CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Simon Stevinstraat - zelfbouw kavel 01_Toelichting.pdf

RAAD 27 maart 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Simon Stevinstraat – zelfbouwkavel 01 (VN2024-000341)18.358 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In dat geval volstaat een gemeenschappelijke bergruimte voor fietsen, met een vloeroppervlakte van minimaal 1,5 m² per wooneenheid. In de Nota Parkeernormen fiets en scooter is in paragraaf 3.3.1 aangegeven dat het Bouwbesluit 2012 de volgende drie uitzonderingen op de voorschriften voor (fietsen)berging bij woningen maakt: Bij woonfuncties voor studenten en de zorg is een (fietsen)berging verplicht, maar is de eis van bescherming tegen weer en wind niet van toepassing. De (fietsen)berging mag dan in de open lucht zijn (artikel 4.31 lid 4 Bouwbesluit 2012). Bij een woonfunctie waar het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) opvang biedt aan asielzoekers, is geen (fietsen)berging voorgeschreven (artikel 4.30 lid 1 Bouwbesluit 2012). Voor woningen die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap (zelfbouw) is geen (fietsen)berging voorgeschreven (N.B. Dit is geregeld via artikel 1.12a met verwijzing naar afdeling 4.5 Bouwbesluit 2012). Hierover is in de Nota gesteld dat het gegeven dat fietsparkeren voor dergelijke woningen in het Bouwbesluit 2012 is geregeld, maakt dat de gemeente geen afwijkende of extra normen kan opleggen. Dit voorzover het gaat om de achterliggende gedachte bij de regels van het Bouwbesluit.

In de Nota Parkeernormen fiets en scooter 2018 wordt de voorkeur uitgesproken voor een gelijkwaardig alternatief voor individuele fietsenbergingen, namelijk die van een gezamenlijke fietsenstalling. Bewoners zullen die volgens de Nota beter benutten voor het parkeren van hun fiets dan een individuele berging. De gemeente wenst op die wijze te voorkomen dat geparkeerde fietsen van bewoners de openbare ruimte onnodig belasten. Consequenties voor dit plan Het plan ziet toe op de bouw van zelfbouwwoningen (particulier opdrachtgeversschap) en behelst maximaal 4 woningen. Het Bouwbesluit 2012 schrijft voor zelfbouwwoningen geen fietsberging(en) voor. Uit de toelichting op artikel 1.12a Bouwbesluit 2012 is op te maken dat onderscheid tussen bouwen voor particulier eigendom (particulier opdrachtgeverschap) en projectbouw (bouw door projectontwikkelaar) gemaakt is op basis van de veronderstelling dat burgers die zelf bouwen direct eigen belang hebben bij het kwaliteitsniveau van hun particuliere eigendom. Consumenten van projectbouw die door projectontwikkelaars wordt gerealiseerd hebben daarentegen bepaalde bescherming nodig om er voor te zorgen dat een projectontwikkelaar een bepaalde kwaliteit levert, aldus de Nota van toelichting artikel 1.12a Bouwbesluit 2012. Voor voorliggend plan wordt evenwel om redenen

Gemeente Amsterdam

blz. 30

van goede ruimtelijke ordening / stedenbouwkundige redenen, via het instrument van de kavelregels, bepaald dat de stalling van fietsen van de bewoners en bezoekers inpandig of op eigen terrein en gebruiksvriendelijk moet worden opgelost. Dit vanwege de stedenbouwkundige overweging dat extra druk op de openbare ruimte hier niet wenselijk is. Om die reden wordt er voor gekozen om in het bestemmingsplan regels op te nemen voor fietsparkeren op eigen terrein. Dit betreft minimale normen voor het aantal fietsparkeerplekken per woning. In navolging van de Nota Parkeernormen fiets en scooter is er voor gekozen om geen normen op te nemen voor scooterparkeren. Dit omdat er volgens de Nota geen scooterparkeereis geldt voor projecten met minder dan twintig woningen. Dat is in voorliggende situatie het geval.

bestemmingsplan_Simon Stevinstraat - zelfbouw kavel 01 (vastgesteld)

blz. 31

Hoofdstuk 4 4.1

Milieueffect

4.1.1

Kader

Milieuaspecten

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. In de Wet milieubeheer (art 7.2) en het Besluit milieueffectrapportage (art 2 lid 5) is verankerd dat er een beoordeling moet worden gemaakt of een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden als een plan of besluit (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) wordt opgesteld voor één of meerdere activiteiten met mogelijk belangrijke negatieve effecten op het milieu. Activiteiten waarvoor dat het geval is, worden genoemd in de bijlage onderdeel C en D van het Besluit mer. In onderdeel C staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en dus het opstellen van een MER verplicht is. In onderdeel D staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is.

Als de activiteiten die met het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt in kolom 1 van onderdeel D staan, dan bestaat de m.e.r.-beoordelingsplicht er uit dat het bevoegd gezag moet beoordelen of de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Blijkt uit deze beoordeling dat de betreffende activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen hebben, dan moet de m.e.r.-procedure (m.e.r.) worden doorlopen en moet een milieueffectrapportage (MER) worden opgesteld 4.1.2

Situatie plangebied

Het plan betreft het stedenbouwkundig sluiten van een onderbreking in een bestaande gevelwand door inpassing van nieuw woongebouw. Dit in een bestaand gemengd gebied in Amsterdam. Dit betreft de vraag of mogelijk sprake is van de activiteit "D11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen". In het Besluit mer is niet gedefinieerd wat onder een stedelijk ontwikkelingsproject moet worden verstaan. Er is geen duidelijke afbakening van welke voornemens wel, en welke niet als stedelijk ontwikkelingsproject kwalificeren. Wel volgt uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak een aantal aanknopingspunten. Uit jurisprudentie volgt dat niet iedere (wijziging van een) stedelijke ontwikkeling een (wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject is als bedoeld in (kolom 1 van) D-11.2 Besluit mer. Dat is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de aard en omvang van de ontwikkeling van belang zijn. Aard: De buurt Don Bosco is een bestaand gemengd gebied in Amsterdam. Amsterdam is grootstedelijk en kent een grote dynamiek in onder meer het ruimtelijke en economische domein. Het is stad in continue beweging.

