CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Bijlage 1.4 PlanMER - Technische bijlage versie 2.1.pdf

RAAD 12 december 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Uiten van wensen en bedenkingen inzake het voorgenomen collegebesluit over het Programma Windenergie Amsterdam 2030 (PWA) en het PlanMER (VN2024-013643)31.120 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Haven-Zuid

Effectbeoordeling Leefomgeving: geluid

Haven

Tabel 19

Toelichting afkortingen: GO = geluidsgevoelig object, OO = overig object, TWh/jr = Terawattuur per jaar, EH = ernstig gehinderden, GES = Gezondheidseffectscreening

Effectbeoordeling zoekgebieden

35 35

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage Ligging t.o.v. stiltegebieden

5070

9058

224

3.3

Leefomgeving: gezondheid

3.3.1

Beoordelingscriteria

3644

570

667

2528

5230

4098

4725

2150

0

0

Voor het thema gezondheid is de ernstige hinder van windturbinegeluid een relevant beoordelingscriterium. Daarnaast is de toevoeging van windturbinegeluid aan de huidige geluidssituatie een relevant beoordelingscriterium. Door het geluid van de windturbines ter plaatse van de gevoelige objecten op te tellen bij het huidige geluidsbelasting wordt het nieuwe cumulatieve geluidsbelasting inzichtelijk gemaakt. Ook bij cumulatief geluid is er meerwaarde toe te voegen met een relatieve beoordeling. De toegepaste beoordelingscriteria zijn in het hoofddocument toegelicht.

3.3.2

Rekenmethode Het verschil tussen de huidige en mogelijke toekomstige geluidssituatie kan berekend worden. De toename van dit verschil leidt tot meer hinder. Deze hinder wordt berekend met de zogenaamde dosis-effectrelatie. De huidige wetenschappelijke inzichten op het gebied van de gezondheidseffecten van windturbines betreffende deze dosis-effectrelatie zijn hier opgesomd: ➢ TNO heeft de dosis-effectrelatie (verhouding tussen geluidsimmissie en hinderpercentage) voor windturbinegeluid bepaald7. Dat wil zeggen: hoe hoeveel hinder treedt op bij verschillende geluidsniveaus. Figuur 20 toont deze relatie. De onderzoeksresultaten zijn ook gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift8. Hoewel windturbines in de afgelopen jaren groter zijn geworden is deze dosis-effectrelatie nog steeds geldig. Dit blijkt onder andere uit een recent WHO-rapport (Environmental Noise Guidelines for the European Region, 2018), dat zich baseert zich op diezelfde publicatie en komt tot dezelfde conclusies9. Er zijn geen onderzoeken bekend waarin de kwantitatieve relatie tussen de hoeveelheid geluid en de hoeveelheid hinder uit het oorspronkelijke onderzoek wordt betwist.

7 8 9

Janssen, Vos, & Eisses, Hinder door geluid van windturbines, 2008 Janssen & Vos, Eisses, & Pedersen, A comparison between exposure-response relationships for wind turbine annoyance and annoyance due to other noise sources, 2011 Daarbij moet worden opgemerkt dat het WHO-rapport een uitspraak doet over hinder buitenshuis, terwijl motivering voor de 47 dB Lden zich baseert op de hinderpercentages binnenshuis.

Effectbeoordeling zoekgebieden

36 36

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage Figuur 20

Links: de relatie tussen Lden en het percentage gehinderden (wt_%A) en ernstig gehinderden (wt_%HA) binnenshuis door geluid van windturbines. De gestippelde lijnen geven de benaderingen weer. Rechts: de discrete geluidswaarden en hun bijbehorende percentage ernstige hinder10.

➢ In 2017 en 2018 heeft het RIVM een grootschalig literatuuronderzoek uitgevoerd (van Kamp & van den Berg, Health Effects Related to Wind Turbine Sound, Including Low-Frequency Sound and Infrasound, 2018) waarin 32 wetenschappelijke artikelen uit de periode 2009-2017 zijn geanalyseerd. Dit onderzoek concludeert: Geluid van windturbines leidt tot meer hinder dan geluid van andere bronnen. Er is geen bewijs voor een specifiek effect van de laagfrequente component noch van infrageluid. ➢ Een recent literatuuronderzoek van het RIVM (van Kamp & van der Berg, Health effects related to wind turbine sound: an update, 2020) concludeert dat uit beschikbare literatuur niet blijkt dat laagfrequent geluid van windturbines voor extra hinder zorgt ten opzichte van ‘gewoon’ geluid. De literatuur liet zien dat omwonenden minder hinder hebben van windturbines als ze betrokken worden bij de plaatsing ervan. In ECLI:NL:RVS:2023:1433 r.o. 27.2 en ECLI:NL:RVS:2023:1446 r.o. 41.2 stelt de ABRvS vast dat in het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) een chronologische samenvatting bevat van de bevindingen van de belangrijkste onderzoeken vanaf 2007.

In het deskundigenbericht staat dat er voldoende bewijs is voor hinder, maar dat er geen bewijs is voor andere gezondheidseffecten als gevolg van windturbinegeluid met uitzondering van slaapverstoring. Voor slaapverstoring is er wel een verband gevonden, maar hiervoor zijn maar een beperkt aantal studies gedaan en de resultaten daarvan zijn volgens de STAB niet eenduidig. Er volgens de STAB geen wetenschappelijk bewijs geleverd voor een causaal verband tussen laagfrequent geluid en infrageluid van windturbines en “Wind Turbine Syndrome” (WTS) of “Vibro Acoustic Disease” (VAD).

10

37

Janssen, Vos, & Eisses, A., Hinder door geluid van windturbines, 2008

Effectbeoordeling zoekgebieden

37

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

3.3.2.1

Ernstige hinder als gevolg van windturbinegeluid

Op advies van de commissie MER wordt ook het aantal ernstig gehinderden van puur het windturbinegeluid in kaart gebracht. TNO heeft de dosis-effectrelatie (verhouding tussen geluidsimmissie en hinderpercentage) voor windturbinegeluid bepaald11. Dat wil zeggen: hoeveel hinder treedt op bij verschillende geluidsniveaus. Figuur 20 toont deze relatie. Voor geluidsgevoelige objecten in de ruime omgeving van het windpark is de jaargemiddelde geluidbelasting op de gevel berekend. Voor alle woningen binnen de 37 tot en met 50 dB Lden contouren van de verschillende zoekgebieden is berekend wat de jaargemiddelde geluidsbelasting als gevolg van de windturbines is. 37 dB Lden is als ondergrens gehanteerd omdat de kans op ernstige hinder bij lagere geluidsbelasting kleiner is dan 1%, waarbij ook is meegewogen dat de gemeente Amsterdam een stedelijke omgeving kent met een bovengemiddeld hoog achtergrondgeluidniveau, waarbij geluidsbelasting van windturbines onder een bepaald niveau niet langer zelfstandig waarneembaar zal zijn. Figuur 21

Ligging van alle onderzoeksposities en de totale 37 dB Lden-contour. Hiermee is de selectie gemaakt van woningen die betrokken zijn in het onderzoek naar mogelijke ernstige hinder.

