CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Voortgangsrapportage Uitvoeringsagenda Circulaire Economie 2023-2026.pdf

Raadscommissie Duurzaamheid en Circulaire economie 5 februari 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bespreken van de raadsinformatiebrief over de voortgang van de Uitvoeringsagenda Circulaire Economie 2023-2026 en de bijbehorende publicatie (VN2026-000311)25.277 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Daarmee kunnen ze een waardevolle aanvulling worden op de centrale inzameling van gfe/t door de gemeente, die met name bij de hoogbouw moeilijk te realiseren is. Naast de al eerder genoemde juridische steun is er een regeling opgezet waardoor de initiatieven de komende twee jaar financieel vooruit kunnen en wordt er gewerkt aan een financiële regeling voor de periode daarna, om zo meerjarenperspectief te bieden. Het mogelijk maken van lokale biovergisters blijkt (juridisch, financieel, organisatorisch) zeer complex waardoor er nog vrijwel geen kleine biovergisters actief zijn. Het samenwerkings­project voor een biovergister op het Marineterrein ondervindt aanzienlijke vertraging: de vergunningsprocedure loopt inmiddels bijna een jaar en de kosten lopen hierdoor op. Het doel is het organiseren van een lokale kringloop: de biovergister wordt gevoed met swill (organisch keukenafval) uit de restaurants op het terrein, waarbij het geproduceerde biogas wordt ingezet voor verwarming en koken.

Naast de horeca is het Amsterdam Institute for Metropolitan Studies betrokken als onderzoeker naar het gebruik van het digestaat als meststof (V4), en het Amsterdamse vertical-farmingbedrijf Growy om dit vervolgens te testen op hun gewassen.

Ongeveer 13 procent van de Amsterdammers heeft nu een gemeentelijke gft-voorziening in de buurt. De overige 87 procent doet het gft bij het restafval, óf ze leveren het gfe/t in bij de kleinschalige initiatieven in hun buurt óf ze composteren individueel.

Veel thema’s bevinden zich duidelijk nog aan de voorkant van de transitie. Er wordt geëxperimenteerd met bewustwordingstrajecten en met kleinschalige pilots. Een voorbeeld hiervan is de steun aan Broodje Poep, die een zogeheten Feelgutbar ontwikkeld hebben, een reep die de stoelgang stimuleert en gemaakt is van ingrediënten geteeld op met humanure bemeste grond. Andere voorbeelden zijn steun aan de Green Deal Circulaire Waterketens, waarbij een meststof en schoon water gemaakt worden van urine ingezameld bij evenementen. Het is een eerste stap richting meer bewustwording over de voedselkringloop.

Lessen & Aanbevelingen Voedsel en Organische reststromen

Bij de voorzieningen in de woningbouw (zoals voedselrestenvermalers en vacuümtoiletten) blijkt dat de technologie nog niet voldoende is uitontwikkeld. De uitvoering blijft daarom vooralsnog beperkt tot een proefopstelling met voedselrestenvermalers op het Marineterrein. Hier geldt dat ambities vaak voorlopen op de realiteit. Communicatie is belangrijk bij het aanjagen van nieuw gedrag en een circulaire bedrijfsvoering. Bij Waternet, in het kader van de Circulaire Watercyclus (V3), hing draagvlak en deelname af van de mate waarin medewerkers worden opgeleid en begeleid. Ook bij de centrale inzameling van gfe/t door de gemeente, een wettelijke taak, is participatie van belang evenals het geven van adviezen. De gemeente faciliteert het gfe/t scheiden in de keuken door gratis keukenbakjes aan te bieden, samen met heldere instructies over wat wel/niet gfe/t afval is, aangevuld met praktische tips om stank en overlast van vliegjes te voorkomen. Dit gebeurt nu in verschillende buurten, met name bij laagbouw. De gfe/t gaat naar een vergister, waardoor het mogelijk is ook etensresten in te zamelen. Na vergisting, waarbij biogas en CO₂ worden afgevangen, wordt het restmateriaal verwerkt tot keurcompost. Het blijft echter een uitdaging: slechts 11 procent van het beschikbare keukenafval wordt door hoogbouwbewoners in de gft verzamelcontainer gedaan. Bij laagbouw is dat 30 procent.

Lessen ƒ Publiek-private samenwerkingen maken het verschil. Het convenant duurzame catering en de bijbehorende community of practice laten zien dat gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen kan leiden tot daadwerkelijke vermindering van verspilling en dat door samenwerking verspilling veel serieuzer genomen wordt. ƒ Grootste volume voedselverspilling blijft onveranderd. Bij voedselverwerkende bedrijven in de haven is het grootste volume voedselverspilling te vinden. Concrete doelstellingen en maatregelen ontbreken hier grotendeels. Zonder publiek-private afspraken en actie is hier weinig voortgang te verwachten. ƒ Er is juridische ruimte in pilots en handhaving, maar modernisering van regelgeving is ook nodig. Het in kaart brengen van juridische mogelijkheden, bijvoorbeeld via Circulaw, blijkt een krachtige manier om nieuwe handelingsruimte te creëren. Wettelijke beperkingen blijven opschaling remmen, terwijl onderzoek aantoont dat modernisering van regelgeving en het structureel mogelijk maken van decentrale experimenten meer kansen kunnen bieden. ƒ Gedragsverandering en communicatie. Effectieve communicatie en gedragsinterventies zijn cruciaal om verspilling te verminderen. Huishoudens reageren vooral bij veranderingen in routines, zoals een verhuizing of de invoering van afvalscheiding.

