CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

202512 opvolging lhbtiqa+ gerelateerde incidenten in Amsterdam

RAAD 19 februari 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de onderzoeken naar aard, omvang en opvolging anti lhbtiq+geweld en voortgang ActieplanVN2026-00156215.643 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Opvolging lhbtiqa+ gerelateerde incidenten in Amsterdam Onderzoek en Statistiek

In opdracht van: Openbare Orde en Veiligheid Projectnummer: 240025 Auteur: Leyla Reches, Sara Rubingh, Milou Haggenburg-Mohammed Met medewerking van: Farah Makrani, Iris Regeer, Lotje Cohen en Sara de Wilde E-mailadres: s.rubingh@amsterdam.nl Bezoekadres: Post: Telefoon: Website: Foto voorzijde:

President Kennedylaan 923 Postbus 658 1000 AR Amsterdam 020 251 0333 onderzoek.amsterdam.nl Regenboogvlaggen ter ere van de Pride (Kinkerstraat), fotograaf Edwin van Eis (2021)

Amsterdam, november 2025 3

Inhoud

Samenvatting en conclusie

3

Inleiding

6

Methode

9

1

Aard en omvang incidenten

11

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

11 12 13 14 16

2

3

4

5

Impact van incidenten Beperkt beeld incidenten vanwege lage meldingsbereidheid Wisselende hoeveelheid registraties van incidenten Met name geweldsincidenten bekend bij organisaties Labelen incidenten als lhbtiqa+ gerelateerd soms lastig

Proces van opvolging

18

2.1 2.2 2.3 2.4

18 20 21 22

Binnenkomst van meldingen vooral via de politie Verschillende acties vanuit de professionals Aandacht voor omgeving en media Afsluiten opvolging vaak op initiatief slachtoffer

Ervaringen bij de opvolging

24

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

24 25 26 27 28

Het belang van gehoord en gezien worden Contact met verschillende instanties na melding komt als positieve verrassing Ervaringen met politie wisselend Ervaren gebrek aan handvatten en capaciteit vanuit partnerorganisaties Verwachtingsmanagement soms lastig

Bekendheid en gebruik handelingskader

30

4.1 4.2 4.3

30 30 32

Handelingskader is bekend bij partnerorganisaties Wisselend gebruik handelingskader Regie nazorg projectleiders Veiligheid

Samenwerking partnerorganisaties

33

5.1 5.2 5.3 5.4

33 34 35 36

Contact tussen stadsdelen kan beter Samenwerking met politie overwegend positief Weinig contact met Discriminatie.nl regio Amsterdam Weinig contact met Slachtofferhulp naast het doorverwijzen

Literatuurlijst

38

Bijlage

39

Samenvatting en conclusie

Deze rapportage poogt antwoord te geven op de vraag hoe de opvolging van lhbtiqa+ gerelateerde incidenten in Amsterdam in de praktijk verloopt en wat verbeterpunten zijn voor die opvolging. De analyses laten zien dat de meldingen van lhbtiqa+ gerelateerde incidenten met name binnenkomen bij de politie en Discriminatie.nl regio Amsterdam. In de opvolging van incidenten zijn verschillende organisaties betrokken zoals de gemeente Amsterdam, politie, Discriminatie.nl regio Amsterdam en Slachtofferhulp. De mate van samenwerking tussen de betrokken organisaties wisselt. Er is daarbij behoefte aan meer contact tussen stadsdelen over het onderwerp. In de opvolging staan de behoeftes van slachtoffers centraal door middel van het bieden van een luisterend oor en kijken welke hulp nodig is. Herstel van het slachtoffer is niet altijd mogelijk mede doordat organisaties dit niet altijd als hun rol zien. Daarbij hebben ze beperkte mogelijkheden om dit herstel te bewerkstelligen. Ook kunnen de organisaties daardoor niet altijd aan verwachtingen van slachtoffers voldoen. De rapportage is gebaseerd op 17 interviews met professionals van de gemeente, politie, meldpunt Discriminatie.nl regio Amsterdam en Slachtofferhulp. Hierna partnerorganisaties genoemd. Ook zijn er 3 interviews gehouden met slachtoffers van lhbtiqa+ gerelateerde incidenten.

Het heeft relatief veel moeite gekost om respondenten te vinden voor deelname aan de interviews. De onderzoekers hadden graag meer perspectieven van slachtoffers in het onderzoek verwerkt. Aanleiding voor het onderzoek is een nieuw handelingskader, dat in 2023 geïntroduceerd is. Het handelingskader kent zeven uitgangspunten: 1. Het vertrekpunt van dit handelingskader is de melding of aangifte bij de politie of Discriminatie.nl, waarbij elk incident wordt geregistreerd. 2. Het herstel, de nazorg en behoefte van het slachtoffer staan centraal en maatwerk wordt verleend. 3. De politie, projectleider Veiligheid van het stadsdeel en Discriminatie.nl werken nauw samen om het slachtoffer zo goed mogelijk te ondersteunen en te informeren. 4. Voor elke vervolgstap wordt toestemming van het slachtoffer gevraagd. 5. De projectleider Veiligheid heeft een coördinerende rol en ziet erop toe dat afspraken gericht op herstel en nazorg van het slachtoffer worden nagekomen. 6. Bij herstel is er aandacht voor de omgeving, gebruik van (sociale) media, de rol van het bestuur en het traject van de dader. 7. Dit handelingskader betreft inwoners van Amsterdam. De melding of aangifte van slachtoffers van buiten de stad wordt automatisch doorgegeven aan slachtofferhulp in de eigen woonplaats die contact op neemt met het slachtoffer.

Beperkt beeld van incidenten vanwege lage meldingsbereidheid, maar ook onduidelijkheden rondom het labelen van lhbtiqa+ gerelateerde incidenten Onderzoek & Statistiek (O&S) heeft ook onderzoek gedaan naar de aard en omvang van incidenten onder lhbtiqa+ Amsterdammers (O&S, 2025b). Net als in dat onderzoek geven de geïnterviewde professionals aan dat slechts een klein deel van de incidenten door slachtoffers wordt gemeld. Slachtoffers lijken incidenten eerder te melden als het gaat om

3

geweldsincidenten en/of incidenten die een sterk gevoel van onveiligheid met zich meebrengen. Bovendien lijken netwerken die zich specifiek richten op lhbtiqa+ slachtoffers, zoals Roze in Blauw van de politie en RITA de meldingsbereid te vergroten. Daarnaast is het labelen van incidenten als lhbtiqa+ gerelateerd soms lastig voor professionals. Redenen om een incidenten als lhbtiqa+ gerelateerd te labelen zijn: het slachtoffer geeft het aan, de dader uitte zich verbaal of het incident vond plaats op een locatie als een mannenontmoetingsplaats of bekend uitgaansgebied. Een incident krijgt het label niet als een slachtoffer zelf aangeeft dit niet te willen. Ook is niet iedere professional alert op de vraag of een incident lhbtiqa+ gerelateerd is en durft niet iedere professional hier specifiek naar te vragen. Naast het beperkte beeld, bekritiseren professionals van de gemeente het diffuse beeld van incidenten. Meldingen komen binnen op verschillende plekken en hierdoor is het niet altijd duidelijk hoeveel meldingen er binnenkomen voor een stadsdeel. Opvolging soms traag als de melding via een andere weg dan de politie binnenkomt Het aantal meldingen van lhbtiqa+ gerelateerde incidenten dat de partnerorganisaties ontvangen, wisselt per organisatie. De meeste meldingen van lhbtiqa+ gerelateerde incidenten komen via de politie bij de gemeente Amsterdam en Slachtofferhulp binnen.