11

38

Janssen, Vos, & Eisses, Hinder door geluid van windturbines, 2008

Effectbeoordeling zoekgebieden

38

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

Op basis van de dosis-effectrelatie uit Figuur 20 is te berekenen hoe groot het verwachte percentage ernstig gehinderden is binnen objecten met een geluidsniveau van 38 dB Lden of meer. Door vervolgens dit percentage te vermenigvuldigen met het (geschatte) aantal bewoners per pand krijgen wij het statistisch verwachte aantal ernstig gehinderden bij elk gevoelig object. De optelling van alle objecten geeft het statistisch verwachte aantal ernstig gehinderden als gevolg van de onderzoeksposities in de zoekgebieden. De berekening van het hinderpercentage maakt gebruik van de polynome functie die is gegeven in (Janssen, Vos, & Eisses, A., 2008): %𝐻𝐴𝑏𝑖𝑛𝑛𝑒𝑛= −107,6 + 9,656 𝐿𝑑𝑒𝑛−0,289 𝐿𝑑𝑒𝑛2 + 0,002894 𝐿𝑑𝑒𝑛3 Wij gaan uit van het aantal inwoners en huishoudens van de gemeente Amsterdam om te komen tot een gemiddeld aantal bewoners per gevoelig object: 1,89 personen per huishouden. 3.3.2.2

Toename ernstige hinder t.o.v. referentiesituatie

Op basis van het huidige geluidsniveau en het nieuwe cumulatieve geluidsniveau wordt berekend in hoeverre bewoners van deze woningen ernstig gehinderd zijn en wat de toename is van het aantal ernstig gehinderden. De cumulatieve geluidsbelasting op een woning in de omgeving van de locatiealternatieven leidt tot een percentage ernstig gehinderden. Het RIVM is in bezit van geluidkaarten per geluidsbron en heeft deze kaarten samengevoegd tot één rasterkaart met het cumulatieve geluidsniveau in L den . Deze openbare kaart is gebruikt om het huidige geluidsniveau bij alle geluidsgevoelige objecten binnen de 38 dB Lden contour van alle onderzoeksposities af te lezen. 12

Daarbij is het goed om te vermelden dat geluid van verschillende bronnen verschillende maten van hinder veroorzaken: windturbinegeluid wordt bijvoorbeeld als hinderlijker ervaren dan wegverkeerslawaai. Onderstaande figuur toont de zogenaamde dosis-effectrelaties van verschillende soorten geluid: voor een bepaald geluidsniveau (horizontale as) toont deze grafiek hoe hinderlijk dit geluid wordt ervaren (percentage ernstig gehinderden, verticale as).

12

39

https://data.overheid.nl/dataset/7133-geluid-in-nederland--lden-

Effectbeoordeling zoekgebieden

39

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage Figuur 22

Relatie tussen Lden en het percentage ernstig gehinderden bij verschillende bronnen (Verheijen, et al., 2009).

Om recht te doen aan dit verschil in hinderlijkheid zijn er rekenregels vastgelegd om geluid van wegverkeer, railverkeer, vliegverkeer en industrie op te kunnen tellen. In het Reken- en meetvoorschrift Windturbines’ is hier een rekenregel voor windturbinegeluid aan toegevoegd. Rekenregels voor cumulatie van verschillende geluidsbronnen, inclusief windturbinegeluid, staan in hoofdstuk 4 van bijlage 4 bij de Activiteitenregeling milieubeheer. De cumulatieve (d.w.z. opgetelde) geluidsbelasting kan op eenzelfde manier worden weergegeven als de individuele geluidsbronnen hierboven. Zie onderstaande figuur. De cumulatieberekening houdt dus rekening met het verschil in hinderlijkheid van verschillende geluidsbronnen. Figuur 23

Dosis-effectrelatie van gecumuleerde geluidsbelasting (zwarte lijn). Tevens is in deze figuur de onderverdeling in ‘GES-scores’ opgenomen, die toegepast wordt in een Gezondheidseffectscreening (GES). Een GES-score is een kwalitatieve aanduiding van de milieukwaliteit die zich baseert op de cumulatieve geluidsbelasting.

40 Effectbeoordeling zoekgebieden

40

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

De cumulatieve geluidsbelasting op een woning in de omgeving van de locatiealternatieven leidt tot een percentage ernstig gehinderden en een GES-score (zie bovenstaande figuur). Voordeel van deze methode is dat niet alleen de hinder als gevolg van windturbinegeluid, maar ook de bestaande situatie in de beoordeling wordt betrokken. ➢ Voor elk zoekgebied berekent het MER wat in de referentiesituatie het aantal ernstig gehinderden is, om vervolgens te berekenen wat de toename van dat aantal is als gevolg van de windturbines. Dit is een beoordelingscriterium in het planMER. De resultaten in 3.3.2.1 zijn het gevolg van de methode die het aantal ernstig gehinderden op basis van alleen windturbinegeluid berekend. Er bestaat ook de mogelijkheid om de mate van hinder te baseren op het cumulatieve geluid, oftewel het windturbinegeluid opgeteld bij het huidige omgevingslawaai. De toename van het aantal ernstig gehinderden is een maat voor het totale gezondheidseffect van een situatie. Er is weergegeven wat er gebeurt met de geluidsbelasting van de woningen, en de daarmee gepaard gaande hinder, als het geluid van de windturbines wordt toegevoegd. Figuur 24

Overzicht van de cumulatieve geluidsbelasting bij de 71.823 onderzochte geluidsgevoelige objecten (huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen) in de omgeving van de zoekgebieden.

Uit de berekening blijkt dat er in de huidige situatie in totaal 9.438 ernstig gehinderden zijn. Tabel 22 geeft een uitsplitsing van dit cijfer per zoekgebied weer.

41 Effectbeoordeling zoekgebieden

41

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

7310

13265

30482

12069

1525

2524

18862

53

30103

18835

2818

1276

1541

936

151

1186

736

199

104

716

5

2238

638

11%

12%

7%

13%

1%

4%

6%

13%

4%

4%

10%

7%

3%

IJmeer

S/B-eiland

Land. Noord

3 20675

Diemerpark

1B 10531

IJburg Baai

Holendrecht

Weesperkarspel

Diemerscheg

Science Park

1A 24957

Haven-Zuid

Gaasperplas

Aantal omwonenden Aantal EH referentiesituatie % EH referentiesituatie

Ring A10 Noord

Het aantal omwonenden van een onderzoeksopstelling en het aantal en percentage daarvan dat reeds in de referentiesituatie ernstig gehinderd wordt door de cumulatieve geluidsbelasting.

Haven

Tabel 20

De toename van het aantal ernstig gehinderden per zoekgebied wordt berekend door het aantal ernstig gehinderden in de huidige situatie af te trekken van het aantal ernstig gehinderden in de situatie met windturbines. 3.3.2.3

Woningen met een geluidsbelasting van 68 dB Lden of hoger

Tevens kijken we naar woningen waar al een onvoldoende gezondheidseffectscore heerst. Bij een geluidswaarde van 68 dB Lden of meer dan wordt het geluidsniveau onvoldoende. Het MER hanteert dan ook het aantal woningen waar als gevolg van de windturbines de geluidsbelasting stijgt naar 68 dB Lden of meer, oftewel GES-score 7 of hoger, als aanvullend beoordelingscriterium.

3.3.3

Resultaten Onderstaande tabel toont het verwachte aantal ernstig gehinderden als gevolg van de zoekgebieden. Ook is aangegeven hoeveel procent van de bevolking rond de zoekgebieden mogelijk ernstig gehinderd zou geraken.

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

30482

12069

1525

2524

18862

53

30103

18835

305 239 477 116 346 1008 218 1% 2% 2% 2% 3% 3% 2%

19 1%

44 2%

561 3%

1 2%

IJmeer

4C 13265

Land. Noord

4A 7310

Diemerpark

3 20675

IJburg Baai

1B 10531

S/B-eiland

Holendrecht

Weesperkarspel

Diemerscheg

Science Park

1A 24957

Haven-Zuid

Gaasperplas

Zoekgebieden Aantal omwonenden* Aantal ernstig gehinderden windturbinegeluid % ernstig gehinderden windturbinegeluid (t.o.v. alle GO met Lden >=37 dB Lden)

Ring A10 Noord

Aantal ernstig gehinderden a.h.g.v. windturbinegeluid, absoluut en relatief

Haven

Tabel 21

833 321 3% 2%

* onder omwonenden wordt in deze verstaan: het aantal gevoelige objecten met een geluidsbelasting van meer dan 37 dB Lden, vermenigvuldigd met het gemiddelde aantal inwoners per woning (voor Amsterdam 1,89).

Op basis van de berekening van de ernstige hinder als gevolg van het achtergrondgeluidniveau in de referentiesituatie toont onderstaande tabel de toename van het aantal ernstig gehinderden door de onderzoeksopstellingen in de zoekgebieden. Effectbeoordeling zoekgebieden

42 42

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

Weesperkarspel

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

7310

13265

30482

12069

1525

2524

18862

53

30103

18835

2818

1276

1541

936

151

1186

736

199

104

716

5

2238

638

11%

12%

7%

13%

1%

4%

6%

13%

4%

4%

10%

7%

3%

55

35

160

18

318

684

98

3

26

380

0

396

211 33%

IJmeer

IJburg Baai

Land. Noord

3 20675

Diemerpark

1B 10531

S/B-eiland

Holendrecht

Diemerscheg

Science Park

1A 24957

Haven-Zuid

Gaasperplas

Aantal omwonenden EH referentiesituatie % EH referentiesituatie Toename EH t.o.v. ref. sit. Procentuele toename EH % EH Toename % EH

Ring A10 Noord

Toename van aantal ernstig gehinderden (EH) t.o.v. referentiesituatie. De vetgedrukte rijen zijn de beoordelingscriteria.

