CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Bijlage 1.4 PlanMER - Technische bijlage versie 2.1.pdf

RAAD 12 december 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Uiten van wensen en bedenkingen inzake het voorgenomen collegebesluit over het Programma Windenergie Amsterdam 2030 (PWA) en het PlanMER (VN2024-013643)31.120 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

60 60

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

Wanneer niet kan worden uitgesloten of een project significante negatieve effecten heeft, dient een Passende Beoordeling te worden gemaakt, waarin de effecten nader moeten worden onderzocht. Wanneer op basis van de Passende Beoordeling blijkt dat aantasting van de natuurlijke kenmerken en waarden van het Natura 2000-gebied niet kan worden uitgesloten, is een ADC-toets noodzakelijk, waarin het volgende moet worden onderzocht: 1. Zijn er alternatieve mogelijkheden met minder gevolgen voor het Natura 2000-gebied? 2. Zijn er dwingende redenen van groot openbaar belang waarom het project moet doorgaan? Indien er geen alternatieven zijn, maar wel dwingende redenen van groot openbaar belang, dient er compensatie plaats te vinden. Voor de effecten op Natura 2000-gebieden is op hoofdlijnen onderzocht of het optreden van significant negatieve effecten op voorhand kan worden uitgesloten. Om dit te onderzoeken is gebruik gemaakt van de op dit moment best beschikbare informatie. Echter dient in een later stadium (projectMER) nader onderzoek met o.a. veldwerk en slachtofferberekeningen te worden uitgevoerd. Het is hierbij dus van belang te benoemen dat de locatiealternatieven/zoekgebieden anders kunnen scoren op basis van de resultaten van nader ecologisch onderzoek.

In eerste instantie is gekeken naar de ligging van Natura 2000-gebieden ten opzichte van de verschillende windturbines binnen de locatiealternatieven. In het geval dat windturbines binnen Natura 2000-gebied liggen, neemt het oppervlak van de habitattypen af. Daarnaast worden de aangewezen doelsoorten (Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten) beïnvloed, aangezien het betreffende habitattype binnen het Natura 2000-gebied dient als leefgebied voor deze soorten. Het realiseren van windturbines binnen Natura 2000-gebied zorgt dus voor areaalverlies, waardoor compensatiemaatregelen noodzakelijk zijn. Compensatie vindt bij voorkeur plaats dichtbij de ingreep. De compensatiemogelijkheden in en rondom Amsterdam zijn zeer beperkt, gezien de beschikbaarheid van gebieden waar compensatie kan worden uitgevoerd. Compensatiemaatregelen worden daarbij als laatste redmiddel gezien en zorgen ervoor dat de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van een initiatief bemoeilijkt wordt. Voor Natura 2000-gebieden zijn verschillende Vogelrichtlijnsoorten (VR-soorten) en Habitatrichtlijnsoorten (HR-soorten) aangewezen. Indien een windturbinelocatie buiten Natura 2000-gebied gelegen is, betekent dit niet dat er geen mogelijke effecten kunnen optreden. Er kan namelijk sprake zijn van externe effecten.

Deze externe effecten kunnen worden onderverdeeld in effecten door stikstofdepositie, door verstoring, afname leefgebied en door aanvaringsslachtoffers. De effecten van verstoring, afname leefgebied en aanvaringsslachtoffers kunnen voortkomen uit het feit dat beschermde soorten (met name Vogelrichtlijnsoorten) uit het Natura 2000-gebied de windturbines kunnen bereiken of er overheen vliegen. De soorten kunnen hier negatieve effecten van ondervinden. Op basis van maximale foerageerafstanden is onderzocht of er Vogelrichtlijnsoorten aangewezen zijn voor nabije Natura 2000-gebieden die Effectbeoordeling zoekgebieden

61 61

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

in potentie de locatiealternatieven kunnen bereiken. Een nadere toelichting hierop is gegeven in onderstaande paragraaf ‘Toelichting foerageerafstanden VR-soorten en meervleermuis’. Bij de realisatie van windturbine kan sprake zijn van een (tijdelijke en relatief beperkte) stikstofuitstoot. Van stikstofdepositie is met name sprake in de aanlegfase van de windturbines en de daarbij behorende voorzieningen. In de exploitatiefase betreft dit enkel incidentele verkeersbewegingen in het geval van onderhoud. Stikstofdepositie kan resulteren in een vergunningsverplichting Wet natuurbescherming. De mogelijke stikstofdepositie is afhankelijk van de hoeveelheid te bouwen windturbines, de te gebruiken mobiele werktuigen, de ligging van ontsluitingswegen, de ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden, de KDW, de gevoeligheid en de (over)belasting van de betreffende habitattypen binnen het Natura 2000-gebied. De mogelijke stikstofdepositie dient op projectniveau in kaart te worden gebracht d.m.v. een AERIUS-berekening. Over het algemeen geldt dat stikstofeffecten eerder optreden wanneer een project in of dichtbij Natura 2000-gebied gerealiseerd wordt. De beoordeling op basis van de ligging van Natura 2000-gebied omvat daarbij dus het aspect stikstof.

Voor de beoordeling van de zoekgebieden is in eerste instantie gekeken naar van Natura 2000-gebieden ten opzichte van de windturbines binnen de locatiealternatieven (zoekgebieden). Daarnaast is op basis van maximale foerageerafstanden onderzocht of er Vogelrichtlijnsoorten aangewezen zijn voor (nabije) Natura 2000-gebieden die in potentie de locatiealternatieven kunnen bereiken. Windturbines hebben geen positieve effecten op Natura 2000-gebieden, waardoor de effectbeoordeling niet ingaat op deze criteria (+ en ++). Tabel 34 geeft een overzicht van de beoordelingscriteria voor Natura 2000-gebieden. Tabel 34 Beoordelingscriterium Effecten op Natura 2000

Beoordelingscriteria effecten op Natura 2000-gebieden --

-

0

+

++

Zoekgebied is gelegen in Natura 2000-gebied of er is overdraai over Natura 2000-gebied.

Geen ligging in Natura 2000-gebied, geen overdraai over Natura 2000-gebied. Wel ligt het zoekgebied binnen de foerageerafstand van aangewezen doelsoorten.

Geen ligging in Natura 2000-gebied, geen overdraai over Natura 2000-gebied en ligging van locatiealternatieven is buiten foerageerafstand van aangewezen doelsoorten

n.v.t.

n.v.t.

Toelichting foerageerafstanden VR-soorten en meervleermuis

Naast de ligging is ook gekeken naar foerageerafstanden van aangewezen doelsoorten (vogels en HR-soort de meervleermuis) van de betreffende Natura 2000-gebieden. Wanneer de foerageerafstand groter is dan de afstand tot een zoekgebied, kunnen soorten uit Natura 2000-gebieden de zoekgebieden bereiken en in potentie een binding hebben met het zoekgebied. In dat geval kunnen effecten op voorhand niet worden uitgesloten. Het in kaart brengen van de maximale foerageerafstanden betreft een eerste grove zeef om de (verstorings)effecten in te schatten.

62 Effectbeoordeling zoekgebieden

62

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

De aangewezen Vogelrichtlijnsoort aalscholver (A017) heeft de grootste foerageerafstand en heeft in het broedseizoen een maximale foerageerafstand van 70 kilometer (Van der Vliet et al., 2011). Binnen 70 kilometer van de locatiealternatieven liggen de volgende Natura 2000-gebieden, zie onderstaande Tabel 35. Tabel 35

Natura 2000-gebieden binnen 70 kilometer van locatiealternatieven Natura 2000-gebied HR 1. Polder Westzaan X 2. Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske X 3. Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder X 4. Eilandspolder X 5. Markermeer & IJmeer X 6. Polder Zeevang 7. Lepelaarsplassen 8. Oostvaardersplassen 9. IJsselmeer X 10. Ketelmeer & Vossemeer 11. Veluwerandmeren X 12. Arkenheem 13. Eemmeer & Gooimeer Zuidoever 14. Oostelijke Vechtplassen X 15. Naardermeer X 16. Botshol X 17. Nieuwkoopse Plassen & De Haeck X 18. Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein 19. Boezems Kinderdijk 20. Donkse Laagten 21. Oude Maas X 22. Biesbosch X 23. De Wilck 24. Uiterwaarden Le X 25. Zouweboezem X 26. Lingegebied & Diefdijk-Zuid X 27. Rijntakken X 28. Veluwe X 29. Solleveld & Kapittelduinen X 30. Westduinpark & Wapendal X 31. Meijendel & Berkheide X 32. Coepelduynen X 33. Kennemerland-Zuid X 34. Noordhollands Duinreservaat X 35. Schoorlse Duinen X 36. Abtskolk & De Putten 37. Zwanenwater & Pettemerduine X 38. Duinen Den Helder-Callantsoog X 39. Noordzeekustzone X 40. Waddenzee X

