3. Ontwerp_Nota_Waterveiligheid_v3.pdf
Tekst van het document
versterkingsopgave maken we een nieuwe prioritering aan de hand van de trajecten die het grootste risico vormen voor de waterveiligheid. 7.1.3 Uitkomsten van de BOB-trajecten Er lopen op dit moment nog twee BOB trajecten die direct impact hebben op de waterveiligheid. Wanneer deze BOB trajecten met een besluit afgerond zijn, vertalen we de resultaten naar waterveiligheid. Dit kan leiden tot nieuw beleid. BOB traject Schade aan keringen en oevers Uit het BOB traject schade aan keringen en oevers kan een besluit voortkomen dat direct om beleidsverandering vraagt. Maar het kan ook resulteren in verandering in hoe we handhaven. De uitkomsten van dit BOB-traject verwerken we in ons instrumentarium en we passen eventueel ons beleid aan.
26 / 45
BOB traject bodemdaling We gebruiken de uitkomsten van het BOB-traject bodemdaling om te bepalen hoeveel ruimte de regionale keringen in de toekomst nodig hebben. Dit kan betekenen dat we extra ruimte willen reserveren voor onze beschermingszones. Daarnaast kan er voortkomen dat de waterveiligheidsrisico’s toenemen in bepaalde gebieden door bodemdaling, wat kan zorgen voor strengere normen. 7.1.4 Uitgangspunten voor de legger De oeverconstructies nemen we op in de legger ondersteunende kunstwerken. We willen de bijzonder waterkerende constructies (bwc’s), die invloed hebben op de waterveiligheid, opnemen in de legger regionale kunstwerken. Hierin beschrijven we wie onderhoudsverplichtingen heeft. Daarmee herzien we de uitgangspunten van de Legger over damwanden en constructies. 7.1.5 Versnelde zeespiegelstijging We bereiden ons voor op een snellere stijging van de zeespiegel. Dit doen we op verschillende manieren. Als eerst zorgen we ervoor dat we op de hoogte blijven van de lopende onderzoeken, zoals de IPCC rapporten, maar ook de vertaling van de IPCC rapporten door Deltares en KNMI naar de Nederlandse situatie. Daarnaast blijven we actief betrokken bij de lopende onderzoeken naar zeespiegelstijging zoals het Kennisprogramma Zeespiegelstijging van het Rijk.
Omdat er veel onzekerheden zijn zetten we in op flexibiliteit in onze strategieën. We implementeren “no-regret” maatregelen in ons werk. Dit houdt in dat we geen nieuwe functies toelaten op en rondom keringen waar we later spijt van kunnen krijgen. Ook onderzoeken we of het nodig is om onze beschermingszones te vergroten. Het vergroten van de zones rondom de kernzone kan nodig zijn als we de dijken nog hoger en breder moeten maken. Er zijn verschillende redenen om te onderzoeken of het strategisch is om de grond van de keringen en rondom de keringen in eigendom te krijgen. Het idee hier achter is om te kijken of het voor in de toekomst (2050) niet beter en goedkoper is, om onze beheertaak uit te voeren als we de eigenaar zijn van de keringen. Het gaat om de volgende activiteiten: - Toekomstbestendigheid keringen (klimaatverandering) - Projecten en onderhoud uitvoeren - Medegebruik faciliteren (vanwege duurzaamheid, ecologie en biodiversiteit en de energietransitie) 7.1.6
Kaders voor medegebruik
Op en rondom keringen laten we medegebruik toe binnen bepaalde kaders. Het eerste en belangrijkste kader is dat het medegebruik geen afbreuk doet aan de waterveiligheid. Waterveiligheid is de prioriteit. Het medegebruik mag ook niet de oorzaak zijn voor een
toename in complexiteit voor het beheer van de kering, zoals het belemmeren van de voorjaarsinspectie. Daarnaast willen we niet dat Rijnland grote (financiële) consequenties moet dragen door het medegebruik, zoals extra kosten voor onderhoud of bij een dijkversterking. Deze kaders gelden ook voor de energietransitie. Rijnland streeft naar energieneutraliteit in 2025. Dit betekent dat vanaf 2025 jaarlijks de hoeveelheid (duurzame) energieopwekking minimaal even groot is als het totale energieverbruik. Het energieverbruik bestaat uit alle elektriciteit, gas, brandstoffen en warmte die Rijnland verbruikt en de energie die partijen, die namens Rijnland reguliere werkzaamheden verrichten, verbruiken. Daarom willen we in de komende periode uitzoeken of we onze keringen kunnen gebruiken om deze opgaves te realiseren, zonder dat de waterveiligheid in gevaar komt. De kaders waarin maatregelen ten behoeve van de energietransitie zijn toegestaan op en rondom keringen is alleen wanneer deze maatregelen geen gevaar vormen voor de waterveiligheid. Maar ook behoren deze maatregelen de beheerstaken, zoals inspecties en onderhoud, niet te belemmeren. We streven hier naar maatwerk. Bij het verlenen van een vergunning op of nabij een kering, willen we onderzoeken of we de extra financiële gevolgen voor Rijnland door het toestaan van
27 / 45
medegebruik door de medegebruiker worden bekostigd. Het gaat voornamelijk om de extra kosten die in de toekomst gemaakt moeten worden door het toestaan van het medegebruik zoals extra onderhoud, inspecties die lastiger uit te voeren zijn en vervanging. Deze extra kosten willen we delen met de medegebruiker. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld een boom (groter dan 5 m) op de kering die een te groot risico vormt. Onder normale omstandigheden willen we de boom van de kering hebben. Als er een alternatief is, zoals het gebruik van een damwand wat er voor kan zorgen dat de boom kan blijven staan willen we als Rijnland hier in mee gaan. Vaak worden de kosten voor de aanleg gedeeld, maar er wordt geen rekening gehouden dat Rijnland extra kosten in de toekomst moet maken. Wanneer de keringen namelijk verhoogd moeten worden, is het verhogen met grond goedkoper dan het vervangen of verhogen van een damwand. 7.1.7 Samenwerkingsagenda’s en ruimtelijke ontwikkeling Samen met de provincies en gemeenten gaan we onze lange termijn planning delen om beter op elkaar af te kunnen stemmen, om er zo voor te zorgen dat we meer werkzaamheden tegelijkertijd kunnen oppakken. We kijken dan naar dijkversterkingen en bijvoorbeeld wegwerkzaamheden op de dijk die dan tegelijkertijd opgepakt kunnen worden. Op deze manier bespaar je
kosten en onder vindt de omgeving maar in één periode overlast. Daarnaast willen we eerder aan tafel met de overheden die over de ruimtelijke ontwikkeling gaan. De impact die waterveiligheid heeft op de ruimtelijke ordening en andersom is groot en wordt alleen maar groter nu de druk op de ruimte steeds groter wordt. Bij plannen voor bijvoorbeeld woningbouw willen we niet dat dit op een locatie komt waar de gevolgen voor waterveiligheid groot zijn, door te bouwen op de diepste locatie in een polder. En andersom al ergens zoveel nieuwe economische waarde wordt gecreëerd kan dit invloed hebben op de norm van de keringen. Hierover willen we in gesprek met zowel de provincies, gemeenten en projectontwikkelaars. Dit is lijn met het thema “water wijst de weg” in het WBP6.