Haven

Tabel 22

2%

3%

10%

2%

210%

58%

13%

2%

25%

53%

4%

18%

12%

12%

8%

13%

4%

6%

7%

13%

5%

6%

10%

9%

5%

0,2%

0,3%

0,8%

0,2%

2,4%

2,2%

0,8%

0,2%

1,0%

2,0%

0,4%

1,3%

1,1%

De grote stijging van het aantal ernstig gehinderden bij zoekgebied 4C en 4D is te wijten aan het feit dat er in nieuwbouwlocaties rond deze zoekgebieden nog geen informatie bekend is over wegverkeerslawaai, waardoor het berekende aantal ernstig gehinderden in de referentiesituatie laag uitvalt. Als beoordelingscriterium is ook het aantal woningen waar de GES-score naar een 7 stijgt opgenomen; dit zijn woningen waar de geluidsbelasting in de referentiesituatie al aanzienlijk is, en die daar door de windturbines nog geluid bovenop krijgen. Zie onderstaande tabel. Er zijn geen woningen die stijgen naar een GES-score van 8. Tabel 23

Toename van gevoelige objecten naar de GES-klasse 7 of hoger

1A Referentiesituatie Aantal woningen met cumulatieve geluids357 belasting > 67 dB Lden (GES-score > 6) Aantal woningen met cumulatieve geluids50 belasting > 72 dB Lden (GES-score > 7) Na toevoeging onderzoeksposities Aantal woningen met cumulatieve geluids365 belasting > 67 dB Lden (GES-score > 6) Aantal woningen met cumulatieve geluids50 belasting > 72 dB Lden (GES-score > 7) Toename woningen met geluidsbelasting 8 > 67 dB Lden (GES-score > 6)

3.3.4

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

36

13

225

0

0

0

3

0

3

0

47

3

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

36

14

225

0

0

0

3

0

3

0

48

3

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

1

0

0

0

0

0

0

0

0

1

0

Beoordeling Per beoordelingscriterium zijn klassegrenzen gedefinieerd om een goed vergelijk tussen de zoekgebieden mogelijk te maken. Zie ook de algemene inleiding van dit hoofdstuk voor een toelichting.

43 Effectbeoordeling zoekgebieden

43

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage Tabel 24

Beoordelingscriteria leefomgeving: gezondheid

Thema Beoordelingscriterium13 Gezondheid Aantal ernstig gehinderden windturbinegeluid % ernstig gehinderden windturbinegeluid Gezondheid (t.o.v. alle GO met Lden >=37 dB Lden) Gezondheid Toename aantal ernstig gehinderden cumulatief geluid Gezondheid Toename % ernstig gehinderden cumulatief geluid Aantal woningen waar de GES-score stijgt naar 7 of hoGezondheid ger.

> 2% toename

2% toename

>100 EH > 1% toename

10-100 EH 1% toename

0 0-50 EH 1% toename of minder 0-10 EH 0% toename

GES7+ >5

GES7+ 1-5

Geen GO GES7+

>500 EH

--

50-500 EH

Als de verschillende opstellingen in de zoekgebieden worden doorgerekend resulteert dat in de volgende beoordeling.

Holendrecht

Land. Noord

5B 44

5C 561

6A 1

X1 X2 833 321

1% 55 0% 8

3% 684 2% 0

1% 2% 3% 2% 3% 2% 3 26 380 0 396 211 0% 1% 2% 0% 1% 1% 0 0 0 0 1 0

3.4

Slagschaduw

3.4.1

Beoordelingscriteria

2% 35 0% 0

2% 160 1% 1

2% 18 0% 0

3% 318 2% 0

2% 98 1% 0

IJmeer

Gaasperplas

5A 19

IJburg Baai

4D 4E 1008 218

S/B-eiland

1A 1B 3 4A 4C 305 239 477 116 346

Science Park

Weesperkarspel

Aantal ernstig gehinderden windturbinegeluid % ernstig gehinderden windturbinegeluid (t.o.v. alle GO met Lden >=37 dB Lden) Toename aantal ernstig gehinderden cumulatief geluid Toename % ernstig gehinderden cumulatief geluid Aantal woningen waar de GES-score stijgt naar 7 of hoger

Ring A10 Noord

Diemerscheg

Zoekgebieden

Haven-Zuid

Diemerpark

Effectbeoordeling Leefomgeving: gezondheid

Haven

Tabel 25

Om inzicht te bieden in het effect van slagschaduw op de omgeving is voor elk zoekgebied berekend hoeveel woningen (en andere slagschaduwgevoelige objecten) er zijn waar de onderzoeksopstelling meer dan 30 minuten slagschaduw per jaar veroorzaakt. Voor de zoekgebieden wordt vervolgens berekend hoe vaak er hoeveel windturbines stilgezet moeten worden om alle slagschaduw op gevoelige objecten te voorkomen. De bij deze stilstand behorende opbrengstderving is een beoordelingscriterium. In deze fase van het onderzoek is gekozen om te rekenen aan een 0-uur norm om zo voor elk zoekgebied de totale slagschaduwduur en het effect van een stilstandvoorziening inzichtelijk te maken. De keuze voor een 0-uur norm is mede gemaakt omdat in deze fase van het onderzoek de slagschaduw wordt berekend op ingetekende vlakken, in plaats van alle individuele punten (woningen). Dit om de berekening niet onnodig complex 13

Toelichting afkortingen: GO = gevoelig object, OO = overig object, TWh/jr = Terawattuur per jaar, EH = ernstig gehinderden, GES = Gezondheidseffectscreening

Effectbeoordeling zoekgebieden

44 44

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

te maken. In deze fase van het onderzoek wordt de slagschaduwduur berekend op vlakken omdat dit een goede maximale indicatie geeft van de hoeveelheid slagschaduw die zal optreden binnen de verschillende zoekgebieden. Het doel van het slagschaduwonderzoek in de eerste fase van het planMER is een vergelijkende beoordeling tussen de zoekgebieden. Door het gebruik van vlakken kan de totale slagschaduwduur per zoekgebied goed inzichtelijk worden gemaakt, om zo deze vergelijkende analyse te kunnen doen. De exacte benodigde stilstand per woning is in deze fase nog niet relevant. Bij de berekening van de Alternatieven is de slagschaduwduur op individuele punten wel berekend (zie 4). Ten slotte zal de totale slagschaduwduur op nabijgelegen overige terreinen (volkstuinen en andere recreatiegebieden) worden berekend per zoekgebied.

3.4.2

Rekenmethode Bosch & van Rijn heeft een slagschaduwonderzoek uitgevoerd naar de slagschaduw bij woningen en recreatiegebieden als gevolg van de ingetekende windturbineopstellingen in de verschillende zoekgebieden binnen de gemeente Amsterdam. Naast deze individuele beoordeling van de zoekgebieden zijn verschillende Alternatieven opgesteld. Deze studie volgt de beoordelingscriteria zoals opgenomen in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) voor het planMER windenergie Amsterdam. Slagschaduw van een windturbine is de bewegende schaduw van de draaiende wieken. Als slagschaduw op het raam van een woning valt kan dat als hinderlijk worden ervaren. De stand van de zon is een vast gegeven voor elke datum, elk tijdstip en voor elke breedtegraad. Voor elk object (bijvoorbeeld een windturbine) is het daarom mogelijk een berekening uit te voeren om het tijdvak te bepalen wanneer er slagschaduw op een bepaald punt valt (bijvoorbeeld op een raam van een woning). Om deze berekening te kunnen uitvoeren is de volgende informatie nodig: De grootte van het object dat slagschaduw veroorzaakt; voor een windturbine zijn de ashoogte en de wieklengte van belang; ❖ De positie van de windturbine en het beschaduwde object (met name ten opzichte van elkaar); ❖ De grootte, richting en oriëntatie (hellingshoek) van het beschaduwde object.

