CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Bijlagen Concept SP.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 8 september 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennis nemen van vrijgave voor inspraak van het concept stedenbouwkundig plan H-buurt Midden (ZD2021-009297)18.391 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ook kan door te hoge grondwaterstanden het risico op het opvriezen van wegen en op boomsterfte toenemen. Te lage grondwaterstanden kunnen echter eveneens onwenselijk zijn. Een structurele verlaging van de grondwaterstand kan droogvallende veen- en kleilagen of droogvallende houten paalfunderingen tot gevolg hebben. Hierdoor ontstaat risico op schade aan infrastructuur en bebouwing. Dit risico wordt hier echter niet verwacht vanwege de bouwperiode. Uitlogende materialen leiden tot verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater, grondwater en waterbodem. Conform de Keur van het AGV dient het gebruik van dergelijke materialen voorkomen te worden gedurende de bouw- en gebruiksfase van bouwwerken maar ook bij inrichting en gebruik van de openbare ruimte. Emissies naar het oppervlaktewater van bitumineuze materialen, PAK (via geïmpregneerd hout), lood, zink en koper (via regenwaterafvoer) moeten worden tegengegaan. Afhankelijk van de gebruikte (bouw)materialen kan een melding of een vergunning noodzakelijk zijn, vooral wanneer deze materialen in contact (kunnen) komen met (regen)water.

Niet uitlogende materialen die toegepast mogen worden zijn o.a.: - Beton - Hout (FSC keurmerk geleverde houtsoorten); - Europees naaldhout, eventueel in combinatie met kunststof doek; - Siberische lariks; - Wilgentenen; - Beton met BSB-certtificaat1; - Enkamat A501; - Gerecycled plastic; - Staal met plastic coating.

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

54

Gemeente Amsterdam Quickscan water H-buurt Midden Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 1 31 maart 2020 2020-1000039 Pagina 26 van 42

5.5 Advies grondwater bij herinrichting De grondwatersituatie is momenteel onvoldoende in beeld. Uit de huidige metingen komt naar voren dat enkele locaties een minimale ontwatering hebben, waardoor grondwateroverlast mogelijk is. Hier moet zorgvuldig naar worden gekeken wanneer het plangebied doorgang krijgt als ontwikkellocatie. Een uitbreiding van het grondwatermeetnet wordt geadviseerd om meer informatie te verzamelen. Daarna wordt geadviseerd om, nadat de plannen voor het gebied duidelijk zijn, de lokale grondwatersituatie in het ontwerpfase met een grondwatermodel te onderzoeken voor de huidige en de toekomstige situatie met ontwikkelingen, rekening houdend met klimaatveranderingen (grondwatertoets). Eventuele mitigerende maatregelen om de grondwaterstand te beheersen kunnen zodoende tijdig in de (her)ontwikkeling worden ingepland. Om de lokale grondwatersituatie te onderzoeken zijn de volgende acties nodig: 1. Tijdige uitbreiding van het grondwatermeetnet 2. Bodemonderzoek om de bodemopbouw beter in beeld te hebben. Dit kan gecombineerd worden met milieutechnisch bodemonderzoek. De beschikbare (milieukundige) bodemonderzoeken dienen te worden geïnventariseerd en mogelijk geactualiseerd. Dit valt buiten de scope van deze rapportage. Betrek bij het uitzetten van nieuw veldwerk een geohydroloog en geotechneut. Aanvullende informatie omtrent de (diepere) bodemopbouw (t.o.v.

NAP) is gewenst, deze kan middels veldwerk (boringen en sonderingen) worden achterhaald. We adviseren om naast analyse van het grondwater op het standaard stoffenpakket ook de lozingsparameters Onopgeloste Bestanddelen en IJzer te laten analyseren ten bate van bouwbemalingen. Dit dient dan te gebeuren voor zowel het freatische pakket als het watervoerende pakket vanwege spanningsbemalingen. 3. De ligging en diepte van de huidige (parkeer)kelders en ondergrondse constructies moeten bekend zijn. Daarnaast vormen de keuzes die gemaakt worden ten aanzien van kelders, bouwen met- of zonder kruipruimte, aanplant van bomen, toekomstig verhardingspercentage en de klimaatrobuustheid van het gebied maatgevende uitgangspunten voor de toekomstige grondwaterstand. De planvorming dient om die reden al te zijn uitgewerkt tot een (concept) stedenbouwkundig plan zodat de uitgangspunten helder zijn om de toekomstige grondwaterstand te bepalen. 4. Met de gegevens uit de monitoring kan het grondwatermodel van het plangebied worden opgesteld en dient een grondwatertoets voor het plangebied te worden uitgevoerd. Idealiter wordt gebruik gemaakt van meetreeksen van minimaal 10 jaar, dit is echter vaak niet realistisch vanwege de planvorming. Op basis van de grondwatermonitoring en een grondwatermodellering kunnen de benodigde minimale maaiveldhoogten in het plangebied in kaart worden gebracht.

Uit de watertoets en het ophoogadvies volgt een gewenst maaiveldniveau. 5. Op basis van de grondwatertoets dient een ophoogadvies te worden opgesteld, waarin de toekomstige maaiveldhoogte wordt bepaald. Belangrijk onderdeel van het ophoogadvies is een geotechnisch advies waarin de te verwachten zettingen worden bepaald die ontstaan door het gewicht van het ophoogpakket. 6. Het plangebied is gelegen in een diepe polder. Bij bemalingen moet rekening worden gehouden met kweldebiet. Bij graafwerkzaamheden, zoals een bouwkuip of aanleg van

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

55

Gemeente Amsterdam Quickscan water H-buurt Midden Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 1 31 maart 2020 2020-1000039 Pagina 27 van 42

watergangen, bestaat de kans op opbarsting en welvorming in de bodem (een kortsluiting tussen het freatische en watervoerende pakket). Dit is een ongewenste situatie vanwege toename in de watertoevoer naar de gemalen en waterkwaliteit (brak). Bij graafwerkzaamheden moet daarom altijd geotechnisch advies worden ingewonnen.

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

56

Gemeente Amsterdam Quickscan water H-buurt Midden Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 1 31 maart 2020 2020-1000039 Pagina 28 van 42

6 Hemelwater 6.1 Hemelwaterafvoer via riolering De hemelwaterafvoer in de bestaande straten is in het plangebied geregeld via een gescheiden rioolstelsel [11] (zie Figuur 6-1).

Figuur 6-1 Riolering in plangebied [11]

6.2 Hemelwater op straat Bij hevige neerslag kan tijdelijk water op straat komen te staan. In het plangebied wordt hemelwater naar het HWA-riool afgevoerd. De overtollige neerslag, die niet in het riool past, zal op straat blijven staan en kan mogelijk schade veroorzaken. Om de accumulatie van water op straat inzichtelijk te maken zijn 3Di modellen gemaakt, die geven inzicht in de huidige risico’s die zich kunnen voordoen bij hevige neerslag [20]. Figuur 6-2 toont de accumulatie van water op straat bij een bui van 60 mm in 1 uur. Binnen of nabij het plangebied is geen Rainproofknelpunt aangewezen [1]. Aanname is dat meer dan 200 mm accumulatie van water op straat tot gevolg heeft dat de wegen slecht begaanbaar zijn voor nood-/hulpdiensten. Volgens Figuur 6-2 accumuleert regenwater in de

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

57

Gemeente Amsterdam Quickscan water H-buurt Midden Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 1 31 maart 2020 2020-1000039 Pagina 29 van 42

tunnels onder de Karspeldreef. Ook kan er water tegen de gevel van Huigenbos aanstaan met inpandige schade tot gevolg. Conform het gemeentelijk beleid dient het plangebied tijdens herontwikkelingen regenbestendig te worden ingericht. Daarin moeten bovenstaande locaties worden beschouwd. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het beleid omtrent waterberging in de openbare ruimte en op particulier terrein.

Figuur 6-2 Accumulatie (mm) bij bui van 60 mm in 1 uur, berekend met 3Di model.

