CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

- 23 Ruimtelijke Ordening (30) 8. Nota van beantwoording zienswijzen bestem

RAAD 22 december 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Havenstraatterrein VN2021-02947737.790 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Adressant meldt dat bij het Investeringsbesluit verkeerde informatie is verstrekt aan de gemeenteraad, in die zin dat wordt gesteld dat het bestemmingsplan per 1 juni 2013 is gewijzigd, terwijl deze wijziging nooit is gepubliceerd en nooit ter inspraak is aangeboden. Adressant stelt dat deze tekst strijdig is met eerder door het stadsdeel verstrekte informatie tijdens de inspraakperiode met betrekking tot vigerende bestemmingsplannen. Antwoord: Tot 1 juli 2013 was (voor het grootste deel van het plangebied Havenstraatterrein) de tweede herziening van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) uit 1950 het vigerend juridischplanologisch kader. Daarin staat de bestemming nog aangeduid als ‘hoofdverkeerswegen’. Voor het gedeelte ten zuiden van de Karperweg gold tot 1 juli 2013 de Verordening voorschriften uit artikel 43 Woningwet uit 1943. Daarin staat de bestemming ‘industrieterrein in de zin van handel en nijverheid’ aangegeven. Door de overgangsbepaling van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in 1968 hadden het AUP (1950) en de voorschriften uit de Verordening uit 1943, tot voor kort de status van bestemmingsplan. Uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) volgt de verplichting om op 1 juli 2013 een actueel bestemmingsplan te hebben vastgesteld.

Op grond van artikel 9.3.2 van de Invoeringswet Wro zijn de tweede herziening AUP en de Verordening voorschriften uit artikel 43 Woningwet per 1 juli 2013 van rechtswege komen te vervallen. Voor aanvragen voor omgevingsvergunningen geldt sindsdien dat voor die delen van het plangebied, tot de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan, alleen wordt getoetst aan de Bouwverordening Amsterdam 2013. Deze informatie is overigens, in tegenstelling tot de bewering van adressant, opgenomen in de Nota van beantwoording inspraak en in het vastgestelde Investeringsbesluit. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

11.6

Adressant stelt als omwonende ernstig te zijn gehinderd in de inspraak door de grote hoeveelheid spreektijd die is gegeven aan niet-belanghebbenden. Daarbij is het hem opgevallen dat twee zeer mondige insprekers geen enkele binding hebben met de buurt maar wel langdurig namens de buurt menen in te moeten spreken over zaken die niet tot bewoners- en ondernemersbelangen behoren. Adressant geeft aan dat het opvallend is dat gemeenteraadsleden opmerkingen hebben gemaakt over het ontbreken van buurtbinding van deze insprekers en dat het gaat om insprekers die inspreken als liefhebberij hebben maar eigenlijk niets te zoeken hebben op de inspraakmeetings. Adressant vindt dat door heftige reacties van deze insprekers de goede naam van bewoners is geschaad, opbouwend discussiëren moeizaam heeft gemaakt en veel tijd verloren is gegaan aan non-issues. 25

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’ Antwoord: De gemeente betreurt dat adressant het gevoel heeft gehinderd te zijn in de inspraak. Eenieder krijgt tijdens commissie- en raadsvergadering dezelfde hoeveelheid spreektijd. Tijdens informatiebijeenkomsten staat het eenieder vrij om vragen te stellen en de discussie met vertegenwoordigers van de gemeente aan te gaan. De gemeente vindt niet dat de goede naam van omwonenden is geschaad vanwege reacties van andere insprekers. De belangen van omwonenden en ondernemers zijn betrokken bij de besluitvorming over het bestemmingsplan. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 11.7

Adressant distantieert zich van de zeer persoonlijke bedreigingen van een ondernemer richting de toenmalig wethouder van het stadsdeel, waardoor hij werd vrijgesteld van antwoord geven op vragen over de slecht verlopen inspraakronde. Adressant verwacht nog wel een formeel antwoord van de opvolger van de toenmalig wethouder over de slecht verlopen inspraakrondes en hoe deze alsnog vormgegeven zal worden. Antwoord: Dit onderdeel van de zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Voor een toelichting op de mogelijkheden van belanghebbenden om een reactie op de plannen in te dienen wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.2 Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

11.8

Adressant geeft aan grondig kennis te hebben genomen van alle geldende bestemmingsplannen, voordat hij hier kwam wonen. Daarin werd gesproken over laagbouw, nijverheid, verkeerswegen en een verbod op bewoning. Adressant geeft aan op basis daarvan in 2006 de woning te hebben gekocht en de erfpachtovereenkomst te hebben getekend. Adressant meldt dat het huidige ontwerp een muur van hoogbouw is en dat dit niet past binnen de huidige bestemmingsplannen voor het Havenstraatterrein. Antwoord: Zoals aangegeven in de beantwoording onder 11.5 bestond in 2006 het vigerende juridischplanologisch kader voor het Havenstraatterrein uit de tweede herziening van het AUP en de Verordening voorschriften uit artikel 43 Woningwet. Op grond daarvan golden de bestemmingen ‘hoofdverkeerswegen’ en ‘handel en nijverheid’. De constatering van adressant dat de beoogde transformatie van het gebied naar woonwerkgebied niet past binnen het vigerende juridisch-planologisch kader is juist. Om de beoogde transformatie planologisch mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan nodig. De basis voor die keuze is overigens reeds gelegd in 2003, toen de gemeente heeft besloten de reservering voor de Schinkelverbinding via het Havenstraatterrein te laten vallen. Dat besluit maakte de weg vrij voor herbestemming van het Havenstraatterrein.

In de Structuurvisie Amsterdam (2011) was het Havenstraatterrein ook aangewezen als transformatiegebied wonen-werken, hetgeen in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is voortgezet.

26

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’ Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen voor gronden vaststellen. Wel maakt het bestemmingsplan geen hoogbouw meer mogelijk. In dit onderdeel van de zienswijze kan dan ook geen aanleiding worden gevonden het bestemmingsplan niet of gewijzigd vast te stellen. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 11.9

Adressant geeft aan in 2006 door de gemeente te zijn geïnformeerd dat het terrein onderdeel zou gaan uitmaken van de groenstrook die de fiets- en voetganger verbinding zou moeten leggen tussen het Haarlemmermeercircuit en het Amsterdamse Bos. Ook de afgelopen jaren heeft de gemeente altijd bericht dat zij grote waarde hecht aan het verbeteren van die verbinding in het kader van veiligheid van fietsers en voetgangers en het vergemakkelijken van de toegang tot het Amsterdamse Bos. Antwoord: Sinds het vervallen van de reservering voor de Schinkelverbinding in 2004 wordt nagedacht over herbestemming van het Havenstraatterrein. Omdat het terrein op de kop van de Amsterdamse Bos scheg ligt speelt groen een belangrijke plek bij de ontwikkeling van het Havenstraatterrein. Van een beoogde herbestemming van het Havenstraatterrein als groenstrook is echter nooit sprake geweest. Het klopt dat de gemeente waarde hecht aan een goede fietsverbinding tussen het Amsterdamse Bos en het Vondelpark. In de huidige situatie loopt deze route al via het Havenstraatterrein en is deze ingericht met geïmproviseerde fietsstroken over klinkers en tramsporen. In de toekomstige situatie loopt deze fietsroute ook door het plangebied, te weten in de verlengde Havenstraat. Het plan Havenstraatterrein voorziet in een optimalisering van deze fietsroute.

Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

11.10 Adressant vindt dat wordt doorgegaan met het in stand houden van een verwarrende lappendeken aan bestemmingsplannen voor het Havenstraatterrein met postzegelbestemmingsplannen, soms zelfs per gebouw en met veel overlap in de bestemmingsgebieden. Antwoord: Verondersteld wordt dat adressant met het gebied Havenstraatterrein doelt op het gehele gebied tussen Havenstraat en Karperweg. Voor het project Havenstraatterrein, dat getransformeerd zal worden tot gemengd woon-werkgebied wordt een bestemmingsplan vastgesteld. Het bestemmingsplangebied Havenstraatterrein is gelijk aan het plangebied, waarvoor het Investeringsbesluit en bijbehorende grondexploitatie zijn vastgesteld. Voor het gebied rondom het Havenstraatterrein is in 2013 het bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o. vastgesteld. Het plangebied Havenstraatterrein is destijds, vanwege de planvoorbereiding, bewust buiten dat bestemmingsplan gelaten. Voor een deel van het 27

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’ plangebied Olympisch Stadion e.o., te weten bedrijventerrein Karperweg-Zuid, was er aanleiding om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Daarmee is voor dat betreffende gebied, dat geen onderdeel uitmaakt van het projectgebied Havenstraatterrein, het vigerende bestemmingsplan vervangen. Overigens is sinds de verplichte digitalisering van bestemmingsplannen op www.ruimtelijkeplannen.nl in een oogopslag duidelijk welk bestemmingsplan voor een bepaalde locatie geldt, zodat van een verwarrende lappendeken geen sprake is. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 11.11 Adressant is van mening dat er een overzichtelijk bestemmingsplan zou moeten zijn voor een gebied als het Havenstraatterrein, zeker nu alle bestemmingsplannen van dit gehele gebied ter herziening worden voorgesteld door de gemeente. Antwoord: Het is wenselijk om voor het Havenstraatterrein een eigen ´projectbestemmingsplan´ op te stellen, waarvan het plangebied overeenkomt met die van het vastgestelde Investeringsbesluit en bijbehorende grondexploitatie. De planvoorbereiding voor dat projectgebied loopt al jaren en kent een geheel eigen dynamiek. Zo is het project Havenstraatterrein aangewezen als ontwikkelingsgebied in het kader van de Crisis- en herstelwet.

Bedrijventerrein Karperweg-Zuid is geen onderdeel van het gebied dat getransformeerd wordt tot gemengd woon-werkgebied. De ontwikkelingen die aanleiding hebben gegeven voor het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor het bedrijventerrein Karperweg-Zuid staan los van het project Havenstraatterrein. In ieder geval leiden deze ontwikkelingen in geen enkel opzicht tot de noodzaak dat de bestemmingsplannen voor het Havenstraatterrein en bedrijventerrein Karperweg-Zuid moeten worden samengevoegd. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 11.12 Adressant stelt dat door het eenzijdig creëren van een nieuwe situatie door de gemeente een basis ontstaat voor de herziening van de erfpacht over de resterende looptijd van het erfpachtcontract. Adressant vindt dat de gemeente zich niet houdt aan de erfpachtovereenkomst uit 2006, want het uitzicht en omgeving zit verwerkt in de overeengekomen prijs. Adressant verzoekt de gemeente om een voorstel voor erfpachtherziening per 2015 met inachtneming van de wijziging van het bestemmingsplan. Antwoord: Dit onderdeel van de zienswijze heeft geen betrekking op het bestemmingsplan Havenstraatterrein. De erfpachtovereenkomst is een privaatrechtelijke overeenkomst die zich niet leent voor een zienswijze.

Met de uitgegeven erfpachtovereenkomst heeft de gemeente zich geen beperkingen opgelegd met betrekking tot toekomstige wijzigingen van het bestemmingsplan of bouwplannen in de omgeving.

28

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’ Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 11.13 Adressant stelt dat de blokken met hoogbouw zodanig zijn geplaatst dat het uitzicht volledig wordt ontnomen. Adressant geeft aan dat er tijdens de inspraakperiode van 2013 meermaals om impressietekeningen vanaf de Afroditekade is gevraagd en dat deze informatie pas na de inspraakperiode door het stadsdeel is verstrekt. Adressant meldt dat in de communicatie naar de gemeenteraad het stadsdeel ten onrechte stelt dat deze informatie tijdens de inspraakperiode is verstrekt. Antwoord: Als gevolg van de ontwikkeling van het Havenstraatterrein, in het bijzonder bouwblok 4, zou het uitzicht voor de bewoners van de Afroditekade aanzienlijk veranderen. In de voorkeursvariant in het projectbesluit Havenstraatterrein is de afstand van de hoogbouw in bouwblok 4 tot de bebouwing van de Afroditekade (ten opzichte van de strategienota uit 2010) vergroot van 50 naar 75 meter. In het investeringsbesluit is een deel van de oorspronkelijk beoogde hoogbouw verwijderd en verlaagd. Om het visuele effect van bebouwing te verminderen is ervoor gekozen om bouwblok 4 te geleden in verschillende maximale bouwhoogtes, zodat een gevarieerd beeld ontstaat.

Tijdens de inspraakperiode heeft nadere afstemming plaatsgevonden met bewoners van de Afroditekade. Ook zijn op basis van uitzichtfoto’s vanuit enkele woningen impressies gemaakt van het toekomstige uitzicht. Mede naar aanleiding van de ontvangen zienswijzen over de hoogbouw in bouwblok 4 heeft de gemeente de bebouwingsmogelijkheden in bouwblok 4 en de effecten op de omgeving nader beschouwd. Op basis van de maximale mogelijkheden in het ontwerpbestemmingsplan kan het hoogteaccent als relatief brede bouwmassa worden gerealiseerd. De gemeente oordeelt dat een dergelijke bouwmassa nadelige effecten (uitzicht en bezonning) heeft voor de bewoners van de Afroditekade en niet strookt met het beoogde ranke hoogteaccent. Om die reden heeft de gemeente eerst besloten het hoogteaccent in bouwblok 4 met 15 meter in zuidwestelijke richting op te schuiven en de maximale bouwhoogte te verlagen tot 38 meter. Zodoende wordt voorkomen dat een te brede bouwmassa wordt gerealiseerd en wordt gegarandeerd dat sprake is van een voldoende rank hoogteaccent. Hierdoor worden de mogelijke nadelige effecten voor de bewoners van de Afroditekade ten aanzien van uitzicht en schaduw geminimaliseerd. Uiteindelijk is het bestemmingsplan ook hierop aangepast door geen hoogteaccenten meer mogelijk te maken.