Met de richting wordt bedoeld hoe het raam (lichtdoorlatende deel van de gevel) gericht is ten opzichte van de windturbine(s). De orientatie is in het algemeen verticaal, maar kan ook schuin zijn door bijvoorbeeld een dakraam in een schuin dak (onder een bepaalde hoek). Bij beschouwing van de slagschaduw van een windpark dat uit meerdere windturbines bestaat worden de schaduwperiodes van de afzonderlijke windturbines opgeteld voor zover de schaduwen elkaar niet overlappen. ❖

45 Effectbeoordeling zoekgebieden

45

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

3.4.2.1

Hinder van slagschaduw

Slagschaduw als gevolg van de bewegende wieken van windturbines wordt als hinderlijk ervaren wanneer deze schaduw over ramen valt (omdat daardoor grote lichtintensiteitsverschillen optreden). Daarom moet het effect nauwkeurig in beeld gebracht worden. Ditzelfde effect is buitenshuis veel minder hinderlijk, omdat daar de basislichtintensiteit veel hoger is. NB. Expertgroep Advies Gezondheid adviseert voor slagschaduw een grenswaarde van maximaal 17 dagen per jaar 20 minuten op gevoelige objecten, ook wel vereenvoudigd naar een maximale slagschaduwbelasting van 17 x 20 minuten oftewel 340 minuten per jaar. Daarnaast wordt aanbevolen om slagschaduw zoveel mogelijk te reduceren. Het advies van de expertgroep is bedoeld voor de tijdelijke situatie dat er geen algemene landelijke milieunormen voor nieuwe windturbineparken van toepassing zijn. 3.4.2.2

Aannames

De berekening gaat uit van de realistische gemiddelde situatie. Hiertoe worden een aantal aannames gedaan om de situatie te benaderen zoals die werkelijk zal optreden: ❖ Correctie voor de gemiddelde zonneschijnduur; De zon schijnt (overdag) niet altijd, vanwege de aanwezigheid van bewolking (en mist). Op basis van klimatologische gegevens van het KNMI voor de gemiddelde zonneschijnduur wordt een maandelijks getal afgeleid voor de kans dat de zon daadwerkelijk schijnt. Voor het onderzoek in dit projectgebied is gebruik gemaakt van KNMI-gegevens van meetstation Schiphol. ❖ Correctie voor stilstand; Als een windturbine niet draait, is er ook geen sprake van slagschaduw. Dit is bijvoorbeeld het geval bij lage windsnelheden (minder dan ca. 3 m/s), omdat de windturbine dan (nog) niet draait. Bij zeer hoge windsnelheden (boven 25m/s) wordt een windturbine uit veiligheidsoverwegingen stilgezet. Ook worden windturbines stilgezet tijdens onderhoudswerkzaamheden. ❖ Correctie voor de windrichting; Op basis van windmetingen op de gondel wordt de windturbine zo gedraaid dat bladen altijd in de richting staan waar de wind vandaan komt. Afhankelijk van de gemiddelde windrichtingsverdeling wordt een correctiefactor afgeleid, aangezien de grootte en positie van de schaduw verandert met de positie van de gondel.

❖ Minimale zonhoek; In het voor- en najaar staat zon relatief lang laag aan de hemel en kan op grotere afstand slagschaduw optreden. Bij zonsopkomst en zonsondergang is het licht vrij diffuus en wordt de turbine vaak aan het zicht onttrokken door gebouwen en begroeiing. In deze studie is uitgegaan van een minimale zonhoek van 3 graden. Schaduw bij een zonnestand lager dan drie graden wordt als niet-hinderlijk beoordeeld. ❖ Minimale bedekking van de zon door de wieken; Hinderlijke slagschaduw wordt veroorzaakt door het contrast tussen licht en donker. Bij slagschaduw die op ruime afstand van de windturbine ontstaat, is het Effectbeoordeling zoekgebieden

46 46

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

contrast tussen licht en donker kleiner dan bij slagschaduw die op een kleine afstand van de windturbine ontstaat. Als de wieken maar een klein deel (minder dan 20%) van de zonneschijf bedekken, is de slagschaduw dermate diffuus dat deze nauwelijks voor hinder zorgt. In dit onderzoek wordt daarom aangenomen dat er alleen slagschaduw optreedt wanneer de zon minimaal voor minimaal 20 procent wordt bedekt door de wiek van een windturbine. Dit wordt in WindPRO berekend op basis van bladbreedtegegevens van het gebruikte windturbinetype. Indien dergelijke gegevens niet beschikbaar zijn is voor het tekenen van de contouren gebruik gemaakt van bladbreedtegegevens van een vergelijkbaar type. Bovenstaande correcties zijn gebaseerd op gegevens over het klimaat. De correctie van de gemiddelde zonneschijnduur is gebaseerd op maandgemiddelde metingen en de correcties voor stilstand en windrichting zijn gebaseerd op de jaargemiddelde metingen. Dit zijn langjarige gemiddelden. In een individueel jaar is de schaduwhinder in sommige gevallen hoger en in sommige gevallen lager dan het gemiddelde. De berekening is uitgevoerd met het softwarepakket WindPRO, een programma dat slagschaduw nauwkeurig berekent en dat veel gebruikt wordt in de windenergiesector.

Om de effecten 'worst-case’ in beeld te brengen is geen rekening gehouden met het feit dat gebouwen en andere hoge obstakels de windturbines aan het zicht kunnen onttrekken en daarmee ook slagschaduw voorkomen. 3.4.2.3

Windturbinetypen

De slagschaduwberekening volgt de gekozen windturbinetypen die zijn gebruikt in de belemmeringenstudie. Er is hierin een onderscheid tussen vier verschillende windturbinetypen, met verschillende ashoogte en rotordiameter. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de verschillende typen windturbine gebruikt in het slagschaduwonderzoek met bijbehorende ashoogte en rotordiameter. Tabel 26

3.4.2.4

Overzicht windturbinetypen Klasse

Type

Fabrikant

RD

Ashoogte

Haven Klein Midden Hoog

Vestas V110 Vestas V150 Vestas V126 Vestas V172

Vestas Vestas Vestas Vestas

110 126 150 172

75 82 137 154

Slagschaduwgevoelige objecten

Slagschaduwgevoelige objecten die deel uitmaken van de slagschaduwstudie komen uit de Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG, 2023). Hierbij worden gebouwen met een woon-, onderwijs en gezondheidszorgfunctie gezien als slagschaduwgevoelige objecten. In de eerste fase van het onderzoek zijn de gebieden met slagschaduwgevoelige objecten ingetekend als ‘vlakken’, in plaats van individuele punten. In deze Effectbeoordeling zoekgebieden

47 47

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

fase van het onderzoek wordt de slagschaduwduur berekend op vlakken omdat dit een goede eerste indicatie geeft van de hoeveelheid slagschaduw die zal optreden binnen de verschillende zoekgebieden. Het doel van het slagschaduwonderzoek in deze eerste fase van het planMER is een vergelijkende beoordeling tussen de zoekgebieden. Door het gebruik van vlakken kan de totale slagschaduwduur per zoekgebied goed inzichtelijk worden gemaakt, om zo deze vergelijkende analyse te kunnen doen. De exact benodigde stilstand per woning is in deze fase nog niet relevant, en heeft geen toegevoegde waarde in een vergelijking tussen de zoekgebieden. Bij de berekening van de Alternatieven is de slagschaduwduur op individuele punten wel berekend (zie 4). Op plekken waar meerdere woningen naast elkaar liggen (straten, wijken) zijn vlakken ingetekend in plaats van elke individuele woning te modelleren. Indien dit niet mogelijk is (bijvoorbeeld een individueel gelegen woning) is deze wel individueel toegevoegd, zodat er geen woningen buiten het onderzoek vallen. Woningdichtheid binnen een vlak heeft geen invloed op de hoeveelheid stilstand. De voorste rij huizen die slagschaduw ontvangt zorgt voor een bepaalde mate stilstand, waardoor de huizen gelegen achter deze rij al worden beschermd door deze stilstand, en er dus geen hogere slagschaduw zal zijn bij een hogere dichtheid.

