CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2024 DEF Rapportage MKBA Vroege start.pdf

Raadscommissie Sociaal, Economische zaken en Democratisering 4 december 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Raadsinformatiebrief Stand van zaken Vroege start aanpak statushouders (VN2024-016612)14.736 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

d.

Financiën: op het moment van huisvesting is nog niet veel verschil te zien, maar in de twee tot drie maanden na huisvesting wel. Dan komen schulden aan het licht, bijvoorbeeld als statushouders hebben gewerkt gedurende het verblijf in het azc maar geen afdracht naar het COA hebben gedaan. In dit geval maakt het uit dat de statushouder al een band opgebouwd heeft met de klantbegeleider. Daardoor is de drempel lager om hulp te vragen. Financiële problemen kunnen dan sneller worden verholpen voor de Vroege starter dan voor de nietVroege starter.

Naast een grotere zelfredzaamheid op het moment van huisvesting is ook het weg zijn uit het azc, het netwerken, het eerder klaar zijn met de inburgering goed voor de mentale gezondheid van de statushouders. Quote klantbegeleider: “Vroege starters kunnen zichzelf al beter verwoorden en hebben al een netwerk. Dit draagt heel erg bij aan of iemand zich goed voelt, kansen kan grijpen. Het maakt iemand stabieler. Het besef van: ‘wow, anders had ik nu vanaf nul moeten beginnen en nu ben ik al hier’ (op het moment van huisvesting).”

Als het gaat om ggz-problematiek zien de klantbegeleiders dat de meeste problematiek speelt rondom gezinshereniging en het wachten op een vaste woning. De hulpvraag komt eerder naar boven op het moment dat iemand een huis heeft, omdat ze dan meer tijd hebben om te ‘rusten’. Of na gezinshereniging, omdat ze daar zo naartoe hebben geleefd maar dan blijkt dat ze toch nog mentale problemen hebben. In de intakegesprekken benoemt de klantbegeleider de mogelijkheid om een traject te starten bij de GGD en kan hij of zij bij de verdere begeleiding vinger aan de pols houden. Quote klantbegeleider: “Over het algemeen zie ik dat mensen die geen Vroege start willen doen, ook niet naar de GGD willen. De Vroege starters zijn hier meer toe bereid. Beide hangt volgens mij samen met de bereidheid om hard te werken.”

19

Levensdomeinen zelfredzaamheidsmatrix: financiën, maatschappelijke participatie, opleiding en werk, geestelijke

gezondheid, lichamelijke gezondheid, digitale vaardigheden, sociaal netwerk, openbaar vervoer en gezondheidszorg.

21

5 Saldo van maatschappelijke kosten en baten voor Vroege start 5.1

Saldo maatschappelijke kosten en baten voor beleidsalternatieven

Op basis van de aannames uit het vorige hoofdstuk, hebben we voor een periode van tien jaar de kosten en baten berekend voor de Vroege start van cohort 2022. Gegeven deze aannames, blijkt uit de berekening dat voor alle drie de beleidsalternatieven het maatschappelijke saldo positief is ten opzichte van het nulalternatief van geen Vroege start, zelfs als we aan enkele effecten geen kwantitatieve waarde toekennen. Ook voor de gemeente Amsterdam zelf zijn in alle drie de beleidsalternatieven de besparingen op bijstand groter dan de kosten die de gemeente maakt voor de uitvoering van de Vroege start.

Tabel 5 toont het overzicht van kosten en baten voor beleidsalternatief 1, het beleidsalternatief dat zo dicht mogelijk de huidige situatie benadert. Effecten die we niet konden kwantificeren hebben we als een pro memorie (PM) opgenomen in het overzicht. In dit geval zijn alle niet-gekwantificeerde effecten naar verwachting positief (+PM).

Statushouders Effect op economie Toegevoegde waarde Winstbelasting Brutoloon (incl. sociale premies) Loonbelasting Waarde van vrije tijd Effect op sociale voorzieningen Bijstand Uitvoeringskosten bijstand Zorgkosten Zvw Effect op kwaliteit van leven (externe effecten) Gezondheid Welzijn Integratie/zelfredzaamheid Uitvoeringskosten inburgering Voeren intakegesprekken Reiskosten naar taalschool Overige inzet beleidsmedewerkers en klantbegeleiders Totaal Verhouding opbrengsten / kosten

€ 510k -€ 27k -€ 134k

Werkgevers

Gemeente Amsterdam

€ 548k -€ 10k -€ 510k

Rijksoverheid

Zorgverzekeraars

Totaal € 548k € 0k € 0k € 0k -€ 134k

€ 10k € 27k

-€ 291k

€ 291k € 74k

€ 0k € 74k +PM

+PM

€ 28k +PM +PM

€ 28k € 0k € 0k -€ 77k -€ 33k

-€ 77k -€ 33k

-€ 58k € 85k +PM

€ 28k

€ 196k

-€ 58k € 37k

+ PM

€ 347k +PM

2,2

3,1

Tabel 5. Overzicht kosten en baten van Vroege start in beleidsalternatief 1 (huidige situatie) De Vroege start leidt in dit beleidsalternatief tot een positief maatschappelijk saldo van € 0,35 mln. Dit positieve saldo komt met name door een verhoging van de toegevoegde waarde (circa € 0,55 mln.) en door een besparing op de uitvoeringskosten van de bijstand (€ 74 duizend). De kosten worden met name gemaakt door de gemeente Amsterdam, namelijk voor het voeren van intakegesprekken (-€ 77 duizend), de hogere reiskostenvergoeding naar de taalschool (€ 33 duizend) en de overige inzet van klantbegeleiders/beleidsmedewerkers (-€ 58 duizend). Daarnaast leveren ook statushouders vrije tijd in door sneller deel te nemen aan de arbeidsmarkt (gewaardeerd tegen -€ 0,13 mln.). Voor alle