De politie verwijst in principe altijd door naar Slachtofferhulp en in een deel van de gevallen naar de projectleider Veiligheid van het betreffende stadsdeel. Het betreffen dan met name geweldsincidenten. Het verwijzen vanuit de politie naar de gemeente gaat volgens de professionals van de gemeente steeds beter. Als er via andere kanalen dan de politie meldingen binnen komen bij de gemeente, bijvoorbeeld via gebiedsmakelaar, is de opvolging lastiger. Dit komt omdat er niet altijd direct contact gelegd kan worden met het slachtoffer, doordat er bijvoorbeeld geen contactgegevens zijn. Meldingen bij Discriminatie.nl komen vaak vanuit het slachtoffer zelf. Het afgelopen jaar komen er ook veel meldingen bij Discriminatie.nl via meldpunt RITA. Als meldingen op deze manier binnen komen, verloopt de opvolging trager, omdat er niet door RITA zelf nazorg wordt gegeven. Opvolging start vaak met vragen naar behoefte van slachtoffer Opvolging door de verschillende partnerorganisaties start vaak met contact opnemen met het slachtoffer om te vragen wat er is gebeurd en waar het slachtoffer behoefte aan heeft. Vervolgacties zijn afhankelijk van die behoeftes, de kenmerken van het incident en de rol van de organisaties die de opvolging doen. Vaak wordt er door de gemeente en de politie voor hulp doorverwezen naar Slachtofferhulp en meldpunt Discriminatie.nl.

Hierbij is in beperkte mate aandacht voor de media en omgeving, zoals contact met de buurt na geweld bij een woning. In het handelingskader wordt onderscheid gemaakt tussen ernstige en minder ernstige incidenten. Voor professionals is dit onderscheid weinig van belang. Acties bij ernstige incidenten zijn dan ook niet anders dan bij andere type incidenten. Hoogstens wordt het gemeentebestuur geïnformeerd. De opvolging door de projectleider Veiligheid is vooral als eerste hulp na een incident. De regie van de opvolging ligt volgens het handelingskader bij de projectleiders Veiligheid. De regie bestaat vooral uit het coördineren van de hulp. In de praktijk is dit het bieden van een luisterend oor en doorverwijzen van het slachtoffer naar de partnerorganisaties. Een aantal projectleiders vraagt zich af of dit logisch is. Hun baan is vrij praktisch en deze sociale functie vraagt andere vaardigheden. De opvolging vanuit de partnerorganisaties wordt afgesloten vanwege twee redenen. De meest genoemde reden is als het slachtoffer aangeeft voldoende hulp te hebben gehad of geen hulp meer te willen. De andere redenen is dat de mogelijkheden van de organisatie

4

zijn uitgeput en het slachtoffer wordt doorverwezen. Dat de opvolging eindigt, betekent in veel gevallen niet dat het slachtoffer hersteld is van het incident. Gehoord en gezien worden belangrijkst; verwachtingsmanagement en handvatten voor professionals kunnen beter Een belangrijke behoefte van slachtoffer is het gevoel om gehoord en gezien te worden. Vooral bij het eerste contact is het bieden van het luisterend oor erg belangrijk voor slachtoffers. De ervaringen hiermee zijn wisselend. Bij de politie is er bijvoorbeeld een verschil in sensitiviteit. Door de slachtoffers wordt het belang van Roze in Blauw daarom sterk benadrukt. Dat verschillende partnerorganisaties contact met hen opnemen, komt voor slachtoffers als een positieve verrassing. Ook al geven ze daarvoor toestemming. Slachtoffers ervaren daardoor dat het onderwerp belangrijk is. Professionals van de gemeente ervaren echter een gebrek aan handvatten. Ze hebben weinig andere mogelijkheden dan het bieden van een luisterend oor. Verwachtingen van slachtoffers kunnen mede daardoor niet altijd worden waargemaakt, bijvoorbeeld over meer surveillance van de politie, een nieuwe woning, of het ontslaan of straffen van een dader. Daarnaast wordt specifiek de behoefte aan meer capaciteit bij de politie genoemd.

Samenwerking verloopt goed, maar behoefte aan meer contact Binnen de verschillende organisaties wordt de samenwerking als goed bestempeld. Een mogelijk verbeterpunt voor de gemeente is het contact tussen verschillende stadsdelen om bijvoorbeeld kennis en ideeën uit te wisselen over dit onderwerp. Dat contact is nu gering. Ook de samenwerking tussen organisaties gaat volgens professionals in grote lijnen goed. Hoewel het contact tussen de gemeente en de politie aan de ene kant en de maatschappelijke organisaties aan de andere kant minimaal lijkt. De samenwerking bestaat voornamelijk uit het doorverwijzen van slachtoffers voor nazorg. Handelingskader bekend, maar niet geborgd in elke organisatie Iedere gesproken partnerorganisatie is bekend met het bestaan van het nieuwe handelingskader. Toch is niet iedereen bekend met de inhoud van het handelingskader. Bovendien wordt er wisselend gebruik van gemaakt. Er zijn daarbij verschillen binnen en tussen organisaties. Sommige gesprekpartners zeggen altijd al op deze manier te hebben gewerkt. Anderen geven aan dat er geen blauwdruk is na incidenten. De vraag die het bij sommige respondenten oproept is dan ook of het handelingskader voldoende is gewaarborgd in de verschillende organisaties.

5

Inleiding

Nederland telt ongeveer 2,7 miljoen personen die zich identificeren als lesbisch, homoseksueel, bi-plus, transgender, queer, intersekse of aseksueel (CBS, 2024a). Uit verschillende onderzoeken blijkt dat deze groep Nederlanders relatief vaak slachtoffer is van verschillende incidenten. Uit de lhbt-monitor van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) blijkt bijvoorbeeld dat lhb-personen vaker slachtoffer werden van seksueel geweld dan heteroseksuele personen in Nederland (Huijnck et al., 2022). Recente cijfers van het CBS laten bovendien zien dat lhbtiqa+ personen in 2023 vaker slachtoffer werden van zowel vormen van traditioneel als van online criminaliteit dan niet-lhbtiqa+ personen, dit verschil is het grootst bij geweldsdelicten (CBS, 2024b). lhbtiqa+ staat voor: lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, transpersonen, bi-plus seksuele personen, intersekse personen, queers, aseksuele personen en personen die zichzelf op een andere manier identificeren.

Ongeveer een op de vijf Amsterdammers behoort tot de lhbtiqa+ gemeenschap (21%). Dit komt neer op ongeveer 193.000 inwoners in 2024 (O&S, 2025a). Amsterdam heeft de titel ‘Regenboogstad’. Steden met deze titel bevorderen actief de emancipatie en toename van acceptatie van lhbtiqa+ personen binnen de gehele bevolking (Rijksoverheid, 2022). Elke gemeente voert een eigen regenboogbeleid. Het regenboogbeleid in Amsterdam heeft zich de afgelopen jaren gefocust op gelijke kansen voor iedereen in de stad en het in vrijheid jezelf kunnen zijn, met als doel acceptatie en emancipatie van alle Amsterdamse lhbtiqa+ personen (Gemeente Amsterdam, 2019). Handelingskader anti-lhbtiq+ gerelateerde incidenten Om het geweld tegen lhbtiqa+ personen aan te pakken, heeft de gemeente Amsterdam een actieplan opgesteld (Gemeente Amsterdam, 2023). Het actieplan heeft als doel om betrokken partners zoals het Openbaar Ministerie (OM), politie en maatschappelijke partners beter te laten samenwerken bij de opvolging van geweldsincidenten tegen lhbtiqa+ personen. Daarnaast moet, door middel van preventie en vroegtijdig ingrijpen, geweld tegen lhbtiqa+ personen worden voorkomen. Hiervoor wordt ingezet op drie actielijnen: 1. Verbeteren van de opvolging van meldingen 2. Toegankelijker en inclusiever maken van meldingen of aangiftes 3.

Verbeteren van registraties van incidenten Onderdeel van de eerste actielijn in het actieplan is een handelingskader dat is vastgesteld voor de opvolging van lhbtiqa+ gerelateerde incidenten. Het handelingskader bevat voor elk stadsdeel afspraken tussen projectleiders Veiligheid, de basisteams/wijkagenten en Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam (DRA, discriminatie.nl) over de opvolging van incidenten. Ook Slachtofferhulp Nederland is betrokken. Het handelingskader is maatwerk voor ieder stadsdeel, maar kent zeven uitgangspunten: 1. Het vertrekpunt van dit handelingskader is de melding of aangifte bij de politie of Discriminatie.nl, waarbij elk incident wordt geregistreerd. 2. Het herstel, de nazorg en behoefte van het slachtoffer staan centraal en maatwerk wordt verleend.