herzien. Vanaf nu wordt de nota Waterveiligheid minimaal één keer in de vijf jaar herzien om te zorgen voor actueel beleid. 7.2 Pilots op de agenda Er zijn een aantal onderzoek die al lopen. Dit zijn de onderzoeken waar we komende periode nog verder aan gaan werken: - Pilot Meegroeidijk: Met bagger keringen versterken - Pilot satelliet-gestuurde droogtemonitoring - Zorgplichtkader opstellen voor regionale keringen
7.1.8 Rivierkreeften Er lopen een aantal onderzoeken samen met de STOWA en de Unie van Waterschappen naar de populatie en de impact van de rivierkreeften. We zijn of direct betrokken bij deze onderzoeken of deze hebben een directe link waardoor we op de hoogte blijven van nieuwe inzichten. Als er meer duidelijkheid is of de rivierkreeften een rol hebben binnen waterveiligheid en wat deze rol is, kan dit resulteren in beleidswijzigingen. 7.1.9 Nota waterveiligheid actueel houden De laatste nota waterveiligheid is pas na 10 jaar
28 / 45
BIJLAGE 1 Regionale keringen binnen beheergebied van Rijnland
29 / 45
BIJLAGE 2 Van Waterwet naar Omgevingswet In Nederland zijn de in de leefomgeving geldende regels in verschillende wetten en regelingen onderverdeeld. Zo staan de regels over ruimtelijke ordening in de Wet ruimtelijke ordening, regels over milieu in de Wet milieubeheer en zijn zo ook regels voor het waterbeheer apart te vinden in de Waterwet. Hier komt echter verandering in. 26 verschillende wetten zullen worden gebundeld tot één wet: de Omgevingswet. De Omgevingswet zal 1 januari 2022 in werking treden. Veel zaken uit de Waterwet komen op eenzelfde manier terug in de Omgevingswet. Toch zullen er ook consequenties zijn voor het huidige waterbeheer. Zo zal de samenhang tussen onze beheerinstrumenten veranderen. De Keur en uitvoeringsregels zullen opgenomen worden in één Waterschapverordening, waarin ook de zonering op en rond een waterkering te vinden zal zijn. De legger zal daardoor enkel de normatieve toestand van een waterkering bevatten (e.g. ligging, vorm, afmeting en constructie). Daarnaast zal de benaming van sommige gehanteerde begrippen veranderen. Zo zal het beschermingsniveau van de genormeerde regionale keringen (i.e. de veiligheidsklasse) de omgevingswaarde worden genoemd. Op dit moment hebben de meeste provincies verschillende verordeningen voor verschillende
onderdelen van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld, een specifieke waterverordening. Met de komst van de omgevingswet zullen deze gebundeld worden in één omgevingsverordening. In de nieuwe omgevingsverordening zou het voldoen aan de normen door waterschappen kunnen veranderen van een inspanningsverplichting naar een resultaatverplichting. Dit kan serieuze consequenties hebben voor de manier waarop Rijnland nu beheert en onderhoud uitvoert.
keringen, behalve voor onderhouds-en herstelwerkzaamheden, projectplannen worden ingezet, gaan dan alleen grote projecten (e.g. versterkingen) via een projectbesluit. Voor kleinere projecten zal een vergunning volstaan.
Inspanningsverplichting De inspanningsverplichting is een verplichting tot inspanning die een partij aangaat. Dat wil dus zeggen: de partij zal zich inspannen om een bepaald resultaat te bereiken, maar garandeert dat resultaat niet. Resultaatsverplichting De resultaatsverplichting is een verplichting die veel verder gaat dan de inspanningsverplichting. De partij op wie deze verplichting rust, verplicht zich om een bepaald resultaat te behalen. Als laatste zal het projectplan, als vastgelegd in de Waterwet, veranderen in een projectbesluit. Het project- plan/besluit kan worden ingezet om projecten te realiseren in het kader van het beheer van watersystemen. Waar nu voor alle projecten rondom
30 / 45
BIJLAGE 3 Klimaatscenario Wh Voor een bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland is kennis over het toekomstig klimaat van groot belang. Hoe kan het klimaat in de toekomst veranderen? Wat zijn de meest waarschijnlijke ontwikkelingen? De klimaatscenario’s van het KNMI geven ons hier inzicht in. Dat inzicht kan ons helpen om ons zo goed mogelijk aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Ook voor Rijnland zijn de klimaatscenario’s van belang om te kunnen anticiperen op de veranderende omstandigheden in de toekomst. In deze bijlage wordt kort uitgelegd wat de klimaatscenario’s inhouden en wat dit voor in de toekomst voor Rijnland gaat betekenen. Scenario’s Er is onlangs een nieuw rapport van de IPCC uitgebracht. De IPCC-rapportage uit 2014 vormt momenteel het uitgangspunt van de klimaatscenario’s van het KNMI uit 2014. Het IPCC-rapport van 9 augustus 2021 wordt in het najaar door het KNMI vertaald in een ‘klimaatsignaal’ voor Nederland en in nieuwe scenario’s voor klimaat, zeespiegelstijging en extreem weer in 2023. Deze nieuwe inzichten over klimaatverandering kunnen leiden tot voorstellen om beleid en de regels te herzien. Maar omdat deze nu nog niet beschikbaar zijn gaan we uit van KNMI’14klimaatscenario’s.