22

stakeholders is het saldo van de Vroege start positief. De gemeente Amsterdam (€ 0,20 mln.) en statushouders zelf (€ 85 duizend) profiteren het meest van de Vroege start. Deelname aan de Vroege start levert iedere deelnemende statushouder circa € 1.300 op over een periode van tien jaar.20

De verhouding tussen opbrengsten en kosten voor de gemeente Amsterdam is in dit beleidsalternatief gelijk aan 2,2. Dit betekent dat voor elke euro die de gemeente Amsterdam inzet op de Vroege start, zij € 2,20 terugkrijgt in de vorm van besparingen op bijstandsuitkeringen en uitvoeringskosten bijstand. Iedere euro die de gemeente inzet op de Vroege start levert de samenleving als geheel zelfs € 3,10 op.

In het tweede beleidsalternatief doen we de aanname dat de wachttijd voor Vroege starters om deel te nemen aan de taalstart even lang is als voor niet-Vroege starters, namelijk zes maanden. (Zie sectie 3.1). Dit betekent een verdere ‘versnelling’ op het gebied van inburgering, werk en bijstand voor deelnemers aan de Vroege start. In beleidsalternatief 1 is deze wachttijd voor Vroege starters nog negen maanden. Met deze aanpassing zien we dat het maatschappelijk saldo toeneemt, van circa € 0,35 mln. in beleidsalternatief 1 naar € 0,45 mln. in beleidsalternatief 2 (zie tabel 6.). Ook voor alle individuele stakeholders neemt het saldo van de Vroege start toe ten opzichte van beleidsalternatief 1. Dit komt met name door een verdere stijging van de toegevoegde waarde (van € 0,55 mln. naar € 0,67 mln.) en een grotere besparing op uitvoeringskosten bijstand (van € 74 duizend naar € 90 duizend). Aan de kostenkant stijgt alleen de reiskostenvergoeding tussen alternatief 1 en 2 (van -€ 33 duizend naar -€ 49 duizend). Voor de gemeente Amsterdam is de verhouding tussen opbrengsten en kosten van de Vroege start in dit alternatief gelijk aan 2,4. Deelname aan de Vroege start levert iedere deelnemende statushouder ca. € 1.600 op (ten opzichte van ca. € 1.300 onder beleidsalternatief 1).

Statushouders Effect op economie Toegevoegde waarde Winstbelasting Brutoloon (incl. sociale premies) Loonbelasting Waarde van vrije tijd Effect op sociale voorzieningen Bijstand Uitvoeringskosten bijstand Zorgkosten Zvw Effect op kwaliteit van leven (externe effecten) Gezondheid Welzijn Integratie/zelfredzaamheid Uitvoeringskosten inburgering Voeren intakegesprekken Reiskosten naar taalschool Overige inzet beleidsmedewerkers en klantbegeleiders Totaal

€ 625k -€ 33k -€ 165k

Werkgevers

Gemeente Amsterdam

€ 671k -€ 12k -€ 625k

Rijksoverheid

Zorgverzekeraars

Totaal € 671k € 0k € 0k € 0k -€ 165k

€ 12k € 33k

-€ 356k

€ 356k € 90k

€ 0k € 90k + PM

+PM

€ 35k +PM +PM

€ 35k € 0k € 0k -€ 77k -€ 49k

-€ 77k -€ 49k

-€ 58k € 105k +PM

€ 35k

Verhouding opbrengsten / kosten

€ 261k

-€ 58k € 46k

+ PM

€ 447k +PM

2,4

3,4

Tabel 6. Overzicht kosten en baten van Vroege start in beleidsalternatief 2 (kortere wachttijd tot begin taalstart) Het derde beleidsalternatief wijkt het meest af van de huidige uitvoering van de Vroege start. In dit beleidsalternatief wordt de inburgeringstermijn van Vroege starters verlengd met het aantal maanden dat zij vanaf het azc al zijn begonnen met de leerroute. Hierdoor gaan we ervan uit dat veel meer statushouders deelnemen aan de Vroege start 20