Met het stedenbouwkundig sluiten van een onderbreking in een bestaande gevelwand door inpassing van nieuw woongebouw verandert de aard van de buurt Don Bosco niet. Het blijft een gemengd gebied waarin de woonfunctie veelvuldig aanwezig is. De hoogte van de bebouwing is gezien de bebouwing in de omgeving, relatief laag. Ook de stedenbouwkundige opzet van het bouwblok verandert niet. Dit doordat het gaat om het invullen van een gat door inpassing van de nieuwbouw in lijn met een bestaande rij woningen en met een hoogte die daar niet van afwijkt. De straat waaraan de woningen liggen is niet toegankelijk voor autoverkeer en de woningen komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning. Het initiatief is mede daardoor relatief van geringe invloed op het functioneren van de buurt. Omvang: het plan betreft een nieuw woongebouw voor minimaal 2 woningen en maximaal 4. Voor een buurt als Don Bosco is dit een relatief klein project. Het initiatief is relatief gezien in omvang geen grote verandering voor de buurt Don Bosco. Gemeente Amsterdam

blz. 32

Gezien de aard en omvang van het initiatief laat het zich beredeneren dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van Besluit mer. Dit betekent dat voor het initiatief geen mer-beoordeling hoeft te worden gemaakt om te kunnen bepalen of een MER moet worden opgesteld.

4.2

Milieuzonering bedrijven

4.2.1

Kader

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is het deelaspect 'milieuzonering' het toepassen van het ruimtelijke ordeningsprincipe dat zich richt op functiescheiding van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld een bedrijfsfunctie) en milieu-planologisch gevoelige functies (bijvoorbeeld wonen). In planvorming wordt hierin onderscheid gemaakt in het bestemmen / projecteren van nieuwe situaties / nieuwe ontwikkelingen en het (opnieuw) bestemmen van bestaande situaties. Een nieuwe situatie / nieuwe ontwikkeling betreft een plan dat nog niet eerder als zodanig is bestemd in een bestemmingsplan of vergund met een omgevingsvergunning. Het maken van een afweging over het waar nodig en mogelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies bij nieuwe ontwikkelingen / in nieuwe situaties dient twee doelen: Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Met deze doelstelling wordt bij het plannen van een nieuwe functie om redenen van goede ruimtelijke ordening gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functie wordt ingepast. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2.

laat de omgeving de nieuwe functie toe? De VNG-publicatie Handreiking Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel bij het beantwoorden van deze vragen. Milieuzonering beperkt zich hierin tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de milieubelasting afneemt naarmate de afstand van/tot de bron toeneemt. De VNG-publicatie bevat een tweetal richtafstandlijsten waarin een groot aantal niet-woonactiviteiten (zoals productie, handel en dienstverlenende activiteiten, onderwijs, sport en recreatie, etc.) zijn vertaald naar een milieucategorie met bijbehorende indicatieve richtafstanden. De activiteiten en bijbehorende categorieën zijn weergegeven in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) en in voorkomend geval (afhankelijk van de wijze van bestemmen) ook in de bijlage bij de regels van een bestemmingsplan. 4.2.2

Situatie plangebied

Omgevingstype / gebiedskarakteristiek Met voorliggend bestemmingsplan worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied zijn niet-woonfuncties aanwezig of toegestaan, zoals hotel, theater (in aanbouw), winkels en woningen. Gelet hierop wordt de omgeving van het plangebied aangemerkt als een gemengd gebied. Beoordeling - conclusie De woningen worden naast een hotelfunctie geprojecteerd en in de nabijheid van een theaterfunctie met

bestemmingsplan_Simon Stevinstraat - zelfbouw kavel 01 (vastgesteld)

blz. 33

zaalverhuur en café (transformatielocatie "voormalige Christus Koningkerk". Een hotelfunctie wordt in de VNG-publicatie Handreiking Bedrijven en milieuzonering aangemerkt als categorie 1 en een theaterfunctie met zaalverhuur en cafe als categorie 2. De indicatieve richtafstand in gemengd gebied bedraagt respectievelijk 0 en 10 meter. De nieuwe woonfunctie wordt niet binnen de indicatieve richtafstanden van de VNG-publicatie geprojecteerd. De functie is in milieu-planologisch opzicht passend in de bestaande omgeving.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Kader

Wet milieubeheer, NSL en AMvB Regeling NIBM In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. Luchtkwaliteitsaspecten zijn verankerd in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) en betreffen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. De wet voorziet onder meer in het rijksprogramma het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het begrip "in betekenende mate" (ibm) en gebiedssaldering.

De kern van de wet wordt gevormd door een programmatische aanpak om de grenswaarden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, te halen en door de introductie van het begrip "in betekenende mate". Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB Regeling NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit en maximaal toegestane verslechtering van 1,2 ìg/m³. In bijlage 3A van de Regeling NIBM is aangegeven in welke gevallen een nieuwe woningbouwlocatie in ieder geval NIBM is. Dit is bij woningbouwlocaties het geval bij maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg. Besluit gevoelige bestemmingen Op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen genieten nieuwe 'gevoelige bestemmingen' zijnde basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis extra bescherming. Volgens deze AmvB geldt er een onderzoekszone van 50 meter bij provinciale wegen en 300 meter bij rijkswegen.

Het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming' mag volgens de AmvB binnen de onderzoekszones niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. Op zo'n plek mag in die omstandigheid bijvoorbeeld een nieuwe school zich niet vestigen. Beleidskader - Amsterdam Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit (2010) In januari 2010 is de 'Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit' van kracht geworden. Daarin wordt gesteld dat in Amsterdam, onafhankelijk van het wel of niet overschrijden van de normen (zie hiervoor onder 'Besluit gevoelige bestemmingen'), geen gevoelige bestemmingen worden Gemeente Amsterdam

blz. 34

gebouwd binnen 300 meter van de rand van een snelweg of in de eerstelijns bebouwing binnen 50 meter van een provinciale weg/drukke stadsweg. Daarbij gaat het om wegen waar meer dan 10.000 voertuigen per etmaal rijden. Hetzelfde geldt voor het uitbreiden van een bestaande gevoelige bestemming met 10% of meer van de capaciteit. De GGD adviseert in deze gevallen over de locatie en mogelijke maatregelen. Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, namelijk gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. 4.3.2

Situatie plangebied

Invloed van het plan op de omgeving Het bestemmingsplan maakt de nieuwbouw mogelijk van 2 tot 4 woningen. Nieuwbouw van een dergelijk aantal woningen wordt op grond van de Regeling NIBM aangemerkt als "niet in betekende mate" als het gaat om het effect op de luchtkwaliteit van de omgeving. Dit betekent dat wat dat betreft voldaan wordt aan de regelgeving voor luchtkwaliteit. Omgevingsituatie - grenswaarden Met het oog op een goede ruimtelijke ordening gekeken naar de luchtkwaliteit van de omgeving. Er liggen geen provinciale wegen of rijkswegen nabij het plangebied. Voor toetsing aan de grenswaarden van de Wet milieubeheer is de monitoringstool uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geraadpleegd. De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10) in het plangebied tussen 2020 en 2030. De monitoringstool kent scenario's zonder en met lokale maatregelen die er voor moeten zorgen dat op termijn overal aan de grenswaarden wordt voldaan. De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2020 en 2030 in en rond het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging.

