CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Bijlage 2 bij brief Protocol Proces om te komen tot locatie en inpassing van onderstations

Raadscommissie Duurzaamheid en Circulaire economie 27 november 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief Ontwikkelingskader 2.0 – Elektriciteitsvoorziening Amsterdam 2035 (VN2025-015740)13.491 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Doel van deze notitie Overeenstemming benadering eisen, ambities en wensen Netbeheerders, gemeente en PoA hebben ambities bij het realiseren van de onderstations. Ambities is een ambigu begrip en kan daarom in de praktijk leiden tot vele grijstinten, waardoor discussies onhelder kunnen worden. In deze notitie is er voor gekozen dat ambities neer slaan in eisen en wensen. Eisen zijn verplicht (juridische basis) of zijn in gezamenlijkheid overééngekomen en voor kosten van de netbeheerder. Wensen zijn vrijwillig, eventuele meerkosten zijn voor rekening van de vragende partij. In geval van Liander station is een vaste genormeerde bijdrage uit de inpassingskosten beschikbaar. Overeenstemming over generieke eisen Gemeente, PoA en netbeheerders zijn het eens over het pakket van generieke eisen dat aan elk station gesteld wordt. Over dit pakket van eisen hoeft niet meer gesproken te worden per project. Het is een gegeven. Overstemming over wijze waarop locatie specifieke eisen tot stand komen In deze notitie is een handreiking uitgewerkt om te komen tot locatie specifieke eisen. Deze handreiking is een nadere uitwerking van het protocol ruimtelijke inpassing. De handreiking gaat uit 2 van de meest ingewikkelde casus. Het is de bedoeling dat bij de start van een project bekeken wordt welke processtappen uit de handreiking overgeslagen kunnen worden.

Ook wordt bekeken wat de beste volgorde is van de geschetste processtappen. Overeenstemming over sturing op proces Per project zijn drie tot vier mensen gezamenlijk verantwoordelijk voor de inrichting van het proces en de voortgang hierop. Dit zijn projectleider gemeente/PoA, omgevingsmanager Liander, vertegenwoordiger van TenneT en procesmanager TFCA. Deze drie of vier mensen vormen samen het coördinatieteam. Elk van de

PROTOCOL ONDERSTATIONS | TASK FORCE CONGESTIE AMSTERDAM

22

leden vanuit de stakeholders is zelf verantwoordelijk voor de interne afstemming binnen de eigen organisatie. Het coördinatieteam overlegt bij de start van een project over onder meer de wijze waarop de locatie specifieke eisen tot stand komen, hoe de participatie ingericht wordt, of de commissie ‘Groen. Water en Duurzaamheid’ betrokken moet worden en hoe het EMV-stappenplan toegepast moet worden op betreffende locatie. Dit alles gebeurt voor zover deze punten op dat moment al te overzien zijn. Het coördinatieteam kan ook besluiten zaken op een later moment op te pakken. Dit alles slaat neer in een project sheet. Het coördinatieteam voert het gesprek op basis van protocol en deze handreiking. Het resultaat van deze bespreking landt in een project sheet dat ter accordering voorgelegd wordt aan het Kernteam. Helderheid juridische positie Alle partijen willen bij alle projecten binnen de afgesproken doorlooptijd (zie Protocol) komen tot wederzijdse overeenstemming over de locatie specifieke eisen voor een onderstation. Dit laat onverlet dat gemeente/PoA en netbeheerder altijd terug kunnen vallen op hun formele juridische positie. Daarbij geldt: ▪ Eisen van welstand zijn wettelijk verplicht en worden gesteld op basis van door de gemeenteraad ▪

vastgesteld welstandsbeleid (‘Schoonheid van Amsterdam) Stedenbouwkundige eisen zijn op zichzelf geen wettelijke eisen, maar kunnen dat wel worden op het moment dat de stedenbouwkundige eisen vertaald worden in een nog vast te stellen omgevingsplan (in sommige gevallen is dat al gedaan en maken deze eisen deel uit van het vigerend omgevingsplan). Hoewel niet gangbaar, kan de gemeente de stap nemen om stedenbouwkundige eisen ook privaatrechtelijk te verankeren wanneer zij grondeigenaar is. In geval van wijziging van het omgevingsplan kan de netbeheerder in beroep gaan en bezwaar aantekenen.