6.3 Aandachtspunten beleid hemelwaterafvoer Conform de doelstellingen van Amsterdam Rainproof [14] en het GRP 2016-2021 [12] wordt voor het plangebied geadviseerd bij de herontwikkeling het stedenbouwkundig plan en het maaiveld zodanig te ontwerpen zodat om een bui van 60 mm in 1 uur kan worden verwerkt zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur te veroorzaken. Hierbij dient conform het GRP 2016-2021 [12] circa 20 mm in 1 uur verwerkt te worden door de riolering en de andere 40 mm in de openbare en particuliere ruimte. Mogelijk wordt deze ambitie in de toekomst opgeschroefd (100 mm in 1 uur/ 120 mm in 2 uur).

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

58

Gemeente Amsterdam Quickscan water H-buurt Midden Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 1 31 maart 2020 2020-1000039 Pagina 30 van 42

Momenteel is in Amsterdam een hemelwaterverordening in de maak, waarbij alle nieuw uit te geven kavels als waterneutrale kavels ingericht moeten worden. Deze hemelwaterverordening wordt naar verwachting in 2020 in gemeentelijk beleid vastgelegd. Om op deze verwachting te anticiperen wordt geadviseerd om in bouwenveloppen voor nog uit te geven en te ontwikkelen kavels mee te geven dat deze kavels waterneutraal dienen te worden ingericht. Dit betekent dat de kavels minimaal een bui van 60 millimeter (60 l/ m2) moeten kunnen verwerken op eigen terrein, dus de waterberging heeft een capaciteit van 60 mm (60 liter) per m2 bebouwd oppervlak . De waterbergingsvoorziening moet na 60 uur weer leeg en beschikbaar zijn voor een volgende bui. Pas als er in 60 uur tijd meer dan 60 millimeter regenwater valt, mag hemelwater onder vrij verval worden aangeboden aan de openbare ruimte. Hemelwater dat is geborgen op de kavel mag via een geknepen afvoer (bovengronds) aan openbare ruimte worden afgevoerd met een maximaal debiet van 1 l/ m2/uur (1 mm/uur/ m2 bebouwd oppervlak). Deze eisen ten aanzien van particuliere hemelwaterverwerking kunnen worden vastgelegd in bouwenveloppen/kavelpaspoorten. Doordat hiermee het (HWA)riool wordt ontlast, zal de kans op overlast ook in de openbare ruimte afnemen. O.a.

in de brochure Bouw groen en blauw zijn meerdere inspiratievoorbeelden genoemd voor klimaatbestendig bouwen in hoogstedelijk gebied, zie https://www.rainproof.nl/communicatiemiddelen/brochure-bouw-groen-en-blauw Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater, grondwater en de waterbodem tegen te gaan, dienen de richtlijnen van Waternet/AGV te worden gevolgd, waarin onder andere het gebruik van uitlogende materialen (PAK, lood, zink en koper) voorkomen dient te worden, zoals ook is genoemd in paragraaf 5.4. Voor verwerking van hemelwater geldt conform de NBW de drietrapsstrategie ‘vasthouden, bergen, afvoeren’ voor, die moet worden gevolgd bij de aanpak van wateroverlast in een watersysteem [9].

6.3.1 Rekenvoorbeeld In het onderstaande kader (Tabel 6-1) is een rekenvoorbeeld opgenomen voor waterberging op eigen terrein conform de hemelwaterverordening. Uitgangspunten bij een voorbeeld van herontwikkeling in het plangebied  Een kavel van 1000 m2 wordt bebouwd, waarvan 500 m2 dakoppervlak  Neerslag – 60 mm in 1 uur  Conform de aankomende hemelwaterverordening moet er 60 mm/ m2 (60 l/ m2 bebouwd oppervlak) worden geborgen

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

59

Gemeente Amsterdam

Versie 1 31 maart 2020 2020-1000039 Pagina 31 van 42

Quickscan water H-buurt Midden Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Tabel 6-1: rekenvoorbeeld waterberging op kavel

Neerslag

locatie op dak4 op maaiveld5

eenheid m3 m3 m3

locatie op dak Ondergronds op maaiveld

eenheid m3 m3 m3 m3

‘Grijs’1 01 206 40 60

‘Groen’2 302 206 10 60

‘Blauw-groen’3 603 0 0 60

dak Ondergronds

uur uur

0 20

607 408

60 0

uur

20

60

60

TOTAAL

Berging

TOTAAL Ledigingstijd bij 1 l/m2/uur TOTAAL

Te verwerken neerslag 30 30 60

1. Een ‘grijs’ dak heeft geen bergingsvermogen; 2. Een ‘groen dak’ is begroeid met gras, sedum of planten en heeft daaronder enkele centimeters wateropslag. Als voorbeeld is 30 mm/m2 berging aangehouden, maar is verschillend per specifiek dak. 3. Een ‘blauw-groen’ dak heeft onder de begroeiing een extra hoge drainagelaag, die (in dit voorbeeld) voor twee keer zoveel extra wateropslag zorgt dan een gewoon groen dak. Als voorbeeld is 60 mm/m2 berging aangehouden, maar is verschillend per specifiek dak. 4. Op het dak valt 60 mm x 500 m2 dakoppervlak = 30 m3 5. Op het maaiveld valt 60 mm x 500 m2 grondoppervlak=30 m3 6. Berging in ondergrond van 20 m3 , bijvoorbeeld in krattensystemen 7. Geknepen afvoer vanaf het dak van bijvoorbeeld 0,5 m3/uur en 8. Geknepen afvoer vanaf de ondergrond (kratten) van 0,5 m3/uur.

6.4 Advies hemelwater Normale neerslag Momenteel wordt hemelwater afgevoerd middels een HWA. Het kan gunstig zijn om bij (her) ontwikkelingen deels af te koppelen. In principe is het gunstig om neerslag lokaal ‘vast te houden’ door te infiltreren, zodat de sponswerking en de zuiverende werking van de bodem wordt benut. Infiltratie van hemelwater in de bodem is mogelijk als de grondwaterstand laag genoeg is om de gemeentelijke grondwaternorm te halen en als de infiltratiecapaciteit van de bodem dit toelaat.

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

60

Gemeente Amsterdam Quickscan water H-buurt Midden Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 1 31 maart 2020 2020-1000039 Pagina 32 van 42

Bovendien moet de kwaliteit van het hemelwater voldoende zijn om te kunnen infiltreren. Deze voorwaarden dienen bij de ontwikkeling per fasering getoetst te worden. Aanname is dat het plangebied qua bodemopbouw een geschikt gebied voor infiltratie is, omdat de bodemopbouw in de bovenste 2,5 m zandig is, en mogelijk geschikt is voor actieve infiltratie. Echter, lokaal is de ontwatering in het plangebied minimaal. Indien afkoppelen wenselijk is, moet zorgvuldig worden gekeken naar de grondwatersituatie. Drainage-infiltratie-transport-riolen (DITriolen) kunnen bijvoorbeeld een oplossing zijn. Extreme neerslag Voor extremere buien wordt geadviseerd een Rainproof Oplossingenkaart op te stellen voor het gebied zodra de plannen in het gebied duidelijk zijn. Een dergelijke kaart geeft een overzicht van globale oplossing en hoe het overtollige regenwater tijdens een wolkbreuk kan worden verwerkt. Bij iedere aanpassing in de openbare ruimte dient naar dit wensbeeld te worden toegewerkt. Groenzones bieden bijvoorbeeld mogelijkheden voor het vasthouden, bergen en eventueel infiltreren van water. De hemelwatermaatregelen conform de opgestelde Rainproof Oplossingenkaart kunnen vervolgens worden uitgewerkt, in samenwerking met Waternet en het Ingenieursbureau Amsterdam.