Daarnaast speelt de voedselomgeving, zoals verpakkingsgroottes, winkelindeling en horeca-aanbod, een grote rol in het sturen van gedrag. ƒ Maatschappelijke waarde en rol van sociale voedselinitiatieven. Sociale voedselinitiatieven versterken solidariteit, bedienen slecht bereikbare doelgroepen en vergroten bewustwording over voedselverspilling. Hun effect op de totale hoeveelheid verspild voedsel is klein, maar hun betekenis voor lokale gemeenschappen groot. De kracht van deze initiatieven ligt in hun eigen organisatie­

22

Voortgang, lessen en aanbevelingen per programmaonderdeel | Uitvoeringsagenda Circulaire Economie 2023–2026

ƒ

ƒ

ƒ

ƒ

vermogen en informele netwerken. Centralisatie zou dwars staan op deze sociale structuur en cohesie kunnen verminderen. Kleinschalige lokale compost-initiatieven vergroten sociale cohesie, bewustwording en bevorderen lokaal hoogwaardig hergebruik van reststromen organisch materiaal. Circa tien initiatieven, georganiseerd in het netwerk Buurtcompost, hebben afgelopen jaren meer dan 250 buurtcompostlocaties gerealiseerd. Deze initiatieven, die ondersteunen in het opzetten en beheer van wormenhotels of de compostcontainers van Afval naar Oogst, leveren maatschappelijke waarde, maar hebben behoefte aan juridische ondersteuning en financiering. Juridisch kader voor kleinschalige compostinitiatieven ontbreekt. Volgens de huidige wetgeving moeten kleinschalige compost­ initiatieven voldoen aan dezelfde regelgeving als grote inzamelaars. Dit is financieel, organisatorisch en praktisch onhaalbaar voor ze. Daarom wordt via lobby en gesprekken met instanties gewerkt aan een laagdrempelige oplossing hiervoor. Realisatie lokale biovergisters voor bedrijven is zeer uitdagend. Bedrijven die hun organisch materiaal lokaal willen verwerken zien vaak kansen in een kleine biovergister. Echter, ook hier geldt dat regelgeving dit sterk bemoeilijkt, de vergunningsprocedure duurt lang en is kostbaar en complex.

Bovendien wordt het digestaat van vergisters niet erkend als bodemverbeteraar maar nog steeds als afval gezien, waardoor het afgevoerd moet worden door een erkende inzamelaar. Financiering en schaalbaarheid van innovaties. Meerjarige financieringsregelingen voor opschaalbare, financieel houdbare modellen, zoals bij buurtcompostering, geven perspectief aan initiatieven. Deze continuïteit leidt tot kennisopbouw en professionalisering waardoor experimentele projecten kunnen uitgroeien tot structurele stedelijke voorzieningen.

ƒ

ƒ

ƒ

ƒ

ƒ

ƒ

Aanbevelingen ƒ Maak voedselverspilling een integraal onderdeel van afvalpreventie. Door voedselverspilling expliciet op te nemen in de stedelijke aanpak voor afvalpreventie en -scheiding, kan de gemeente regelgeving, handhaving en communicatie beter op elkaar laten aansluiten en zorgen voor meer bewustwording bij

burgers en bedrijven. Minder voedselverspilling kan ook in samenhang gezien worden met doelstellingen rondom het tegengaan van overlast door plaagdieren. Zet waar mogelijk in op meer dwingende maatregelen, zoals een afvalinformatieplicht. Dit verplicht bedrijven inzicht te geven in hun afvalstromen en contracten, zodat gerichte handhaving en beleidsontwikkeling mogelijk worden en naleving niet langer uitsluitend afhankelijk is van vrijwillige medewerking. Start een langjarige publiek-private samenwerking met haven en industrie. Start met het opstellen van concrete doelstellingen en afspraken met voedselverwerkers en andere relevante bedrijven in het havengebied om verspilling te reduceren. Neem de ervaringen van het Convenant Circulaire Catering als uitgangspunt. Versnel de ontwikkeling van juridische en financiële instrumenten. Maak juridische ruimte onderdeel van beleid, borg experimenteer­ ruimte in vergunningverlening en ontwikkel financiële regelingen die veilige, circulaire verwerking van organische reststromen mogelijk maken. Investeer in buurtcompostering en sociale voedselinitiatieven. Door in de volgende bestuursperiode een ambitie op te nemen voor buurtcomposteren, krijgen de initiatieven een mandaat, meerjarenperspectief en wordt hun bijdrage aan de totale inzameling van gft zichtbaar.

Sociale voedselinitiatieven zouden gebaat zijn bij bijvoorbeeld ondersteuning via WPI en (middelen voor) logistieke voorzieningen (zoals koelwagens en opslag). Stimuleer bewustwording en gedragsverandering met langlopende campagnes. Het verminderen van voedselverspilling bij huishoudens vraagt om structurele communicatie, gekoppeld aan sleutelmomenten zoals verhuizing of de invoering van de gemeentelijke gfe/t-inzameling. Bij voorkeur in samenwerking met ‘logische’ partners zoals supermarkten, scholen en horeca. Ontwikkel een meerjarig programma rondom nutriëntenkringloop. Voorkomen van nutriëntenverlies en veilig hergebruik van menselijke en plantaardige reststromen moeten expliciet worden gekoppeld aan het voedsel- en klimaatbeleid. De gemeente kan hier een regierol vervullen door pilots voor circulaire water- en meststofsystemen te ondersteunen, deel te nemen aan onderzoek en samen met het Rijk te werken aan regelgeving die lokale

toepassing van bijvoorbeeld (vermi)compost, digestaat en humanure mogelijk maakt. Koppel dit aan waterbeleid, zoals het programma SNUK door een consortium met onder andere Vereniging Circulair Friesland.