VR X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X

X X X X

Naast vogels is ook de vleermuissoort meervleermuis aangewezen voor verschillende Natura 2000-gebieden. De meervleermuis heeft een (gemiddelde) foerageerafstand van 10 km (Haarsma, 2011). Binnen bovengenoemde Natura 2000-gebieden zijn meerdere broedvogels en niet-broedvogels aangewezen onder de Vogelrichtlijn die een grotere foerageerafstand hebben dan de minimale afstand tussen het betreffende Natura

63 Effectbeoordeling zoekgebieden

63

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

2000-gebied en de locatiealternatieven. Dit geldt, gezien de grote foerageerafstand(en), voor alle locatiealternatieven. Voor alle locatiealternatieven geldt dat verschillende Vogelrichtlijnsoorten in potentie het zoekgebied kunnen bereiken en mogelijk een binding kunnen hebben met gebied. Op basis hiervan kunnen effecten op voorhand niet worden uitgesloten en zijn de locatiealternatieven op dit basis van de foerageerafstanden niet onderscheidend. 3.6.1.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (voormalige Ecologische Hoofdstructuur) is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuur. Met het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN) wordt beoogd om van bestaande en nieuwe natuur een goed functionerend netwerk te maken. In het NNN liggen: - bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; - gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; - landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - grotere wateren: meren, rivieren, kustzone Noordzee en Waddenzee; - alle Natura 2000-gebieden. Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden’ van het NNN. Op plannen, projecten of handelingen binnen het NNN is het ’nee, tenzij’- regime van toepassing. Vanaf 1 oktober 2012 is het ‘nee, tenzij’-regime vastgelegd in het Besluit algemene regelingen ruimtelijke ordening (Barro). Plannen in NNN moeten voldoen aan de gestelde regels van de vigerende provinciale omgevingsverordening, waarin de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk zijn uitgewerkt. De provincie Noord-Holland kent geen externe werking voor NNN, wel dient een gemeente vanuit een goede ruimtelijke ordening de effecten van de voorgenomen activiteit ook buiten het werkingsgebied van NNN te beoordelen.

Wanneer een project leidt tot verlies van natuurwaarden binnen NNN, dient de initiatiefnemer compensatiemaatregelen te nemen. In/nabij de gemeente Amsterdam liggen meerdere delen van het NNN (met verbindingen). Binnen NNN zijn specifieke natuurbeheertypen aangewezen voor de gebieden die onderdeel zijn van het NNN. Echter hebben deze geen specifieke instandhoudingsdoelstellingen, zoals dit wel het geval is bij Natura 2000gebieden. Wel zijn kwalificerende flora- en faunasoorten aangewezen die voor kunnen komen binnen het NNN-beheertype. De gekozen effectafstand voor NNN is vastgelegd op 200 meter. Deze afstand is gekozen vanwege het feit dat o.a. zang-, roof-, en weidevogels een verstoringsafstand van 75 meter tot 200 meter hebben (Reichenbach, 2003; Hötker, 2006; Steinborn et al., 2011; Pearce-Higgins et al., 2012; Steinborn & Steinmann, 2014). Tevens komt bij deze afstand de grootste geluidsbelasting te vervallen, waardoor ook andere soortgroepen, naar verwachting, geen negatieve effecten meer ondervinden.

64 Effectbeoordeling zoekgebieden

64

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

Voor de NNN-natuurtypen waarbij geen broedvogels (voor windenergie gevoelige soortgroep) zijn aangewezen geldt de effectafstand van 200 meter niet. Voor de beheertypen met kwalificerende soortgroepen als planten, vissen libellen, sprinkhanen en dagvlinders kan namelijk worden gesteld dat deze niet/weinig gevoelig zijn voor windenergie. In Tabel 36 staan de aanwezige beheertypen met kwalificerende soortgroepen binnen NNN die voorkomen op of binnen 200 meter van de windturbinelocaties, inclusief gevoeligheid windenergie. Tabel 36

Aanwezige beheertypen Natuurnetwerk Nederland met kwalificerende flora- en faunasoortgroepen binnen locatiealternatieven (Bron: BIJ12.nl, Index Natuur en Landschap) Gevoeligheid Kwalificerende flora- en faunaBeheertype windenergie soortgroepen (200 meter) N00.01 – Nog om te vormen naar natuur N.v.t. N.v.t. N04.01 – Kranswierwater Planten, vissen en libellen Nee N04.02 – Zoete plas Planten, vissen, libellen Nee N05.02 – Gemaaid rietland Planten, broedvogels, libellen Ja N05.03 – Veenmoeras Planten, broedvogels, libellen Ja N06.01 – Veenmosrietland en moerasheide Planten. dagvlinders Nee Planten, dagvlinders, sprinkhaN10.02 – Vochtig hooiland Ja nen, broedvogels N12.01 – Bloemdijk Planten, dagvlinders Nee N12.02 – Kruiden- en faunarijk grasland Planten, dagvlinders Nee N12.03 – Glanshaverhooiland Planten, dagvlinders Nee N13.01 – Vochtig weidevogelgrasland Broedvogels Ja N14.02 – Hoog- en laagveenbos Planten, broedvogels Ja N16.04 – Vochtig bos met productie Broedvogels ja

Voor de beoordeling van de effecten van de locatiealternatieven op NNN is gebruik gemaakt van het Programma Natuurnetwerk 2023 en bijbehorende provinciale kaart. Bij de beoordeling zijn ook de Natuurnetwerk NL - verbindingen, die opgenomen zijn in (de nog vast te stellen) Hoofdgroenstructuur, meegenomen. Om de effecten op NNN in kaart te brengen is gekeken naar de ligging van NNN ten opzichte van de verschillende windturbines binnen de locatiealternatieven. Hierbij is voor de NNN-natuurtypen met kwalificerende soortgroep ‘broedvogels’ ook gekeken of de windturbines binnen 200 meter gelegen zijn van het betreffende beheertype. In het geval dat windturbines binnen NNN gelegen zijn, neemt het oppervlakte van het betreffende beheertype af, wat zorgt voor ernstige aantasting. Verder worden de kwalificerende soortgroepen beïnvloed, aangezien het beheertype binnen het NNN-gebied dient als leefgebied voor deze soorten. Het realiseren van windturbines binnen NNN zorgt voor verlies aan natuurwaarden, waardoor compensatiemaatregelen noodzakelijk zijn. Wanneer windturbines niet binnen NNN gelegen zijn, maar wel binnen 200 meter van een natuurbeheertype met de kwalificerende soortgroep ‘broedvogels’ kunnen (verstorings-)effecten op deze soortgroep niet worden uitgesloten.

Windturbines hebben geen positieve effecten op Natuurnetwerk Nederland, waardoor de effectbeoordeling niet ingaat op deze criteria (+ en ++). Tabel 37 geeft een overzicht van de beoordelingscriteria voor Natuurnetwerk Nederland. Effectbeoordeling zoekgebieden

65 65

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage Tabel 37 Beoordelingscriterium Effecten op Natuurnetwerk Nederland (NNN) en natuurverbindingen

3.6.1.3

Beoordelingscriteria effecten op Natuurnetwerk Nederland --

-

0

+

++

Ernstige aantasting: zoekgebied is gelegen binnen Natuurnetwerk Nederland of er is overdraai over het Natuurnetwerk Nederland.

Geringe aantasting: geen ligging of overdraai binnen Natuurnetwerk Nederland. Wel ligt het zoekgebied binnen de verstoringsafstand van 200 meter.

Geen ligging in Natuurnetwerk Nederland, geen overdraai over Natuurnetwerk Nederland en ligging van zoekgebied is buiten 200 meter.

n.v.t.

n.v.t.

