3. 12e herziening Landelijk Noord_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Gemeente Amsterdam
blz. 30
Actieplan luchtkwaliteit In het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam zijn diverse maatregelen opgenomen om de kwaliteit van de lucht in zijn geheel te verbeteren. Omdat dit met alleen specifieke maatregelen niet lukt, bevat het plan daarnaast ook generieke maatregelen. Daardoor wordt een algemene verbetering van de luchtkwaliteit in de gehele stad bewerkstelligd. Op grond van het Actieplan Luchtkwaliteit moet in het ruimtelijke ordeningsbeleid meer rekening gehouden worden dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst of dat er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is. Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit In januari 2010 is de 'Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit' van kracht geworden. Daarin wordt gesteld dat in Amsterdam, onafhankelijk van het wel of niet overschrijden van de normen, geen gevoelige bestemmingen worden gebouwd binnen 300 meter van de rand van een snelweg of in de eerstelijns bebouwing binnen 50 meter van een provinciale weg/drukke stadsweg. Daarbij gaat het om wegen waar meer dan 10.000 voertuigen per etmaal rijden. Hetzelfde geldt voor het uitbreiden van een bestaande gevoelige bestemming met 10% of meer van de capaciteit.
De GGD adviseert in deze gevallen over de locatie en mogelijke maatregelen. Agenda Duurzaamheid: Schone lucht en duurzame mobiliteit De Amsterdamse ambitie voor het thema schone lucht gaat verder dan de wettelijke eisen voor luchtkwaliteit en is gericht op een gezonde luchtkwaliteit. Het gaat daarbij met name om mobiliteit gerelateerde maatregelen en een (stedenbouwkundig) ontwerp, met bijv. autoluwe gebieden, dat bijdraagt aan een gezonde leefomgeving. Vaak zijn de negatieve effecten op de luchtkwaliteit met name van het verkeer afkomstig. Goede OV- en fietsverbindingen De bebouwingsdichtheid van het gebied is hoog, in de omgeving is een mix van functies aanwezig en er komt een hoogwaardige openbare ruimte. De voorwaarden zijn daarmee aanwezig voor een levendig stedelijk milieu, waar de voetganger en de fietser zich thuis voelt. Dit sluit ook mooi aan bij de beleidsdoelstelling 'Bewegende Stad'. In de ontwikkeling van het plangebied geeft de gemeente voorrang aan de voetganger en de fiets. Daarbij wordt de bereikbaarheid per fiets vergroot door te investeren in extra fietsverbindingen en fietsparkeerplaatsen in de openbare ruimte. Om de rest van de stad te bereiken, is ook een goede ontsluiting van het gebied met openbaar vervoer belangrijk. Parkeren De inzet is om het autogebruik zoveel mogelijk te beperken door een lage parkeernorm te hanteren.
Ook wordt ingezet op het verduurzamen van het resterende auto verkeer. Parkeren door bewoners en bedrijven gebeurt in principe op eigen kavel. Ook geldt dat ontwikkelaars gestimuleerd worden om (elektrische) autodeelconcepten toe te passen om daarmee het autobezit in het plangebied te beperken. De parkeervoorzieningen op private kavels moeten voor 100% zijn voorbereid voor een 'slim' laadpunt. Ook de capaciteit van de elektriciteitsaansluiting moet hierop zijn toegerust. Het aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte voor bezoekers wordt beperkt. Bovendien wordt bij 15% - 25% van de parkeerplaatsen in de openbare ruimte een elektrische laadvoorziening geplaatst. Goederenvervoer De bevoorradingsroutes voor o.a. bedrijven, kantoren en winkels verdienen vanuit luchtkwaliteit bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 31
aandacht. Zorg bijvoorbeeld voor voldoende laad- en losvoorzieningen in de nabijheid zodat het overige verkeer goed kan doorstromen (en daarmee minder luchtvervuiling veroorzaakt). Onderzoek daarnaast mogelijkheden m.b.t. optimaliseren van venstertijden, slimme laad- en losplekken en het faciliteren van locaties voor overslagplekken of cargohubs/oplaadhubs (voor elektrisch vervoer). Elektrisch Vervoer Elektrisch vervoer heeft de toekomst: het is duurzaam en draagt bij aan een gezonde leefomgeving. Om elektrisch vervoer in het gebied mogelijk te maken, is het van belang dat hiervoor afdoende duurzame infrastructuur en bronnen aanwezig zijn. Er is daarbij een onderscheid te maken in de oplaadinfra die bij oplevering aanwezig moet zijn en de oplaadinfra voor de toekomst die in eerste instantie alleen moet zijn voorbereid. Het gaat zowel om voldoende oplaadfaciliteiten in de openbare ruimte als in de privégarages op eigen terrein. Door nu in de openbare ruimte en gebouwen voldoende voorbereidingen te treffen, wordt geanticipeerd op een toekomst met meer elektrisch vervoer. 4.3.2
Plangebied
Niet in betekenende mate (NIBM) Om te beoordelen in hoeverre het project 'in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, wordt gebruik gemaakt van de 3%-norm. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. In dit geval bedraagt het aantal extra woningen dat middels dit project mogelijk wordt gemaakt slechts één wooneenheid. Dit aantal ligt ver onder de 1.500 woningen en de ontwikkeling draagt daarmee niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Voor de volledigheid is op basis van de berekende gemiddelde verkeersgeneratie (zie paragraaf 5.1 Mobiliteit) de NIBM-rekentool gebruikt. De resultaten hiervan zijn weergegeven in onderstaande figuur. Op basis daarvan kan eveneens geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
Gemeente Amsterdam
blz. 32
Figuur 4.2: Uitsnede (bron: NIBM-tool 2022) In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Met behulp van de NSL monitoringstool is daartoe bepaald wat de totale concentraties zijn nabij het plangebied (rekenpunt 1089816 aan de Zunderdorpergouw te Amsterdam). De toetsresultaten ter plaatse van het rekenpunt, alsmede de bijbehorende grenswaarden, zijn weergegeven in onderstaande figuur.