Verder wordt het overige deel van bouwblok 4 aangepast in die zin dat wordt voorzien in een nagenoeg gesloten bouwblok, waarbij de maximale bouwhoogte in het noordwestelijk deel 23 meter is en in het zuidoostelijk deel 20 meter. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding om het bestemmingsplan te wijzigen, met dien verstande dat op de verbeelding het vaste hoekpunt voor het hoogteaccent in bouwblok 4 en het bebouwingspercentage voor bouwaanduidingsvlak voor het hoogteaccent zijn geschrapt. In plaats daarvan is een bouwvlak opgenomen met aangepaste bouwhoogte zoals hiervoor vermeld. Dienovereenkomstig is de plantoelichting op diverse plekken aangepast en is de hoogbouweffectrapportage niet meer als bijlage bij de plantoelichting gevoegd. 11.14 Adressant heeft gevraagd om de gevolgen van schaduwwerking op zijn woning en straat, de bezonningsstudie laat echter niet zien wat de schaduwwerking is van de geplande 29

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’ hoogbouw na 18.00 uur. Adressant geeft aan dat de afgelopen maanden meermaals om deze informatie is gevraagd en dat deze informatie pas na de inspraakperiode door het stadsdeel is verstrekt. Adressant meldt dat in de communicatie naar de gemeenteraad het stadsdeel ten onrechte stelt dat deze informatie tijdens de inspraakperiode is verstrekt. Antwoord: In het kader van het Investeringsbesluit is een bezonningsstudie uitgevoerd, op basis van de maximale mogelijkheden van het ruimtelijk kader. In die studie zijn de schaduweffecten van de beoogde bebouwing op de omgeving in beeld gebracht. Op verzoek van de bewoners van de Afroditekade is op 17 september 2013 een extra informatieavond voor deze bewoners georganiseerd. De bezonningsstudie is uitgebreid en de schaduweffecten zijn nader in beeld gebracht. Deze studies zijn onderdeel geweest van de besluitvorming door de stadsdeelraad op 18 december in 2013 in de stadsdeelraad Zuid. De gemeente heeft geconstateerd dat de hoogbouweffectrapportage (HER), die als bijlage bij het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, ten aanzien van bezonning onjuiste en onvolledige informatie bevat. De schaduweffecten zijn abusievelijk op basis van een onjuiste zonstand in het 3D computermodel in beeld gebracht.

Daarnaast is niet uitgegaan van de maximale bouwmogelijkheden op grond van het bestemmingsplan en is het tijdstip 19.00 uur (en voor 21 juni ook nog 20.00 uur) voor de maatgevende momenten in het jaar niet in beeld gebracht. Zoals aangegeven bij de beantwoording onder 11.13 is het hoogteaccent in bouwblok 4 aangepast ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan in 2019: de bebouwingsmogelijkheden zijn beperkt, zowel in horizontale als verticale zin. Het onderzoek naar schaduweffecten in de HER is daar destijds op aangepast. Als wordt uitgegaan van de maximale mogelijkheden zoals opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan (brede toren en maximum bouwhoogte 41 meter) dan is op 21 juni vanaf 20.00 uur op een groot deel van het dichtstbijzijnde appartementencomplex aan de Afroditekade sprake van schaduw. Aanpassing van het hoogteaccent in bouwblok 4 deze schaduweffecten aanzienlijk beperkt: het versmallen en het verlagen van het hoogteaccent leidt zowel in horizontale als verticale zin tot minder schaduw op de appartementen aan de Afroditekade. Overigens geldt dat aan de noordkant van de appartementen geen buitenruimte zoals balkons aanwezig zijn. Voor het appartement van adressant geldt dat op 21 april, 21 augustus en 21 september tot het maatgevende tijdstip 19.00 uur geen sprake is van schaduwwerking, maar wel vanaf 20.00 uur.

Voor 21 mei geldt dat sprake is van schaduw vanaf 19.30 uur. Voor 21 juni geldt dat vanaf het maatgevende tijdstip 20.00 uur wel sprake is van schaduw van het hoogteaccent. Aangezien voor bezonning van bebouwing geen formele wettelijke normen en eisen gelden, zijn gemeenten vrij om een eigen invulling te geven aan de eisen. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij een lichte of strenge normering zoals geformuleerd door TNO. Om te voldoen aan de strenge norm moet in de periode van 21 januari tot en met 22 november bezonning mogelijk zijn gedurende drie uren per etmaal, waarbij het geen vereiste is dat de bezonning aansluitend plaatsvindt. Het in 2019 vastgestelde bestemmingsplan voldeed ruimschoots aan deze norm. Het nu aangepaste bestemmingsplan maakt echter geen hoogbouw meer mogelijk, zodat de situatie voor de bezonning er verder op vooruit is gegaan.

30

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’ Conclusie: Ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan in 2019 was er al sprake van een aanvaardbare bezonningsituatie. Gelet op het vervallen van de hoogbouw is die situatie alleen maar verbeterd. Verder wordt verwezen naar de conclusie onder 11.13. 11.15 Adressant vindt dat in de voorontwerpen weinig tot geen architectonische verrijkingen van de buurt zitten en dat de hoogte en vormgeving van de beoogde complexen niet aansluiten bij Plan Zuid van Berlage en de Amsterdamse Stijl. Adressant stelt dat architectuur en vormgeving belangrijk zijn, aangezien de complexen het uitzicht volledig gaan belemmeren van honderden bewoners en van verre zichtbaar is voor passanten. Antwoord: Het Havenstraatterrein maakt geen deel uit van Plan Zuid van Berlage. Het gebied rondom de Havenstraat was reeds ontwikkeld en werd door Berlage als een gegeven beschouwd. De ontwikkeling van het Havenstraatterrein kan echter niet los gezien worden van de aangrenzende hooggewaardeerde wijken rondom de Schinkel, het Olympisch Kwartier Noord en het Plan Zuid. De Stadiongracht en de Amstelveenseweg zijn duidelijke grenzen tussen de sfeer van het Havenstraatterrein en de sfeer van Plan Zuid.

Dit laat onverlet dat rekening is gehouden met de positie van het plangebied ten opzichte van het aangrenzende Plan Zuid en het Olympisch Kwartier Noord. De bouwhoogtes zijn vergelijkbaar met of lager dan de bebouwing in het Olympisch Kwartier Noord, aan de Amstelveenseweg en aan de Karperstraat. De gemeente onderschrijft het belang van architectuur en vormgeving. Het bestemmingsplan ziet echter niet op de architectuur van de nieuwe bebouwing in het plangebied. Het uiterlijk van de nieuwe bebouwing is afhankelijk van nog op te stellen bouwplannen. Na vaststelling van het bestemmingsplan wordt een welstandskader met beeldkwaliteitsplan voor het Havenstraatterrein in procedure gebracht. Het beeldkwaliteitsplan wordt vastgesteld voordat de tenders voor de nieuwe bebouwing wordt gestart. Na vaststelling van het beeldkwaliteitsplan kan dit als deelgebied in de welstandsnota worden opgenomen. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit zal aan de hand van de vastgestelde criteria en het beeldkwaliteitsplan de ontwerpen voor de nieuwe bebouwing beoordelen. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 11.16 Adressant is van mening dat de voorgestelde hoogte-accenten niet passen binnen de A10, omdat Amsterdam binnen de Ring immers geen skyline of hoogbouw heeft.