6

3. De politie, projectleider Veiligheid van het stadsdeel en Discriminatie.nl werken nauw samen om het slachtoffer zo goed mogelijk te ondersteunen en te informeren. 4. Voor elke vervolgstap wordt toestemming van het slachtoffer gevraagd. 5. De projectleider Veiligheid heeft een coördinerende rol en ziet erop toe dat afspraken gericht op herstel en nazorg van het slachtoffer worden nagekomen. 6. Bij herstel is er aandacht voor de omgeving, gebruik van (sociale) media, de rol van het bestuur en het traject van de dader. 7. Dit handelingskader betreft inwoners van Amsterdam. De melding of aangifte van slachtoffers van buiten de stad wordt automatisch doorgegeven aan slachtofferhulp in de eigen woonplaats die contact op neemt met het slachtoffer. I.1 Schema handelingskader

Daarnaast heeft O&S onderzoek gedaan naar de aard en omvang van incidenten tegen de lhbtiqa+ Amsterdammers en eerder naar behoeftes van slachtoffers na een lhbtiqa+ gerelateerd incident (O&S, 2025b; O&S, 2018). De uitkomsten van deze onderzoeken zijn te vinden op onderzoek.amsterdam.nl. In dit onderzoek gaan we verder in op hoe de opvolging van de incidenten in de praktijk vorm krijgt en wat verbeterpunten zijn voor die opvolging. Centraal in de vraag van de directie Openbare Orde en Veiligheid staat hoe de opvolging verloopt, of het lukt om optimaal in te zetten op het behoeftes van slachtoffers en om daarbij aandacht te hebben voor ernstige incidenten. In het volgende hoofdstuk gaan we in op de methodes van het onderzoek. Leeswijzer Hoofdstuk 1 gaat in op in welke mate de betrokken organisaties een beeld hebben van lhbtiqa+ gerelateerde incidenten in Amsterdam en wat voor incidenten zij in hun werk tegenkomen.

7

In hoofdstuk 2 gaan we in op de verschillende wijzen waarop incidenten die wel gemeld worden binnenkomen bij de verschillende organisaties en welke acties vervolgens worden uitgevoerd. In hoofdstuk 3 wordt er ingegaan op de ervaringen van de slachtoffers en betrokken organisaties bij de opvolging. In hoofdstuk 4 gaan we in op de bekendheid en gebruik van het handelingskader. In het vijfde en laatste hoofdstuk wordt er beschreven hoe de samenwerking tussen de verschillende organisaties verloopt. De samenwerking tussen de gemeente, politie, Slachtofferhulp en Discriminatie.nl worden besproken.

8

Methode

De resultaten uit dit rapport zijn gebaseerd op kwalitatief onderzoek door middel van groepsgesprekken en interviews, zowel online als face-to-face. Het veldwerk liep van december 2024 tot en met augustus 2025. De opzet van de interviews was semigestructureerd: we gebruikten een vooraf vastgestelde topiclijst die op een flexibele manier ingezet wordt. Het gaat bij interviews niet direct om de hoeveelheid van geïnterviewden om tot een representatief beeld te komen, maar om tot saturatie te komen. Dat betekent dat het onderzoek op een punt komt dat een nieuw interview niet veel nieuwe informatie oplevert. Het heeft relatief veel moeite gekost om respondenten te vinden voor deelname aan de interviews. Toch is er in totaal gesproken met 20 personen. Zeventien personen behoren tot de partnerorganisaties uit het handelingskader en drie personen waren zelf slachtoffer geworden van een incident. De slachtoffers kregen als dank voor hun tijd en moeite een cadeaubon van 25 euro. Partnerorganisaties Zoals in de inleiding is beschreven werken verschillende organisaties samen bij de opvolging van lhbtiqa+ gerelateerde incidenten. Deze organisaties zijn de gemeente Amsterdam, politie, Discriminatie.nl regio Amsterdam en Slachtofferhulp. In dit onderzoek noemen we deze organisaties de partnerorganisaties. Er is in vier sessies gesproken met tien professionals van de gemeente Amsterdam.

Acht van hen zijn projectleider Veiligheid. Volgens het handelingskader hebben zij de regie over de nazorg bij een lhbtiqa+ gerelateerd incident. Twee van de geïnterviewde professionals van de gemeente zijn projectleiders Sociale Veiligheid. Zij houden zich vaak meer bezig met de preventieve kant van lhbtiqa+ gerelateerde incidenten. De professionals zijn werkzaam in verschillende stadsdelen, namelijk Centrum, Nieuw-West, Oost, Zuid, Noord en Zuidoost. Daarnaast is er in vier sessies gesproken met vijf professionals van de politie. Het ging daarbij om wijkagenten, agenten van Roze in Blauw en teamleiders. Roze in Blauw is een landelijk netwerk van de politie. Lhbtiqa+ personen die te maken krijgen met strafbare zaken gerelateerd aan hun seksuele oriëntatie of genderidentiteit kunnen daar een melding doen (Politie.nl). Ook de professionals van de politie zijn werkzaam in verschillende stadsdelen, namelijk Centrum, Nieuw-West, Oost, Zuid en Zuidoost. Verder zijn er twee individuele interviews gehouden met professionals van maatschappelijke organisaties: Slachtofferhulp en Discriminatie.nl regio Amsterdam. Slachtofferhulp steunt slachtoffers emotioneel, bij het strafproces of helpt om schade vergoed te krijgen (Slachtofferhulp.nl). Discriminatie.nl registreert meldingen van discriminatie in de metropoolregio Amsterdam.

Bovendien ondersteunen en bieden zij hulp aan melders (mdra.nl).

9

Slachtoffers Tot slot zijn er drie slachtoffers van lhbtiqa+ gerelateerde incidenten geïnterviewd. Het heeft relatief veel moeite gekost om respondenten te vinden voor deelname aan de interviews. Via de projectleiders Veiligheid, politie en de maatschappelijke organisaties is er geprobeerd slachtoffers te benaderen. Ook zijn er via sociale media, lhbtiqa+ organisaties en via gesproken slachtoffers pogingen gedaan om extra respondenten te vinden. De gesproken slachtoffers zijn via verschillende wegen bij ons terecht gekomen. De onderzoekers hadden graag meer slachtoffers geïnterviewd om zo beter de verschillende perspectieven van slachtoffers in beeld te brengen. M.1 Schematische weergaven respondenten

10

1 Aard en omvang incidenten

In ander onderzoek van Onderzoek en Statistiek (O&S, 2025b) is cijfermatig in kaart gebracht wat de aard en omvang is van de incidenten tegen personen uit de lhbtiqa+ gemeenschap in Amsterdam. Het onderzoek kijkt naar veiligheidsgevoelens, ervaren discriminatie en slachtofferschap van Amsterdammers uit de lhbtiqa+ gemeenschap. In dit hoofdstuk wordt besproken in welke mate de partnerorganisaties een beeld hebben van de lhbtiqa+ gerelateerde incidenten in Amsterdam en wat voor incidenten zij in hun werk tegenkomen. Voordat we ingaan op de perspectieven van de professionals, willen we benoemen dat de incidenten die de geïnterviewde slachtoffers hebben meegemaakt een enorme emotionele impact op hen hebben. De volgende uitgangspunten uit het handelingskader worden hierin besproken: 1.

Het vertrekpunt van dit handelingskader is de melding of aangifte bij de politie of Discriminatie.nl, waarbij elk incident wordt geregistreerd.

1.1 Impact van incidenten De drie gesproken slachtoffers beschreven zeer uiteenlopende incidenten waar zij mee te maken hebben gehad. De incidenten die ze uiteindelijk bij de politie meldden, gingen bijvoorbeeld om uitschelden, intimidatie en bedreiging, en fysiek geweld. “Op een gegeven moment beginnen ze weer met gevonden voorwerpen op straat, bouwmateriaal, dat gooien ze naar me toe. Dat raakt mijn hand.” - slachtoffer “Ik fiets langs een groepje en ik word opeens uitgescholden [..]. Toen ben ik doorgefietst en toen geen drie minuten later van alle kanten scooters en ik ben volledig in elkaar getimmerd.” - slachtoffer “Toen kreeg ik een scheldkanonnade over me heen. Ik keek zo om me heen, en ik was zo verrast en zo ontdaan. […] Het was ook op de rand met fysiek. De volgende keer neemt ze [de dader] een zweep mee of een stok.” - slachtoffer Wat opvalt uit de gesprekken met de slachtoffers, is dat zij soms in eerste instantie het incident bagatelliseren, maar uit de reacties tijdens de interviews blijkt dat de gebeurtenissen grote emotionele impact hebben. Ze maken zich zorgen om hun eigen veiligheid, maar ook om de veiligheid van anderen om wie ze geven. De incidenten die ze hebben gemeld zijn nooit het enige incident dat ze hebben meegemaakt. Ze ‘lopen op eieren’ (slachtoffer) op hun werk of in de buurt waar ze wonen, alleen vanwege hun geaardheid of genderidentiteit.

