CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Nota van Beantwoording Hoogbouwbeleid Amsterdam 2024_juli 2024.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 3 juli 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Hoogbouwbeleid Amsterdam 2024 (VN2024-007080)30.417 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Wijzigingen in het concept-beleid:  In het beleid is opgenomen dat bij hoogbouwontwikkeling een inpassingsstudie in omgeving en stad moet worden gedaan. Met een voorgeschreven inpassingsstudie zal het effect op het stadslandschap, windhinder, schaduwwerking en privacy tijdig onderdeel van de planvorming zijn. Ook nemen we op dat we aanbevelen plannen in het begin van het traject voor te leggen aan de openbare vergadering van de Commissie Omgevingskwaliteit. Een integraal advies kan behulpzaam zijn bij het versnellen van het ontwikkeltraject.  In regime 3 geven we voor de uitzonderingsgebieden, waaronder Oostenburg, Wittenburg, Kattenburg en het Marineterrein, aan wat daar de definitie van hoogbouw is. Dat is 20 tot 30 meter, afhankelijk van de zichtbaarheid vanuit het UNESCO-gebied. Hoogbouw tot 60 meter is in dit regime in principe niet mogelijk, alleen als uitzondering. Dat geldt ook voor de uitzonderingsgebieden.  In regime 3 is ook als richtlijn opgenomen dat binnen de 2 kilometerzone nieuwe bebouwing het historisch gelaagde stadsbeeld niet mag aantasten. 5.2 Stadsdeel Oost

43

Het voorliggende beleid heeft als doel helderheid te verschaffen over waar en hoe hoogbouw inpasbaar is binnen de grenzen van Amsterdam. Het beleid moet concrete sturing en toetsingskaders bieden zodat er meer duidelijkheid en eenduidigheid is voor bewoners of belanghebbenden en ontwikkelaar/ontwerpers. Het Dagelijks bestuur (DB) kan zich inhoudelijk vinden in de hoofdopzet van het beleid en de heldere verdeling in 4 regimes. De aanduiding van de gebieden is in hoofdlijnen passend bij de gewenste ontwikkelingen in stadsdeel Oost. a. Het DB acht het niet wenselijk om ter plaatse van George Marina regime 1 (Ja, geschikt) toe te passen. Juist de openheid naar de Amstel is hier belangrijk en ook uitgangspunt geweest in het stedenbouwkundige plan dat voor deze plek is vastgesteld. Het advies van het DB is om hier het regime 4 (Nee) toe te passen om de openheid ook naar de toekomst te waarborgen. b. Ditzelfde geldt voor de locatie van café de Omval, waar bovendien ook nog een uitloper langs de Weespertrekvaart is aangegeven. Op de locatie van café de Omval ligt een balgstuw, een spoor en een dijklichaam die hoogbouw fysiek vrijwel onmogelijk maken en er is een plan dat op ruimtelijke kwaliteit is uitgekozen en geen hoogbouw betreft. Direct langs de Weespertrekvaart is hoogbouw ongewenst. De Weespertrekvaart wordt aangemerkt als landschappelijk hooggewaardeerd element.

Om die reden is in de zone langs de Weespertrekvaart aan de Amstelkwartierzijde het regime ook teruggelegd ten opzichte van het water. Ook hier is het advies van het DB om hier regime 4 (Nee) toe te passen om de openheid ook naar de toekomst te waarborgen. c. Amstelkwartier fase 1 en 2 (begrensd door Amstelstroomlaan, Spaklerweg en Amstel en kop Weespertrekvaart) zijn de afgelopen jaren gebouwd en nagenoeg af. Het is niet aannemelijk dat hier gesloopt gaat worden in de komende decennia. In de Omgevingsvisie heeft deze buurt dan ook grotendeels de aanduiding van bestaande woonbuurt. Daar het hoogbouwbeleid een uitwerking is van de Omgevingsvisie zou je verwachten dat hier regime 4 geldend is. Het advies van het DB is om de begrenzingen aan te passen en op Amstelkwartier fase 1 en 2 het regime 4 (Nee) toe te passen. d. Op de overzichtskaart is in de legenda een onderscheid gemaakt over hoe exact een grens moet worden bekeken. Voor hoogbouwclusters aan het IJ staat dat deze exact zijn aangegeven. De lijn bij Zeeburgereiland is echter verre van exact. De gestreepte lijn sluit niet aan op het rode vlak. Dit leidt mogelijk tot verschillende interpretatie van deze 'exacte’ begrenzing. Voor de aanduiding “hoogbouw in principe toegestaan" wordt geen nadere uitspraak gedaan over hoe exact de grenzen beschouwd dienen te worden.

Advies is om bij “hoogbouw in principe toegestaan” aan te geven dat ook hier de exacte begrenzing in stedenbouwkundige plannen dient te worden uitgewerkt. e. Neem een definitie op van wat gemiddelde bouwhoogte omgeving is en hoe deze wordt berekend. Daarbij adviseert het DB een minimale bouwhoogte van 20 meter voor definitie van hoogbouw op te nemen die ervoor zorgt dat duidelijker is wanneer afwijkingen moeten worden onderbouwd. Dit beperkt ambtelijke inzet en verhoging van kosten voor het stadsdeel. f. Stel deze extra moeite om te onderzoeken of en hoe de toren zichtbaar is vanaf het UNESCO werelderfgoed verplicht bij gebouwen die voor iedereen op grote afstand zichtbaar zijn. Ook rondom Betondorp adviseert het DB het verplicht te stellen om inzichtelijk te maken wat een hoogbouwinitiatief betekent voor het beschermde stadsgezicht. g. Stel eisen op gebouwniveau, juist om duidelijkheid te geven aan omwonenden en ontwikkelaars. Wij adviseren om een deel van de vuistregels om te zetten in eisen. Dat zijn de regels met betrekking tot minimale afstanden tussen hoogbouw onderling, de maximale afmetingen van het grondvlak van een toren en de opbouw en invulling van plinten om tot een levendig programma en aangrenzende openbare ruimte te garanderen. Deze eisen zijn essentieel om kwaliteit te waarborgen. De overige vuistregels kunnen vuistregels blijven. 44

h. Indien een ontwikkelaar en projectteam wil afwijken van de eisen zou je dat kunnen toestaan bij een positief advies van de SIRK (subcommissie integrale ruimtelijke kwaliteit). Hierdoor kan een goed voorstel altijd doorgang vinden. i. Wijs één partij aan voor het bewaken van het overzicht op alle hoogbouwinitiatieven en hoe deze zich tot elkaar verhouden. Met betrekking tot het bewaken van ruimtelijke kwaliteit is het belangrijk dat duidelijk omschreven wordt wie het overzicht houdt over alle hoogbouwinitiatieven in een gebied, maar ook juist de initiatieven over de gebiedsgrenzen heen. In het voorliggende concept ligt die verantwoordelijkheid bij het gebiedsteam van R&D of een projectteam. Er is echter geen borging dat het overzicht bewaakt wordt en er afstemming is. j. Windhinderonderzoek moet, ook in de schetsfase volgens het beleid om negatieve effecten met betrekking tot windhinder in de aangrenzende openbare ruimte in een vroeg stadium te ondervangen. Dit staat echter bij de vuistregels en niet als eis. De vrijblijvendheid leidt mogelijk tot negatieve gevolgen voor de openbare ruimte. Stel windonderzoek in de VO en DO-fase verplicht. k. De eerste regel van 1.1 stelt dat het voorliggende hoogbouwbeleid inzichtelijk maakt waar hoogbouw is toegestaan en onder welke voorwaarden.

Dit is een stellige eerste zin, die misschien verkeerde verwachtingen bij ontwikkelaars en initiatiefnemers schept. Iets is pas toegestaan als een ontwikkeling in een bestemmingsplan (omgevingsplan) mogelijk is gemaakt dan wel een uitgebreide afwijkingsprocedure is doorlopen. Vervang hier “waar hoogbouw is toegestaan” door “waar hoogbouw mogelijk inpasbaar is”. l. Er staan meerdere illustraties en zinnen in het concept hoogbouwbeleid die de definitie van hoogbouw illustreren en beschrijven. Deze zijn niet allemaal consequent en kunnen daarmee tot discussie of onduidelijkheid leiden. Het gaat hier in het bijzonder om de kaarten op pagina 9 en 21, die niet overeenkomen met de kaarten op pagina 28 en 32. Zorg voor eenduidigheid in de illustraties overeenkomstig de genoemde bouwhoogten in de vier verschillende regimes. m. Op de totaalkaart op pagina 32 ontbreekt de aanduiding Science Park NS station. Een aanduiding met blauwe stip lijkt hier op zijn plek. Het regime “in principe niet” is passend voor deze plek. Bij uitzondering en goed onderbouwd is hoogbouw hier mogelijk inpasbaar. n. Voeg een begrippenlijst in de bijlage toe om de leesbaarheid voor de Amsterdammers te vergroten: er worden heel wat afkortingen gebruikt zoals HER, LIB, SIRK, maar ook vaktermen als setback, plint, basement, ondermijning, powernest. o.