Overeenstemming over benadering wensen Niet alle ambities zullen volledig vertaald worden in harde eisen. Dat betekent dat naast eisen partijen ook wensen kunnen hebben. In de praktijk zal dat vooral voor de gemeente gelden. Wensen kunnen leiden tot extra inpassingskosten. Deze kosten betreffen zowel de éénmalige investeringskosten als de eventuele beheerkosten. Wensen zijn voor rekening van de vrager. Bij Liander stations is er een maximaal budget van €30.000,- voor inpassingskosten beschikbaar om hieraan bij te dragen. Dit geldt voor stations in een gebied met een welstandsniveau Gewoon, Bijzonder of Beschermd en geldt niet bij welstandniveau vrij of éénvoudig. Meerkosten bovenop dit genormeerde bedrag zijn voor rekening van de vragende partij. In geval van onderstations van TenneT maakt de netbeheerder al meerkosten als het standaard AIS station vanwege lokale omstandigheden een GIS station wordt (meestal in Amsterdam). Meerkosten als gevolg van wensen daar bovenop zijn in geval van TenneT stations voor rekening van de vragende partij. Zorgvuldige inpassing vraagt om maatwerk en is meer dan formele eisen en wensen Elk gebied waar een onderstation gebouwd of aangepast wordt, heeft een eigen (ruimtelijke) context en omgeving.

Dit in gemeenschappelijkheid aan het begin onderkennen en het maken van heldere afspraken over de verdere procesgang helpt bij het bouwen aan goede samenwerkrelaties. Die goede relaties zijn hard nodig wanneer het moeilijker wordt en belangen niet automatisch parallel lopen. Expliciete aandacht daarvoor is nodig.

Begripsbepalingen Eisen Waar in dit stuk gesproken wordt over eisen, gaat het om eisen waarover overeenstemming bestaat tussen netbeheerders en gemeente/PoA. Deze overeenstemming is centraal vastgelegd (generieke eisen) of komt tot stand in overleg per locatie (locatie specifieke eisen).

PROTOCOL ONDERSTATIONS | TASK FORCE CONGESTIE AMSTERDAM

23

Generieke eisen Eisen die in principe gelden voor elk onderstation en die dus geen locatie specifiek karakter hebben. Er kunnen locatie specifieke redenen zijn waarom bepaalde generieke eisen niet van toepassing zijn. Dit is een uitzondering die alleen gemaakt wordt op basis van locatie specifieke omstandigheden. Deze uitzondering geldt alleen voor het niet toepassen van generieke eisen. Locatie specifieke eisen Dit zijn alleen eisen die een locatie specifiek karakter hebben. Het kan gaan om eisen van welstand en stedenbouw (specifiek voor de betreffende locatie), maar ook om bijvoorbeeld specifieke verkeerskundige eisen. Bouwenvelop Een bouwenvelop bevat meerdere elementen. Voordat de bouwenvelop vastgesteld wordt, overleggen netbeheerders en gemeente over de inhoud hiervan. Het streven is er op gericht om het eens te worden. De coördinatieteam van het betreffende project draagt zorg voor dit proces. Elementen die in de bouwenvelop terug komen zijn: ▪ generieke eisen ▪ ▪

vertaalslag van de welstandeisen die gelden voor de specifieke locatie stedenbouw, van toepassing op de specifieke locatie (staan reeds in omgevingsplan of worden daar nog in opgenomen)

In een eerste stap wordt eerst geïnventariseerd wat in bestaande documenten is opgenomen over de betreffende locatie. Het kan dan gaan om: relevante passage uit welstandsnota ‘Mooi Amsterdam’, het bestaande omgevingsplan, mogelijk een bestaand SPVE, een stedenbouwkundige visie en/of een eerder opgesteld beeldkwaliteitsplan. Eisen & Wensen Eisen zijn verplicht of overééngekomen tussen de partijen en voor rekening van de netbeheerder. Wensen zijn letterlijk op te vatten als wensen. Ze zijn niet verplicht. Er zijn wensen die vanwege veiligheid en/of technische redenen niet gehonoreerd kunnen worden. In dat geval wijst de netbeheerder deze onderbouwd af. Mocht bij de gemeente deze onderbouwing vragen oproepen, dan kan de gemeente escaleren naar het Kernteam. Vermeden wordt dat in het project lang wordt gesproken over de onderbouwing. Er zijn wensen die kunnen, maar die extra kosten met zich mee brengen. Wanneer deze wensen opgeteld het vaste genormeerde bedrag beschikbaar vanuit inpassingskosten overschrijden, is het aan de vrager (vaak de gemeente) om de afweging te maken. Of men betaalt de meerkosten boven 4 het vaste genormeerde bedrag, of men kiest tussen de verschillende wensen (een combinatie van bijbetalen en kiezen is ook mogelijk).

Generieke eisen Eisen die wettelijk worden voorgeschreven, zijn hier niet opgenomen. De Omgevingsdienst toetst vanzelfsprekend wel op deze wettelijke eisen. De inhoudelijke thema’s die hieronder behandeld worden, zijn niet altijd eisen, maar soms ook standaarden. Ook worden inhoudelijke punten behandeld die juist geen eisen zijn. Deze zijn opgenomen om meer helderheid te bieden. Beoordelingscommissie ‘Groen, Water & Duurzaamheid’ Omdat bij de thema’s ‘Groen, Water & Duurzaamheid’ niet alles op voorhand is vast te leggen en er sprake kan zijn van interpretatie en weging, wordt op centraal niveau een beoordelingscommissie ‘Groen, Water & Duurzaamheid’ ingesteld. In deze commissie zitten een drietal vaste leden (Liander, TenneT en gemeente) die samen voldoende deskundigheid t.a.v. genoemde thema’s hebben.