23

Uitgelichte projecten | Uitvoeringsagenda Circulaire Economie 2023–2026

Voedsel en Organische reststromen

Food Waste Challenge 2025

Opdrachtgever: Team Circulaire Economie en programmateam Voedselstrategie, Ruimte & Duurzaamheid. Rol gemeente: Opdrachtgever en samenwerkingspartner, levert kennis en communicatieondersteuning. Partners: Koninklijke Horeca Nederland, Green Hotel Club en de Stichting Samen Tegen Voedselverspilling (STVV).

De Amsterdamse horeca verspilt jaarlijks ongeveer 16 kiloton voedsel, wat leidt tot aanzienlijke CO₂-uitstoot en verlies aan biodiversiteit. De challenge stimuleerde chefs en ondernemers om voedsel­ verspilling te verminderen door verspilling te meten. Of door gered voedsel in te kopen via Instock Market. In 2024 en 2025 is door de dertig deelnemende ondernemers gemiddeld 25 procent minder voedsel verspild, ook is er gered voedsel ingekocht. In totaal bespaarde dit meer dan 1.000 kilogram voedsel, 3.000 kilogram CO₂ én inkoopkosten. Sommige hotels namen een abonnement op een digitale voedselverspillingsmonitor om structureel te blijven meten. Ook nieuwe afzetmogelijkheden voor gered voedsel zijn ontstaan via Instock Market.

Het project toont aan dat de horeca impact kan maken, mits chefs en managers actief betrokken en ondersteund worden. De Amsterdamse horeca wil bijdragen, maar is vaak druk en moeilijk te bereiken. Daarom zijn korte bijeenkomsten, directe bezoeken en partnerschappen ingezet. Belangrijke barrières zijn het bereiken van de horecazaken en het ontbreken van wettelijke prikkels, zoals eisen aan afvalbeheer in vergunningen. Voor succesvolle opschaling zijn meerdere onderdelen van belang: een sterke uitvoerende partij, samenwerking met de sector, data-analyse en sponsoring. De gemeente faciliteerde en leerde van de uitvoering, terwijl bedrijven kennis deelden en bewoners actief betrokken werden. Kennisinstellingen, zoals de Wageningen University & Research, analyseerden de data en deelden hun inzichten. Ondernemers zijn enthousiast en blijven vrijwillig werken aan voedselverspilling.

24

Uitgelichte projecten | Uitvoeringsagenda Circulaire Economie 2023–2026

Voedsel en Organische reststromen

Compostinitiatieven in de stad

Opdrachtgever: Gemeenteraad door motie 580.24, team Circulaire Economie, Ruimte & Duurzaamheid. Rol gemeente: Subsidieverstrekker en medeorganisator netwerk voor cocreatie met de aangesloten initiatieven. Partners: Afval naar Oogst, De Kaskantine, Le Compostier, CoCasa, De Groene Hub en De Compostacademie.

Veel inwoners willen hun gft scheiden, maar slechts 13 procent heeft toegang tot een gemeentelijke inzamelvoorziening. Compostinitiatieven die gft inzamelen en verwerken bieden een oplossing. Zo zijn er in Amsterdam naar schatting meer dan 260 locaties waar 4.500 à 5.000 huishoudens samen jaarlijks 450 m³ compost maken. Hun deelnemers hebben geen toegang tot de gemeentelijke inzameling of kiezen bewust om lokaal te composteren voor hun eigen planten of (gemeenschappelijke) moestuin. Deze initiatieven versterken de sociale cohesie, vergroten het bewustzijn over voedselkringlopen en verminderen voedselverspilling. De gemeente ondersteunt deze initiatieven met kennis­ uitwisseling, communicatie, juridische hulp en financiële regelingen. Zonder steun is het risico groot dat bewonersinitiatieven stagneren. Het project levert een kleine, maar belangrijke

bijdrage aan de circulaire economie, creëert bewustwording over de voedselkringloop en stimuleert de mentale ‘transitie in de hoofden’ van bewoners. Via het netwerk Buurtcompost delen de initiatieven kennis en werken ze samen aan het versterken van de compostbeweging. Daarbij is het soms een uitdaging om samen te werken met behoud van eigen identiteit. Wet- en regelgeving en het ontbreken van meerjarenperspectief blijven grote uitdagingen. Financiële zekerheid en juridische steun zijn van groot belang om bestaande locaties te behouden en nieuwe locaties op te zetten en bewoners te betrekken. Het netwerk Buurtcompost speelde een sleutelrol bij het succesvol opzetten van de subsidie voor compostinitiatieven. Dankzij deze subsidie, ontwikkeld in cocreatie met initiatieven en ondernemers, komen er de komende twee jaar ongeveer 20 extra locaties bij.