Enkel de dichtheid van de voorste rij huizen zou invloed kunnen hebben. Echter, bevat een slagschaduwonderzoek met individuele punten altijd een worstcase aanname waarbij elke woning een 8 meter breed raam heeft. Deze aanname zorgt ervoor dat een ingetekend vlak nagenoeg overeen zal komen met een berekening van individuele punten. 3.4.2.5

Overige terreinen

Naast de slagschaduw op gevoelige objecten wordt ook de slagschaduwduur op overige terreinen berekend. Onder overige terreinen wordt het volgende beschouwd: ❖ Volkstuinen zowel met als zonder overnachtingsmogelijkheid ❖ Verblijfsobjecten met logiesfunctie ❖ Recreatieterreinen waar verblijfsrecreatie mogelijk is 3.4.2.6

Wind en zon aanbod

Om de hoeveelheid slagschaduw op een specifieke locatie te berekenen, is het van belang om te weten vanaf welke richting de wind waait, en hoe hard het waait (windsnelheid). Immers staat de windturbine stil als de windsnelheid te laag is. Deze grens ligt op ongeveer 3 m/s (op ashoogte). Een moderne windturbine met een ashoogte boven de 80 meter is gemiddeld ca. 95% van de tijd in bedrijf. Wij gaan in dit onderzoek ook uit van 95% bedrijf op basis van de windrichtingsverdeling bij Meteostation Schiphol. Het zonaanbod is in de berekening gebaseerd op het zonaanbod bij meetstation Schiphol (het dichtstbijzijnde meetstation waarvan bij ons data bekend is). Zie de bijlagen met de WindPRO-rekenresultaten voor de precieze waarden. Effectbeoordeling zoekgebieden

48 48

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

Zomer- en wintertijd hebben geen effect op de duur van de slagschaduw, maar wel op het moment van de dag waarop slagschaduw plaatsvindt. Tijdswijzigingen van zomer- naar wintertijd en vice versa vinden plaats iedere laatste zondag van maart en laatste zondag van oktober plaats. Het effect (moment van de dag) hiervan is meegenomen in de berekening.

3.4.3

Resultaten Per zoekgebied is nagegaan hoeveel gevoelige objecten binnen de 30 minuten slagschaduwcontour liggen. Dit betekent dus dat woningen die gelegen zijn binnen de contour meer dan 30 minuten slagschaduw per jaar zullen ontvangen. De figuren met slagschaduwcontouren zijn opgenomen in Bijlage D.

Ring A10 Noord

Science Park

S/B-eiland

IJburg Baai

Diemerpark

Diemerscheg

Weesperkarspel

Gaasperplas

Holendrecht

Land. Noord

IJmeer

Zoekgebieden Aantal SGO binnen 30 minuten contour Aantal SGO binnen 30 minuten contour/GWh/jr

Haven-Zuid

Aantal objecten binnen de 30 minuten contour

Haven

Tabel 27

1A 587 8 17

1B 624 1 346

3 2273 8 207

4A 1550 6 843

4C 520 7 60

4D 1744 8 237

4E 928 6 505

5A 732 5 203

5B 704 6 383

5C 1510 3 274

6A 376 2 204

X1 1341 6 17

X2 628 9 8

Per zoekgebied is vervolgens de benodigde stilstand berekend om aan een 0uur slagschaduwnorm te kunnen voldoen. Het percentage stilstand is berekend ten opzichte van het op basis van de windsnelheidsverdeling verwachte aantal operationele uren (8307 uur per windturbine per jaar) .

Ring A10 Noord

Science Park

S/B-eiland

IJburg Baai

Diemerpark

Diemerscheg

Weesperkarspel

Gaasperplas

Holendrecht

Land. Noord

IJmeer

Zoekgebieden % Stilstand om aan 0-uur norm te voldoen % Stilstand om aan 0-uur norm te voldoen /GWh/jr

Haven-Zuid

Percentage van de tijd dat windturbines stil moeten staan om slagschaduw te voorkomen.

Haven

Tabel 28

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

0,26% 0,69% 2,02% 3,31% 0,77% 2,56% 4,59% 0,92% 3,57% 2,96% 2,03% 1,93% 0,46% 0,00% 0,04% 0,02% 0,18% 0,01% 0,03% 0,25% 0,03% 0,19% 0,05% 0,11% 0,00% 0,00%

Naast de slagschaduw op slagschaduwgevoelige objecten is de slagschaduwduur berekend op overige terreinen. Hieronder vallen volkstuinen, recreatiegebieden met overnachtingsmogelijkheid en gebouwen met logiesfunctie.

49 Effectbeoordeling zoekgebieden

49

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

IJburg Baai

Diemerpark

Diemerscheg

Weesperkarspel

Gaasperplas

Holendrecht

Land. Noord

IJmeer

Zoekgebieden 1A 1B 3 4A Totale slagschaduwduur op overige terrei- 231:25 357:51 1632:52 139:43 nen (uu:mm)

S/B-eiland

Science Park

Ring A10 Noord

Haven-Zuid

Slagschaduwduur op overige terreinen

Haven

Tabel 29

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

52:20

384:05

74:06

299:50

64:27

208:00

106:45

1682:22

381:35

De derving die gepaard gaat met het voorkomen van slagschaduw op overige terreinen valt buiten de scope van het MER: daarvoor zou eerst bepaald moeten worden welk soort terreinen welke bescherming toekomt.

3.4.4

Beoordeling Per beoordelingscriterium zijn klassegrenzen gedefinieerd om een goed vergelijk tussen de zoekgebieden mogelijk te maken. Zie ook de algemene inleiding van dit hoofdstuk voor een toelichting.

Tabel 30

Beoordelingskader slagschaduw

Beoordelingscriterium14 Aantal SGO binnen 30 minuten contour Aantal SGO binnen 30 minuten contour/GWh/jr % Stilstand om aan 0-uur norm te voldoen % Stilstand om aan 0-uur norm te voldoen /GWh/jr Totale slagschaduwduur op overige terreinen (uu:mm)

->10000 >500

5000-10000 100-500

0 <5000 <100

>3% >0,05%

1-3% <0,05%

<1% 0,00%

>300

100-300

<100

De hierboven verkregen resultaten leiden tot onderstaande beoordeling. Zoekgebieden Aantal SGO binnen 30 minuten contour Aantal SGO binnen 30 minuten contour/GWH/jr % Stilstand om aan 0-uur norm te voldoen Totale slagschaduwduur op overige terreinen (uu:mm)

3.5

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

5878

6241

22738

15506

5207

17448

9286

7325

7046

15103

3762

13416

6289

17,45

346,19

207,37

842,80

60,03

237,09

504,72

203,16

382,97

273,63

204,48

17,43

8,28

0,26%

0,69%

2,02%

3,31%

0,77%

2,56%

4,59%

0,92%

3,57%

2,96%

2,03%

1,93%

0,46%

231”25

357:51

1632:52

139:43

52:20

384:05

74:06

299:50

64:27

208:00

106:45

1682:22

381:35

Externe veiligheid Ten behoeve van het MER is een risicoanalyse uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico’s van alle zoekgebieden. Voor ieder zoekgebied zijn de effecten apart beoordeeld. 14

Toelichting afkortingen: GO = gevoelig object, OO = overig object, TWh/jr = TeraWattuur per jaar, EH = ernstig gehinderden, GES = Gezondheidseffectscreening

Effectbeoordeling zoekgebieden

50 50

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

3.5.1

Beoordelingscriteria De beoordelingscriteria voor het thema externe veiligheid zijn: ➢ Ligging t.o.v. beperkt kwetsbare objecten (incl recreatie en volkstuinen zonder overnachting) ➢ Ligging t.o.v. kwetsbare objecten (incl volkstuinen met overnachting) ➢ Ligging t.o.v. buisleidingen en hoogspanning ➢ Ligging t.o.v. risicovolle installaties ➢ Ligging t.o.v. vaarwegen ➢ Ligging t.o.v. rijkswegen en spoorwegen ➢ Ligging t.o.v. waterkeringen

3.5.1.1

(Beperkt) kwetsbare objecten

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn definities voor kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties opgenomen. Dit zijn objecten die bij een externe veiligheidsbeoordeling bijzondere bescherming verdienen, omdat zij zijn bestemd voor het (langdurig) verblijf van kwetsbare of grote aantallen personen.