PROTOCOL ONDERSTATIONS | TASK FORCE CONGESTIE AMSTERDAM

24

De coördinatieteam van het project spreekt in de fase van het maken van het procesontwerp af of een beoordeling van de commissie nodig is en zo ja wanneer. Dit moment is in ieder geval voordat de bouwenvelop definitief wordt vastgesteld. De beoordelingscommissie kan voorstellen goedkeuren, afkeuren of met suggesties voor verbeteringen terug sturen. De uitspraken van de commissie zijn bindend, tenzij één van de partijen bij monde van een kernteamlid meent dat het voorstel of het oordeel van de commissie geëscaleerd moet worden naar het Kernteam. Groene daken en groene gevels De gemeente kan een groen dak en/of een groene gevel eisen. Dat betreft dan wel een groen dak en/of een groene gevel conform de overeengekomen standaard (zie bijlagen). De netbeheerder kan, wanneer de gemeente een groen dak en/of groene gevel eist een tegenvoorstel doen, bijvoorbeeld omdat men denkt op die manier voor de betreffende locatie beter invulling te geven aan de ecologische ambities. Wanneer de netbeheerder een tegenvoorstel doet, wordt dit voorstel ter beoordeling voorgelegd aan de commissie “Groen, Water & Duurzaamheid’ die een bindend advies geeft (procedure conform hierboven beschreven). Liander heeft al een standaard voor het groene dak en de groene gevel ontwikkeld (zie bijlage). Liander gaat deze toepassen op enkele proefstations. Uiterlijk 1 juni 2024 worden de standaarden vastgelegd.

TenneT is bezig met het ontwikkelen van een standaard. Daarbij wordt binnen TenneT nagaan of het mogelijk is om verticaal groen toe te passen. Dit kan daarna landen in specificaties en een standaard, die vervolgens ook getest zal worden bij enkele stations. Uiterlijk voor 1 september 2024 wordt een specificatie aangeleverd en vastgelegd. Vanwege beheer en bewatering brengen de groene gevel en het groene dak in geval van Liander stations wel extra ruimtebeslag met zich mee. Elke twee jaar wordt de specificering opnieuw bekeken en zo nodig bijgesteld op basis van actuele inzichten en ervaringen tot dan toe. Indien gewenst, kan de netbeheerder ook sneller een voorstel doen voor aanpassing van de specificering. Aanpassing van de specificering gebeurt met wederzijdse instemming van netbeheerders en gemeente. Landschappelijke inpassing, geen generieke eis, mogelijk wel locatie specifieke eis Voor een goede inpassing in het landschap kan een ontwerp met groen nodig en gewenst zijn. Een goede landschappelijke inpassing kan daarmee leiden tot eisen die aan het ontwerp gesteld worden, maar dat zijn dan locatie specifieke eisen en geen generieke eisen. De procedure voor het stellen van locatie specifieke eisen staat verderop uitgewerkt en gelden dus ook mogelijke eisen voor een landschappelijke inpassing.

Hemelwater: geen generieke eis, wel een inspanningsverplichting Er wordt in de hemelwaterverordening (en daarna per locatie geborgd in het omgevingsplan) een uitzondering gemaakt wordt voor onderstations. Bij onderstations is sprake van veel verhardring (gebouw zelf, kabelplein, opstellingsruimte zwaar transport). Inpassing in de bestaande stad zonder de gewenste dichtheden van bebouwing geweld aan te doen, maken het zeer moeilijk om te voldoen aan de strikte eisen in de hemelwater verordening. Daarom is hier geen sprake van een eis, maar van een inspanningsverplichting. De vraag of met het ontwerp voldoende invulling wordt gegeven aan de inspanningsverplichting is, indien nodig, aan commissie ‘Groen, Water & Duurzaamheid’. De gemeente zoekt nog uit hoe formeel invulling gegeven wordt aan de beschreven intentie. Uiterlijk 1 mei is dit duidelijk. Het hek, standaard Daar waar sprake is van een hek, kan er geen groen in het hek of vlak achter het hek in verband met beveiliging en mogelijke molest. Hekken zonder groen zijn de standaard. Hekken zijn niet overklimbaar. Het

PROTOCOL ONDERSTATIONS | TASK FORCE CONGESTIE AMSTERDAM

25

hek van Liander is 2.50 meter hoog. Van TenneT 2.80 meter hoog. In geval van combinatiestations wordt uitgegaan van 2.80 meter. Materialen In de bijlage is de standaard materialenpaspoort opgenomen. Deze is verplicht. Wanneer er hout gebruikt wordt, is dit FSC gecertificeerd hout. Toepassing van uitlogende materialen die in contact staan met de buitenlucht kan alleen conform de lijst in bijlage (gebaseerd op OS Zeeburgereiland). Beide bijlages worden elke twee jaar opnieuw bekeken en zo nodig geactualiseerd met instemming van beide partijen. Het gebruik van circulaire materialen bovenop de wettelijk eisen is niet verplicht. Het zijn dus geen eisen, mogelijk wel wensen.