Figuur B3- 1 Wereldwijde temperatuurstijging en de 4 klimaatscenario’s die door het KNMI voor Nederland zijn berekend
De KNMI’14-klimaatscenario’s vertalen de onderzoeksresultaten voor het wereldwijde klimaat uit het IPCC-rapport (2013) naar Nederland. De KNMIklimaatscenario’s zijn dus gebaseerd op dezelfde bronnen als van het IPCC, het klimaatpanel van de VN. De KNMI’14-scenario’s beschrijven samen de hoekpunten waarbinnen de klimaatverandering in Nederland zich, volgens de nieuwste inzichten, waarschijnlijk zal voltrekken. Ze geven de verandering rond 2050 en 2085 weer ten opzichte van het klimaat in de periode 1981-2010.
De vier KNMI’14-scenario’s verschillen in de mate waarin de wereldwijde temperatuur stijgt (‘Gematigd’ en ‘Warm’) en de mogelijke verandering van het lucht stromingspatroon (‘Lage waarde’ en ‘Hoge waarde’). In Figuur B3- 1 is te zien dat de vier verschillende scenario’s verschillende uitkomsten hebben op de gemiddelde temperatuurstijging van Nederland. De Gl en Wl scenario’s laten een relatief lage temperatuurstijging zien van ongeveer 1 graad in 2050. De Wh en Gh scenario’s tonen een hogere
31 / 45
temperatuurstijging van ongeveer 2 graden in 2050. Uit de scenario’s kan dus worden opgemaakt dat de temperatuur in Nederland minimaal 1 graad zal zijn gestegen in het jaar 2085. Wh scenario Rijnland houdt bij klimaatverandering rekening met het Wh scenario. Dit betekent dat wij uitgaan van het warmste scenario. Tabel B3- 1 geeft een indruk van hoe een gemiddeld jaar rond 2050 er uit zal zien, onder de verschillende klimaatscenario’s. Ter vergelijking zijn de gemiddelden voor het huidige klimaat er ook bij gezet. Tabel B3- 1 toont dat de verschillen per scenario relatief groot zijn. Waar in het Gl scenario de gemiddelde temperatuur voor een jaar met 1°C stijgt, is dat voor het Wh scenario ruimt 2°C. Dit verschil is ook te zien voor de maximale temperatuur. Een groter verschil is te zien in de toename van het aantal warme en tropische dagen. Hier is het voornamelijk het Wh scenario dat een grote toename laat zien. Wat betreft de neerslag zijn de verschillen minder groot. Wederom geven alle scenario’s hetzelfde beeld van een toename van de jaarlijkse hoeveelheid. Echter zit wel in de verwachting dat de neerslagextremen groter worden waardoor er meer neerslag in één dag zal vallen. De droge periodes worden hierdoor waarschijnlijk ook langer.
De Bilt gemiddelde (1980 – 2010)
Gl
Gh
Wl
Wh
Gemiddelde temperatuur (°C)
10,2
11,2
11,6
12,2
12,5
Max temperatuur (°C)
14,2
15,1
15,5
16,0
16,4
Aantal zomerse dagen (> 25 °C)
26
33
36
39
47
Aantal tropische dagen (>30 °C)
4
7
9
10
13
Totale hoeveelheid neerslag (mm)
887
928
916
938
933
Tabel B3- 1: Verschillende scenario’s voor klimaatverandering Effect op regionale keringen Aan de hand van Figuur B3- 2 wordt een voorbeeld gegeven van de effecten van klimaatverandering of de regionale keringen. Door de temperatuurstijging en het steeds sneller smelten van de poolkappen en het landijs, zal de zeespiegel hoger worden. Doordat het smelten steeds sneller gaat, gaat de stijging van de zeespiegel ook steeds sneller. Deze versnelling staat aangegeven in Figuur B3- 2. Hierin zijn dezelfde modellen gebruikt als aangegeven in Figuur B3- 1. Het stijgen van de zeespiegel heeft effect op de regionale keringen van Rijnland. Met het stijgen van de zeespiegel, wordt het met het huidige boezempeil steeds lastiger om het boezemwater te spuien op zee. Uiteindelijk zal zeer waarschijnlijk het boezempeil moeten worden verhoogd om het spuien mogelijk te houden. Een hoger boezempeil heeft direct gevolg op de levensduur van de regionale kering. Deze zullen sneller versterkt moeten worden omdat de hoogte
van de kering niet meer voldoende is. Daarnaast zal door het versnellen van de bodemdaling de kering sneller zakken en de kerende hoogte nog sneller ontoereikend zijn.
Figuur B3- 2 Gevolgen van de versnelde zeespiegelstijging op de levensduur van een fictieve versterkingsmaatregel
32 / 45
Wanneer een dijk wordt versterkt, wordt deze bijvoorbeeld opgehoogd met 0,5 m zodat deze weer voldoet aan de gestelde eisen. Met het huidige klimaat zou deze versterkingsmaatregel 65 jaar lang werken. Na deze 65 jaar is door bodemdaling en klimaat verandering deze 0,5 m ophoging niet meer genoeg en moet er opnieuw versterkt worden. Als de dijk dan weer met 0,5 m wordt opgehoogd, zal deze maatregel, door de versnelde zeespiegelstijging, niet meer 65 jaar lang werken. Figuur B3- 2laat zien dat de maatregel nu maar 20 jaar werkzaam is. Na deze 20 jaar zal er opnieuw versterkt moeten worden. De figuur laat dus zien dat de regionale waterkeringen steeds vaker opgehoogd en versterkt moeten worden waardoor de jaarlijkse versterkingsopgave steeds groter wordt en daarmee duurder wordt. Toekomstige scenario’s Momenteel vindt er wereldwijd nog steeds veel onder zoek plaats naar klimaatverandering en komen er jaarlijks nieuwe inzichten bij. Door deze nieuwe inzichten worden de voorspellingen voor het toekomstige klimaat steeds accurater en nauwkeuriger. Daarom worden de klimaatscenario’s eens per periode herzien. De verwachting is nu dat het KNMI in 2023 met de nieuwste scenario’s komt. Tot deze tijd zal Rijnland dus vast houden aan de huidige scenario’s.
Als de nieuwe scenario’s straks beschikbaar zijn, zal Rijnland deze bestuderen en zal worden bepaald of wij onze koers moeten veranderen of dat we nog op de goede weg zitten.