In deze peiljaren bedraagt de concentratie NO2 en PM10 op de omringende wegen minder dan 35 microgram/m³ en bedraagt de concentratie PM2,5 minder dan 20 microgram/m3. Het aantal overschrijdingsdagen voor PM10 is minder dan 35 dagen per jaar. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 van 40 microgram/m3 en 25 microgram/m3 voor PM2,5 worden dan ook niet overschreden. Gerelateerd aan de grenswaarden van de Wet Milieubeheer, wordt een onaanvaardbare luchtkwaliteit in en nabij het plangebied dan ook niet verwacht.

4.4

Geluidhinder

4.4.1

Kader

Wettelijk kader Een van de grondslagen voor de ruimtelijke afwegingen voor voorliggend bestemmingsplan is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. Op grond van de Wgh gelden in bepaalde situaties zones rond wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Zones rond industrieterreinen zijn vastgesteld in bestemmingsplannen. En voor spoorwegen en wegen geldt het volgende: Spoorwegen: Op grond van artikel 1 Wgh hebben spoorwegen een zone. Deze zone is weergegeven op een krachtens artikel 1.4 en 1.4a van het Besluit geluidhinder (Bgh) vastgestelde kaart. Op grond

bestemmingsplan_Simon Stevinstraat - zelfbouw kavel 01 (vastgesteld)

blz. 35

hiervan varieert de wettelijke zone voor het traject Amsterdam Amstel en Amsterdam Muiderpoort ter hoogte van het plangebied tussen 100 en 300 meter (o.a. referentiepunten 26914 en 26934). Wegen: Conform hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder (zones langs wegen) hebben alle wegen een zone, uitgezonderd een aantal situaties waaronder wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. De zone is een gebied waarbinnen akoestisch onderzoek aan de orde is. De breedte van de zone, aan weerszijden van de weg of spoor, is afhankelijk van het aantal rijstroken of sporen en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk). Voor stedelijk gebied is de zone van een 50 km/uur weg met 1 of 2 rijstroken 200 meter en bij 3 of meer rijstroken 350 meter. Voor vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot dergelijke zones stelt de Wgh eisen aan de geluidsbelasting op de gevel van nieuwe geluidsgevoelige functies. Beleid - Amsterdam Het Amsterdams geluidbeleid 2016 - Hogere waarde Wet geluidhinder (hierna: Amsterdams geluidbeleid) wordt toegepast bij de ontwikkeling van woningen en andere geluidgevoelige objecten op locaties met een hoge(re) geluidbelasting. Het Amsterdams geluidbeleid is bij besluit 5 maart 2019 van het college van burgemeester en wethouders geactualiseerd.

Het doel van het geluidbeleid is het borgen van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij het bouwen van woningen en andere geluidgevoelige functies op geluidbelaste locaties. Geluidbelaste locaties zijn locaties waar een geluidbelasting heerst, hoger dan de voorkeursgrenswaarde vanwege bronnen als genoemd in de Wet geluidhinder (wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai). Het streven is om geluidgevoelige objecten te realiseren met een belasting niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde. Dit is gezien de dynamiek van Amsterdam, niet altijd mogelijk. Indien een hogere waarde besluit aan de orde is, dan dienen woningen conform het gemeentelijk geluidbeleid woningen waarvoor hogere grenswaarden worden vastgesteld in principe te beschikken over een stille zijde. 4.4.2

Situatie plangebied

Het plangebied ligt niet in de zone van een industrieterrein of spoorweg. Wel ligt het plangebied binnen de zone van een tweetal wegen, namelijk de Kamerlingh Onneslaan (ca. 175 meter) en de Nobelweg (ca. 140 meter). Voor de aangrenzende transformatielocatie Ringdijk 44 is eerder in het kader van het bestemmingsplan voor die locatie een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor o.a. het rekenjaar 2030 (Bestemmingsplan Ringdijk 44 Amsterdam - Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder; Cauberg Huygen; Datum 9 december 2015; Referentie 20151357-02). Uit dat akoestisch onderzoek is op te maken dat het geluidniveau als gevolg van de Kamerlingh Onneslaan en Nobelweg nabij het voorliggende plangebied ruim minder is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, namelijk circa 31 dB, respectievelijk circa 38 dB. Dit mede door de afschermende werking van omliggende bebouwing en de relatief grote afstand tot de betreffende wegen. Op grond van dat onderzoek wordt met medeweging van de ligging van de woningen in voorliggende plangebied, geconcludeerd dat de geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder.

4.5

Externe veiligheid

4.5.1

Inleiding

Wat is externe veiligheid?

Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen), het transport

Gemeente Amsterdam

blz. 36

van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen) en het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. De regelgeving voor dit bestemmingsplan (situatie 2021) voor externe veiligheid kent twee grootheden waaraan getoetst wordt bij het nemen van een besluit: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grenswaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen (situatie 2021). Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn.

Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die weergeeft wat de algehele politiek-maatschappelijke opvatting is over de aanvaardbaarheid van een kans op een ramp met een groep slachtoffers. Naast de kans op een ongeval moet ook het mogelijk effect van een ongeval worden betrokken in besluitvorming. Het bevoegd gezag dient een toename van het groepsrisico en overschrijding van de oriëntatiewaarde (OW) te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De regionale brandweer / Veiligheidsregio dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. 4.5.2

Wet- en regelgeving (situatie 2022)

Voorliggende bestemmingsplan is gemaakt onder de werking van de wet- en regelgeving zoals die geldt in 2022. Hierin wordt onderscheid gemaakt in: Risicovolle inrichtingen: De externe veiligheidsregelgeving voor inrichtingen ligt vast in het Besluit Externe Veiligheid voor Inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen (Revi). Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren: Voor het transport van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor heeft het Rijk normen vastgesteld. Deze staan in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. Buisleidingen: Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd (vanaf 16 bar en met een uitwendige diameter groter dan 50 mm), is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. 4.5.3

Situatie plangebied

Voor wat betreft het plaatsgebonden risico (PR) geldt dat het plangebied niet binnen een plaatsgebonden grenswaarden contour ligt van een risicovolle inrichting, transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding voor gevaarlijke stoffen. Voor wat betreft het groepsrisico (GR) geldt dat het gebied niet in een invloedsgebied ligt van een risicovolle inrichting of buisleiding op grond waarvoor een afweging moet worden gemaakt over het groepsrisico. Wel is de spoorlijn Amsterdam Amstel - Amsterdam Muiderpoort een aandachtspunt. Over deze spoorverbinding vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt op circa 495 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied van het spoortraject Muiderpoort-Duivendrecht. De afstand is meer dan 200 meter waardoor de invloed van het plangebied op de risico's gering is. Het geprognosticeerde transport legt geen directe beperkingen op aan de voorziene ruimtelijk ontwikkelingen. Doordat er binnen 200 meter van het spoor geen nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt maar op relatief ruime afstand (circa 495 meter) en de toename van het aantal

bestemmingsplan_Simon Stevinstraat - zelfbouw kavel 01 (vastgesteld)

blz. 37

personen (maximaal 4 woningen) relatief gering is gezien de woningdichtheid tussen de locatie en het spoor, draagt het plan niet bij aan een zichtbare verhoging van het groepsrisico. Geconcludeerd wordt dat project voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.6

