtingsvolle gebieden opgenomen. Naast de ILC beheert de provincie de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van het rijk. Op de AMK staan de beschermde archeologische monumenten, de terreinen van zeer hoge en hoge archeologische waarde en de gebieden met een archeologische betekenis. De waardestellingen van de ILC en AMK zijn bedoeld als algemene indicaties die per specifiek plangebied nadere invulling en precisering nodig hebben. Gemeente Amsterdam De gemeente Amsterdam vindt het belangrijk dat archeologie vroegtijdig in ruimtelijke ordeningsprocessen wordt geïntegreerd. Hiermee worden twee doelen gediend. Ten eerste een efficiënte voortgang en kostenbeheersing van bouwprocessen. En ten tweede een kwalitatief goed en stadsbreed uniform beheer van het archeologische erfgoed.

Op basis van de resultaten uit het archeologisch bureauonderzoek wordt bepaald of in het bestemmingsplan regels met betrekking tot archeologie moeten worden opgenomen. De Monumentenwet biedt een tweetal mogelijkheden (artikelen 39-40) die Monumenten en Archeologie heeft uitgewerkt in de modelregels archeologie. De bescherming van (verwachte) archeologische waarden in een bestemmingsplan wordt geregeld met een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Aan een omgevingsvergunning zijn bouwregels verbonden: die bepalen dat in het belang van de archeologische monumentenzorg de aanvrager van een omgevingsvergunning een archeologisch rapport met selectiebesluit dient te overleggen. Daarnaast kan in het bestemmingsplan worden opgenomen dat een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd voor het uitvoeren van aanlegwerkzaamheden. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Dit houdt in dat aan de vergunning de verplichting wordt gekoppeld om technische maatregelen tot behoud te treffen, om de archeologische resten op te graven of om de werkzaamheden te laten begeleiden door een archeoloog. De bouwregels en de omgevingsvergunning voor aanlegwerkzaamheden bevatten daarnaast uitzonderingen die duidelijk maken in welke gevallen archeologisch onderzoek niet nodig is.

In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 10.000 m2 of ondieper dan de 19de- of 20ste-eeuwse ophogingen (Appendix: Beleidsvarianten). In de praktijk komen per plangebied meestal twee tot zes varianten voor. Erfgoed voor de stad Amsterdam is permanent in verandering en ontwikkeling. Erfgoed is een bron van inspiratie en een drijvende kracht bij die ontwikkeling: monumentale gebouwen en archeologische vindplaatsen, maar ook tradities en verhalen bepalen de identiteit en de kwaliteit van de bestaande stad. Omgekeerd dankt erfgoed haar voortbestaan aan verandering en groei. Actuele ontwikkelingen in de economie en het verkeer, in het wonen, de culturele sector, het onderwijs en het sociale domein zijn bepalend voor de toekomst van zowel het materiële als het immateriële erfgoed. Nieuwkomers en zittende bewoners, jonge starters en gevestigde (internationale) bedrijven zoeken steeds opnieuw passende ruimte in de stad. En zorgen voor een vitale mix van wonen, werken en recreëren in de bijzondere buurten en monumentale gebouwcomplexen van Amsterdam. In de Erfgoedagenda (Erfgoed voor de stad, 2016) worden de hoofdlijnen, aandachtspunten en acties

bestemmingsplan_'t Warderschip (vastgesteld)