Antwoord: Het bestemmingsplan is aangepast en maakt geen hoogteaccenten meer mogelijk. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 11.17 Adressant vindt dat er te veel hoogbouw in de omgeving ontstaat, terwijl er juist behoefte is aan laagbouw vanwege de leefbaarheid in de buurt. Adressant vindt het vreemd dat nieuwe hoogbouw wordt geplaatst naast bestaande hoogbouw, omdat de leefbaarheid hierdoor sterk afneemt en er te weinig speelruimte is voor de kinderen. 31

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’

Antwoord: Het bestemmingsplan is aangepast en maakt geen hoogbouw meer mogelijk. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 11.18 Adressant meldt dat in 2012 het plan nog voor een aanzienlijk deel uit laagbouw inclusief eengezinswoningen bestond, met als achtergrond het grote tekort aan eengezinswoningen in Oud Zuid. Volgens adressant zijn de laagbouw-eengezinswoningen uit het project verdwenen en lijkt het vooral een project om zoveel mogelijk appartementen te creëren voor mensen die nog niet in Amsterdam wonen. Adressant stelt dat de eengezinswoningen zijn opgeofferd voor financiële winstmaximalisatie, terwijl een hogere leefbaarheid toegevoegde waarde zou moeten hebben voor Amsterdam. Antwoord: Het bestemmingsplan vormt de juridische planologische vertaling van het Investeringsbesluit, terwijl adressant doelt op het Projectbesluit (2012). De basis voor het bestemmingsplan is de hoge bebouwingsdichtheid zoals ook was vastgelegd in de voorheen geldende Structuurvisie, welk beleid is voortgezet met de Omgevingsvisie Amsterdam 2050. Met oog op intensivering van het grondgebruik wordt voorzien in appartementen. Om een aantrekkelijke woonomgeving te kunnen realiseren is gekozen voor een gevarieerde bouwhoogte.

De gehanteerde bouwhoogten zijn een belangrijke voorwaarde om op het Havenstraatterrein een gevarieerd en aantrekkelijk woonmilieu en voldoende woningen te realiseren. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 11.19 Adressant stelt dat door uit te gaan van huurwoningen, een onbalans tussen koopwoningen en vrije- en sociale huurwoningen ontstaat. Adressant stelt dat mensen met een koopwoning vaak langer in een buurt wonen dan huurders en daarmee voor een goede sociale basis en leefbaarheid zorgen. Adressant vindt dat buurtbewoners die thans huren en graag in de directe omgeving zouden willen kopen, onnodig worden beperkt in hun mogelijkheden, omdat er in de huidige omgeving te weinig koopwoningen zijn. Antwoord: Het bestemmingsplan voorziet in regels voor het bouwen en het gebruik in het plangebied, maar ziet niet op de woningcategorieën. In de plantoelichting is wel opgenomen dat een divers woningbouwprogramma uitgangspunt voor het Havenstraatterrein met sociale huur, middensegment (huur en koop) en vrije sector. Omdat een grote behoefte is aan betaalbare woningen in het middensegment (zowel koop en huur) en het aanbod aanzienlijk achter blijft zet de gemeente vooral in op deze categorie. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

32

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’ 11.20 Adressant stelt dat de politieke wenselijkheid van betaalbare huurwoningen voor middeninkomens niet aansluit bij de financiële realiteit. Daarbij wordt aangegeven dat dit soort projecten alleen mogelijk zijn als de ontwikkelaar/aannemer een grote korting geeft aan de gemeente en als de opdrachtgever drastisch bezuinigt op het ontwerpbestek waardoor woningen van een matige kwaliteit worden. Volgens adressant zijn vergelijkbare projecten voor betaalbare huurwoningen gefaald en moesten de woningen bij heraanbesteding als koop- of vrije sectorwoningen worden verkocht. Antwoord: De gemeenteraad heeft op 8 juni 2017 het Actieplan middeldure huur vastgesteld, waarin de ambitie is vastgelegd om in de periode 2017 tot 2025 ten minste 1.500 middeldure huurwoningen per jaar te realiseren. Met de ontwikkeling van het Havenstraatterrein wordt een bijdrage aan deze ambitie geleverd. In gebieden met een hoge marktdruk wordt het mogelijk om grotere woningen te realiseren voor een middeldure huur dan haalbaar volgens marktconforme prijzen. Door te sturen op woninggrootte worden de grondopbrengsten niet langer gemaximeerd.

Door een verbod op uitponden gedurende 25 jaar worden de woningen ten minste 25 jaar verhuurd als middeldure huurwoningen en beschikbaar gesteld voor de doelgroep van middeninkomens tot 1,5 keer modaal. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 11.21 Adressant stelt dat investeerders bouwprojecten voor middeninkomens als te risicovol zien wat de kernoorzaak is van het tekort aan woningen voor deze doelgroep. Adressant wijst erop dat als het project faalt, de beoogde betaalbare huurwoningen voor middeninkomens waarschijnlijk zullen veranderen in koop/huurappartementen voor hogere inkomens, de kosten van her-aanbesteding hoog zullen zijn en nieuwe aannemers zullen risico’s van een over te nemen project verrekenen in de intekenprijs. Antwoord: Dit onderdeel van de zienswijze valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan. Uiteraard zal bij de selectie van marktpartijen gezorgd worden dat de partijen die in aanmerking komen financieel gezond zijn. Overigens worden omwonenden niet geschaad in hun belangen als onverhoopt het aandeel middensegment woningen lager is dan momenteel voorzien. Het bestemmingsplan blijft immers bepalend voor de maximale bebouwingsmogelijkheden. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

11.22 Adressant vindt dat belanghebbenden onvoldoende gelegenheid hebben gekregen om kennis te nemen van de projectrisico’s en de (on)haalbaarheid van de huurwoningen in het midden-inkomenssegment, aangezien de financiële paragraaf geheim wordt gehouden. Adressant stelt dat de kans groot is dat het project anders kan eindigen dan vooraf aan omwonenden is voorgesteld, waardoor omwonenden worden geschaad in hun inspraakrechten.

33

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’ Antwoord: Dit onderdeel van de zienswijze heeft betrekking op de financiële paragraaf bij het Investeringsbesluit en valt daarmee buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan. Om de financiële belangen van de gemeente niet te schaden is de financiële paragraaf bij het Investeringsbesluit geheimgehouden. De gemeenteraad heeft bij het vaststellen van het Investeringsbesluit hier wel kennis van genomen. Niet valt in te zien op welke wijze belanghebbenden hierdoor in hun inspraakrechten zijn geschaad. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. Adressant 12 12.1

Adressant stelt dat het ontwerpbestemmingsplan een andere bestemming beoogt te geven aan een terrein waarop zich een spoorweg bevindt die bij Ministerieel besluit (Lokaalspooren tramwegwet 1900 artikel 1 lid 1, gekoppeld aan Spoorwegwet 1875) is aangewezen als lokaalspoorweg. Volgens adressant is een besluit tot vaststelling van een plan dat beoogt het genoemde besluit te negeren, nietig dan wel vatbaar voor vernietiging. Adressant stelt dat investeringsbesluiten, bouw- en inrichtingsplannen die stoelen op een bestemmingsplan waarvan het besluit tot vaststelling nietig is dan wel vernietigd, nimmer tot uitvoering mogen worden gebracht. Antwoord: De Locaalspoor- en Tramwegwet, waar adressant zich op beroept, is per 1 december 2015 vervallen. Daarmee is de status van locaalspoor van de spoorlijn Amsterdam Haarlemmermeerstation – Amstelveen Bovenkerk komen te vervallen. Bij brief van 21 september 2017 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu adressant eveneens bericht dat adressant geen rechten meer ontleent aan de Locaalspoor- en Tramwegwet. Ook heeft de staatssecretaris aangegeven dat de overgangsrechtelijke bepalingen in artikel 26 en 27 van het Besluit bijzondere spoorwegen niet van toepassing zijn op adressant.