Op pagina 19: ook stadsdeel Oost kent AUP wijken/buurten in de Watergraafsmeer. Neem dit tekstueel op. p. Op pagina 23 staat: “voor reeds vastgestelde bestemmingsplannen en stedenbouwkundige plannen gelden deze regimes niet”. Wat betekent dat? Leg dit uit. Immers zijn er voor al de benoemde plekken vigerende bestemmingsplannen, geldt het hoogbouwbeleid dan niet? q. Begrenzing rondom Joan Muyskenweg lijkt wat onwillekeurig en leidt tot onduidelijkheid. Smalle delen zijn gekleurd in dit regime zoals op het Essostation en langs het water van de Amstel en Tuinpark Amstelglorie. Het is niet wenselijk om op deze ‘reststukjes’ hoogbouw toe te staan. Haal de ‘reststukjes’ weg uit dit hoogbouwregime en maak de bestaande ondergrond duidelijk leesbaar op stadsdeelniveaukaarten zodat er op een efficiënte wijze gewerkt kan worden met het regime en er geen onduidelijkheden en discussies ontstaan over de begrenzingen van de verschillende regimes. r. Er staat een aanduiding Ja-regime op de westelijke hoek van Amstelkwartier, waar nu de woonboten liggen. Ook in het park Somerlust staat een oranje stip. Wij gaan ervan uit dat ook dit een foutieve aanduiding is en dat hier geen torens op beide plekken gewenst zijn. Pas hier een Nee-regime toe. s. Bij het Zeeburgereiland is bij de Prins Willem Alexandersluis slierten Ja-regime zichtbaar. Lange hoge gebouwen zijn hier niet gewenst.

Pas hier een Nee-regime toe. 45

t.

Op de overzichtskaart is in de legenda een onderscheid gemaakt over hoe exact een grens moet worden bekeken. Voor hoogbouwclusters aan het IJ staat dat deze exact zijn aangegeven. De lijn bij Zeeburgereiland is echter verre van exact, de gestreepte lijn sluit niet aan op het rode vlak. Dit leidt tot mogelijk verschillende interpretatie van deze “exacte” begrenzing. Laat het vlak met de lijn samenvallen. u. De aanduiding van een van de ’meteorieten’ is vervormd. Pas deze aan naar de bestaande situatie. v. De aanduiding meteoriet Oostelijke Handelskade lijkt te groot. Pas deze aan naar de bestaande situatie. w. De aanduiding van pijlen is grafisch onhandig omdat de omlijsting van de pijlen dezelfde kleur heeft als hoogbouwaanduidingen. Pas de kleur van de rand van de pijlen aan zodat deze niet interfereert met de hoogbouwregime aanduidingen. Antwoord: a. De locatie van de George Marine is uit de kaart als onderdeel van regime 1 gehaald en onderdeel van het park gemaakt. Verder past de huidige opzet van het Amstelkwartier in regime 1, de aanduiding van het bewaken van de weidsheid in acht nemend. b. In het beleid is een bredere zone langs de Weespertrekvaart veranderd naar regime 3: “In principe nee, gebieden waar hoogbouw een uitzondering is”. Op die manier past het huidige plan in het nieuwe beleid en wordt terughoudendheid met hoogbouw expliciet gemaakt. c.

De huidige opzet van het Amstelkwartier past in regime 1, de aanduiding van het bewaken van de weidsheid in acht nemend. Het beleid maakt geen onderscheid tussen bestaande en te ontwikkelen gebieden, omdat niet met zekerheid te voorspellen is waar wel en geen ontwikkelingen zullen plaatsvinden. Er is voor de hele stad aangegeven hoe hoogbouw onderdeel is van het stedenbouwkundig weefsel. In veel gevallen bevestigt het dus vooral de bestaande situatie. d. De legendatekst is naar aanleiding van deze opmerking aangepast. e. Dit beleid gaat over hoogbouw, belangrijk is dan dat we aanduiden wanneer we over hoogbouw praten. We hanteren daarbij in Amsterdam verschillende definities, passend bij de verschillende delen van de stad. Het is niet de bedoeling om beleid te maken dat überhaupt over toegestane bouwhoogtes gaat. Het is dan inderdaad zo dat de 1,25 regel in Oost niet overal hanteerbaar is en maken daarom een aanpassing aan het beleid. We zullen aangeven dat de 1,25-regel pas geldt bij een overwegende hoogte van de bebouwing van minimaal 15 meter. Dit beleid is dus niet van toepassing op bebouwing lager dan 15 meter. f. De oever en park is op de kaart nu opgenomen als onderdeel van het landschap en valt dus buiten één van de regimes. Hoogbouw is niet mogelijk. g. De tien vuistregels zien we als de minimale kwaliteitsstandaard waar hoogbouw in Amsterdam aan moet voldoen.

Afwijken is daarom in principe ongewenst. Mocht dat toch gebeuren, dan is een advies van de Subcommissie Integrale Omgevingskwaliteit (SIOK, voorheen de Subcommissie Integrale Ruimtelijke Kwaliteit), nodig. We zullen dit in paragraaf 1.7 verduidelijken. h. Het gebiedsgericht werken wordt binnen de ambtelijke organisatie verstevigd. Daarmee wordt afstemming over de inpassing van hoogbouw op gebiedsschaal georganiseerd. i. De vuistregels zijn niet vrijblijvend, bij afwijking is advies van de SIOK nodig. Bovendien is in het beleid toegevoegd dat een inpassingsstudie, waar het windklimaat onderdeel van is, gedaan moet worden bij een hoogbouwinitiatief. j. We nemen de voorgestelde formulering over. k. We zijn de kaarten en tekst van het beleid nog eens nagelopen op inconsequenties en hebben die eruit gehaald. l. Het station nemen we op in de kaart.

46

m. Voor de leesbaarheid van het stuk zullen we een begrippenlijst achterin het beleidsdocument opnemen. n. Toegevoegd is dat ook Stadsdeel Oost een aantal AUP-buurten heeft. o. We bedoelen hier lopende projecten, dat is verduidelijkt. p. (t/m w.) De onjuistheden zijn eruit gehaald en de leesbaarheid is vergroot. Wijzigingen in het concept-beleid:  We verduidelijken het proces van kwaliteitsborging op gebouwniveau met een beschrijving van de rol van de gemeentelijke organisatie en de SIOK.  In het beleid is verduidelijkt op welke bebouwing dit hoogbouwbeleid van toepassing is. Het richt zich niet op bebouwing lager dan 15 meter.  Omissies in het beleid zijn verbeterd, en het document is aangepast ten behoeve van leesbaarheid, juiste toon en consistentie.  Onregelmatigheden zijn uit de kaart gehaald.

5.3

Stadsdeel Zuid

Het Dagelijks bestuur (DB) van stadsdeel Zuid kan zich goed vinden in concept Hoogbouwbeleid Amsterdam. Ook de zes onderleggers die zijn gehanteerd (het Luchthaven Indelingsbesluit, de ruimtelijke systemen uit de welstandsnota, de Omgevingsvisie Amsterdam 2050, de beschermde stadsgezichten en de twee landschappelijke elementen met de scheggen als onderdeel van de Hoofdgroenstructuur en het IJ) om de vier regimes te onderscheiden, kan het DB goed volgen. Dat geldt ook voor de uitwerking van de regimes waarin, o.a. op basis van de ruimtelijke kenmerken, hoogbouw in meer of mindere mate mogelijk is, maar waarbij hoogbouw niet is toegestaan in de beschermde stadsgezichten. De vier principes om de kwaliteit van hoge gebouwen te bevorderen en de vertaling hiervan in vuistregels, zijn goed uitgewerkt en prettig inzichtelijk en daardoor goed werkbaar voor allen die hier in de praktijk mee zullen gaan werken. Op een aantal punten ziet het DB ruimte voor aanvulling of verduidelijking van het nieuwe beleid en ook heeft het DB nog een vraag. a. Het DB verzoekt duidelijk te maken of het in 2014 vastgestelde hoogbouwkader Zuidas in het kader van het Luchthavenindelingbesluit Vliegveiligheid, ook verwerkt is in het conceptbeleid dan wel duidelijk te maken in hoeverre het nieuwe beleid wijzigingen brengt ten opzichte van dit hoogbouwkader. b.