Weidevogelgebieden

Artikel 6.59 van de Omgevingsverordening Noord-Holland 2022 (OVNH2022) heeft het doel om het Bijzonder provinciaal landschap (BPL) in Noord-Holland te beschermen en waar nodig te versterken en ontwikkelen. Het BPL bevat gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn. Binnen de provincie zijn weidevogelgebieden aangewezen. De weidevogelkerngebieden die binnen NNN liggen, vallen nog steeds onder het NNN regime. De weidevogelgebieden die buiten NNN gelegen zijn, vallen vanwege de ecologische waarde en kwaliteit onder het Bijzonder provinciaal landschap met de kernkwaliteit ‘habitat voor weidevogels’. Plannen in BPL moeten voldoen aan de regels van de vigerende provinciale verordening, waarin de kernkwaliteiten (waaronder het habitat) voor weidevogels zijn uitgewerkt. De provincie Noord-Holland kent geen externe werking voor het BPL, wel dient een gemeente vanuit een goede ruimtelijke ordening de effecten van de voorgenomen activiteit ook buiten het werkingsgebied van BPL te boordelen. Wanneer schade/aantasting plaatsvindt door een activiteit binnen BPL, dient de initiatiefnemer compensatiemaatregelen te nemen. De gekozen effectafstand voor weidevogelgebieden is vastgelegd op 200 meter.

Deze afstand is gekozen vanwege het feit dat weidevogels een verstoringsafstand van maximaal 200 meter hebben (Reichenbach, 2003; Hötker, 2006; Steinborn et al., 2011). Om de effecten op weidevogelgebieden in kaart te brengen is gekeken naar de ligging van weidevogelgebieden ten opzichte van de verschillende windturbines binnen de locatiealternatieven. Hierbij is ook gekeken of de windturbines binnen 200 meter gelegen zijn van de weidevogelgebieden. In het geval dat windturbines binnen weidevogelgebieden gelegen zijn, neemt het oppervlakte van het gebied af, dat zorgt voor ernstige aantasting. Verder worden de weidevogels beïnvloed, aangezien het aangewezen weidevogelgebied dient als belangrijk leefgebied voor deze soorten. Wanneer windturbines binnen weidevogelgebied worden gerealiseerd, zijn compensatiemaatregelen noodzakelijk. Wanneer windturbines niet binnen weidevogelgebied gelegen zijn, maar wel binnen 200 meter ervan kunnen (verstorings-) effecten op weidevogels niet op voorhand worden uitgesloten. Windturbines hebben geen positieve effecten op weidevogelgebieden, waardoor de effectbeoordeling niet ingaat op deze criteria (+ en ++). Tabel 38 geeft een overzicht van de beoordelingscriteria voor weidevogelgebieden.

66 Effectbeoordeling zoekgebieden

66

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage Tabel 38 Beoordelingscriterium Effecten op weidevogelgebieden

3.6.1.4

Beoordelingscriteria effecten op weidevogelgebieden --

-

0

+

++

Ernstige aantasting: zoekgebied is gelegen binnen weidevogelgebied of er is overdraai over een weidevogelgebied

Geringe aantasting: geen ligging of overdraai binnen weidevogelgebied. Wel ligt het zoekgebied binnen de verstoringsafstand van 200 meter.

Geen ligging binnen weidevogelgebied, geen overdraai over weidevogelgebied en ligging van zoekgebied is buiten 200 meter.

n.v.t.

n.v.t.

Ganzenfoerageergebieden

Gedeputeerde Staten heeft in 2007 ganzenfoerageergebieden binnen de provincie Noord-Holland aangewezen. Het doel van de ganzenfoerageergebieden is om voldoende rust te kunnen bieden aan trekkende (winter)ganzen. Ruimtelijke ingrepen mogen de kernkwaliteiten van deze ganzenfoerageergebieden niet aantasten. Er geldt geen specifieke externe werking en/of compensatieverplichting. Wel dienen de effecten in het kader van een goede ruimtelijke ordening in kaart te worden gebracht. De Wijziging Beleidsregel tegemoetkoming faunaschade Noord- Holland (2021) geeft aan dat geen verstoring mag plaatsvinden voor trekganzen in de rustperiode en dat derhalve een verstoringsafstand van 500 meter dient te worden aangehouden. Om de effecten op ganzenfoerageergebieden in kaart te brengen is gekeken naar de ligging van ganzenfoerageergebieden ten opzichte van de verschillende windturbines binnen de locatiealternatieven. Hierbij is ook gekeken of de windturbines binnen 500 meter gelegen zijn van de ganzenfoerageergebieden. Verder is bekeken of de windturbines gelegen zijn tussen ganzenfoerageergebieden in, waardoor er een mogelijke vliegroute aanwezig kan zijn. In het geval dat windturbines binnen ganzenfoerageergebieden gelegen zijn, neemt het oppervlakte van het gebied af, dat zorgt voor ernstige aantasting.

Verder worden de trekganzen beïnvloed, aangezien het aangewezen gebied dient als rust- en foerageergebied voor de overwinterende trekganzen. Wanneer windturbines niet binnen ganzenfoerageergebied gelegen zijn, maar wel binnen 500 meter ervan kunnen (verstorings-)effecten op de trekganzen niet worden uitgesloten. Windturbines hebben geen positieve effecten op ganzenfoerageergebieden, waardoor de effectbeoordeling niet ingaat op deze criteria (+ en ++). Tabel 39 geeft een overzicht van de beoordelingscriteria voor ganzenfoerageergebieden. Tabel 39 Beoordelingscriterium Effecten op ganzenfoeragebied

Beoordelingscriteria effecten op ganzenfoerageergebieden --

-

0

+

++

Ernstige aantasting: zoekgebied is gelegen binnen ganzenfoerageergebied of er is overdraai over een ganzenfoerageergebied

Geringe aantasting: geen ligging of overdraai binnen ganzenfoerageergebied. Wel ligt het zoekgebied binnen de verstoringsafstand van 500 meter of een mogelijke vliegroute.

Geen ligging binnen ganzenfoerageergebied, geen overdraai over ganzenfoerageergebied en ligging van zoekgebied is buiten verstoringsafstand van 500 meter.

n.v.t.

n.v.t.

67 Effectbeoordeling zoekgebieden

67

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

3.6.1.5

Ecologische Structuur

De gemeente Amsterdam heeft de Ecologische Structuur opgenomen, ter versterking en aanvulling op provinciaal beleid. De bijbehorende Ecologische Visie (2012) is vastgesteld als onderdeel van de Structuurvisie Amsterdam 2040. De Amsterdamse Ecologische Structuur wordt geactualiseerd en wordt integraal onderdeel van de Hoofdgroenstructuur onder de naam ‘stadsnatuur’17. De Ecologische visie (2012) zal vervallen na vaststelling van het nieuwe Beleidskader Hoofdgroenstructuur. In juni 2024 vindt een referendum plaats over de Hoofdgroenstructuur. De Hoofdgroenstructuur (uitgegaan van concept beleidskader HGS) wordt in het kader van het milieuaspect ‘recreatie’ beoordeeld. De Amsterdamse Ecologische Structuur betreft een netwerk van grote als kleine groene en blauwe gebieden en maakt het verbindende groene netwerk binnen de stad en de verbinding met het omringende landschap zichtbaar. De Ecologische Structuur vergroot daarbij het leefgebied van planten- en diersoorten. Om het stelsel van de groene verbindingen binnen de stad goed te laten functioneren is het van belang dat ecologische knelpunten goed worden opgelost en dat de structuur behouden blijft. Windturbines kunnen effecten hebben op de functionaliteit en verbindingen binnen de Ecologische Structuur.

Aangezien de realisatie van windturbines binnen de Ecologische Structuur effecten kan hebben op (de verbindingen binnen) de Ecologische Structuur, is gekeken naar de ligging van de huidige Ecologische Structuur18 ten opzichte van de verschillende windturbines binnen de locatiealternatieven. Hierbij is ook gekeken of de windturbines overdraaien over de Ecologische Structuur. In het geval dat windturbines binnen de Ecologische Structuur gelegen zijn, neemt het gebied in oppervlakte af, dat zorgt voor ernstige aantasting, aangezien oppervlakteverlies nadelig is voor de aanwezige biodiversiteit. Overdraai zorgt daarbij voor geringe aantasting. Windturbines hebben geen positieve effecten op de Ecologische Structuur, waardoor de effectbeoordeling niet ingaat op deze criteria (+ en ++). Tabel 40 geeft een overzicht van de beoordelingscriteria voor de Ecologische Structuur inclusief passages. Tabel 40

Beoordelingscriteria effecten op Ecologische Structuur.