Omdat tijdens extreme neerslag de infiltratiecapaciteit kleiner is dan de neerslagintensiteit, dient naast infiltratie gezocht te worden naar mogelijkheden voor (vertraagd) ‘afvoeren’ of tijdelijk ‘bergen’. Voor een robuust klimaatbestendig ontwerp van het plangebied kunnen de richtlijnen van Amsterdam Rainproof gevolgd worden [14]. De straten en parkeerterreinen in het plangebied bieden mogelijkheden om tijdens hevige buien door herprofilering van de weg tijdelijk water te bergen om vervolgens af te voeren naar het hemelwaterriool. Voorbeelden van ‘berging’ (holle wegen, waterberging tegen de stoeprand, waterpleinen) en ‘afvoeren’ (geleiding over de weg, open goten) zijn op de website van Rainproof te vinden [15]. Waterrobuust bouwen Naast ‘vasthouden, bergen en afvoeren’ kan er ook waterrobuust worden gebouwd, dit kan inpandige schade voorkomen. Bij de herinrichting van kavels wordt geadviseerd de panden verhoogd ten opzichte van de weg te plaatsen door grondophoging (vloerpeil minimaal 0,1 m hoger dan aanliggend maaiveld). Bijkomend voordeel van grondophoging is een verbeterde ontwatering. Een andere mogelijkheid is om een gebouw op palen te plaatsen en minder kwetsbare functies, zoals parkeerruimte en/of bergingen op maaiveldniveau te realiseren.

Bij de aanleg van kelders wordt geadviseerd technische/elektrische installaties en vitale infrastructuur zodanig plaatsen (hoog en in een waterdichte kelder) dat er een beperkte kans is op waterschade Droogte Behalve extreme neerslag geven de klimaatscenario’s van het KNMI aan dat tevens de kans op extreme droogte de komende jaren verder toe zal nemen. Hierdoor zal de druk op de beschikbaarheid van zoetwater in de steden tijdens extreme droogte in de toekomst toenemen. De stedelijke ondergrond is echter door verdergaande verharding en verdichting de laatste

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

61

Gemeente Amsterdam Quickscan water H-buurt Midden Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 1 31 maart 2020 2020-1000039 Pagina 33 van 42

decennia steeds meer uitgesloten van de stedelijke waterkringloop. Voor het plangebied wordt geadviseerd om op zoek te gaan naar alternatieve waterberging, zoals ondergrondse opslag van water en waterbergende daken.

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

62

Gemeente Amsterdam Quickscan water H-buurt Midden Inventarisatie, aandachtspunten en advies bij haalbaarheidsonderzoek

Versie 1 31 maart 2020 2020-1000039 Pagina 34 van 42

Bronvermelding 1. Maps.amsterdam.nl. Themakaarten: Rainproofknelpunten, ontwikkelbuurten 2. Overleg IB L. Beumer en D. Rabber, 09-01-2020 3. Plangrens H-buurt midden, ontvangen d.d. 15-01-2020 D. Rabbers 4. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3), www.ahn.nl 5. Keur AGV 2020 6. www.Topotijdreis.nl, plangebied in 1980 7. Sonderingen en boringen uit het archief van IB. 8. https://www.dinoloket.nl/ 9. Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) 2001 en NBW-actueel 2008 10. waterveiligheidsportaal.nl/#/nss/nss/norm 11. Waternet, export Leidingenkaart, 2018 12. GRP 2016-2021, Gemeente Amsterdam 13. odnzkg.nazca4u.nl/Bodem/Default.aspx 14. Amsterdam Rainproof, www. Rainproof.nl 15. www.rainproof.nl/toolbox/maatregelen 16. Legger AGV, https://www.agv.nl/onze-taken/legger/, d.d. februari 2020 17. Waterstanden http://legger.agv.nl/peilbuizen/peilbuizen.aspx 18. Isohypsen stijghoogte eerste watervoerend pakket op 28-04-1995, DINOloket 19. Data.amsterdam.nl, streetview 2019 20. 3DI, stresstest, Waternet 2016

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

63

5. Rainproof analyse en oplossingenkaart

H-midden

Rainproof analyse en oplossingenkaart

Torben Tijms 17/12/2020

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

64

Waterdieptekaart bui-intensiteit 60mm/uur

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

2

65

Infiltratiemogelijkheden: Document OR/water 15-09-2020

Water op straat

1.

2.

3.

Infiltratie en grondwater

Water op straat

Nader onderzoek door wateradviseur IB (in samenspraak met GWadviseur Waternet) benodigd om invloed van infiltratie op grondwaterstand te verkrijgen en mogelijke aanvullende drainerende maatregelen in plan op te nemen.

Knelpunt 1: Tijdens hevige neerslag is sprake van wateroverlast op het plein. Maaiveldniveau is lager dan omgeving. Tijdens hevige neerslag stroomt er van hoger gelegen delen water naar het plein. Knelpunt 2: Tijdens hevige neerslag stroomt er overtollig water van hoger gelegen delen richting bebouwing Hakvoort en bestaat de kans dat hier water de garageboxen / bedrijven binnenstroomt. Dit deel van Hakvoort is gelegen in een kom. Het maaiveld richting Heesterveld almede het plein lopen ca 30-40cm op. Knelpunt 3: Tijdens hevige neerslag stroomt er overtollig water van hoger gelegen delen naar het lager gelegen gedeelte. Het overtollige water komt bij hevige neerslag tegen de gevel van de kerk en de kans bestaat dat het water de kerk instroomt.

3

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

66

Huidige stroombanen volgens WOLK-model tijdens extreme neerslag. Bui-intensiteit 60mm/uur

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

4

67

Rainproof oplossingenkaart H-midden

5

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

68

Doel van de Rainproof oplossingenkaart De Rainproof oplossingenkaart geeft een overzicht van globale oplossingen hoe het overtollige hemelwater tijdens een wolkbreuk kan worden verwerkt. Bij iedere aanpassing in de openbare ruimte dient naar dit wensbeeld te worden gewerkt.

https://www.rainproof.nl/ 6

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

69

Afwatering Bullewijkpad In de huidige situatie kan er in het westelijke deel overtollig hemelwater afstromen naar de lagere delen (Hakvoort). De groenstroken zoals deze in het plan H-midden: OR/water worden weergeven kunnen ingezet worden om tijdens hevige neerslag het overtollige hemelwater te verwerken. Uit nader onderzoek moet vastgesteld worden of actief afwateren richting de groenstroken wenselijk is of dat de groenstroken alleen tijdens hevige neerslag gaan functioneren als tijdelijke waterbuffer. Dit ivm de hoge grondwaterstanden in het gebied. Een grondwatertoets door de wateradviseur IB is benodigd. Waterbergende straat: De groenstroken kunnen dus invulling geven aan de waterbergende straat.

7

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

70

Afwatering H-midden / waterplein In de huidige situatie stroomt er vanuit de omgeving overtollig water naar het plein. Door de grote hoeveelheid aan verhard oppervlak treedt hier al snel een water op straat situatie op. Waterbergend kansgebied: Op de Rainproof oplossingenkaart zoals weergeven op sheet 5 staat het plein aangegeven als waterbergend kansgebied. Dit houdt in dat tijdens hevige neerslag het overtollige water van het plein en vanuit de omgeving hier tijdelijk verwerkt kan worden zonder dat er overlast / schade aan nabijgelegen gebouwen optreedt. Een waterplein is één van de mogelijkheden om verder te onderzoeken. Type waterberging: Het type waterberging dient nader onderzocht te worden door de wateradviseur van het IB. Er zal dan ook een kosten/baten analyse en een (grond)watertoets benodigd zijn om de juiste maatregel hier te implementeren. Beheer en onderhoud: Bij de uitwerking van het type maatregel dient ook de beheerder van de betreffende waterberging betrokken te worden. Dit geldt ook voor de waterbergende groenstroken zoals deze in het plan zijn opgenomen.