Eén respondent vertelde dat die een tijd lang niet het huis uit kon, omdat die zo vaak werd aangevallen. Daarnaast zagen we ook boosheid terug bij de respondenten, vooral uit wanhoop dat het niet veiliger of prettiger wordt voor lhbtiqa+ Amsterdammers.

11

“Het is gewoon heftig wat ik heb meegemaakt en ik heb er veel therapie voor gehad. Het raakt me want ik kon gewoon mezelf niet zijn en dat was het enige wat ik juist wilde.” – slachtoffer “Je wil het niet groter maken en je kunt het je ook niet permitteren om het groter te maken, omdat het toch best ingrijpend en gevaarlijk is.” – slachtoffer

1.2 Beperkt beeld incidenten vanwege lage meldingsbereidheid Aan de verschillende partnerorganisaties is gevraagd in welke mate ze denken dat ze een goed beeld hebben van de omvang van het aantal lhbtiqa+ gerelateerde incidenten in Amsterdam. De organisaties zijn het met elkaar eens dat er geen volledig beeld is en dat het aantal incidenten wat geregistreerd wordt slechts een klein deel van de werkelijke incidenten bedraagt. De professionals van de gemeente geven aan dat ze denken dat de meldingsbereidheid van slachtoffers in het algemeen laag is, waardoor de hoeveelheid incidenten die zij registreren ook relatief laag is. Vooral in sommige stadsdelen in Amsterdam is de meldingsbereidheid lager; men voelt zich daar niet serieus genomen door instanties en er heerst veel wantrouwen tegen instanties. Vanuit deze stadsdelen krijgt de gemeente dan ook weinig meldingen binnen. Een professional van de gemeente benoemt bijvoorbeeld dat er in Zuidoost weinig zichtbaarheid is voor de lhbtiqa+ gemeenschap is, waardoor melden daar ook een grote drempel is voor slachtoffers. Binnen de politie wordt daarnaast benoemd dat ze merken dat de politie niet altijd als benaderbaar of betrouwbaar wordt gezien door lhbtiqa+ Amsterdammers, wat ook kan leiden tot minder meldingen. “Ik heb in mijn leven genoeg gesprekken gevoerd om te weten dat de meeste mensen niet alles melden.

Dat kan ook niet, het heeft helemaal geen zin. Het is ontzettend frustrerend als je iets meldt en er niets mee wordt gedaan.” – professional van de gemeente “Dus tijdens de Pride werk ik op de boot en zijn er andere belangrijke bijeenkomsten door de stad. Het zou natuurlijk heel mooi zijn als politie als je gezicht kan laten zien aan de gemeenschap, zo van we zijn er ook voor jullie. Politie is makkelijk benaderbaar, politie is te vertrouwen, nou noem maar op.” – politie De professionals hebben wel het idee dat dankzij verschillende netwerken en organisaties een beter beeld ontstaat van de omvang van de incidenten. Het gaat om bijvoorbeeld Roze in Blauw van de politie, en RITA. Dit zijn organisaties die het voor de slachtoffers van de lhbtiqa+ gerelateerde incidenten laagdrempeliger maken om een melding te doen, waarbij RITA een platform is waar mensen lhbtiqa+ discriminatie en onveilige situaties kunnen melden. “Bijvoorbeeld als mensen last hebben van een taxichauffeur, of geschreeuw of gescheld of geduw op straat of in het uitgaansleven. Dan zullen ze dat laagdrempeliger wel daar melden maar naar de politie ga je met zo een melding niet.” – professional van de gemeente Een professional van de gemeente geeft aan dat het meldpunt Disciriminatie.nl nog niet erg bekend is bij slachtoffers en dat ze daarom wat minder goed worden gevonden.

12

“Maar ik vraag altijd aan de mensen of ze contact hebben gehad met het MDRA. Ik ben er nog nooit een tegen gekomen die contact heeft gehad met het MDRA. Ik heb het idee dat er weinig bekendheid is, misschien moet dat nog komen.”– professional van de gemeente De professionals van de verschillende organisaties geven aan dat de meldingen die ze binnenkrijgen vooral meldingen van geweldsincidenten zijn, maar dat incidenten zoals nageroepen worden of uitgescholden worden op straat minder worden gemeld. De professionals hebben daarbij het idee dat geweldsincidenten eerder worden gemeld, omdat er misschien ook maatregelen kunnen worden opgelegd. Bovendien kunnen slachtoffers hiermee hun verhaal doen. “Ik denk dat we een deel van de geweldsincidenten absoluut in zicht hebben. Omdat daar mensen een grens stellen, en de politie bellen. Ook als ze denken ze gaan hem niet pakken, maar dat ze het zo ernstig vinden dat ze toch contact met de politie willen. Al is het alleen maar om hun verhaal te doen. Van het daadwerkelijk aantal incidenten denk ik maar een paar procent.”- professional van de gemeente “Het is natuurlijk heel goed om het te melden. Dat je weet dat wij weten, dat de politie weet, dat de gemeente weet, wat waar gebeurt. Dus voor die cijfers is dat natuurlijk wel belangrijk.

Maar voor jou als slachtoffer, een persoon die heel snel voorbijfietst, ja je weet niet wie die is, waar die woont dus wat kan je daar dan nog mee. Je kan daar geen genoegdoening halen, zeg maar.” – professional van maatschappelijke organisatie Uit de gesprekken met de slachtoffers komt vooral het beeld naar voren dat mensen bereid zijn om te melden zodra het incident zorgt voor een zeer groot gevoel van onveiligheid, zeker als ook andere mensen slachtoffer (dreigen te) worden. “Ik heb nog nooit aangifte gedaan bij een incident, maar bij dit incident voelde ik gewoon alles op de tocht staan. Ik wilde het bij dit incident anders doen.” – slachtoffer Een verbeterpunt voor het handelingskader betreft het diffuse beeld rondom meldingen. Een projectleider benoemt dat die beter inzicht wil in het aantal incidenten per stadsdeel door de meldingen van verschillende organisaties te bundelen op één punt. “Dat al die meldingen bij een punt terechtkomen. Ik weet niet of dat realistisch is. Het idee dat je elke maand dat je met een druk op de knop kan zien, zonder rugnummers, [..] dit gebeurt er in je stadsdeel op het gebied van discriminatie.” – professional van de gemeente

1.3 Wisselende hoeveelheid registraties van incidenten De organisaties benadrukken dus dat maar een klein deel van de lhbtiqa+ gerelateerde incidenten in beeld is. De vraag in welke mate de verschillende organisaties te maken hebben gehad met lhbtiqa+ gerelateerde incidenten in het werk in de afgelopen 12 maanden, blijkt dan ook lastig te beantwoorden. Zelfs binnen één organisatie kunnen de aantallen wisselend zijn. Professionals die werkzaam zijn in dezelfde buurt of wijk benoemen verschillende frequenties. “Ik hoor er veel over. Ik zie veel in de meldingen voorbijkomen. Ik zou niet willen zeggen iedere dag. Ik denk dat ik er toch wel een aantal keer per week over hoor, lees, zie. Zoiets is het denk ik.” – professional van maatschappelijke organisatie

13

“Het is voor ons ook niet een dagelijks iets. Ik ben er niet heel erg in thuis. Ik weet in ieder geval wel welke partijen ik kan benaderen daarvoor, je hebt je partners en je contactpersonen en je weet elkaar te vinden. Maar om te zeggen ik heb hier wekelijks mee te maken, gelukkig niet.”– politie Politieagenten die onderdeel zijn van Roze in Blauw geven logischerwijs vaker aan dat ze lhbtiqa+ gerelateerde incidenten in het werk tegen te komen. Slachtoffers van lhbtiqa+ gerelateerde incidenten doen soms hun melding specifiek bij de agenten van Roze in Blauw. Desondanks geven de agenten van Roze in Blauw aan dat het aantal meldingen ook afhangt van het werkgebied. Daarnaast geven professionals van de gemeente aan dat er vaak een toename in van het aantal meldingen van lhbtiqa+ gerelateerde incidenten rondom evenementen als Pride. “Ik ben Roze in Blauw voor [stadsdeel], is best wel een groot gebied. Maar wij krijgen relatief in vergelijking met andere gebieden in Amsterdam wat er bij ons bekend is, weinig meldingen.”– politie Bij Discriminatie.nl regio Amsterdam wordt aangegeven dat er wekelijks meldingen binnen komen die te maken hebben met lhbtiqa+ gerelateerde incidenten. Bij Slachtofferhulp wordt niet specifiek gevraagd of het incident lhbtiqa+ gerelateerd is.

