3. 12e herziening Landelijk Noord_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan 12e Herziening Landelijk Noord
Gronden Rondom Zunderdorpergouw 24 Te Amsterdam
Vastgesteld
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan 12e herziening Landelijk Noord
Colofon
Opdrachtgever Opdrachtnemer
Ruimte en Duurzaamheid
IMRO_idn
NL.IMRO.0363.N2203BPSTD-VG01
Datum print
16 Februari 2023
Planstatus
vastgesteld
blz. 3
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk1
5 Inleiding
7
Aanleiding Doel bestemmingsplan Ligging plangebied en plangrens Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer
7 7 7 9 12
Het plangebied
13
Historie Beschrijving huidige situatie Ontwikkelingen
13 13 14
Beleidskader
15
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
15 17 19
Milieuaspecten
25
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Milieueffect Milieuzonering bedrijven Luchtkwaliteit Geluidhinder Externe veiligheid Bodemkwaliteit
25 26 29 33 35 37
Hoofdstuk5
Omgevingsaspecten
39
Mobiliteit Water Archeologie en cultuurhistorie Natuurbescherming
39 40 41 44
Juridische toelichting
51
Algemeen De bestemmingen
51 51
Hoofdstuk7
Economische uitvoerbaarheid
53
Hoofdstuk8
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
55
Inspraak Vooroverleg Zienswijzen
55 55 55
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 Hoofdstuk2 2.1 2.2 2.3 Hoofdstuk3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk4
5.1 5.2 5.3 5.4 Hoofdstuk6 6.1 6.2
8.1 8.2 8.3
Gemeente Amsterdam
blz. 4
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 5
Toelichting
Gemeente Amsterdam
blz. 6
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 7
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Met dit bestemmingsplan '12e herziening Landelijk Noord' wordt een gedeelte van het huidige bestemmingsplan 'Landelijk Noord' herzien. De aanleiding hiertoe is dat de huidige woonbestemming met bijbehorende bouwmogelijkheden ter plaatse van de Zunderdorpergouw 24 niet meer overeenkomt met het feitelijke gebruik. Het geldende bestemmingsplan staat slechts één wooneenheid toe, terwijl in de feitelijke situatie de bestaande stolpwoning is gesplitst in twee woningen. Het toevoegen van een nieuwe woning aan het buitengebied van Amsterdam Noord, zonder dat sprake is van het saneren van overtollige, agrarische bedrijfsbebouwing, is in principe niet mogelijk binnen het bestaande (gemeentelijk) beleid. In dit geval gaat het echter om een interne functiewijziging van een karakteristieke (stolp)boerderij, zonder dat verschijningsvorm van gebouw en erf veranderen. Dat maakt dat medewerking aan het initiatief toch in de rede ligt, ter behoud van het karakteristieke bouwvolume. De woningsplitsing leidt ook niet tot een aantasting van de aanwezige landschapswaarden en/of natuurwaarden, mits de huidige posities van de bijbehorende bouwwerken op het perceel worden vastgelegd. Het nieuwe bestemmingsplan biedt hiervoor het planologisch kader. De projectlocatie is gelegen ter hoogte van het adres Zunderdorpergouw 24 in het landelijk gebied.
Het landelijk gebied van Amsterdam, ten noorden van de ringweg A10, wordt waardevol geacht. Het beleid voor het gebied is dan ook reeds lange tijd gericht op behoud, versterking en ontwikkeling van de aanwezige kernkwaliteiten. Daarnaast is oog voor ontwikkelingen die eigen zijn aan het agrarische en recreatieve gebruik dat van het gebied wordt gemaakt. Met voorliggend bestemmingsplan wordt enerzijds de splitsing van de stolp mogelijk gemaakt, anderzijds wordt gewaarborgd dat de unieke kenmerken van zowel het landschap als de stolp behouden blijven.
1.2
Doel bestemmingsplan
Met het voorliggende bestemmingsplan streeft het gemeentebestuur de volgende doelen na: 1. het komen tot uniformiteit in regels en wijze van bestemmen; 2. het verkrijgen van een actuele ruimtelijk-juridische vertaling van de bestaande bebouwing en het gebruik; 3. het komen tot digitaal raadpleegbare en uitwisselbare bestemmingsplannen.
1.3
Ligging plangebied en plangrens
Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld voor het plangebied dat is gelegen aan de Zunderdorpergouw 24 te Amsterdam. De locatie is gesitueerd ten noorden van Amsterdam, op circa 500 meter afstand van de ring A10 (zie ook onderstaande figuur).
Gemeente Amsterdam
blz. 8
Figuur 1.1: Ligging plangebied ten noorden van Amsterdam, plangebied bij benadering rood omlijnd (eigen bewerking, bron luchtfoto: PDOK) Globaal gezien wordt het plangebied als volgt begrensd (zie ook figuur 1.2): ten noorden grenst de locatie aan het perceel van de Zunderdorpergouw 22/22A; ten oosten grenst de locatie aan de Zunderdorpergouw; ten zuiden en westen grenst de locatie aan grasland.
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 9
Figuur 1.2: Ligging, plangebied bij benadering rood omlijnd (eigen bewerking, bron luchtfoto: PDOK) Ter plaatse van het plangebied is een bestaande stolpwoning met aanbouw aanwezig, een hooiberg, twee bijgebouwen en een kas.
1.4
Geldende bestemmingsplannen
In het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan zijn momenteel de volgende bestemmingsplannen van kracht, alsmede een voorbereidingsbesluit: 1. bestemmingsplan "Landelijk Noord", vastgesteld door Stadsdeel Noord op 26 juni 2013 (deels onherroepelijk in werking); 2. bestemmingsplan "Drijvende bouwwerken", vastgesteld door gemeente Amsterdam op 18 september 2019 (onherroepelijk); 3. bestemmingsplan "Grondwaterneutrale Kelders", vastgesteld door gemeente Amsterdam op 7 oktober 2021 (geheel in werking); 4. voorbereidingsbesluit "Darkstores/flitsbezorgers", vastgesteld door gemeente Amsterdam op 26 januari 2022. Bestemmingsplan "Landelijk Noord" (2013) Voorliggend bestemmingsplan betreft de 12e herziening op het bestemmingsplan Landelijk Noord (moederplan). Het vigerende bestemmingsplan 'Landelijk Noord', deels onherroepelijk per 26 juni 2013, is vastgesteld door de toenmalige stadsdeelraad van Noord. De projectlocatie heeft hoofdzakelijk de bestemmingen 'Wonen' en 'Tuin' en voor de strook in het westelijk deel van het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden - Veenweidegebied'. Voor het gehele plangebied geldt bovendien de dubbelbestemming Gemeente Amsterdam
blz. 10
'Waarde – Archeologie – 3'. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor wonen en bijbehorende voorzieningen. Ter plaatse van het bouwvlak is ten hoogste één woning toegestaan. Op de verbeelding is één bouwvlak weergeven voor de in het plangebied aanwezige stolpwoning met aanbouw. Ter plaatse van het westelijk deel van de woonbestemming, waar geen bouwvlak is opgenomen, geldt de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3'. Deze gronden mogen worden bebouwd met aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen tot een in de regels bepaald maximum oppervlak per bouwvlak, te weten 40 m2. De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, alsmede voor bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, parkeervoorzieningen, water, (ontsluitings)wegen en (aanlandingsplekken van) bruggen. De voor 'Agrarisch met waarden - Veenweidegebied' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor het uitoefenen van een agrarisch (deeltijd)bedrijf en bijbehorende voorzieningen alsmede voor behoud, versterking en ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden.