Op 25 oktober heeft het KNMI het rapport uitgebracht KNMI Klimaatsignaal’21. Dit is gebaseerd op de nieuwe inzichten uit het IPCC-rapport van augustus 2021 en onderzoek van het KNMI zelf. De toekomstscenario’s laten een grotere zeespiegelstijging zien dan voorheen. Als we de uitstoot van broeikasgassen niet verminderen kan de zeespiegel voor de Nederlandse kust rond 2100 met 1,2 meter stijgen ten opzichte van begin deze eeuw. Als het smelten van de Antarctische IJskap op de Zuidpool versnelt, komt zelfs de 2 meter zeespiegelstijging in 2100 in zicht. In 2014 berekende het KNMI dat in 2100 de grens 1 meter zou zijn. De berekende zeespiegelstijging is nu dus naar boven bijgesteld. Deze getallen zijn op basis van de modellen met een zeer hoge broeikasgasemissie (SSP5-8.5) en de hoogste waarde in de 90%-brandbreedte, zie Figuur B3-3.
Figuur B3- 3 Zeespiegel aan de Nederlandse kust zoals waargenomen en volgens de nieuwe, indicatieve zeespiegelprojecties. De getrokken lijnen in groen, paars, rood geven de mediaan aan van die projecties, het gekleurde gebied de 90%-bandbreedte. Het nullpunt van de mediaanlijnen ligt bij het jaar 2005; de brandbreedte in 2005 komt overeen met de natuurlijke variabiliteit.
33 / 45
BIJLAGE 4 Hoe is de waterveiligheid geregeld? De zorg voor waterveiligheid is verankerd in de Waterwet en verdeeld over het Rijk, de provincies en de waterschappen. Via deze wet hebben de waterschappen als waterbeheerders de zorg voor waterkeringen toebedeeld gekregen. In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe Rijnland deze taak in zijn algemeenheid vorm geeft. Daarnaast wordt er een overzicht gegeven van alle waterkeringen waar Rijnland zorg voor draagt. Hoe werken we aan de waterveiligheid Het verantwoordelijk zijn voor de zorg voor waterkeringen houdt in dat Rijnland de wettelijk taak heeft om de waterkeringen aan de veiligheidseisen en normen te laten voldoen en voor het preventieve beheer en onderhoud te zorgen. Er wordt hierbij van een zorgplicht gesproken. Om aan de zorgplicht invulling te geven doorloopt Rijnland periodiek een veiligheidscyclus en beschikt over verschillende beheerinstrumenten. B4.1. Veiligheidscyclus Figuur B4- 1 toont de veiligheidscyclus met activiteiten die door Rijnland worden uitgevoerd om aan de zorg voor waterkeringen te kunnen (blijven) voldoen. De cyclus wordt zowel voor primaire als regionale keringen gehanteerd. De volgende processen staan in de veiligheidscyclus centraal: • De toetsing van waterkeringen en het daaruit
volgende buitengewoon onderhoud (e.g. versterkingen). • De periodieke inspectie van keringen en het daaruit volgende dagelijks onderhoud (i.e. correctief onderhoud het hele jaar door). • Een vergunningsbeleid voor medegebruik met welke ontwikkelingen op en rond de waterkering, die afdoen aan de veiligheid, worden voorkomen. Het uitvoeren van deze activiteiten gebeurt binnen de wettelijke kaders voor waterveiligheid die zijn vastgesteld door Rijk en provincie. Voor primaire keringen is het Rijk daarbij normsteller en toezichthouder, terwijl voor regionale keringen deze rollen worden vervuld door de provincie. Zowel Rijk als provincie draagt ook de zorg om technische leidraden beschikbaar te stellen voor de waterschappen om het toetsen aan de gestelde eisen mogelijk te maken. Het Rijk heeft de zorgplicht belegt bij het Inspectie Leefomgeving Transport (ILT). B4.1.1 Normeren Om overstromingen te voorkomen, zijn er normen opgesteld waaraan de keringen langs de Nederlandse wateren moeten voldoen. Het vaststellen van de normen voor zowel de primaire- als de regionale keringen is een taak die niet bij Rijnland ligt, maar onder de verantwoordelijkheid valt van respectievelijk het Rijk en de provincies (hoofdstuk 4.1.1). Rijnland is verantwoordelijk om het watersysteem, waaronder de waterkering, zo in te richten en te beheren dat het
Figuur B4- 1: Veiligheidscyclus voor waterveiligheid
voldoet aan de vastgelegde veiligheidsnorm. Wanneer er eventuele veranderingen in ons beheergebied zijn opgetreden, zoals economische ontwikkelingen en peilveranderingen, geeft Rijnland wel advies over de normeringen. Primaire keringen Sinds 1 januari 2017 gelden er nieuwe normen voor primaire waterkeringen. De belangrijkste wijzigingen zijn dat we niet langer spreken van een overschrijdingskans, maar van een overstromingskans. Ook is de term ‘dijkringen’ komen te vervallen. De voormalige dijkringen zijn in korte stukken opgedeeld, de zogenaamde ‘dijktrajecten’, die afzonderlijk worden genormeerd.
34 / 45
Van overschrijdingskans naar overstromingskans In het waterveiligheidsbeleid is er overgestapt van een overschrijdingskansnorm naar een overstromingskansnorm voor primaire keringen. De overschrijdingskansnorm geeft aan wat de hydraulische belasting is die een waterkering aan moet kunnen. De overstromingskansnorm is een heel ander begrip: een overstromingskans zegt iets over de kans dat het gebied dat door de kering beschermd wordt mag overstromen. De hoogte van beide soorten normen zijn getalsmatig daarom niet vergelijkbaar.