Beoordelingscriterium Effecten op Ecologische Structuur

17

18

--

-

0

+

++

Ernstige aantasting: zoekgebied is gelegen binnen Ecologische Structuur

Geringe aantasting: overdraai over Ecologische Structuur

Geen ligging binnen Ecologische Structuur, geen overdraai over Ecologische structuur.

n.v.t.

n.v.t.

De Ecologische Structuur van Amsterdam wordt toegevoegd aan de Hoofdgroenstructuur 2.0. Door de Ecologische Structuur in de Hoofdgroenstructuur op te nemen krijgt deze dezelfde status (Omgevingsvisie Amsterdam 2050). Het gaat hierbij om de versie Ecologische Structuur onder de Hoofdgroenstructuur 1.0.

Effectbeoordeling zoekgebieden

68 68

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

3.6.1.6

Soortenbescherming: vogels

Windturbines kunnen zorgen voor directe sterfte onder vogels, aangezien vogels met de rotorbladen in aanraking kunnen komen. Sterfte als gevolg van aanvaringen met windturbines kunnen zorgen voor effecten op de gunstige staat van instandhouding van vogels. Daarnaast kan habitatverlies of verstoring van vogels optreden door de realisatie van windturbines. Voor de beoordeling van vogels is gebruik gemaakt van de Vogelatlas Amsterdam, die is opgesteld door de Vogelwerkgroep Amsterdam19. In de Vogelatlas zijn in 2020 en 2021 554 kilometerhokkken binnen het werkgebied onderzocht voor zowel broedvogels als wintervogels. Voor de beoordeling is onderscheid gemaakt tussen broedvogels en wintervogels. Figuur 25 en Figuur 26 geven ter indicatie een weergave van de aantalsklassen uit de Vogelatlas. Figuur 25

Weergave (ter voorbeeld) klassen broedvogels inclusief onderzoeksposities

19

De Vogelatlas geeft een zeer volledig beeld van de actuele verspreiding en aantallen van vogels binnen de gemeente Amsterdam. Data vanuit NDFF geeft geen andere inzichten t.o.v. de Vogelatlas en is derhalve niet gebruikt.

Effectbeoordeling zoekgebieden

69 69

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage Figuur 26

Weergave (ter voorbeeld) klassen wintervogels inclusief onderzoeksposities

Op basis van expert judgement en literatuur20 is in kaart gebracht welke soorten gevoelig zijn voor (aanvaringen met) windturbines. Met name roofvogels, meeuwen, sterns en steltlopers zijn gevoelig voor sterfte tijdens de exploitatiefase van windturbines. Voor de effectbeoordeling is gekeken naar de aanwezigheid van gevoelige soorten binnen de km-hokken van een zoekgebied. Bij de tellingen in de Vogelatlas zijn 5 aantalsklassen gebruikt, waardoor de verspreiding van de soorten duidelijk in beeld is gebracht. Zie Tabel 41 voor de aantalsklassen uit de Vogelatlas. Tabel 41

Aantalsklassen in hoeveelheden vogeltellingen Vogelatlas Broedvogels Klasse Wintervogels (individuen) ria) A 1-5 1 B 6 - 50 2–5 C 51 - 100 6 – 25 D 101 - 1000 26 - 100 E > 1000 > 100

(broedparen/territo-

Per zoekgebied is (kwantitatief) onderzocht welke en hoeveel gevoelige vogels gemiddeld zijn aangetroffen in 2020-2021. Hierbij is eveneens onderzocht of er Rode Lijst vogelsoorten binnen het gebied waargenomen zijn. De hoeveelheden geven dus gemiddelden weer en geen specifieke aantallen aanwezige gevoelige individuen of broedparen. Op basis van de data kan het voorkomen van

20

70

Buij et al., 2018; Sierdsema et al., 2021

Effectbeoordeling zoekgebieden

70

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

een gevoelige soort niet worden uitgesloten. Het kan namelijk zo zijn dat sommige soorten niet zijn waargenomen tijdens het onderzoek in 2020-2021. Bij de uitwerking van concrete windprojecten dient derhalve altijd nader ecologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Naast de absolute effectbeoordeling gaat de effectbeoordeling ook in op de relatieve beoordeling. Hiervoor zijn de gemiddelde aantallen kwetsbare soorten en broedparen/territoria opgewogen tegen de energieopbrengst van het zoekgebied (per GWh/jr). Op deze wijze wordt inzichtelijk gemaakt wat de relatieve effecten per zoekgebied zijn. Windturbines hebben geen positieve effecten op de vogels, waardoor de effectbeoordeling niet ingaat op deze criteria (+ en ++). Tabel 42 geeft een overzicht van de beoordelingscriteria voor soortenbescherming: vogels. Tabel 42

Beoordelingscriteria effecten soortenbescherming: vogels

Beoordelingscriterium Effecten op soortenbescherming: aantal broedvogels Relatieve effecten: aantal broedvogels per GWh/jr Effecten op soortenbescherming: wintervogels

--

-

0

+

++

Zoekgebied is gelegen binnen gebied (km-hok) met >100 broedparen/territoria van kwetsbare broedvogelsoorten

Zoekgebied is gelegen binnen gebied (km-hok) met 1-100 broedparen/territoria van kwetsbare broedvogelsoorten

n.v.t.

n.v.t.

>2 broedparen/territoria GWh/jr

per

0,1 – 2 broedparen/territoria per GWh/jr

Zoekgebied is gelegen binnen gebied (km-hok) waar 0 broedparen/territoria van kwetsbare broedvogelsoorten aanwezig zijn. 0 broedparen/territoria per GWh/jr

n.v.t.

n.v.t.

Zoekgebied is gelegen binnen gebied (km-hok) met >1000 individuen van kwetsbare soorten wintervogels

Zoekgebied is gelegen binnen gebied (km-hok) met 1-1000 individuen van kwetsbare soorten wintervogels

n.v.t.

n.v.t.

Relatieve effecten: aantal wintervogels per GWh/jr

>25 individuen per GWh/jr

1-25 individuen per GWh/jr

Zoekgebied is gelegen binnen gebied (km-hok) waar 0 individuen van kwetsbare soorten wintervogels aanwezig zijn. 0 individuen per GWh/jr

n.v.t.

n.v.t.

3.6.1.7

Soortenbescherming: vogeltrek

Windturbines kunnen zorgen voor directe sterfte onder vogels, omdat vogels met de rotorbladen in aanraking kunnen komen. Trekvogels zijn daarbij extra gevoelig voor windenergie, vooral bij ongunstige weersomstandigheden, zoals bij tegenwind, mist en regen. Voor de beoordeling van aanwezigheid van vogeltrek is gebruik gemaakt van de windenergie gevoeligheidskaarten van SOVON. Op basis van de zichtbare landtrek is een modellering van de vogeltrek (seizoensgebonden vliegbewegingen) gemaakt. Om de effecten op de seizoensgebonden vliegbewegingen in kaart te brengen is gekeken naar de ligging van de locatiealternatieven ten opzichte van de verschillende treksterktes binnen de vogeltrekroutes.

71 Effectbeoordeling zoekgebieden

71

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

Windturbines hebben daarnaast geen positieve effecten op de vogeltrek, waardoor de effectbeoordeling niet ingaat op deze criteria (+ en ++). Tabel 43 geeft een overzicht van de beoordelingscriteria voor de vogeltrek. Tabel 43

Beoordelingscriteria effecten soortenbescherming: vogeltrek

Beoordelingscriterium Effecten op soortenbescherming: vogeltrek

3.6.1.8

--

-

0

+

++

Zoekgebied is gelegen binnen gebied met hoge treksterkte

Zoekgebied is gelegen binnen gebied met gemiddelde treksterkte.

Zoekgebied is gelegen binnen gebied met lage treksterkte.

n.v.t.

n.v.t.