Het DB ziet ruimte voor aanvulling door verruiming van de hoogbouwmogelijkheden in Buitenveldert-Noord. De oost- en westzijde van Buitenveldert-Noord zijn al aangewezen in het concept Hoogbouwbeleid. Maar wij menen dat ook het tussenliggende deel gezien het voorgaande hier heel goed voor in aanmerking zou kunnen komen. c. Een ander punt waar het DB graag wat meer duidelijkheid over zou willen zien, raakt de uitvoering in de praktijk. Met name de doorwerking van het nieuwe beleid in bevoegdheden en mandaten. De dagelijks besturen (DB) van stadsdelen zijn nu gemandateerd door het college besluiten te nemen over aanvragen om een omgevingsvergunning (of deze passen binnen of buiten het bestemmingsplan). Dit is vastgelegd in de Verordening op de stadsdelen en het stadsgebied Amsterdam 2022 en het bijbehorende bevoegdhedenregister. In het bevoegdhedenregister is bij de toegekende mandaten een belangrijke beperking opgenomen, nl. de beperking dat hiervan slechts gebruik kan worden gemaakt voor zover dit plaatsvindt binnen de door de (oorspronkelijk) bevoegde bestuursorganen vastgestelde stedelijke kaders, vastgelegd in verordeningen, reglementen, beleidsregels, beleidsnota’s, beleidsvisies, budgetten etc.

47

Het concept beleidskader is zo ingericht dat niet overal in de stad altijd en op voorhand duidelijk is of hoogbouw ook daadwerkelijk is toegestaan. In dergelijke situaties, maar bijvoorbeeld ook in situaties dat de geformuleerde vuistregels (om moverende redenen) niet volledig worden gevolgd. In de hier bedoelde situaties is nu niet duidelijk of het betreffende hoogbouwinitiatief als passend binnen het nieuwe hoogbouwbeleid, kan of moet worden beoordeeld. En daarmee is dan ook niet duidelijk of de hiervoor aangehaalde algemene beperking op het mandaat van de dagelijks besturen van toepassing is. We gaan ervan uit dat deze beperking hier niet van toepassing is en dat de bevoegdheid bij het DB blijft, maar vragen hier in het kader op in te gaan. Wanneer een initiatief (formeel) als niet passend binnen het hoogbouwbeleid zou moeten worden beoordeeld, kan dit betekenen, dat niet alleen het college van B&W bevoegd is, maar ook dat het betreffende initiatief aan de gemeenteraad moet worden voorgelegd. Nu er geen toetsing meer door hoogbouwcommissie zal gaan plaatsvinden (deze komt te vervallen), vervalt ook een ‘finaal oordeel’ of een initiatief als passend binnen het beleid moet worden beschouwd of niet. Het voorgaande maakt dat wij verzoeken om toevoeging van een paragraaf waarin hierover de voor de uitvoeringspraktijk noodzakelijke duidelijkheid wordt gecreëerd. d.

Aanvullend adviseert de stadsdeelcommissie over de keuze van het college om in de toekomst af te zien van een verplichte toets van de plannen door een hoogbouwcommissie door middel van een HER (Hoogbouw Effectrapportage). Het DB neemt dit advies van de stadsdeelcommissie over en vraagt het college om na de invoering van de Omgevingswet in nauw overleg met de VNG te onderzoeken en te evalueren of de integrale toetsing van plannen (zonder verplichte toets door een hoogbouwcommissie) een verbetering betekent. Antwoord: a. Alle lopende plannen zijn opgenomen in het nieuwe beleid. We zullen het Hoogbouwkader Zuidas expliciet benoemen. Op sommige punten voldoet hoogbouw die in de planning is, niet aan de vuistregels op gebouwniveau die in het nieuwe beleid geformuleerd zijn. De vuistregels zijn bedoeld om bij toekomstige ontwikkelingen beter op kwaliteit te kunnen sturen, niet om lopende projecten aan te passen. Om dat te verduidelijken en bestaande afspraken en besluiten na te komen, nemen we de volgende zin op in het beleid: “Projecten die reeds lopen ten tijde van de vaststelling van dit beleid, die niet voldoen aan de vuistregels op gebouwniveau, hoeven niet worden aangepast.” Het Luchthavenindelingsbesluit (LIB) is inderdaad maatgevend voor de toegestane hoogte op een bepaalde plek. Op pagina 19 is aangegeven: “Dit hoogbouwbeleid staat op gebiedsniveau bepaalde hoogtes toe.

Dit laat onverlet dat altijd beoordeeld dient te worden of beperkingen gelden vanuit het LIB. Dit kan er in gevallen toe leiden dat de voorgenomen hoogte niet gerealiseerd mag worden en lager gebouwd dient te worden.” We zullen deze notie over de beperking van het LIB verder in het beleid laten terugkomen, zodat er niet overheen gelezen wordt. b. Amsterdam heeft een traditie in een zorgvuldige bewaking van ruimtelijke kwaliteit. Het nieuwe hoogbouwbeleid doet dat door te sturen op een omgang met hoogbouw die past bij de verschillende ruimtelijke systemen waar de stad uit bestaat. De wijken van het Algemeen Uitbreidingsplan waar Buitenveldert onderdeel van is bestaan grotendeels uit woonbuurten met laagbouw en middelhoogbouw. In de originele situatie is beperkt hoogbouw aanwezig. Hoogbouw wordt in sommige gevallen ingezet om grote ruimtelijke structuren, zoals doorgaande straten of grote groene ruimtes te markeren. Nieuwbouw, en dus ook hoogbouw, moet zich op een logische manier voegen in de stedenbouwkundige opbouw van deze gebieden. Daarmee wordt bedoeld dat hoogbouw gekoppeld moet worden aan ruimtelijke elementen die qua schaal passen bij de grotere schaal van hoogbouw. Dat zijn de lange doorgaande straten, de winkelcentra en -pleinen en

48

de infrastructurele elementen zoals dijklichamen. Het betekent ook dat hoogbouw ín de buurten niet mogelijk is. In Buitenveldert gaat het dan om de Europaboulevard, de Boelelaan, de Buitenveldertselaan, de van Nijenrodeweg en het Gelderlandplein, als plekken waar hoogbouw mogelijk is. Op die manier zijn er in het tussengelegen deel op specifieke plekken mogelijkheden voor hoogbouw. In dit gebied spreken we van hoogbouw vanaf een hoogte van 30 meter. Dat wil zeggen dat in de buurten ruimte is voor verdichting tot die hoogte van 30 meter, mits goed ingepast in de bestaande situatie, ook rekening houdend met de bezonning van bestaande woningen en openbare ruimte. c. De regels op gebiedsniveau binnen regime 2 en regime 3 en de vuistregels op gebouwniveau laten ruimte voor het maken van een nadere afweging. Afgewogen moet worden of een initiatief wel of niet als passend kan worden beoordeeld binnen een gebied. Ook moet worden afgewogen of een afwijking van de vuistregels aanvaardbaar is. Beide afwegingen zijn een nadere beleidsafweging binnen de beleidskaders van deze nota.

Wanneer er wordt voorgesteld om af te wijken van de vuistregels, is de lijn om in afstemming met de beleidseigenaar richtinggevend advies te vragen aan de Subcommissie Integrale Omgevingskwaliteit (SIOK, voorheen de Subcommissie Integrale Ruimtelijke Kwaliteit), onderdeel van de Commissie Omgevingskwaliteit (voorheen de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit). De beschrijving van de procedure in paragraaf 1.7 wordt hierop aangepast. d. In Amsterdam wordt het werken volgens de beleidscyclus steeds meer gemeengoed, mede onder invloed van de Omgevingswet die op 1 januari 2024 wordt ingevoerd en waarin de beleidscyclus een centrale rol speelt. Voor alle belangrijke beleidsprocessen wordt daarom een proces van monitoring en evaluatie ingericht. Soms gebeurt dat in een expliciete vorm (bv. als de gemeente een monitor opstelt, zoals de Monitor Groen of Monitor Omgevingsvisie) die ook besproken worden in college in raad en op basis hiervan wordt bepaald of aanpassing van beleid nodig of wenselijk is. Soms gebeurt dat wat minder zichtbaar door expertgesprekken of andere vormen van (interne/ambtelijke) evaluatie. Als een breed beleidsdocument wordt opgesteld of geactualiseerd, zoals een Groenvisie of Omgevingsvisie, dan is dat een natuurlijk moment om onderliggende thematische/sectorale beleid tegen het licht te houden en aan te geven waar aanpassing van beleid wenselijk is.