Locatie specifieke eisen Voor het bepalen van locatie specifieke eisen wordt per onderstation een procesontwerp gemaakt. Onderstaande is een handreiking voor dit procesontwerp. Het gaat uit van in theorie een meest ingewikkelde casus. Het is bedoeling dat bij de start van een project bekeken wordt welke processtappen uit de handreiking overgeslagen kunnen worden. Ook wordt bekeken wat de beste volgorde is van de geschetste processtappen.

Stap 1: Triage coördinatiegroep project Per onderstation wordt een coördinatieteam in het leven geroepen. Samenstelling: projectleider gemeente/PoA, omgevingsmanager Liander, vertegenwoordiger TenneT, procesmanager TFCA 6 Bij een nieuw station komt het coördinatieteam tussen L1 en L2 (zie protocol) bijeen. Bij een bestaand station is dat tussen L2 en L3, omdat de locatie in dat geval al vast staat. Het coördinatieteam overziet het project. Zo nodig consulteert het team gericht één of meerdere mensen die in de loop van het project betrokken raken. Vervolgens stelt het coördinatieteam in de vorm van een project sheet in gezamenlijkheid een procesgang vast die gevolgd gaat worden voor het vaststellen van de locatie specifieke eisen. In de project sheet wordt ook een voorstel gedaan voor het inrichten van de participatie en de toepassing van het EMV stappenplan voor de betreffende locatie.

Relevante vragen:  Moet het omgevingsplan gewijzigd worden?  Welke welstandseisen zijn van toepassing? Moeten die concreet vertaald worden?  Is er sprake van erfpacht of van eigen grond van de netbeheeder?  Is er sprake van een te voorziene discussie over EMV?  Gaat de bouw van het station leiden tot maatschappelijke discussie?  Indien erfpacht, moet het erfpachtcontract worden aangepast?  Is er sprake van een bestaand stedenbouwkundig plan, stedenbouwkundige visie of een gebiedsvisie?  Moet het ontwerp voor wat betreft de onderdelen ‘Groen, Water & Duurzaamheid’ voorgelegd worden aan de centrale commissie? Zo ja, wanneer? Resultaat van de triage is een door iedereen gedragen set van afspraken over de te volgen procesgang (inclusief tijdslijn) en een gemeenschappelijk beeld over de complexiteit van het project.

Stap 2: Verankering uitkomst triage De project sheet wordt bij overeenstemming ter accordering voorgelegd aan het KT. Wanneer er geen overeenstemming bestaat over de procesgang, wordt er een keuze gevraagd aan het KT. Leden in het Kernteam hebben het mandaat om voor hun eigen organisatie de beslissing over de voorgestelde procesgang te nemen.

PROTOCOL ONDERSTATIONS | TASK FORCE CONGESTIE AMSTERDAM

26

Stap 3: Vervolgstappen bij complexe projecten De triage binnen het coördinatieteam kan tot de conclusie leiden dat het project betrekkelijk eenvoudig is. In de procesgang kunnen dan stappen overgeslagen worden. Zo kan het bijvoorbeeld verstandig zijn dat de netbeheerder zelf rechtstreeks naar de COK stapt en dat ze op basis van dat gesprek en binnen het bestaande omgevingsplan meteen aan de slag gaat om vervolgens een vergunning aan te vragen bij de gemeente. De verwachting is dat voor de binnenstedelijke locaties weinig of geen stappen overgeslagen kunnen worden. De meeste uitgebreide procesgang is: 1.

Binnen het coördinatieteam wordt procesgang preciezer uitgewerkt, waaronder (indien nodig) ook het participatieproces. Ook wordt de afweging gemaakt of het verstandig is reeds vroeg de COK te consulteren. In het procesontwerp worden onderstaande stappen verwerkt, waarbij het protocol dient als richtsnoer. Dit slaat neer in een project sheet.

2.

Afgewogen wordt of het nodig is om een bouwenvelop op te stellen. Als het antwoord daarop Ja is, gaan gemeente en netbeheerder gezamenlijk aan de slag met het maken van een bouwenvelop. De netbeheerder moet op dat moment ook afwegen of inschakeling van een architect verstandig is. Op veel plekken is het zeker verstandig om dit te doen en wordt de netbeheerder dit sterk aangeraden (ook aanbevolen door de COK). Vervolgens wordt door beide partijen een inventarisatie gemaakt. Dit betreft: a. b.

generieke eisen vertaalslag van de welstandeisen die gelden voor de specifieke locatie

c. stedenbouw, van toepassing op de specifieke locatie In een eerste stap wordt eerst geïnventariseerd wat in bestaande documenten is opgenomen over de betreffende locatie. Het kan dan gaan om: relevante passage uit welstandsnota ‘Mooi Amsterdam’, het bestaande omgevingsplan, mogelijk een bestaand SPVE, een stedenbouwkundige 3.

visie en/of een eerder opgesteld beeldkwaliteitsplan. Wanneer mogelijke EMV problematiek aan de orde wordt gezamenlijk bekeken of voor een ‘plek

4.

binnen de vlek’ een gericht EMV onderzoek gestart moet worden. Indien gemeente en netbeheerder het niet eens worden over de bouwenvelop volgt escalatie naar

5.