Figuur 1.4: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan "Landelijk Noord" (2013), plangebied bij benadering rood omlijnd (eigen bewerking, bron: Ruimtelijkeplannen) De te splitsen woning is gelegen in het bouwvlak van de woonbestemming. Ter plaatse van het bouwvlak is ten hoogste één woning toegestaan. Omdat de huidige woning reeds is gesplitst, bestaat de wens om dit ook planologisch mogelijk te maken. Het toestaan van twee woningen is in strijd met het geldende bestemmingsplan.
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 11
Voor alle bestaande bijgebouwen geldt dat deze nu en later geen woonfunctie mogen gaan herbergen en niet mogen worden vergroot. Mede gelet op het behoud van landschappelijke en cultuurhistorische waarden, is het de wens om planologisch vast te leggen dat er geen enkel extra bouwrecht ontstaat ten opzichte van de bestaande feitelijke situatie. Het gaat hierbij om de bestaande hooiberg, bijgebouwen en kas: De bestaande hooiberg en het bestaande bijgebouw zijn gelegen binnen de gronden met bestemming 'Wonen' en de 'specifieke bouwaanduiding - 3'. Gronden met de 'specifieke bouwaanduiding - 3' mogen worden bebouwd met aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 40 m² per bouwvlak. Het oppervlak van de bestaande hooiberg en het bestaande bijgebouw bedraagt maximaal 230 m2 en derhalve is sprake van strijdigheid met het geldende bestemmingsplan. De bestaande kas en bijgebouw aan de voorzijde zijn gelegen binnen de gronden met de bestemming 'Tuin'. Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m. Zowel de kas als het bijgebouw aan de voorzijde (een tuinhuisje) zijn aan te merken als gebouwen en derhalve in strijd met de bestemming 'Tuin'.
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' wordt nader toegelicht in paragraaf 5.3 Archeologie en cultuurhistorie. Bestemmingsplan "Drijvende bouwwerken" (2019) Dit bestemmingsplan is opgesteld naar aanleiding van de wetswijzing met de Wet Verduidelijking voorschriften woonboten en een tweetal uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hieruit volgt dat in een aantal gevallen (woon)boten en bedrijfsvaartuigen beschouwd moeten worden als bouwwerken. Met dit bestemmingsplan "Drijvende bouwwerken" (2019) worden er in de moederplannen bouwvoorschriften opgenomen zodat er een regeling in de verschillende bestemmingsplannen wordt geïmplementeerd die de basis vormt om omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen te kunnen verlenen. Aangezien de beoogde ontwikkeling niet voorziet in drijvende bouwwerken, is dit bestemmingsplan niet relevant voor het plangebied en wordt deze verder buiten beschouwing gelaten. Bestemmingsplan "Grondwaterneutrale Kelders" (2021) Teneinde ongewenste ruimtelijke effecten en daarmee schade als gevolg van aanleg van kelders te voorkomen, is het Afwegingskader Grondwaterneutrale kelders Amsterdam opgesteld. Uit het juridisch onderzoek, in het kader van de opstelling van het Afwegingskader, kwam naar voren dat het bestemmingsplan het aangewezen instrument is om het hierin vervatte beleid juridisch te borgen.
Het bestemmingsplan "Grondwaterneutrale Kelders" (2021) en heeft tot doel het voorkomen van negatieve effecten van (cumulatieve) aanleg van kelders op de stand en de stroom van het grondwater. In dit bestemmingsplan is het plangebied aangewezen als 'Overige zone 1', waar het verboden is om kelders te graven of bestaande kelders te vergroten. Aangezien de beoogde ontwikkeling niet voorziet in nieuwe bebouwing met kelders, heeft dit geen gevolgen voor grondwater en wordt dit verder buiten beschouwing gelaten. Deze regels gelden echter onverminderd voor het plangebied en om dit te waarborgen zijn zowel de aanduiding 'overige zone - 1' als de bijbehorende aanduidingsregels overgenomen in dit bestemmingsplan 12e herziening Landelijk Noord. Voorbereidingsbesluit "Darkstores/flitsbezorgers"(2022) Het voorbereidingsbesluit ""Darkstores/flitsbezorgers" (2022) ziet erop toe dat (tot aan de inwerkingtreding van een nieuw paraplubestemmingsplan) het verboden is om gebruik van gronden en/of bouwwerken te wijzigen ten behoeve van zogenoemde flitsbezorgdiensten vanuit darkstores.
Gemeente Amsterdam
blz. 12
Aangezien de beoogde ontwikkeling niet voorziet in gebruik ten behoeve van flitsbezorging of darkstore, is dit besluit niet relevant voor het plangebied en wordt deze verder buiten beschouwing gelaten.
1.5
Leeswijzer
Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. In de toelichting is een beschrijving van het plangebied opgenomen en zijn de aan het plan ten grondslag gelegen keuzes en beleidsuitgangspunten beschreven. De toelichting bestaat uit 8 hoofdstukken. Hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en geeft aan welke ontwikkelingen zich voordoen in het plangebied. De voor het plan relevante beleidsuitspraken van rijk, provincie en regio en het eigen gemeentelijke beleid zijn in hoofdstuk 3 beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten en hoofdstuk 5 behandelt de relevante omgevingsaspecten. Hierbij vindt er een toets aan de diverse milieu- en omgevingsaspect plaats. Een toelichting op het juridische systematiek, een omschrijving van de afzonderlijke bestemmingen is beschreven in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven en in hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de te doorlopen procedures.
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 13
Hoofdstuk 2
Het plangebied
In dit hoofdstuk is de ruimtelijke structuur van het plangebied beschreven aan de hand van de historische ontwikkeling, de huidige situatie en eventuele nieuwe ontwikkelingen. Aandacht is besteed aan functies zoals wonen, bedrijven, (commerciële) voorzieningen en monumenten en structuren zoals de bebouwingsstructuur en de weg-, water en groenstructuur van het plangebied.