Berekening: € 85 duizend / 67 Vroege staters = ca. € 1.300

23

(241 in plaats van 67). Tabel 7 toont de kosten en baten voor dit beleidsalternatief. Door het grote aantal deelnemers zien we een grote stijging van het maatschappelijk saldo ten opzichte van beleidsalternatief 1 (€ 1,2 mln. ten opzichte van € 0,35 mln.). Voor alle stakeholders is het positieve saldo in dit beleidsalternatief groter dan in beleidsalternatief 1 en 2. Voor de gemeente Amsterdam is de verhouding tussen opbrengsten en kosten gelijk aan 3,7 (ten opzichte van 2,2 bij beleidsalternatief 1). Voor de deelnemende statushouders levert deelname aan de Vroege start in dit beleidsalternatief duizend euro per persoon op. Dit is minder dan in beleidsalternatief 1 (ca. € 1.300). Dit komt doordat we ervan uitgaan dat statushouders deels gebruikmaken van de verlenging van de inburgeringstermijn en daarmee minder ‘versnelling’ hebben op het gebied van werk en bijstand. Tot slot zijn de niet-gekwantificeerde effecten (‘PM’) in dit beleidsalternatief naar verwachting groter dan in beleidsalternatieven 1 en 2 doordat er meer statushouders deelnemen aan de Vroege start. Dit vergroot de positieve effecten op welzijn, integratie en zelfredzaamheid.

Statushouders Effect op economie Toegevoegde waarde Winstbelasting Brutoloon (incl. sociale premies) Loonbelasting Waarde van vrije tijd Effect op sociale voorzieningen Bijstand Uitvoeringskosten bijstand Zorgkosten Zvw Effect op kwaliteit van leven (externe effecten) Gezondheid Welzijn Integratie/zelfredzaamheid Uitvoeringskosten inburgering Voeren intakegesprekken Reiskosten naar taalschool Overige inzet beleidsmedewerkers en klantbegeleiders

€ 1.423k -€ 76k -€ 373k

Gemeente Amsterdam

€ 1.529k -€ 28k -€ 1.423k

Rijksoverheid

Zorgverzekeraars

Totaal € 1.529k € 0k € 0k € 0k -€ 373k

€ 28k € 76k

-€ 814k

€ 814k € 206k

€ 0k € 206k + PM

+PM

€ 81k +PM +PM

€ 240k +PM

Totaal

Werkgevers

Verhouding opbrengsten / kosten

€ 81k € 0k € 0k

€ 79k

-€ 77k -€ 137k

-€ 77k -€ 137k

-€ 58k

-€ 58k € 1.171k + PM

€ 748k

€ 104k

+PM

3,7

5,3

Tabel 7. Overzicht kosten en baten van Vroege start in beleidsalternatief 3 (wegnemen drempel inburgeringstermijn voor Vroege starters)

5.2

Gevoeligheidsanalyses

Een MKBA leunt deels op aannames, zoals de mate waarin de Vroege start een versnelling teweeg brengt op het gebied van werk en bijstand. Sommige van deze aannames kunnen veel invloed hebben op het uiteindelijke saldo. Daarom is het inzichtelijk om in kaart te brengen wat er gebeurt wanneer de meest invloedrijke aannames veranderen.

De meest invloedrijke aanname in deze MKBA is dat als statushouders eerder beginnen met de inburgering, zij ook eerder werk zullen vinden en de bijstand (deels) zullen uitstromen. Dit lijkt een aannemelijke aanname maar de vraag is tot hoeveel versnelling een vroege start van de inburgering leidt.21 In de bovenstaande analyse zijn we uitgegaan van de aanname dat één maand eerder beginnen met de inburgering leidt tot 0,75 maand versnelling op het gebied van werk en bijstand. In tabel 10 is het saldo per stakeholder weergegeven voor verschillende waarden van deze ‘factor

21

In de toekomst kan wellicht met een effectmeting worden onderzocht in welke mate de Vroege start leidt tot een

hogere arbeidsparticipatie van statushouders.

24

versnelling werk/bijstand’. Hier zien we dat de aanname die we doen over de versnelling op het gebied van werk en bijstand een grote invloed heeft op het saldo van de kosten-batenanalyse. Toch is zelfs voor een ‘factor versnelling = 0,5’ het saldo van de kosten-batenanalyse voor alle stakeholders positief. Echter, het saldo bij ‘factor versnelling = 0,5’ is een stuk lager dan het saldo bij ‘factor versnelling = 1’.

Factor versnelling werk / bijstand 1 0,75 (basis) 0,5

Saldo Statushouders € 110k +PM € 85k +PM € 61k +PM

Saldo Werkgevers € 38k € 28k € 19k

Saldo Gemeente Amsterdam € 318k € 196k € 74k

Saldo Rijksoverheid € 50k € 37k € 25k

Saldo Zorgverzekeraars +PM + PM + PM

Saldo hele maatschappij € 515k +PM € 347k +PM € 179k +PM

Verhouding opbrengst / kosten gemeente 2,9 2,2 1,4

2

1 0,75 (basis) 0,5

€ 138k +PM € 105k +PM € 73k +PM

€ 31k € 35k € 22k

€ 422k € 261k € 99k

€ 79k € 46k € 29k

+ PM + PM + PM

€ 670k +PM € 447k +PM € 223k +PM

4,6 3,4 2,2

3

1 0,75 (basis) 0,5

€ 327k +PM € 240k +PM € 183k +PM

€ 114k € 79k € 56k

€ 1.185k € 748k € 455k

€ 149k € 104k € 74k

+ PM + PM + PM

€ 1.775k +PM € 1.171k +PM € 768k +PM

7,5 5,3 3,8

Beleidsalternatief 1

Tabel 8. Gevoeligheidsanalyse voor de aanname dat één maand eerder starten met de inburgering leidt tot X maanden versnelling op het gebied van werk en bijstand Een andere belangrijke aanname is de periode tussen vergunningverlening en begin taalstart onder het nulalternatief van geen Vroege start. Deze aanname bepaalt namelijk in welke mate er voor Vroege starters versnelling plaatsvindt van de inburgering. Daarnaast is dit een interessante aanname om te onderzoeken omdat deze periode niet vaststaat maar in de toekomst wellicht kan veranderen, bijvoorbeeld door snellere of langzamere huisvesting en een grotere of kleinere capaciteit van klantbegeleiders.