KT. Indien het KT het ook niet eens wordt over de bouwenvelop, wordt besproken of bestuurlijke

6.

opschaling nodig is, of dat de gemeente eenzijdig de bouwenvelop vaststelt. Bij overeenstemming over bouwenvelop stappen gemeente en netbeheerder gezamenlijk naar de

7.

COK om bouwenvelop met hen te bespreken. Gemeente en netbeheerder passen mogelijk bouwenvelop aan op basis van gesprek met COK.

8.

Indien gemeente en netbeheerder het niet eens worden over mogelijke aanpassing, volgt escalatie naar KT.

9.

Indien het KT het ook niet eens wordt over mogelijke aanpassing van de bouwenvelop, wordt besproken of bestuurlijke opschaling nodig is, of dat de gemeente eenzijdig de aangepaste bouwenvelop vaststelt. In dat laatste geval valt iedereen terug op de formele juridische positie zoals eerder in dit stuk beschreven.

10. Wanneer bouwenenvelop definitief is vastgesteld (door de gemeente) gaat netbeheerder aan de slag. Wanneer een project enorm vertraagd (circa 5 jaar) en er sprake is van veranderde inzichten bij één van de stakeholders over Eisen & Wensen, kan geen van de stakeholders eenzijdig afspraken veranderen. In lijn met voortgaande proces is dan nieuw overleg nodig.

Bijlage ▪

Standaard groene gevel Liander (precieze tekst volgt nog) Groene gevels alleen toegepast worden op die delen waar sprake is van een muur. Wanneer de gevels van het station niet op de rooilijn staan, is ruimte voor een geheel groene gevel. Als de gevel wel op de rooilijn staat wordt

PROTOCOL ONDERSTATIONS | TASK FORCE CONGESTIE AMSTERDAM

27

de groene gevel toegepast vanaf 2.5 meter. Vanwege de bewatering en het onderhoud, vragen groene gevels om iets meer ruimte voor het onderstation. ▪

▪

Standaard groen dak Liander (precieze tekst volgt nog) Er wordt uitgegaan van een groen dak met sedum met standaardbegroeiing. Indien gewenst kunnen ook zonnepanelen geplaatst worden. Standaard groene gevel TenneT (specificering nog in ontwikkeling) Deze standaard is nog in ontwikkeling. Waarschijnlijk worden bij TenneT stations groene gevels voorzetgevels met begroeiing (op aparte constructies) en zijn deze mogelijk rondom het gehele gebouw (overal

▪

muren). Standaard groen dak TenneT (specificering nog in ontwikkeling) Deze standaard is nog in ontwikkeling. Er wordt uitgegaan van een groen dak met sedum met standaardbegroeiing. Indien gewenst kunnen ook zonnepanelen enkel voor eigen gebruik van TenneT geplaatst

▪ ▪

worden. Materialenpaspoort Wordt nog aangeleverd door gemeente Lijst van uitzondering uitlogende materialen in contact met buitenlucht. Wordt nog aangeleverd door netbeheerder

PROTOCOL ONDERSTATIONS | TASK FORCE CONGESTIE AMSTERDAM

28

E. Standaard Format Bouwenvelop

PROTOCOL ONDERSTATIONS | TASK FORCE CONGESTIE AMSTERDAM

29

F. Sjabloon Erfpachtovereenkomst De erfpacht is per locatie verschillend. Wel wordt er uitgegaan van 7 erfpachtvoorwaarden, deze zijn: In het erfpachtcontract staan de rechten en plichten van de grondeigenaar (de gemeente) en de gebruiker van de grond (de erfpachter). De belangrijkste elementen in het contract zijn: Gegevens van de erfpachter Locatie van de in erfpacht uitgegeven grond (met de coördinaten van het terrein en het vastgoed – die coördinaten willen nog wel eens wijzigen in de VO- en DO-fase) Kadastrale gegevens Canon (de vergoeding die u betaalt voor het gebruik van de grond), looptijd en tijdvak Omschrijving van bebouwing en gebruik Algemene en bijzondere bepalingen