Soortenbescherming: vleermuizen

Door de realisatie van windturbines kunnen verschillende effecten optreden op vleermuizen. In de aanlegfase kan het daarbij gaan om aantasting van verblijfplaatsen in gebouwen of bomen, afname van (essentieel) foerageergebied of vliegroutes. Daarnaast kan door de bouwfase verstoring optreden op verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden van de vleermuizen. In de gebruiksfase kunnen windturbines tot sterfte leiden onder vleermuizen aangezien ze in aanvaring kunnen komen met de rotorbladen van de windturbine. Met name gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, bosvleermuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis lopen in Nederland risico. Bij bestaande windparken in Nederland zijn met name gewone en ruige dwergvleermuis als aanvaringsslachtoffer gevonden. Voor de meervleermuis (ook beschermd als aangewezen doelsoort voor een aantal Natura 2000-gebieden) geldt dat de soort in wetenschappelijke literatuur veelal is gekoppeld aan een verminderd risico voor windturbines. De meervleermuis betreft een laagvliegende soort, maar kan op tientallen meters hoogte jagen (Ahlén et al., 2007; A.J., Haarsma, 2016). Aangezien de maximale vlieghoogte onbekend is van de soort, wordt in het planMER uitgegaan dat de soort een mogelijke risicosoort is voor aanvaring met middelgrote en grote windturbines21.

Voor de beoordeling van vleermuizen in het kader van de soortenbescherming is gebruik gemaakt van verschillende bronnen. Zo is data gebruikt vanuit de fietstransecttellingen, de geplaatste batloggers en van verblijfplaatsen voor vleermuizen binnen de gemeente Amsterdam. Tot slot is gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora & Fauna (NDFF) waar data van waarnemingen van vleermuizen van de afgelopen 5 jaar zijn opgevraagd. Een afstand van 200 meter rondom windturbines kan worden beschouwd als risicozone voor vleermuizen (Winkelman et al., 2008; Rodrigues et al., 2008; Rydell et al., 2012). Een hoge aanwezigheid van vleermuizen binnen de effectafstand van 200 meter kan een een verhoogde kans op aanvaringsslachtoffers geven. Op basis van de batlogger data is de aanwezigheid van vleermuizen bin-

21

Mede gebaseerd op onderzoek uit Vlaanderen waarin de meervleermuis aangeduid is als mogelijke risicosoort voor aanvaring met middelgrote en grote windturbines (Everaert, J. 2016)

Effectbeoordeling zoekgebieden

72 72

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

nen gemeente Amsterdam in kaart gebracht. Zo geeft een hoger aantal registraties van vleermuizen een hoger aantal exemplaren van vleermuissoorten weer. Aangezien de batloggers niet op elke locatie binnen de gemeente Amsterdam aanwezig zijn, is voor de data van de batloggers eveneens een afstand van 200 meter gehanteerd. Het beoordelingscriterium gaat in op de aanwezigheid van waarnemingen van vleermuizen, de aanwezigheid van verblijfplaatsen en de gemeten vleermuisregistraties (batlogger) binnen 200 meter van windturbinelocaties van het zoekgebied. In sommige gevallen is op basis van expert judgement maatwerk toegepast. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer uitgevoerd (veld)onderzoek heeft aangetoond dat bepaalde vleermuissoorten voorkomen of dat bekend is dat er een vliegroute aanwezig is binnen een gebied. Windturbines hebben geen positieve effecten op vleermuizen, waardoor de effectbeoordeling niet ingaat op deze criteria (+ en ++). Tabel 44 geeft een overzicht van de beoordelingscriteria voor vleermuizen. Tabel 44 Beoordelingscriterium Effecten op beschermde soorten: vleermuizen

3.6.1.9

Beoordelingscriteria effecten beschermde soorten: vleermuizen --

-

0

+

++

Veel registraties (batlogger) en/of waarnemingen van vleermuizen/verblijfplaatsen binnen 200 meter van het zoekgebied

Gemiddeld/laag aantal registraties (batlogger) en/of waarnemingen van vleermuizen binnen 200 meter van het zoekgebied.

Geen registraties (batlogger) en geen waarnemingen binnen 200 meter van het zoekgebied.

n.v.t.

n.v.t.

Soortenbescherming: overige zoogdieren

Het realiseren van windturbines op locaties waar beschermde zoogdiersoorten voorkomen kan effecten hebben op deze overig beschermde zoogdiersoorten. Zo kan er door de realisatie van windturbines leefgebied van de beschermde zoogdiersoorten verloren gaan of kunnen de beschermde zoogdiersoorten het gebied mijden of (met name tijdens de bouwfase) verstoring ervaren. Voor de beoordeling van overige beschermde zoogdieren is gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora & Fauna (NDFF). Data van overige zoogdieren binnen de provincie Noord-Holland is voor de laatste 5 jaar opgevraagd. Bij een aantal soorten is vastgesteld dat gewenning optreedt na herhaalde blootstelling aan (impuls)geluiden, waarbij andere soorten geen gewenningsgedrag vertoonden (Kleijn et al., 2008). Op basis van verstoring kan geen specifieke effectafstand worden bepaald. Wel kan worden gesteld dat wanneer een beschermde soort binnen 200 meter van de windparklocatie is waargenomen dat de deze locatie mogelijkerwijs tot het leefgebied behoort. Derhalve is de effectafstand van 200m een goede eerste zeef. Het beoordelingscriterium is of er beschermde zoogdieren binnen 200m van een windparklocatie zijn waargenomen. Aangezien (verstorings-)effecten op zoogdieren goed kunnen worden gemitigeerd en/of gecompenseerd wordt het beoordelingscriterium dubbel negatief (--) niet gebruikt in de beoordeling.

Effectbeoordeling zoekgebieden

73 73

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

Windturbines hebben daarnaast geen positieve effecten op overig beschermde zoogdiersoorten, waardoor de effectbeoordeling niet ingaat op deze criteria (+ en ++). Tabel 45 geeft een overzicht van de beoordelingscriteria voor overige zoogdieren. Tabel 45

Beoordelingscriteria effecten op beschermde soorten: overige zoogdieren

Beoordelingscriterium Effecten op overig beschermde zoogdiersoorten

3.6.1.10

--

-

0

+

++

Niet van toepassing.

Zoekgebied is op locatie waar overig beschermde zoogdieren voorkomen of binnen 200 meter van een locatie waar overig beschermde zoogdieren voorkomen.

Geen overig beschermde zoogdieren binnen 200 meter van zoekgebied.

n.v.t.

n.v.t.

Soortenbescherming: Amsterdamse beleidssoorten

De Amsterdamse gedragscode flora fauna (versie april 2022)22 is een aanvulling op de sectorale gedragscode soortbescherming voor gemeenten en de (inter)nationale bescherming van soorten middels de Wet natuurbescherming. In de gedragscode staan aanvullende voorwaarden geformuleerd voor het specifieke lokale karakter van de gemeente Amsterdam. In de gedragscode zijn 29 Amsterdamse beleidssoorten (ABS) benoemd, waarvan 26 soorten flora en 3 soorten fauna. Voor deze soorten zijn voorwaarden en waar mogelijk/noodzakelijk maatregelen uitgewerkt in aanwijzingen voor zorgvuldig handelen. Het uitgangspunt hierbij is dat wordt ingezet op zoveel mogelijk handhaven van bestaande natuurwaarden. De plantensoorten bestaan uit verschillende soorten muurflora, die grotendeels gebonden zijn aan kademuren, brugconstructies en steenglooiingen. Daarnaast worden overige florasoorten beschermd, die groeien in oeverzones, bermen, taluds, zoomvegetaties, boomspiegels, verhardingen. De faunasoorten betreffen twee vissoorten en een dagvlindersoort. Voor wat betreft indirecte aantasting, verstoring, wordt ervanuit gegaan dat planten, vissen en ongewervelden geen verstoring ondervinden. De aangewezen ABS soorten ondervinden dus geen effecten van de windturbines in de gebruiksfase. Wel dient bij de locatiekeuze en in de aanlegfase met de soorten rekening te worden houden.