2.1
Historie
Het landelijk gebied van Amsterdam, ten noorden van de ringweg A10, is uniek en waardevol. Als onderdeel van de regio Waterland is door de zichtbare en herkenbare samenhang tussen de abiotische ondergrond (bodem en water), de cultuurhistorie, de ecologie en het grondgebruik een landschap ontstaan met grote kwaliteiten. Veenweidegebieden, droogmakerijen, meren en brede watergangen bepalen het ruimtelijk beeld, waarin de dorpen Ransdorp, Durgerdam, Holysloot en Zunderdorp bijzondere parels zijn. De landschappelijke en cultuurhistorische betekenis van het gebied en de hier aanwezige natuurwaarden worden breed onderkend.
2.2
Beschrijving huidige situatie
Ter plaatse van het perceel aan de Zunderdorpergouw 24 is een woonhuis aanwezig, een hooiberg, twee bijgebouwen en een kas. De bestaande woning bestaat uit een stolp met aanbouw. De woning is fysiek reeds gesplitst: de stolp en de aanbouw zijn beiden in gebruik als zelfstandige woning. Om bewoning planologisch gezien ook mogelijk te maken in de aanbouw, wordt in dit bestemmingsplan gemotiveerd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de aanbouw. Op onderstaande afbeelding zijn de diverse gebruiksfuncties van de bebouwing aangeduid.
Figuur 1.3: Gebruiksfuncties ter plaatse van het plangebied, plangebied gezien vanaf zuidzijde in vogelvlucht (eigen bewerking, bron luchtfoto: Google Maps) De maatvoering van de gebouwen in het plangebied is als volgt:
Gemeente Amsterdam
blz. 14
de stolp heeft een goothoogte van 3 meter en een bouwhoogte van 9 meter; de aanbouw (van de stolp) heeft een goothoogte van 3 meter en een bouwhoogte van 7 meter; het tuinhuis aan de voorzijde van het perceel heeft een bouwhoogte van 2,5 meter. Het oppervlak bedraagt daarnaast (afgerond) 15 m2. de hooiberg heeft een bouwhoogte van 7,5 meter (gemeten t/m de betonnen bergpalen) en de daaraangebouwde schuur heeft een hoogte van 4,5 meter. Het oppervlak van de hooiberg en de schuur bedraagt tezamen (afgerond) 230 m2. de kas heeft een bouwhoogte van 2,5 meter en een oppervlak van (afgerond) 26 m2.
2.3
Ontwikkelingen
Binnen het plangebied zijn er, op het moment van het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan, niet zozeer nieuwe 'ontwikkelingen' in beeld. In dit bestemmingsplan wordt de feitelijke situatie gelegaliseerd en planologisch vastgelegd. De woningsplitsing en de bestaande bijgebouwen worden direct bestemd. In de feitelijke situatie is er reeds sprake van het gebruik als twee zelfstandige wooneenheden. Dit bestemmingsplan ziet toe op het splitsen van de woning doordat een extra wooneenheid wordt toegestaan. Het betreft, planologisch gezien, een gebruikswijziging. Bovendien worden de bestaande posities van bestaande (bijbehorende) bouwwerken vastgelegd, zodat verplaatsing hiervan niet mogelijk is. Er vindt geen sloop en/of nieuwbouw plaats en er worden geen grondroerende werkzaamheden uitgevoerd. Vanwege de karakteristieke verschijningsvorm van de stolp, en de wens om dit aanzicht te beschermen, is het ongewenst dat bij de woningen mogelijkheden bestaan om aan de zijkanten vergunningvrij aan- of uit te bouwen. Rondom de stolp en bijbehorende aanbouw is derhalve de dubbelbestemming 'Waarde - Landschap' opgenomen. Op basis van deze dubbelbestemming is het niet toegestaan om (vergunningsvrije) bouwwerken te realiseren. Gelet op voorgaande wordt de huidige ruimtelijke en stedenbouwkundige structuur in het plangebied gewaarborgd.
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 15
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten.
De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. In sommige situaties zijn beschermen en ontwikkelen echter onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: Combineren boven enkelvoudig; Kenmerken & identiteit; Afwentelen voorkomen.
Consequenties voor dit bestemmingsplan De voorgenomen ontwikkeling behelst de planologische splitsing tot twee wooneenheden. Netto wordt er daarmee één woning toegevoegd binnen het plangebied. De beoogde ontwikkeling vindt daarmee aansluiting bij nationaal belang nummer 5: 'zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de
Gemeente Amsterdam
blz. 16
woonbehoeften'. De opgave is om aansluitend op de woonbehoefte (met name in en bij de stedelijke regio's) tussen 2019 en 2030 circa 1 miljoen woningen te realiseren en een goede kwaliteit van de woningvoorraad in regio's met bevolkingsdaling te behouden. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan invulling van deze opgave. De overige 20 nationale belangen zijn niet relevant voor het plangebied. De beoogde ontwikkeling is in lijn met de NOVI. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Barro is op 22 augustus 2011 vastgesteld en op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ter bescherming van nationale belangen, zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, de uitoefening van defensietaken en bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. Op 1 oktober 2012 is het Barro gewijzigd en traden delen van het Barro in werking die al waren vastgesteld, maar die voor hun inwerkingtreding wachtten op deze wetswijziging. Met deze aanpassingen in de regelgeving is de wettelijke borging van het beleid in de SVIR nagenoeg voltooid. Het gaat om de eerder aangekondigde onderwerpen Natuurnetwerk Nederland (NNN), elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Consequenties voor dit bestemmingsplan Op basis van het Barro (geconsolideerd 1 december 2020) bevindt het plangebied zich niet binnen één van de aangewezen gebieden op de kaarten.