De gemeente ziet geen reden in hetgeen adressant stelt alsook anderszins om hierin tot een ander oordeel te komen dan de staatssecretaris en deelt dan ook dit standpunt. Voor wat betreft het Besluit bijzondere spoorwegen hecht de gemeente eraan om voorop te stellen dat het doel en de strekking van het Besluit bijzondere spoorwegen niet als van planologische aard kan worden beschouwd. Immers, het besluit is niet gericht op een goede ruimtelijke ordening maar kent als motief de veiligheid van de bijzondere spoorwegen. Deze sectorale wetgeving moet daarom onderscheiden worden van de Wet ruimtelijke ordening en daaruit voortvloeiende instrumenten. Het voorgaande neemt niet weg dat de gemeente naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het vorige vastgestelde bestemmingsplan (uitspraak van 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:960) heeft besloten de historische tramlijn en de bijbehorende loods bij recht mogelijk te maken in dit bestemmingsplan. Aan de hand van verschillende varianten is onderzocht hoe dit het beste kan gebeuren. Uitkomst hiervan is dat de tramloods in blok 4 komt, omdat deze de meeste ruimte biedt. Met de voorgestane inpassing wordt het beste resultaat bereikt, gelet op eisen vanuit

34

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’ veiligheid en bruikbaarheid en stedenbouwkundige kwaliteit. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 3.4 van de toelichting. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 12.2 Adressant is van mening dat zij rechtstreeks in zijn belangen wordt getroffen, aangezien de EMA op de bedoelde spoorweg een museaal trambedrijf exploiteert en de RETM in de opstallen, die geacht mogen worden onlosmakelijk met bedoelde spoorweg te zijn verbonden, het onderhoud aan het materieel pleegt en stalling aan dat materieel biedt. De SBCAVM is de beheerder/eigenaar van die museale collectie historisch trammaterieel. Adressant geeft aan dat de museumtramlijn die beschikt over ruim 100 historische trams sinds 1975 aan het Havenstraatterrein is gevestigd en met die collectie een uniek beeld geeft van historisch openbaar vervoer in het algemeen en in Amsterdam in het bijzonder. Antwoord: De gemeente onderkent dat niet ter discussie staat dat adressant rechtstreeks in zijn belangen wordt getroffen door de beoogde vaststelling van het bestemmingsplan. Gelet hierop heeft de gemeente onderzocht wat de gevolgen van de beoogde vaststelling van het bestemmingsplan voor adressant zijn.

Reeds sinds het vervallen van de reservering voor een verkeersverbinding over de Schinkel in 2003 wordt nagedacht over de ontwikkeling van het Havenstraatterrein. Vanaf dat moment zijn de plannen voor herontwikkeling van het plangebied verder geconcretiseerd tot de beoogde vaststelling van het bestemmingsplan. Met vaststelling van het bestemmingsplan wordt vanuit gemeentelijk oogpunt een belangrijke en noodzakelijke krachtslag geleverd aan het voorziene woningbouwprogramma en de behoefte aan onderwijsvoorzieningen. Daarbij geldt dat de historische tramspoorlijn te allen tijde in diens huidige opzet zou komen te vervallen, waarmee tot uitdrukking komt dat de gemeente vanaf het begin van de planontwikkeling een groter gewicht heeft toegekend aan de belangen die zijn gemoeid met het realiseren van woningen. Anderzijds is de inzet van de gemeente wel steeds geweest om de historische tramspoorlijn – in een andere opzet dan de huidige feitelijke situatie – in te passen in de nieuwe planopzet. In dat opzicht onderscheidt adressant zich daarmee van andere gebruikers binnen het plangebied, waarvan vaststaat dat deze in de huidige vorm moeten verdwijnen. Daartoe zijn of worden de tijdelijke huurovereenkomsten voor grondhuur door de gemeente opgezegd met als doel een tijdige ontruiming van de betreffende gronden zeker te stellen.

Vanwege de insteek van de gemeente om de historische tramspoorlijn alsmede een stallings- en onderhoudsloods binnen het plangebied te behouden hebben er sinds 2010 – waaronder ook na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan mede naar aanleiding van de zienswijze van adressant - intensieve en constructieve besprekingen met adressant plaatsgevonden. Daarbij zijn ook alternatieve locaties buiten het Havenstraatterrein (langs de tramspoorlijn) alsook verschillende varianten binnen het Havenstraatterrein verkend. In dit verband heeft de gemeente ook overleg gevoerd met onder meer de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, de gemeente Amstelveen en het GVB. Deze bevindingen alsook de besprekingen tussen gemeente en adressant hebben, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het vorige vastgestelde bestemmingsplan (uitspraak van 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:960) geleid

35

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’ tot een rechtstreekse inpassing van de historische tramlijn en de bijbehorende loods in het bestemmingsplan. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan, met dien verstande dat nu concreter is vastgelegd waar de historische tramspoorlijn en de bijbehorende loods komen te liggen. 12.3

Adressant stelt dat het ontwerpbestemmingsplan niet voorziet in voldoende opstallen en infrastructuur die de uitoefening van de activiteiten van EMA en RETM mogelijk maken. Adressant geeft daarbij aan dat de uitoefening van een spoorweg-tramwegbedrijf niet los kan worden gezien van het kunnen beschikken over een adequaat emplacement met voldoende opstelsporen, een rijtuigloods, een locomotievenloods en een stelplaats. Adressant stelt dat het ontwerpbestemmingsplan daar niet in voorziet. Antwoord: Na de vernietiging van het bestemmingsplan Havenstraatterrein in 2019 zijn de gemeente en de tramorganisaties opnieuw in gesprek gegaan. In november 2020 – aangevuld in oktober 2021 – hebben de tramorganisaties een bedrijfsplan bij de gemeente ingediend. In dit bedrijfsplan is opgenomen dat er 25 trams in de nieuwe tramloods op het Havenstraatterrein gestald gaan worden. Dit aantal trams is volgens het bedrijfsplan voldoende om de beoogde activiteiten zoals opgenomen in het bedrijfsplan uit te voeren. In een loods van ongeveer 1.400 m² gebruiksoppervlakte passend binnen de contouren van het vierde bouwblok kunnen 25 trams gestald worden. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om een loods van 1.400 m² gebruiksoppervlakte in te passen.