25

Voortgang, lessen en aanbevelingen per programmaonderdeel | Uitvoeringsagenda Circulaire Economie 2023–2026

Consumptiegoederen De consumptie van goederen, van textiel tot elektronica en meubels, zorgt voor een aanzienlijk deel van onze mondiale milieu-impact. Zo is de productie van textiel verantwoordelijk voor naar schatting 10 procent van de wereldwijde CO₂-uitstoot en 20 procent van het wereldwijde waterverbruik in de industrie. De productie van één spijkerbroek kost tussen de 10.000 en 25.000 liter water. Naar schatting kopen Amsterdammers gezamenlijk jaarlijks ongeveer 16 miljoen kilo aan kleding, huishoudtextiel en schoenen. De productie van kleding en huishoudtextiel (samen 12 miljoen kilo) zorgt voor 176 kiloton CO₂-uitstoot. De productie van elektronische apparaten veroorzaakt circa 4 procent van de wereldwijde uitstoot. Met name de energie-intensieve productieprocessen en mijnbouw voor metalen hebben grote impact. Misstanden in de keten komen nog altijd regelmatig voor. Meubels en matrassen vormen in Amsterdam meer dan de helft van het grofafval. Samen zijn dit de productgroepen die het meest relevant zijn voor het Amsterdamse beleid en vormen dan ook de kern van de aanpak. Deze waardeketen richt zich op vier pijlers: 1. Versterken van circulaire bedrijvigheid en voorzieningen in de stad; 2. Gedragsverandering bij consumenten, zoals het stimuleren van bewust en zuinig gebruik van producten; 3. Circulair inkopen van consumptiegoederen door de gemeente zelf; 4.

In een 100 procent circulaire stad is er geen ruimte voor de huidige wegwerpmaatschappij. Op weg daarnaartoe onderzoeken we actief welke reguleringsmogelijkheden toegepast kunnen worden om de norm te veranderen. Denk bijvoorbeeld aan uitingen en prikkels in de openbare ruimte die consumptie met een grote voetafdruk of het eenmalig gebruik van spullen normaliseren.

Waar staan we nu? Binnen de textielketen zijn de meeste beoogde projecten gestart of afgerond (C1-2). De marktconsultatie voor niet-herdraagbaar textiel in de MRA is uitgevoerd en de Textielraces (met scholen) zijn gerealiseerd. Met de Wear For Life campagne tijdens Amsterdam Fashion Week zijn 1,4 miljoen mensen via diverse media bereikt. Vanwege dit succes wordt deze in 2026 herhaald. Daarnaast hebben we Amsterdamse ondernemers ondersteund bij hun groei in het buitenland door ze in contact te brengen met modesteden zoals Milaan. De TextielHub aan de Donauweg is in ontwikkeling, met ruimte voor verschillende maakbedrijven uit de circulaire textielketen. De voorbereidende bijeenkomsten zijn in de sector warm ontvangen. De realisatie heeft echter vertraging opgelopen omdat dit concept, inclusief onderliggend financieel model, innovatief is voor de gemeente. Na elke stap komen we nieuwe complicaties tegen die om een nieuwe oplossing vragen. Daarnaast gaat het om een pand waar nog wat liefde en aandacht ingestoken moet worden om als hub te kunnen functioneren. Reparatie-, leen- en hergebruikinitiatieven zijn uitgebreid, onder meer via de Stadspaskorting voor kleding- en schoenreparaties, lokale ruilmarkten via SwapShare en het organiseren van naaiateliers en modeuitleen in samenwerking met de Openbare Bibliotheken Amsterdam.

Via het Stadspasprogramma is er korting op reparatie van laptops en computers en computeronderdelen. Het is nog niet gelukt wasbare luiers hierin onder te brengen. Het continueren en uitbouwen van het bestaande succes van kleding- en schoenreparaties krijgt op dit moment prioriteit, in navolging van motie 704 van Norbruis, Bakker, Nadif, Noordzij, Kabamba, Nijssen, Havelaar, Bobeldijk en Veldhuyzen. Deze regeling blijkt effectief in het verlengen van de levensduur van producten en het versterken van lokale werkgelegenheid. Op het gebied van herbruikbaar servies en retourlogistiek verlopen de activiteiten trager. Het onderzoek naar een verbod op wegwerp­ verpakkingen in lokale regelgeving (C3) is eind 2025 afgerond en voor de overstap op herbruikbare verpakkingen door horeca­ ondernemers wordt op dit moment een inkoopprocedure opgestart. De beoogde terugnamegarantie voor matrassen (C4) is nog niet

geregeld; dit hangt af van landelijke UPV-afspraken (uitgebreide producentenverantwoordelijkheid), waarop de gemeente alleen indirect invloed kan uitoefenen. De gemeente blijft zich bij producentenorganisaties hard maken voor meer circulaire prikkels in de wettelijke kaders. Het ministerie van I&W is nu in een doorontwikkeltraject UPV hiermee aan de slag. Ook levert de gemeente input op updates in de Europese wet- en regelgeving die de mogelijkheden hiertoe kunnen versnellen, onder andere via de, door Amsterdam geïnitieerde, Circular Cities Frontrunner Group en met inzet van CircuLaw. Om de consumptie van nieuwe spullen in de stad te verminderen (C5) werken we aan een robuuste, stedelijke infrastructuur voor delen, reparatie en hergebruik en onderzoeken reparatiegedrag en -behoefte van Amsterdammers. We ondersteunen goede initiatieven zoals The Clothing Loop dat kledingruil mogelijk maakt. En dat wat er al is, is in de etalage gezet tijdens de Tweede Kans-campagne met een kaart waarop alle reparateurs en kringloopwinkels van Amsterdam staan (motie 713 van Garmy, Bakker, Nadif en Norbruis). Zo proberen we om repareren en hergebruik de norm te maken en waar logisch de stap van bezit naar gebruik te faciliteren.