Op basis van het Rarro (geconsolideerd 1 december 2020) bevindt het plangebied zich binnen kaart 6: radarstations. Het plangebied is gelegen binnen een radarverstoringsgebied, namelijk: "radarverstoringsgebied maximale hoogte 90 meter t.o.v. NAP". Dit bestemmingsplan voorziet niet in bouwwerken die hoger zijn dan de toetshoogte. Belemmeringen voor de radar zijn niet aan orde. Op dit moment legt het Barro geen restricties op voor de onderhavige locatie. De beoogde ontwikkeling is in lijn met het Barro. 3.1.3
Besluit ruimtelijke ordening
Het Bro stelt juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Consequenties voor dit bestemmingsplan Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer een ruimtelijk plan voorziet in niet meer dan elf woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt (bron: uitspraak 201608869/1/R3, kenmerk: ECLI:NL:RVS:2017:1724). Voor de beoogde ontwikkeling geldt dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het betreft enkel het splitsen van een bestaande woning. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft daarom niet te worden gemotiveerd. Nut en noodzaak van de planologische toevoeging van een extra woning, kan gevonden worden in de woonbehoefte die blijkt uit beleid (zoals in dit hoofdstuk 3 aan de orde komt) alsmede de feitelijke situatie (de gesplitste woning wordt reeds bewoond). De overige onderwerpen voor
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 17
de beoogde ontwikkeling worden behandeld in hoofdstuk 4 en 5, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld. De beoogde ontwikkeling is in lijn met het Besluit ruimtelijke ordening.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Noord-Holland
De Omgevingsvisie NH2050 is vastgesteld door de Provinciale Staten van Noord-Holland op 19 november 2018. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. De Omgevingsvisie richt zich op lange termijn ambities en lange termijn doelen, met oog voor kwaliteiten die de provincie wil koesteren. De visie spreekt zich dus uit over het 'waarom' en ten dele over het 'wat'. Onder de hoofdambitie, 'balans tussen economische groei en leefbaarheid', zijn samenhangende ambities geformuleerd. De ambities zijn uitgewerkt in zogenaamde samenhangende bewegingen naar de toekomst. In die bewegingen worden meerdere ontwikkelprincipes gehanteerd. Alle ontwikkelprincipes hangen met elkaar samen. De omgevingsvisie laat in algemene zin zien wat de ontwikkelprincipes zijn voor de hele provincie om een hoge leefomgevingskwaliteit te bieden. Deze principes zijn overkoepelend: ze gelden voor de hele provincie. Hierbij komen de thema's gezondheid, veiligheid, klimaatadaptatie en landschap aan bod, alsook een aantal generieke principes voor het gebruik van de fysieke leefomgeving. Daarnaast schetst de provincie vijf samenhangende bewegingen, die laten zien hoe wordt omgegaan met opgaven die op de samenleving afkomen en die de provincie wil faciliteren. Deze bewegingen zijn niet overkoepelend en zijn locatie- of onderwerp specifiek.
Het gaat om de onderwerpen: Dynamisch Schiereiland, Metropool in ontwikkeling, Sterke kernen, sterke regio's, Nieuwe energie en Natuurlijk en Vitaal landelijke omgeving. Verstedelijking en woningbehoefte In de eerste fase van de omgevingsvisie, zijn verkenningen uitgevoerd. Deze verkenningen maken nu onderdeel uit van de omgevingsvisie. In de Verkenningen NH2050 zijn acht hoofdthema's van trends en ontwikkelingen, met hun kernopgaven, geformuleerd. Een van deze acht hoofdthema's is verstedelijking. Hierin wordt aangegeven dat de woningbehoefte voor Noord-Holland Noord en Noord-Holland Zuid in de toekomst nog steeds toeneemt. De prognoses laten ook in lage scenario's nog groei zien in de Metropoolregio Amsterdam (MRA). Ook in Noord-Holland Noord is er een groei vergelijkbaar met het Nederlands gemiddelde, waarbij een deel van Noord-Holland Noord langzamerhand meer in beeld komt bij woningzoekenden in het zuidelijk deel van de provincie. Migratie, vooral van expats, heeft in toenemende mate invloed op de woningbehoefte. Tegelijkertijd is er steeds meer structureel leegstaand vastgoed en kunnen er leefbaarheidsproblemen in verouderde nieuwbouwwijken ontstaan. De woningbehoefte op de korte termijn is groot, op de lange termijn neemt deze volgens de huidige inzichten af.
De ambitie ten aanzien van woningbouw is dat vraag en aanbod van woon- en werklocatie, zowel kwantitatief als kwalitatief, beter met elkaar in overeenstemming zijn. De woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Duurzaamheid van de totale voorraad is uitgangspunt. Consequenties voor dit bestemmingsplan De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de voornoemde ambitie van de provincie om woningbouw vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden in te plannen. De projectlocatie bestaat uit een bestaande stolp met aanbouw, waardoor geen nieuwe bebouwing gerealiseerd hoeft te worden. Hierdoor wordt voorzien in zowel een kwalitatieve als kwantitatieve behoefte, zoals ook zal blijken uit de beleidstoets in de navolgende paragrafen. Gemeente Amsterdam
blz. 18
De beoogde ontwikkeling is in lijn met de provinciale Omgevingsvisie NH2050. 3.2.2
Omgevingsverordening Noord-Holland
De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie worden verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland. Op donderdag 22 oktober 2020 hebben de Provinciale Staten de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. De Omgevingsverordening NH2020 geldt vanaf 17 november 2020 en vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. Consequenties voor dit bestemmingsplan Het plangebied is op basis van de kaarten bij de Omgevingsverordening geheel of gedeeltelijk gelegen in gebieden die zijn aangeduid met betrekking tot de volgende thema's: Agrarische bedrijven; Bijzonder Provinciaal Landschap (totaal); Gebiedswaarden wateroverlast; Landelijk gebied; MRA - Landelijk gebied; Peilbesluit; Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt uitgesloten; Beschermingszone regionale waterkering.
Toetsing Opgemerkt wordt dat een aantal aanduidingen en bijbehorende artikelen uit de verordening verder buiten beschouwing gelaten kunnen worden, omdat de beoogde ontwikkeling: niet voorziet in een agrarisch bedrijf (Agrarische bedrijven); geen "kleinschalige ontwikkeling, niet zijnde een kleinschalige woningbouwontwikkeling" betreft (Landelijk gebied); niet voorziet in nieuwbouw, waardoor geen sprake is van gevolgen voor normen voor waterkwantiteit (Gebiedswaarden wateroverlast), voor oppervlaktewaterlichamen en het werkingsgebied van peilbesluiten (Peilbesluit) of voor waterkerende functies (Beschermingszone regionale waterkering); niet voorziet in permanente bollenteelt (Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt uitgesloten). De overige relevante artikelen worden hieronder toegelicht. Bijzonder Provinciaal Landschap Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) bevat regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten. Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied BPL bevat regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten en bevat geen regels die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, daar slechts sprake is van splitsing van de bestaande stolpwoning.
Wel dient de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving te bevatten van de voorkomende kernkwaliteiten en een motivering van de wijze waarop het ruimtelijk plan de kernkwaliteiten niet aantast. Het plangebied is gelegen binnen het BPL Waterland in een gebied met regelmatige verkaveling en symmetrische droogmakerijen. Ruimtelijke ontwikkelingen die het verkavelingspatroon wijzigen zijn in een aantasting van deze kernkwaliteit. De splitsing van de bestaande stolpboerderij in twee reguliere woningen leidt niet tot een wijziging in het verkavelingspatroon. De aardkundige en landschappelijke karakteristiek wordt niet aangetast als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Het plangebied is gelegen in een gebied aangemerkt als habitat voor weidevogels op basis van de bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 19
openheid en ruimtebeleving. Ruimtelijke ontwikkelingen die het habiitat voor de weidevogels verkleinen zijn in beginsel een aantasting. Verstoring of het toevoegen van opgaande elementen die leiden tot een verkleining van het habitat zijn eveneens een aantasting van deze kernkwaliteit. Ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot verstoring, maar waarbij de verstoring valt binnen de verstoringszone van bestaande elementen zoals gebouwen en wegen, verkleinen het habitat niet. De beoogde ontwikkeling maakt twee reguliere woningen mogelijk middels splitsing van een bestaande stolp, waardoor het habitat van weidevogels niet wordt aangetast. Daarnaast staat dit bestemmingsplan geen extra bouwrechten ten opzichte van de huidige situatie toe, waardoor verstoring van het weidevogelleefgebied zou kunnen plaatsvinden. Verder is het plangebied gelegen in het bebouwingslint aan de Zunderdorpergouw. Ruimtelijke ontwikkelingen die bestaande doorzichten volledig blokkeren zijn een aantasting van de kernkwaliteit. De beoogde ontwikkeling resulteert niet in een blokkade van doorzichten. De ruimtelijke dragers worden niet aangetast als gevolg van de beoogde ontwikkeling. MRA - Landelijk gebied Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied MRA landelijk gebied in beginsel niet voorzien in een kleinschalige woningbouwontwikkeling.