PROTOCOL ONDERSTATIONS | TASK FORCE CONGESTIE AMSTERDAM

30

G. Verbetervoorstellen ten aanzien proces bepalen voorkeurslocatie onderstations Vastgesteld door Kernteam TFCA op 19 maart 2025 Inleiding De Taskforce heeft geconstateerd dat de eerste stap in de fase Locatiekeuze, in het protocol, waarin een voorkeurslocatie wordt bepaald, een nadere uitwering kan gebruiken. De ervaringen die zijn opgedaan met het doorlopen van deze stap hebben duidelijk gemaakt dat het proces om een voorkeurslocatie te bepalen efficiënter doorlopen kan worden. In deze memo staan verbetervoorstellen voor de locatiekeuze van nieuwe en bestaande stations. Concreet zijn er in de fase Locatiekeuze de volgende drie processtappen gedifferentieerd: -

L1: Bepalen voorkeurslocatie, doorlooptijd 3 maanden L2: Haalbaarheidsstudie, doorlooptijd 3 maanden L3: Locatiebesluit, doorlooptijd 3 maanden

Dit memo gaat in op het bepalen van de voorkeurslocatie (L1), in de praktijk blijkt deze vaak (veel) meer doorlooptijd te kennen en een resultaat op te leveren dat bij het locatiebesluit (L3) weer leidt tot discussie. In het protocol staat het volgende over het locatiekeuze-proces: ‘In deze fase wordt er gewerkt aan het vinden van een locatie, het onderzoeken van de haalbaarheid van deze locatie en het vervolgens bestuurlijk vastleggen van de locatie. De partijen werken in deze fase, in de basis, volgens hun eigen, gangbare werkwijzen.’ Voor de netbeheerders klopt deze zinsnede niet omdat zij normaal gesproken in the lead zijn om een locatiestudie uit te voeren en daarbij de gemeente betrekken. 1. Bepalen voorkeurslocatie bij nieuwe locatie (huidige proces) In het protocol is afgesproken dat voor de nieuwe locaties de gemeente verantwoordelijk is om binnen het door de netbeheerder aangeleverde zoekgebied, locaties te zoeken en deze bij de netbeheerder aan te bieden. Dit zijn locaties die de gemeente als mogelijkheid ziet voor het realiseren van de onderstations. •

Analyse, hoe verloopt het proces nu?

Momenteel wordt er een aantal locatiestudies uitgevoerd. Daaruit wordt duidelijk dat het veel werk is om de mogelijkheden goed in kaart te brengen. Open plekken op de kaart zijn makkelijk geïdentificeerd, maar deze locaties hebben of al een bestaande bestemming of er is al een nieuw bestemming voor de locatie in de maak. Daarnaast kost het tijd om in beeld krijgen wat er op bestuurlijk en ambtelijk niveau gevonden wordt van het planologisch mogelijk maken van een station op een bepaalde locatie (waarbij in sommige gevallen een andere functie vervalt of verplaatst wordt) Voorkomen moet worden dat de gemeente en netbeheerder serieus in gesprek gaan over locaties waarvan ofwel de technische haalbaarheid of wenselijkheid nog niet is onderzocht. Dat veroorzaakt op een later moment in het proces vertraging omdat er (te) lang gesproken wordt over locaties die niet haalbaar zijn. In het huidige proces gaan locaties nog vaak onnodig heen en weer. Dat wordt verminderd als vooraf duidelijk is wat de gemeente en de netbeheerders wanneer van elkaar mogen verwachten. De gemeente en de netbeheerder dienen een gezamenlijk beeld te hebben over het proces waarop de voorkeurslocatie bepaald wordt. De locatie die uiteindelijk gekozen wordt moet standhouden tijdens de te doorlopen juridische, planologische procedure.

Daarvoor is het belangrijk om tot een gezamenlijk gedragen inhoudelijke onderbouwing van de afgevallen en overgebleven locaties te komen door middel

PROTOCOL ONDERSTATIONS | TASK FORCE CONGESTIE AMSTERDAM

31

van een zorgvuldige en eenduidige afweging. Hiermee wordt vertraging in de latere fases van projecten voorkomen. •

Verbetervoorstel:

Het vastleggen van deelstappen binnen deze processtap helpt om het proces om de voorkeurslocatie te bepalen efficiënt en zorgvuldig te doorlopen. Globaal dienen dezelfde deelstappen voor elke locatie doorlopen te worden maar uiteraard is elk project anders. Onderstaande stappen dienen als leidraad, maar als blijkt dat er een efficiënter proces mogelijk is bij een bepaald project, dan hoeft niet vastgehouden te worden aan deze processtappen. deelstap A Vaststellen zoekgebied en technische eisen