Hierdoor is daar een minder goed beeld van de hoeveelheid lhbtiqa+ gerelateerde incidenten: “We vragen niet als er geweld heeft plaatsgevonden of dat op basis van de geaardheid of seksualiteit was. Dus ik denk dat ik meer cliënten heb binnen deze doelgroep dan dat ik weet.”– professional van maatschappelijke organisatie

1.4 Met name geweldsincidenten bekend bij organisaties De professionals omschrijven verschillende lhbtiqa+ gerelateerde incidenten die ze tegenkomen in hun werk. Zo krijgen ze veel meldingen van incidenten bij woningen, waarbij bijvoorbeeld stenen door de ruit worden gegooid. Een groot deel van de meldingen betreft ook het in brand steken of vernielen van regenboogvlaggen die personen thuis hebben hangen. Ook komt het voor dat er vuurwerk wordt afgestoken rondom woningen. In enkele gevallen benoemen de professionals ook dat ze incidenten hebben meegemaakt waarbij is ingebroken in een woning van personen uit de lhbtiqa+ gemeenschap. Deze personen zijn vervolgens in hun eigen woning mishandeld. “Wij hebben ook veel vlagincidenten gehad, die wordt eraf getrokken, in brand gestoken of gestolen. Dat soort dingen. Sommige mensen zeggen: ik hang het niet meer op, want dan heb ik een steen door mijn raam.”- politie Verder benoemen de professionals dat ze soms meldingen krijgen dat personen worden uitgescholden, gediscrimineerd of bedreigd. Dit alles gebeurt ook online. Daarnaast worden personen lastiggevallen op specifieke plekken waar de lhbtiqa+ gemeenschap veelal komt zoals de Reguliersdwarsstraat of mannenontmoetingsplekken in de stad. Zoals in een eerdere paragraaf benoemd, worden geweldsincidenten volgens professionals relatief vaak gemeld.

In hun werk hebben de professionals daardoor met name met dit type incidenten te maken.

14

“Wat we het meeste horen is uitschelden op straat. Dat zijn de meest voorkomende meldingen en daarbij mogelijk met poging tot geweld of met geweld.” – professional van maatschappelijke organisatie “Vaak gaat het om geweldsincidenten. Er is vaak sprake van mishandeling. Er zijn ook incidenten waarbij sprake is van intimidatie, bedreiging met mishandeling of mensen die van hun fiets worden getrokken. Maar heel vaak komt het uiteindelijk tot mishandeling of vernieling.”– professional van de gemeente In het handelingskader wordt onderscheid gemaakt tussen ernstige incidenten en minder ernstige incidenten. Bij ernstige incidenten kan de opvolging anders zijn dan bij minder ernstige incidenten, bijvoorbeeld in het betrekken van de stadsdeelvoorzitter. Aan de professionals is gevraagd of en hoe zij onderscheid maken tussen verschillende incidenten. Enkele professionals van de gemeente en politie benoemen dat incidenten die te maken hebben met geweld en letsel als ernstig worden bestempeld. Het in brand steken van een regenboogvlag wordt dan als minder ernstig gezien. In de praktijk wordt dit onderscheid door de partnerorganisaties niet als relevant gezien; ze geven aan dat elke lhbtiqa+ gerelateerd incident als een ernstig incident gezien moet worden. Echter vragen sommige incidenten eerder om aangifte en wordt er dan ook door politie meer inzet op geleverd.

“Ik denk ongeveer een keer per maand een redelijk ernstig incident. Het is natuurlijk allemaal niet ok. Ik probeer onderscheid te maken tussen geweld en het vernielen van een vlag. Het is allebei niet ok, maar die vlaggen zijn toch wat kleinere incidenten, maar [waar] wel een belangrijke lading aan zit.” – professional van de gemeente Bij Discriminatie.nl wordt soms onderscheid gemaakt tussen ernstige en minder ernstige incidenten. Daarbij wordt gesprokken van lichte meldingen, middelmatige meldingen en zware meldingen. Dit baseren ze vooral op de hoeveel capaciteit die nodig is om de hulpvraag te verwerken. Zo categoriseren ze een anonieme melding als licht, omdat bij deze meldingen namelijk geen contact met het slachtoffer kan worden opgenomen. Bij Slachtofferhulp benoemen ze dat ze een onderscheid maken, maar dat het niet altijd de ernst van het incident is die een rol speelt maar de impact die het heeft op het slachtoffer. “Er wordt onderscheid in gemaakt, maar ik merk zelf dat het niet iets relevant is om naar te kijken. Want het kan dat iemand die ontzettend ernstig letsel heeft er drie dagen later niks meer aan de hand is. Maar dat iemand die is uitgescholden op straat dat die er daarna nog drie maanden last van heeft.” – professional van maatschappelijke organisatie De impact die de incidenten hebben op de slachtoffers wordt door meer partnerorganisaties genoemd.

Ze benadrukken dat lhbtiqa+ gerelateerde incidenten een enorme impact op de slachtoffers hebben. Met name omdat ze worden gediscrimineerd, uitgescholden of aangevallen om wie ze zijn. Wat een slachtoffer als impactvol ziet verschilt per slachtoffer, hetzelfde type incident kan op een iemand veel impact hebben en op iemand anders minder. Die impact bepaalt bijvoorbeeld ook of het gaat om een ernstig incident. “Iedereen die ooit in zijn leven met discriminatie te maken heeft gehad op herhaaldelijke wijze, die weet dat het een soort gif is dat door je systeem begint te sijpelen. In die zin is elk incident ernstig omdat het daar iets aan toevoegt.” – professional van de gemeente “Mensen voelen zich zo onveilig en geïntimideerd door wie je bent. Dat maakt het voor het slachtoffer gewoon heel extreem. Als je je door je geaardheid geïntimideerd voelt door

15

geweld, dat vind ik best ernstig. Ik heb ook met slachtoffers gesproken, dat is echt een enorme impact.” – professional van de gemeente

1.5 Labelen incidenten als lhbtiqa+ gerelateerd soms lastig Verschillende incidenten komen niet binnen bij de partnerorganisaties als lhbtiqa+ gerelateerd, zelfs als ze wel gemeld zijn door het slachtoffer. De professionals van verschillende organisaties ervaren dat er niet altijd het label lhbtiqa+ aan de melding wordt toegevoegd als er bijvoorbeeld vandalisme of geweld heeft plaatsgevonden en dit is gemeld, ook al is dit wel daaraan gerelateerd. Hierdoor is er ook een minder goed beeld van het werkelijk aantal incidenten. “Het kan binnenkomen als eenvoudige mishandeling of eenvoudige diefstal. Tussen de regels van de aangifte door zou je ook kunnen oppikken dat het gaat over de lhbtiq+. De vraag is dan of dat ook gebeurt?” - professional van de gemeente In bepaalde gevallen is het wel duidelijk dat het om een lhbtiqa+ gerelateerd incident gaat, bijvoorbeeld als het slachtoffer dit zelf aangeeft. In andere gevallen is dit minder concreet. De professionals van de politie geven aan dat een incident als lhbtiqa+ wordt gelabeld als het specifiek gaat om geaardheid, bijvoorbeeld als er iets is geroepen. Ook als een slachtoffer vraagt om met Roze in Blauw van de politie te praten is het duidelijk dat het om een lhbtiqa+ gerelateerd incident gaat. Ook de locatie waar het incident heeft plaatsgevonden, kan een indicatie zijn om het label lhbtiqa+ eraan toe te voegen.