Door de periodieke actualisatie van de Omgevingsvisie (om de paar jaar) ontstaat er een cyclus waarin het meest relevante onderliggende beleid, zoals het hoogbouwbeleid, om de paar jaar wordt doorgelicht op actualisatie, relevantie, uitvoerbaarheid en doelbereik. Wijzigingen in het concept-beleid:  De notie van de maximaal toegestane hoogtes vanuit het LIB hebben we op meer plekken laten terugkomen.  Het Hoogbouwkader Zuidas wordt expliciet in het beleid genoemd. Daarnaast is de volgende zin in het beleid opgenomen: “Projecten die reeds lopen ten tijde van de vaststelling van dit beleid, die niet voldoen aan de vuistregels op gebouwniveau, hoeven niet worden aangepast."  Paragraaf 1.7 Procedure Hoogbouwontwikkeling is ter verduidelijking aangepast.

5.4

Stadsdeel Zuidoost

Het DB heeft het concept-beleid met aandacht gelezen. Over het algemeen lijkt het een logisch verhaal. Voor Zuidoost past de visie in het algemeen goed in de huidige plannen ten westen van de spoorlijn. Het Dagelijks Bestuur (DB) agendeert in dit advies een aantal suggesties en adresseert een aantal conflicten van de hoogbouwvisie t.o.v. huidige (vastgestelde) plannen. Die worden hieronder 49

toegelicht. Het DB maakt daarnaast de opmerking dat sommige adviezen op de vorige Hoogbouwvisie niet zijn verwerkt, deze adviezen zijn daarom wederom opgenomen. a. Het DB signaleert dat, zoals de regimes nu op de kaart ingetekend staan, de ruimte die in sommige buurten wordt gegeven aan hoogbouw te groot is; rond de stations en metrohaltes aan de westzijde (spoorzone bij de Arena) zijn drie hoogbouwclusters voorzien waarbij de maximale hoogte LIB kan zijn. Een mogelijke interpretatie hiervan kan zijn dat Amsterdam van plan is om drie superclusters toe te staan of te willen realiseren. Een meer getrapt en aflopende hoogteopbouw is gewenst richting Holendrecht. Het DB ziet in deze interpretatie een probleem dat ontwikkelaars nu wellicht kans zien om veel hoger te willen bouwen dan vastgelegd in een stedenbouwkundig plan, en zou zich dan op dit concept-beleid kunnen beroepen om hoger te bouwen. b. Op het spoor ‘botsen’ twee verschillende regimes: aan de westkant dienen (zoals het kaartbeeld oproept) 3 hoogbouwclusters te ontstaan en aan de oostkant volgt hoogbouw lange lijnen (tot maximaal 70m) zoals bij Holendrecht. Dit beeld bevestigt het spoor als een scheidslijn in het stadsdeel. Het DB spant zich in om het spoor juist als ruggengraat te laten fungeren in plaats van een scheiding.

Door de ontwikkelingen van Amstel 3 en de bijkomende gentrificatie (met alle nadelige effecten van dien) is het van enorm belang dat het spoor de verbinding legt tussen de nieuwe stad en de bestaande stad. Een abrupte overgang van hoogte aan weerzijde van het spoor kan bijdragen aan een scheiding in plaats van verbinding. Het DB verzoekt om samen met de gebiedsteams Zuidoostflank te onderzoeken wat nodig is om eenheid te brengen in de twee gebieden. Bijvoorbeeld door een dubbelregime toe te passen met hoogbouw gericht op de lange lijnen ook ten westen van de spoorlijn. c. Aan de zuidkant van het AUMC en langs de A2 is er sprake van max. 70 m bouwhoogte, het DB vraagt zich af waar en wanneer incidentele gebouwen van 70 meter gewenst zijn in relatie tot het omliggende landschap en Abcoude. Op dit moment is dat niet duidelijk en mogelijk leidt dit tot ongewenst hoge gebouwen. In het kaartbeeld zijn witte pijltjes opgenomen in het 70 m vlak met de omschrijving ‘tweede linie’, zonder vast te leggen waar die tweede linie ligt. Het DB ziet graag opheldering over de tweede linie en goede argumentatie voor bouwhoogte langs de A2. d. Ontwikkelingen in Amstel 3 en ArenaPoort voldoen soms niet aan de regels die in deze visie worden vastgesteld.

Het DB vraagt zich af of er voor die plannen een overgangsperiode of andere maatregelen aan de orde komen, en welke status die plannen moeten hebben om uitgezonderd te kunnen worden. e. Het DB voorziet dat door het kiezen voor één enkel prototype voor een hoogbouwtoren er veel aanvragen voor afwijkingen te verwachten zijn. Volgens het toetsingsschema zou elke afwijking via de SIRK naar de wethouder moeten. Dit kost veel capaciteit en naar verwachting ook veel tijd en geld. Het DB adviseert om de beslisbevoegdheid dichter bij de projecten zelf te organiseren en dat alleen grote afwijkingen richting wethouder gaan. f. Zoals in andere delen in de stad kent ook de Zuidoostflank diverse vastgestelde kaders. Het DB vraagt zich af of er nog steeds tenders uitgezet kunnen worden die afwijken van het nieuwe hoogbouwbeleid, maar voldoen aan bijvoorbeeld een vastgesteld stedenbouwkundig plan of bestemmingsplan? Het DB ziet graag het proces en de inhoud uitgewerkt voor reeds vastgestelde plannen in relatie tot de nieuwe visie. Het DB gaat ervanuit dat een aantal bestaande plannen waar hoogbouw is gedacht (o.a. zoals de E-buurt, de World of Food, De Venser en bij ArenaPoort) past binnen deze nieuwe visie, of dat er anders uitzonderingen worden toegestaan. g.

Er wordt aangegeven dat parkeren ondergronds kan worden opgelost, terwijl verderop in de visie staat dat parkeergarages geschikt moeten zijn voor eventueel toekomstig ander gebruik. Deze eis ziet het DB graag nader gespecificeerd. Het risico dat het DB ziet is dat er

50

wellicht niemand meer een ondergrondse garage wil bouwen, terwijl dat juist de druk van de plint/verdiepingen afhaalt. h. In het concept-beleid staat dat tot een hoogte van 70 meter alle woningen een private buitenruimte moeten hebben, op zijn minst een Frans balkon. Deze regel zou bovenop de eis vanuit het Bouwbesluit komen dat alle woningen groter dan 50m2 een privé buitenruimte dienen te hebben en kleinere woningen een collectieve buitenruimte. Het DB vraagt zich af in hoeverre deze regel specifiek geldt voor hoogbouw en of het, gezien het grote aantal verwachte afwijkingen, realistisch is dat deze afwijkingen via SIRK naar bestuurlijke besluiten gaan. i. Het DB adviseert om simpele en toetsbare toetsingscriteria uit te werken voor wat we in Amsterdam een aanvaardbaar windklimaat vinden en wat niet. Het DB signaleert mede op basis van een windhinderonderzoek bij project de Venser dat het momenteel niet mogelijk is het windklimaat te toetsen ten opzichte van toetsingscriteria. j. Het DB ziet graag extra aandacht voor bezonning, maar zonder zelf nieuwe regels op te stellen. Zowel bij nieuwbouw als bij bestaande omliggende buurten zou een NEN-referentie kunnen worden gevraagd. k.

Het DB vindt dat duurzaamheid van hoogbouw verder zou moeten worden uitgewerkt in een aanvullende studie naar duurzame stedelijke verdichting en dat daarbij de kansen om bij te dragen aan een klimaatneutrale en circulaire stad benoemd worden. Dit met het oog op de verwachte toekomstige aanscherping van nationale regelgeving omtrent aanscherping MPG en mogelijk CO2-budget en dat het vooralsnog lastig uitvoerbaar blijft om hoogbouw boven 70 meter met biobased materiaal te bouwen. l. In het concept-beleid worden maatregelen zoals zonnekroon en powernest benoemd. Het DB adviseert om deze installaties buiten beschouwing te laten bij het bepalen van maximale toegestane hoogte. Dit voorkomt dat de installaties ten koste gaan van het programma en daarmee wordt een duurzaam gebouw financieel beter haalbaar. m. Om richting te geven aan het schaalniveau van het gebouw en de buurt worden in de Omgevingsvisie een aantal principes genoemd die houvast kunnen bieden, o.a. “Hoogbouw gaat lang mee”, maar het DB vindt dit onjuist. De Omgevingsvisie stelt: “Hoogbouw draagt bij aan een klimaat neutrale en circulaire stad” en het DB ziet deze formulering graag terug in deze visie. Hiermee wordt duurzaamheid vooropgesteld en niet alleen de lange tijdsperiode waarin een hoog gebouw staat. n.