deelstap B

deelstap C

deelstap D

Gemeente verkent zoekgebied

Globale scan mogelijke locaties

Gemeente stelt ruimtelijke verkenning op

deelstap E Gezamenlijk besluiten waar haalbaarheidsstudie

Stap 1: De netbeheerder deelt tijdens het startoverleg het zoekgebied waarbinnen de opgave gerealiseerd dient te en de benodigde contouren voor het station. Wat zijn de belangrijkste eisen die aan de locatie gesteld worden? Welke ruimtelijke varianten zijn er mogelijk? De gemeente en de netbeheerder hebben voordat de ruimtelijke verkenning start hier een eenduidig beeld van en zetten dit op papier in een beknopte uitgangspuntennotitie. Stap 2: Gemeente verkent binnen het zoekgebied, welke locaties geen optie zijn als locatie voor een onderstation. Hierbij is het belangrijk dat de argumentatie waarom locaties afvallen helder wordt beschreven. Het eindresultaat van deze verkenning wordt beschreven in de ruimtelijke verkenning die gedeeld wordt met de netbeheerder. Aspecten die afgewogen worden bij deze verkenning zijn onder andere.2 - Voldoen aan ruimtelijke specificaties voor onderstation - Ligging ten opzichte van bedieningsgebied - Aanwezigheid of nabijheid van gevoelige bestemmingen - Aanwezigheid van gebouwen of percelen met andere functies - Bestemming en/of uitgifte voor woningbouw of andere functies - Bestemming als hoofdgroenstructuur - Stedenbouwkundig waardevolle of beschermde openbare ruimte - Deze ruimtelijke verkenning leidt tot de volgende mogelijke deelconclusies: 1.

Er zijn kansen in het zoekgebied omdat andere functies (kunnen) verdwijnen waardoor ruimte ontstaat voor onze opgave. 2. Er zijn geen functievrije locaties dus we moeten binnen het zoekgebied noodgedwongen kijken naar het verplaatsen van functies naar een andere locatie. Stap 3: Vervolgens wordt dit overzicht met de netbeheerder gedeeld. De netbeheerder controleert of de locaties door de oogharen gezien voldoen aan de aan de technische eisen. Daarvoor kunnen ze advies inwinnen van hun ingenieursbureau om de technische haalbaarheid van de locatie te bestuderen. De resultaten van de verkenning van de gemeente en de globale scan van de netbeheerders worden tijdens een fysieke bijeenkomst besproken. Doel van deze deelstap is om aangedragen locaties die technisch duidelijk onhaalbaar zijn, tijdig uit de lijst te filteren. Stap 4: Na stap 3 is er een lijst van locaties die globaal beoordeeld zijn op technische haalbaarheid. Op basis van deze lijst, start de gemeente een ruimtelijke verkenning. Van de gemeente mag verwacht worden dat de locaties die zij uiteindelijk voorstellen aan de netbeheerders, onderzocht zijn op haalbaarheid en wenselijkheid. Alleen de daadwerkelijk kansrijke locaties worden aangeboden. Het is 2

Dit overzicht is niet volledig.

PROTOCOL ONDERSTATIONS | TASK FORCE CONGESTIE AMSTERDAM

32

belangrijk dat de gemeente en de netbeheerder het eens zijn over de onderbouwing van de afgevallen locaties. Voorkomen moet worden dat in een latere fase van het proces blijkt dat een eerder afgevallen locatie tocht het meest geschikt is. Het streven is dat de wenselijkheid van de locaties op gemeentelijk directeurenniveau afgestemd is. Locaties waarvan op voorhand duidelijk is dat het gemeentebestuur daar niet mee akkoord zal gaan worden niet als geschikte locatie voorgelegd. Het resultaat van de ruimtelijke verkenning is een onderbouwing van de voorgestelde en afgevallen locaties. Daarbij maakt de gemeente vanuit haar perspectief een voorkeursvolgorde kenbaar. Stap 5: De ruimtelijke verkenning wordt met de netbeheerder gedeeld. Die beoordelen intern de aangedragen locaties. Wederom kunnen zij daarbij advies inwinnen van hun ingenieursbureau. Aan hand van de ruimtelijke verkenning en de beoordeling van de netbeheerder gaan de gemeente en netbeheerder met elkaar in overleg. Doel is dat de netbeheerder en gemeente gezamenlijk bepalen welke locatie(s) het meest geschikt is/zijn om in de volgende fase met een haalbaarheidsstudie te onderzoeken op de technische haalbaarheid en inpassing in de omgeving. Op grond van deze keuze wordt in de volgende stap (L2) door de netbeheerder de opdracht voor een haalbaarheidsstudie uitgezet.

Wanneer deze als uitslag heeft dat de locatie technisch voldoet, kan het locatiebesluit (L3) aan het bestuur voorgelegd worden. Als de locatie toch niet voldoet wordt teruggekeer naar L1, het gezamenlijk bepalen van de voorkeurlocatie. De processtappen met betrekking tot de haalbaarheidsstudie (L2), het locatiebesluit (L3) en inpassingfase (I) worden in dit memo niet besproken. •