Figuur 4.3: Totale concentraties NO2, PM10 en PM2,5 nabij het plangebied (bron: nsl-monitoring.nl, geraadpleegd op 19 juli 2022) Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de concentraties van de maatgevende stoffen voor de luchtkwaliteit, stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5), ter plaatse van het plangebied ruim onder de grenswaarden blijven. Derhalve kan worden gesproken van een goed woon- en leefklimaat in het kader van luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 33
4.4
Geluidhinder
4.4.1
Kader
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag vooral in de Wet geluidhinder (Wgh). Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), doordat een goede ruimtelijke ordening vereist dat een goed woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd ter plaatse van bijv. gevoelige functies. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn sinds het eind van de jaren '70 de wetten en regels voor het bestrijden en voorkomen van geluidhinder ten gevolge van wegverkeer, railverkeer en industrie vastgelegd. Hierin staat bijvoorbeeld wanneer de geluidbelasting moet worden getoetst. Daarnaast is vastgelegd hoeveel decibel geluid in deze situaties zijn toegestaan. Wanneer een overschrijding van de norm wordt geconstateerd bij de toetsing, moeten er maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting terug te brengen. De akoestische berekeningen moeten voldoen aan de regels die zijn vastgelegd in Reken- en Meetvoorschriften. Indien een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige functies of nieuwe infrastructuur mogelijk maakt dient akoestisch onderzoek verricht te worden. Bestaande wegen, die niet zijn aangewezen als woonerf of 30 km-zone, hebben een wettelijke onderzoekszone.
Indien binnen deze zone nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient met een akoestisch onderzoek aangetoond te worden dat er voldaan wordt aan de hoogst toelaatbare waarde van de Wgh. Indien uit onderzoek blijkt dat de hoogst toelaatbare waarde van 48 dB op de gevel wordt overschreden, zal er een hogere waarde vastgesteld moeten worden. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van een hogere waarde dient gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd te worden. Daarnaast dient onderzocht te worden of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 4.4.2
Amsterdams geluidbeleid
Amsterdam kent een eigen geluidbeleid gericht op het bevorderen van een aanvaardbaar woon – en leefklimaat. Het gaat om geluidbeleid voor het bouwen op geluidbelaste locaties én om Amsterdams geluidsbeleid dat uitvoering geeft aan de verplichtingen van de Europese richtlijn omgevingslawaai. In dat verband stelt Amsterdam elke vijf jaar een geluidskaart en een actieplan geluid vast. Dit actieplan geluid is vooral gericht op de beperking van overlast van het (weg)verkeer. In het Actieplan Geluid Amsterdam is aangegeven wat Amsterdam doet om geluidoverlast in de stad zoveel mogelijk te beperken. Het actieplan richt zich vooral op het geluid van het wegverkeer. Wegverkeer veroorzaakt ook de meeste geluidhinder van de in de richtlijn genoemde bronnen, zoals blijkt uit de resultaten van de Geluidskaart. Het Actieplan Geluid is op 29 maart 2016 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het Amsterdams geluidbeleid richt zich op het realiseren van geluidgevoelige functies binnen de zones zoals genoemd in de Wet geluidhinder. Ondanks dat de stedelijke omgeving van Amsterdam met zich meebrengt dat op veel plaatsen een hoge geluidbelasting aanwezig is, moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven.
Een hogere waarde kan niet altijd vermeden worden en zelfs een stille zijde is niet altijd mogelijk, maar wel blijft de bescherming van het woon- en leefklimaat van belang. Bij het ontwerpen van een bouwplan dient dat al te worden meegenomen. Als dat redelijkerwijs niet haalbaar is, is een goede motivering van groot belang, des te meer naarmate de geluidbelasting hoger is.
Gemeente Amsterdam
blz. 34
Tevens heeft het college van B&W de nota “Vaststelling hogere grenswaarden Wet geluidhinder, Amsterdams beleid” vastgesteld. Het geluidbeleid zoals verwoord in de nota Vaststelling hogere grenswaarden Wet geluidhinder, Amsterdams beleid verschilt principieel niet van het bestaande Amsterdamse beleid. De essentie dat woningen waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld in principe een stille zijde moeten hebben is gehandhaafd. Wanneer van dat uitgangspunt wordt afgeweken, wordt in het hogere grenswaarden besluit een motivatie opgenomen. Hoe groter de overschrijding, hoe uitgebreider de motivatie. Woningen met een dove gevel dienen volgens het beleid altijd een stille zijde te krijgen, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen zoals tijdelijke situaties. Indien vliesgevels worden toegepast, worden eisen gesteld aan de handhaving van de buitenluchtkwaliteit. 4.4.3
Plangebied
In het kader van een nieuw bouwplan waarin geluidgevoelige bestemmingen (woningen) kunnen worden gerealiseerd, dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling bestaat uit het toestaan van een extra wooneenheid binnen de invloedssfeer van verkeerswegen. Het projectgebied ligt niet binnen de wettelijke zones van spoorwegen en van geluidgezoneerde industrieterreinen. Voor het voorliggend bestemmingsplan 12e herziening Landelijk Noord is wegverkeerslawaai onderzocht door TecMap. Doel van het onderzoek is te bepalen of de nieuw te bouwen geluidgevoelige bestemmingen (woningen) volgens de wettelijke bepalingen kunnen worden gerealiseerd. Indien dit niet het geval is, wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden getroffen en/of dat er sprake is van hogere waarden. Het volledige onderzoek is opgenomen als Bijlage 3 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Hieronder zijn de resultaten en de conclusie opgenomen. Beoordeling geluidbelasting wegverkeer Conform hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder (zones langs wegen) hebben alle wegen een zone, uitgezonderd een aantal situaties waaronder wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. De zone is een gebied waarbinnen een nader akoestisch onderzoek verplicht is.