8

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

71

6. CFD-studie windhinder en windgevaar

H-midden te Amsterdam

Auteur(s): ir. Samy Iousef

AFR - 8036

CFD-studie windhinder en windgevaar

Controlleur: ir. Tom Fahner &

Versie 1.3

ir. Reinier Maas

©2021 Actiflow BV

Datum: 22/02/2021

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

72

Inhoudsopgave

1

Introductie

A

Inlegvel NEN 8100:2006

2

Normstelling

B

Resultaten per seizoen

3

Opzet van de berekening

C

Overschrijdingskans 5 m/s drempelsnelheid voor individuele windrichtingen

3.1 Software 3.2 Geometrie en rekenrooster 3.3 Aannames en randvoorwaarden 4

Resultaten 4.1 Windhinder en windgevaar - openbare buitenruimten 4.2 Heersende stromingsfenomenen

5

Conclusies

H-midden te Amsterdam - CFD-studie windhinder en windgevaar

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

i

73

1 Introductie Fop

Figuur 1.1 Impressie van het positie van het nieuwbouwproject (bron: Google Maps)

f

ree

f ree

md

gad

rsp

Ka

ntu

ree eld

Hu

f

pin

rt ad kfo kp Ha llewij Bu

eld

erv

est

He

Voorliggende rapportage omschrijft een windstudie, uitgevoerd door Actiflow in opdracht van Gemeente Amsterdam. Het project ‘H-midden’ betreft de ontwikkeling van nieuwbouw in Amsterdam Zuid-Oost. Het project is gelegen tussen de Karspeldreef en de Hakvoort/het Bullewijkpad ten noorden en zuiden en het Heesterveld en de Huntumdreef ten westen en oosten (figuur 1.1). In de voormalige situatie waren in het plangebied twee parkeergarages en een kerk aanwezig. Men is voornemens deze bebouwing te vervangen door drie bouwblokken (figuur 1.2). Deze blokken krijgen overwegend een residentiële functie. Het bouwproject veroorzaakt een verandering in het straatbeeld en dit heeft een invloed op het windklimaat. De vraag is of het windklimaat in het gebied acceptabel is na realisatie van het nieuwe gebouw. Actiflow is gevraagd om voor de ontwikkeling van de nieuwbouw het windklimaat inzichtelijk te maken met behulp van berekeningen op basis van Computational Fluid Dynamics (CFD). Bij deze studie is gebruik gemaakt van de normstelling omtrent windhinder en windgevaar, de Nederlandse norm NEN 8100:2006 ’windhinder en windgevaar in de gebouwomgeving’.

Figuur 1.2 Impressie van de nieuwbouw

Vegetatie, zoals bomen, rondom het plangebied heeft een invloed op het lokale windklimaat. Er is met name een positief effect in de lente en zomer wanneer de bomen bladdragend zijn. Om dit effect correct mee te nemen is zowel de herfst/winter als de lente/zomer situatie beschouwd. Vervolgens is het gemiddelde bepaald om zo een correct beeld van het gehele jaar te verkrijgen. Hoofdstuk 2 gaat in op de gebruikte normstelling waaraan getoetst is. De gebruikte geometrie van het gebouw, de omgeving, het rekendomein en de bijbehorende randvoorwaarden zijn weergegeven in hoofdstuk 3. De resultaten van de berekeningen worden besproken in hoofdstuk 4, waarna de conclusies volgen in hoofdstuk 5.

H-midden te Amsterdam - CFD-studie windhinder en windgevaar

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

1

74

2 Normstelling De normstelling betreffende het windklimaat in de openbare ruimte vindt haar oorsprong in NEN 8100:2006. In de norm wordt onderscheid gemaakt tussen windhinder en windgevaar. De definitie van windhinder is het ondervinden van hinder door wind. Dit zal bij een gemiddeld persoon gebeuren wanneer de lokale uurgemiddelde windsnelheid meer dan 5 m/s bedraagt. Windgevaar is het optreden van een dergelijk hoge windsnelheid waarbij in ernstige mate problemen optreden bij het lopen, zoals evenwichtsverlies, waardoor het onmogelijk wordt zich staande te houden of zich lopend voort te bewegen. Windgevaar vindt vooral tijdens vlagen plaats. Dit fenomeen wordt vanwege de benodigde rekenkracht en conform de norm, niet gemodelleerd in een tijdsafhankelijke berekening, maar in een aanvulling op de statistische windhinderanalyse. Hier wordt aangenomen dat windgevaar optreedt als de uurgemiddelde lokale windsnelheid meer dan 15 m/s bedraagt.

Tabel 2.1: Eisen voor de beoordeling van het lokale windklimaat voor windhinder

Tabel 2.2: Eisen voor de beoordeling van het lokale windklimaat voor windgevaar

NEN 8100:2006 geeft een indeling voor windhinder naar kwaliteitsklassen. Deze indeling is terug te vinden in tabel 2.1. Aan de hand van de kans op overschrijding van de grenswaarde voor windhinder wordt bepaald in welke klasse een locatie valt. Afhankelijk van het gebruiksdoel van de locatie wordt een bepaalde klasse gekarakteriseerd als goed, matig of slecht. Tabel 2.2 toont de indeling en kwalificatie voor de kans op windgevaar op vergelijkbare wijze als voor windhinder wordt gedaan. Hierbij dient te worden opgemerkt dat voor activiteitsklassen ‘Slenteren’ en ‘Langdurig zitten’ zelfs een beperkt risico al onacceptabel is. Voor deze activiteitsklassen geldt dat enkel p≤0.05 acceptabel is. Een gevaarlijk windklimaat moet te allen tijde worden vermeden. Toetsing vindt plaats op een hoogte van 1,75 m boven het grondoppervlak.

H-midden te Amsterdam - CFD-studie windhinder en windgevaar

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

2

75

3 Opzet van de berekening Figuur 3.1: Impressie van het model

Voor een overzicht van de instellingen bij de berekening wordt verwezen naar het inlegvel uit de NEN 8100:2006, welke is toegevoegd in bijlage A.

3.1 Software

De berekening is uitgevoerd met behulp van OpenFOAM v2006, een softwarepakket dat bedoeld is voor het oplossen van problemen in de continuüm mechanica en thermodynamica. Voor dit project is “simpleFoam” gebruikt. Deze solver is gebaseerd op de incompressibile Reynolds Averaged Navier-Stokes (RANS) vergelijkingen en houdt rekening met turbulentie. Turbulentie is gemodelleerd gebruik makend van het k-ω SST model.

(a) Nieuwbouw en directe omgeving (links) en bovenaanzicht (rechts)

3.2 Geometrie en rekenrooster

De geometrie van het model is gebaseerd op de verkregen tekeningen en modellen van de opdrachtgever. Het 3D-model is weergegeven in figuur 3.1. Het model omvat alle gebouwen binnen een straal van minimaal 300 meter. De omliggende bebouwing is als eenvoudige massa’s weergegeven. Rond dit gebied is een cilindervormig domein geplaatst met een doorsnede van 3000 m en een hoogte van 500 m. Het plangebied is centraal in dit domein geplaatst, zodat hier verschillende windrichtingen op kunnen worden toegepast zonder dat het voor- of achtergebied te klein wordt. De ruwheid van het voorland is afgestemd op de werkelijke situatie. (b) Close-up

H-midden te Amsterdam - CFD-studie windhinder en windgevaar

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

3

76

Figuur 3.2: Impressie rekengrid

Het luchtvolume in de hierboven omschreven geometrie is vervolgens opgedeeld in een groot aantal kleine volumecellen. Deze cellen tezamen vormen het rekenrooster voor bestuderen situatie (figuur 3.2). Dit rooster bestaat uit 45 764 795 cellen. Over het grondoppervlak en de bebouwing zijn vijf lagen prisma’s geplaatst. Deze prismalaag zorgt voor een betere berekening van de snelheidsgradiënt in de atmosferische grenslaag.

3000 m

500 m

3.3 Aannames en randvoorwaarden

Om inzicht te krijgen in het windklimaat is de gehele windroos doorgerekend, te weten 12 windrichtingen. Er is aangenomen dat de atmosferische grenslaag een snelheidsprofiel heeft volgens vergelijking 3.1 en 3.2 op de volgende pagina. Hierin is Un de horizontale windsnelheid, z de hoogte vanaf het maaiveld, en z0 een ruwheidslengte. De ruwheidslengte is een maat voor de ruwheid van het terrein. Verder geldt dat κ = 0,41.

(a) Doorsnede van het rekengrid

Ook de turbulente grootheden k en ω verlopen volgens een voorgeschreven profiel, zoals aangegeven in vergelijking 3.3 en vergelijking 3.4. Hierin heeft Cμ de waarde 0,09. Deze empirische constante komt voort uit het gebruikte turbulentemodel (k-ω SST).

(b) Doorsnede van het rekengrid - ingezoomd

H-midden te Amsterdam - CFD-studie windhinder en windgevaar

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

4

77

Voor de berekeningen is een windsnelheid van 5 m/s op een hoogte van 60 m opgegeven. Hierbij is een atmosferisch grenslaagprofiel toegepast. Voor de 12 windrichtingen die in beschouwing zijn genomen wordt een resulterend snelheidsveld bepaald. Hiermee is voor elke locatie per windrichting de versterkingsfactor ten opzichte van de opgelegde windsnelheid vastgelegd.