blz. 67

voor de komende jaren uiteengezet. Rode draad is het optimaal inzetten van erfgoed bij de transformatie en groei van de stad. Erfgoed vertegenwoordigt een brede cultuurhistorische, sociaal-maatschappelijke, economische en ook een ecologische waarde. Deze waarden worden kwalitatief en steeds meer ook kwantitatief in beeld gebracht. Via permanent onderzoek ontdekken en duiden architectuurhistorici, bouwhistorici en archeologen de elementen van de stad die het verhaal vertellen van haar ontwikkelingsgeschiedenis. Zij geven aan wat de waarden ervan zijn en waarom. Het voor iedereen vindbaar en begrijpelijk maken van deze kennis wordt steeds belangrijker. De bestaande ruimtelijke kwaliteiten en cultuurhistorische waarden, bepalend voor de identiteit van een gebied, vragen erom te worden ingezet als bron van inspiratie bij ontwikkeling en transformatie. Monumenten en Archeologie levert daarvoor de gegevens en de analyse. Archeologisch waardevolle gebieden In het kader van het bestemmingsplan Boven 't Y is archeologisch onderzoek uitgevoerd. De gronden waarop wordt gebouwd zijn al geroerd door eerdere bouwactiviteiten en archeologisch vervolgonderzoek is niet nodig. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Cultuurhistorie Beleid In Amsterdam komt het verankeren van de cultuurhistorie in het proces van ruimtelijke ordening aan bod in de Beleidsnota 'Ruimte voor Geschiedenis' (2005), 'Spiegel van de Stad, visie op het erfgoed van Amsterdam' (2011) en de erfgoedagenda ‘Erfgoed voor de stad, agenda voor het erfgoed in een groeiend Amsterdam’ (2016). Gebieden van zeer grote cultuurhistorische waarden kunnen op grond van de Monumentenwet worden aangewezen als beschermd stadsgezicht. Aangezien geen sprake is van een beschermd stadsgezicht wordt hier niet nader op ingegaan. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Amsterdam is te zien dat de projectlocatie geen bijzonder regime kent.

Gemeente Amsterdam

blz. 68

Figuur 4.11.1 Uitsnede uit de cultuurhistorischewaardenkaart (bron: maps.amsterdam.nl) Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.12

Luchthavenindelingsbesluit

De milieu- en veiligheidsregels voor Schiphol zijn vastgelegd in twee uitvoeringsbesluiten, behorend bij de in 2001 goedgekeurde Schipholwet: het Luchthavenindelingsbesluit en Luchthavenverkeersbesluit. Het Luchthavenverkeersbesluit is gericht op de beheersing van de milieubelasting door het luchthavenluchtverkeer rondom Schiphol. Het Luchthavenindelingsbesluit bevat (ruimtelijke) regels voor de omgeving ten behoeve van het functioneren van Schiphol. Voor ruimtelijke plannen is hoofdzakelijk het Luchthavenindelingsbesluit van belang. Dit besluit zal kort worden toegelicht. In het Luchthavenindelingsbesluit (LIB) is in november 2002 in werking getreden en is een besluit op basis van de Luchtvaartwet. Het LIB regelt welk gebied bestemd is voor gebruik als luchthaven en voor welk gebied daarom heen beperkingen gelden ten behoeve van de veiligheid en geluidsbelasting. Voor bepaalde gebieden rondom Schiphol is een "beperkingengebied" aangewezen. Binnen dat gebied gelden beperkingen ten aanzien van: maximale bouwhoogten, vogel aantrekkende functies en toegestane functies. Het LIB geeft regels voor gebruik en bestemming van de grond in deze gebieden. Op basis van het LIB kan de rijksoverheid beperkingen opleggen aan bouwinitiatieven in zones rondom de luchthaven Schiphol. Primaire doelen zijn: a.

voorkomen dat het gebruik van de grond en de bebouwing op en rond Schiphol een gevaar zou kunnen vormen voor de veiligheid van het luchtverkeer; b. beperken van het aantal nieuwe en bestaande door vliegtuiggeluid gehinderde bewoners en gebruikers. Het besluit tot wijziging van het LIB Schiphol in verband met wijziging van het beperkingengebied en de regels met het oog op de vliegveiligheid is met ingang van 4 november 2015 in werking getreden.

bestemmingsplan_'t Warderschip (vastgesteld)

blz. 69

Ten tweede worden de ruimtelijke regels over externe veiligheid en geluidhinder verduidelijkt en vereenvoudigd. Met deze wijzigingen krijgen gemeenten meer eigen afwegingsruimte en verantwoordelijkheid voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dit mede naar aanleiding van knelpunten bij gemeenten in verband met de lokale leefbaarheid. 't Warderschip Het Luchthavenindelingbesluit (LIB) van Schiphol stelt in een ruim gebied rondom de luchthaven restricties aan bouwactiviteiten. Het primaire doel is om te borgen dat mensen nabij de luchthaven een acceptabel woon- en leefklimaat hebben en zo min mogelijk hinder ondervinden van de luchtvaart. Dit resulteert in LIB-zones waar bewoning niet mogelijk is, of enkel onder voorwaarden wordt toegestaan. In de figuur hieronder zijn de LIB-zones 1 tot en met 5 weergegeven. De projectlocatie valt niet in één van deze beperkende zones en kent dus geen restricties voor bouwactiviteiten.