De breedte van de zone, aan weerszijden van de weg of spoor, is afhankelijk van het aantal rijstroken of sporen en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk). De bestaande woning is gelegen binnen de zone van de A10 en op korte afstand van de Zunderdorpergouw. Akoestisch onderzoek Aan de Zunderdorpergouw is een bestaande woning in twee woningen opgesplitst. Omdat de woningen zijn gelegen binnen de zone van twee gezoneerde wegen (Zunderdorpergouw en Ringweg A10 Noord), heeft de gemeente Amsterdam verzocht om de geluidsbelastingen ten gevolge van wegverkeer op de woningen inzichtelijk te maken en te toetsen volgens het systeem uit de Wet geluidhinder. Uit de berekeningen en toetsing blijkt het volgende: De geluidbelasting vanwege het verkeer over de Zunderdorpergouw bedraagt na aftrek 52 dB Lden voor de bestaande woning en 45 dB Lden bij de nieuwe woning. Dit betekent dat bij de nieuwe woning voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde. De geluidbelasting vanwege het verkeer over de Ringweg A10 Noord bedraagt na aftrek maximaal 53 dB Lden voor beide woningen. Deze bijdrage ontstaat op de zuidwest gevel van beide woningen. Op de noordoost gevels van de woningen ontstaat een geluidbelasting van minder dan 48 dB Lden. Voor de woningen moet verzocht worden om een hogere waarde.
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 35
Voor beide woningen moet worden voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012 ten aanzien van de karakteristieke geluidwering van de gevels, waarbij uitgegaan dient te worden van de gecumuleerde geluidbelasting exclusief aftrek ex artikel 3.4 RMV 2012. De grenswaarde van het geluidniveau in de geluidgevoelige ruimten van de nieuw te realiseren woningen mag daarbij maximaal 33 dB bedragen. De maximaal gecumuleerde geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen bedraagt 58 dB Lden. Een normale gevel van een woning heeft minimaal een geluidwering van 20 dB. Geconcludeerd wordt dat het binnenniveau van 33 dB gewaarborgd is bij een gevelgeluidwering van 25 dB. Uit de door de architect aangereikte tekeningen blijkt dat door de keuze van de opbouw aan deze eis wordt voldaan. Conclusie Voor de te splitsen woning moet verzocht worden om een hogere waarde vanwege de geluidbelasting van het verkeer over de Ringweg A10 Noord. Het voornemen tot vaststellen van hogere waarden is op 3 november 2022 besproken in het TAVGA. Met inachtneming van het borgen van de vereiste tot een stille zijden in het bestemmingsplan, is TAVGA akkoord met het vaststellen hogere waarden. Naar aanleiding hiervan, is deze vereiste opgenomen in de planregels van dit bestemmingsplan. Hogere waarden zullen worden verleend. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Externe veiligheid
4.5.1
Kader
Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens (zie §3.1.4 luchthavenindelingsbesluit Schiphol) en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen.
Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn. Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De Veiligheidsregio dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan
Gemeente Amsterdam
blz. 36
in de buurt van een risicobron. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels restaurants. 4.5.2
Plangebied
Ten behoeve van het bestemmingplangebied Landelijk Noord heeft een inventarisatie van de eventueel aanwezige risicobronnen binnen het plangebied plaatsgevonden. Daarnaast is op basis van de risicokaart (Atlas Leefomgeving) de situatie beoordeeld, zie hiervoor ook de onderstaande figuur.
Figuur 4.4: Uitsnede kaart risico-objecten, plangebied bij benadering rood omcirkeld (bron: Atlas Leefomgeving) Het volgende kan worden geconcludeerd: Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; Het plangebied ligt niet binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een transportroute van gevaarlijke stoffen over de weg of het spoor. Over de A10 vindt wel vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De PR 10-8-contour, indicator van het invloedsgebied voor het GR, ligt op een afstand van 210 m. De A10 is op een afstand van ruim 500 meter gelegen en het invloedsgebied reikt zodoende niet tot in het plangebied. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat Ontplofbare oorlogsresten (ook wel: Niet-gesprongen explosieven) geen rol speelt bij de beoogde ontwikkeling, aangezien geen grondroerende werkzaamheden zijn voorzien. De beoogde woningsplitsing betreft, planologisch gezien, enkel een gebruikswijziging. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 37
4.6
Bodemkwaliteit
4.6.1
Kader
Het doel van de Wet Bodembescherming is het behoud en de verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. In geval van graafwerkzaamheden is een bodemonderzoek aan de orde om te bepalen of eventuele vervuilde grond gesaneerd dient te worden. Ook als er sprake is van een functieverandering, dient in een aantal gevallen aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Voor het bestemmingsplan heeft dit voornamelijk betekenis voor zover nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden. 4.6.2
Plangebied
Het project betreft de planologische splitsing van een bestaande woning, waardoor twee woningen worden toegestaan ter plaatse van het bouwvlak in de bestaande woonbestemming. De gronden zijn (op basis van het bestemmingsplan) reeds geschikt voor de woonfunctie. Daarnaast vinden geen bodemroerende activiteiten plaats. Hierdoor is in het kader van de Woningwet geen verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. De milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse wordt geschikt geacht voor de beoogde woonfunctie. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Gemeente Amsterdam
blz. 38
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 39
Hoofdstuk 5 5.1