Het gevolg van deze wijzigingen is dat er meer onderscheid is gekomen tussen de achterliggende gebieden die door een kering worden beschermd. Onderscheid is nodig aangezien een doorbraak van de waterkering niet altijd resulteert in dezelfde overstroming en gevolgen. Een doorbraak op een plek waar veel mensen wonen en het achterland laag ligt, heeft namelijk andere gevolgen dan een doorbraak elders, waar juist minder mensen wonen of de overstromingsdiepte minder is. De normen voor dijktrajecten zijn door het Rijk vastgelegd in de Waterwet. Per traject is er een ondergrens en een signaleringswaarde: • Ondergrens: Dit is de overstromings- of faalkans, waarop de waterkering minimaal berekend moeten
zijn. De ondergrens is dus de maximaal toelaatbare waarde van de overstromings- of faalkans. Als hieraan wordt voldaan, is daarom minimaal het basisbeschermingsniveau gewaarborgd op een kans van overlijden door een overstroming van 1 keer in de 100.000 jaar. • Signaleringswaarde: Dit is de waarde die aangeeft dat de waterkering nog voldoet, maar dat de ondergrens in zicht komt. Deze waarde is dus strenger dan de ondergrens. Bij het overschrijden van deze waarde is er nog voldoende tijd om een versterking te doen. Hiermee wordt voorkomen dat de ondergrens bereikt wordt. Het bereiken van de signaleringswaarde is één van de voorwaarden voor subsidiëring van maatregelen. In Figuur B4- 2 is de toets en versterkingscyclus uitgebeeld. Het enige stuk primaire keringen van Rijnland dat geen zeewering is, ligt bij Gouda. Deze kering maakt deel uit van traject 14_1 wat doorloopt tot Rotterdam. Dit traject wordt grotendeels door HHSK beheerd en voor een kleiner deel door Rijnland. De norm is een overstromingskans van 1:30.000 per jaar. Regionale keringen De normen voor regionale keringen worden door de provincies in een verordening vastgelegd. De veiligheidsnorm voor regionale keringen
Figuur B4- 2 De toets- en versterkingscyclus: A. Veiligheid neemt af door toenemende belasting als gevolg van klimaatverandering en/of afnemende sterkte door veroudering. B. Voorbereidingen van maatregelen kunnen starten zodra de signaleringsnorm wordt bereikt. C. Start versterking van de waterkering. D. Ondergrens is bereikt. E. Veiligheid direct na de versterking
representeert de gemiddelde overschrijdingsfrequentie per jaar. Dit is de kans van voorkomen van een bepaalde waterstand. Toch is het veiligheidsniveau mede bepaald door de hoogte van de economische schade die bij het falen van de waterkering kan optreden. Hiertoe zijn de regionale waterkeringen in klassen opgedeeld, oplopend van een overschrijdingskans van 1/10 per jaar (IPO I), bijvoorbeeld de Aderpolder in de Kaag, tot een overschrijdingskans van 1/1000 per jaar (IPO V), bijvoorbeeld de Haarlemmermeerkering. Door deze aanpak is de norm strenger voor keringen waarvan het falen tot grotere gevolgen leidt.
35 / 45
B4.1.2 Toetsen en beoordelen Voor alle waterkeringen in beheer bij Rijnland beoordelen we periodiek of deze nog voldoen aan de norm. Aan de hand van maatgevende waterstanden en golven berekenen we of de keringen deze condities kunnen weerstaan. We kijken dan naar, onder andere, de hoogte van de waterkering, de stabiliteit en of de bekleding van een kering de golven kan weerstaan. Hiervoor zijn instrumentaria en leidraden beschikbaar. Primaire waterkeringen Vanaf 2023 brengt Rijnland iedere twaalf jaar verslag uit over de algemene waterstaatkundige toestand van de primaire waterkering aan de minister van I&W. Dit doet Rijnland door middel van het opstellen van een rapportage met de resultaten van de beoordeling van de primaire keringen. De strekkingen die zowel in het beheergebied van Rijnland als in het gebied van andere waterschappen liggen, worden gezamenlijk beoordeeld, waarbij één van de beheerders de rol als penvoerder op zich neemt.
B4.1.3 Versterken Als er uit de beoordeling/toetsing voortkomt dat Rijnland waterkeringen in beheer heeft die niet langer voldoen aan de norm, moet Rijnland deze keringen versterken. Uit een beoordeling/toetsing kan dus een versterkingsopgave volgen. De aanpak van deze opgave verschilt tussen primaire en regionale keringen, maar kent ook gezamenlijke uitgangspunten. Primaire waterkeringen De primaire keringen die versterkt moeten worden, meldt Rijnland aan bij het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). De prioritering van de versterkingen wordt hier vervolgens landelijk geregeld. Het HWBP is voornamelijk opgezet als middel om de financiering van grote versterkingsopgaven mogelijk te maken. Binnen het HWBP betaalt het Rijk 50 procent. Van de overige 50 procent wordt 40 procent door alle waterschappen betaalt via een solidariteitsbijdrage en 10 procent via een projectgebonden bijdrage door het individuele waterschap.
Regionale keringen Conform de Waterwet en de provinciale verordening vindt periodiek (eens in de 12 jaar) toetsing van de waterkering plaats. Het beoordelen van de veiligheid van een regionale waterkering betreft het zo goed mogelijk bepalen van de verwachte sterkte van een waterkering op de peildatum en het vergelijken daarvan met de norm.
Regionale keringen De prioritering en financiering van de versterkingsopgave die voortkomt uit de toetsing van de regionale keringen ligt, in tegenstelling tot de primaire keringen, volledig bij Rijnland zelf. Door middel van prioritering worden de meest urgente opgaven aan dijken of kunstwerken als eerst uitgevoerd. Voor de
regionale keringen gaan we bij het ontwerp uit van verschillende levensduren, van 15 tot 30 jaar voor grondlichamen. Voor damwanden gaan we uit van 100 jaar. Dit is maatwerk, wat sterk afhankelijk is van locatie en soort waterkering. Gezamenlijke uitgangspunten Als een kering versterkt wordt, zal robuust en adaptief ontwerpen een grote rol spelen bij het opstellen van verbeterplannen. Specifiek voor de regionale keringen worden de technische uitgangspunten, de SOR1 (Standaard ontwerprichtlijnen), gehanteerd. Voor de primaire keringen gebruiken we het Ontwerp Instrumentatrium. Daarnaast is het belangrijk om een duurzaam ontwerp te maken en proberen we de uitstoot van broeikasgassen tijdens de realisatiefase zo laag mogelijk te houden. De keuze voor de te nemen maatregelen wordt gebaseerd op de volgende uitgangspunten: 1. De staat en de locatie van de waterkering op dat moment. In de afweging voor een robuuste of adaptieve maatregel wordt meegenomen of de waterkering in stedelijk of landelijk gebied ligt en hoe de waterkering wordt gebruikt. 2. De verwachte levensduur van de waterkering. Een veendijk heeft, bijvoorbeeld, een kortere levensduur dan een kleidijk. Doordat aan een veendijk vaker aanpassingen nodig zijn, hoeft deze waterkering niet meteen voor een lange levensduur robuust te worden ontworpen.