330° (NNW)

0° (N)

30° (NNO)

20 18

20% 300° (WNW)

15% 10%

60° (ONO)

5%

16 14 12

270° (W)

90° (O)

10 8

240° (WZW)

120° (OZO) 210° (ZZW)

H-midden te Amsterdam - CFD-studie windhinder en windgevaar

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

180° (Z)

150° (ZZO)

Figuur 3.3: Visualisatie van de windstatistiek welke is gebruikt bij de bepaling van windhinder en windgevaar.

6

wind snelheid [m/s]

Vervolgens wordt de windstatistiek gecombineerd met de berekende versterkingsfactor, zodat voor elke windsnelheid op een locatie een overschrijdingskans kan worden bepaald van verschillende windsnelheden. Deze overschrijdingskans wordt vervolgens getoetst aan de gewenste kwaliteitsklasse om te bepalen of er een comfortabel windklimaat kan zijn. Een visualisatie van de lokale windstatistiek als windroos met daarbij de verdeling van de windsnelheid op 60 m hoogte is weergegeven in figuur 3.3.

Windroos: relatieve wind verdeling

4 2 0

5

78

4 Resultaten Figuur 4.1: Windhinder op voetgangersniveau

In deze sectie worden de resultaten voor windhinder en windgevaar ter plaatse van de openbare buitenruimte weergegeven conform NEN 8100:2006. De resultaten van de openbare buitenruimte worden weergegeven op horizontale doorsneden op 1,75 m boven maaiveld. Figuren 4.1 en 4.2 tonen de resultaten van de openbare buitenruimte. Onderstaand wordt dit windklimaat nader beschreven.

N (a) Overzicht

pp

Fo

f

f

ree

ad

ing

Hierbij gelden op basis van de normstelling de volgende richtwaarden: • Op locaties met voor voetgangers louter een verkeersfunctie en geen verblijfsfunctie dient windhinder bij voorkeur klasse A, B of C te zijn. Klasse D biedt een matig niveau. Klasse E biedt een slecht niveau en dient vermeden te worden. • Op locaties die gezien kunnen worden als verblijfsgebied voor voetgangers dient windhinder bij voorkeur klasse A of B te zijn. Klasse C biedt een matig niveau en klassen D en E bieden een slecht niveau. Deze twee hoogste klassen dienen op deze locaties vermeden te worden. • Ter plaatse van gebouwentrees dient bij voorkeur klasse A of B behaald te worden. Klasse C biedt een matig niveau. Klassen D en E bieden een slecht niveau en dienen vermeden te worden op deze locaties. • Windgevaar dient bij voorkeur voorkomen te worden. Een beperkt risico kan lokaal geaccepteerd worden.

1

ee ldr

pe

rs Ka

2

B

C

4.1 Windhinder en windgevaar- openbare buitenruimten

A

(b) Close-up

rt

kfo

ad

erp

ud

co

Ab

llew

Bu

t

r kfo Ha ad

ijkp

Ha

De resultaten voor windhinder zijn in figuur 4.1 getoond. Hierin zijn de drie bouwvolumes aangegeven met ‘A’, ‘B’ en ‘C’. Hieruit kan het volgende worden opgemaakt: • Aan de west- en noordwestzijde van blok A heeft de nieuwbouw een meer prominent effect op het windklimaat. Aan deze zijden en dan met name op de kruispunt tussen het Heesterveld en het Karspeldreef (locatie ‘1’ in figuur

H-midden te Amsterdam - CFD-studie windhinder en windgevaar

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

6

79

Figuur 4.2: Windgevaar op voetgangersniveau

N (a) Overzicht

ree

B

K

f

In bijlage B is te zien dat er een verschil is tussen het windklimaat in de lente/ zomer en het klimaat in de herfst/winter. Dit geeft aan dat de rol van de vele vegetatie relatief groot is en dat het een adequaat middel is om verdere windhinder te voorkomen.

p ars

f

ree

eld

ad

Er is rondom de nieuwbouw geen risico op windgevaar aanwezig, zie figuur 4.2.

ing

pp

Fo

4.1b) ontstaat een meer gevarieerd windklimaat met windhinderklassen A, B, C en (beperkt) D. De stroming richting locatie ‘1’ is uitgewerkt in paragraaf 4.2. Om het windklimaat te verbeteren dient downwash aan de zuidwestzijde van blok A verminderd te worden. In paragraaf 5.3 zijn enkele mogelijkheden benoemd om het windklimaat hier te verbeteren. • De zuidwestelijke doorgang naar de binnentuin van blok A (locatie ‘2’) kent een meer gevarieerd en windrijk klimaat met overwegend windhinderklasse C/D. De stroming richting locatie ‘2’ is uitgewerkt in paragraaf 4.2. In paragraaf 5.3 zijn enkele mogelijkheden benoemd om het windklimaat hier te verbeteren. • Rondom blok B en C is veelal een luw windklimaat aanwezig met windhinderklasse A. • Op het plein tussen blok A en B is enkel windhinderklasse A aanwezig. Het windklimaat hier biedt goede condities voor alle functies gedurende alle perioden van het jaar (zie ook bijlage B).

A

(b) Close-up

rt

kfo

ad

erp

ud

co

Ab

Ha

llew

Bu

t

r kfo Ha ad ijkp

C

H-midden te Amsterdam - CFD-studie windhinder en windgevaar

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

7

80

Figuur 4.3: Stroomlijnen naar locaties conform figuur 4.1b

4.2 Heersende stromingsfenomenen

Om de resultaten te verklaren, worden stroomlijnen getoond in figuur 4.3. Stroomlijnen geven het pad aan dat de wind volgt wanneer het langs de verschillende obstakels stroomt. Hierbij worden de twee locaties belicht die windhinderklassen B/C (en zeer beperkt D) ondervinden, zie figuur 4.1.

X

Om de heersende stromingsfenomen te bepalen is gekeken naar de bijdrage van de afzonderlijke windrichtingen. Deze analyse is te vinden in appendix C. Op basis van de afzonderlijke windrichtingen komt naar voren dat wind uit het zuidzuidwesten de grootste invloed op het windklimaat heeft. Locatie 1, figuur 4.3a Ten aanzien van de zones met windhinderklasse C en D nabij locatie ‘1’ kan het volgende opgemerkt worden. Wind vanuit veelal zuidwestelijke windrichting botst hier tegen de zuidwestzijde van blok A (nabij punt X in figuur 4.3a) en zal vervolgens naar beneden stromen richting de westhoek en hier versnellen tussen Heesterveld en Karspeldreef.

(a) Wind uit ZZW richting, gezien vanuit ZZW

Locatie 2, figuur 4.3b Dit betreft de klasse C/D nabij locatie ‘2’. In figuur 4.3b, kan worden gezien dat als de wind uit het westzuidwesten komt, het downwash fenomeen optreedt. In dit geval stroomt de wind over het naburige gebouw ten westzuidwesten en versnelt in de passage van blok A, wat zorgt voor de mindere kwaliteit betreffende windhinder rondom locatie ‘2’.

(b) Wind uit ZZW richting, gezien vanuit WZW

H-midden te Amsterdam - CFD-studie windhinder en windgevaar

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

8

81

5 Conclusies en aanbevelingen 5.2 Vergelijking tussen de modellen v1 en v2 5.1 Conclusies

Dit rapport presenteert een onderzoek naar het windklimaat rondom de nieuwbouw ‘H-midden te Amsterdam’. Het onderzoek is uitgevoerd door Actiflow. Voor de analyse is de Nederlandse norm “NEN 8100:2006: Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving” gebruikt. Hierbij is een geometrisch model van het gebouw en zijn omgeving opgesteld. Een rekengrid met hoge resolutie is rond deze geometrie opgetrokken als basis voor Computational Fluid Dynamics (CFD)-simulaties van de windstroming. De studie leidt tot de volgende conclusies: • Aan de west- en noordwestzijde van blok A (kruispunt tussen Heesterveld en Karspeldreef) heerst een windrijk klimaat met overwegend windhinderklasse C en beperkt D. • Het windklimaat rondom blok B en C gekenmerkt als luw en comfortabel te gebruiken voor elke activiteit. Hier is meestal een windhinderklasse A aanwezig. • De doorgangen naar de binnentuin van blok A en B kent een comfortabel klimaat met overwegend windhinderklasse A/B. Een uitzondering is de regio nabij de zuidwestelijke doorgang van blok A. • In de binnentuinen van blok A en B is een luw windklimaat aanwezig. • Het windklimaat op het plein tussen blok A en B is luw met overwegend windhinderklasse A. • Er is geen windgevaar of een beperkt risico hierop aanwezig in de nabijheid van de blokken.