In afwijking hiervan kan een ruimtelijk plan echter voorzien in een functiewijziging van een karakteristieke boerderij naar een woonfunctie, waarbij de karakteristieke boerderij mag worden gesplitst in meerdere burgerwoningen, indien geen afbreuk wordt gedaan aan het oorspronkelijke karakter van de bebouwing. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in deze splitsing. Een karakteristieke stolp krijgt hiermee een passende, nieuwe invulling. De positionering van bestaande bebouwing wordt planologisch vastgelegd, waarbij verdere uitbreidingsmogelijkheden bovendien worden uitgesloten. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het oorspronkelijke karakter van de bebouwing. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de provinciale Omgevingsverordening NH2020.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Amsterdam 2050
Het stadsbestuur zet in de Omgevingsvisie (juli 2021) de lijnen uit naar het jaar 2050. Hoe kan de stad worden ingericht ten behoeve van welvaart, welzijn en geluk van de Amsterdammers, regiobewoners en bezoekers? Waar gaat men wonen en werken, hoe komt men van A naar B, hoe zien de publieke ruimtes eruit en welke plek is er straks voor groen? De verwachting is dat de groei van de stad zal doorzetten. Die groei moet opgevangen worden en vooral gelijker verdeeld, ook over de regio. Er zijn flinke investeringen nodig in infrastructuur, voorzieningen en stedelijk en landelijk groen. De grootste uitdaging is de overstap naar meer duurzaamheid, met andere energiebronnen en een minder verspillende manier van leven. De inrichting van stad en regio gaat wezenlijk veranderen. Een deel van de plannen staat al op de rol, een ander deel is nieuw. In de omgevingsvisie staat vooral de samenhang centraal en het kiezen van een koers naar 2050. Gezien de ambities en de schaarste van ruimte en financiën maakt het bestuur vijf strategische keuzes: Meerkernige ontwikkeling Van uitrol centrumgebied naar een meerkernige en meer diverse verstedelijking Regionale spreiding stedelijke voorzieningen en werkgelegenheid. Onderscheidende ontwikkeling Nieuw-West, Zuidoost en Noord.
Gemeente Amsterdam
blz. 20
Twee vaste IJ-oeververbindingen en een regionaal fietsnetwerk.-Uitbreiding HOV en metronet en ontwikkeling stationskwartieren. Groeien binnen grenzen Verdichting door complete en duurzame wijkontwikkeling Ruimte voor 150.000 woningen erbij in complete buurten. Verduurzamen bestaande buurten en woningen. Ruimte voor schone energie en duurzame initiatieven Verduurzaming van de haven. Duurzaam en gezond bewegen Heel Amsterdam een wandel- en fietsstad Een openbare ruimte die uitnodigt tot ontmoeting en bewegen. Meer ruimte voor fietsers en voetgangers. Auto's zijn te gast. Verkeerswegen (Gooiseweg, Lelylaan, Burg. Roëllstraat) worden groene stadslanen begeleid door bebouwing. Rigoureus vergroenen Een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving voor mens en dier Openbare ruimte zo groen mogelijk inrichten. Ontwikkeling parken (Oeverlanden, Hondsrugpark, Gaasperdakpark, Zuidasdokpark en NDSM-Oost).-Groene routes en ecologische verbindingen. Investeren in het landschap: natuurontwikkeling, kringlooplandbouw, en ruimte voor sporten en bewegen. Samen stadmaken Richting geven op hoofdlijnen en ruimte bieden aan initiatief Gelijkwaardige (digitale) informatiepositie bij planvorming. Buurtbatenovereenkomsten en buurtomgevingsvisies. Grotere rol Amsterdammers bij beheer en ontwikkeling. Ruim baan voor wooncoöperaties: naar 10% van de woningvoorraad in 2040.
Vrije ruimte als vast onderdeel van de planvorming. Consequenties voor dit bestemmingsplan De voorgenomen ontwikkeling behelst het planologisch mogelijk maken van de splitsing van de bestaande stolp met aanbouw en daarmee het toevoegen van één woning. Hiermee wordt in bescheiden mate bijgedragen aan de ambitie om te groeien binnen de grenzen en woningbouw toe te voegen. In paragraaf 5.4 Natuurbescherming wordt de Hoofdgroenstructuur in relatie tot de gemeentelijke Omgevingsvisie 2050 nader toegelicht. Vooruitlopend hierop kan worden aangegeven dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de Hoofdgroenstructuur en dat de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (TAC) reeds positief heeft geadviseerd over de voorgenomen bestemmingswijziging (d.d. november 2020 en oktober 2022). De beoogde ontwikkeling is in lijn met de de gemeentelijke Omgevingsvisie Amsterdam 2050.
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 21
3.3.2
Koers 2025
Gemeente Amsterdam heeft in april 2016 de Koers 2025 opgesteld. De gemeentelijke structuurvisie wordt in de Koers 2025 geoperationaliseerd en bevat het plan van aanpak voor de bouw van 50.000 huizen tot 2025 en de strategische keuzes die daarbij horen. Er zijn bouwstenen voor gebiedsontwikkeling in de periode 2016-2025 uitgewerkt, waarbij een inschatting is gemaakt van het aantal te realiseren woningen. Naast de te realiseren woningen in grootschalige ontwikkelingslocaties is sprake van een aanvullend aanbod van woningen door transformatie van bestaand vastgoed naar woningen. Consequenties voor dit bestemmingsplan De beoogde woningsplitsing in het plangebied is geen expliciet onderdeel van de bouwstenen voor gebiedsontwikkeling uit de Koers 2025. Wel is sprake van de planologische toevoeging van één woning. Vergroting van het woningaanbod sluit aan bij de ambities uit de Koers 2025. De beoogde ontwikkeling is in lijn met de gemeentelijke Koers 2025. 3.3.3
Woningbouwplan 2018-2025
In het Woningbouwplan 2018-2025, zoals vastgesteld door het college van B&W op 20 november 2018, geeft de gemeente Amsterdam aan hoe de forse woningbouwambitie wordt gerealiseerd. De woningbouwambitie 2018 tot 2025 is: start bouw van 52.500 woningen, gemiddeld 7.500 woningen per jaar. Op de peildatum 8 oktober 2018 bestond de gemeentelijke en particuliere planvoorraad uit ongeveer 73.000 woningen. In de planvoorraad zitten ca. 15.000 woningen die geheel door particulier initiatief worden ontwikkeld vooral door transformatie van bestaande panden. De Gemeenteraad heeft het college verzocht om gezinnen voor de stad te behouden en nadrukkelijk ook voor gezinnen te bouwen. In de beantwoording van de moties van de raad onderstreept het college van Amsterdam het belang van gezinnen in de stad en zegt toe te zorgen voor voldoende gezinswoningen. Gezinswoningen zijn woningen met een minimale grootte van 70 m². De woningbouwopgave zoals beschreven in het Woningbouwplan 2018-2025 is niet alleen kwantitatief maar ook kwalitatief. Daarnaast wordt in het Woningbouwplan geconstateerd dat een steeds groter deel van de bouwproductie moet worden gerealiseerd door transformatie en verdichting van bestaand stedelijk gebied. Bij transformatie is de gemeente afhankelijk van de bereidheid van particulieren om te investeren.