36 / 45
3. De verwachte bodemdaling en zetting. De basis is een extra toeslag ter compensatie van verwachte zetting en bodemdaling zodat de dijk langer op hoogte blijft. Daarbij worden benodigde kadeverbeteringen in beginsel uitgevoerd in grond. Echter, bij bijvoorbeeld zeer slappe ondergrond, zal juist voorzichtig moeten worden ontworpen om extreme zetting te voorkomen. 4. De kunstwerken, nwo’en en bwc’s die op de betreffende strekking staan. Wanneer blijkt dat deze afgekeurd zijn in de toetsing, neemt Rijnland passende maatregelen om het risico te verlagen.
deze inspectie- en/of toetsingsresultaten wordt besloten welke maatregelen nodig zijn. Bij Rijnland kennen we twee typen onderhoud. Dagelijks en buitengewoon onderhoud. Wie de onderhoudsplichtigen zijn voor het dagelijksen buitengewoon onderhoud en wat deze onderhoudsverplichting inhoudt, is vastgelegd in de keur en is uitgewerkt in de legger.
Om de algemene toestand van de waterkeringen en de naleving van de in de keur opgenomen bepalingen in de gaten te houden, voert Rijnland op de waterkeringen inspecties uit. Binnen Rijnland kennen we drie soorten inspecties: de voorjaarsinspectie, de droogte-inspectie en de storminspectie.
Naast het dagelijks onderhoud, voert Rijnland ook buitengewoon onderhoud aan de waterkeringen uit. Buitengewoon onderhoud wordt uitgevoerd nadat een kering in een toets- of beoordelingsronde is afgekeurd en deze in aanmerking komt om versterkt te worden. Het versterken van waterkeringen valt onder buitengewoon onderhoud. Onder buitengewoon onderhoud vallen ook de grotere onderhoudswerken die ervoor zorgen dat de waterkeringen zolang mogelijk aan de norm blijven voldoen.
B4.1.5 Onderhoud
B4.1.6 Vergunning en handhaving
Zonder onderhoud neemt het waterkerend vermogen van een waterkering na verloop van tijd af. Door tijdig onderhoudsmaatregelen te nemen wordt er voorkomen dat de waterkeringen falen. Jaarlijks wordt er een onderhoudsprogramma opgesteld. Door het uitvoeren van inspecties, toezicht op de naleving van de keur en door toetsing van de waterkeringen ontstaat er inzicht in de actuele toestand van de keringen. Afhankelijk van
De Beleidslijn en uitvoeringsregels bieden het kader voor het verlenen van een vergunning. Steeds zal een beoordeling en motivering per situatie nodig zijn. De bevoegd gezagen geven aan welke regelingen en voorwaarden van toepassing zijn. Een initiatiefnemer levert de gegevens aan die nodig zijn om een voornemen te kunnen beoordelen.
B4.1.4 Inspecteren
Door middel van handhaving controleert Rijnland actief of geboden en verboden uit de Keur worden nageleefd. Ook controleren we of aan de onderhoudsplicht wordt voldaan. Hoe dit onderhoud is geregeld, staat opgenomen in de Keur en Legger. Daarnaast wordt gecontroleerd of de voorwaarden uit de vergunning worden nageleefd en er geen illegale activiteiten plaatsvinden. Hiervoor is een heldere, duidelijke interpretatie van de keur en beleidsregels noodzakelijk. Het moet voor de ingelanden helder zijn wat de verplichtingen uit de keur precies inhouden en voor Rijnland om ze daar aan te kunnen houden. Het niet uitvoeren van het gewenste onderhoud of het uitvoeren van risicovolle werkzaamheden zonder vergunning kan een gevaar vormen voor de water veiligheid. Wanneer blijkt dat dit het geval is, wordt de perceeleigenaar aangeschreven en kan eventueel een bestuurlijke- of stafrechtelijke handhaving volgen. B4.1.7 Calamiteiten Binnen het gebied van waterveiligheid kunnen we te maken krijgen met calamiteiten. Voorbeelden hiervan zijn een (dreigende) doorbraak of een hoge waterstand als gevolg van een storm of extreme neerslag maar ook als gevolg het uitvallen van gemalen door een automatiseringsprobleem. De calamiteitenorganisatie werkt volgens een calamiteitenplan.
Hierin zijn ook de calamiteitenbestrijdingsplannen (CBP) opgenomen die met waterveiligheid te maken hebben, zoals het CBP primaire- en regionale waterkeringen en CBP droogte.
37 / 45
In deze plannen staat hoe Rijnland handelt in calamiteuze situaties wat globaal op het volgende neerkomt: • invoeren van dijkinspecties; • dichtzetten van waterkerende kunstwerken; • inzetten noodmaatregelen; • stabiliseren van de waterkering; • compartimenteren van de boezen en/of polderwater; • dichten van de bres bij een doorbraak. B4.2 Beheerinstrumenten Om hun zorgplicht verder vorm te geven, beschikken waterschappen over de volgende wettelijk verplichte beheerinstrumenten: de Keur, de legger en het beheerregister. In de volgende paragrafen wordt het doel van deze beheerinstrumenten en het gebruik van de instrumenten door Rijnland verhelderd. B4.2.1 Keur en legger Rijnland heeft op basis van de Waterschapswet de bevoegdheid om zelf regels te stellen ten behoeve van de waterveiligheid. Deze regels zijn opgenomen in de Keur van Rijnland en zijn voornamelijk gericht op het reguleren van activiteiten om ervoor te zorgen dat het waterkerend vermogen van de waterkeringen in het beheergebied in stand blijft. Afhankelijk van het risico dat er met de activiteit gepaard gaat, is deze in de Keur van Rijnland ingedeeld in één van de volgende categorieën:
• Zorgplicht: Het risico is minimaal. Er worden geen specifieke voorschriften opgelegd en de handeling kan plaatsvinden onder de algemene stelling dat het niet leidt tot nadelige gevolgen. • Algemene regels: Het risico is beperkt. De handeling kan alleen plaatsvinden als men zich houdt aan de algemeen geformuleerde voorschriften. • Vergunningplicht: Het risico is groot. De handeling is niet toegestaan zonder vergunning. Naast het toetsen van de handeling aan de regels in de Keur, wordt de handeling getoetst aan beleidsregels. In deze regels is beleid beschreven in welke gevallen en onder welke voorwaarden een vergunning kan worden verleend. • Absoluut verbod: Het risico is te groot. Het risico kan niet voldoende geminimaliseerd of beheerst worden en de handeling is in zijn geheel niet toegestaan.