In deze sectie wordt het verschil getoond tussen de resultaten voor model v1 (AFR-8036 d.d. 21 januari 2021) en de resultaten voor model v2 (onderhavige rapport). Het bovenaanzicht van de modelen is weergegeven in figuur 5.1. Figuren 5.2 en 5.3 tonen de resultaten van de openbare buitenruimte. Het toevoegen van extra bomen en struiken in model v2 heeft een aanzienlijk positief effect op de windklimaat. Dit is aan de nabijheid van blokken A, B en C zichtbaar, maar komt het sterkst naar voren aan de Hakfort en Bullewijkpad (locaties ‘3a/b’, ‘4a/b’ en ‘5a/b’) waar het absolute verschil het grootst is, zie figuur 5.2. Het verbetering van het windklimaat is ook in de windgevaar resultaten (figuur 5.3) zichtbaar, waar de regio’s met beperkt risico op windgevaar zijn geminimaliseerd (locaties ‘6a/b’ en ‘7a/b’).

(a)

H-midden te Amsterdam - CFD-studie windhinder en windgevaar

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

(b)

Figuur 5.1: Bovenaanzicht van: (a) model v1 (b) model v2

9

82

Figuur 5.2: Windhinder op voetgangersniveau : (a) model v1 (b) model v2

(a)

(a) 5b

f

ee ldr

rs Ka

ing

pp

N

f

f

ree

ree

ad

ad

ing

pp

pe

Fo

Fo

5a

ld

pe

rs Ka

f ree

rt

ad

erp

ud

co

Ab

H-midden te Amsterdam - CFD-studie windhinder en windgevaar

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

ad

rt

ad

Bu

kfo

erp

lle

kp wij

Ha

ud

rt

kfo

Ha

Bu

rt

kfo

co

ad

kp

ij llew

Ha

Ab

kfo

Ha

4b

3b

4a

3a

10

83

Figuur 5.3: Windgevaar op voetgangersniveau : (a) model v1 (b) model v2

(a)

(a) 7b

f

ee ldr

rs Ka

ing

pp

N

f

f

ree

ree

ad

ad

ing

pp

pe

Fo

Fo

7a

ld

pe

rs Ka

f ree

6b

6a rt

ad

erp

ud

co

Ab

H-midden te Amsterdam - CFD-studie windhinder en windgevaar

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

ad

rt

ad

Bu

kfo

erp

lle

kp wij

Ha

ud

rt

kfo

Ha

Bu

rt

kfo

co

ad

kp

ij llew

Ha

Ab

kfo

Ha

11

84

Figuur 5.4: Impressie van de schermen

5.3 Aanbevelingen

Het lokale windklimaat van model v2 kan worden geoptimaliseerd op basis van een paar aanbevelingen. Hierbij wordt specifiek gekeken naar de zones met windhinderklasse D. De overige klassen A, B en C bieden een acceptabel comfortniveau, waarbij langdurig zitten in klasse A wordt voorzien. Hier is voldoende ruimte voor. Locatie 1 (figuur 4.1) Het toepassen van een luifel op de zuidwestgevel (en rondom de westhoek) kan hier het windklimaat verbeteren. Gedacht kan worden aan een luifel van minimaal 2 m. Het effect kan in de uitwerking van dit bouwdeel worden gevalideerd. Locatie 2 (figuur 4.1) Om het windklimaat rondom locatie ‘2’ te optimaliseren, wordt aanbevolen om hier vegetatie toe te passen met een afwisselende hoogte (struiken:~2 m, bomen: 5-8+ m), opbouw (kruin hoog of laag) en porositeit (wintergroen). Een alternatief voor bovengenoemde aanpassing is het toepassen van verticale schermen tenminste een hoogte van 1.8-2.0 meter en breedte van 2 meter, zoals getoond in figuur 5.4. Het effect kan in de uitwerking van dit bouwdeel worden gevalideerd.

H-midden te Amsterdam - CFD-studie windhinder en windgevaar

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

12

85

Actiflow BV Tramsingel 1 4814 AB Breda +31 (0)76 5422 220 contact@actiflow.com www.actiflow.nl

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

86

7. Quickscan Natuur

Quickscan Natuur H-buurt midden, Amsterdam Auteur: Jeffrey Willems 28-04-2020

1

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

Quickscan Natuur – H-buurt midden, Amsterdam Gemeente Amsterdam - Ingenieursbureau

87

COLOFON Quickscan Natuur, H-buurt midden, Amsterdam OPDRACHTNEMER

BTL Advies B.V. Oude Apeldoornseweg 41 7300 AD Apeldoorn T: 055 312 4070 E: advies@btl.nl

OPGESTELD DOOR

Jeffrey Willems (Adviseur ecologie)

KWALITEITSCONTROLE

Zef Hermans (Senior adviseur ecologie)

OPDRACHTGEVER

Gemeente Amsterdam Ingenieursbureau t.a.v. Dhr. D. Rabbers Postbus 12693 1100 AR Amsterdam

FOTO VOORBLAD

Impressie van het plangebied, d.d. 26 maart 2020

PROJECTNUMMER STATUS VERSIE DATUM

725200036

DEFINITIEF

3.0 28 april 2020

In deze rapportage is gebruik gemaakt van gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Op deze gegevens rusten auteursrechten. Het schriftelijk of digitaal delen of publiceren van (een deel van) de gegevens uit de NDFF is niet toegestaan zonder toestemming van BIJ12, uitgezonderd aan bevoegd gezag in het kader van een vrijstellings- of ontheffingsprocedure of voor intern gebruik van de opdrachtgever voor de duur van het betreffende project. BTL Advies bv is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van BTL Advies bv. De opdrachtgever vrijwaart BTL Advies bv dan ook voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. BTL Advies bv is lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangen behartiging van ecologische adviesbureaus. Hierdoor zijn wij goed op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving. Door de inzet van conform de wet ter zake kundige ecologen, waarborgen wij daarnaast onze onderzoekskwaliteit. Omdat ecologisch (veld)onderzoek een momentopname is, kan aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig.

BTL Advies bv is niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.

2

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

Quickscan Natuur – H-buurt midden, Amsterdam Gemeente Amsterdam - Ingenieursbureau 88

INHOUD COLOFON

2

INHOUD

3

1

INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Doel 1.3 Leeswijzer

4 4 4 4

2

PLANGEBIED EN VOORGENOMEN INGREEP 2.1 Plangebied 2.2 Voorgenomen ontwikkeling en planning

6 6 10

3

WERKWIJZE 3.1 Bronnenonderzoek 3.2 Veldbezoek 3.3 Effectenbeoordeling

12 12 12 12

4

TOETSING GEBIEDBESCHERMING 4.1 Natura 2000 4.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) 4.3 Hoofdgroenstructuur en Ecologische structuur gemeente Amsterdam 4.4 Conclusie

13 13 13 14 15

5

ONDERZOEKSRESULTATEN SOORTEN 5.1 Vaatplanten 5.2 Grondgebonden zoogdieren 5.3 Vleermuizen 5.4 Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen 5.5 Algemene broedvogels 5.6 Vissen 5.7 Amfibieën en reptielen 5.8 Ongewervelde diersoorten 5.9 Invasieve exoten

16 16 16 17 18 19 19 19 19 20

6

TOETSING AAN DE WET NATUURBESCHERMING 6.1 Vleermuizen 6.2 Grondgebonden zoogdieren 6.3 Vogels 6.4 Algemene zorgplicht