Figuur 4.12.1 Uitsnede uit het LIB

Volgens het LIB zijn er wel twee toetsvlakken relevant voor hoogbouw. Allereerst betreft dit de beperking op 146 meter als gevolg van de outer horizontal surface en de aanvliegroutes voor het landen op banen 22 (Oostbaan) en 24 (Kaagbaan). Dit betekent dat bebouwing boven de 146 in beginsel niet is toegestaan. Hiervoor zou een verklaring van geen bezwaar moeten worden opgevraagd. Voorliggend bestemmingsplan maakt geen bebouwing mogelijk hoger dan 70 meter, derhalve vormt dit toetsvlak geen belemmering. Het andere maatgevende toetsvlak is dat van de TAR-radars (Terminal Area Radar). Dit is voor vliegtuigen die in de nabijheid van het vliegveld zijn. Het bouwplan heeft mogelijk te maken met de doorsnijding van twee radarvlakken: die van TAR1 en TAR4. Deze radarvlakken liggen boven de projectlocatie tussen de 80 en 100 meter boven NAP. Maatgevend is dus bebouwing die boven de 80 meter komt. Zoals hierboven reeds aangegeven is binnen het onderhavige bestemmingsplan geen

Gemeente Amsterdam

blz. 70

bebouwing toegestaan boven de 70 meter, derhalve is geen radaradvies van ILT nodig, omdat verstoring op voorhand is uit te sluiten. Overige mogelijke belemmeringen die in het LIB genoemd worden, zoals de realisatie van windturbines, het gebruik van laserapparatuur, en het vogelbeperkingengebied zijn niet relevant. Conclusie De conclusie luidt dat er tot een bouwhoogte van 80 meter geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het bouwplan voorziet niet in bebouwing hoger dan 70 meter. Het LIB vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

bestemmingsplan_'t Warderschip (vastgesteld)

blz. 71

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Waar de overige paragrafen van deze bestemmingsplantoelichting de achtergronden van het bestemmingsplan belichten, geeft deze paragraaf een toelichting op de bestemmingsplanregels. Uitgelegd wordt wat de bedoeling en strekking is van de verschillende onderdelen van de regels. Daartoe worden in deze paragraaf de regels per artikel toegelicht. Het (juridisch deel van het) bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding heeft een functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Algemeen Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. De hoofdstukken en daarbij behorende artikelen zijn hieronder opgenomen en worden in paragraaf 5.2 nader toegelicht: Hoofdstuk 1 – Inleidende regels 1. Artikel 1 – Begrippen 2. Artikel 2 – Wijze van meten Hoofdstuk 2 – Bestemmingsregels 1. Artikel 3 – Gemengd Hoofdstuk 3 – Algemene regels 1. Artikel 4 – Anti dubbelregel 2. Artikel 5 – Overige regels Hoofdstuk 4 – Overgangs- en slotregels 1. Artikel 6 – Overgangsrecht 2. Artikel 7 – Slotregels

Gemeente Amsterdam

blz. 72

Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.

5.2

Artikelsgewijze toelichting

5.2.1

Toelichting op de bestemmingen

In deze paragraaf worden de niet voor zichzelf sprekende en bijzondere juridische aspecten van de bestemmingsbepalingen toegelicht. HOOFDSTUK 1 - INLEIDENDE REGELS Begrippen Artikel 1 geeft, in alfabetische volgorde, een omschrijving van een aantal begrippen die in de regels worden gebruikt. Hiermee wordt formeel vastgelegd wat wel en wat niet onder het betreffende begrip moet worden verstaan. Dit artikel is dus primair bedoeld om begrippen duidelijk te begrenzen. Wijze van meten Met dit artikel wordt aangegeven op welke wijze moet worden beoordeeld in hoeverre een initiatief past binnen de minima en maxima die door de overige regels worden aangegeven. HOOFDSTUK 2 - BESTEMMINGEN Gemengd Ter plaatse van de bestemming “Gemengd” zijn onder meer woningen, kantoren, bedrijven, horeca, maatschappelijke en culturele voorzieningen toegestaan. De bebouwing is binnen de opgenomen bouwvlak toegestaan. Voor de beoogde bebouwing zijn onder de bouwregels (artikel 3.2) diverse bepalingen opgenomen waar de bebouwing aan dient te voldoen. In artikel 3.3 zijn de regels opgenomen waarmee, onder voorwaarden, kan worden afgeweken van de bouwregels. In artikel 3.4 zijn specifieke gebruiksregels opgenomen voor de toegestane functies. Artikel 3.5 biedt de mogelijkheid om af te wijken van de gebruiksregels. Hierna worden voornoemde bepalingen beknopt – en niet limitatief - nader toegelicht.