Welk extern veiligheidsrisico bij (beperkt) kwetsbare objecten als aanvaardbaar wordt beschouwd wordt in normen omschreven met het plaatsgebonden risico (PR). Hiermee wordt de kans omschreven dat een persoon die zich onafgebroken op een bepaalde locatie bevindt komt te overlijden als direct gevolg van een ongeval bij de te beoordelen inrichting. Een persoon die zich onafgebroken op de PR 106 contour rondom een inrichting bevindt heeft een kans op overlijden van 10-6 per jaar (één op de miljoen per jaar) als direct gevolg van een ongeval bij de te beoordelen inrichting. Op de PR 10-5 contour is de kans op overlijden één op de honderdduizend per jaar. In het Activiteitenbesluit milieubeheer waren normen voor het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen, veroorzaakt door een windturbine of combinatie van windturbines. Door een uitspraak van de Raad van State in het kader van windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding zijn deze normen in 2020 buiten werking verklaard. De bescherming van (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare ge-bouwen is geregeld in het Bkl. Hierin wordt voor (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties een grenswaarde voor het PR gesteld van 10-6 per jaar, terwijl voor beperkt kwetsbare ge-bouwen en locaties een standaardwaarde voor het PR wordt gesteld van 10-6 per jaar.

Van een grenswaarde mag niet worden afgeweken, terwijl van de richtwaarde wel gemotiveerd mag worden afgeweken. Ten opzichte van beperkt kwetsbare objecten is daarom niet alleen beoordeeld of hier aan de richtwaarde voor het PR van 10-6 wordt voldaan, maar ook of hier aan een tienmaal zo hoog PR van 10-5 kan worden voldaan. Het hanteren van een normgrens voor het PR bij beperkt kwetsbare objecten van 10-5 per jaar wordt in externe veiligheidsbeoordelingen doorgaans als gebruikelijk beschouwd.

51 Effectbeoordeling zoekgebieden

51

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

3.5.1.2

Hoogspanning en buisleidingen

Er bestaat geen wettelijk kader voor de invloed van windturbines op hoogspanningsleidingen. TenneT heeft in het Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW2020) een adviesafstand opgenomen voor het transportnetwerk van 110kV tot en met 380kV. Deze adviesafstand is gelijk aan de maximale werpafstand bij nominaal toerental of indien deze groter is, de ashoogte + halve rotordiameter. Dit betreft echter geen wettelijke grenswaarde. Wanneer er niet wordt voldaan aan de afstandseis, vraagt TenneT om met hen in overleg te treden. TenneT zal op basis van het concrete geval bepalen welk risico voor de betreffende asset op dat moment aanvaard kan worden. Als eerste richtlijn kan gebruikt worden dat windturbine(s) de kans op falen van de verbinding met 10% mag verhogen. Deze additionele faalkans wordt gerelateerd aan de al aanwezige faalkans van de verbinding tussen de aangrenzende verdeel- of transformatorstations. Aangezien er geen standaard faalfrequentie van een hoogspanningsverbinding bestaat, dient in alle gevallen overleg en afstemming met TenneT plaats te vinden. Voor zowel bovengrondse als ondergrondse buisleidingen adviseert Gasunie een afstand aan te houden waarbuiten geen significant additioneel risico van een windturbine te verwachten is.

Voor ondergrondse buisleidingen wordt door Gasunie geadviseerd, de grootste afstand van: ➢ maximale werpafstand bij nominaal toerental ➢ ashoogte + ½ rotordiameter Voor alle onderzochte windturbinetypes geld dat de ashoogte + ½ rotordiameter de grootste afstand geeft en daarmee maatgevend is. Voor bovengrondse buisleidingen, welke per definitie minder bescherming hebben dan ondergrondse leidingen adviseert Gasunie een afstand van de maximale werpafstand bij overtoeren. Aangezien er in de zoekgebieden geen bovengrondse buisleidingen aanwezig zijn speelt deze eis verder geen rol. Indien aan deze adviezen wordt voldaan is geen kwantitatieve risicoanalyse nodig. Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing, waarbij het additionele risico ten gevolge van windturbines dient meegenomen te worden. 3.5.1.3

Risicovolle installaties

Indien de windturbines niet substantieel bijdragen aan een verhoging van de risico’s van de inrichting zullen de voor de inrichting geldende risicoafstanden niet significant wijzigen. Dat betekent dat toetsing aan de afstanden tot (beperkt) kwetsbare objecten ook na plaatsing van de windturbines niet tot belemmeringen leidt. Om dit te toetsen kan in eerste instantie naar de toename van de catastrofale

Effectbeoordeling zoekgebieden

52 52

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

faalfrequentie van risicovolle installaties behorende tot de inrichting worden gekeken. Indien deze toename een bepaalde richtwaarde niet overschrijdt is plaatsing van de windturbine uit oogpunt van risicobeoordeling toegestaan. Als uitgangspunt voor deze richtwaarde wordt volgens de Handreiking Risicozonering Windturbines15 10% gehanteerd. Indien de toename deze richtwaarde overschrijdt, is plaatsing niet direct uitgesloten, maar wordt door een uitgebreidere analyse bepaald of er na plaatsing nog steeds voldaan wordt aan de normen uit het Bkl. In het Bkl zijn ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten de volgende normen opgenomen: -

-

3.5.1.4

In een omgevingsplan wordt een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit van 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties.

Vaarwegen

Rijkswaterstaat hanteert in artikel 4 lid 1 van de “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatwerken” de volgende regel: Langs kanalen, rivieren en havens wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 50 meter uit de rand van de vaarweg (artikel 4 lid 1). ➢ Binnen 50 meter uit de rand van de vaarweg wordt plaatsing slechts toegestaan indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat er geen hinder voor walen scheepsradar optreedt. De minimale afstand tot de rand van de vaarweg is altijd ten minste de helft van de rotordiameter (artikel 4 lid 2). ➢ Het onder lid 1 en 2 bepaalde laat onverlet de toepassing van de Beleidslijn ‘Ruimte voor de Rivier’ (artikel 4 lid 3). ➢ Plaatsing mag geen visuele hinder opleveren voor het scheepvaartverkeer en bedienend personeel van kunstwerken. Het zicht op vaarwegmarkeringstekens mag niet door plaatsing van windturbines worden afgeschermd (artikel 4 lid 4). ➢

Als onderdeel van de beoordeling van de ruimtelijke ordening, kan het bevoegd gezag verzoeken om het IPR en MR te berekenen.

15

53

Handreiking Risicozonering Windturbines, 2020.

Effectbeoordeling zoekgebieden

53

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

3.5.1.5

Wegen en spoorwegen

Voor Rijkswegen zijn generieke afstanden berekend waarbuiten er geen ontoelaatbare risico’s voor passanten plaatsvinden. Het document “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over Rijkswaterstaatwerken” staan de minimale afstanden tot Rijkswegen gegeven: “Langs rijkswegen wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 30m uit de rand van de verharding of bij een rotordiameter groter dan 60m, ten minste de halve diameter”. Voor de overige openbare wegen bestaan geen genormeerde afstanden, waardoor kleinere afstanden mogelijk zijn. In de beleidsregel “Windturbines langs auto-, spoor-, en vaarwegen – Beoordeling van veiligheidsrisico’s” staan de richtlijnen gegeven (zie kaders): “Individuele passantenrisico (IPR) Voor het risico voor de passant is een risicomaat gekozen die aansluit bij de individuele beleving van de passant, namelijk de overlijdenskans per passant per jaar. Hierbij wordt de passant gevolgd gedurende zijn bezigheden in de nabijheid van het windturbinepark. De initiatiefnemer die een of meerdere windturbines wil plaatsen dient aan te tonen dat het maximale toelaatbare Individueel Passanten Risico IPR niet wordt overschreden op de infrastructuur in de nabijheid van de turbine. De grens is vastgesteld van honderdzestig kilometer per uur.

Een generiek IPR van 10-6 wordt aangehouden voor alle infrastructuur waarop de wettelijk toelaatbare snelheden de honderdzestig kilometer per uur niet overschrijden, en een generiek IPR van 10-7 op infrastructuur waarop wettelijk toelaatbare snelheden boven de honderdzestig kilometer per uur bestaan. Maatschappelijk risico (MR) Er zijn verschillenden maten te kiezen voor het maatschappelijk risico. Rijkswaterstaat en ProRail hanteren het criterium dat er jaarlijks niet meer dan 2*10-3 passanten mogen overlijden. In het externe-veiligheidsbeleid voor stationaire installaties of vervoersactiviteiten wordt uitgegaan van groepsrisicocurven of FN-curven. Groepsrisicocurves hebben alleen betekenis voor ’kleine-kans-groot-gevolg’-ongevallen met slachtofferaantallen groter dan 10 per ongeval. Uit studies ref. [2, 4, 5, 6] blijkt dat bij windturbineparken in de nabijheid van rijkswegen altijd ruimschoots aan de groepsrisiconorm wordt voldaan. Op grond van artikel 19 van de Spoorwegwet dient bij ProRail een vergunning te worden aangevraagd voor plaatsing van windturbines wanneer een (deel van een) rotorblad binnen de vergunningsgrenzen komt. Deze grens ligt op 11 meter van het hart van het buitenste spoor.