Mobiliteit
5.1.1
Kader
Omgevingsaspecten
In deze paragraaf worden de eventuele beleidsstukken of besluiten genoemd, die direct aan de inrichting van het gebied ten behoeve van het verkeer ten grondslag liggen (Verkeerscirculatieplan e.d.). In deze paragraaf wordt verder de bereikbaarheid / ontsluiting van het gebied als gevolg van het plan globaal beschreven, voor: de auto, OV, fiets en voetganger. Ook het auto- en fiets parkeren wordt kort in beeld gebracht. Er wordt ook kort omschreven hoe aangesloten wordt op de grotere verkeersnetwerken buiten het plangebied. Bij grotere projecten, waarvan de realisatie over meerdere jaren verspreid is, verdient het aanbeveling om ook de ontsluiting van het bouwverkeer te beschrijven. 5.1.2
Plangebied
Ontsluiting Het plangebied bereikt men via de bestaande wegenstructuur. Het plangebied vindt, aan de oostzijde van het perceel, ontsluiting op de Zunderdorpergouw. Daar kan men de weg vervolgen om onder meer de de A10 of de N247 te bereiken. Er zijn in de huidige situatie geen belemmeringen bekend ten aanzien van de verkeersafwikkeling. Voor het openbaar vervoer vindt men ontsluiting per bus en metro, ter hoogte van Amsterdam Noord. Parkeren Het parkeerbeleid is reeds toegelicht in paragraaf 3.3.4 Parkeerbeleid. Zoals hier is beschreven, geldt voor de beoogde ontwikkeling dat maatwerk van toepassing is. Om een indruk te krijgen, kunnen de CROW kengetallen geraardpleegd worden. Op basis van de CROW richtlijn geldt een minimale parkeernorm van 1,8 en een maximale parkeernorm van 2,6 voor een woning in zeer sterk stedelijk gebied (buitengebied van Amsterdam). Ter plaatse van het plangebied is voldoende ruimte om op eigen terrein de benodigde parkeerbehoefte op te vangen. De parkeerbehoefte kan worden opgevangen op het bestaande erf naast de woningen. Verkeersgeneratie Op basis van de CROW-publicatie 381 is de verkeersaantrekkende werking van het project bepaald. De verkeersaantrekkende werking is afhankelijk van de functie van het project en de ligging van het plangebied. Het projectgebied ligt in de gemeente Amsterdam.
Amsterdam is ingedeeld in de eerste stedelijkheidsklasse van gemeenten volgens het CBS. Code 1 staat voor een zeer sterk stedelijke gemeente. Op basis de CBS gegevens bedraagt de omgevingsadressendichtheid (gemiddelde waarde van adressendichtheid) van de gemeente Amsterdam 6.020 eenheden. De stedelijkheidsgraad 'zeer sterk stedelijk' is van toepassing. Daarbij is de locatie gelegen in het buitengebied van de gemeente Amsterdam. Voor 'koop, twee-onder-een-kap' geldt een verkeersgeneratie van minimaal 7,4 en maximaal 8,2 motorvoertuigen per etmaal (gemiddeld 7,8 mvt/etm). Deze extra verkeersgeneratie als gevolg van de toevoeging van één woning is goed op te vangen binnen de bestaande wegenstructuur. Conclusie Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Gemeente Amsterdam
blz. 40
5.2
Water
5.2.1
Kader
Sinds 2003 is het doorlopen van de watertoets wettelijk verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterplan WBP) opgesteld. Dit Waterplan geeft de koers op hoofdlijnen voor het waterbeheer in Hollands Noorderkwartier voor de periode 2022-2027. Er wordt voortgebouwd op de regionale Deltavisie (2012), het Waterprogramma 2016-2021 (WBP5) en het Collegeprogramma 2019-2023. Met ons waterbeheer zorgen we voor voldoende, gezond en schoon water om van te leven, te werken en te recreëren, voor mens, dier en natuur. De wereld om ons heen staat niet stil. Integendeel, we leven in een dynamische tijd met meerdere wereldwijde transities en brede maatschappelijke opgaven. Klimatologisch, ecologisch, technologisch en maatschappelijk verandert er veel.
Het maatschappelijk belang van water neemt steeds verder toe door klimaatverandering, drukte in de fysieke leefomgeving en toenemend watergebruik. Daardoor is er ook steeds meer aandacht voor en belang bij het waterbeheer. We verwachten daarom de komende jaren het gesprek met onze omgeving te intensiveren. Zodat we gezamenlijk kunnen uitvinden hoe we het waterbeheer toekomstbestendig houden. Daarnaast kunnen we met ons waterbeheer bijdragen aan maatschappelijke opgaven zoals biodiversiteitsherstel en de energietransitie. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. 5.2.2
Plangebied
Het plangebied is gelegen binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Ten behoeve van de gewenste ontwikkeling wordt geen extra verharding in het projectgebied aangebracht. Er vindt geen sloop en/of nieuwbouw plaats. De beoogde ontwikkeling bestaat uit het planologisch toestaan van de splitsing van de bestaande stolpwoning in twee woningen. Eventuele uitbreidingsmogelijkheden voor bijgebouwen ten opzichte van de reeds bestaande situatie, worden middels dit bestemmingsplan uitgesloten. De waterhuishoudkundige situatie blijft dan ook onveranderd en er is geen watercompensatie benodigd. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 41
5.3
Archeologie en cultuurhistorie
5.3.1
Kader
Wet op de archeologische monumentenzorg In 1998 is het Verdrag van Valletta door de Staten Generaal geratificeerd. Het verdrag is geïmplementeerd door inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg per 1 september 2007. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Uitgangspunt is dat 'de veroorzaker betaalt'. De wet schrijft voor dat in elk bestemmingsplan rekening wordt gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Erfgoedwet De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden en erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet, d.d. 9 december 2015, in werking getredeng op 1 juli 2016. Met de Erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen. De wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988 en de Wet to behoud van cultuurbezit. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt.
Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waardoor deze delen van de Monumentenwet1988 ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaalbelang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Artikel.16 van de Erfgoedwet stelt dat de gemeenteraad een erfgoedverordening kan vaststellen (lid 1). Deze betreft het beheer en behoudvan cultureel erfgoed dan van bijzonder belang is voor die gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis (lid 3). Burgemeester en wethouders zijn verplicht een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij te houden. De Provincie Noord-Holland en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hebben voor wat betreft het aspect archeologie, formeel een adviserende en toetsende rol op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Volgens de Erfgoedwet moeten (toevals)vondsten worden gemeld bij de minister. Deze verwittigt het Rijk.
Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam gemeld, zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten. Erfgoedverordening Amsterdam Op 16 december 2015 is de Erfgoedverordening Amsterdam vastgesteld. Deze stedelijke verordening geldt voor heel Amsterdam en beschermt de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van de gemeente Amsterdam. Monumenten en Archeologie is in de Erfgoedverordening aangewezen als het stedelijk kennis- en
Gemeente Amsterdam
blz. 42
expertisecentrum dat gemeentelijke diensten en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Amsterdam adviseert over de waarde van en de omgang met de onder- en bovengrondse cultuurhistorische waarden. De Erfgoedverordening regelt voorts de aanwijzing van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten en die van gemeentelijke monumenten. In de artikelen 22 en 23 van de Verordening staat aangegeven welke beschrijvingen in de Toelichting van een bestemmingsplan dienen te worden opgenomen ten aanzien van bovengrondse cultuurhistorische waarden en ten aanzien van archeologische waarden. Daarnaast is opgenomen aan welke eisen het cultuurhistorisch- en archeologisch onderzoek dient te voldoen. 5.3.2
Plangebied
Situatie plangebied archeologie Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Holland en het door het gemeentelijk Bureau Monumenten en Archeologie (BMA) uitgevoerde nadere onderzoek is vastgesteld dat delen van het geldende bestemmingsplan 'Landelijk Noord' een archeologische verwachtingswaarde hebben. Aan deze gebieden zijn verschillende archeologische dubbelbestemmingen gegeven waarin het archeologische belang tot uitdrukking komt. Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3', zoals reeds beschreven in paragraaf 1.4 Geldende bestemmingsplannen. Als gevolg van de dubbelbestemming, dient bij bodemverstoring van een gebied met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 0,5 m onder het maaiveld een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk- of werkzaamheden te worden aangevraagd. Wanneer sprake is van bodemverstoring met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 0,5m onder het maaiveld is archeologisch onderzoek benodigd. De voorgenomen ontwikkeling behelst enkel het planologisch mogelijk maken van de toevoeging van één woning, nu de stolp reeds gesplitst is. Er vinden geen bouwwerkzaamheden, uitbreidingen of andere bodemverstoringen plaats. De bestaande situatie blijft gehandhaafd. Archeologisch onderzoek is dan ook niet benodigd.
Hoewel dit bestemmingsplan geen nieuwe bebouwing mogelijk maakt, is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' volledigheidshalve overgenomen in voorliggend bestemmingsplan 12e herziening Landelijk Noord. Zodoende is de bescherming van archeologische waarden geborgd. Situatie plangebied cultuurhistorie De afdeling 'Monumenten en Archeologie' van de gemeente Amsterdam heeft onder andere de informatie over cultuurhistorische waarden en gebouwde monumenten in een kaart vastgelegd. Het is van belang om deze cultuurhistorische waarden te betrekken in de planvorming en mee te laten wegen in de besluitvorming over de inrichting van een gebied. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een gebied. Ook de informatie uit de cultuurhistorische verkenningen is opgenomen op de kaart. Beschermde stads- en dorpsgezichten zijn een ruimtelijk en architectonisch geheel van historische waarde. Bij beschermde gezichten wordt onderscheid gemaakt tussen van rijkswege beschermde gezichten en van gemeentewege aangewezen gezichten. Het plangebied valt niet binnen de
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 43
beschermde stads- en dorpsgezichten.
Figuur 4.5: Uitsnede kaart cultuurhistorische waarden, plangebied bij benadering rood omlijnd (Bron: maps.amsterdam.nl) Rijks- en gemeentelijke monumenten zijn cultuurhistorische elementen en worden beschermd in respectievelijk de Monumentenwet en de gemeentelijke erfgoedverordening. Op de onderstaande afbeelding is aangegeven welke panden rijks- of gemeentelijk monument zijn. Uit de figuur blijkt dat het plangebied geen rijks- of gemeentelijk monument betreft.
Figuur 4.6: Uitsnede kaart monumenten, plangebied bij benadering rood omlijnd (Bron: maps.amsterdam.nl) De beoogde ontwikkeling heeft dan ook geen gevolgen voor een beschermd dorpsgezicht of voor monumenten. Karakteristiek dorpsgezicht Zunderdorp Wel wordt opgemerkt dat het bestaande karakteristieke dorpsgezicht van Zunderdorp enige bescherming behoeft, ondanks dat het niet formeel is aangewezen als beschermd stads- of
Gemeente Amsterdam
blz. 44
dorpsgezicht. Oorspronkelijk was Zunderdorp het hoofddorp van de banne Sundeldorp / Sindeldorp. 'Sundels', het woord waar de naam Zunderdorp van komt, waren smalle vaarten, die vanaf het dorp naar het IJ stroomden. Het werd vanaf de 17e eeuw overvleugeld door het aan het IJ gelegen Nieuwendam. Van 1619 tot 1811 was Zunderdorp onderdeel van de Waterlandse Unie, samen met Broek in Waterland, Landsmeer, Ransdorp, Schellingwoude en Zuiderwoude. Het dorp maakte van 1811 tot 1921 deel uit van de gemeente Nieuwendam, die in dat jaar opging in de gemeente Amsterdam. Al eeuwenlang is melkveehouderij de belangrijkste activiteit. Opvallend aan Zunderdorp is op het eerste gezicht - na de alom zichtbare kerktoren en de hoog opgegroeide populieren - het verschil tussen de dorpsdelen en de wijze waarop zij van elkaar gescheiden zijn. Het zuidelijk deel vertoont zich als een duidelijk gesloten kern met plaatselijk aangehechte bebouwing, die voor een geleidelijke ruimtelijke overgang naar de omringende weilanden zorgt. Het noordelijk deel bestaat uit lintbebouwing van agrarische oorsprong, waartussen mettertijd burgerwoonhuizen zijn verrezen en waarin agrarische bedrijfswoningen tot burgerwoonhuizen zijn geworden. Het merendeel van de bebouwing staat aan de noordzijde van 't Nopeind/'t Voorwerf.