Wanneer windturbines binnen gebieden worden geplaatst waar de ABS soorten voorkomen, kan namelijk leefgebied verloren gaan. Voor de beoordeling van Amsterdamse beleidssoorten is gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora & Fauna (NDFF). Data van verspreiding van de ABS soorten binnen de gemeente Amsterdam is opgevraagd voor de laatste 5 jaar. Aangezien er in de aanlegfase wel rekening dient te worden gehouden met de soorten is een effectafstand van 200 meter gekozen. Wanneer een beschermde soort binnen 200m van de windparklocatie is waargenomen behoort deze locatie mogelijkerwijs tot het leefgebied. Florasoorten zijn daarbij geen mobiele 22

74

https://openresearch.amsterdam/nl/page/84515/amsterdamse-gedragscode-flora-fauna

Effectbeoordeling zoekgebieden

74

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

soorten, maar wel dient met deze soorten rekening te worden gehouden in de aanlegfase, dus ook bij de aanleg van toegangswegen en bekabeling. Derhalve is de afstand van 200 meter ook voor flora als worst-case uitgangspunt aangehouden. Aangezien effecten op ABS soorten goed kunnen worden gemitigeerd door voorafgaand de locaties van de flora en fauna specifiek in kaart te brengen wordt het beoordelingscriterium dubbel negatief (--) niet gebruikt in de beoordeling. Windturbines hebben daarnaast geen positieve effecten op ABS soorten, waardoor de effectbeoordeling niet ingaat op deze criteria (+ en ++). Tabel 46Tabel 34 geeft een overzicht van de beoordelingscriteria voor Amsterdamse beleidssoorten. Tabel 46 Beoordelingscriterium Effecten op Amsterdamse Beleidssoorten

3.6.1.11

Beoordelingscriteria effecten soortenbescherming: ABS-soorten --

-

0

+

++

Niet van toepassing.

Zoekgebied is gelegen op locatie waar Amsterdamse beleidssoorten voorkomen of binnen 200 meter van een locatie waar Amsterdamse beleidssoorten voorkomen

Geen Amsterdamse beleidssoorten binnen 200 meter van zoekgebied.

n.v.t.

n.v.t.

Soortenbescherming: zeezoogdieren

Het realiseren van windturbines op locaties waar beschermde zeezoogdieren voorkomen kan effecten hebben op deze soorten. Zeezoogdieren zijn ter volledigheid in de effectbeoordeling van het planMER Amsterdam meegenomen, aangezien een aantal van de opstellingsalternatieven (zoekgebieden) gelegen zijn in de volgende wateren: Buiten-IJ, IJburgbaai en het IJmeer. Voornamelijk tijdens de aanlegfase vinden activiteiten plaats die effecten kunnen hebben op zeezoogdieren. Zeezoogdieren ondervinden met name hinder van geluidseffecten die tijdens de aanlegfase plaatsvinden, zoals het heigeluid. Door dit geluid kan het gebied gedurende de bouwperiode ongeschikt worden als leefgebied voor de soorten. Daarnaast kan het geluid leiden tot gehoorschade bij de betreffende soorten. Tijdens de exploitatiefase van windturbines is geen sterfte vastgesteld van zeezoogdieren. Wel kan oppervlakteverlies van leefgebied optreden wanneer veel windturbines worden geplaatst binnen leefgebieden. Echter zijn de effecten van vermijding en barrièrewerking nog niet goed bekend voor zeezoogdieren. Over het algemeen is daarnaast ook weinig bekend over de effecten van geluidsemissies tijdens de exploitatiefase van windturbines in zee. Voor de beoordeling van zeezoogdieren is gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora & Fauna (NDFF).

Data van verspreiding van zeezoogdieren binnen de provincie Noord-Holland is opgevraagd voor de laatste 5 jaar. Er is geen specifieke verstoringsafstand bekend voor zeezoogdieren. Als eerste zeef is een effectafstand van 200 meter gekozen. Het beoordelingscriterium is of er beschermde zeezoogdieren binnen 200m van een windparklocatie zijn waargenomen. Aangezien verstoringseffecten op zeezoogdieren goed kunnen Effectbeoordeling zoekgebieden

75 75

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

worden gemitigeerd door gebruik te maken van bellenschermen of rustige opbouw van hei intensiteit wordt het beoordelingscriterium dubbel negatief (--) niet gebruikt in de beoordeling. Er zouden eventueel positieve effecten kunnen zijn op de zeezoogdieren, aangezien er minder boten in en rondom de windparken varen. Echter is hier geen specifiek wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. Windturbines hebben daarom geen bewezen positieve effecten op zeezoogdieren, waardoor de effectbeoordeling niet ingaat op deze criteria (+ en ++). Tabel 47 geeft een overzicht van de beoordelingscriteria voor zeezoogdieren. Tabel 47 Beoordelingscriterium Effecten op zeezoogdieren

3.6.1.12

Beoordelingscriteria effecten soortenbescherming: zeezoogdieren --

-

0

+

++

Niet van toepassing.

Zoekgebied is op locatie waar zeezoogdieren voorkomen of binnen 200 meter van een locatie waar zeezoogdieren voorkomen

Geen zeezoogdieren binnen 200 meter van zoekgebied.

n.v.t.

n.v.t.

Compensatiegebieden

In het kader van verschillende ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Amsterdam is natuurcompensatie uitgevoerd. Gebieden die in het kader van compensatie als natuurgebieden zijn aangerekend vallen daarbij onder het beschermingsregime van de Ecologische Structuur of Hoofdgroenstructuur. In het kader van het planMER wordt de ligging ten opzichte van zowel de Ecologische Structuur als de Hoofdgroenstructuur meegenomen. Echter zijn hierin niet alle compensatiegebieden opgenomen. De uitzonderingen die in deze beoordeling zijn meegenomen zijn compensatiegebieden die niet opgenomen zijn in de Ecologische Structuur en de Hoofdgroenstructuur. Het gaat hierbij om twee mosselbanken, de Vijfhoek en de Zuidelijke IJmeerkust die in het kader van het aanleggen van IJburg fase 2 zijn gerealiseerd. Windturbines kunnen effecten hebben op de compensatiegebieden die een speciale natuurfunctie hebben gekregen. De daadwerkelijke effecten zijn daarbij afhankelijk van de invulling van de compensatie. Om de effecten op de compensatiegebieden in kaart te brengen is gekeken naar de ligging van compensatiegebieden ten opzichte van de verschillende windturbines binnen de locatiealternatieven. Aangezien de compensatiegebieden uiteenlopende functies hebben, is er geen effectafstand bepaald.

Er is voor de beoordeling enkel uitgegaan van effecten door aantasting van windturbines wanneer deze gelegen zijn binnen compensatiegebieden, aangezien in dat geval oppervlakteverlies optreedt. Ook is onderzocht of er overdraai plaatsvindt over de windturbines, aangezien dit indirecte (verstorings)effecten kan hebben. Windturbines hebben geen positieve effecten op de compensatiegebieden, waardoor de effectbeoordeling niet ingaat op deze criteria (+ en ++). Tabel 48 geeft een overzicht van de beoordelingscriteria voor compensatiegebieden.

76 Effectbeoordeling zoekgebieden

76

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage Tabel 48 Beoordelingscriterium Effecten op compensatiegebieden

3.6.2

Beoordelingscriteria effecten op compensatiegebieden --

-

0

+

++

Ernstige aantasting: zoekgebied is gelegen binnen compensatiegebied

Geringe aantasting: overdraai over compensatiegebied

Geen ligging binnen compensatiegebied en geen overdraai over compensatiegebied

n.v.t.

n.v.t.

Resultaten In dit hoofdstuk zijn de resultaten per zoekgebied nader toegelicht.

3.6.2.1

Zoekgebied 1A: Havengebied

In deze paragraaf wordt voor zoekgebied 1A Havengebied per beoordelingscriterium uiteengezet hoe de score tot stand is gekomen. Effecten op Natura 2000-gebieden Geen van de windturbines van het zoekgebied binnen het Havengebied is gelegen binnen Natura 2000-gebied, waardoor areaalverlies kan worden uitgesloten. De dichtstbijzijnde windturbine ligt op een afstand van ca. 1.3 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Polder Westzaan (HR). Het zoekgebied ligt binnen 10 km afstand van de voor meervleermuis aangewezen Natura 2000gebieden Polder Westzaan, Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder en Kennemerland-Zuid. Op basis van foerageerafstanden van aangewezen Vogelrichtlijnsoorten en meervleermuis kan een binding met het plangebied of kunnen vliegbewegingen over het zoekgebied niet worden uitgesloten (zie paragraaf 3.6.1.1). Gezien de redelijk nabije afstand ten opzichte van het Natura 2000-gebied kan sprake zijn van stikstofdepositie in de aanlegfase en kunnen effecten daarvan op voorhand niet worden uitgesloten. De stikstofdepositie dient op projectniveau in kaart te worden gebracht door middel van een AERIUS-berekening. Score: negatief (-) Effecten op Natuurnetwerk Nederland Geen van de windturbines (incl. overdraai) van het zoekgebied binnen het Havengebied zijn gelegen binnen Natuurnetwerk Nederland.