Bodemkwaliteit

4.6.1

Kader

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is het bij het toekennen van een (gevoelige) bestemming aan gronden van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is of geschikt is te maken voor de nieuwe of aangepaste bestemming. 4.6.2

Situatie plangebied

In oktober 2022 heeft het adviesburea RPS advies- en ingenieursbureau bv (RPS) verkennend bodem- en asbest-in-grondonderzoek verricht. De resultaten zijn weergegeven in de rapportage "Verkennend bodem en asbest -in- grondonderzoek - Simon Stevinstraat Don Bosco buurt - Kavel 01 in Amsterdam; RPS advies- en ingenieursbureau bv; Projectnummer NL202032093; Kenmerk NL202032093-R22-723; Datum 10 oktober 2022". De rapportage is een bijlage bij deze toelichting. Uit de rapportage is onder meer het volgende op te maken: Op het maaiveld is over de gehele oppervlakte een puinlaag aangetroffen. Hierdoor is er op de onderzoekslocatie geen sprake van bovengrond. Er zijn zintuiglijk geen waarnemingen gedaan van de in het vooronderzoek beschreven ophooglagen. Op basis van de analyseresultaten blijkt dat de ondergrond licht verontreinigd is met diverse zware metalen, PAK en PCB. In de horizontaal afperkende boringen zijn geen tot hooguit lichte verontreinigingen met lood aangetroffen. Geconcludeerd is dat de aanwezige loodgehalten ver onder de maximale waarde blijft die de gemeente Amsterdam hanteert voor gevoelige locaties (wonen met tuin). Het grondwater is niet verontreinigd met één van de onderzochte parameters. In de puinmonsters is analytisch geen asbest aangetoond. De onderzoekslocatie is niet verontreinigd met PFAS.

Uit de resultaten van het verkennend onderzoek wordt opgemaakt dat de bodemkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Gemeente Amsterdam

blz. 38

bestemmingsplan_Simon Stevinstraat - zelfbouw kavel 01 (vastgesteld)

blz. 39

Hoofdstuk 5 5.1

Omgevingsaspecten

Verkeer

Verkeerseffecten Het plangebied ligt aan een autovrije straat. Het parkeren van auto's is binnen het plangebied dan ook niet mogelijk. Voor de omgeving van het plangebied geldt een betaald parkeerregime. Voorliggende ontwikkeling wordt uitgesloten van de mogelijkheid tot verkrijgen van een parkeervergunning voor de bewoners van de nieuwe woningen. Hieronder wordt nader ingegaan op het bezoekersparkeren. Daaruit wordt opgemaakt dat het effect van de nieuwe woningen op de verkeersituatie van de omgeving nihil is. Autoparkeren Het gemeentelijke parkeerbeleid is vastgelegd in de Nota Parkeernormen Auto (vastgesteld door de gemeenteraad op 8 juni 2017, gewijzigd d.d. 29 november 2017). In het parkeerbeleid zijn parkeernormen opgenomen per gebied, woningtypologie en woninggrootte. Voor dergelijk gebied geldt bij nieuwbouw een maximumparkeernorm en een minimumparkeernorm. Uit het stedenbouwkundig kader dat ten grondslag ligt aan voorliggend bestemmingsplan is op te maken dat het aantal woningen 2 tot 4 bedraagt, dat de doelgroep vrije sector is en dat het bruto vloeroppervlak in totaal maximaal 414 m2 bvo bedraagt. Voor de parkeernormering geldt volgens het gemeentelijke parkeerbeleid dat de locatie in gebied ligt dat is aangemerkt als zogeheten "B-locatie".

Voor een B-locatie geldt voor vrije sector woningen met een dergelijke omvang een minimum parkeernorm voor bewonersparkeren van 0,6 parkeerplaatsen per woning en een maximum parkeernorm van 1 parkeerplaats per woning. De parkeerbehoefte voor bewonersparkeren bedraagt op basis van het parkeerbeleid minimaal 1,2 parkeerplaatsen (bij 2 woningen) tot 2,4 parkeerplaatsen (bij 4 woningen) en maximaal 2 tot 4 parkeerplaatsen. Op grond van het parkeerbeleid geldt in beginsel de verplichting om bij nieuwbouw het minimum aantal parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Onderdeel van het beleid is dat hiervan kan worden afgeweken in situaties waarin het fysiek onmogelijk/onwenselijk om bij een nieuwbouwproject vast te houden aan parkeernormen. Een situatie die daar onder valt, is de situatie waarin sprake is van een voetgangersgebied. Dat is in voorliggende situatie het geval omdat het plangebied zelf niet toegankelijk is voor autoverkeer. Dit betekent dat voor deze locatie bij aanvraag omgevingsvergunning in lijn met het hiervoor genoemde parkeerbeleid afgeweken kan worden van de minimum parkeernorm. Voor bezoekersparkeren geldt op grond van het gemeentelijke parkeerbeleid een norm van 0,1 parkeerplaats per woning. Voor het toevoegen van maximaal 4 woningen betekent dit een parkeerbehoefte van 0,4 (= 1) parkeerplaats.

Deze bezoekersparkeerbehoefte kan in de omgeving van het plangebied met de bestaande openbare betaald parkeerplekken worden opgevangen.

5.2

Water

5.2.1

Kader

Inleiding Op grond van artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In deze waterparagraaf is het resultaat weergegeven van de watertoets waarbij ingegaan wordt op het waterbeleid, de bestaande

Gemeente Amsterdam

blz. 40

waterhuishoudkundige situatie, een beoordeling van de effecten op de bestaande waterhuishoudkundige situatie en de maatregelen die genomen (moeten) worden voor het waarborgen van een goede waterhuishouding. Waterbeleid Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet voert de zorg voor het oppervlaktewatersysteem uit in opdracht van AGV. De gemeentelijke watertaken omvatten zorgplicht voor grondwater, afvalwater, hemelwater en drinkwater. In opdracht van Amsterdam voert Waternet met name de grondwaterzorgtaak, de zorg voor afvoer en behandeling van afvalwater en de drinkwatervoorziening uit. Beleid Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) Het Beleid van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) is vertaald in het Waterbeheerplan Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2016-2021. In het Waterbeheersplan is uitgewerkt hoe AGV in de planperiode invulling geeft aan haar taken op het gebied van waterbeheer, zoals veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit. In de Keur staan regels van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht om de doelen te bereiken (schoon en genoeg water in onze sloten, grachten en meren, sterke dijken tegen overstromingen en gezonde waterplanten en waterdieren). De Keur gaat over het gebruik en onderhoud van water, oevers en dijken. En welke middelen het waterschap heeft om zijn werk goed te doen.