21 21 21 22 23

7

RISICOSOORTEN EN KANSEN 7.1 Risicosoorten 7.2 Kansen

24 24 24

8

CONCLUSIE EN ADVIES 8.1 Gebiedsbescherming 8.2 Soortbescherming 8.3 Risicobeheersing 8.4 Kansen

26 26 26 27 27

9

LITERATUURLIJST

28

BIJLAGE 1. ONTWERP VAN HET ONDERZOEKSGEBIED EN VOORGENOMEN BOUWVLAKKEN

3

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

29

Quickscan Natuur – H-buurt midden, Amsterdam Gemeente Amsterdam - Ingenieursbureau 89

1

INLEIDING

1.1 Aanleiding Het ingenieursbureau van gemeente Amsterdam is voornemens om werkzaamheden uit te voeren in H-buurt midden. Het voornemen is om twee woongebouwen te realiseren op een deels bebouwd en deels braakliggend terrein (Fig. 1). Het project bevindt zich nog in de onderzoeksfase. Men is bezig met het investeringsbesluit. De verwachting is de bebouwing binnen 3-5 jaar te realiseren. BTL Advies is gevraagd om een ‘Quickscan natuur’ uit te voeren om te onderzoeken of mogelijk verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming wordt overtreden door het uitvoeren van de werkzaamheden en of dat de voorgenomen ontwikkeling in conflict is met provinciaal, regionaal en gemeentelijk natuurbeleid. 1.2 Doel In het kader van de Wet natuurbescherming moet rekening worden gehouden beschermde flora, fauna en natuurgebieden. Een quickscan natuur is nodig om te onderzoeken welke beschermde soorten mogelijk aanwezig zijn in en rondom het plangebied en of de voorgenomen ontwikkelingen negatieve effecten hebben op de aanwezige soorten en op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden (beschermde natuurgebieden).

Ook dient rekening te worden gehouden met het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en daarnaast heeft de gemeente Amsterdam een Hoofdgroenstructuur, ecologische structuur en ecologische knelpunten (maps.amsterdam.nl/ecopassages) waarmee rekening dient te worden gehouden met het uitvoeren van ruimtelijke ontwikkelingen. 1.3 Leeswijzer De ligging en begrenzing van het plangebied en de voorgenomen ingreep zijn beschreven in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 is de onderzoeksmethode beschreven. In hoofdstuk 4 is de gebiedsbescherming (Wnb en beleid) getoetst. In hoofdstuk 5 zijn de mogelijk aanwezige (beschermde) soorten beschreven en in hoofdstuk 6 is voor de mogelijk aanwezige beschermde soorten een effectenbeoordeling uitgevoerd. In hoofdstuk 7 is een advies opgenomen met betrekking tot risicosoorten en met betrekking tot kansen voor groene ambities van de gemeente Amsterdam. Hoofdstuk 8 geeft een overzicht van de conclusies en het advies van dit rapport. Tot slot is in hoofdstuk 9 de geraadpleegde literatuur opgenomen.

4

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

Quickscan Natuur – H-buurt midden, Amsterdam Gemeente Amsterdam - Ingenieursbureau 90

Plangebied 70

35

0

70 Meters

¯

Plangebied 1

0,5

0

1 Kilometers

¯

Figuur 1. Uitsnede van de kaart van Amsterdam met daarbinnen het plangebied rood omkaderd (bron: ArcGIS).

5

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

Quickscan Natuur – H-buurt midden, Amsterdam Gemeente Amsterdam - Ingenieursbureau 91

2

PLANGEBIED EN VOORGENOMEN INGREEP

2.1 Plangebied Het plangebied (Fig.2) ligt in de H-buurt en wordt aan de noordzijde begrenst door de karspeldreef, aan de oostzijde door de Huntumdreef, aan de zuidzijde door het Bullewijkpad en aan de westzijde door Heesterveld. In totaal beslaat het plangebied ongeveer 3,3 hectare.

Plangebied 70

35

0

70 Meters

¯

Figuur 2. Overzichtsfoto van het plangebied (bron: maps.amsterdam.nl)

Het plangebied bestaat uit een gazons, perkjes met bomen, struiken en ondergroei, braakliggend terrein, verharding en bebouwing. Het strak gemaaide gazon heeft lokaal een open structuur waardoor kruiden als madeliefje en paardenbloem tussen het gras groeien. De taluds in het noordoostelijke deel van het plangebied zijn beplant met narcissen. De perkjes met struikgewas zijn begroeid met inheemse soorten als meidoorn, vlier, kers en de ruige ondergroei herbergt veel brandnetel, braam, speenkruid en dovenetel (Fig.3). De bomen die verspreid over het plangebied staan zijn zowel inheems als exotisch, met soorten als grove den, eik, linde, iep, berk, coniferen en fruitbomen (Fig. 4.). In enkele bomen in het centrale deel van het plangebied zijn enkele holten aanwezig op plaatsen waar voorheen takken zaten (Fig. 5). Deze holten zijn oppervlakkig en niet naar boven ingerot. Binnen het plangebied zijn geen bomen aangemerkt als zijnde monumentaal. Het braakliggende terrein bestaat deels uit grotendeels kale grond met hierop een groot kunstwerk. Verder richting het noordoosten is het terrein schaars begroeid met grassen en ruigtekruiden als distels, klavers, madeliefjes, brandnetel en paardenbloemen (Fig.6). Zowel de gazons als het braakliggende terrein lijken op basis van de vegetatie redelijk frequent gemaaid te worden.

6

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

Quickscan Natuur – H-buurt midden, Amsterdam Gemeente Amsterdam - Ingenieursbureau 92

Figuur 3. Perkje met struikgewas met ruige ondergroei.

Figuur 4. In de noordelijke hoek van het plangebied staan iepen met daarin een eksternest (rode cirkel).

7

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

Quickscan Natuur – H-buurt midden, Amsterdam Gemeente Amsterdam - Ingenieursbureau 93

Figuur 5. Enkele bomen in het centrale deel van het plangebied bevatten holten, deze holten zijn zeer oppervlakkig.

Figuur 6. Het braakliggende terrein herbergt een kunstwerk en is verder schaars begroeid met ruigere kruiden.

Het plangebied herbergt drie gebouwen. In het noordoostelijk deel van het gebied is een laag gebouw aanwezig. De functie en leeftijd van het gebouw is onbekend maar van buitenaf gezien oogt het gebouw

8

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

Quickscan Natuur – H-buurt midden, Amsterdam Gemeente Amsterdam - Ingenieursbureau 94

degelijk gebouwd (Fig. 7). Van grote kieren of gaten in het metselwerk is geen sprake en de betimmering sluit strak aan op de muren.

Figuur 7. Het gebouw in het noordoosten van het gebied oogt strak en degelijk gebouwd.

In het zuidwestelijke deel van het plangebied staan twee gebouwen, een carwash (Fig. 8) en een parkeergarage (Fig. 9). De carwash oogt vrij nieuw en is degelijk gebouwd. Tussen de muur en de betimmering aan de bovenzijde van muur is een spleet aanwezig. Onder de zuidoostelijke zijde van de parkeergarage zijn verschillende kleine ondernemingen gevestigd. Direct boven deze ondernemingen is een schacht aanwezig voor ventilatie en bebording. Tussen de schacht en de bebording zijn holten aanwezig. De rest van de parkeergarage herbergt geen noemenswaardig kieren of gaten. Boven de ondernemingen zijn verschillende lampen aanwezig.

9

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

Quickscan Natuur – H-buurt midden, Amsterdam Gemeente Amsterdam - Ingenieursbureau 95

Figuur 8. De carwash in het zuidwestelijke deel van het plangebied.

Figuur 9. De zuidoostelijke zijde van de parkeergarage herbergt een aantal kleine ondernemingen.

2.2 Voorgenomen ontwikkeling en planning Het ingenieursbureau van gemeente Amsterdam is voornemens om binnen het plangebied twee woongebouwen te realiseren in de vorm van hoogbouw. In bijlage 1 is de ligging van de bouwvlakken

10

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

Quickscan Natuur – H-buurt midden, Amsterdam Gemeente Amsterdam - Ingenieursbureau 96

weergegeven. Het project bevindt zich op dit moment nog in de verkenningsfase. Naar verwachting wordt de bebouwing binnen 3 tot 5 jaar gerealiseerd.