Met oog op waarschuwingen van de brandweer dat brandveiligheid momenteel onderaan de prioriteitenlijst staat bij nieuwe hoogbouw pleit het DB ervoor dat bouwers (in de vergunning) worden verplicht de brandweer vanaf het begin uit te nodigen bij het ontwikkelen van bouwplannen. o. Hoogbouw wordt als oplossing gezien voor de gigantische stedelijke woonvraag, maar daar zijn sommige architecten en stedenbouwkundigen het niet mee eens. Volgens hen gaat het bij de drang naar hoogbouw niet meer over mensen, maar over cijfertjes en over prestige. “De wensen en behoeften van de bewoners raken ondergesneeuwd”. Een hogere verdichting met meer inwoners per vierkante kilometer is ook te realiseren zonder torenhoge gebouwen. Daarom vraagt het DB om de realisatie van zeer hoge gebouwen zoveel mogelijk te beperken gelet op nadelige kwaliteitsaspecten van zulke gebouwen en ook gelet op de hogere risico's (waaronder brandveiligheid) die dit soort gebouwen meebrengen. Er moet onderzocht worden welk aantal extra woningen in Zuidoost gerealiseerd kan worden zonder veel (zeer) hoge gebouwen neer te zetten. Antwoord: a. We delen deze zorg en hebben daarom op pagina 27 een passage toegevoegd waarin we benadrukken dat hoewel in dit beleid per regime maximale hoogtes worden aangegeven, dat in een uitwerking op buurt- en gebiedsniveau mogelijk uiteindelijk minder hoge 51

b.

c.

d.

e.

f.

g.

h.

bouwhoogtes worden toegestaan (wegens bezonning, ruimtelijke kwaliteit, windhinder en het LIB). Het beleid is in nauwe samenwerking met het flankenteam en het gebiedsteam Zuidoost van R&D tot stand gekomen. Het beleid biedt wel degelijk mogelijkheden om beide kanten van het spoor goed aan te hechten: door aan beide kanten van het spoor hogere bebouwing langs de straten die onder het spoor door lopen toe te staan. Daarnaast is langs het spoor aan beide kanten hoogbouw mogelijk. Er kan op deze manier een continu profiel aan beide kanten ontstaan. Tegelijkertijd kan de nieuwe bebouwing in de bestaande buurten aan de noordoostkant van het spoor aansluiten bij de bestaande opbouw van die buurten. We hebben in het beleid het infrastructurele element van het spoor, als aanleiding voor hoogbouw, ingekort tot daar waar hij aan beide kanten wordt geflankeerd door bestaande buurten. De 'tweede linie’ dient per project vastgelegd te worden. Daarbij moet het voldoen aan de volgende opgave zoals geformuleerd op pagina 26: “De weidsheid van het IJ, de Amstelscheg en de Amsterdamse Bosscheg (het zijn open ruimtes, omlijst door stad), wordt gekoesterd door hoogbouw nooit als aaneengesloten wanden direct aan deze landschappelijke elementen te positioneren.

Het vraagt om een gelaagde volume-opbouw vanaf deze grens, waarbij slechts incidenteel hoogbouw mogelijk is op plekken die daar aanleiding toe geven.” Op sommige punten voldoet hoogbouw die in de planning is, niet aan de vuistregels op gebouwniveau die in het nieuwe beleid geformuleerd zijn. De vuistregels zijn bedoeld om bij toekomstige ontwikkelingen beter op kwaliteit te kunnen sturen, niet om lopende projecten aan te passen. Om dat te verduidelijken en bestaande afspraken en besluiten na te komen, hebben we alsnog de volgende zin op in het beleid opgenomen: “Projecten die reeds lopen ten tijde van de vaststelling van dit beleid, die niet voldoen aan de vuistregels op gebouwniveau, hoeven niet worden aangepast.” De vuistregels gelden voor projecten die na vaststelling van het beleid worden opgestart of voor projecten waarover nog geen afspraken zijn gemaakt die niet passen binnen de vuistregels. Het beleid biedt veel ruimte voor ruimtelijke en programmatische invulling (onder andere maakt het verschillende gebouwtypen mogelijk). De vuistregels zijn zorgvuldig opgesteld en getest. Ze zijn opgesteld om bínnen die regels te kunnen blijven. Bovendien geven ze van tevoren helderheid over wat de gemeente verwacht van een hoogbouwontwikkeling. Op die manier, binnen de regels blijvend, is het proces juist minder ingewikkeld. Alle lopende plannen zijn verwerkt in het nieuwe beleid.

Op sommige punten voldoet hoogbouw die in de planning is, niet aan de vuistregels op gebouwniveau die in het nieuwe beleid geformuleerd zijn. De vuistregels zijn bedoeld om bij toekomstige ontwikkelingen beter op kwaliteit te kunnen sturen, niet om lopende projecten aan te passen. Om dat te verduidelijken en bestaande afspraken en besluiten na te komen, hebben we alsnog de volgende zin op in het beleid opgenomen: “Projecten die reeds lopen ten tijde van de vaststelling van dit beleid, die niet voldoen aan de vuistregels op gebouwniveau, hoeven niet worden aangepast.” Met de druk die er op de ruimte is in Amsterdam en met het streven naar een autoluwe stad is het van belang om creatief na te denken over de ruimte die we nu als parkeergarage realiseren. De vuistregel biedt aanleiding om daarop voor te sorteren, zonder dat dat extra kosten met zich mee hoeft te brengen. De vuistregels vormen een beperkte set van kwaliteitseisen om te zorgen voor gebouwen waar we nu en in de toekomst blij mee zijn. De regels zijn opgenomen zodat alle partijen 52

i.

j.

betrokken bij de ontwikkeling weten waar ze aan toe zijn en wat van ze gevraagd wordt, niet om vanaf te wijken. Het bewaken van een aangenaam windklimaat is in het nieuwe beleid gevat in een procesbeschrijving die op basis van Amsterdamse en Rotterdamse ervaringen geformuleerd is. Concrete criteria zijn zeer locatiespecifiek (afhankelijk van het type gebruik van de openbare ruimte) en kunnen pas in de fase van het stedenbouwkundig plan en of de bouwplan ontwikkeling worden vastgelegd. Over de borging van bezonning bij bestaande bebouwing is eerder een motie over ingediend en behandeld. Meer informatie hierover is terug te vinden in de desbetreffende raadsinformatiebrief d.d. 5 maart 2019. In het kort staat in de raadsinformatiebrief het volgende: In de complexe verdichtingsopgave van Amsterdam, waarin veel verschillende belangen spelen, legt generiek normatief beleid, vanuit het ‘bezonningsbelang’, te veel vast. Het biedt te weinig mogelijkheid om per locatie naar een slimme, integrale oplossing te kunnen zoeken. Hieruit concluderend is het advies voor Amsterdam om geen norm vast te leggen in apart beleid. Hiermee wordt overregulering voorkomen. Stedenbouw vraagt om weloverwogen en creatieve beslissingen over allerlei verschillende aspecten. Bezonning is daar één van. Het is en wordt in Amsterdam altijd consciëntieus met de bezonning van woningen en openbare ruimte omgegaan.

Het is bijvoorbeeld niet voor niets dat vooral aan de noordelijke IJ-oevers en minder aan de zuidelijke IJ-oevers ruimte wordt gemaakt voor hogere bebouwing. Op die manier worden de zonuren in de openbare ruimte op de kades geoptimaliseerd. Daar waar de bezonning in het geding kan komen kunnen randvoorwaarden in tenders en contracten worden vastgelegd om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen. De lichte TNO-norm moet bij besluitvorming wel meegewogen worden als onderdeel van de totale belangenafweging. Daarnaast wordt geadviseerd bezonning te integreren in beleid waarbij dit van belang is, zoals over hoogbouw.