In de analyse zijn we uitgegaan van 21 maanden tussen vergunningverlening en begin taalstart onder het nulalternatief. Echter, wij vermoeden dat deze periode langer is voor cohort 2022 omdat 45% van de niet-Vroege starters uit cohort 2022 in juni 2024 nog niet is aangemeld voor een leerroute (zie tabel 1). Ook hierbij zien we dat deze aanname grote invloed heeft op de uitkomsten van de kosten-batenanalyse maar dat voor alle stakeholders het saldo in alle drie de scenario’s positief is. Wellicht valt het op dat de saldi in tabel 8 en tabel 9 bijna gelijk zijn aan elkaar. Dit komt doordat beide gevoeligheidsanalyses vrijwel hetzelfde berekenen, namelijk het saldo van de kosten-batenanalyse bij verschillende maten van ‘versnelling’ ten opzichte van geen Vroege start. Maanden vergunning – taalstart (nulalternatief) 25 21 (basis) 17

Saldo Statushouders € 113k +PM € 85k +PM € 58k +PM

Saldo Werkgevers € 38k € 28k € 19k

Saldo Gemeente Amsterdam € 314k € 196k € 76k

Saldo Rijksoverheid € 49k € 37k € 25k

Verhouding Saldo opbrengst / ZorgSaldo hele kosten verzekeraars maatschappij gemeente + PM € 514k +PM 2,9 + PM € 347k +PM 2,2 + PM € 178k +PM 1,5

Tabel 9. Gevoeligheidsanalyse voor aantal maanden tussen vergunningverlening en begin taalstart onder het nulalternatief voor beleidsalternatief 1

5.3

Conclusie

Gegeven de aannames die we maken in de maatschappelijke kosten-batenanalyse, volgt dat de Vroege start van de inburgering in de Amsterdamse context de samenleving als geheel én de gemeente Amsterdam meer oplevert dan dat het kost. De belangrijkste aanname die we hierbij maken is dat eerder beginnen met de inburgering ervoor zorgt dat statushouders ook eerder gaan werken en de bijstand uitstromen.

25

Wij schatten dat het uitvoeren van de Vroege start, zoals de gemeente Amsterdam dit heeft gedaan voor cohort 2022, totale maatschappelijke baten oplevert tussen € 0,18 mln. en € 0,52 mln., gemeten over een periode van tien jaar. Dit is gelijk aan ca. € 2.700 tot € 7.700 per deelnemende statushouder. Deze onzekerheidsmarge hanteren we omdat nog onbekend is in welke mate de Vroege start leidt tot een versnelling op het gebied van werk en bijstand. Deze maatschappelijke baten zijn ook te verwachten voor volgende cohorten, als de gemeente Amsterdam doorgaat met de Vroege start in de huidige vorm en als de wachttijd tot huisvesting ca. vijftien maanden blijft. Voor de gemeente Amsterdam ligt de verhouding tussen opbrengsten en kosten tussen 1,4 en 2,9. Met andere woorden, elke euro die de gemeente heeft ingezet op de Vroege start voor cohort 2022, levert (in de toekomst) een besparing op bijstandsuitkeringen en uitvoeringskosten op van € 1,40 tot € 2,90. Daarnaast zijn er ook niet-gekwantificeerde baten, zoals het feit dat statushouders al een groter netwerk hebben op het moment dat zij een huis toegewezen krijgen in Amsterdam en de vroegsignalering van schulden doordat klantbegeleiders en statushouders al een vertrouwensband hebben opgebouwd.

Gegeven dat statushouders aan de gemeente zijn gekoppeld, heeft het dus maatschappelijk én financieel gezien nut om hen te helpen snel in te burgeren.

Verder laten we zien dat een andere vormgeving van de Vroege start potentieel tot nog grotere maatschappelijke baten kan leiden. Het gaat hierbij om het eerder laten beginnen van Vroege starters met de taalstart (maatschappelijke baten € 0,22 mln. tot € 0,67 mln.) en het verlengen van de inburgeringstermijn met het aantal maanden dat een statushouder vanaf het azc al is begonnen met de leerroute (€ 0,77 mln. tot € 1,8 mln.). Dit laatste scenario is met name zo positief omdat het een drempel wegneemt voor statushouders om vanuit het azc al te beginnen met de leerroute. Echter, dit beleidsalternatief is nu nog niet mogelijk omdat het vraagt om een wijziging van de Wi2021. In de uitvoeringsbrief inburgering van juni 2024 geeft de minister aan dat ze werkt aan een voorstel hiervoor.