De beoogde nieuwe traminfrastructuur biedt dezelfde functionaliteit als nu het geval: een verbinding met het Haarlemmermeerstation, een keerlus en een aansluiting op het stadsnet. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

12.4 Adressant stelt dat EMA, RETMA en SBCAVM ermee bekend zijn dat de gemeente onderzoek doet naar mogelijkheden om de door het ontwerpbestemmingsplan te veroorzaken huisvestings- en exploitatieproblemen op te lossen, maar dat dit onderzoek tot dusverre nog geen reële resultaten heeft opgeleverd. EMA , RETM en SBCAVM kunnen alternatieven die uitzicht bieden op het moeten betalen van een hogere huursom voor een kleiner oppervlak niet als een acceptabele oplossing beschouwen van de problemen die het ontwerpbestemmingsplan met zich meebrengt. Antwoord: Zoals aangegeven onder 12.3 maakt dit bestemmingsplan een tramloods mogelijk die groot genoeg is om de activiteiten te accommoderen volgens het door de EMA, RETMA en SBCAVM gezamenlijk opgestelde bedrijfsplan. In het bedrijfsplan is opgenomen hoeveel huurlasten gedragen kunnen worden. De gemeente heeft hiermee ingestemd. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

36

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’ 12.5 Adressant stelt dat ook de gemeente Amsterdam in haar belang wordt getroffen, aangezien het museale spoorwegbedrijf een museumfunctie heeft die vooral past in de context van industrieel en mobiel erfgoed. Daarbij wijst adressant op het beleid van de gemeente dat gericht is op bevordering van museale activiteiten. Adressant vindt dat een plan dat als consequentie heeft dat die museale functie wordt opgeheven dan wel ernstig belemmert, indruist tegen het gemeentelijk beleid. Antwoord: De gemeente spant zich in voor het voort kunnen zetten van de historische tramspoorlijn. Hiervoor wordt verwezen naar de beantwoording onder 12.1 t/m 12.4. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 12.6 Adressant geeft aan dat in de visie van de gemeente de door EMA geëxploiteerde spoorlijn interessant kan zijn voor zowel de gemeente Amsterdam als de gemeente Amstelveen, onder meer door de ligging aan de Sportas, waardoor zij en rol kan spelen in het vervoer van sporters. Volgens adressant kan zij meer dan nu een toeristische attractie worden door het spelen van een rol in het vervoer van publiek naar toeristische en recreatieve bestemmingen langs de spoorweg (bijvoorbeeld bij EK Atletiek).

Antwoord: Net als adressant onderkent de gemeente de potentie van de historische tramspoorlijn. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 12.7

Adressant geeft aan dat EMA, RETM en SBCAVM in beginsel geen tegenstander zijn van plannen die beogen de omgeving van de Havenstraat een beter en leefbaarder aanzien te geven, maar stellen zich op het standpunt dat die plannen de uitvoering van hun activiteiten niet in de weg mogen staan. Genoemde partijen zijn bereid medewerking te verlenen aan plannen die aan beide punten tegemoetkomen. Antwoord: Naar de mening van de gemeente wordt met het voorliggende plan aan beide punten tegemoetgekomen. Hiervoor wordt verwezen naar onze beantwoording onder 12.1 t/m 12.6. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

12.8 Adressant meldt dat bij plannen, waarbij de voortzetting van de activiteiten van EMA, RETMA en SBCAVM mogelijk wordt gemaakt, rekening moet worden gehouden met het bepaalde in onder meer de artikelen 105 en 110 van de Wet geluidhinder. Antwoord: Het geluid van de historische tramspoorlijn valt onder artikel 3.3 van de Wet geluidhinder, op grond waarvan het geluid moet worden betrokken bij de beoordeling van het wegverkeersgeluid op de betreffende weg. Het toekomstige tracé voor de 37

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’

tramspoorlijn is voorzien in de Karperweg. Dit is een 30 km/u weg zodat de Wet geluidhinder hier niet van toepassing is. Het voorgaande neemt niet weg dat de geluidsituatie van de trams vanwege een goede ruimtelijke ordening beschouwd moet worden. Hiertoe is een rekenmodel gemaakt. In dit model is uitgegaan van 64 ritten, eens per week, voor 52 weken in het jaar (in plaats van 30 weken in het jaar). Dit is een verdubbeling van het daadwerkelijke aantal ritten, zoals opgegeven. Dit is een worst-case en hiermee zijn ook eventuele verhuurde ritten en rangeerbewegingen verdisconteerd die door het gebied rijden. Voor de snelheid is uitgegaan van 5 km/u. De geluidimmissie op de gevels van de woningen binnen het plangebied is berekend. Hieruit volgt een geluidimmissie van maximaal 34 dB Lden exclusief wettelijke aftrek. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De loods is voorzien in blok 4 van het plan. Uit geluidsonderzoek blijkt dat de tramloods op deze locatie kan voldoen aan streefwaarden van 45 dB(A) in de dag- en 40 dB(A) in de avondperiode.

Meer informatie hierover is te vinden in paragraaf 7.3 van de toelichting van het bestemmingsplan Conclusie is dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse en dat het belang van het voorkomen of beperken van geluidhinder, veroorzaakt door het gebruik van de historische tramspoorlijn door de gemeente is onderkend en is betrokken bij de vaststelling van het onderhavige plan. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 12.9 Adressant geeft aan dat tijdens verschillende overleggen tussen EMA/RETM en de gemeente alternatieven zijn genoemd die tegemoet kunnen komen aan de bezwaren van EMA en RETM: a. De verlegging van de spoorweg zodanig dat deze over de Karperweg wordt geleid en overgaat in een keerlus zodanig dat het Haarlemmermeerstation in het hart daarvan zal liggen en die aansluit op het tramnet van de gemeente. Volgens adressant is echter twijfel ontstaan over de mogelijke inpassing van een dergelijke keerlus in verband met het kruisende fietsverkeer. b. Een verlegging van de spoorweg als bedoeld onder a maar dan zonder keerlus, waarbij een keerdriehoek wordt voorgesteld met een kopspoor aan de straatzijde van het Haarlemmermeerstation en een ander kopspoor aan de achterzijde van het station. Volgens adressant wordt bij dit alternatief sterk getwijfeld aan de veiligheid van de beoogde exploitatie. c.

Onderzoek naar alternatieve locaties voor stalling, onderhoud en reparaties. Dit onderzoek heeft tot nu toe niet geleid tot een resultaat dat zowel financieel als logistiek acceptabel is en door de gemeente kan worden gegarandeerd.

38

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’ Antwoord: De insteek van de gemeente is om de historische tramspoorlijn en een stallings- en onderhoudsloods op het Havenstraatterrein te behouden. In dat kader heeft de gemeente intensief overleg gevoerd met adressant. Daarbij zijn ook alternatieve locaties buiten het Havenstraatterrein (langs de tramspoorlijn) alsook verschillende varianten binnen het Havenstraatterrein verkend. In dit verband heeft de gemeente ook overleg gevoerd met onder meer de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, de gemeente Amstelveen en het GVB. Dit heeft geleid tot het rechtstreeks inpassen van de historische tramspoorlijn. De stallings- en onderhoudsloods is bij recht opgenomen in bouwblok 4, het enige bouwblok dat qua positie en ruimte geschikt is. Bij het ontwerp van de openbare ruimte is rekening gehouden met toekomstige inpassing van de tramspoorlijn door hier voldoende ruimte voor te reserveren in de Karperweg, een keerlus rondom de villa Amstelveenseweg en een opstapplaats achter het Haarlemmermeerstation. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 12.10 Adressant stelt dat EMA, RETM en SBCAVM door de vaststelling van het bestemmingsplan grote planschade zullen lijden.