AGV hanteert onder meer het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m2 verharding in stedelijk gebied of meer dan 5.000 m2 in landelijk gebied 10% daarvan gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. Watergangen die gedempt worden moeten voor 100% worden gecompenseerd. Beleid gemeente Verwezen wordt naar paragraaf 3.5.6, 3.5.7 en 3.5.8. 5.2.2

Situatie plangebied

Het plangebied ligt niet nabij een waterkering. Er vinden geen wijzigingen plaats binnen de zoneringen van een waterkering. De locatie is lange tijd onderdeel geweest van een verharde speelplaats en de locatie is kleiner dan 1.000 m2 waardoor watercompensatie als gevolg van de toename van het verhard oppervlak niet verplicht is. Het bestemmingsplan laat geen nieuwbouw toe van kelders, ondergrondse parkeergarages of andere ondergrondse bebouwing. Het plan heeft daarom geen gevolgen voor de grondwaterstromen in en nabij het projectgebied.

5.3

Archeologie en cultuurhistorie

5.3.1

Kader

Archeologie Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In het overgangsrecht van de Erfgoedwet is in artikel 9.1 geregeld dat de onderdelen van de Monumentenwet 1998 die overgaan naar de nieuwe Omgevingswet toch van kracht blijven tot de inwerkingtreding daarvan, zodat er geen lacunes in de bescherming bestemmingsplan_Simon Stevinstraat - zelfbouw kavel 01 (vastgesteld)

blz. 41

ontstaan. Het gaat onder meer om de bescherming van archeologie in ruimtelijke besluiten (artikelen 38 tot en met 43 van de Monumentenwet 1988). Cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6 lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. 5.3.2

Situatie plangebied

Archeologie Voorliggend bestemmingsplan herziet ter plaatse van de locatie "Simon Stevinstraat - zelfbouw kavel 01" het bestemmingsplan Don Bosco dat in 2012 is vastgesteld. Voor de vaststelling van dat bestemmingsplan is onder meer met een archeologisch bureauonderzoek bepaald wat de verwachting is ten aanzien van de kans op aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. Deze kans werd voor voorliggende locatie uitgesloten. Cultuurhistorie Verwezen wordt naar paragraaf 2.2.1. Hieruit is op te maken dat er geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn in het plangebied.

5.4

Natuurbescherming

5.4.1

Kader

Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Soortbescherming De Wet natuurbescherming bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De beschermde soorten zijn onderverdeeld in soorten van de Habitatrichtlijn, soorten van de Vogelrichtlijn en Nationale soorten. Voor bestemmingsplan voor ontwikkelingen in een gebied of de sloop van gebouwen dient een natuurscan te worden uitgevoerd om de soorten en gebiedsstatus in kaart te brengen. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000 gebied, moet worden onderzocht of het bestemmingsplan voor de ontwikkeling significante gevolgen kan hebben op de beschermde habitats in de natuurgebieden. Natuurnetwerk Nederland, landelijk en provinciaal beleid

Gemeente Amsterdam

blz. 42

Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd. Dit Natuurnetwerk Nederland (NNN), voormalig Ecologische Hoofdstructuur (EHS), een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De verbindingen zijn grensoverschrijdend. Hoofdgroenstructuur, Amsterdams beleid Onderdeel van het Amsterdamse groenbeleid is de hoofdgroenstructuur van Amsterdam. Deze was ondermeer opgenomen in de Structuurvisie Amsterdam 2040 (vastgesteld in 2011). Op 8 juli 2021 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 vastgesteld. Het is de leidraad voor inrichting en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie geeft richting en vervangt de Structuurvisie Amsterdam 2040 uit 2011. Hierop zijn twee uitzonderingen die integraal waren opgenomen in de structuurvisie, waaronder de Hoofdgroenstructuur. Deze blijven van kracht tot vervangend beleid is vastgesteld. 5.4.2

Situatie plangebied

Wet natuurbescherming Soortbescherming De locatie ligt in de bestaande situatie braak. Het is een relatief klein perceel zonder enig groen. Bij de aanbouw van de naastgelegen woningen is het grotendeels in gebruik als bouwterrein. Dit perceel is geen leefgebied voor beschermde soorten. Gebiedsbescherming De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden liggen op ruime van het plangebied. In verkennende beoordelingen (ook wel 'voortoets' genoemd) van de vraag of een plan mogelijk negatieve effecten kan veroorzaken wordt doorgaans onderscheid gemaakt in een 19-tal verschillende storingsfactoren. Dit is afhankelijk van Natura 2000-gebied en activiteit. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verstoring door geluid, optische verstoring, etc.. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden bevinden zich op voldoende afstand van het plangebied om dergelijke effecten op voorhand uit te sluiten. Voor het aspect 'stikstofdepositie' heeft het adviesbureau IDDS in juli 2023 een stikstofdepositie-onderzoek verricht. De resultaten zijn weergegeven in de rapportage "Stikstofonderzoek Simon Stevinstraat 60, Amsterdam; IDDS; kenmerk A4361-07/VMI/rap1; Datum 17 juli 2023" en de daarbij behorende bijlagen. De rapportage met als losse bijlagen een berekening van de aanlegfase en een berekening van de gebruiksfase zijn bijlagen bij deze toelichting.

Uit de rapportage is op te maken dat zowel de aanlegfase als gebruiksfase niet zorgt voor depositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Conclusie: Het aspect gebiedsbescherming is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Natuurnetwerk Nederland en Hoofdgroenstructuur Amsterdam Het plangebied is geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de Hoofdgroenstructuur van Amsterdam.

bestemmingsplan_Simon Stevinstraat - zelfbouw kavel 01 (vastgesteld)

blz. 43

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische toelichting

Algemeen

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.