Er is dus geen sprake van directe aantasting in de vorm van areaalverlies. Het dichtstbijzijnde NNNgebied ligt op ca. 600 meter afstand van het zoekgebied en ligt dus buiten de bepaalde verstoringsafstand van 200 meter. Score: neutraal (0) Effecten op weidevogelgebieden Geen van de windturbines van zoekgebied Havengebied (incl. overdraai) is gelegen binnen weidevogelgebied. Ook ligt geen van de windturbines binnen de verstoringsafstand van 200 meter. Score: neutraal (0)

77 Effectbeoordeling zoekgebieden

77

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

Effecten op ganzenfoerageergebieden Geen van de windturbines van zoekgebied Havengebied (incl. overdraai) is gelegen binnen ganzenfoerageergebied. Ook ligt geen van de windturbines binnen de verstoringsafstand van 500 meter of binnen een mogelijke vliegroute. Score: neutraal (0) Effecten op Ecologische Structuur Geen van de windturbines van zoekgebied Havengebied is gelegen binnen de Ecologische Structuur, ook draaien geen van de windturbines over gebieden die aangewezen zijn als Ecologische Structuur. Score: neutraal (0) Soortenbescherming: vogels Wintervogels Binnen zoekgebied Havengebied komen hoge gemiddelde aantallen (>1000 individuen) wintervogels voor, waaronder hoge aantalsklassen meeuwen, spreeuwen en smienten. Voor wat betreft de Rode Lijst vogelsoorten zijn o.a. blauwe kiekendief, grote zaagbek, kneu en veldleeuwerik binnen het gebied waargenomen. Relatief gezien zijn er >25 individuen per GWh/jr. Score: dubbel negatief (--) Broedvogels Binnen het zoekgebied komen hoge gemiddelde aantallen (>100 broedparen/territoria) broedvogels voor, waaronder hoge aantallen kokmeeuwen en visdieven. Voor wat betreft de Rode Lijst vogelsoorten zijn o.a. visdief, veldleeuwerik, kneu, nachtegaal en torenvalk binnen het gebied waargenomen. Score: dubbel negatief (--) Relatief gezien is er 1 broedpaar per GWh/jr.

Score: negatief (-) Soortenbescherming: vogeltrek Het zoekgebied is gelegen binnen een locatie waar lage en gemiddelde treksterkte plaatsvindt. De westelijke windturbines zijn gelegen binnen een gebied met gemiddelde treksterkte en de oostelijke windturbines binnen het zoekgebied liggen binnen een locatie met lage treksterkte. Score: negatief (-) Soortenbescherming: vleermuizen Binnen het havengebied is enkel data van de fietstransecttellingen in het zuidoosten van het havengebied. Deze waarnemingen liggen op een grotere afstand dan 200 meter van de windturbineposities. Uit onderzoek in Westpoort zijn verblijfplaatsen van gewone en ruige dwergvleermuis aangetroffen (Smit, 2015). Binnen het havengebied is geen data van de batloggers aanwezig. Binnen 200 meter van een aantal noordelijke windturbines zijn op basis van NDFF wel waarnemingen bekend van gewone dwergvleermuis, meervleermuis en ruige dwergvleermuis. Uit onderzoek in het havengebied is gebleken dat

Effectbeoordeling zoekgebieden

78 78

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

meervleermuizen het Noordzeekanaal gebruik om in het Amsterdamse havengebied te jagen (Haarsma & Blokker, 2014). Score: negatief (-) Soortenbescherming: overige beschermde zoogdieren Binnen 200 meter van de windturbines van het zoekgebied Havengebied zijn waarnemingen bekend van verschillende marterachtigen. Dit zijn geen voor windenergie gevoelige soorten, maar er dient wel met deze soorten (met name in de aanlegfase) rekening te worden gehouden. Score: negatief (-) Soortenbescherming: Amsterdamse beleidssoorten Binnen het zoekgebied komen op de locatie van een aantal windturbines, met name aan de westzijde van het Havengebied, beschermde Amsterdamse beleidssoorten voor, o.a. faunasoorten en overige florasoorten. Ook komen binnen 200 meter van een aantal windturbines Amsterdamse beleidssoorten voor. Het gaat hierbij om de dagvlinder bruin blauwtje en overige florasoorten. Score: negatief (-) Soortenbescherming: zeezoogdieren Binnen de 200 meter van het zoekgebied zijn een aantal zeezoogdieren in de wateren van de haven waargenomen. Het gaat hierbij om unieke waarnemingen van de tuimelaar (2020) en gewone zeehond (2017) . Voor beide soorten biedt het zoekgebied geen geschikt leefgebied. Score: neutraal (0) Effecten op compensatiegebieden Geen van de windturbines is gelegen binnen een compensatiegebied of geeft overdraai over een compensatiegebied. Score: neutraal (0) 3.6.2.2

Zoekgebied 1B: Haven Zuid

In deze paragraaf wordt voor zoekgebied 1B Haven Zuid per beoordelingscriterium uiteengezet hoe de score tot stand is voor gekomen. Effecten op Natura 2000-gebieden Geen van de windturbines van het zoekgebied binnen Haven Zuid is gelegen binnen Natura 2000-gebied, waardoor areaalverlies kan worden uitgesloten. De dichtstbijzijnde windturbine ligt op een afstand van ca. 5 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Polder Westzaan (HR). Het zoekgebied ligt binnen 10 km afstand van de voor meervleermuis aangewezen Natura 2000-gebieden Polder Westzaan, Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Op basis van foerageerafstanden van aangewezen Vogelrichtlijnsoorten en meervleermuis kan een binding met het plangebied of kunnen vliegbewegingen over het zoekgebied niet worden uitgesloten (zie paragraaf 3.6.1.1).

79 Effectbeoordeling zoekgebieden

79

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

Gezien de redelijk nabije afstand ten opzichte van het Natura 2000-gebied kan sprake zijn van stikstofdepositie in de aanlegfase en kunnen effecten daarvan op voorhand niet worden uitgesloten. De stikstofdepositie dient op projectniveau in kaart te worden gebracht door middel van een AERIUS-berekening. Score: negatief (-) Effecten op Natuurnetwerk Nederland Één van de windturbines van zoekgebied Haven Zuid is gelegen binnen NNN. Er is dus sprake van directe aantasting in de vorm van areaalverlies. De aantasting treedt op binnen beheertype N05.03 - Veenmoeras, waarvoor planten, libellen en broedvogels zijn aangewezen. De andere windturbine is gelegen op een afstand van ca. 150 meter. Aangezien er binnen de 200 meter beheertypen aanwezig zijn waarvoor kwalificerende broedvogels zijn aangewezen, wordt de effectafstand van 200 meter gehanteerd. Binnen 200 meter van de windturbines liggen de volgende beheertypen: N.04.01 Kranswierwater, N.04.02 Zoete plas, N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland, en N14.02 Hoog- en laagveenbos. Zie Figuur 27. Score: dubbel negatief (--)

Figuur 27

Ligging beheertypen NNN t.o.v. onderzoeksposities in zoekgebied 1B

Effecten op weidevogelgebieden

80 Effectbeoordeling zoekgebieden

80

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

Geen van de windturbines van zoekgebied Haven Zuid (incl. overdraai) is gelegen binnen weidevogelgebied. Ook ligt geen van de windturbines binnen de verstoringsafstand van 200 meter. Score: neutraal (0) Effecten op ganzenfoerageergebieden Geen van de windturbines van zoekgebied Haven Zuid (incl. overdraai) is gelegen binnen ganzenfoerageergebied. Ook ligt geen van de windturbines binnen de verstoringsafstand van 500 meter of binnen een mogelijke vliegroute. Score: neutraal (0) Effecten op Ecologische Structuur Één van de windturbines van zoekgebied Haven Zuid is gelegen binnen de Ecologische Structuur en de andere windturbine draait over gebied dat aangewezen is als Ecologische Structuur. Door de plaatsing van de windturbine binnen de Ecologische Structuur vindt ernstige aantasting plaats door oppervlakteverlies. Score: dubbel negatief (--) Soortenbescherming: vogels Wintervogels Binnen zoekgebied Haven Zuid komen tussen 1-1000 individuen wintervogels voor, waaronder de hoogste klasse bestaat uit kokmeeuwen en spreeuwen. Voor wat betreft de Rode Lijst vogelsoorten zijn de torenvalk en dodaars binnen het gebied waargenomen. Relatief gezien zijn dit tussen 1-25 individuen per GWh/jr. Score: negatief (-) Broedvogels Binnen het zoekgebied komen tussen 1-100 broedparen/territoria voor, waaronder wilde eend, koekoek, knobbelzwaan en sperwer.