Hierbij gaat het om specifieke locatie zoals mannenontmoetingsplekken of uitgaansgebieden. Maar ook als een van de bovenstaande factoren een rol spelen blijft het lastig om de inschatting te maken volgens de professionals. “Maar in sommige gevallen kan ook de plek waar het gebeurd is zorgen dat het lhbt gerelateerd is. Als iemand op de Reguliersdwarsstraat of op een mannenontmoetingsplaats is, en als daar iets gebeurd en er wordt geen ‘vuile homo’ geroepen maar wel een cruisende man geslagen dan krijgt die ook het label. Maar het is wel moeilijk soms. Wij van de politie geven wat sneller de code dan justitie.” – politie Professionals van de verschillende organisaties geven aan dat ze met name afgaan op wat de melder zegt. Soms speelt mee dat het slachtoffer zelf niet wil dat dat het label lhbtiqa+ aan het incident wordt toegevoegd. Er zit dan een stuk schaamte bij het slachtoffer of ze zijn bang dat ze vaker slachtoffer worden als bekend wordt dat ze tot de lhbtiqa+ gemeenschap behoren. “Ik doe alles wel in overleg. Soms wil het slachtoffer niet dat het label lhbt eraan gehangen wordt. Dan leg je het uit wat het voordeel is (strafverzwaring), maar je doet alles in overleg.

Ik vind het belangrijk dat het slachtoffer zich altijd gehoord voelt.” – politie “Heel vaak krijg ik dan inderdaad te horen dat ze bang zijn dat die aantekening in het systeem komt en dat bekend wordt dat zij die dergelijke achtergrond hebben. En daarmee nog meer een mikpunt worden van geweld en uitingen daarvan.” – professional van de gemeente Als een incident wordt gemeld bij een van de partnerorganisaties dan wordt er doorgevraagd, maar de professionals geven aan dat niet iedereen specifieke vragen durft te

16

stellen over de aard van het incident. Met name professionals bij de politie geven aan dat ze bij collega’s merken dat die het soms lastig vinden om specifiek op het onderwerp gender of seksuele oriëntatie door te vragen. Hierdoor worden incidenten niet altijd gelabeld als lhbtiqa+ als het slachtoffer het zelf niet specifiek aangeeft. Hierdoor moeten slachtoffers soms meerdere keren naar de politie en het komt voor dat slachtoffers zich hierdoor niet gehoord voelen of onjuist worden bejegend. “Het is voor collega’s ook lastig, om alleen die vraag al te stellen ‘Bent u homo/Bent u lesbisch?’.” – politie Vanuit de politie wordt ook aangegeven dat een incident soms pas later als lhbtiqa+ wordt gelabeld. Dan zijn er bijvoorbeeld meer gesprekken met het slachtoffer of getuigen geweest. In sommige gevallen wordt het lhbtiqa+ label ook weer verwijderd van een aangifte. Dit gebeurt bijvoorbeeld als een incident door de locatie als lhbtiqa+ is gelabeld, terwijl hier verder geen sprake van was. Met de invoering van het handelingskader is de politie nu alerter op welke vragen aan slachtoffers gesteld moeten worden om te achterhalen of het een lhbtiqa+ gerelateerd incident betreft. De professionals bij de gemeente zien ook een verbetering met hoe de politie omgaat met lhbtiqa+ gerelateerde incidenten. “Ik ben heel blij met mijn basisteam. We snappen wat we van elkaar verwachten.

Ik vind dat we in korte tijd veel stappen hebben gemaakt. Toen we het handelingskader hebben getest, merk je dat mensen op straat net niet de juiste vraag hebben gesteld. We hebben bijna nooit nu dat het fout gaat bij de aangifte.” – professional van de gemeente

17

2 Proces van opvolging

Nadat een incident heeft plaatsgevonden, maakt een deel van de slachtoffers een melding. In ander onderzoek van O&S (2025b) en in het voorgaande hoofdstuk is al genoemd dat lang niet alle incidenten worden gemeld. In dit hoofdstuk gaan we in op de verschillende wijzen waarop incidenten die wel gemeld worden binnenkomen bij de verschillende organisaties, welke acties vervolgens worden uitgevoerd en wanneer de opvolging stopt. De volgende uitgangspunten uit het handelingskader worden hierin besproken: 6.

Bij herstel is er aandacht voor de omgeving, gebruik van (sociale) media, de rol van het bestuur en het traject van de dader.

2.1 Binnenkomst van meldingen vooral via de politie Meldingen van lhbtiqa+ gerelateerde incidenten komen met name via de politie bij de gemeente en Slachtofferhulp. Dit kan zijn omdat de politie is gebeld bij een incident of omdat slachtoffers naar de politie gaan om aangifte te doen. In sommige gevallen nemen agenten van Roze in Blauw de aangifte op. In andere gevallen nemen slachtoffers direct contact op met agenten van Roze in Blauw of met hun wijkagent. “Dit soort meldingen worden vaak via de meldkamer doorgezet. Vaak worden deze meldingen, als het duidelijk dat het lhbtiqa+ gerelateerd is, naar Roze in Blauw [gestuurd] en die collega’s benaderen dan vaak de wijkagent.” – politie De politie vraagt standaard of slachtoffers contact willen met Slachtofferhulp en als dat het geval is, neemt iemand van Slachtofferhulp contact op met het slachtoffer. De meeste incidenten die bekend zijn bij Slachtofferhulp komen ook via de politie. Daarnaast neemt de politie in sommige gevallen contact op met de projectleiders Veiligheid van de gemeente. Dit zijn met name geweldsincidenten. Ook de meldingen die bekend zijn bij de projectleiders Veiligheid komen met name binnen via de politie. Dit kan door een piketmelding, via een wekelijks basisteamoverleg (BTO), via de wijkagent of via Roze in Blauw. De politie vraagt het slachtoffer of zij ook contact willen met de gemeente.

Dit kan bijvoorbeeld zijn als het gaat om geweldincidenten of andere ernstige incidenten die veel impact hebben gehad op het slachtoffer. De politie geeft aan dat slachtoffers hier wisselend op reageren. De projectleiders Veiligheid benoemt dat het doorverwijzen vanuit de politie steeds beter gaat. Eerder was niet elke agent op de hoogte dat dit een optie is voor het slachtoffer. “Ik stel altijd de vraag of ze al weten of het slachtoffer behoefte heeft aan contact met het stadsdeel. Ik merk dat die vraag steeds meer bij de politie beklijft en dat ze daar vaak ook al een antwoord op hebben als ze ter plekke de aangifte hebben opgenomen” – professional van de gemeente

18

“Het stadsdeel wil vaak nog iets extra doen. Dus dat is vaak ook een vraag die je stelt: vind je het goed als ik je gegevens aan het stadsdeel geef, het kan zijn dat de veiligheidscoördinator of stadsdeelvoorzitter nog even contact opneemt.”– politie Wel duurt het soms lang voordat een melding bij een projectleider terecht komt. De professionals van de gemeente geven aan dat dit erg vervelend is voor het slachtoffer. De politie is vaak het startpunt van de melding en daarom extra belangrijk dat dit goed gebeurt. “Handelingskader voldoet, maar valt of staat wel met coöperatie van vooral de politie. Daar komen de meeste meldingen binnen. We zijn afhankelijk van wat ze met ons delen.” – professional van de gemeente Projectleiders Veiligheid krijgen in veel mindere mate ook meldingen vanuit collega’s bij de gemeente, slachtoffers zelf, organisaties met wie de gemeente samenwerkt of via de media. Daarbij vragen zij soms actief na bij de politie of er aangifte is gedaan. Daarbij wordt wel benoemd dat opvolging lastiger is als meldingen niet via de politie binnenkomen. Soms duurt het daarom langer voordat de melding binnen de gemeente bij de juiste persoon is. Ook zijn er niet altijd contactgegevens van slachtoffers. “Het is voor ons het makkelijkst om er opvolging op te geven als het via de politie gaat omdat er dan een aangifte is.