6.2

Planvorm

Dit bestemmingsplan Het bestemmingsplan is ontwikkelgericht. Dit wil zeggen dat de huidige gebruiks- en bouwregels in dit deel van de gemeente worden vervangen door nieuwe bestemmingsplanregels om de nieuwbouw met nieuwe functie mogelijk te maken. Voorafgaand aan het opstellen van het voorliggend bestemmingsplan zijn de stedenbouwkundige kaders (kavelregels) bepaald waarbinnen de toekomstige ontwikkeling zich in ieder geval moet afspelen. Hiervoor wordt onder meer verwezen naar paragraaf 2.3. De kaders zijn, voor zover ruimtelijk relevant, vertaald naar een gedetailleerde verbeelding. Aan de verbeelding zijn regels gekoppeld die de gestelde kaders vastleggen. Sturing op het eindbeeld vindt niet alleen plaats via de regels van het bestemmingsplan (bestemmingsplanregels), maar ook via het systeem van het op de markt brengen van de

Gemeente Amsterdam

blz. 44

zelfbouwmogelijkheid. Gunning van de zelfbouwmogelijkheid vindt plaats bij loting, maar daarvoor geldt wel dat de inschrijvingen dienen te voldoen aan de stedenbouwkundige kaders (kavelregels). Daarmee spelen de stedenbouwkundige kaders (kavelregels) een belangrijk rol in het proces van verkrijging van de bouwmogelijkheid en de erfpachtovereenkomst. Voorbeelden van gebouwontwerp gerelateerde aspecten waarop via de stedenbouwkundige kavelregels in meer detail wordt gestuurd dan via de regels van voorliggend bestemmingsplan zijn onder andere: geleding; rooilijn; minimale vrije hoogte van de begane grond; fietsenstalling; etc.

6.3

De bestemmingen

Waar de overige paragrafen van deze plantoelichting de achtergronden van het bestemmingsplan belichten, geeft deze paragraaf een toelichting op de planregeling, te weten de planregels en de verbeelding. Uitgelegd wordt wat de bedoeling en strekking is van de verschillende onderdelen van de regels en de verbeelding. Daartoe worden in deze paragraaf de regels per artikel toegelicht. Aangezien alle onderdelen van de (digitale) verbeelding verbonden zijn met één of meer regels, wordt daarbij ook de verbeelding toegelicht. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1: inleidende regels; met daarin definities en de wijze van meten en berekenen. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels; die het hart van ieder bestemmingsplan vormen. Ze zijn opgebouwd uit een bestemmingsomschrijving, waarin een omschrijving wordt gegeven van de aan de grond toegekende functies. De hoofdfuncties worden als eerste genoemd. Verder kunnen in de bestemmingsomschrijving ook impliciet bij de bestemming behorende functies worden genoemd ("met de daarbij behorende"), bijvoorbeeld erf, paden, toegangswegen etc. Per bestemming worden bouwregels gegeven, waarin voor alle bouwwerk en de van toepassing zijnde bouwbepalingen worden geregeld. Waar nodig worden specifieke gebruiksregels gegeven. Daarin kunnen aanvullingen of afwijkingen van de algemene gebruiksregels worden gegeven.

Hoofdstuk 3: algemene regels; deze hebben betrekking op in beginsel alle voorafgaande regels. Hierbij gaat het onder meer om de anti-dubbeltelbepaling, algemene gebruiksregels, algemene bouwregels algemene afwijkingsbevoegdheid. Hoofdstuk 4: overgang- en slotregels. De regels in hoofdstuk 1 en de algemene regels in hoofdstuk 3 gelden voor het bestemmingsplan als geheel. Zij werken door in de diverse bestemmingen. Hoofdstuk 1 bevat een tweetal artikelen. In artikel 1 wordt een aantal in de regels en/of op de verbeelding voorkomende begrippen ter wille van de duidelijkheid en rechtszekerheid voorzien van een definitie. Artikel 2 geeft een uitleg van de wijze waarop de begrenzing van de verschillende bestemmingen, de bouwhoogte van bouwwerken en de oppervlakte van bouwwerken wordt gemeten. Hieronder volgt per opgenomen artikel een toelichting. Daar waar het betreffende artikel vanwege de erin opgenomen regeling dit vraagt zal uitgebreid worden ingegaan op die regeling. Voor de overige artikelen wordt volstaan met een meer beperkte uitleg.

Artikel 1 Begrippen Artikel 1 geeft, in alfabetische volgorde, een omschrijving van een aantal begrippen dat in de regels wordt gebruikt. Hiermee wordt formeel vastgelegd wat wel en niet onder het betreffende begrip moet worden verstaan. Dit artikel is dus primair bedoeld om begrippen duidelijk te begrenzen en niet om de gedachten achter de gebruikte termen uit te leggen. Daarvoor is juist deze toelichting bedoeld. In deze bestemmingsplan_Simon Stevinstraat - zelfbouw kavel 01 (vastgesteld)

blz. 45

toelichting worden gehanteerde begrippen waar nodig uitgelegd. Artikel 3 Tuin en Artikel 4 Wonen De stedenbouwkundige kavelregels (zie paragraaf 2.3) zijn vertaald naar bestemmingsplanregels door aan het plangebied een tweetal bestemmingen toe te kennen, namelijk met de bestemming Wonen en de bestemming Tuin. Op de gronden met de bestemming Wonen is de nieuwbouw van een woongebouw toegestaan. Het woongebouw moet uit minimaal 2 woningen bestaan en mag uit maximaal 4 woningen bestaan. Dit aantal is geregeld in de specifieke gebruiksregels van de bestemming Wonen. Op de verbeelding is met een bouwvlak aangegeven waar gebouwd mag worden. Ook is op de verbeelding met aanduidingen aangegeven hoe hoog gebouwd mag worden en wat de maximale dakhelling is. De realisatie van een kelder is niet bij recht toegestaan. Voor een toelichting op de regeling in het bestemmingsplan wordt verwezen naar paragraaf 3.5.7. Op de gronden met de bestemming Tuin zijn alleen gebouwen toegestaan die op grond van Bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht "vergunningvrij" mogen worden gebouwd. Bijlage II van het Bor is derhalve het kader die bouwmogelijkheden. Op grond daarvan is de bouw van een fietsenberging in de tuin mogelijk. Deze fietsenberging op de gronden met de bestemming Tuin wordt om die reden niet geregeld in het bestemmingsplan.

Navolgend een toelichting op enkele specifieke afwegingen voor de juridische regeling van het wonen dat op de gronden met de bestemming Wonen wordt toegestaan: (On)zelfstandige woonruimte, verk amering (kamerverhuur) en bed & breakfast Regelgeving / regulering op het gebied van wonen betreft verschillende instrumenten. Een van de instrumenten is een Amsterdamse vergunningstelsel voor 'kamersgewijze verhuur' en 'bed&breakfast' op basis van de gemeentelijke Huisvestingsverordening. Een ander instrument is het bestemmingsplan. Het navolgende is de toelichting op de gekozen wijze van bestemmen voor wat betreft het gebruik van woningen voor kamerverhuur en bed&breakfast in voorliggend bestemmingsplan. Dit op basis van de op het moment van voorliggend bestemmingsplan geldende regelgeving (momentopname): Met ingang van 1 januari 2020 geldt de Huisvestingsverordening 2020. Hierin zijn regels opgenomen over de samenstelling van de woonruimte voorraad. Onderscheid bestaat tussen zelfstandige woonruimte, onzelfstandige woonruimte en bedrijfsmatig gebruik van een deel van de woonruimte, bijvoorbeeld ten behoeve van bed & breakfast. Sturen op de samenstelling van de woonruimte voorraad is primair van belang omdat het woningaanbod dient aan te sluiten op de vraag en behoefte van huishoudens van verschillende samenstellingen aan woonruimte.