In verband met de spoorwegveiligheid hanteert ProRail een afstandseis tussen windturbines en de spoorweg en dient het veiligheidsrisico voor personen en gevaarlijke stoffen te worden bepaald. Voor spoorwegen hanteert ProRail een adviesafstand waarbuiten geen substantiële negatieve invloed van een windturbine is te verwachten. Hiervoor geldt het volgende plaatsingsadvies:

Effectbeoordeling zoekgebieden

54 54

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

De afstand tussen windturbines en het dichtst bij gelegen spoor dient minimaal 7,85 meter + halve rotordiameter te zijn, gemeten vanuit het hart van het dichtstbijzijnde spoor, met een minimum van 30 meter (Handreiking Risicozonering Windturbines, versie mei 2020). Deze afstanden zijn niet van toepassing op spoorwegen zonder bovenleiding. ➢

3.5.1.6

Waterkeringen

Windturbines kunnen effect hebben op de stabiliteit van waterkeringen. Daarom is het gebruikelijk om dergelijk effect in een (plan)MER inzichtelijk te maken. Op het detailniveau van een gemeentebreed planMER is het voldoende om aan te kaarten in hoeverre windturbines binnen een beschermingszone gelegen zijn. Uit de ruimtelijke analyse blijkt dat alle onderzoeksopstellingen in de zoeklocaties zodanig ver van waterkeringen staan dat effecten uitgesloten kunnen worden.

3.5.2

Rekenmethode

3.5.2.1

(Beperkt) kwetsbare objecten

In paragraaf 3.5.1.1 zijn de beoordelingscriteria m.b.t. (beperkt) kwetsbare objecten beschreven. In het Bkl (Bijlage VI) zijn deze objecten gedefinieerd. Om de beoordeling op de grote schaal van dit MER te kunnen uitvoeren zijn de definities vertaald naar (worst-case) definities die zijn gehanteerd in dit MER: Kwetsbare gebouwen en locaties • Alle objecten met een woonfunctie, zorgfunctie of onderwijsfunctie; • Gebouwen met een kantoorfunctie met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m2; • Recreatie en volkstuinen met overnachting. Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties • Alle panden die niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt; • Recreatie en volkstuinen zonder overnachting. 3.5.2.2

Faalscenario’s

Risico’s van een windturbine voor de omgeving bestaan uit drie typen falen: 1. het afbreken van (een gedeelte van) een windturbineblad; 2. het omvallen van een windturbine door mastbreuk; 3. het naar beneden vallen van de gondel en/of rotor. Deze drie type risico’s worden hieronder toegelicht. 1.

Afbreken van een windturbineblad

Effectbeoordeling zoekgebieden

55 55

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

Het risico voor de omgeving van een afgebroken blad is afhankelijk van: • De kans dat een blad afbreekt en de omstandigheden waaronder dit gebeurt; • De baan die het afgebroken blad aflegt, de plek waar hef afgebroken blad zal inslaan en de snelheid bij inslag; • De aanwezigheid van personen of objecten op de plaats waar het afgebroken blad terecht komt; • De gevolgen voor personen en of objecten als ze door een afgebroken blad worden getroffen. De risico’s van het afbreken van een windturbineblad vormen een risico binnen de straal van de maximale werpafstand. Hierbij worden twee scenario’s onderscheiden: • Werpafstand bij nominaal toerental; • Werpafstand bij overtoeren; 2.

Omvallen van een windturbine door mastbreuk Als gevolg van mastbreuk kan een persoon of object getroffen worden door de mast of door de gondel met rotor die op de grond terecht komt. Het omvallen van een windturbine vormt een risico binnen de maximale valafstand (ashoogte + halve rotordiameter) van de windturbine.

3.

Vallen van de gondel en/of rotor. Het risicogebied waarbinnen een gevallen gondel en/of rotor neerkomt, is beperkt tot maximaal de wieklengte. Als gevolg van gondelafworp kan een persoon of object getroffen worden door de gondel die op de grond terecht komt.

3.5.2.3

Werpafstanden en risicocontouren

Voor de gekozen windturbinetypes zijn op basis van generieke faalfrequenties (Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid – Module IV – Windturbines (versie oktober 2020), het kogelbaanmodel (Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid – Module IV – Windturbines (versie oktober 2020)) en parameters van de specifieke windturbinetypes de werpafstanden en risicocontouren berekend. Uit de berekening met de windturbinetypen volgen de in Tabel 31 getoonde risicocontouren en werpafstanden. De berekeningen zijn uitgevoerd met het rekenprogramma BladeThrow, ontwikkeld door Bosch & van Rijn. Tabel 31

Risicocontouren en maximale werpafstanden van onderzochte windturbinetypen Risicocontouren [m] Max. werpafstand [m] Bij nominaal Bij Turbinetype Ashoogte [m] 10-5* 10-6 toerental Overtoeren Vestas V110 75 55 130 87 219 Vestas V126 82 63 145 97 243 Vestas V150 137 75 177 127 301

Effectbeoordeling zoekgebieden

56 56

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

Vestas V172 154 86 201 201 520 * Als worst-case benadering is als 10-5 contour een afstand gelijk aan de halve rotordiameter aangehouden.

3.5.2.4

Risico-inventarisatie

De beoogde windturbines kunnen een risico verhogend effect hebben op nabijgelegen gebouwen, installaties en infrastructuur. De maximale werpafstand geeft de grootst mogelijke afstand waarbinnen de windturbine veiligheidsrisico’s voor de omgeving kan opleveren. Aangezien alle in paragraaf 3.5.1 genoemde beoordelingscriteria in meer of mindere mate een rol spelen binnen de maximale werpafstand worden al deze criteria beschouwd.

3.5.3

Resultaten en beoordeling Alle beoordelingscriteria zijn gerelateerd aan de ligging van de windturbines ten opzichte van de ruimtelijke inrichting van de omgeving. Daarom volgen de resultaten uit een GIS-analyse. Per beoordelingscriterium zijn klassegrenzen gedefinieerd om een goed vergelijk tussen de zoekgebieden mogelijk te maken. Zie ook de algemene inleiding van dit hoofdstuk voor een toelichting.

Tabel 32

Beoordelingskader externe veiligheid Beoordelingscriterium16 Ligging t.o.v. beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (incl recreatie en volkstuinen zonder overnachting) Ligging t.o.v. (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties (incl volkstuinen met overnachting) Ligging t.o.v. buisleidingen en hoogspanning Ligging t.o.v. risicovolle installaties Ligging t.o.v. vaarwegen Ligging t.o.v. rijkswegen, spoorwegen & waterwegen Ligging t.o.v. waterkeringen

16

-Beperkt kwetsbaar gebouw/locatie binnen de PR 10-5

0 Beperkt kwetsbaar geGeen beperkt kwetsbouw/locatie binnen PR baar gebouw/locatie 10-6 maar buiten PR 10-5 binnen de PR 10-6

(Zeer) kwetsbaar gebouw/locatie binnen de PR 10-6 contour Voldoet niet aan de adviesafstand

n.v.t

Geen (zeer) kwetsbaar gebouw/locatie binnen de PR 10-6 Voldoet aan de advies- Voldoet aan de adviesafstand maar binnen de afstand werpafstand bij overtoeren Installatie binnen de Installatie binnen werp- Geen installatie binnen tiphoogte afstand afstand bij overtoeren, werpafstand bij overmaar buiten tiphoogte toeren contour afstand Windturbines geprojec- Voldoet niet aan beVoldoet aan beleidsreteerd binnen vaarwegen leidsregel vaarwegen gel Rijkswaterstaat Voldoet niet aan beVoldoet aan de beleids- Voldoet aan de beleidsleidsregel regel maar binnen de regel werpafstand bij overtoeren Windturbines geprojec- Windturbines geprojec- Geen windturbines geteerd binnen bescherteerd binnen bescherprojecteerd binnen de mingszone A mingszone B beschermingszones

Toelichting afkortingen: GO = gevoelig object, OO = overig object, TWh/jr = Terawattuur per jaar, EH = ernstig gehinderden, GES = Gezondheidseffectscreening

Effectbeoordeling zoekgebieden

57 57

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

De resultaten van de effectbeoordeling zijn weergegeven in onderstaande tabel. Voor de beperkt kwetsbare objecten is aangegeven hoeveel objecten liggen binnen de PR 10-5. Na de schuine streep ( “/”) is aangegeven hoeveel objecten binnen de PR 10-6 contour, maar buiten de PR 10-5 contour liggen. Voor de beperkt kwetsbare objecten is enkel het aantal objecten binnen de PR 10-6 contour aangegeven (het enige criterium).