Naar aanleiding van deze reactie is een aanpassing gedaan doorgevoerd in het beleid: Met een voorgeschreven inpassingsstudie in omgeving en stad zal niet alleen het effect op het stadslandschap, maar ook windhinder en schaduwwerking tijdig onderdeel van de planvorming zijn. k. Het hoogbouwbeleid geeft aan waar hoogbouw mogelijk is, dat wil niet zeggen dat er ook in die vorm gebouwd moet worden. Er wordt op dit moment door Ruimte en Duurzaamheid gewerkt aan een verkenning over kwalitatieve verdichting en op welke manier Amsterdamse ambities met betrekking tot onder andere duurzaamheid en betaalbaarheid daar een plek in krijgen. l. Dank voor de suggestie, dit is overgenomen in het beleid. m. We gebruiken in het hoogbouwbeleid deze brede definitie van duurzaamheid, omdat daarmee ook aspecten als bruikbaarheid en het mooi verouderen van de toegepaste materialen onder de aandacht worden gebracht. Beleid met betrekking tot energetische duurzaamheid en circulariteit gelden net als voor andere gebouwen, ook voor hoogbouw. n. Op pagina 46 staat de volgende tekst, afgestemd met de brandweer, waarmee we in onze ogen voldoende aandacht besteden aan de zorg voor brandveiligheid: “Tot slot dient aan veiligheid de nodige aandacht worden besteed. Incidenten op hoogte vragen een bijzondere en andere inspanning van de gebruikers en hulpdiensten.

Gevels hoger dan 30 meter zijn niet bereikbaar voor hulpdiensten. Bewoners en gebruikers moeten zelfen samenredzaam zijn door heldere en veilige vluchtroutes. Ook zijn er voorzieningen 53

noodzakelijk om hulpdiensten te ondersteunen om op een veilige en effectieve manier te kunnen optreden. In het Bouwbesluit zijn de eisen voor gebouwen hoger dan 70 meter niet in detail ingevuld. De brandweer speelt bij advisering over veiligheid een belangrijke rol. Het is belangrijk om vroeg in de planvorming ruimte te maken voor bijvoorbeeld de volgende maatregelen:  De gevelconstructie dient uit onbrandbare materialen te bestaan, zodat een brand zich niet onbeperkt kan uitbreiden via de gevel.  Lokale stationaire pompvoorzieningen voor effectieve brandbestrijding dienen aanwezig te zijn.  Gegarandeerde werking van voorzieningen zoals liften (noodstroomvoorziening).  Het gebouw mag de veiligheid in de omgeving niet nadelig beïnvloeden.” o. De gehele stad heeft een opgave om te groeien, omdat er heel veel mensen een woning zoeken. Dat is een reden om de stad te verdichten. Met de Omgevingsvisie en het Hoogbouwbeleid wordt richting gegeven aan waar de ruimte voor die verdichting gegeven wordt (en waar niet) en in welke vorm. We realiseren in de stad verschillende bebouwingsvormen omdat er heel verschillende woonwensen zijn. Hoogbouw is één van die vormen. De stedenbouwkundige vorm die de verdichtingsopgave krijgt is altijd een afweging tussen verschillende opgaven en wensen, zoals betaalbaarheid, woonkwaliteit en geluid vanuit de omgeving en de beschikbare ruimte.

Wijzigingen in het concept-beleid:  In het beleid is een passage opgenomen waarin we benadrukken dat hoewel in dit beleid per regime maximale hoogtes worden aangegeven, dat in een uitwerking op buurt- en gebiedsniveau mogelijk uiteindelijk minder hoge bouwhoogtes worden toegestaan (wegens bezonning, ruimtelijke kwaliteit, windhinder en het LIB).  Het infrastructurele element van het spoor, als aanleiding voor hoogbouw, is ingekort tot daar waar hij aan beide kanten wordt geflankeerd door bestaande buurten.  Ter verduidelijking is de volgende zin op in het beleid opgenomen: “Projecten die reeds lopen ten tijde van de vaststelling van dit beleid, die niet voldoen aan de vuistregels op gebouwniveau, hoeven niet worden aangepast.”  In het beleid is opgenomen dat de maximale hoogtes gelden voor verdiepingen met een gebruiksfunctie. Technische installaties kunnen boven deze hoogtes uitkomen.

5.5

Stadsdeel West

5.5.1

Advies van het dagelijks bestuur

Het dagelijks bestuur van stadsdeel West erkent dat hoogbouw nodig is en past bij de ambities voor een compacte en duurzame stad. Hoogbouw in de stad (inbreiding) kent vaak ook een betere maatschappelijke kosten en baten verhouding dan woningbouw buiten de stad en in het groen. Tegelijkertijd is een goede inpassing van essentieel belang, en past uiteraard niet op elke plek een hoge toren. Stadsdeel West is al dichtbebouwd en heeft een karakter dat het beschermen waard is. Robuust hoogbouwbeleid dat hier rekenschap van geeft is dus belangrijk. Het DB is dan ook tevreden om dit terug te zien in het concept-beleid. Wij constateren dat de ontwikkelingen die in West voorzien worden goed inpasbaar zijn op basis van dit beleid. En tegelijkertijd is het terecht dat zeer grote delen van West aangemerkt zijn als gebieden waar het regime geldt van ‘in principe nee, hoogbouw is een uitzondering’. Hiermee wordt het karakter van West op een goede manier beschermd. 54

Het DB vraagt aandacht voor het gebied rondom het oude dorpje Sloterdijk. Op de totaalkaart op pagina 24 is dit gebiedje geschaard in een gebied waar hoogbouw is toegestaan. De bijbehorende tekst benoemt zelfs dat het gaat om een categorie waar stedelijke ontwikkeling kansrijk en gewenst is. Dat is op deze plek echter niet het geval. Het DB hecht eraan dat het karakter van het dorpje Sloterdijk behouden blijft. Dat is deels al een aantal huizen de status van rijksmonument heeft. En de kenmerkende structuur van de Spaarndammerdijk heeft de status van gemeentelijk monument. In lijn daarmee adviseert het DB om dit gebied niet te markeren als een plek die geschikt is voor hoogbouw. Antwoord: Na afstemming hebben we de suggestie overgenomen. Het dorpje Sloterdijk hoort inderdaad niet thuis in het regime waar hoogbouw kansrijk en gewenst is. We nemen het op in het regime dat ook geldt voor de andere buurten in stadsdeel West ‘in principe nee, hoogbouw is een uitzondering’. Bovenop deze bescherming geldt ook nog altijd de monumentale status van enkele van de gebouwen in het dorpje. Wijzigingen in het concept-beleid:  Aan het dorpje Sloterdijk is het regime 3 “in principe nee, hoogbouw is een uitzondering” toe in plaats van regime 1 “ja, gebieden geschikt voor hoogbouw” toegewezen.

5.5.2

Advies van de stadsdeelcommissie

De stadsdeelcommissie constateert dat het beleid er goed uitziet, maar dat ze er vooral een ruimtelijke benadering in zien en een maatschappelijke en sociale benadering nog ontbreekt. Zij adviseert de gemeente om te onderzoeken op welke wijze er in het hoogbouwbeleid kan worden geborgd dat toekomstige bewoners van hoogbouw voldoende interactie, binding en ontmoeting kunnen aangaan en daarnaast voldoende ruimte voor maatschappelijke voorzieningen kan worden mee ontworpen. Antwoord: Het hoogbouwbeleid biedt met de volgende tekst op pagina 46 een handreiking voor voldoende interactie, binding en een gemengd programma, onder het kopje ‘Het is fijn wonen en werken in hoogbouw’: “Het bevorderen van sociale interactie en een thuisgevoel, de kwaliteit van de woning en de werkplek zorgen ervoor dat er nu én in de toekomst prettig gewoond en gewerkt kan worden in hoogbouw. Levende gebouwen ontstaan doordat ze ruimte bieden aan verschillende soorten gebruik, dat afhankelijk van de plek kan bestaan uit verschillende woningtypen, ruimte voor werk, voorzieningen en collectieve buitenruimte als daktuinen en terrassen. Ook met dieren en planten wordt rekening gehouden in hoogbouw door natuurinclusief te bouwen. [….] Sociale interactie en thuisgevoel vraagt om een idee over de route van de stoep naar de woning en collectieve voorzieningen.