Consequenties voor dit bestemmingsplan De woningsplitsing zorgt planologisch voor het toestaan van één extra woning. Het betreft zodoende een woning die geheel door particulier initiatief wordt ontwikkeld middels transformatie van een bestaand pand. Het toevoegen van deze extra woning draagt bij aan de woningbouwambitie zoals beschreven in het Woningbouwplan 2018-2025. De beoogde ontwikkeling is in lijn met het gemeentelijk Woningbouwplan 2018-2025. 3.3.4
Parkeerbeleid
Auto De gemeente Amsterdam voert al jaren parkeerbeleid. Parkeerbeleid heeft invloed op de bereikbaarheid en leefbaarheid in de stad. Dit onder meer vanuit het idee dat minder auto's op straat leidt tot meer ruimte voor voetgangers en fietsen en een aantrekkelijkere openbare ruimte voor bewoners, bezoekers en ondernemers. Daarnaast willen ondernemers en bewoners ook een bereikbare stad, een stad waar Gemeente Amsterdam
blz. 22
ze hun auto kwijt kunnen en klanten een parkeerplek kunnen vinden. Minder auto's op straat en tegelijkertijd een goede (auto)bereikbaarheid van de stad, het lijken tegenstrijdige doelstellingen. Een oplossing om deze doelstellingen te verenigen, is het verplaatsen van een groot deel van de parkeerplaatsen op straat naar parkeergarages. In het Parkeerplan uit 2012 staat de aanpak om de auto minder op straat te parkeren, de openbare ruimte te verbeteren en het verkeer te laten doorstromen door het verminderen van zoekverkeer. In de Uitvoeringsagenda Mobiliteit is die lijn doorgetrokken met de aankondiging meer ruimte op straat te maken voor voetgangers en fietsers door de bouw van parkeergarages en het opheffen van parkeerplaatsen op straat. Parkeernormering helpt om de toekomstige parkeervraag in (ondergrondse) garages op te lossen, door ontwikkelaars te verplichten om bij nieuwbouw parkeergelegenheid op eigen terrein te realiseren. Hiervoor heeft de gemeenteraad op 8 juni 2017 de Nota Parkeernormen Auto vastgesteld. Deze Nota is op 29 november 2017 gewijzigd vastgesteld. In de Nota staan beleidsregels en parkeernormen voor nieuwbouw- en transformatieplannen. Ook is aangegeven wanneer de regels en beleid worden toegepast.
Het nieuwe beleid treedt in werking voor alle ontwikkelingen waarvoor de eerste grondprijsovereenkomst wordt gesloten, na moment van vaststelling van de nieuwe Nota Parkeernormen Auto. Over bestemmingsplannen die ten tijde van de inwerkingtreding van de nota reeds zijn vastgesteld en waarin een eigen parkeernormering is opgenomen is aangegeven dat de parkeernorm van het bestemmingsplan het toetsingskader blijft. Dit geldt ook voor bestemmingsplannen waarin een uitwerkingsverplichting is opgenomen en waarvan de uitwerking plaats vindt nadat de nota in werking is getreden. Het belangrijkste uitgangspunt van deze nota is dat bij nieuwbouw, bewoners en werknemers geen parkeervergunning krijgen. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het oude beleid zijn: De verplichte minimumparkeernorm voor sociale woningbouw en middeldure huurwoningen komt te vervallen. De verplichte minimumparkeernorm voor vrije sectorwoningen wordt lager. Waar in het oude beleid een minimumverplichting geldt van 0,6 tot 1 parkeerplaats per woning, is dit nu afhankelijk van de woninggrootte (< 30 m2 geldt een norm van 0,1-1 pp per woning, 30-60 m2 geldt een norm van 0,3-1 pp per woning en woningen >60 m2 geldt een norm van 0,6-1 pp per woning). Er komt in de hele stad een maximumparkeernorm van 1 parkeerplaats per woning. Nu geldt in grote delen van de stad geen maximumparkeernorm.
De verplichte minimumparkeernorm voor kantoren komt te vervallen er geldt nu alleen een maximumnorm. Voor voorzieningen wordt in het nieuwe beleid maatwerk geleverd. In de 'Nota Parkeernormen Auto' wordt voor parkeernormen onderscheid gemaakt in drie soorten typen locaties: A-, B-, en C-locaties genoemd. Parkeren fiets en scooter Op 14 maart 2018 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen fiets en scooter 2018 vastgesteld. De nota 'Parkeernormen Fiets en Scooter' is het beleidskader op basis waarvan we bij ruimtelijke (her-)ontwikkelingen eisen stellen aan de parkeervoorzieningen bij niet-woonfuncties. Deze eisen zijn vertaald in bindende beleidsregels voor fietsen. Voor scooters zijn de normen voor parkeervoorzieningen niet bindende richtlijnen. Uitgangspunt voor zowel fiets- als scooterparkeren is dat dit op eigen terrein wordt geregeld, al dan niet inpandig. Op basis van de kencijfers van het landelijke kennisinstituut CROW zijn fietsparkeernormen ontwikkeld voor niet-woonfuncties. Het vaststellen van het minimaal vereiste aantal parkeerplekken is volgens de nota een fietsparkeereis, waarbij maatwerk wordt toegepast.