26

A. Toelichting aannames A.1

Toelichting aannames voor aandeel statushouders met werk en bijstand Tabel 3 geeft de aannames over het aandeel statushouder dat werkzaam is of bijstand ontvangt zoals we gebruiken in deze MKBA. In deze bijlage lichten we toe hoe we tot de percentages zijn gekomen. We lichten eerst toe hoe we tot percentages voor werkzaam en bijstand komen. Daarna splitsen we het aandeel werkenden statushouders uit naar fulltime en parttime werkenden. Voor het doen van deze aannames hebben we gebruikgemaakt van het Dashboard cohortstudie asiel van het CBS. 22 Hier is onder andere informatie te vinden over het aandeel werkzame statushouders per cohort (gebaseerd op het jaar van vergunningverlening). Zie als voorbeeld figuur 6.

Figuur 6. Voorbeeld van beschikbare data in CBS-dashboard cohortstudie asiel. In dit figuur zien we voor het cohort dat in 2014 een verblijfsvergunning heeft gekregen, het percentage werkzame statushouders na verloop van tijd

Deze cijfers zijn niet direct toepasbaar voor deze MKBA. Om deze cijfers te kunnen gebruiken zijn er twee uitdagingen: 1.

De CBS-cijfers geven het percentage werkzaam/bijstand een aantal maanden na vergunningverlening. Voor de MKBA willen we graag het percentage werkzaam/bijstand gebruiken per ‘fase’ van de inburgering (zoals ‘gedurende verblijf azc’ en ‘gedurende inburgering’, zie ook tabel 3). Deze data ‘per fase’ is echter niet beschikbaar.

2.

De cijfers voor recentere cohorten (cohort 2021) wijken af van de cijfers voor oudere cohorten (cohort 2014), maar voor cohort 2021 is slechts data beschikbaar tot zes maanden na vergunningverlening.

Hieronder beschrijven we in twee stappen hoe we omgaan met deze uitdagingen. Voor het doen van de aannames gaan we in eerste instantie uit van de cijfers voor cohort 2014. Daarna doen we een correctie om de cijfers voor cohort 2014 representatief te maken voor cohort 2022.

22

Bron: https://dashboards.cbs.nl/v4/asielenintegratie/

27

A.1.1

Oplossing voor uitdaging 1: cijfers van cohort 2014 omzetten naar ‘fases’ van inburgering

Als oplossing voor het eerste punt hebben we een inschatting moeten maken van wanneer statushouders uit cohort 2014 gemiddeld genomen begonnen aan de inburgering en wanneer ze deze afrondden. Hiervoor hebben we de vertaaltabel uit tabel 10 gebruikt. Belangrijk om hierbij te vermelden is dat deze vertaaltabel gaat over gemiddeldes en geldt voor cohort 2014. Deze wachttijden voor start inburgering gelden niet voor gemeente Amsterdam in 2022. Hier houden we rekening mee bij het berekenen van het nulalternatief en de beleidsalternatieven. Fase van inburgeringsproces

Periode in CBS Dashboard asiel

Voorafgaand aan inburgering Start inburgering

Drie maanden na vergunningverlening Zes maanden na vergunningverlening

Tabel 10. Vertaaltabel van aantal maanden na vergunningverlening na fase van inburgeringsproces voor cohort 2014 De percentages voor werk en bijstand voor cohort 2014 zijn zoals weergegeven in tabel 11 (3e en 4e kolom). Op twee punten valt op dat de vertaling van aantal maanden na vergunningverlening naar ‘fase van de inburgering’ niet ‘perfect’ te maken is: a.

Het aandeel statushouders dat bijstand ontvangt is pas maximaal (90%) 18 maanden na vergunningverlening. Dit komt waarschijnlijk doordat daarvoor een deel van de statushouders nog in het azc verblijft;

b.

Het aandeel statushouders dat bijstand ontvangt tijdens het verblijf in het azc zou gelijk moeten zijn aan 0.

Daarom doen we een correctie om het aandeel statushouders dat bijstand ontvangt beter aan te laten sluiten op de ‘fase’ van de inburgering. Zie de onderstreepte waarden in de laatste kolom van tabel 11. Fase van de inburgering

% werkzaam cohort 2014

Voorafgaand aan inburgering

Maanden na vergunningverlening 3

1%

% ontvangt bijstand cohort 2014 21%

% ontvangt bijstand correctie

start inburgering

6

1%

56%

0% (verblijf azc) / 90% (na huisvesting) 90%

0,5 jaar na start inburgering

12

3%

85%

90%

1 jaar na start inburgering

18

4%

90%

90%

1,5 jaar na start inburgering

24

7%

88%

88%

2 jaar na start inburgering

30

11%

84%

84%

2,5 jaar na start inburgering

36

19%

76%

76%

3 jaar na start inburgering

42

26%

67%

67%

3,5 jaar na start inburgering

48

35%

58%

58%

4,5 jaar na start inburgering

60

45%

46%

46%

5,5 jaar na start inburgering

72

46%

43%

43%

6,5 jaar na start inburgering

84

49%

38%

38%

Tabel 11. Vertaling van CBS-gegevens over % werkzaam en % bijstand X maanden na vergunningverlening, naar ‘fases’ van de inburgering