Tussen de wijze van bewoning en/of het gebruik van te onderscheiden typen woonruimte bestaan verschillen. Bewoning door een gezinshuishouden is bijvoorbeeld anders dan het gebruik van een woonruimte met een gemeenschappelijke ruimte, die voor het overige verkamerd wordt verhuurd aan een aantal eenpersoonshuishoudens. De verschillende typen bewoning hebben naar hun aard een meer of minder intense ruimtelijke uitstraling. Voor het gedeeltelijk gebruik van woonruimte ten behoeve van bed & breakfast geldt dat dit meer effect op de omgeving heeft dan bewoning zonder dit nevengebruik. Wanneer de rechthebbende een bestaande zelfstandige woonruimte verkamerd wil verhuren (ook wel omzetting genoemd), of in de woonruimte een bed & breakfast wil exploiteren, dan is op grond van de Huisvestingsverordening 2020 een omzettingsvergunning nodig voor verkamering respectievelijk onttrekkingsvergunning ten behoeve van bed & breakfast nodig. Wanneer verlening van de gevraagde vergunning, die een wijziging in de woonruimtevoorraad teweeg brengt, naar het oordeel van het college

Gemeente Amsterdam

blz. 46

van burgemeester en wethouders leidt tot een aantasting van de leefbaarheid ter plaatse, bijvoorbeeld omdat de concentratie van verkamerde woningen ter plaatse te groot wordt geoordeeld, kan de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde vergunning om die reden worden geweigerd. Datzelfde kan zich voordoen bij een concentratie van bed & breakfast exploitatie. Met ingang van 1 april 2020 geldt op grond van de Huisvestingsverordening 2020 voor omzetting en onttrekking ten behoeve van bed & breakfast een quotumstelsel. Dit betekent dat er verdeeld over 99 wijken in de stad is vastgesteld hoeveel omzettingsvergunningen voor kamergewijze verhuur alsmede hoeveel onttrekkingsvergunningen ten behoeve van bed & breakfast er maximaal kunnen worden verleend. Bij het bepalen van die quota is de aanvaardbaarheid voor het woon- en leefklimaat betrokken. In geval van omzetting (verkamering / kamerverhuur) zijn naast het maximale aantal te verlenen vergunningen in het Huisvestingsbeleid (zoals dat geldt op moment van opstellen van voorliggend bestemmingsplan) stringente regels vastgelegd die toezien op een nadere spreiding van verkamerde verhuur binnen buurten en wijken, en te grote concentraties binnen een buurt of wijk worden voorkomen. Ook geldt de eis dat een kamer niet door meer dan één volwassene mag worden bewoond.

Het samenstel van voorwaarden vormen een nadere borging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De afdeling Verkeer en Openbare ruimte van de gemeente heeft voor het opstellen van het beleid beoordeeld dat bij deze regeling geen sprake zal zijn van zodanige toename van de parkeerdruk of behoefte aan fietsparkeerplekken dat dit vanuit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar zou zijn. Het exploiteren van een bed & breakfast, waarvoor een onttrekkingsvergunning noodzakelijk is, kan overlast, drukte, afvalproblematiek en lokale overheersing van toeristenwinkels binnen het winkelaanbod met zich meebrengen. Omwonenden van een bed & breakfast worden het hele jaar door geconfronteerd met arriverende en vertrekkende gasten (rolkoffers) en mogelijk overlast van toeristen in hun directe woonomgeving vanwege een ander dag-nachtritme. Met de wijkquota is nadrukkelijk ook een ruimtelijke sturing beoogd over de 99 wijken in de stad en niet alleen de bescherming van de woningvoorraad. De onttrekkingsvergunningen ten behoeve van bed & breakfast zullen voor maximaal acht jaar worden afgegeven. De wijkquota zorgen ervoor dat de extra druk die van omzetting van een zelfstandige naar meerdere onzelfstandige woonruimten (verkamering) alsmede gebruik van woonruimte ten behoeve van bed & breakfast uitgaat op het woon- en leefklimaat niet onevenredig zal zijn.

Aldus beschermt het in de huisvestingsregels vastgelegde afwegingskader voor omzetting en onttrekking ten behoeve van bed & breakfast het belang van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voldoende. Een nadere ruimtelijke afweging voegt hieraan niets toe. De regels over woonruimte voorraad als vastgelegd in de Huisvestingsverordening 2020 hebben betrekking op de bestaande woonruimte voorraad. Voorliggend bestemmingsplan maakt nieuwbouw van woningen mogelijk. De Huisvestingsverordening 2020 heeft geen directe betrekking op nieuwe woningen waarmee de bestaande woonruimte wordt uitgebreid. Dat pas aan de orde als de nieuw te bouwen woningen gerealiseerd zijn en het daarna dus bestaande woningen zijn. Wanneer in geval van nieuwbouw of transformatie direct voor kamerverhuur wordt opgericht of woonruimte wordt vergund en gerealiseerd met het oog op exploitatie als bed & breakfast, is dit toegestaan zonder omzettingsrespectievelijk onttrekkingsvergunning ten behoeve van bed & breakfast. In dat geval worden de ontwikkelingen niet in mindering gebracht op de op basis van de Huisvestingsverordening vastgelegde wijkquota. Hierdoor neemt de grip op de samenstelling van de woonruimte voorraad en sturing op leefbaarheid af. Door in de regels van het bestemmingsplan dat nieuwe woningen mogelijk maakt alleen de zelfstandige woonruimte als rechtstreeks recht toe te staan, wordt dit tegengegaan.

Hiervoor is in voorliggend bestemmingsplan gekozen. Realiseren van onzelfstandige woonruimte en woonruimte met faciliteiten voor bed & breakfast zijn geen directe rechten in voorliggend bestemmingsplan. Wel zijn er afwijkingsbevoegdheden opgenomen. De binnenplanse afwijkingsbevoegdheid kan echter niet worden bestemmingsplan_Simon Stevinstraat - zelfbouw kavel 01 (vastgesteld)

blz. 47

gebruikt gelijktijdig met een omgevingsvergunning om een woongebouw op te richten of een gebouw te transformeren naar woonruimte. Dat volgt uit de voorwaarde voor de afwijkingsbevoegdheid dat de vergunningen slechts worden verleend indien de daarvoor benodigde vergunning op grond van de Huisvestingswet en/of verordening is verleend. Dit impliceert immers dat een dergelijke vergunning is vereist. Die vergunning is niet vereist, wanneer reeds eerder de juridisch-planologische toestemming voor een andere gebruik van de woning dan als zelfstandige woonruimte bestond. De binnenplanse afwijkingsbevoegdheid kan daarom uitsluitend worden ingezet nadat eerst een zelfstandige woonruimte is opgericht. Na oprichting behoort de woonruimte tot de bestaande voorraad. Wanneer daarna de wens bestaat deze verkamerd te verhuren of een bed & breakfast te gaan exploiteren, is vervolgens een vergunning op grond van de Huisvestingwet en/of -verordening nodig. Deze omzettings- of ontrekkingsvergunning op grond van de Huisvestingsverordening wordt verleend als aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan, waaronder een toets aan het beschikbare quotum. De ontwikkeling wordt op het quotum in mindering gebracht. Het woon- en leefklimaat is als hierboven uiteengezet in dit afwegingskader voldoende geborgd.

De omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan voor onzelfstandige woonruimte of bed & breakfast kan daarom volgen op de omzettingsvergunning voor kamerverhuur of onttrekkingsvergunning ten behoeve van bed & breakfast. De binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voorziet er tevens in dat de afwijkvergunning en de onttrekkingsvergunning voor bed & breakfast voor wat betreft de geldigheidsduur worden gelijkgeschakeld. De situatie kan voordoen dat een aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend waarbij toestemming wordt gevraagd om direct bij oprichting of direct bij omzetting onzelfstandige woonruimten, of bed & breakfastfaciliteiten te realiseren. Als gezegd is dan geen vergunning op grond van de Huisvestingswetof verordening benodigd en kan als gevolg daarvan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid niet worden gebruikt. Dan kan wel buitenplans vergunning worden verleend. Wel is het noodzakelijk om het al dan niet verlenen van de gevraagde (buitenplanse) afwijkvergunning in het kader van de toets aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat af te stemmen op de overige ontwikkeling van verkamering respectievelijk bed & breakfast in de betreffende buurt of wijk. Short stay Het gebruik van woningen ten behoeve van short stay is niet toegestaan. Short stay is het tijdelijk gebruik van een woonruimte ten behoeve van 'kort wonen'.

Het tijdelijke gebruik betreft een periode van minimaal zeven nachten en maximaal zes maanden, en is geen wonen in de gewone betekenis van het woord. Dit was tot 2016 een methode om in Amsterdam expats te faciliteren. Het beleid hieromtrent was ingezet vanuit Huisvestingsregels. Tot aan vastgelegde maxima in buurten kon een onttrekkingsvergunning voor tien jaar worden verleend ten behoeve van short staygebruik. Short stay wordt niet meer gezien als wenselijke vorm van gebruik van woonruimte. In het bestemmingsplan zijn er dan ook geen regels over short stay opgenomen. Artikel 5 Antidubbeltelregel Deze bepaling vormt evenals de overgangsbepaling een van de "standaardregels" die het Bro als verplicht op te nemen bepaling in een bestemmingsplan voorschrijft en komt dus geheel overeen met de tekst uit het Bro. Het moet verhinderen dat bouwpercelen, die slechts voor een bepaald deel mogen worden bebouwd, later alsnog kunnen worden volgebouwd. Nadat een eerste bouwwerk is gerealiseerd, moet deze bepaling voorkomen dat het overgebleven open terrein opnieuw als het totale bouwperceel kan worden beschouwd. Artikel 6 Algemene bouwregels Het artikel "Algemene bouwregels" bevat regels die voor het gehele plangebied gelden. Dit betreft in dit bestemmingsplan de volgende onderwerpen:

Gemeente Amsterdam

blz. 48

toegelaten overschrijdingen parkeren Toegestane overschrijdingen In artikel 6 is onder meer geregeld dat bepaalde, kleine overschrijdingen van bestemmingsvlakgrenzen en bebouwingsregels mogelijk zijn zonder een afwijkingsprocedure (toegelaten overschriidingen). In het verleden waren voor zulke geringe overschrijdingen wel (toen nog ontheffings)procedures nodig. Maar in de praktijk bleken de in dit artikel opgesomde overschrijdingen altijd een ontheffing te krijgen. Daarom zijn ze in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt "bij wijze van recht". Dat komt de helderheid vooraf ten goede en kan de proceduredruk verminderen. Parkeren Artikel 6 bevat onder meer de algemene regels voor de parkeernormering. Dit deels in de vorm van een dynamische beleidsverwijzing naar de Nota Parkeernormen Auto (zie ook paragraaf 3.5.8) en deels in de vorm van parkeernormen die in het bestemmingsplan zelf zijn opgenomen. Dit laatste geldt voor het fietsparkeren. Hieraan ligt een specieke afweging ten grondslag waarvoor verwezen wordt naar paragraaf 3.5.8. Artikel 7 Algemene gebruiksregels In dit artikel is, in aanvulling op het algemene gebruiksverbod in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), benadrukt wat als strijdig gebruik binnen de bestemmingen wordt beschouwd.

Artikel 9 Overgangsrecht In dit artikel zijn overgangsregels opgenomen, die evenals de anti-dubbeltelregel behoren tot de standaardregels uit het Bro. Artikel 10 Slotregel De slotregel ten slotte geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer alsmede de datum van vaststelling door de gemeenteraad.

bestemmingsplan_Simon Stevinstraat - zelfbouw kavel 01 (vastgesteld)

blz. 49

Hoofdstuk 7 7.1

Economische uitvoerbaarheid

Kostenverhaal

Ingevolge artikel 6.12 Wro besluit de gemeenteraad, of wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan. In dit geval wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan omdat de gemeente Amsterdam volledig eigenaar is van de gronden waarop het bestemmingsplan van toepassing is. Het kostenverhaal, zoals bedoeld in de Wro, is verzekerd via het erfpachtstelsel. In het plangebied wordt dus voldaan aan de vereiste van "reeds anderszins verzekerd" zijn. Het toepassen van het erfpachtstelsel ten behoeve van kostenverhaal past goed binnen de Wro omdat die wet het uitgangspunt van het privaatrechtelijke spoor voorop stelt. Erfpacht is immers een privaatrechtelijk instrument waarbij de gemeente als eigenaar bepaalt tegen welke vergoeding haar gronden in gebruik mogen worden genomen door derden. Naar zijn aard biedt dit systeem de gemeente de mogelijkheid om kosten die de gemeente maakt ten behoeve van de grondexploitatie van gronden te verhalen op derden die gebruik maken van die gronden. Opgemerkt zij nog dat de gemeente telkens eigenaar is en blijft van die gronden. Kostenverhaal met behulp van erfpacht past daarom binnen het wettelijk voorzien systeem voor het verhaal van de kosten van de grondexploitatie. De gemeente ontvangt immers een vergoeding voor het gebruik van de gronden. Uit deze vergoeding kunnen de kosten van de grondexploitatie worden bekostigd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13943612/1