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 23
Het Bouwbesluit 2012 verplicht ontwikkelaars om bij nieuwe woningen een individuele (fietsen)berging te realiseren, maar biedt ook ruimte voor gelijkwaardige alternatieven. In de Nota Parkeernormen fiets en scooter 2018 wordt de voorkeur uitgesproken voor een gelijkwaardig alternatief; een gezamenlijke fietsenstalling. Bewoners zullen die beter benutten voor het parkeren van hun fiets dan een individuele berging. Zo voorkomen we dat geparkeerde fietsen van bewoners de openbare ruimte onnodig belasten. Consequenties voor dit bestemmingsplan Onderhavig plangebied is in de Nota Parkeernormen Auto aangemerkt als C-locatie (zie ook onderstaande figuur). De C-locaties (op de figuur oranje) bestaan uit Landelijk Noord, Driemond, het Havengebied en een aantal bedrijventerreinen en sportlocaties. De bereikbaarheid per openbaar vervoer is minder goed dan in de rest van de stad. Bij nieuwbouwplannen in deze gebieden is maatwerk nodig. Het kan zijn dat de gemeente eist dat het parkeren op eigen terrein opgelost wordt, maar ook het parkeren op straat kan een optie zijn.
Figuur 3.1: Uitsnede beleidskaart gebiedsindeling parkeernormen met de ABC-locaties, plangebied bij benadering rood omlijnd (bron: Nota Parkeernormen Auto) Voor fietsparkeren geldt dat het Bouwbesluit 2012 geen voorschriften geeft voor een (fietsen)berging bij verbouw of herbestemming van bestaande gebouwen, terwijl goede fietsparkeervoorzieningen ook bij deze woningen van belang zijn. De gemeente verwacht daarom dat initiatiefnemers bij transformatie- en herontwikkelingsprojecten hun verantwoordelijkheid nemen om te voorzien in voldoende en goede fietsparkeergelegenheid. De Bouwbrief 2015-130 is, op basis van de Nota Parkeernormen fiets en scooter, daarvoor de leidraad. Het parkeerbeleid kan in de toekomst wijzigen. Voor de toepassing van het parkeerbeleid dient op grond van de bepalingen van dit bestemmingsplan uitgegaan te worden van de meest recente versie van het vastgestelde en inwerking getreden beleid. Het parkeerbeleid is voor eenieder raadpleegbaar op internet. Voor het plangebied geldt dat er in de huidige situatie reeds voldoende parkeergelegenheid voor auto en fiets op eigen terrein is. Het erf is ruim genoeg om te voorzien in parkeerplaatsen voor zowel bewoners als bezoekers van de twee zelfstandige wooneenheden. De beoogde ontwikkeling is in lijn met het gemeentelijk parkeerbeleid.
Gemeente Amsterdam
blz. 24
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 25
Hoofdstuk 4 4.1
Milieueffect
4.1.1
Kader
Milieuaspecten
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. In de Wet milieubeheer (art 7.2) en het Besluit milieueffectrapportage (art 2 lid 5) is verankerd dat er een beoordeling moet worden gemaakt of een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden als een plan of besluit (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) wordt opgesteld voor één of meerdere activiteiten met mogelijk belangrijke negatieve effecten op het milieu. Activiteiten waarvoor dat het geval is, worden genoemd in de bijlage onderdeel C en D van het Besluit mer: Onderdeel C: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en dus het opstellen van een MER verplicht is; Onderdeel D: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is.
Als de activiteiten die met het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt in kolom 1 van onderdeel D staan, dan bestaat de m.e.r.-beoordelingsplicht er uit dat het bevoegd gezag moet beoordelen of de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Blijkt uit deze beoordeling dat de betreffende activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen hebben, dan moet de m.e.r.-procedure (m.e.r.) worden doorlopen en moet een milieueffectrapportage (MER) worden opgesteld. 4.1.2
Plangebied
In jurisprudentie is bepaald dat bij de beoordeling of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, gekeken moet worden naar de concrete omstandigheden van het geval, waarbij aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging een rol spelen (o.a. rechtbank Gelderland van 3 juli 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4105 en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:694). De rechtbank Noord-Holland heeft in november 2017 geoordeeld dat de transformatie van een kantoorgebouw naar wonen voor 64 arbeidsmigranten niet aan te merken is als een stedelijk ontwikkelingsproject (24 november 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:9184). De rechtbank nam daarbij in aanmerking dat met de omgevingsvergunning alleen een wijziging van het gebruik wordt toegestaan. Het bebouwde oppervlak werd niet uitgebreid. Voorts achtte de rechtbank van belang dat het blijkens de Nota van Toelichting behorende bij het besluit van 4 september 2014 tot wijziging van het Bor (Staatsblad 2014, 333, p. 55) de bedoeling van de regelgever is geweest om met de wijziging van het negende lid te voorzien in de behoefte om snel een besluit te kunnen nemen over de toelaatbaarheid van (al dan niet tijdelijke) bewoning van leegstaande (kantoor)gebouwen.
Geconcludeerd kan worden dat voor wat betreft de voorgenomen ontwikkeling, eveneens geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, gezien de aard en omvang van de ontwikkeling. Immers neemt het bebouwd oppervlak niet toe en is slechts sprake van de wijziging van gebruik (door het planologisch toestaan van één extra woning). Daarbij komt dat de te verwachten milieueffecten gering zijn, de verkeersintensiteit minimaal toeneemt en het slechts één extra woning betreft. Daarnaast zijn ook andere categorieën die vermeld staan op de C of D lijst in onderhavige situatie niet aan de orde. Er geldt derhalve voor de beoogde ontwikkeling geen m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht.
Gemeente Amsterdam
blz. 26
Conclusie Een m.e.r.-(beoordelings)plicht is niet aan de orde voor de beoogde ontwikkeling.
4.2
Milieuzonering bedrijven
4.2.1
Kader
Milieuzonering betreft het toepassen van het ruimtelijke ordeningsprincipe voor “nieuwe situaties / ontwikkelingen” dat zich richt op functiescheiding van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld een bedrijfsfunctie) en milieu-planologisch gevoelige functies (bijvoorbeeld wonen). Een nieuwe situatie / ontwikkeling betreft een plan dat nog niet eerder als zodanig is bestemd in een bestemmingsplan of vergund met een omgevingsvergunning. Het waar nodig en mogelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies bij nieuwe ontwikkelingen / in nieuwe situaties dient twee doelen: Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Met deze doelstelling wordt bij het plannen van een nieuwe functie om redenen van goede ruimtelijke ordening gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functie wordt ingepast. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel bij het beantwoorden van deze vragen.