Bouwregels Voor het bestaande, te behouden deel van 't Warderschip zijn de bestaande bouwhoogtes opgenomen op de verbeelding. Voor de nieuw te bouwen toren is een maximale bouwhoogte opgenomen van 70 meter. Deze hoogte geldt vanaf maaiveld. Specifieke gebruiksregels In de specifieke gebruiksregels worden per gebruiksfunctie regels gesteld met betrekking tot bijvoorbeeld maximale oppervlaktes of specifieke bouwlaag waarin de functie is toegestaan. Voor de functies maatschappelijke dienstverlening, cultuur en ontspanning en bedrijven zijn geen

bestemmingsplan_'t Warderschip (vastgesteld)

blz. 73

maximale oppervlaktes opgenomen. De begrenzing van deze functies wordt bepaald door de hoeveelheid andere functies en de maximale bouwmogelijkheden (beschikbare m2). HOOFDSTUK 3 - ALGEMENE REGELS Anti-dubbeltelregel Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd. Overige regels In dit artikel worden de nadere eisen opgesomd die het bevoegd gezag kan stellen in het kader van de uitvoering van het bestemmingsplan. Ook zijn onder dit artikel de regels opgenomen met betrekking tot parkeren en laden en lossen. HOOFDSTUK 4 - OVERGANGS- EN SLOTREGEL Overgangsrecht De overgangsregel is evenals de anti-dubbeltelregel overgenomen uit de standaardregels uit het Bro. Hierin wordt het overgangsrecht geregeld. Slotregel De slotregel geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer alsmede de datum van vaststelling door de gemeenteraad.

Gemeente Amsterdam

blz. 74

bestemmingsplan_'t Warderschip (vastgesteld)

blz. 75

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

Ingevolge artikel 6.12 Wro, besluit de gemeenteraad of wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan. In dit geval wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan omdat het verhaal van de kosten van de grondexploitatie, zoals bedoeld in de Wro, anderszins is verzekerd via de anterieure overeenkomst. Het is daarom niet noodzakelijk een exploitatieplan vast te stellen. Het toepassen van het erfpachtstelsel ten behoeve van kostenverhaal past goed binnen het uitgangspunt van de Wro dat het privaatrechtelijke spoor voorop staat. Erfpacht is immers een privaatrechtelijk instrument waarbij de gemeente als eigenaar bepaalt tegen welke vergoeding haar gronden in gebruik mogen worden genomen door derden. Naar zijn aard biedt dit systeem de gemeente de mogelijkheid om kosten die de gemeente maakt ten behoeve van de grondexploitatie van gronden te verhalen op derden die gebruik maken van die gronden.

Gemeente Amsterdam

blz. 76

bestemmingsplan_'t Warderschip (vastgesteld)

blz. 77

Hoofdstuk 7 7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg met betrokken overheden (art. 3.1.1. Bro)

Het bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk (ambtelijk) vooroverleg (op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) naar diverse (overheids)instanties gestuurd. De periode voor het indienen van een vooroverlegreactie liep van 8 december 2022 tot en met 19 januari 2023. Aan de volgende instanties is gevraagd advies uit te brengen: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Ministerie van Infrastructuur & Milieu/ Rijkswaterstaat West Nederland Noord; Provincie Noord-Holland; Brandweer Amsterdam-Amstelland; Waternet; Liander; NV Nederlandse Gasunie.