De weilanden tussen de beide dorpsdelen zijn van groot belang om het verschil tussen beide delen te kunnen ervaren vanuit verschillende gezichtspunten. De straten in de kern vertonen verschillende ruimtelijke beelden, al naar gelang de aard van de bebouwing, de functies, het profiel en de wisselende afstanden van de bebouwing tot aan de weg. Met het splitsen van de bestaande stolp met aanbouw, blijft het kenmerkende open landschap met doorkijken en de bebouwingsstructuur in tact. Er vindt immers geen sloop en/of nieuwbouw plaats. Dit bestemmingsplan 12e herziening Landelijk Noord legt daarnaast zelfs de bestaande bebouwingsstructuren vast, waarbij uitbreidingsmogelijkheden ook in de toekomst worden uitgesloten. Hiermee wordt de bestaande openheid en doorkijk van het landschap geborgd. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.4
Natuurbescherming
5.4.1
Kader
Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het beschermen van soorten en gebieden is vastgelegd in deze wet, waarbij aansluiting is gezocht van de natuurwetgeving op het omgevingsrecht. In de Wet natuurbescherming zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000 gebied, moet worden onderzocht of de ontwikkeling significante effecten heeft op de beschermde habitats in de natuurgebieden. De Wet natuurbescherming bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen.De beschermde soorten zijn onderverdeeld in soorten van de Habitatrichtlijn, soorten van de Vogelrichtlijn en Nationale soorten. Bij ontwikkelingen in een gebied of de sloop van bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 45
gebouwen dient een natuurscan te worden uitgevoerd om de soorten en gebiedsstatus in kaart te brengen. Rode lijstsoorten, landelijk beleid Eens per tien jaar worden er zogenoemde 'Rode Lijsten' opgesteld met soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Voor het Ministerie van EZ zijn de rode lijsten mede richtinggevend voor het te voeren natuurbeleid. Het Ministerie stimuleert dat bij bescherming en beheer van gebieden rekening wordt gehouden met de Rode-lijst-soorten, en dat zo nodig en zo mogelijk aanvullende soortgerichte maatregelen zullen worden genomen. Ecologische Hoofdstructuur, landelijk en provinciaal beleid Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd. Dit Nationaal Natuurnetwerk (NNN), voormalig Ecologische Hoofdstrcutuur (EHS), een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De verbindingen zijn grensoverschrijdend, als je uitzoomt zie je dat de verbindingen in Europa met elkaar zijn verbonden, zodat diersoorten zich vrij kunnen bewegen en vermengen over Europa en de grote natuurgebieden kunnen bereiken.
Beleidsvisie stadsrandpolder Waterland (19 september 2012) De Beleidsvisie stadsrandpolder Waterland geldt als primair toetsingskader. Voor de splitsing van een woning zijn echter geen specifieke richtlijnen opgenomen in de Beleidsvisie. Het toetsingskader richt zich met name op agrarische bedrijfsbeëindigingen/- vergrotingen/ - verplaatsingen. Hoofdgroenstructuur, Amsterdams beleid In de structuurvisie van Amsterdam 2040 (vastgesteld in 2011) was de hoofdgroenstructuur opgenomen. Inmiddels is de Structuurvisie vervangen door de gemeentelijke Omgevingsvisie 2050 (door de gemeenteraad in 2021 vastgesteld). Om groen in een zich ontwikkelende grote stad als Amsterdam goed te beschermen, werd in 1996 het instrument ‘Hoofdgroenstructuur’ (HGS) geïntroduceerd. Dit werd daarna steeds beter geïntegreerd in de opvolgende structuurvisies. Alle grotere groengebieden van de stad vallen onder het regime van de Hoofdgroenstructuur. Hier mag niet gebouwd worden en mogelijke ingrepen worden door een onafhankelijke technische adviescommissie (TAC) beoordeeld. Niet al het Amsterdamse groen valt in de hoofdgroenstructuur. Het beleid hiervoor is flexibeler, maar ook bij keuzes in overig groen geldt natuurinclusiviteit als belangrijk uitgangspunt.
In de Omgevingsvisie 2050 is het instrument van de Hoofdgroenstructuur gehandhaafd (zie ook figuur 4.7) en wordt blijvend gebruik gemaakt van de adviezen van een onafhankelijke adviescommissie. Wel is de Hoofdgroenstructuur met deze omgevingsvisie op een aantal onderdelen vernieuwd. Er zijn twee grote wijzigingen ten opzichte van de Hoofdgroenstructuur in de Structuurvisie 2040: het wordt een groen-blauw raamwerk en hij wordt dynamischer. Onderdeel van het dynamischer worden, is dat de nieuwe Hoofdgroenstructuur (als uitwerking van de Omgevingsvisie 2050) verankerd wordt in het Omgevingsplan. In tegenstelling tot de Structuurvisie 2040 maakt het instrumentarium van de hoofdgroenstructuur daardoor geen deel uit van de Omgevingsvisie 2050. Dit wordt richting Omgevingsplan uitgewerkt. Het
Gemeente Amsterdam
blz. 46
huidige instrumentarium zoals opgenomen in de Structuurvisie 2040 blijft daarom van kracht totdat een nieuw instrumentarium voor de Hoofdgroenstructuur is vastgesteld. In de Structuurvisie 2040 was het plangebied aangewezen als 'Stadsrandpolder' (zie figuur 4.8).