In de Uitvoeringsregels is de Keur verder uitgewerkt. Dit document bevat stroomschema’s voor concrete situaties, toelichting op de zorgplicht en de algemene regels en afwegingskaders voor de vergunningplicht. Ten tijden van het opstellen van deze nota zijn de Keur 2020 en Uitvoeringsregels keur 2020 van kracht. Naast het reguleren van activiteiten in het beheergebied, worden er via de Keur ook onderhoudsplichtigen aangewezen die vervolgens onderhoudsverplichtingen krijgen opgelegd. Onder onderhoudsverplichtingen worden activiteiten verstaan welke betrekking hebben tot het dagelijks, groot en buitengewoon onderhoud van een waterkering. De onderhoudsplichtige verplicht tot het dagelijks onderhoud is veelal degene die de waterkering in eigendom heeft. Hoewel Rijnland de zorg draagt voor de waterkeringen, zijn de keringen in het beheergebied bijna geheel in eigendom bij anderen. Het dagelijks onderhoud van de keringen ligt daardoor ook vaak niet bij Rijnland, maar bij de eigenaren. Rijnland is daarentegen wel verantwoordelijk voor de controle op de naleving van de onderhoudsverplichtingen en verplicht tot het uitvoeren van het buitengewoon onderhoud (i.e. het in standhouden van de stabiliteit en het profiel van een waterkering).
38 / 45
Van de 45 km primaire keringen is 1,5 km in eigendom van Rijnland. Grotendeels van de primaire kering langs de kust is van het Rijk, gemeente en provincie Van de 1200 km regionale waterkeringen is ongeveer 100 km in eigendom van Rijnland, 600 km van andere overheden en de resterende 500 km particulieren, bedrijven en overige (zoals stichtingen).
zijn te zien in Figuur…. Middels de zones kan Rijnland differentiatie aanbrengen in haar beleid. In de kernzone zijn de regels namelijk strikter dan in de beschermingszone. Naast de zones die afgebeeld zijn in Figuur B4- 3,wordt er in de legger ook een profiel van vrije ruimte (pvvr) gehanteerd, zie Figuur B4- 4. Deze zone is gereserveerd voor eventuele toekomstige dijkversterkingen en moet daarom vrij van bebouwing blijven. B4.2.2. Beheerregister Het beheerregister is een basiseis van de zorgplicht en is daarom alleen verplicht voor primaire keringen. Het
beheerregister geeft een beschrijving van de actuele toestand van waterstaatswerken en wordt gebruikt voor de beoordeling van het waterkerend vermogen. In het register zijn gegevens opgenomen als: • De fysieke infrastructuur van de waterkering; • Normeringen; • Meetgegevens, zoals boringen of grondwaterstandsreeksen; • Monitoringgegevens, zoals beoordeling en inspectie; • Voortgang van diverse werkzaamheden; • Vergunningen en handhavingszaken.
Naast het vaststellen van de Keur, zijn waterschappen volgens de Waterwet ook verplicht tot het vaststellen en bijhouden van een legger voor de waterkeringen in het beheergebied. In de legger wordt omschreven aan welke eisen de waterkeringen naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. Daarnaast bevat een legger ook lengteprofielen, dwarsprofielen, afmetingen en omschrijvingen van de waterkering. In Figuur B4- 3 worden de zoneringen en terminologie in de legger en de samenhang tussen Keur en legger verder verduidelijkt. De actuele leggers opgesteld door Rijnland zijn op de website van Rijnland in te zien. De legger en de Keur zijn nauw met elkaar verbonden. In de legger zijn namelijk zones opgenomen waar de in de Keur vastgestelde regels van kracht zijn. Deze zones
Figuur B4- 3 Schematisch overzicht van het leggerprofiel (zwarte lijn) met bijbehorende terminologie en zonering
39 / 45
Ook zijn er objecten te vinden die geen bijdrage leveren aan de waterveiligheid als gevolg van het medegebruik dat plaatsvindt op en rondom de kering. Dit zijn de niet-waterkerende objecten (NWO’en). Denk hierbij aan bebouwing, bomen en kabels & leidingen, zie Figuur B4- 5.
Figuur B4- 4 Schematisch overzicht van het leggerprofiel (zwarte lijn) en het profiel van vrije ruimte (oranje lijn) met bijbehorende terminologie
De samenhang tussen de vele onderdelen van een waterkering en de objecten daaromheen is zeer complex. In Figuur B4- 6 staat een schema met de categorisering, functie en eventuele samenhang van alle objecten die van belang zijn voor de waterveiligheid. In de volgende paragrafen zullen de definitie, functie en de normeringssystematiek van de in deze nota relevante primaire en regionale keringen en constructies worden verduidelijkt.
Er bestaat echter niet één beheerregister. De gegevens zijn namelijk verspreid over verschillende databases. Het beheerregister van Rijnland wordt continu bijgewerkt. B4.3 Welke waterkeringen zijn er binnen Rijnland Rijnland heeft als waterbeheerder de zorg voor waterkeringen in haar beheergebied toebedeeld gekregen. Het is echter belangrijk te realiseren dat er nog meer objecten zijn in het beheergebied die kunnen bijdragen of afdoen aan de waterveiligheid. Een waterkering is namelijk veelal gedefinieerd als een grondlichaam, maar kan ook plaatselijk onderbroken en/of verstrekt zijn door een waterkerende constructie.
Figuur B4- 5 Op deze kering bevinden zich verschillende NWO’en, zoals bomen, huizen en wegverharding.. De aanwezigheid van deze objecten kan afdoen aan de stabiliteit van de kering.
40 / 45
Figuur B4- 6 Overzichtsschema van objecten in het beheergebied van Rijnland welke van invloed (kunnen) zijn op de waterveiligheid.
41 / 45
B4.3.1 Primaire keringen Primaire waterkeringen keren buitenwater en ondervinden daardoor grote waterstandsverschillen en zware golfslag. In het beheergebied van Rijnland wordt er een onderscheidt gemaakt tussen twee soorten primaire keringen: de duinen en de dijken langs grote rivieren. Het beleid voor de duinen is echter apart uitgewerkt in de Kustnota. Dijken langs grote rivieren zijn waterkeringen die het achterliggende gebied beschermen tegen overstromingen vanuit de grote rivieren. Dit zijn rivieren die direct in contact staan met het buitenwater en grote hoeveelheden water aanvoeren. In deze rivieren is er vaak nog sprake van eb en vloed. In Rijnlands beheergebied ligt één primaire waterkering langs zo’n rivier. Dit is de kering gelegen langs de Hollandsche IJssel in Gouda. De kering wordt veelal aangeduid als de ‘Goejanverwelledijk’ (GJVD) en reikt met zijn 3,7 km van de Julianasluis tot de Waaiersluis. Zie Figuur B4- 7.