3.6

Ring A10 Noord

Science Park

S/B-eiland

IJburg Baai

Diemerpark

Diemerscheg

Weesperkarspel

Gaasperplas

Holendrecht

Land. Noord

IJmeer

Zoekgebieden Ligging t.o.v. beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (incl recreatie en volkstuinen zonder overnachting) Ligging t.o.v. (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties (incl volkstuinen met overnachting) Ligging t.o.v. buisleidingen en hoogspanning Ligging t.o.v. risicovolle installaties Ligging t.o.v. vaarwegen Ligging t.o.v. rijkswegen en spoorwegen Ligging t.o.v. waterkeringen

Haven-Zuid

Effectbeoordeling externe veiligheid

Haven

Tabel 33

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

5/104

0/2

0

0

0

0

0/1

0

0

0/7

0/1

0/15

0

0

1

4

0

0

0

0

1

0

0

0

1

0

-0 -0

0 0 0

--0 --

0 0 -0

0 0 -0 0

0 0 -0 0

-0 0 0 0

0 0

0 0 0 0

0 0 0 0 0

0 0 0 -0

-0 0 -

-0 -0 0

Ecologie Wet natuurbescherming In de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) heeft het Rijk alle verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn verwerkt. Hoofdstuk 2 van de Wnb gaat in op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het ‘beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn’ staat in § 3.1, het ‘beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn’ in § 3.2 en het ‘beschermingsregime andere soorten’ in § 3.3, Hoofdstuk 4 bevat regels voor het verwijderen van bomen in houtopstanden. Daarnaast geldt een algemene zorgplicht op basis van art. 1.11 voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationaal natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten. Gebiedsbescherming - Natura 2000-gebieden Het onderdeel gebiedsbescherming vormt de invulling van de gebiedsbescherming van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en heeft als doel het beschermen en in stand houden van bijzondere gebieden in Nederland. Een belangrijk onderdeel zijn de Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten. Op basis van artikel 2.7 lid 2 Wnb is het verboden zonder vergunning (van Gedeputeerde Staten) een project te realiseren dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante effecten kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Soortenbescherming

Effectbeoordeling zoekgebieden

58 58

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

Naast het onderdeel gebiedsbescherming wordt tevens gekeken naar het onderdeel soortenbescherming. Windturbines kunnen namelijk effecten op beschermde soorten hebben, waarvan de effecten verschillen tussen de aanlegfase en de gebruiksfase. Effecten in de aanlegfase zijn voornamelijk effecten van tijdelijke aard, zoals vermijding of verstoring van voedselgebieden of nesten. In de gebruiksfase kunnen beschermde soorten effecten van windturbines ondervinden door o.a. verlies aan leefgebied door areaalverlies van de windturbine, door afname van de kwaliteit van het leefgebied (verstoring), door barrièrewerking, vermijding of door sterfte als gevolg van aanvaringen met de rotorbladen. Bij de realisatie van windturbines dient te worden getoetst of de voorgenomen ingreep leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen van betreffende beschermde soorten. Hierbij dienen de effecten in kaart te worden gebracht en onderzocht te worden of er sprake is van een effect op de gunstige Staat van instandhouding (SvI) van de betrokken soorten. De bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied is geborgd in de Wnb hoofdstuk 3 Soorten.

De Wnb bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het opzettelijk doden of vangen, en het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De Wnb onderscheidt hierbij drie beschermingsregimes: 1. Wnb § 3.1 beschermingsregime soorten ‘Vogelrichtlijn’ 2. Wnb §3.2 beschermingsregime soorten ‘Habitatrichtlijn’ 3. Wnb §3.3 beschermingsregime ‘andere soorten’. Gedeputeerde Staten kunnen vrijstelling en ontheffing verlenen van verboden indien er voor het project geen alternatief is, het project nodig is ter bescherming van een specifiek (per regime bepaald) algemeen belang en de maatregelen niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Voor soorten vallend onder §3.3 kan de provincie vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen verlenen op basis van artikel 3.10 lid 2a, Wnb.

3.6.1

Beoordelingscriteria en methode Voor de beoordeling van de windturbinelocaties is een specifieke beoordeling gehanteerd, aansluitend op de gevolgen van windenergie op gebieds- en soortenniveau. In het kader van gebiedsbescherming is gekeken naar Natura 2000gebieden, Natuurnetwerk Nederland, de provinciaal aangewezen weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden en de gemeentelijke Ecologische Structuur. Voor de beoordeling van soortenbescherming is gekeken naar de effecten in de aanlegfase en de exploitatiefase. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen effecten op vogels, effecten op vleermuizen, effecten op overig beschermde (HR en provinciale) zoogdieren, effecten op Amsterdamse beleidssoorten en effecten op zeezoogdieren. Tot slot wordt gekeken naar effecten op compensatiegebieden.

59 Effectbeoordeling zoekgebieden

59

PlanMER windenergie Amsterdam Technische bijlage

De beoordeling van de effecten van windenergie op ecologische aspecten is uitgevoerd met behulp van bestaande gegevens en openbaar wetenschappelijk onderzoek en met behulp van (lokale gebieds)kennis van de stadsecologen. De bestaande gegevens bestaan uit: • De Vogelatlas Amsterdam waarin verspreidingsgegevens van 20202021 van alle voorkomende broedvogelsoorten en wintervogels binnen 554 kilometerhokken binnen de gemeente Amsterdam in kaart zijn gebracht. • Kaartmateriaal van SOVON: gevoeligheidskaart vogeltrek Regio NoordHolland Zuid • Verspreidingsgegevens van vleermuizen, overige zoogdieren, zeezoogdieren tussen 2017-2022 op basis van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) (geraadpleegd 17 november 2022). • Verspreidingsgegevens van de gemeente Amsterdam van de Amsterdamse Beleidssoorten, data van fietstransecttellingen voor vleermuizen en data verkregen uit de batloggers binnen de gemeente Amsterdam. • Vleermuisonderzoek dat is uitgevoerd in het kader van IJburg Fase II. Daarnaast is openbare informatie verkregen vanuit online bronnen en openbaar wetenschappelijk onderzoek, zie de literatuurlijst in Bijlage B. Voor de beoordeling van de effecten is geen veldonderzoek uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek kan het voorkomen van een soort niet worden uitgesloten.

Er kan enkel in kaart worden gebracht waar beschermde soorten aanwezig zijn of zijn geweest of waar potentieel leefgebied aanwezig is of is geweest voor beschermde soorten. Bij een concreet project is nader ecologisch (veld)onderzoek in elk geval noodzakelijk. Met behulp van voorliggend onderzoek is het mogelijk, zover het natuurwaarden betreft, een afweging te maken welke zoekgebieden het meest kansrijk kunnen zijn voor een windinitiatief. De ecologische effecten zijn per thema in kaart gebracht en daarna beoordeeld voor de verschillende zoekgebieden (locatiealternatieven) en de vier Alternatieven. In tegenstelling tot de overige milieuthema’s is het beoordelingskader steeds al bij de beschrijving van het beoordelingscriterium gegeven Deze studie volgt de beoordelingscriteria zoals opgenomen in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) voor het planMER windenergie Amsterdam. 3.6.1.1

Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze Natura 2000-gebieden worden bepaalde dieren, planten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit (soortenrijkdom) te behouden. Voor windturbines in/nabij Natura 2000-gebied is het verplicht om de onderzoeken of er belangrijke effecten zijn op het gebied. In een milieueffectrapport wordt bepaald of een project significante gevolgen heeft voor Natura 2000gebieden. Er is sprake van significante effecten wanneer een project ervoor zorgt dat de instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende Natura 2000gebied niet meer of moeilijker te behalen zijn. Effectbeoordeling zoekgebieden

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14938076/1