Figuur 4.7: Uitsnede visie hoofdgroenstructuur uit Omgevingsvisie 2050, plangebied bij benadering rood omlijnd (bron: Omgevingsvisie Amsterdam 2050, p. 88)
Figuur 4.8: Uitsnede groentypen Hoofdgroenstructuurkaart uit Structuurvisie 2040, plangebied bij benadering rood omlijnd (bron: Structuurvisie Amsterdam 2040, p. 243) Bij de toetsing op inpasbaarheid worden de volgende voor het groentype 'stadsrandpolder' geldende richtlijnen gehanteerd:
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 47
Figuur 4.9: Toetsingskader stadsrandpolder (bron: Structuurvisie Amsterdam 2040, p. 248) 5.4.2
Plangebied
Soortenbescherming De woningsplitsing van de bestaande stolp en aanbouw beperkt zich tot een planologische procedure zonder werkzaamheden aan het pand, waardoor een eventueel aanwezig foerageergebied van vleermuizen of verblijfplaatsen van andere beschermde diersoorten intact blijft. Ook in relatie tot de bijgebouwen is geen sprake van sloop en/of nieuwbouw. Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering. Gebiedsbescherming Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of NNN. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft 'Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske', op circa 2,3 km afstand. Het dichtstbijzijnde NNN gebied is gelegen op een afstand van circa 1000 meter. Bovendien is in de huidige feitelijke situatie reeds sprake van gebruik als twee zelfstandige wooneenheden. Gezien de beperkte omvang van het project, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of NNN worden uitgesloten.
Gemeente Amsterdam
blz. 48
Figuur 4.10: Uitsnede kaart met Natura 2000-gebieden en NNN-gebieden, plangebied bij benadering rood omlijnd (bron: Atlas Leefomgeving) Hoofdgroenstructuur Vanwege de ligging in de Hoofdgroenstructuur, is de beoogde ontwikkeling aan de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (TAC) voorgelegd om advies (een en ander in lijn met het gemeentelijk beleid zoals hierboven in paragraaf 5.4.1 beschreven). In het TAC-advies d.d. 10 november 2020 concludeert TAC dat de beoogde woningsplitsing inpasbaar is in de Hoofdgroenstructuur, onder voorwaarde dat uitbreiding (al dan niet vergunningsvrij) met nieuwe aanbouwen of bijgebouwen wordt uitgesloten op het totale erf van Zunderdorpergouw 24/24a. Hoewel in strijd met het geldende bestemmingsplan, heeft de legalisering van de woningsplitsing onder deze voorwaarde immers geen fysieke consequenties voor de Hoofdgroenstructuur. Dat hier in het groentype 'Stadsrandpolder' een woning wordt toegevoegd, is daarom in deze specifieke situatie acceptabel, ervan uitgaande dat: de verandering uitsluitend intern heeft plaatsgevonden; de bijgebouwen in huidige of toekomstige situatie geen woonfunctie herbergen en in omvang niet zullen toenemen; de garantie wordt afgegeven dat er geen enkel extra bouwrecht ontstaat ten opzichte van de bestaande situatie.
Om bovenstaande punten te waarborgen, is voorliggend bestemmingsplan 12e herziening Landelijk Noord opgesteld. Dit bestemmingsplan garandeert dat bijgebouwen in de toekomstige situatie geen woonfunctie herbergen, in omvang niet zullen toenemen, en dat geen enkel extra bouwrecht ontstaat ten opzichte van de feitelijke situatie. In oktober 2022 heeft de TAC naar aanleiding van het conceptbestemmingsplan een nieuw advies gegeven. De volledige tekst van dit advies luidt als volgt: "In november 2020 heeft de TAC een positief advies onder voorwaarden gegeven voor de splitsing van een woning aan de Zunderdorpergouw 24. Aangezien de feitelijke situatie al twee woningen betrof en er geen fysieke ingrepen zouden plaatsvinden zouden er geen ruimtelijke consequenties zijn. De TAC stelde als voorwaarden dat: de bijgebouwen in huidige of toekomstige situatie geen woonfunctie herbergen en in omvang niet zullen toenemen; de garantie wordt afgegeven dat er geen enkel extra bouwrecht ontstaat ten opzichte van de bestaande situatie
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 49
In het bestemmingsplan 12e herziening Landelijk Noord is dat juridisch-planologisch vastgelegd. De bouwvlakken van de woningen worden vastgelegd en de twee bestaande bijgebouwtjes, die uiteraard zonder woonbestemming. Verdere uitbreiding van bebouwing in de bestemming Tuin wordt uitgesloten door de waarde landschap toe te voegen die primair is aan de tuinbestemming. Aangezien met dit bestemmingsplan wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden in het positieve advies van november 2020 is een agendering in de TAC vergadering van oktober niet nodig. Het bestemmingsplan 12e herziening Landelijk Noord past in de Hoofdgroenstructuur." Conclusie Het aspect natuurbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Gemeente Amsterdam
blz. 50
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 51
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische toelichting
Algemeen
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.
Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.