A.1.2

Oplossing voor uitdaging 2: cijfers van cohort 2014 representatief maken voor cohort 2022

Verder zien we dat het percentage werkzame statushouders na bijvoorbeeld zes maanden toeneemt over de cohorten (uitdaging 2). Voor cohort 2014 was dit nog 1% en voor cohort 2021 is dit al 8%. Wij hebben deze gegevens van cohort 2014 en cohort 2021 gecombineerd om te komen tot een beste schatting van het percentage statushouders dat werkzaam is, het percentage statushouders dat een bijstandsuitkering ontvangt en de deeltijdfactor voor cohort 2022. Deze ‘beste schattingen’ gebruiken we in de MKBA. De correcties die we doen om tot deze beste schattingen te komen lichten we hieronder toe. tabel 12 toont de correcties die we doen voor het aandeel werkzame statushouders. Hierbij verhogen we het aandeel werkzame statushouders ten opzichte van cohort 2014.

28

Aantal maanden na vergunningverlening

% werkzaam cohort 2014

% werkzaam cohort 2021

Toelichting berekening beste schatting

6%

Beste schatting % werkzaam cohort 2022 6%

3

1%

6

1%

8%

8%

12

Waarde cohort 2021

3%

10%

18

4%

11%

24

7%

14%

8% + stijging van 2 %-punt (gebaseerd op cohort 2014) 10% + stijging van 1 %-punt (gebaseerd op cohort 2014) Etc.

30

11%

18%

36

19%

26%

42

26%

33%

48

35%

42%

60

45%

52%

72

46%

53%

84

49%

56%

Tabel 12.

Waarde cohort 2021

Methode om te komen tot ‘Beste schatting % werkzaam cohort 2022’ op basis van de gegevens van cohort 2014 en cohort 2021

Om tot een beste schatting van het aandeel werkende statushouders van cohort 2022 te komen, hebben we de aantallen voor cohort 2014 verhoogd. Dit betekent dat we het aandeel statushouders dat een bijstandsuitkering ontvangt moeten verlagen. Voorbeeldberekening: in tabel 12 hebben we het % werkzaam zes maanden na vergunningverlening met 7% verhoogd. Dit betekent dat we het % bijstand met 7% verlagen. Dit is weergegeven in tabel 13. Aantal maanden na vergunningverlening

Beste schatting % bijstand cohort 2022

Toelichting berekening beste schatting

3

% bijstand correctie cohort 2014 (zie tabel 11) 0%

0%

Waarde ‘correctie cohort 2014’

6

90%

83%

12

90%

83%

Waarde ‘correctie cohort 2014’ minus 7%-punt (8%-1%) Etc.

18

90%

83%

24

88%

81%

30

84%

77%

36

76%

69%

42

67%

60%

48

58%

51%

60

46%

39%

72

43%

36%

84

38%

31%

Tabel 13.

Methode om te komen tot ‘Beste schatting % bijstand cohort 2022’ op basis van de gegevens van cohort 2014 en cohort 2021

A.1.3

Onderscheid tussen parttime en fulltime werkenden

Verder maken we in deze MKBA onderscheid tussen statushouders die fulltime werken en statushouders die parttime werken. (Zie tabel 3.) Deze verdeling hebben wij ook gebaseerd op het Dashboard cohortstudie asiel van het CBS. Het dashboard bevat een grafiek voor het aantal statushouders met een contract van 0-0,25 fte, 0,25-0,5 fte et cetera. Hierbij categoriseren wij werkenden met een contract van minimaal 0,75 fte als fulltime werkenden. De overige werkenden categoriseren wij als parttimers. Voor de groep parttime werkenden komen wij op een gemiddeld dienstverband van circa 0,35 fte.

29

Om te komen tot de verdeling tussen parttime en fulltime in tabel 3 hebben we de waarden van cohort 2019 gebruikt. Deze data was echter alleen maar beschikbaar tot en met 54 maanden na vergunningverlening. Daarom hebben we voor de overige maanden de waarden geëxtrapoleerd op basis van de data van cohort 2014. Dit hebben we op een vergelijkbare wijze gedaan als voor de ‘Beste schatting % werkzaam cohort 2022’. (Zie tabel 12.)

A.1.4

Toetsen representativiteit CBS-gegevens voor Amsterdamse context

De cijfers van CBS zijn alleen op landelijk niveau beschikbaar. We hebben getoetst in welke mate deze representatief zijn voor statushouders in gemeente Amsterdam. Hiervoor hebben we de CBS-cijfers voor werk en bijstand vergeleken met gegevens uit de Vluchtelingenmonitor 2022 van de gemeente Amsterdam. De cijfers uit de Vluchtelingenmonitor zijn anders opgebouwd dan die van het CBS. In de CBS cijfers wordt een cohort voor meerdere jaren gevolgd. De Vluchtelingenmonitor geeft per instroomjaar het percentage werkzame statushouders op peildatum 1 juli 2021. De tabel hieronder vergelijkt de cijfers van het CBS (landelijk) en van de Vluchtelingenmonitor (gemeente Amsterdam) voor het percentage werkzame statushouders. Aantal maanden na vergunningverlening