Relatief gezien zijn dit tussen 0,1-2 broedparen/territoria per GWh/jr. Voor wat betreft de Rode Lijst vogelsoorten zijn o.a. ransuil, kneu, nachtegaal en snor binnen het gebied waargenomen. Score: negatief (-) Soortenbescherming: vogeltrek Het zoekgebied is gelegen binnen een locatie waar lage treksterkte plaatsvindt. Score: neutraal (0) Soortenbescherming: vleermuizen Op een afstand van ca. 200 meter van de windturbines van zoekgebied Haven Zuid zijn op basis van de fietstransecttellingen waarnemingen bekend van gewone dwergvleermuizen. Binnen 200 meter van het zoekgebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen bekend. Verder zijn binnen 200 meter geen waarnemingen op basis van NDFF bekend van vleermuissoorten. Binnen het havengebied is geen data van de batloggers aanwezig. Score: negatief (-)

81

Soortenbescherming: overig beschermde zoogdieren Effectbeoordeling zoekgebieden

81

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

Binnen 200 meter van de windturbines van het zoekgebied Haven Zuid zijn geen waarnemingen bekend van overig beschermde zoogdieren. Het ontbreken aan waarnemingen en/of uitgevoerd onderzoek betekent niet dat er geen overig beschermde zoogdieren binnen de locatie aanwezig zijn. Er is dus nader onderzoek noodzakelijk. Op basis van de nu beschikbare informatie scoort het zoekgebied neutraal. Score: neutraal (0) Soortenbescherming: Amsterdamse beleidssoorten Binnen het zoekgebied komen op de locatie van de windturbines beschermde Amsterdamse beleidssoorten voor. Ook komen binnen 200 meter van de twee windturbines Amsterdamse beleidssoorten voor. Het gaat hierbij om muurflora, de dagvlinder bruin blauwtje en overige florasoorten. Score: negatief (-) Soortenbescherming: zeezoogdieren Er zijn geen waarnemingen binnen 200 meter van het zoekgebied. Het zoekgebied biedt geen potentieel geschikt leefgebied voor zeezoogdieren, dus effecten kunnen met zekerheid worden uitgesloten. Score: neutraal (0) Effecten op compensatiegebieden Geen van de windturbines is gelegen binnen een compensatiegebied of geeft overdraai over een compensatiegebied. Score: neutraal (0)

3.6.2.3

Zoekgebied 3: Ring A10 Noord

In deze paragraaf wordt voor zoekgebied 3 Ring A10 Noord per beoordelingscriterium uiteengezet hoe de score tot stand is voor gekomen. Effecten op Natura 2000-gebieden Geen van de windturbines van het zoekgebied binnen de Ring A10 Noord is gelegen binnen Natura 2000-gebied, waardoor areaalverlies kan worden uitgesloten. De dichtstbijzijnde windturbine ligt op een afstand van ca. 750 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer (HR/VR). Het zoekgebied ligt binnen 10 km afstand van de voor meervleermuis aangewezen Natura 2000-gebieden Polder Westzaan, Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder en Markermeer & IJmeer. Op basis van foerageerafstanden van aangewezen Vogelrichtlijnsoorten en meervleermuis kan een binding met het plangebied of kunnen vliegbewegingen over het zoekgebied niet worden uitgesloten (zie paragraaf 3.6.1.1). Gezien de redelijk nabije afstand ten opzichte van het Natura 2000-gebied kan sprake zijn van stikstofdepositie in de aanlegfase en kunnen effecten daarvan op voorhand niet worden uitgesloten. De stikstofdepositie dient op projectniveau in kaart te worden gebracht door middel van een AERIUS-berekening. Score: negatief (-) Effectbeoordeling zoekgebieden

82 82

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

Effecten op Natuurnetwerk Nederland Één van de windturbines van zoekgebied Ring A10 Noord is gelegen binnen NNN. Er is dus sprake van directe aantasting in de vorm van areaalverlies. De aantasting treedt op binnen beheertype N13.01 – Vochtig weidevogelgrasland, waarvoor broedvogels zijn aangewezen. Ook ligt deze windturbine binnen 200 meter van beheertype N05.03 – Veenmoeras. Voor beide beheertypen zijn kwalificerende broedvogels aangewezen en dus kan verstoring van deze soorten niet worden uitgesloten. Ook ligt er een NNN-verbinding op ca. 200 meter afstand tussen twee windturbines. De andere windturbines zijn allen gelegen op een afstand van meer dan 200 meter van NNN. Zie Figuur 28. Score: dubbel negatief (--)

Figuur 28

Ligging beheertypen NNN t.o.v. onderzoeksposities in zoekgebied 3

Effecten op weidevogelgebieden Binnen zoekgebied Ring A10 Noord liggen vier windturbines binnen weidevogelgebied. Daarnaast draaien twee windturbines over het weidevogelgebied. Gezien de ligging van de windturbines is binnen dit zoekgebied sprake van ernstige aantasting in de vorm van areaalverlies van het weidevogelgebied en verstoring voor de weidevogels. Score: dubbel negatief (--) Effecten op ganzenfoerageergebieden

83 Effectbeoordeling zoekgebieden

83

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

Geen van de windturbines is gelegen binnen ganzenfoerageergebied. Wel geeft een van de windturbines van zoekgebied Ring A10 Noord overdraai over ganzenfoerageergebied. Score: dubbel negatief (--) Effecten op Ecologische Structuur Één van de windturbines van zoekgebied Ring A10 Noord is gelegen binnen de Ecologische Structuur, waardoor ernstige aantasting plaats vindt door oppervlakteverlies. De andere windturbines draaien niet over de Ecologische Structuur. Score: dubbel negatief (--) Soortenbescherming: vogels Wintervogels Binnen zoekgebied Ring A10 Noord komen hoge gemiddelde aantallen (>1000 individuen) wintervogels voor, waaronder hoge aantalsklassen grauwe ganzen, kieviten, kokmeeuwen, spreeuwen en wulpen. Voor wat betreft de Rode Lijst vogelsoorten zijn o.a. torenval en dodaars binnen het gebied waargenomen. Relatief gezien zijn er >25 individuen per GWh/jr. Score: dubbel negatief (--) Broedvogels Binnen het zoekgebied komen hoge gemiddelde aantallen (>100 broedparen/territoria) broedvogels voor, waaronder hoge aantalsklassen spreeuwen, wilde eenden, scholeksters, roeken, kieviten, tureluurs. Voor wat betreft de Rode Lijst vogelsoorten zijn o.a. tureluur, nachtegaal en grutto binnen het gebied waargenomen. Relatief gezien is dit meer dan >2 broedparen per GWh/jr.

Score: dubbel negatief (--) Soortenbescherming: vogeltrek Het zoekgebied is gelegen binnen een locatie waar lage en gemiddelde treksterkte plaatsvindt. De noordelijke twee windturbines zijn gelegen binnen een gebied met lage treksterkte en de zuidelijke windturbines binnen het zoekgebied liggen binnen een locatie met gemiddelde treksterkte. Score: negatief (-) Soortenbescherming: vleermuizen Op een afstand van ca. 200 meter van de windturbines van zoekgebied Ring A10 Noord zijn op basis van de fietstransecttellingen waarnemingen bekend van gewone dwergvleermuizen en ruige dwergvleermuizen. De soorten zijn waargenomen nabij twee windturbineposities. Binnen 200 meter van het zoekgebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen bekend. Verder zijn binnen 200 meter van een aantal windturbines waarnemingen op basis van NDFF bekend van o.a. de meervleermuis en ruige dwergvleermuis. Binnen 200 meter van het zoekgebied is geen data van de batloggers aanwezig. Wel zijn op ca. 300 meter van het zoekgebied (batlogger)waarnemingen gedaan van vele verschillende soorten vleermuizen, zoals watervleermuis, rosse vleermuis, gewone- en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis. Het Effectbeoordeling zoekgebieden

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14938076/1