Uit een proef waarbij ingezamelde elektrische apparaten op recyclepunten getest en geselecteerd zijn voor herverkoop in de kringloopwinkels bleek dat ongeveer 10 procent van de ingeleverde apparaten nog goed bruikbaar en verkoopbaar is. 40 procent van de Amsterdammers gooit wel eens iets weg wat gerepareerd had kunnen worden. In samenwerking met Rijkswaterstaat, Behavioral Change Group en RepareerSimpel wordt onderzocht of mensen door het krijgen van korting op reparatie verleid kunnen worden tot meer repareren. Ondertussen worden samen met de Repair Café’s en de Openbare Werkplaats al cursussen over reparatie van elektrische apparaten aangeboden aan Amsterdammers. In Zuid-Oost vond er een ‘re-use’ evenement plaats. Met de Green Friday campagne is op een inspirerende en effectieve manier opvolging gegeven aan motie 703 van Norbruis, Bakker, Nadif, Garmy, Noordzij, Kabamba en Bobeldijk. Met alternatieven voor ‘nieuwe dingen kopen’ spoort de campagne, in de periode rondom Black Friday, mensen aan om anders of minder te consumeren.

26

Voortgang, lessen en aanbevelingen per programmaonderdeel | Uitvoeringsagenda Circulaire Economie 2023–2026

Het is bemoedigend om te zien dat circulaire ondernemers, zoals Droppie en de circulaire bouwmarkt Buurman, vestigingen in Amsterdam openen. Waar nodig en mogelijk biedt de gemeente opstartondersteuning aan ondernemers en initatieven met een maatschappelijke functie. Daarnaast werken we aan het opzetten van een stadsbreed netwerk van de Dingenbieb, naar het voorbeeld van the Library of Things in Londen. Dit is een professioneel beheerde deelinfrastructuur voor onderbenutte gebruikersgoederen van met name apparaten, zoals een boormachine, thermische camera en tapijtreiniger. Maar het aanbod biedt ook spullen die Amsterdammers eenmalig of beperkt gebruiken of nodig hebben, zoals een karaoke­ set, slowcooker, tent of beamer. Hiermee bieden we Amsterdammers op een laagdrempelige manier toegang tot betaalbare en kwalitatieve goederen. Door lokale verankering van deelstations in de wijken, mede gerund door Amsterdammers, combineren we circulariteit en sociale cohesie op een vernieuwende manier. Het vinden van het juiste verdien- en financieringsmodel en de benodigde gedrags­ verandering zijn op dit moment nog uitdagingen om tot implementatie en opschaling te komen.

De gemeente heeft, in navolging van het initiatiefvoorstel van raadslid Hofland (2024), een eerste aanbesteding gedaan volgens het principe van True Price (C6), waarbij negatieve effecten voor mens en milieu zijn meegenomen in het beoordelen van de prijs van ingekochte koffie, thee en cacao. De focus bij de aanbesteding lag op ketenverantwoordelijkheid en omvatte veel circulaire eisen Dit gold ook voor de koffiemachines, die modulair moeten zijn en bij voorkeur ‘refurbished’. Verder heeft de gemeente haar ICT-beleid onder de loep genomen (C7): er wordt niet meer standaard een laptop én tablet aangeboden aan zo’n 8.000 medewerkers en we faciliteren hergebruik van laptops voor minimahuishoudens in de stad. Er is geen actief vervangbeleid: laptops worden alleen herzien en eventueel vervangen wanneer medewerkers er problemen mee ervaren. Het inzetten van refurbished laptops bleek weinig effectief: de milieuwinst is beperkt, omdat de laptops elders al zouden worden ingezet (in de stad), terwijl door de verminderde levensduur de druk op de ondersteunende organisatie wordt vergroot.

Om de energietransitie in onze eigen regio circulair in te richten is in 2024 in het rapport Het belang van samenhang door de MRA op een rij gezet welke mogelijkheden er zijn om het materiaalgebruik te beperken(C8). De grootste kansen blijken te liggen bij biobased isoleren, circulaire zonnepanelen, slimmer omgaan met grondstoffen (bijvoorbeeld meer inzetten op energie-efficiëntie) en circulair inkopen. CircuLaw heeft vervolgens 30 instrumenten geïdentificeerd voor decentrale overheden om circulaire zonne-energie te realiseren. Inmiddels heeft Amsterdam een regeling voor circulaire zonnepanelen, wordt er met AMS Institute aan een modulair ontworpen circulair paneel gewerkt, is er een zonbank actief die samen met woning­ corporaties gratis gebruikte zonnepanelen aanbiedt in de strijd tegen energie-armoede en is er in november 2025 een Europese subsidie aanvraag ingediend om een Europese hergebruikketen op te zetten.

ƒ

ƒ

ƒ Over de hele linie heen zien we dat er goede stappen gemaakt worden. Van een circulaire infrastructuur is echter nog geen sprake en de doelen voor reductie van materiaalgebruik zijn nog niet in zicht. Circulaire voorzieningen zoals kringloopwinkels, buurtwerkplaatsen en initiatieven zoals de ‘repairstreet’ (meubels) verdienen een plek als maatschappelijke basisvoorzieningen. Toch behandelen we deze nog nauwelijks als waardevolle nutsfuncties voor de stad. Ook kunnen bestaande netwerken rond materiaalstromen zoals hout, meubels en elektronica (nog beter) verbonden worden. Deze ketens bestaan nu grotendeels naast elkaar, terwijl er veel kansen liggen voor gezamenlijke logistiek, gedeelde opslag, kennisuitwisseling en afstemming van kwaliteitseisen. Vanuit de ervaringen in de UACE-activiteiten leveren we input op relevante gemeentelijke programma’s en ruimtelijke plannen om stap voor stap de nodige infrastructuur te realiseren.