Vormgeving en dimensionering van de gemeenschappelijke gangen en hal zijn cruciaal voor prettig wonen in hoogbouw (bijvoorbeeld een korte corridor met zicht naar buiten, ruime voorruimte voor de liften, royale hal). Bovendien kunnen collectieve voorzieningen als een lobby met portier en een collectieve buitenruimte de kwaliteit van het gebouw vergroten. Hoogbouw biedt door de hoogte kansen voor gemeenschappelijke daktuinen/terrassen met uitzicht. Dit geldt bij uitstek voor de lage dakvlakken, waar veel zicht op is. De ruimte voor fietsparkeerplekken kan ook een ontmoetingsplek 55

zijn en de toegang ernaartoe moet fietsgebruik makkelijk maken. Beheer van de collectieve plekken is een aandachtspunt.” Ook de vuistregel “De bovengelegen verdiepingen van een gebouw dat hoger is dan 70 meter zijn alleen bereikbaar via een centrale entree, niet direct vanuit een eventuele parkeergarage. Zo kunnen bewoners elkaar tegenkomen en wordt de kans op ondermijning verkleind.” draagt bij aan interactie. Op deze manier sturen we met dit beleid op het terecht genoemde aandachtspunt. Geen aanleiding tot aanpassing van het concept-beleid.

5.6

Stadsdeel Nieuw-West

Het Dagelijks Bestuur van stadsdeel Nieuw-West vindt het concept-beleid over het algemeen helder en navolgbaar. Op verschillende punten adviseert het DB aanscherpingen, met name over de uitwerking van gebiedsregime 2. Daarnaast roept het DB op bij projecten die binnen dit hoogbouwbeleid worden uitgewerkt aandacht te hebben voor doorlopende leeflijnen, waarin in een buurt verschillende type woningen aanwezig zijn die aansluiten bij de verschillende levensfasen, en voor de betaalbaarheid van woningen. Het DB is daarbij voorstander van het gebruik van groen om leefbaarheid te vergroten van op straat- en gebouwniveau zoals genoemd op pagina 40. Het DB roept B&W op om bij de verdere uitwerking het stadsdeel intensief te betrekken voor een integrale advisering op gebieds- en projectniveau. a. In het concept-beleid wordt hoogbouw gedefinieerd als bebouwing die substantieel hoger is dan de overwegende bouwhoogte van de directe omgeving. De grens van 30 meter voor regime 2 is onvoldoende onderbouwd voor Nieuw-West. Het beleid respecteert daarmee op een aantal punten de opbouw van verschillende hoogtes in het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) niet. Het DB verzoekt voor Nieuw-West een maximale hoogte van 1,25 keer de bestaande hoogte te hanteren, behalve op plekken waar structuren veranderen door grootschalige of herstructurerende nieuwbouw.

Het DB adviseert op deze plekken een intensieve gebiedsgerichte aanpak om een goede buurt te realiseren. b. In algemene zin adviseert het DB om de ‘lange lijnen’ uit de nota te laten corresponderen met de hoofdstructuren zoals zij zijn aangegeven in de kaart van nota cultuurhistorie (2013), waarbij als uitzondering geldt; de lijnen die de grote groenstructuren doorkruisen. c. Het DB adviseert om de Totaalkaart, op pagina 32 en 33, op de volgende punten aan te passen: i. Schrap de lijn op de Plesmanlaan. Aan de westelijke kant is hoogbouw zo dicht bij het beschermd dorpsgezicht Sloten geen goed idee, omdat het de waarden van het oude dorp aantast. Daarnaast heeft het DB voor de rest van de Plesmanlaan de zorg dat inpassing van hoogbouw de Hoofdgroenstructuur negatief beïnvloed. ii. Aan de westzijde van de spoorlijn Sloterdijk Schiphol ligt een strook met hoogbouw dat meedoet met de hoogbouwzone van de Ringzone, globaal tussen de spoorlijn en de ring A-10-West, maar net buiten het oranje veld valt. Het gaat dan onder andere om de Parade-zone in de Staalmanpleinbuurt, waarvan een deel op het moment nog in aanbouw is. Het oranje veld dat de hoogbouw in de ringzone aangeeft zou daarom uitgebreid moeten worden. iii. Buiten de Ringzone wordt ten westen van de spoorlijn Sloterdijk – Schiphol alleen hoogbouw toegestaan langs hoofdwegen en in de centrumgebieden Osdorp en Plein 40/45.

Naar onze mening ontbreekt echter een aantal hoofdwegen in dit systeem:

56

-

De Ookmeerweg: ook aan deze belangrijke westelijke entree past hoogbouw. Het bestaande project WoZoCo van MVRDV is al een beperkte vorm van hoogbouw. In de actuele planvorming van de Wildemanbuurt is hoogbouw in enkele varianten nadrukkelijk een optie. - In het beschermde stadsgezicht in Nieuw-West is nu geen hoogbouw mogelijk. Het DB vindt dit gebied het enige beschermde stadsgezicht waar hoogbouw juist wel stedenbouwkundig gewenst of stedenbouwkundig goed inpasbaar is. De Vlugtlaan is bijvoorbeeld een hoofdweg. Om deze te benadrukken zou hoogbouw ook hier een mogelijkheid kunnen zijn. Het DB adviseert voor dit gebied een nadere uitwerking op te stellen. Het DB adviseert daarbij wel om de ‘lange lijn’ op Oostoever ten noorden van de Louvrelaan te schrappen in navolging van het advies van SDC. Ten zuiden van de Louvrelaan is geen sprake van beschermd stadsgezicht, noch van andere hoge cultuurhistorische waarden. Bovendien ligt de lijn die buiten de Hoofdgroenstructuur is geprojecteerd uit het zicht van de Sloterplas. iv. In de Totaalkaart is het sportpark Ookmeer aangegeven als Omliggend landschap. Dit klopt niet. Het zou als stadsgroen aangegeven moeten worden. v. De Osdorperban ontbreekt op de kaart als ‘lange lijn’. d. Het DB spreekt de zorg uit dat het concept Hoogbouwbeleid veel open normen en nog nader in te vullen begrippen kent.

Het kan hierdoor tot discussie leiden met ontwikkelaars en bewoners. Ook lijkt het beleid meer eisen aan hoogbouw te stellen dan nu op grond van het geldende beleid het geval is. Het DB spreekt daarnaast de zorg uit dat voor toetsing van dit beleid meer (ambtelijke) inzet noodzakelijk is. Het DB adviseert een paragraaf toe te voegen aan het stuk die de uitvoerbaarheid van dit beleid op dit punt uitwerkt. e. Het DB adviseert de volgende punten in de conceptnota aan te scherpen: i. Pas de overzichtskaart op pagina 9 aan, zodat duidelijk is waar exact hoogbouw is toegestaan. De Lutkemeerpolder is discutabel. ii. Pas de tekst onder het kopje “Beperkend” op pagina 17 aan. Daarin wordt gemeld dat het bindend advies van de LNVL regelmatig positief is. Dat is niet het geval; tegenwoordig wordt bij hoogteoverschrijding steeds negatief geadviseerd. iii. Leg beter uit hoe het voorgenomen hoogbouwbeleid zich verhoudt tot de Hoogbouweffectrapportage. Voeg een uitvoeringsparagraaf toe aan het hoogbouwbeleid, zodat de werkwijze duidelijk wordt, met daarin onder andere uitleg over de rol van stedenbouwkundigen, juristen/planologen en de Commissie Omgevingskwaliteit. iv. Voor aanzienlijke delen van het grondgebied van Nieuw West is geen projectteam in het leven geroepen. Leg op pagina 11 uit hoe hoogbouwinitiatieven worden beoordeeld wanneer geen projectteam actief is in het gebied. v.

Werk de termen “aangenaam windklimaat” en “aanvaardbaar windklimaat” verder uit. Maak inzichtelijk welke maatregelen/aanpassingen nodig zijn aan het beoogde gebouw om aangenaam- en aanvaardbaarheid te bereiken. vi. Werk uit wat onder bezonning wordt verstaan en wat daarbij de toepasselijke normen zijn. Aansluiting bij TNO-normen kan daarbij wenselijk zijn. Maak helder hoe mensen beschermd worden die bij hoogbouw komen te wonen. vii. Werk de verhouding tussen vuistregels en principes uit op pagina 35. Het is bijvoorbeeld onduidelijk of wanneer wordt voldaan aan de vuistregels, de principes voldoende zijn nagekomen. f. Het DB adviseert dat lopende projecten onder het huidige regime worden doorgezet. Antwoord:

57

a. Het hoogbouwbeleid geeft alleen aan wanneer er over hoogbouw gesproken wordt en geeft daarbinnen ruimte voor stedenbouwkundige invulling. Er zijn andere richtlijnen, zoals beleid met betrekking tot cultuurhistorie, die specifiek voor Nieuw-West verder richting geven aan die stedenbouwkundige invulling. Hoogbouw wordt onderdeel van het rijke palet aan woonmilieus, zodat er aan veel verschillende woonwensen kan worden voldaan. In de ontwikkelingen van stedenbouwkundige plannen en bouwplannen en als onderdeel van de Ontwikkelstrategie worden bewoners betrokken in een proces van Samen Stadmaken. Ook de stadsdeelorganisatie wordt betrokken in de verschillende opgaven, zoals het Gebiedsgericht Omgevingsprogramma en de Ontwikkelstrategie. b. In het Gebiedsgerichte Omgevingsprogramma Nieuw-West, dat in de maak is, wordt het cultuurhistorisch beleid afgestemd op de Omgevingsvisie Amsterdam 2050. Het programma heeft geleid tot een aanscherping van de ‘lange lijnen’ in het hoogbouwbeleid. Het grootste deel van de Plesmanlaan, de Anderlechtlaan en de lijn door het Kasterleepark zijn in het beleid uit de kaart gehaald. c. Dank voor de suggesties voor de totaalkaart. i. Zie antwoord bij b. ii. Dit nemen we over in de kaart. iii. Het Gebiedsgerichte Omgevingsprogramma Nieuw-West is in de maak. Het programma heeft geleid tot een aanscherping van de ‘lange lijnen’ in het Hoogbouwbeleid.