Antwoord: Gezien het feit dat de gronden en het spoor in eigendom zijn van de gemeente is er geen grondslag voor planschade aan de zijde van adressant. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. Adressant 13 13.1

Adressant stelt dat het bijzonder is dat een deelraad zonder bevoegdheid in paniek een laatste stuiptrekking neemt, een middel onder bestuursdwang om hun doel te bereiken, het laat zich zien als loopjongen van de gemeente Amsterdam. Antwoord: Verondersteld wordt dat adressant doelt op de vaststelling van het Investeringsbesluit op 18 december 2013 door de stadsdeelraad Zuid. De vaststelling van het bestemmingsplan echter is een bevoegdheid van de gemeenteraad van Amsterdam. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

13.2

Adressant vindt het triest dat mensen op een verkeerd been worden gezet, dit heet mensen voorliegen omtrent wat er gepland wordt.

39

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’ Antwoord: Dit onderdeel van de zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 13.3

Adressant vindt dat ambtenaren zich in bochten wringen omtrent alles, waaronder het zomaar verhogen van geluidsnormen en te melden dat alleen kleine tot middelgrote vliegtuigen overkomen terwijl hier 737 - Jumbo’s vliegen. Antwoord: Het Havenstraatterrein wordt gekenmerkt door een relatief hoge geluidbelasting vanwege het specifieke stedelijke, dynamische karakter. In dergelijke gebieden is naleving van de standaardgrenswaarden in het algemeen niet nodig om een goed woon- en leefklimaat te garanderen. Aan de voorwaarde, dat er sprake moet zijn van een gegarandeerd binnenniveau van maximaal 35 dB(A) etmaalwaarde in de geluidgevoelige ruimten kan, zeker nu het gaat om de realisatie van nieuwe woningen, gemakkelijk worden voldaan. In het kader van het Havenstraatterrein wordt voor de bedrijven een grenswaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde en 75 dB(A) etmaalwaarde voor de geluidpieken gehanteerd. Bij overschrijdingen van bovenstaande waarden zijn in het bestemmingsplan dove gevels bij de geluidgevoelige functies verplicht gesteld. Omdat op enkele gevels van de bouwblokken de voorkeursgrenswaarden Wet geluidhinder vanwege wegverkeersgeluid worden overschreden wordt gebruik gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om hogere waarden vast te stellen. Van het zomaar verhogen van de geluidsnormen is dan ook geen sprake.

Ten aanzien van de opmerking van adressant over de vliegtuigen geldt dat het plangebied in de nabijheid ligt van de aanvliegroute van de Schiphol Oostbaan. Deze baan wordt hoofdzakelijk gebruikt voor kleine (zakelijke) luchtvaart en wordt alleen in uitzonderlijke gevallen (zuidwesterstorm) door grotere toestellen als landingsbaan gebruikt. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

13.4

Adressant stelt dat wordt weggewuifd dat de uitvalswegen en de rotonde 1.100 extra auto’s en ander transport te verwerken krijgen, alsof het in orde is en geregeld. Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 2.4. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. Wel is hoofdstuk 6 van de plantoelichting aangepast op basis van het geactualiseerde verkeersonderzoek.

40

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’ 13.5

Adressant geeft aan dat er nog geen goedgekeurd bestemmingsplan is en vraagt zich af waar de gemeente dus mee bezig is. Antwoord: Bij de besluitvorming over het in 2018 vastgestelde bestemmingsplan zijn de ingekomen zienswijzen betrokken. Nu de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat vastgestelde bestemmingsplan heeft vernietigd, zijn de zienswijzen opnieuw betrokken bij de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

13.6 Adressant meldt dat het een prestige plan is waarop voorgangers afhaakten en dat hoogmoed voor de val komt. Antwoord: Dit onderdeel van de zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. Adressant 14 14.1

Adressant geeft aan dat zijn betrokkenheid bij het plangebied eruit bestaat dat hij huurder is van een stuk grond en door het Projectmanagement Bureau de mogelijkheid is geboden in de toekomst zijn bedrijf in een iets andere vorm in de nieuwe situatie voort te zetten. Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 2.1. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

14.2 Adressant stelt dat de inspraak voor dit ontwerpbestemmingsplan volledig is mislukt en dat er geen enkel overleg is gepleegd met de ondernemers en er totaal niet is geluisterd op bijeenkomsten met het bestuur. Antwoord: De gemeente deelt deze mening van adressant niet. Voor een toelichting op de mogelijkheden van belanghebbenden om een reactie op de plannen in te dienen wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.2. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 41

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’

14.3 Adressant vindt dat de plannen voor hoogbouw niet passen omdat de voorlichting geen rekening heeft gehouden met de bestaande omgeving, de vliegtuigen die bij westenwind over komen vliegen wat tevens de geluidhinder enorm verhoogd. Antwoord: Het bestemmingsplan maakt geen hoogbouw meer mogelijk. Voor de beantwoording ten aanzien van de bouwhoogte in relatie tot de bestaande omgeving en vliegtuigen wordt verwezen naar de beantwoording onder 2.3 respectievelijk 8.3. Een deel van het plangebied valt op grond van het gewijzigde Luchthavenindelingbesluit (LIB) Schiphol, dat op 1 januari 2018 in werking is getreden, binnen het zogeheten LIB5 gebied. In geval van toevoegen van woningbouw in bestaand stedelijk gebied dient een afweging met betrekking tot luchtvaartgeluid te worden gemaakt. Deze afweging is toegevoegd aan de plantoelichting van het bestemmingsplan. Ten aanzien van de veronderstelde geluidhinder door vliegtuigen geldt dat het plangebied buiten de 58 Lden contour (LIB4 gebied) ligt, waarbinnen hinder als onaanvaardbaar wordt beschouwd. De geluidsbelasting vanwege luchtvaartgeluid bedraagt circa 49-52 Lden bedraagt. Hier kan sprake zijn van hinder, maar dit wordt aanvaardbaar geacht. De waarde in de nachtperiode is 38 Lnight, wat als redelijk wordt beschouwd. De mate van hinder hangt sterk samen met het gebruik van de Schiphol Oostbaan.

Deze baan wordt hoofdzakelijk voor kleine luchtvaart gebruikt, maar in uitzonderlijke gevallen (bijvoorbeeld bij harde zuidwestenwind) ook door grotere toestellen. In die situaties zal sprake zijn van meer hinder. De acceptatie van geluid wordt vergroot indien aspirantbewoners zich van tevoren bewust zijn van de te verwachten geluidbelasting. Gelet hierop zal de gemeente bewoners hier actief informeren en wordt dit opgenomen in koop- en huurovereenkomsten. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. Wel is in paragraaf 7.3.5 van de plantoelichting een afweging met betrekking tot luchtvaartgeluid toegevoegd. 14.4 Adressant geeft aan dat de verkeerssituatie rondom Haarlemmermeercircuit dramatisch is en dat dit eerst opgelost moet worden voordat het bestemmingsplan kan worden aangenomen. Adressant meldt dat het vertrouwen dat het stadsdeel dit goed gaat doen door de voorgeschiedenis niet meer aanwezig is en vindt daarom dat de verkeerssituatie daarom eerst daadwerkelijk moet zijn opgelost. Volgens adressant is het elke ochtend en middag een totale chaos, laat staan als er nog eens 1.100 voertuigen bijkomen. Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 2.4.

Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. Wel is hoofdstuk 6 van de plantoelichting aangepast op basis van het geactualiseerde verkeersonderzoek.

42

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’ 14.5 Adressant stelt dat de mensen die naast de trambaan gaan wonen vanaf 05.00 uur tot en met 01.00 uur hun ramen niet open kunnen hebben in verband met de trams die de gehele dag in en uit de remise rijden. Antwoord: De constatering klopt dat bij de delen van de bouwblokken die grenzen aan de tramremise sprake is van een hoge geluidsbelasting. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat bronmaatregelen onvoldoende effect hebben en dat daarom gevelmaatregelen aan de woningen noodzakelijk zijn. Dit leidt ertoe dat de noordelijke kant van de bouwblokken als dove gevel moet worden uitgevoerd of van een geluidwerend vlies moet worden voorzien. Een dove gevel is een bouwkundige constructie waarin bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn en die mag worden onderbroken door verglaasde balkons, loggia’s, serres of vergelijkbare voorzieningen. Bij een geluidwerend vlies is tussen de bouwkundige constructie en de gevel sprake van buitenlucht, met openingen ten behoeve van luchtverversing. In geval van een dove gevel of geluidwerend vlies zijn er dus mogelijkheden om de slaapkamer natuurlijk te ventileren. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. Adressant 15 15.1

Adressant geeft aan dat zijn betrokkenheid bij het plangebied eruit bestaat dat hij huurder is van een stuk grond en door het Projectmanagement Bureau de mogelijkheid is geboden in de toekomst zijn bedrijf in een iets andere vorm in de nieuwe situatie voort te zetten. Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 2.1. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

15.2 Adressant is van mening dat het inspraaktraject volledig is mislukt, dat de bedrijven op het terrein bij de ontwikkeling van de plannen nooit zijn betrokken en dat het stadsdeel (met name de toenmalige wethouder) verkeerde en onjuiste voorlichting geeft gegeven waardoor de huurders niet op een adequate manier hebben kunnen reageren op de planontwikkeling. Antwoord: De gemeente deelt deze mening van adressant niet. Voor een toelichting op de mogelijkheden van belanghebbenden om een reactie op de plannen in te dienen wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.2. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

43

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’ 15.3 Adressant vindt dat bij de planontwikkeling sprake is van hoogbouw die volledig detoneert met de omgeving. Adressant geeft daarbij aan dat het terrein oorspronkelijk dienst heeft gedaan als kopstation voor een regionaal spoorwegsysteem en dat door het op de nu voorgestelde manier vol te bouwen de geschiedenis van de plek wordt vernietigd. Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.3. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 15.4 Adressant stelt dat de bedrijven die nu op het terrein gevestigd zijn, tijdens de inspraak de toezegging hebben gekregen dat zij terug kunnen keren op het terrein. Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.4. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 15.5

Adressant meldt dat de plannen, nadat het Investeringsbesluit is genomen, zijn gewijzigd doordat nu onder meer een lagere school in het plan is opgenomen. Adressant is van mening dat door met name deze wijziging de situatie dusdanig is veranderd, dat het merendeel van de huurders vanwege de beperktere beschikbare ruimte niet meer in aanmerking komen voor terugkeer. Adressant geeft aan dat over deze wijziging in het bestemmingsplan en de consequentie daarvan nooit overleg is gevoerd met de huurders op het terrein. Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.5. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

15.6 Adressant verwijst naar de eerste publicaties over het bouwen van een school op het Havenstraatterrein, waarin is opgenomen dat het Havenstraatterrein te klein is voor een eigen basisschool, dat er vooralsnog voldoende aanbod in de omgeving lijkt te zijn, dat de vraag is of er voldoende ruimte is om een basisschool in te passen en dat de benodigde buitenruimte een te grote claim op de schaarse openbare ruimte zou leggen. Adressant vindt het niet acceptabel dat er ineens een school is ingepast, zonder voorlichting en inspraakmogelijkheden voor belanghebbenden.

44

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’ Antwoord: Reeds in het Investeringsbesluit, dat in 2013 door de stadsdeelraad Zuid is vastgesteld, en in het voorontwerpbestemmingsplan, was een reservering voor een school in het tweede en het vierde bouwblok opgenomen. Over het concept Investeringsbesluit en het voorontwerpbestemmingsplan heeft inspraak plaatsgevonden. Het is dan ook niet juist dat, zoals adressant stelt, dat er geen inspraakmogelijkheden voor belanghebbenden zijn geweest ten aanzien van de school. Uit het Integraal HuisvestingsPlan is gebleken, op basis van leerlingenprognoses, dat in dit gedeelte van het stadsdeel behoefte is aan een school. In het bestemmingsplan is de keuze gemaakt om de school mogelijk te maken in bouwblok 2. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 15.7

Adressant geeft aan dat de hoogbouw in het eerste bouwblok vanuit het frontaanzicht (Krusemanstraat/Marathonweg) smaller is gemaakt maar om hetzelfde volume te behouden wel 15 meter dieper is gemaakt. Volgens adressant is het aanzicht vanuit de andere richtingen volledig veranderd ten opzichte van de oorspronkelijke plannen zoals gepresenteerd tijdens de inspraak. Adressant vindt deze wijziging niet acceptabel, omdat deze is doorgevoerd na de inspraak. Antwoord: Het bestemmingsplan is aangepast en maakt geen hoogbouw meer mogelijk. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

15.8 Adressant geeft aan in maart 2015 een zienswijze te hebben ingediend op ontwerpbestemmingsplan Bedrijventerrein Karperweg-Zuid en dat hier nimmer een reactie op is gekregen. Adressant is van mening dat de twee bestemmingsplannen op een dusdanige manier met elkaar zijn verweven dat eerst antwoord nodig is op de zienswijze op Karperweg-Zuid voordat tot in detail de zienswijze op Havenstraatterrein kan worden opgesteld. Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.6. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 15.9 Adressant stelt recht te hebben op inspraak en is van mening dat dit niet serieus wordt genomen als zienswijzen niet binnen de wettelijke termijn worden beantwoord. Adressant geeft aan nooit een bericht te hebben ontvangen waarom er nog geen beantwoording heeft plaatsgevonden.

45

Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Havenstraatterrein’ Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 8.7. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 15.10 Adressant geeft aan dat de verkeerssituatie rondom Haarlemmermeercircuit dramatisch is en dat dit eerst opgelost moet worden voordat het bestemmingsplan kan worden aangenomen. Adressant veronderstelt dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering hiervan is verplaatst naar Stadsdeel Zuid. Daarbij meldt adressant dat door de te ontwikkelen woningen en het vestigen van een school de verkeerssituatie alleen maar zal verergeren, nog los van de uitstoot van fijnstof en de verkeersveiligheid. Adressant vindt dat het vertrouwen dat stadsdeel Zuid dit goed gaat doen door de voorgeschiedenis niet meer aanwezig is. Antwoord: Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording onder 2.4. Conclusie: Dit onderdeel van de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. Wel is hoofdstuk 6 van de plantoelichting aangepast op basis van het geactualiseerde verkeersonderzoek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10927665/1