Lessen en aanbevelingen - Consumptiegoederen Lessen ƒ Ongelijk speelveld vraagt vooralsnog om structurele ondersteuning reparateurs. Een haalbare businesscase voor reparatie van kleine consumentenelektronica is nu nagenoeg onmogelijk, met name door de hoge prijs van arbeid. Incidentele subsidies of tijdelijke pilots helpen bedrijven niet duurzaam vooruit. Lage marges, beperkte capaciteit, onzekerheid over

ƒ

ƒ

continuïteit en het vinden van passende ruimte vragen om langjarige oplossingen en ondersteuning. Kennis, vaardigheden en opleidingsaanbod. Er is een structureel tekort aan gekwalificeerde vakmensen, vooral op het gebied van reparatie, onderhoud en hergebruik, terwijl er nauwelijks opleidingsplekken zijn. Gedragsverandering vraagt om sturende instrumenten. De bewustwording over de milieu-impact van consumptie groeit, maar vertaalt zich nog onvoldoende naar ander koop- en gebruiksgedrag. Prijs, gemak en gewoonte blijven bepalende factoren in consumptiegedrag. Zonder normering en financiële prikkels, zoals beperkingen op wegwerpverpakkingen, reclame voor schadelijke producten en inrichting van winkelgebieden raken de doelen verder uit zicht. Bewustwording bestaande juridische ruimte. Consumenten blijken zich vaak niet bewust van de wettelijke bescherming die zij hebben rondom garantietermijnen. Als hier meer gebruik van gemaakt wordt bij vroegtijdige defecten stimuleert dat een verschuiving naar meer reparatie en langere levensduur. Ondersteuning incidenteel en versnipperd. De huidige ruimtelijke, logistieke en financiële randvoorwaarden voor delen, reparatie en hergebruik zijn versnipperd over verschillende programma’s. Door het ontbreken van afstemming en gezamenlijke sturing blijven initiatieven en ondersteunende maatregelen los van elkaar staan, wat opschaling belemmert.

Circulaire prikkels inbouwen in gemeentelijk instrumentarium is tijdrovend, maar goed mogelijk. Het opnemen van circulaire criteria in subsidieregelingen is tijdrovend, maar kan effectief zijn om de impact van het materiaalgebruik aanzienlijk te verminderen, zoals bij de regelingen rondom de aanschaf van PV-panelen en het isoleren van woningen duidelijk is geworden.

27

Voortgang, lessen en aanbevelingen per programmaonderdeel | Uitvoeringsagenda Circulaire Economie 2023–2026

Aanbevelingen ƒ Ontwikkel losse pilots, instrumenten en ondersteuning door tot een langjarige integrale aanpak. Neem als gemeente meer regie om: 1. samen met kennispartners, onderwijs en het bedrijfsleven, de scholing in reparatie- en upcyclingvaardigheden te vergroten; 2. nieuwe businessmodellen die draaien om gebruik in plaats van bezit te ontwikkelen en toe te passen; en 3. door experiment en opschaling een plek te geven in de ruimtelijke beleidscyclus. Zorg daarbij voor een lange adem met meerjarige financiering en capaciteit. ƒ Blijf als gemeente het goede voorbeeld geven. Maak circulair inkoop- en consumptiegedrag zichtbaar door toepassing van true pricing (zoals bij koffie) en verlenging van de levensduur van gemeentelijke goederen zoals meubilair en ICT. Gebruik aanbestedingen en verwerkingscontracten om circulaire keten­ vorming bij leveranciers en inzamelaars te stimuleren zoals bij kunstgrasvelden. ƒ Meer inzet op gedragsverandering en bewustwording. Schaal de inzet van communicatiecampagnes, onderwijs en evenementen op om circulair gedrag te stimuleren, normaliseren en bewustwording verder te vergroten. Werk samen met retailers en lokale ondernemers om inwoners te wijzen op reparatie, hergebruik en wettelijke garantietermijnen, zoals via de circulaire winkelroute en de stedelijke reparatiekaart al gedaan wordt. ƒ Stuur op selectieve groei.

Maak in het economisch beleid expliciete keuzes welke economie Amsterdam wil stimuleren en koppel dit aan ruimtelijk beleid. Beschouw faciliteiten voor reparatie, hergebruik en deelinitiatieven daarbij als maatschappelijke basisvoorzieningen met een nutsfunctie. Bijvoorbeeld door het verlenen van ontheffingen of het bieden van voorrang bij huisvesting in gemeentelijk vastgoed aan sociale ondernemingen en kringloopbedrijven met keurmerk. Ontwikkel financiële modellen die aansluiten bij het nutskarakter van deze voorzieningen. En zorg voor voldoende instrumenten om effectief vestigingsbeleid te voeren, zoals het weren van ultra fast fashion, vergelijkbaar met de aanpak die eerder is toegepast bij ‘darkstores’ van flitsbezorgers en ‘nutellashops’.