Tijdsperiode

Voor het gezamenlijk bepalen van de voorkeurslocatie staat in het protocol een tijdsperiode van 3 maanden, dit blijkt in de praktijk niet haalbaar. Het voorstel is om dit te verlengen naar 6 maanden. Om het in perspectief te plaatsen, Liander rekent normaal gesproken 1,5 jaar om tot een voorkeurslocatie te komen. Met het hanteren van een meer gestructureerde aanpak is een tijdsperiode van 6 maanden realistisch. Echter de ervaring leert ons ook dat de tijdsduur van de processtappen in deze fase lastig te voorspellen zijn. 2. Locatiekeuze bij bestaande onderstations Dit proces betreft de situatie dat voor een bestaand onderstation het vermogen uitgebreid moet worden, danwel voor een bestaand station een reguliere vervanging van materieel moet plaatsvinden. Dit is met name aan de orde voor bestaande onderstations van Liander. Daarvoor dient ter onderbouwing van het uiteindelijke locatiebesluit een ruimtelijke verkenning uitgevoerd te worden. Daarmee wordt een advies uitgebracht of de uitbreiding van het station op de huidige locatie, of dat verplaatsing naar een andere locatie de voorkeur verdient. Momenteel wordt een Locatieonderzoek in opdracht van de gemeente uitgevoerd door een extern ingenieursbureau. Deze onderzoekt of er ten opzichte van de huidige locatie, beter geschikte locaties te vinden zijn, binnen de door netbeheerder aangeleverde zoekcirkel.

Er moeten zwaarwegende argumenten zijn om een alternatieve locatie aan te wijzen. In de studie wordt het als volgt beschreven: Dit locatieonderzoek dient ter verantwoording aan de omgeving of de huidige locatie van het elektriciteitsstation geschikt is voor de uitbreiding of dat een alternatieve locatie beter voldoet. Deze onderbouwing ondersteunt de wethouder of het stadsdeel bij het nemen van een locatiebesluit over het elektriciteitsstation.’ •

Analyse, hoe werkt dit proces?

In de praktijk wordt ervaren dat de locatiestudie, in de huidige vorm niet toereikend is om de locaties ten opzichte van elkaar op een heldere en objectieve wijze te wegen. Dit geldt met name bij locaties die gevoelig liggen in de omgeving en de locatie onderzoeken terecht kritisch bestudeerd worden. Met name ontbreekt de stedenbouwkundige component bij de afweging. Bovendien roept het locatieonderzoek vragen op bij bewoners en bestuurders over bijvoorbeeld de noodzaak van de uitbreiding van het

PROTOCOL ONDERSTATIONS | TASK FORCE CONGESTIE AMSTERDAM

33

vermogen, het zoekgebied voor het onderstation en de impact van uitbreiding van het onderstation op de huidige locatie. De antwoorden op deze vragen staan in verschillende documenten. Om de vragen voor te zijn is het wenselijk dat er een andere opzet komt voor de locatiestudie. Verbetervoorstel De vragen kunnen ondervangen worden wanneer de gemeente voortaan in samenwerking met de netbeheerder de ruimtelijke verkenning opstelt die op de ‘wat, waarom en waar’ betreffende het onderstation ingaat. De ruimtelijke verkenning dient ook als onderbouwing voor het locatiebesluit. In de verkenning worden alle relevante afwegingen met betrekking tot de uitbreiding van het station besproken. De nieuwe ruimtelijke verkenning heeft de volgende opzet: Waarom: Uitleg over de noodzaak van de vervanging van de installatie of uitbreiding van het vermogen: • • • • •

Hoe werkt het elektriciteitsnet? Transport schaarste en de effecten daarvan op Amsterdam De opgave voor Amsterdam Vertaling naar ruimtelijke opgave Beschrijving van het voedingsgebied en de verwachte groei in vermogensvraag

Wat? Wat gaat er gebouwd worden? Het specifieke ontwerp en de inpassing worden niet besproken. Wel wordt er uitleg gegeven wat de technische mogelijkheden en onmogelijkheden voor zijn voor alternatieve installaties en inrichting van het netwerk? Doel is om aan de lezer duidelijk te maken binnen welk technische kader het station gebouwd wordt. De input hiervoor is afkomstig van de netbeheerders. • • • • • •

Kernprincipes Wat bouwen we? Enkel laags, Dubbel laags afmetingen (Hoogte, breedte, lengte) Ondergrondse infrastructuur (kabels en leidingen) EMV Veiligheid (wonen / werken in de buurt van een station)

Waar? In dit hoofdstuk wordt beoordeeld hoe geschikt de verschillende locaties zijn. Het uitgangspunt is dat de uitbreiding plaats vindt op de bestaande locatie, tenzij een alternatieve locatie door de gemeente en netbeheerder als meer geschikt wordt beoordeeld. Uiteindelijk zijn er een of meerdere voorkeurslocaties voor de uitbreiding van het onderstation. In het geval er serieuze ‘alternatieven’ locatie zijn, worden deze aangedragen bij de netbeheerder met de vraag een scan uit te voeren op technische haalbaarheid. Zodat hiernaar verwezen kan worden in de locatiestudie. • • • • • • •

Locatie opties Beschouwing optie 1 Beschouwing optie 2 Beschouwing optie 3 Toepassing gemeentelijk EMV-beleid. Impact voor omgeving Conclusie

PROTOCOL ONDERSTATIONS | TASK FORCE CONGESTIE AMSTERDAM

34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16273693/1