11

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

Quickscan Natuur – H-buurt midden, Amsterdam Gemeente Amsterdam - Ingenieursbureau 97

3

WERKWIJZE

De quickscan natuur betreft een verkenning dat bestaat uit een bronnenonderzoek en een veldbezoek. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek, is een inschatting gemaakt van de aanwezige natuurwaarden en is beoordeeld of het plan (negatieve) effecten kan hebben op beschermde soorten (effectenanalyse). Hieronder is per onderdeel de werkwijze toegelicht. 3.1 Bronnenonderzoek Voor het bronnen- en literatuuronderzoek zijn op 24 maart 2020 de gegevens opgevraagd uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In de NDFF is rondom het plangebied een polygoon ingetekend. Het polygoon is ruimer ingetekend dan het plangebied, namelijk in een straal van ca. 1 km rondom het plangebied. Binnen dit polygoon zijn alle verspreidingsgegevens van nationaal en internationaal beschermde soorten, soorten die onder gemeentelijk beleid beschermd zijn, Rode lijstsoorten en invasieve exoten opgevraagd van de afgelopen vijf jaar. Door het polygoon ruimer in te tekenen dan het plangebied, is de verkregen dataset voldoende groot om te kunnen benutten voor dit onderzoek. De uit de NDFF opgevraagde dataset bestond in totaal uit 5.485 ‘records’ van beschermde soorten. Op basis van de beschikbare gegevens is een inschatting gemaakt van het voorkomen van beschermde soorten binnen het plangebied.

Eveneens is aan de hand van literatuuronderzoek gekeken naar de ligging van het plangebied ten opzichte van wettelijke beschermde Natura 2000-gebieden en het planologisch beschermde Natuurnetwerk Nederland (NNN). Ook is in de mapviewer van gemeente Amsterdam (maps.amsterdam.nl/) gekeken of de Hoofdgroenstructuur en de Ecologische structuur van de gemeente Amsterdam binnen het plangebied ligt en is gekeken naar aanvullende verspreidingsgegevens van beschermde soorten. 3.2 Veldbezoek Het veldbezoek bestaat uit een biotooptoets met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. Op het moment dat het veldbezoek wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebieden en migratierouten aan hun leefomgeving stellen, vergeleken met en getoetst aan de situatie in het veld. Het veldbezoek is op 26 maart uitgevoerd door een ecoloog van BTL Advies (Jeffrey Willems). De weersomstandigheden waren op dat moment onbewolkt, droog, 15 ⁰C en 2 Bft. De bevindingen van het bronnenonderzoek zijn in het veld getoetst en waar nodig aangevuld.

In het bijzonder is gelet op nesten of holtes in de bomen, holten en kieren in bebouwing, mogelijke groeiplaatsen van beschermde of zeldzame flora en aanwezigheid van invasieve exoten. 3.3 Effectenbeoordeling Op basis van de uitkomsten van het bronnen- en veldonderzoek is beoordeeld of het plan (negatieve) effecten kan hebben. Hierbij is waar mogelijk onderscheid gemaakt in effecten op korte en lange termijn. Indien sprake is van een conflictsituatie tussen de aanwezigheid van beschermde soorten en de geplande ruimtelijke ingreep, is in onderhavige rapportage aangegeven welke voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen. Indien negatieve effecten door het nemen van voorzorgsmaatregelen niet te voorkomen zijn, is aangegeven welke mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn en/of een ontheffing aangevraagd dient te worden.

12

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

Quickscan Natuur – H-buurt midden, Amsterdam Gemeente Amsterdam - Ingenieursbureau

98

4

TOETSING GEBIEDBESCHERMING

4.1 Natura 2000 De Natura 2000–gebieden die op de kortste afstand van het plangebied liggen zijn het Botshol (op ± 5 km) het Markermeer & IJmeer (op ± 6,0 km), de Oostelijke Vechtplassen (op ± 6,5 km) en het Naardermeer (op ± 9 km) (Fig. 10). Op deze afstanden en door de grootte van de voorgenomen ontwikkeling, kan niet op voorhand worden uitgesloten dat voorgenomen ontwikkeling zal leiden tot een stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jaar (Rijksoverheid, 2020). Om de daadwerkelijke stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000 gebieden te berekenen, moet (m.b.v. AERIUS Calculator) een stikstofberekening worden uitgevoerd. Wanneer blijkt dat de verwachte stikstofdepositie uitkomt op meer dan 0.00 mol/ha/jaar dient een ecologische voortoets te worden uitgevoerd om te onderzoeken of de stikstofdepositie zorgt voor significant negatieve effecten. Indien significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten, geldt een vergunningplicht. Voor andere storingsfactoren (die negatieve effecten kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen) is door de afstand tot de voorgenomen ontwikkeling op voorhand uit te sluiten dat negatieve effecten zullen optreden.

Plangebied Natura 2000 N2000 – Markermeer & IJmeer 1

0,5

0

1 Kilometers

Markermeer & IJmeer

¯

Naardermeer

Oostelijke Vechtplassen Botshol Figuur 10. Ligging van het plangebied (rood) t.o.v. de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (blauw en groen) inclusief afstandsaanduiding (Bron: maps.amsterdam.nl).

4.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied overlapt niet met het Natuurnetwerk Nederland (Fig.11). Het dichtstbijzijnde NNNgebied ligt op ± 1,5 km afstand. Het betreffende NNN-gebied en het plangebied worden gescheiden door bebouwing, de A9 en park De Riethoek. Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van dit gebied door voorgenomen werkzaamheden zijn daardoor uitgesloten. Conflicten met provinciaal natuurbeleid zijn daardoor niet aan te orde.

13

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

Quickscan Natuur – H-buurt midden, Amsterdam Gemeente Amsterdam - Ingenieursbureau 99

Plangebied Natuurnetwerk Nederland 230

115

0

230 Meters

¯

Figuur 11. Ligging van het plangebied (rood) t.o.v. de dichtstbijzijnde NNN-gebieden (blauwgroen) inclusief afstandsaanduiding van het meest nabijgelegen gebied (Bron: maps.amsterdam.nl).

4.3 Hoofdgroenstructuur en Ecologische structuur gemeente Amsterdam De groene verbindingen (de ecologische structuur) zijn bedoeld om de groene gebieden met elkaar te verbinden en daarmee het leefgebied voor dier- en plantensoorten te vergroten. Een goede ecologische structuur is essentieel voor de biodiversiteit. De Amsterdamse ecologische structuur betreft een netwerk van zowel grote als kleine ‘groene’ en ‘blauwe’ gebieden en maakt het verbindende groene netwerk binnen de stad en de verbinding met het omringende landschap zichtbaar (Ecologische visie gemeente Amsterdam, 2012). De hoofdgroenstructuur betreft alle groengebieden in de gemeente Amsterdam, inclusief parken en sportcomplexen. Ook voor deze gebieden geldt een nee, tenzij beleid. Het plangebied valt niet binnen de Hoofdgroenstructuur en Ecologische structuur van de gemeente Amsterdam (Fig. 12). De dichtstbijzijnde Ecologische structuur ligt op 75 m en de hoofdgroenstructuur op 250 meter. Het plangebied en de dichtstbijzijnde Ecologische structuur worden van elkaar gescheiden door een woongebouw met 4 woonlagen en een bebouwde oppervlakte van ongeveer 4000 m2. Deze afscheiding is dermate omvangrijk dat mogelijke verstoring van soorten binnen de Ecologische structuur, zoals vogels, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren, door voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied minimaal is.

Het plangebied en de dichtstbijzijnde Hoofdgroenstructuur, het Mandelapark, worden van elkaar gescheiden door een doorgaande weg, een omvangrijke bomenrij en bebouwing. Ook hier is sprake van een dermate omvangrijke barrière dat van wezenlijke verstoring van soorten binnen de Hoofdgroenstructuur geen sprake is. Voorgenomen ontwikkeling is dus niet in conflict met bovengenoemde gemeentelijke groenstructuren.

14

Investeringsnota H-midden - Bijlagen

Quickscan Natuur – H-buurt midden, Amsterdam Gemeente Amsterdam - Ingenieursbureau 100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10469598/1