ƒ Versterk het circulaire profiel binnen het academisch en beroepsonderwijs. Door samenwerking met mbo’s, praktijknetwerken en brancheorganisaties kan kennis beter worden verankerd en doorgegeven, zodat nieuwe vaardigheden sneller hun weg vinden in de arbeidsmarkt en de circulaire economie daadwerkelijk kan opschalen. ƒ Breid de Stadspaskorting voor reparatie uit naar meer productgroepen. De huidige acties tonen aan dat financiële prikkels effectief zijn om circulair gedrag te stimuleren, ook bij huishoudens met een beperkt budget. Mobiliseer bestaande reparatienetwerken en organiseer structurele middelen om extra reparatie-acties te financieren. ƒ Versterk inzet op aanpassing regelgeving. Blijf aanscherpingen inbrengen in updates van landelijke en Europese regels voor circulair ontwerp, producentenverantwoordelijkheid en herbruikbare verpakkingen. Onder andere door verschuiving van belasting op arbeid naar grondstoffen en inzet van beperkingen op reclame voor kortcyclische en vervuilende producten. ƒ Veranker circulaire prikkels structureel in beleid en instrumenten van de energietransitie. Zet de inzet voort om circulaire principes te integreren in bestaande beleidsinstrumenten, zoals subsidieregelingen en inkoopkaders binnen de energietransitie.

Neem daarbij specifiek onderdelen onder de loep waar kritieke of milieubelastende materialen een grote rol spelen, zoals bij zonnepanelen, batterijen, windenergie en warmtesystemen.

28

Uitgelichte projecten | Uitvoeringsagenda Circulaire Economie 2023–2026

Consumptiegoederen

Circulaire TextielHUB

Opdrachtgever: Team Circulaire Economie, Ruimte & Duurzaamheid. Rol gemeente: Initiatiefnemer ontwikkelaar TextielHUB, eigenaar vastgoed en verhuurder.

De TextielHUB aan de Donauweg kan ruim 4.500 vierkante meter ruimte bieden aan circulaire textielondernemers, ontwerpers, onderwijs en de culturele sector om samen te werken, te produceren en te innoveren. Het pand biedt ruimte voor ateliers, werkplaatsen, studio’s en evenementen, met gedeelde voorzieningen en een sterke community. Het idee voor de hub is ontstaan vanuit een duidelijke behoefte: circulaire textielbedrijven in Amsterdam vinden moeilijk betaalbare, geschikte werkruimte. Door hen samen te brengen, stimuleert de gemeente netwerkvorming, kennisdeling, hergebruik van grondstoffen en ontwikkeling van circulaire innovaties. Het wegnemen van belem­ meringen voor de opschaling van initiatieven is hier ook onderdeel van. De hub biedt kansen voor samenwerken en het aantrekken van (Europese) financiering. Met ongeveer 25 procent van de Nederlandse textiel­industrie in de Metropoolregio Amsterdam kan de sector een grote bijdrage leveren aan het verkleinen van de milieu-impact en slechte

arbeids­omstandigheden. De TextielHUB kan de impact van textiel in Amsterdam verminderen en het vestigingsklimaat voor circulaire textiel­ organisaties en ondernemers versterken. Het faciliteren van circulair ondernemerschap door het beschikbaar maken van geschikte ruimte tegen een aantrekkelijke prijs is een cruciaal onderdeel hierin. De open dag en het matchmaking-event in 2025 toonden een enorme vraag naar ruimte: de belangstelling van ondernemers overtreft de beschikbare meters. Voor de gemeente is het realiseren van deze hub een proces van leren door te doen. Naast de uitdaging om ondernemers­ vragen goed te faciliteren, zet de gemeente zich in 2026 volledig in om tot het juiste organisatie- en financieringsmodel te komen. Zodat de locatie op korte termijn toekomstbestendig kan openen. Uit de bijeenkomsten en gesprekken blijkt een groot draagvlak, waarbij ondernemers zich uitspreken samen te willen bouwen aan een sterke circulaire textielsector.

29

Uitgelichte projecten | Uitvoeringsagenda Circulaire Economie 2023–2026

Consumptiegoederen

Wear for Life, gedragscampagne textiel

Opdrachtgever: Team Circulaire Economie, Ruimte & Duurzaamheid.

toegevoegd aan de campagne. Een twintigtal ondernemers organiseerde een eigen evenement of activiteit tijdens de campagne.

Rol gemeente: Initiatiefnemer van de campagne. Partners: COSH!, OBA-bibliotheken, Amsterdam Fashion Week (AFW), stadsdeel Centrum en stadsdeel West.

Wear for Life is een grootschalige gedrags­ campagne die Amsterdammers aanspoort om bewuster met kleding om te gaan. Door te kiezen voor tweedehands, kwalitatieve kleding, delen, lenen en repareren, dragen inwoners direct bij aan minder CO₂-uitstoot, waterverbruik en afval. De campagne liep in 2024 en 2025 tijdens de Amsterdam Fashion Week en de Dutch Sustainable Fashion Week en bereikte duizenden mensen in de stad. De Wear for Life campagne is gerealiseerd door samenwerking tussen modeprofessionals, kennis­ instellingen en maatschappelijke partners. In de hele stad werden activiteiten georganiseerd: gratis naaiateliers in de OBA, kledinginzamelacties en workshops. Een hoogtepunt in 2024 was de modeshow met de Kalverstraat als ‘catwalk’. In 2025 trok de installatie van 1/OFF op het Beursplein de aandacht voor de impact van onze kleding. In 2025 zijn duurzame winkelroutes per stadsdeel en voor Weesp via het platform Cosh!