% werkzaam cohort 2014 (CBS)

3

1%

Beste schatting % werkzaam cohort 2022 6%

% werkzaam Amsterdam (Vluchtelingenmonitor) 4%

Cohort waarop % werkzaam Amsterdamse statushouders op is gebaseerd

6

1%

8%

12

3%

10%

18

4%

11%

9%

2020

24

7%

14%

30

11%

18%

15%

2019

36

19%

26%

42

26%

33%

26%

2018

48

35%

60

45%

42%

31%

2017

52%

43%

72

2016

46%

53%

42%

84

2015

49%

56%

44%

2014

2021

Tabel 14. Vergelijking van cijfers over percentage werkzame statushouders van CBS en de Vluchtelingenmonitor 2022 Als we de kolom ‘Beste schatting’ en ‘% werkzaam Amsterdam’ vergelijken, dan zien we dat deze goed overeenkomen tot en met 36 maanden na vergunningverlening. Vanaf 48 maanden na vergunningverlening wijken de getallen meer af. Daarnaast zien we dat de aantallen ‘% werkzaam cohort 2014’ en ‘% werkzaam Amsterdam’ goed overeenkomen vanaf 48 maanden na vergunningverlening. Dit is in lijn met wat we zouden verwachten. De aantallen voor Amsterdam vanaf 48 maanden zijn namelijk gebaseerd op ‘oudere’ cohorten van statushouders (cohort 2017 en ouder). Eerder zagen we al dat oudere cohorten minder werken dan ‘nieuwere’ cohorten. Om die reden hebben we de ‘Beste schatting % werkzaam cohort 2022’ ook opgehoogd ten opzichte van cohort 2014 (zie tabel 12).

In tabel 15 maken we dezelfde vergelijking voor het percentage statushouders dat bijstand ontvangt. Hierbij zien we een vergelijkbaar patroon, namelijk tot en met 36 maanden na vergunningverlening komen de cijfers van de Vluchtelingenmonitor overeen met de ‘Beste schatting’ en vanaf 48 maanden na vergunningverlening komen ze overeen met cohort 2014. Deze analyse geeft ons vertrouwen dat de CBS-cijfers over geheel Nederland ook representatief zijn voor Amsterdamse statushouders.

30

Aantal maanden na vergunningverlening

% bijstand cohort 2014 (CBS)

3

21%

Beste schatting % bijstand cohort 2022 0%

% bijstand Amsterdam (Vluchtelingenmonitor)

Cohort waarop % bijstand Amsterdamse statushouders is gebaseerd

6

56%

83%

12

85%

83%

18

90%

83%

83%

2020

24

88%

81%

30

84%

77%

81%

2019

36

76%

69%

42

67%

60%

69%

2018

48

58%

60

46%

51%

62%

2017

39%

49%

72

2016

43%

36%

47%

84

2015

38%

31%

40%

2014

Tabel 15. Vergelijking van cijfers over percentage statushouders dat bijstand ontvangt van CBS en de Vluchtelingenmonitor 2022

A.2

Toelichting literatuurstudie effect van Vroege start op de ervaren gezondheid en de kwaliteit van leven van statushouders Voor het bepalen van het effect van de vroege Start op de ervaren gezondheid of de kwaliteit van leven van statushouders hebben we ons gebaseerd op de internationale literatuur. Hiervoor hebben we gezocht naar reviewartikelen die kwantitatief onderzoeken welke factoren - zoals integratie, taalvaardigheid en werk - invloed hebben op de kwaliteit van leven of de ervaren gezondheid van statushouders. Wij hebben twee relevante reviewartikelen gevonden, namelijk: a.

The relationship between employment and health for people from refugee and asylum-seeking backgrounds: A systematic review of quantitative studies. Huyen Lai, Clemence Due, Anna Ziersch (2022);

b.

Systematic review of factors associated with quality of life of asylum seekers and refugees in high-income countries. Catharina F. van der Boor , Rebekah Amos, Sarah Nevitt , Christopher Dowrick and Ross G. White (2020).

Niet alle artikelen besproken in de reviews zijn relevant voor deze MKBA. We hebben alleen artikelen geselecteerd die voldoen aan de volgende criteria: a.

In de studie worden dezelfde statushouders over langere periode gevolgd (longitudinaal onderzoek) en de studie onderzoekt wat een verandering in werk/taalniveau doet met de kwaliteit van leven van statushouders;

b.

De onderzochte groep moet representatief zijn voor Amsterdamse statushouders. Bijvoorbeeld studies die specifiek gemartelde vluchtelingen onderzoeken, nemen we niet mee.

c.

De studie onderzoekt het effect van integratie/taalvaardigheid/werk op de kwaliteit van leven of de ervaren gezondheid. Er zijn ook studies die specifiek de relatie tussen werk en bijvoorbeeld PTSS-klachten onderzoeken. Deze nemen we niet mee.

Dit leidt tot een bruikbaar onderzoek namelijk het onderzoek van Ambrosetti et al. Hier hebben wij de effecten beschreven in sectie 4.2.2 op gebaseerd.23

A.3

Toelichting overige aannames Hieronder lichten we enkele aannames uit tabel 4 verder toe.