6.2
De bestemmingen
Agrarisch met waarden - Veenweidegebied De gronden ter plaatse van de bestaande sloot, aan de oostkant van het plangebied, zijn bestemd als 'Agrarisch met waarden - Veenweidegebied'. Om de elementen die het waardevolle landschap hier zijn structuur geven -de sloten- beter te bestemmen, is hiervoor gekozen. De sloot heeft een agrarische bestemming gekregen, net als de (buiten het plangebied gelegen) aangrenzende bestemming, waarbinnen onder meer water en groenvoorzieningen zijn toegestaan. De bestemming is deels overgenomen uit het bestemmingsplan 'Landelijk Noord' (moederplan). Er geldt geen bouwvlak, waardoor bebouwing hier niet mogelijk is (met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erf- en terreinafscheidingen). Tuin
Gemeente Amsterdam
blz. 52
De bestemming 'Tuin' is opgenomen voor de tuin en het erf behorend bij de woningen. Binnen de bestemming 'Tuin' zijn de bestaande bijbehorende bouwwerken middels een specifieke bouwaanduiding opgenomen, waarbij de bestaande bouwhoogte als maximum bouwhoogte is opgenomen. Wonen Binnen de bestemming Wonen zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op verbeelding aangegeven bouwvlakken. De goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mag ten hoogste respectievelijk 3,5 m en 9 m bedragen. Voor de bestaande hooiberg en en het bestaande bijgebouw is een specifieke bouwaanduiding opgenomen en is de bestaande bouwhoogte als maximum bouwhoogte opgenomen.. Waarde - Archeologie 3 Deze bestemming voorziet in de bescherming van mogelijke archeologische waarden en is integraal overgenomen uit het bestemmingsplan 'Landelijk Noord' (moederplan). Waarde - Landschap De inperking van de vergunningvrije bouwmogelijkheden voor de tuinen is gerealiseerd door de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Landschap' niet te rekenen tot "erf" in de zin van artikel 1 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), waardoor vergunningvrij bouwen daarop niet meer mogelijk is. Door de gronden langs de voorkant en zijkanten van de bestaande bebouwing deze dubbelbestemming te geven, is vergunningsvrij bouwen hier niet mogelijk en wordt het aangezicht van de stolp beschermd.
Aan de achterzijde (waar de betreffende dubbelbestemming niet is opgenomen) blijven de bestaande grenzen gelden, zonder specifieke regeling tegen vergunningsvrij bouwen. Gevolg is dat er vergunningsvrij niet meer mogelijkheden ontstaan dan feitelijk al aanwezig, door de beperkte omvang van het bebouwingsgebied achter de stolp met aanbouw. Hiermee is geborgd dat er geen extra bouwrecht ontstaat ten opzichte van de bestaande situatie. Voor een nadere toelichting op de aanleiding om vergunningsvrij bouwen uit te sluiten, wordt verwezen naar paragraaf 2.3 Ontwikkelingen.
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 53
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geldt onder bepaalde voorwaarden de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan gelijktijdig met het vaststellen van een bestemmingsplan. Het exploitatieplan is een instrument voor de gemeente gericht op kostenverhaal in het kader van de grondexploitatie. Ingevolge artikel 6.12 Wro, besluit de gemeenteraad of wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan. In dit geval wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan omdat de gemeente Amsterdam over het kostenverhaal een anterieure overeenkomst heeft gesloten met de initiatiefnemer.
Gemeente Amsterdam
blz. 54
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 55
Hoofdstuk 8 8.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inspraak
Er heeft geen inspraak op grond van de inspraakverordening plaats gevonden op het voorontwerpbestemmingsplan. Artikel 2 van de inspraakverordening geeft aan dat er geen inspraak verleend wordt op bestemmingsplannen ( = voorbereiding van besluiten betreffende waarvan op grond van de Wet ruimtelijke ordening afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard). Omdat het plan voorziet in het juridisch-planologisch vastleggen van de huidige feitelijke situatie, is afgezien van het starten van een participatietraject met omwonenden. Het ontwerp bestemmingsplan wordt, conform de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter inzage gelegd.
8.2
Vooroverleg
Het plan is in het kader van het vooroverleg (artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening) aan de bestuurlijk vooroverleg instanties gezonden. De volgende overlegpartners hebben gereageerd: Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (TAC): Zoals reeds beschreven in paragraaf 5.4.2, heeft het TAC geconcludeerd dat met dit bestemmingsplan wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden in het eerder afgegeven positieve advies van TAC. Dit bestemmingsplan past in de Hoofdgroenstructuur. Provincie Noord-Holland: De voor dit plan belangrijkste werkingsgebieden uit de Omgevingsverordening NH2020 zijn MRA landelijk gebied en het bijzonder provinciaal landschap Waterland. De instructieregels voor het MRA landelijk gebied staan de splitsing van een karakteristieke boerderij niet in de weg. In de instructieregels voor het bijzonder provinciaal landschap is aangegeven dat een bestemmingsplan regels moet bevatten ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten. Plannen in dit gebied worden mede getoetst aan de hand van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. Zoals in de toelichting op het plan is aangegeven worden de kernkwaliteiten niet aangetast als uitbreiding van de bebouwing niet is toegestaan. De gemeente neemt hiertoe de dubbelbestemming 'Waarde – Landschap' op. De provincie heeft in dit geval geen opmerkingen op het plan.
Brandweer: Brandweer heeft aangegeven in het kader van externe veiligheid geen opmerkingen op het bestemmingsplan te hebben. Aangezien alle ingekomen vooroverlegreacties positief zijn, hebben de reacties niet geleid tot verdere aanpassingen in dit bestemmingsplan. Van overige overlegpartners zijn geen reacties ontvangen. Aangenomen wordt dat zij kunnen instemmen met de beoogde plannen.
8.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken en het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden als bedoeld in de Wet geluidhinder, hebben vanaf donderdag 5 januari 2023 gedurende een termijn van zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Er is verder dan ook geen aanleiding geweest tot het doorvoeren van wijzigingen in het bestemmingsplan.
Gemeente Amsterdam