In het stadium van het vooroverleg wordt daarnaast, op grond van de Verordening op lokaal bestuur, advies gevraagd aan Stadsdeel Noord. Er zijn in het kader van het 3.1.1. overleg geen inhoudelijke reacties binnengekomen. Advisering Stadsdeel Noord In het kader van het voorontwerpbestemmingsplan heeft het stadsdeel advies uitgebracht. Het Dagelijks Bestuur van stadsdeel Noord wil uitsluitend onder de volgende drie voorwaarden positief adviseren: 1. De groei die momenteel in Noord plaatsvindt brengt een grote uitdaging met zich mee: hoe zorg je ervoor dat de bestaande- en nieuwe stad in balans blijft? Veel Noorderlingen zijn ontevreden over het feit dat er alleen geïnvesteerd wordt in nieuwe wijken/ontwikkelingen en dat bestaande wijken en hun inwoners niet mee profiteren; denk hierbij aan kwaliteit gebouw en duurzaamheid. Het DB vindt dit een onwenselijke situatie en wil graag weten welke mogelijkheden er zijn om dit (in het geval van het Warderschip) tegen te gaan. Concreet kan er worden gedacht aan de vraag op welke manier de huidige bewoners mee kunnen profiteren van deze ontwikkeling (principe van Ongedeelde wijken). 2. De huidige bewoners (eigenaren/huurders) hebben geen of beperkte inspraak/zeggenschap over de aanpassingen aan het gebouw en hebben mogelijk maar beperkt baat bij de vernieuwbouw/ontwikkelingen.

Ook zullen zij mogelijk geconfronteerd worden met kostenstijgingen (vanuit de VVE). Het DB wil zorgdragen dat zij actief betrokken worden bij het ontwerpproces en dat hinder voor hen zo veel mogelijk beperkt wordt in de uitvoering. Bovendien mogen de kosten voor hen als VVE-lid door de aanpassingen/ontwikkeling niet onnodig stijgen en dienen deze tijdig bekend en transparant te zijn. 3. Het Warderschip biedt nu (in de plint en op de eerste etage) onderdak aan een aantal cultureelmaatschappelijke functies die erg waardevol zijn voor de omgeving. Gelet op de behoefte aan zulke voorzieningen vraagt het DB te borgen dat er voldoende ruimte voor dergelijke lokale cultureel-maatschappelijke initiatieven op het Centrumplein blijft bestaan, zowel in de toekomst als in de tijdelijkheid. Het college heeft het advies tot zich genomen en van een reactie voorzien. In de reactie geeft het college aan hoe in dit project de mogelijke tegenstelling tussen het bestaande en het nieuwe wordt beperkt en wat de positie is van de huidige bewoners en gebruikers van het plangebied. De gehele reactie is opgenomen als Bijlage 6.

Gemeente Amsterdam

blz. 78

7.2

Participatie

Participatie over de gehele ontwikkeling van het Buikslotermeerplein, waar 't warderschip een deelproject van is, heeft plaats (gehad) in het kader van de Projectnota Buiksloterham. Op woensdag 31 maart 2021 organiseerde de gemeente Amsterdam online informatiebijeenkomsten over de toekomst van gebouw 't Warderschip. In de middag was er een bijeenkomst voor de eigenaren. In de avond voor de bewoners. Inhoudelijk waren de presentaties hetzelfde. Er kwamen drie onderwerpen aan bod: werkzaamheden rondom op 't Warderschip (korte termijn), de ambities voor het Buikslotermeerplein en ideeën van de gemeente over haar eigendom in gebouw 't Warderschip. Als vervolg op de informatiebijeenkomst is het plan op onderdelen aangepast. Het ging daarbij met name om de positie van de nieuwe woontoren. Deze positie is zodanig aangepast dat er zo min mogelijk sprake is van bestaande zichtlijnen vanuit het te behouden deel van 't Warderschip. Donderdag 13 oktober 2022 is de laatste stand van zaken rondom de planvorming van 't Warderschip opnieuw gepresenteerd aan bewoners en gebruikers van het gebouw. De opmerkingen van de bewoners hadden met name betrekking op de gebrekkige bouwkundige kwaliteit van de (parkeer) kelder van het gebouw.

bestemmingsplan_'t Warderschip (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13512838/1