23

The impact of pre- and postarrival mechanisms on self-rated health and life satisfaction among refugees in Germany.

Ambrosetti, E., Dietrich, H., Kosyakova, Y., & Patzina, A. (2021).

31

a

We gaan uit van werkgeverslasten van 23,5% van het brutoloon. Dit is lager dan gemiddeld, de Werkwijzer MKBA

sociaal domein raadt een percentage van 30,9% aan, maar aannemelijk voor werk op minimumloonniveau. b

De toegevoegde waarde van de productie van statushouders bestaat uit twee componenten: het brutoloon van

statushouders inclusief de werkgeverslasten en de overwinst op de productie. De overwinst berekenen we door een vast percentage (in dit geval 7,5%) te nemen over het brutoloon + werkgeverslasten. c

Als mensen meer gaan werken betekent dit dat zij vrije tijd moeten inleveren. Wat zij doen in deze vrije tijd heeft ook

waarde voor mensen. Daarom moet de waarde van vrije tijd ook meegewogen worden in een MKBA. We weten dat de waarde van vrije tijd in ieder geval kleiner is dan de extra inkomsten die mensen ontvangen door meer te gaan werken. Als ze hun vrije tijd meer waard vonden zouden ze er niet voor kiezen om (meer) te gaan werken. Bij deze extra inkomsten hoort het nettoloon maar ook bijvoorbeeld pensioenopbouw, verzekering tegen ontslag en arbeidsongeschiktheid en het opbouwen van werkervaring. De werkwijzer MKBA sociaal domein geeft als richtlijn om de waarde van vrije tijd te berekenen als 70% van (nettoloon + sociale premies – uitkering). De werkwijzer raadt aan een waarde van 70% te gebruiken voor mensen die de arbeidsmarkt betreden. d

We gaan uit van een bijstandsuitkering per persoon van € 914 per maand. Uit het dashboard Statistiek Wet

inburgering van het CBS blijkt dat 43% van de statushouders uit cohort 2022 alleenstaand is.24 De overige 57% is getrouwd of samenwonend. De bijstandsuitkeringen voor 2022 bedragen € 1.092 voor alleenstaanden en € 1.560 voor samenwonenden. Het gemiddelde bedrag per persoon is dan gelijk aan (0,43*1.092 + 0,57*1.560/2). We maken hier gebruik van de gemiddelde bijstandsuitkering per persoon in plaats van per huishouden omdat de percentages voor bijstandsgerechtigden die we gebruiken in deze MKBA ook per persoon zijn (zie tabel 3). e

Voor de uitvoeringskosten van de bijstand baseren wij ons op de MKBA Loonkostensubsidie (Berenschot, 2024).

Berenschot hanteert een bedrag van € 4.034 per jaar (€ 336 per maand) voor een volledige bijstandsuitkering en de helft hiervan voor een aanvullende bijstandsuitkering. Deze bedragen zijn per huishouden. Vergelijkbaar aan de berekening bij het bovenstaande punt rekenen we dit om naar de kosten per persoon. Voor een volledige bijstandsuitkering zijn de uitvoeringskosten dan gelijk aan € 240 per maand per persoon. f

In de periode dat een statushouder vanaf het azc deelneemt aan de taalstart of leerroute krijgt hij alle reiskosten

vergoed van de gemeente Amsterdam. We hebben een benadering gemaakt van deze reiskosten waarbij we uitgaan van de aannames dat 25% van de Vroege starters in een azc in de regio Amsterdam verblijft (hiervoor hebben we de reiskosten vanuit azc Velsen gebruikt) en 75% in de stad Amsterdam (hiervoor hebben we de reiskosten vanaf de noodopvang de Galaxy gebruikt). Verder maken we de aanname dat 50% de onderwijsroute volgt en 50% de B1-route. g

We maken de aanname dat er met alle statushouders die verbleven in een azc in regio Amsterdam (771

statushouders) een intakegesprek voor de Vroege start is gevoerd. Dit is in de praktijk waarschijnlijk niet zo. We maken deze aanname omdat het een bovengrens geeft aan de kosten. h

De maandelijkse extra inzet van de twee klantbegeleiders op noodopvang de Galaxy voor de Vroege start is gelijk aan

acht uur (vier uur handmatig actualiseren overzicht statushouders + twee x één uur overleg + twee uur overig). We maken de aanname dat voor de overige azc’s in regio Amsterdam deze inzet gelijk is aan twee maal acht uur. In totaal dus 24 uur per maand. Beleidsmedewerkers schatten in dat zij ca. 40 uur per maand bezig zijn met de Vroege start. Hieronder vallen onder andere implementatie van de Vroege start, contact met de uitvoering, overleggen met het ministerie, de VNG of het COA, het informeren van de wethouder en het beantwoorden van raadsvragen.

We rekenen de kosten van de extra inzet van klantbegeleiders en beleidsmedewerkers maar voor een jaar mee. De kosten in het volgende jaar kunnen dan toegeschreven worden aan het volgende cohort. 24

Bron: https://dashboards.cbs.nl/v5/statistiek_wet_inburgering

32

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14847257/1