Dan kunnen wij ook in contact komen met het slachtoffer. Als wij het via via horen dan wordt het toch vager. Dan is het meer ter kennisname omdat je niet precies kan verifiëren wie er dan precies bij betrokken waren.” – professional van de gemeente Bij Discriminatie.nl komen meldingen via diverse wegen binnen: van slachtoffers zelf, via projectleiders Veiligheid, via de politie of via andere organisaties. Het grootste deel van de meldingen komt van de slachtoffers zelf. Zij kunnen een melding maken per e-mail of per telefoon. Een nieuwe manier van melden is het eerdergenoemde meldpunt RITA. Het wordt zoals benoemd in paragraaf 1.2 door de professionals gezien als een laagdrempelige manier voor slachtoffers van lhbtiqa+ gerelateerde incidenten om een melding te doen. De meldingen van RITA worden doorgezet naar Discriminatie.nl zodat zij ook het zicht houden op het aantal meldingen. RITA is voornamelijk een meldpunt en richten zich niet op opvolging. Bij Discriminatie.nl geven ze aan dat het een nadeel is dat de meldingen eerst bij RITA binnenkomen, omdat het dan enkele dagen duurt voordat zij de melding ook ontvangen. Hierdoor duurt de afhandeling langer. Professionals vanuit de politie vinden het ook prettiger als meldingen direct bij hen binnenkomen of bij Discriminatie.nl. Eveneens omdat de opvolging vanuit RITA mist, waardoor slachtoffers daar langer op moeten wachten.

“Nu met RITA is er wel een stijging. Daardoor zijn er wel heel veel meer meldingen binnengekomen, maar die meeste van die meldingen zijn wel anoniem.” – professional van maatschappelijke organisatie

19

“Ik vind: meldingen moeten binnenkomen bij de politie. En als ze niet bij ons binnenkomen, dan vind ik het ook mooi als ze bij Discriminatie.nl binnenkomen. Maar meldingen moeten niet bij een particulier initiatief binnenkomen. Daar hebben we in het verleden al voorbeelden van gehad. Mensen verwachten wat als ze een melding doen. Willen graag opvolging en daar graag wat van horen.”– politie

2.2 Verschillende acties vanuit de professionals Nadat een melding is binnengekomen, start elke partnerorganisatie vaak hetzelfde, namelijk door contact op te nemen met het slachtoffer en te vragen wat er is gebeurd en waar het slachtoffer behoefte aan heeft. Hoe snel de organisaties contact opnemen met het slachtoffer over de melding verschilt. Van binnen 24 uur tot een week later. “Het eerste gesprek is heel belangrijk om vast te stellen, wat heeft dit slachtoffer nodig? Naast het vertellen van het verhaal. Wat heeft dit slachtoffer nodig om verder te kunnen?” – professional van de gemeente Vervolgacties zijn afhankelijk van de behoeftes van het slachtoffer, de kenmerken van het incident en de rol van de organisatie. Een actie die vaak wordt uitgevoerd, is het doorverwijzen naar andere instanties of organisaties. “We doen de eerste acute nazorg en kijken dan wat er nodig is. Daarna zijn er anderen die dat moeten overnemen. Dat kan zijn de verzekering of een psycholoog of een maatschappelijk werker. Wie dan ook uit het werkveld die een slachtoffer kan ondersteunen als dat nodig is.” – professional van de gemeente Hieronder zijn de mogelijke acties per organisatie in kaart gebracht. Vervolgstappen van projectleiders Veiligheid kunnen zijn:  Doorverwijzen naar andere instantie (Discriminatie.nl, maatschappelijk werk, wonen).

Soms merkt een projectleider Veiligheid dat er andere problemen spelen die los van het incident staan, ook dan verwijzen ze door naar verschillende organisaties;  Contact met stadsdeelvoorzitter of burgemeester (meestal bij heftige incidenten);  Helpen bij processen bij andere instanties (zoals aangifte versnellen);  Concrete hulp die de projectleider Veiligheid aanbiedt is, het geven van tips (vraag een host om mee te lopen na een avond uit), het plaatsen van een videodeurbel, of een tolk voor bij Slachtofferhulp;  Soms ook het betrekken van de omgeving, wanneer er bijvoorbeeld onrust is in de straat, als het slachtoffer er behoefte aan heeft of als de omgeving zoals de partner ook geraakt is door het incident;  Soms biedt een projectleider aan het slachtoffer aan om onderdeel te worden van een netwerk die meedenkt over mogelijke maatregelen. Vervolgstappen van de politie: • Aangifte of melding opnemen; • In het geval van een aangifte: bewijsvoering doen en contact opnemen met het Openbaar Ministerie; • Aandacht voor de omgeving door langs te gaan op de plek waar een incident plaatsvond, zoals een mannenontmoetingsplaats of contact leggen met de buurt;

20

•

•

•

Doorverwijzen of contact opnemen met Slachtofferhulp, Discriminatie.nl en in ernstige gevallen ook projectleider Veiligheid of de teamleider zodat de burgemeester geïnformeerd kan worden; In sommige gevallen neemt de politie na de aangifte contact op met het slachtoffer om het verhaal te horen (bv de wijkagent of Roze in Blauw), of om te checken of het gaat om een lhbtiqa+ gerelateerd incident, of om uit te leggen waarom een zaak is geseponeerd; Daarnaast heeft de politie een aantal preventieve acties, zoals de zichtbaarheid vergroten tijdens Pride, aanwezig te zijn op bijeenkomsten voor de gemeenschap of vaker aanwezig zijn op plekken waar veel incidenten voorkomen.

Vervolgstappen van Discriminatie.nl • Registreren van het incident; • Coaching en empowerment om bijvoorbeeld een incident te melden bij leidinggevende, een klachtbrief te schrijven, een gesprek te voeren met een leidinggevende, aangifte te doen bij de politie of een zaak bij het college van de rechten van de mens te brengen; • In sommige gevallen komt er ook een melding van een omstander. Dan geven ze ook tips over hoe je een slachtoffer kunt bijstaan. Vervolgstappen Slachtofferhulp: • Ook Slachtofferhulp start met een intake. Daarbij kijken ze naar vier terreinen: fysiek, psychisch emotioneel, financieel juridisch en sociaal maatschappelijk; • Op psychisch emotioneel vlak proberen ze gevoelens na een incident te normaliseren en psycho-educatie te geven. Ze leren slachtoffers waar ze op moeten letten, wat ‘normaal’ is en wanneer ze extra hulp moeten inschakelen. Als iemand dat zelf niet lukt, kan Slachtofferhulp ook contact opnemen met een huisarts; • Op financieel-juridisch vlak helpen ze bijvoorbeeld met het invullen van verzekeringsdocumenten; • In sommige gevallen nemen ze contact op met de politie als het contact niet goed verloopt. Over het algemeen loopt het proces bij ernstige incidenten hetzelfde als bij andere incidenten. Alle organisaties noemen dat de behoeften van slachtoffers centraal staan.

Bij de politie worden bepaalde incidenten echter door andere teams afgehandeld, zoals ernstig geweld of seksueel geweld. Wel wordt extra inspanning geleverd om contact te leggen tussen de gemeente en de politie. “Nee, je gaat niet echt iets heel anders doen. Het krijgt wel meer aandacht. [..]. Je gaat iets meer peuteren van, kan je iets in omgeving, maatregelen, een camera. Je gaat meer achter de komma precies afwegen. Dat brengt het wel teweeg.” – professional van de gemeente

2.3 Aandacht voor omgeving en media In het handelingskader staat benoemt dat er bij de opvolging aandacht moet zijn voor de omgeving en (sociale) media. In een gesprek benoemen een aantal projectleiders Veiligheid dat ze alleen aandacht hebben voor de buurt of partner/vrienden van het slachtoffer als dat nodig is. Dit hangt bijvoorbeeld af van het type incidenten. De incidenten zijn vaker ‘persoonsgericht’. Bij andere type incidenten, zoals explosies, is het effect op de buurt groter. Een van de projectleiders Veiligheid heeft bij een lhbtiqa+ gerelateerd incident