Figuur B4- 7 Een deel van de in 2018 versterkte Goejanverwelledijk. Bij de versterking heeft de primaire kering een multifunctioneel karakter gekregen. Zo zie je dat de dijk zo laag mogelijk is gehouden en er een natuurstenen muur is gemaakt voor het behoud van een mooi aanzicht, er een aanlegplek voor vaarverkeer en een struinpad zijn aangelegd en wilde bloemen zijn geplant.
42 / 45
B4.3.2 Regionale keringen Rijnland beheert naast de primaire waterkeringen ook regionale keringen. Het systeem van regionale keringen bestaat over het algemeen uit drie typen waterkeringen die permanent water keren: boezemkades, polderkades en in een enkel geval ook peilscheidingen. Daarnaast zijn er ook de zogenaamde compartimenterings keringen. Deze hebben niet altijd een direct waterkerende functie, maar worden pas na het falen van een primaire- of regionale kering ingezet om de gevolgen te beperken. Verreweg het grootste deel van de regionale keringen bestaat uit boezem- en polderkaden. Onder boezemkaden vallen alle waterkeringen die achterliggend gebied beschermen tegen overstromingen vanuit de boezem. De Rijnlandse boezem is een stelsel van meren, plassen en vaarten met één vast peil dat al het water uit het beheergebied afvoert naar onze vier boezemgemalen, die vervolgens het water uitslaan op de Noordzee (deels via Noordzeekanaal en Hollandse IJssel).
optreden in polderwateren. Om achterliggend gebied te kunnen beschermen tegen overstromingen liggen er langs deze sloten en watergangen ook waterkeringen. Dit zijn de polderkeringen. Boezem- en polderkaden ondervinden weinig variatie in de waterstand. Toch zijn voor de veiligheid boezemkaden wel belangrijker dan polderkaden, omdat de watergangen groter zijn dan die langs polderkaden. Er is dus meer water wat naar binnen kan stromen. Dit maakt de impact van overstromingen vanuit de Rijnlandse boezem gevaarlijker: meer water en vaak ook een grotere waterdiepte. In totaal heeft Rijnland ongeveer 948 km aan boezemkaden en 274 km aan polderkaden in beheer, waarvan ongeveer 900 km en 194 km genormeerd, zie Figuur B4- 8.
Landscheiding is een term die ook regelmatig opduikt; dit zijn de begrenzing met de buur waterschappen ( i.e. Delfland, Schieland, Stichtse Rijnlanden en Amstel, Gooi en Vecht). Soms is een landscheiding niet meer dan een denk beeldige lijn in het landschap, soms is het een volwaardige dijk. Een landscheiding heeft dus niet altijd een waterkerende functie. We kennen ook zogenaamde ‘verheelde’ kades. Dit is een bijzondere vorm van een boezem- of polderkade. Direct voor of achter de kering ligt het land een stuk hoger (met natuurlijke of kunst matige oorzaak). Hierdoor valt de kering minder op in het landschap, en is hij vaak sterker en ook minder belast door het water wat hij keert.
Water uit de polders wordt afgevoerd naar de 375 poldergemalen die vervolgens uitslaan op de boezem. Het peil in de sloten en watergangen in polders kan wel verschillen en wordt vastgelegd met behulp van peilbesluiten. In de polders is er altijd een lager waterpeil dan in de boezem om zo ook daar droge voeten te houden. Toch kan er soms ook hoog water
43 / 45
Ook peilscheidingen hebben niet het keren van water als primaire functie. Zij vormen ‘slechts’ een begrenzing tussen peilvakken binnen een polder of in sommige gevallen tussen peilvakken uit aangrenzende polders. Wanneer het peilverschil aan beide zijden van de scheiding aanzienlijk groot is, kan het zo zijn dat ze in feite ook een waterkerende functie vervullen en dus de status van een kering hebben.
Figuur B4- 8 Overzicht van de ligging van boezem- en polderkeringen binnen het beheergebied van Rijnland
44 / 45
B4.3.3 Constructies Zowel in primaire als regionale keringen zijn waterkerende constructies te vinden. In het schema in Figuur B4- 6 is te zien dat er veel verschillende constructies zijn, geclassificeerd in waterkerende kunstwerken en Bijzonder Waterkerende Constructies (BWC’s). Waterkerende kunstwerken De primaire functie van waterkerende kunstwerken is het mogelijk maken van noodzakelijke kruisingen. De kruisingen betreffen die voor (scheepvaart)verkeer, waterbeheersing of andere zaken, zoals het doorgang verlenen aan fauna. Daarbij vormen de kunstwerken een onderbreking van de doorgaande waterkering en moeten daarom wel de waterkerende functie van het grondlichaam dat ze vervangen kunnen vervullen. Voorbeelden van waterkerende kunstwerken zijn sluizen en gemalen voor het in- en uitlaten van water ten behoeve van de waterhuishouding, schutsluizen voor de scheepvaart en keersluizen ten behoeve van de hoogwaterbeveiliging. De normering van het kunstwerk is over het algemeen afhankelijk van de kering waarin deze ligt.
en damwandschermen. BWC’s ontlenen hun sterkte aan de sterkte en stijfheid van de gebruikte materialen zoals: staal, beton en hout, maar het bijzondere van deze constructies is dat zij een grotere vrijheid in vormgeving en functionaliteit mogelijk maken dan een traditioneel dijkontwerp. BWC’s wordt vaak gebruik op plekken waar versterken in alleen grond niet mogelijk is, omdat daar geen ruimte voor is of ze worden ingezet om medegebruik te faciliteren. BWC’s zijn duurder dan de aanleg van een grondlichaam. Daarbij vragen ze veelal ook speciale aandacht in het beheer en onderhoud. De normering van de BWC is over het algemeen afhankelijk van de kering waarin deze ligt.
Bijzondere Waterkerende Constructies (BWC’s) BWC’s hebben onder andere het keren van water als functie. Dit doen ze zelfstandig of in combinatie met een grondlichaam. Voorbeelden van BWC’s zijn keermuren, beschoeiingen, stabiliteitsschermen
45 / 45