De Ookmeerlaan is nu als 'lange lijn’ opgenomen. Hoogbouw in het beschermde stadsgezicht zou een te grote schaalbreuk opleveren met de 2 à 5-laagse bebouwing. Langs het westelijke deel van de Burgemeester de Vlugtlaan wordt wel ruimte geboden voor hoogbouw. iv. Het sportpark Ookmeer is nu opgenomen als stadsgroen in de kaart, in lijn met de Omgevingsvisie Amsterdam 2050. v. Het Gebiedsgerichte Omgevingsprogramma Nieuw-West is in de maak. Het programma heeft geleid tot een aanscherping van de ‘lange lijnen’ in het Hoogbouwbeleid. De Osdorperban is nu als 'lange lijn’ opgenomen. d. Het college onderschrijft volledig het belang van zorgvuldige afweging en inpassing van hoogbouw, omdat het relatief grote impact heeft op de omgeving. De behoefte aan een efficiëntere werkwijze rondom toetsen en adviseren was één van de aanleidingen voor dit nieuwe beleid. De werkwijze is verschoven van een toets achteraf, naar helder beleid en adviseren vooraf. Op basis van dat beleid en advies worden de randvoorwaarden geformuleerd die zorgen voor een zorgvuldige en adequate hoogbouwontwikkeling. We zullen naar aanleiding van deze reactie een aanpassing doen aan het beleid: Het proces van kwaliteitsbewaking en uitwerking van het beleid is verduidelijkt (paragraaf 1.7 Procedure Hoogbouwontwikkeling).

Daarnaast is een voorgeschreven inpassingsstudie in omgeving en stad opgenomen, waarmee zal niet alleen het effect op het stadslandschap, maar ook winden schaduwoverlast tijdig onderdeel van de planvorming zijn. e. Dank voor de suggesties voor verdere aanscherping. i. Deze kaart geeft niet aan of hoogbouw toegestaan is, maar vanaf welke hoogte we van hoogbouw spreken. ii. Dank voor de suggestie, dit nemen we over. iii. We nemen op dat er een inpassingsstudie in omgeving en stad moet worden gedaan. Met een voorgeschreven inpassingsstudie zal het effect op het stadslandschap, windhinder en schaduwwerking tijdig onderdeel van de planvorming zijn. Daarnaast zullen we de formulering van het proces van kwaliteitsbewaking aanscherpen en verduidelijken. iv. Er staat nu in het beleid dat begeleiding gebeurt door het projectteam van de gemeente. We zullen daar 'stedenbouwkundige van het gebied’ aan toevoegen.

58

v.

vi.

Er is hier met opzet een proces beschreven in plaats van maatregelen die voor een aangenaam windklimaat zorgen, omdat er veel verschillende mogelijkheden zijn om het windklimaat te verbeteren die ook nog eens op verschillende schaalniveaus liggen (gebouw, blok, buurt). Over de borging van bezonning bij bestaande bebouwing is eerder een motie over ingediend en behandeld. Meer informatie hierover is terug te vinden in de desbetreffende raadsinformatiebrief d.d. 5 maart 2019. In het kort staat in de raadsinformatiebrief het volgende: In de complexe verdichtingsopgave van Amsterdam, waarin veel verschillende belangen spelen, legt generiek normatief beleid, vanuit het ‘bezonningsbelang’, te veel vast. Het biedt te weinig mogelijkheid om per locatie naar een slimme, integrale oplossing te kunnen zoeken. Hieruit concluderend is het advies voor Amsterdam om geen norm vast te leggen in apart beleid. Hiermee wordt overregulering voorkomen. Stedenbouw vraagt om weloverwogen en creatieve beslissingen over allerlei verschillende aspecten. Bezonning is daar één van. Het is en wordt in Amsterdam altijd consciëntieus met de bezonning van woningen en openbare ruimte omgegaan. Het is bijvoorbeeld niet voor niets dat vooral aan de noordelijke IJ-oevers en minder aan de zuidelijke IJ-oevers ruimte wordt gemaakt voor hogere bebouwing.

Op die manier worden de zonuren in de openbare ruimte op de kades geoptimaliseerd. Daar waar de bezonning in het geding kan komen kunnen randvoorwaarden in tenders en contracten worden vastgelegd om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen. De lichte TNO-norm moet bij besluitvorming wel meegewogen worden als onderdeel van de totale belangenafweging. Daarnaast wordt geadviseerd bezonning te integreren in beleid waarbij dit van belang is, zoals over hoogbouw.

f.

Naar aanleiding van deze reactie is een aanpassing gedaan doorgevoerd in het beleid: Met een voorgeschreven inpassingsstudie in omgeving en stad zal niet alleen het effect op het stadslandschap, maar ook windhinder en schaduwwerking tijdig onderdeel van de planvorming zijn. vii. We zullen de relatie tussen de principes en de vuistregels verduidelijken. Bij een hoogbouwinitiatief wordt om een visie op de principes gevraagd. De vuistregels zijn daarbij een minimale kwaliteitsstandaard. Alle lopende plannen zijn verwerkt in het nieuwe beleid. Op sommige punten voldoet hoogbouw die in de planning is, niet aan de vuistregels op gebouwniveau die in het nieuwe beleid geformuleerd zijn. De vuistregels zijn bedoeld om bij toekomstige ontwikkelingen beter op kwaliteit te kunnen sturen, niet om lopende projecten aan te passen. Om dat te verduidelijken en bestaande afspraken en besluiten na te komen, hebben we alsnog de volgende zin op in het beleid opgenomen: “Projecten die reeds lopen ten tijde van de vaststelling van dit beleid, die niet voldoen aan de vuistregels op gebouwniveau, hoeven niet worden aangepast.”

Wijzigingen in het concept-beleid:  De ‘lange lijnen’ zijn aangescherpt. Het grootste deel van de Plesmanlaan, de Anderlechtlaan en de lijn door het Kasterleepark zijn uit de kaart gehaald.  Het oranje veld dat de hoogbouw in de Ringzone aangeeft is uitgebreid.  De Ookmeerlaan is nu als ‘lange lijn’ opgenomen. Hoogbouw in het beschermde stadsgezicht zou een te grote schaalbreuk opleveren met de 2 á 5-laagse bebouwing. Langs het westelijke deel van de Burgemeester de Vlugtlaan wordt wel ruimte geboden voor hoogbouw. 59

  

 

5.7

Sportpark Ookmeer is als stadsgroen aangegeven op de Totaalkaart. De Osdorperban is als ‘lange lijn’ opgenomen. Bij hoogbouwontwikkeling een inpassingsstudie in omgeving en stad moet worden gedaan door de projectgroep of stedenbouwkundige. Met een voorgeschreven inpassingsstudie zal het effect op het stadslandschap, windhinder, schaduwwerking en privacy tijdig onderdeel van de planvorming zijn. Ook nemen we op dat we aanbevelen plannen in het begin van het traject voor te leggen aan de openbare vergadering van de Commissie Omgevingskwaliteit. Een integraal advies kan behulpzaam zijn bij het versnellen van het ontwikkeltraject. Op pagina 19 is onder het kopje “Beperkend” de tekst aangepast over het bindend advies van de LNVL van “regelmatig positief” naar “vaak negatief”. Ter verduidelijking is de volgende zin op in het beleid opgenomen: “Projecten die reeds lopen ten tijde van de vaststelling van dit beleid, die niet voldoen aan de vuistregels op gebouwniveau, hoeven niet worden aangepast.”

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14302093/1