21

waarbij er geweld bij een woning of horecagelegenheid was contact gehad met de omgeving. Deze projectleider heeft toen contact opgenomen met omwonenden en hier positieve ervaringen mee: “Zo geef je wat aandacht aan de problemen die er spelen. Dat werkt wel goed. Je kan niet alles wegnemen. Maar mensen vinden [het] fijn dat je kan vertellen wat je weet. En dat je kan vertellen wat je kan doen en wat je niet kan doen. Dat geeft mensen wat meer rust.” professional van de gemeente Wanneer incidenten in de media verschijnen, wordt er met name verontwaardigd op gereageerd menen de projectleiders Veiligheid. Er heerst een gevoel dat er steeds weer heftige incidenten zijn tegen lhbtiqa+ Amsterdammers. Het roept onmiddellijk vragen op over wat de gemeente en de politie eraan doen. Het zorgt ervoor dat de projectleider Veiligheid kritisch gaat kijken naar de maatregelen. Twee van de slachtoffers hebben een sociale media post gemaakt over de incidenten die zij meemaakten. Een van de slachtoffers benoemt dat die een jaar na het incident een sociale media post plaatste. Juist op dat moment voelde het slachtoffer zich vrij en goed. Als gevolg van de post kreeg het slachtoffer positieve steun. Ook het andere slachtoffer kreeg steun, maar hoopte vooral dat iemand die invloed heeft het zou zien en er iets zou veranderen.

Het slachtoffer heeft echter niet het idee dat het heeft geleid tot verandering. “Het heeft mij iets geholpen omdat je je ei kwijt bent en omdat ik gewoon mensen wilde laten zien hoe mijn leven eruitzag. En het was ook gewoon een hele grote schreeuw om hulp en heel veel mensen waren vooral in shock wat mij gebeurde. [..] ik wilde dat mensen [dat] door hadden en ik hoopte dat iemand die er invloed op zou hebben het zou zien, en dat is allemaal niet gebeurd.” – slachtoffer

2.4 Afsluiten opvolging vaak op initiatief slachtoffer De opvolging vanuit de partnerorganisaties wordt afgesloten vanwege twee redenen. De meest genoemde reden is als het slachtoffer aangeeft voldoende hulp te hebben gehad of geen hulp meer te willen. “Dat gaat in samenspraak met het slachtoffer. Van is het goed zo? Heb je behoefte aan meer? En als dat niet zo is en het loopt, dan is dat oké.” – professional van de gemeente “Eigenlijk gaat het tot je niet verder kan of dat de melder zegt: ik wil niet meer. Ik ben er klaar mee.” – professional van maatschappelijke organisatie “Slachtofferhulp heb ik nu gezegd is zo goed, ik denk dat ik er mee verder kan.” - slachtoffer Projectleiders geven aan dat zij de opvolging meestal “vrij snel” beëindigen. Ze blijven niet betrokken tot het slachtoffer volledig hersteld is, maar zorgen vooral voor eerste opvang na het incident. Dat zien projectleiders als hun taak. Hoe projectleiders verder hun taak zien komt uitgebreider aan bod in paragraaf 4.3. Meestal eindigt de opvolging vanuit de gemeente na één of twee gesprekken. Veel projectleiders geven aan dat als het slachtoffer meer behoefte heeft, dat hier ruimte voor is. Maar de meeste slachtoffers hebben, volgens de projectleiders, voldoende aan één á twee gesprekken. In de woorden van de gespreksdeelnemers:

22

“Wij zijn snel ter plaatse om brandjes te blussen en opvolging te geven. Maar wij houden niet heel lang aan. Dan dient alweer het volgende incident zich aan en dan gaan we naar dat incident. [..] De nazorg vanuit de gemeente doen wij best snel. Dat duurt echt maar een paar dagen. Je probeert te koppelen maar daarna laat je het los.”- professional van de gemeente De andere redenen waarom de nazorg stopt is omdat de mogelijkheden of vaardigheden bij de specifieke organisatie zijn uitgeput. Voor Discriminatie.nl kan dat bijvoorbeeld zijn als er een proces is geweest bij het college van Rechten van de Mens of als een melder dingen vraagt die niet mogelijk zijn. Een ander vervolg is dat het slachtoffer wordt doorverwezen naar een andere organisatie. Voor de projectleiders Veiligheid is dat bijvoorbeeld Discriminatie.nl, de politie of Slachtofferhulp. Voor Slachtofferhulp gaat het dan vaak om specialistische hulp. “Soms zijn de middelen ook op en kan je alleen maar luisteren. Goed om contact te houden, maar soms kan je niks meer inzetten.” – professional van de gemeente Bij Slachtofferhulp duurt de nazorg gemiddeld twee tot acht weken. Binnen deze weken is er een stressreactie na het incident waarbij zij kunnen ondersteunen, zoals slaapproblemen, verminderde concentratie, sneller emotioneel worden.

Als deze reactie langer dan zes weken duurt, verwijzen ze door naar een externe partij. Ze hebben zelf dan niet meer de opleiding om hiermee om te gaan. Iemand vervolgt dan de opvolging bij een externe partij: “Dat kan wel echt lastig zijn, want aan het begin wil je heel veel voor iemand betekenen en op een gegeven moment moet je leren dat wat je voor iemand kan betekenen ook loslaten kan zijn, omdat er gewoon specialistische hulp nodig is. Dat maakt het in mijn hoofd wel makkelijker.” – professional van maatschappelijke organisatie Dat de opvolging is gestopt betekent niet dat het slachtoffer hersteld is van het incident. Veel van de partnerorganisaties zien herstel ook niet als doel van de opvolging, hoogstens als focuspunt. Soms kan de opvolging wel helpen in stappen zetten naar het herstel voor het slachtoffer. “Doordat je wel een situatie serieus neemt en iets voor iemand probeert te doen. Als dat succesvol afloopt heb je wel iemand die tevreden is over wat er is gebeurd. Dat helpt denk ik wel voor je herstel. Maar het herstel zelf is niet specifiek ons doel.” - professional van maatschappelijke organisatie “Dat herstel komt pas later. Eerst ben je bezig met wat je is overkomen. Je bent nog niet bezig met herstel. Dat is een heel complex proces wat soms een hele lange tijd vergt. Dat soms maanden of jaren nodig heeft.” - professional van de gemeente

23

3 Ervaringen bij de opvolging

In dit hoofdstuk bespreken we wat goed gaat en wat beter kan bij de opvolging van lhbtiqa+ gerelateerde incidenten. Daarbij kijken we naar het perspectief van zowel de slachtoffers als van de professionals. De volgende uitgangspunten uit het handelingskader worden hierin besproken: 2.

Het herstel, de nazorg en behoefte van het slachtoffer staan centraal en maatwerk wordt verleend.

4.

Voor elke vervolgstap wordt toestemming van het slachtoffer gevraagd.

3.1 Het belang van gehoord en gezien worden De verschillende partnerorganisaties benoemen dat de behoeftes van slachtoffers centraal staan in de opvolging. Een vaak genoemde behoefte die organisaties zien is dat slachtoffers hun verhaal willen doen. Soms gaat het slachtoffers er enkel om dat het incident geregistreerd wordt. In andere gevallen willen slachtoffers vooral ‘gehoord worden’. Door alle organisaties wordt genoemd dat het gevoel gehoord worden vaak goed gaat. “Dus het luisterend oor is ook echt een van de belangrijkste dingen in ons werk. Dat mensen zich gehoord voelen, dat mensen zich serieus genomen voelen en hopelijk kun je ze dan ook nog helpen.” - professional van maatschappelijke organisatie “Gelukkig voelen mensen zich steeds meer gehoord. Het gaat steeds beter. Die nazorg is dat je eigenlijk gaat onderzoeken wat de persoon nodig heeft om door die eerste tijd heen te komen. Als hij er veel over moet praten doen we dat. Als dat is dat ik bij diegene thuiskom en mensen meeneem waar diegene iets aan kan hebben, dan doen we dat. Het kan ook zijn dat iemand wil dat je niet op bezoek komt, maar iemand wil gewoon een uur lang huilend zijn verhaal doen, dan doen we dat. Alles wat diegene nodig heeft.” – professional van de gemeente Belangrijk daarin is het contact nadat er een melding is gemaakt. Dit kan door de wijkagent of door een agent van Roze in Blauw.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16619549/1