Milieuzonering beperkt zich hierin tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de milieubelasting afneemt naarmate de afstand van/tot de bron toeneemt. De VNG-publicatie bevat een tweetal richtafstandlijsten waarin een groot aantal niet-woonactiviteiten (zoals productie, handel en dienstverlenende activiteiten, onderwijs, sport en recreatie, etc.) zijn vertaald naar een milieucategorie met bijbehorende indicatieve richtafstanden. De activiteiten en bijbehorende categorieën zijn weergegeven in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) en in voorkomend geval (afhankelijk van de wijze van bestemmen) ook in de bijlage bij de regels van een bestemmingsplan. Zoals hiervoor al is aangegeven, is het ordeningsprincipe van milieuzonering bedoeld voor nieuwe situaties / nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van “bestaande situaties” waarbij bestaande / gevestigde milieubelastende activiteiten en bestaande milieugevoelige functies op minder dan de indicatieve richtafstand van elkaar staan. Via het zogenaamde 'milieuspoor' van de Wet Milieubeheer (Wm) is het functioneren van bestaande bedrijven (inrichtingen) geregeld. 4.2.2
Plangebied
Omgevingstype / gebiedskarakteristiek De projectlocatie is gelegen in het buitengebied van Amsterdam (omgevingstype 'rustige woonwijk of rustig buitengebied'). Het perceel heeft reeds een woonbestemming, echter is op basis van het huidige bestemmingsplan slechts één woning toegestaan. Door het planologisch toevoegen van de extra woning dient opnieuw beoordeeld te worden of ook voor deze 'nieuwe' woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Beoordeling Aan de Zunderdorpergouw 22 en 29 zijn agrarische bouwpercelen gelegen, waar grondgebonden
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 27
veehouderij mogelijk is. Uitgaande hiervan en gelet op de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt, op basis van de veebezetting, hier in ieder geval een minimaal aan te houden afstand van 50 meter tot woningen van derden als die buiten de bebouwde kom (in de zin van de Wgv) zijn gelegen. Het perceel aan de Zunderdorpergouw 29 is op meer dan 90 meter afstand gelegen, waardoor dit perceel geen belemmering vormt. Het perceel aan de Zunderdorpergouw 22 is binnen 50 meter afstand van de projectlocatie gelegen, waardoor beoordeeld dient te worden of sprake is van een goed woon- en leefklimaat en of het bedrijf niet wordt beperkt in haar bedrijfsvoering als gevolg van het toevoegen van de woning. Ten aanzien van de belemmering van de bedrijfsvoering voor het bedrijf aan de Zunderdorpergouw 22 geldt dat de woning aan de Zunderdorpergouw 20 maatgevend is; de gevel van deze woning is dichterbij het bouwvlak van het bedrijfsperceel gelegen dan de gevel van de toekomstige extra woning. Er zal derhalve geen nieuwe beperking ontstaan en derhalve is het toevoegen van de woning aan de Zunderdorpergouw 24 aanvaardbaar. Om vast te stellen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat, is nader geuronderzoek noodzakelijk.
Geurhinder onderzoek Om de uitgangspunten voor het geuronderzoek vast te stellen, zijn voor het perceel aan de Zunderdorpergouw 22 de verleende bouwvergunningen en de vigerende milieuvergunning opgevraagd bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en de gemeente Amsterdam (DMB archief). Uit het vergunningenonderzoek is gebleken dat de vigerende milieuvergunning van het perceel aan de Zunderdorpergouw 22, een Hinderwetvergunning van d.d. 23 maart 1994 is. Deze Hinderwetvergunning is per 1 januari 2013 van rechtswege omgezet in een melding Activiteitenbesluit milieubeheer. Binnen de inrichting mogen maximaal de volgende dieren gehouden worden: 3 stuks vleeskalveren van 0 tot circa 8 maanden (Rav-code A 4.100); 3 stuks vleesstieren van circa 8 tot 24 maanden (Rav-code A 6.100); 8 stuks overig rundvee ouder dan 2 jaar (Rav-code A 7.100). Door Busscher Milieu Advies is een onderzoek naar het woon- en leefklimaat aan de Zunderdorpergouw 24 te Amsterdam uitgevoerd. De volledige rapportage is bijgevoegd als Bijlage 2 Geurhinder onderzoek en de resultaten worden hieronder samenvattend beschreven. In het onderzoek is uitgegaan van de op 23 maart 1994 vergunde veebezetting. De binnen de inrichting Zunderdorpergouw 22 gehouden dieren worden hierbij gehuisvest in de aanwezige stal achter op het erf.
Voor deze stal is wel een bouwvergunning afgegeven, maar milieutechnisch gezien is deze situatie nog niet gelegaliseerd. Hiervoor zal door inrichtinghouder Zunderdorpergouw 22 binnenkort dan ook een melding Activiteitenbesluit milieubeheer worden ingediend. Gezien de feitelijke situatie, het feit dat er een bouwvergunning is verleend voor de stal waar de dieren worden gehuisvest en het voornemen tot indienen van een melding Activiteitenbesluit, is in voorliggend onderzoek uitgegaan van het houden van dieren in het dierenverblijf zoals in onderstaande figuur weergegeven.
Gemeente Amsterdam
blz. 28
Figuur 4.1: Feitelijk aanwezig dierenverblijf ten opzichte van de woning aan de Zunderdorpergouw 24 (bron: Busscher Milieu Advies, d.d. 27-09-2019) Ter plaatse van de woning Zunderdorpergouw 24 te Amsterdam wordt zowel voldaan aan de maximale geurnorm van 8,0 ouE/m3, als aan de minimaal aan te houden afstand van 50 meter. Hierdoor kan gesteld worden dat ter plaatse van de woning Zunderdorpergouw 24 sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Om te onderzoeken of voor de extra woning aan de Zunderdorpergouw 24 te Amsterdam sprake is van een goed woon- en leefklimaat, is door Busscher Milieu Advies geuronderzoek uitgevoerd. Uit de berekening is gebleken dat aan de maximale geurnorm en aan de minimaal aan te houden afstand van 50 meter wordt voldaan. Het agrarisch perceel aan de Zunderdorpergouw 29 vormt geen belemmering, nu dit perceel op meer dan 90 meter afstand is gelegen. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
bestemmingsplan_12e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 29
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Kader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. Luchtkwaliteitsaspecten zijn verankerd in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2). In de luchtkwaliteitseisen zijn onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. De wet voorziet onder meer het rijksprogramma het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het begrip "in betekenende mate" (ibm) en gebiedssaldering. De kern van de wet wordt gevormd door een programmatische aanpak om de grenswaarden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, te halen en door de introductie van het begrip "in betekenende mate".
Nationaal SamenwerkingsprogrammaLuchtkwaliteit (NSL) en Besluit NIBM Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland nog niet overal voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die sinds 2010 van kracht zijn. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Voorts bestaat in het wettelijk stelsel voor luchtkwaliteit de mogelijkheid van projectsaldering. Saldering is de mogelijkheid om ruimtelijke plannen uit te voeren in gebieden waar te veel fijn stof en stikstofdioxide in de lucht zit. Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren. Projectsaldering is aan de orde wanneer de gevolgen van een project de 3% grens, voor 'niet in betekenende mate' overschrijden.
Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit en maximaal toegestane verslechtering van 1,2 µg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen Gevoelige bestemmingen zoals scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het "Besluit gevoelige bestemmingen" extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden. Beleidskader - Amsterdam