Wear for Life kreeg veel aandacht, met uitverkochte evenementen, een sterke aanwezigheid op social media en landelijke media-aandacht, zoals het NOS-journaal en ELLE. Online bezochten duizenden mensen de Wear for Life-website waar ze de belofte deden om bewuster met hun kleding om te gaan. Gedragsverandering is complex en wordt beïnvloed door veel factoren, zoals bewustzijn en toeganke­ lijkheid. Praktische en laagdrempelige acties, zoals kleding ruilen of reparatieworkshops, werken goed. De volgende stap is om circulair kledinggebruik een vast onderdeel van het dagelijks leven te maken. Meer plekken voor reparatie, ruil en tweedehands verkoop, versterken de beweging. Zo krijgt kleding een langer, waardevol leven.

30

Voortgang, lessen en aanbevelingen per programmaonderdeel | Uitvoeringsagenda Circulaire Economie 2023–2026

Gebouwde omgeving Amsterdam staat voor een grote bouw- en renovatieopgave: voldoende en betaalbare woningen, veilige bruggen en kademuren en een toekomstbestendige infrastructuur. Deze ambities vragen om grote hoeveelheden bouwmaterialen, die steeds schaarser worden en aanzienlijke milieuschade veroorzaken. De Amsterdamse bouwsector is verantwoordelijk voor circa 60 procent van het grondstoffengebruik en 12 procent van de milieu-impact13. Onderzoek toont aan dat het landelijke CO₂-budget voor de bouw om binnen de afspraken van het Parijs-akkoord te blijven al rond 2026 is uitgeput (voor 1,5 °C), of in 2031 (voor 1,7 °C).14 Met name beton, baksteen, staal, steenwol en fossiele isolatiematerialen (eps, pir, pur, resol en dergelijke) dragen veel bij. Ook het gebruik van natuursteen zorgt voor hoge milieuimpact en is bovendien slecht herbruikbaar (door breuk). Van alle waardeketens heeft de gemeente in de gebouwde omgeving verreweg de meeste invloed op materiaalgebruik. We zijn immers opdrachtgever, vastgoedeigenaar én vergunningverlener. We zitten overal aan de knoppen. Daarmee hebben we een zwaarwegende verantwoordelijkheid en ook een wettelijke zorgplicht om de emissies in lijn te brengen met de klimaatdoelen van Parijs.

De Raad van de Leefomgeving schetst in het adviesrapport Bouwen met toekomst zelfs het risico dat als de overheid hier geen ambitieuze stappen zet, er een nieuwe bouwcrisis kan ontstaan, wat de noodzakelijke woningbouwproductie in gevaar kan brengen. Circulair werken in de bouw en renovatie biedt oplossingen voor deze uitdagingen. Door minder energie-intensieve en meer biobased materialen te gebruiken, bouwen we aan een toekomstbestendig bouwsysteem met gezondere werkomstandigheden en een beter binnenklimaat voor bewoners. Houtbouw gaat vaak gepaard met industrialisatie. Dit versnelt woningbouw en vermindert vervuiling en overlast op de bouwplaats. Het is niet voor niets dat de gemeente 13 UACE 2023-2025 p. 12 14 Bouwen binnen planetaire grenzen (Copper 8, et al. 2024)

samen met meer dan honderd partijen binnen de MRA heeft afgesproken in 2025 ten minste 20 procent van de nieuwbouw­ woningen te realiseren met een houten draagconstructie. Ook is gebleken dat slimme keuzes in beheer en onderhoud van bruggen en kademuren onnodige materiaalinzet kan voorkomen, met een kostenbesparing die oploopt tot honderden miljoenen.

Circulair renoveren en isoleren Amsterdam staat voor een grote renovatieopgave. Het Isolatieoffensief heeft tot doel om tot 2030 123.000 woningen te isoleren. Kijken we verder dan 2030, dan komen zelfs 337.000 woningen in aanmerking voor isolatie. De keuze van type isolatiemateriaal is bepalend voor de milieuwinst die met deze opgave wordt behaald. Biobased materialen, zoals vlas, hennep of lisdodde stoten aanzienlijk minder CO₂ uit tijdens de productie en dragen bij aan een gezonder binnenklimaat en betere arbeidsomstandigheden. De productie van biogrondstoffen biedt bovendien kansen voor boeren die willen omschakelen van veeteelt naar vezelteelt.

Waar staan we nu? Amsterdam heeft de afgelopen periode veel energie gestoken in het stimuleren van biobased renovatie en het vergroten van de vraag naar biobased isolatie (G1, G5, G7). Daarmee zijn meer stappen gezet dan oorspronkelijk in de uitvoeringsagenda was voorzien en heeft het onderwerp echt een vlucht genomen. Een belangrijk onderdeel is de Biobased Academy. Dit is een samenwerkingsverband tussen acht Amsterdamse woningcorporaties, de AFCW (Amsterdamse Federatie voor Woningcorporaties) en de gemeente Amsterdam (directies Wonen en Ruimte & Duurzaamheid). Het eerste jaar was een test waarin in de praktijk werd geleerd hoe biobased isolatiematerialen op grotere schaal kunnen worden toegepast. Deze is afgerond en heeft, wegens succes, een driejarig vervolg gekregen. Parallel is de pilot ‘MKB Biobased Kennistegoed’ succesvol afgerond. Co-makers (de aannemers) van woningcorporaties kregen trainingen en advies over biobased isoleren en renoveren. Dit initiatief is inmiddels opgeschaald naar een driejarig programma voor aannemers in de stad waarbij ook mbo-opleidingen zijn betrokken om een nieuwe generatie vakmensen op te leiden in biobased bouwen en renoveren.

Een ander belangrijk project is het Europese LIFE BIOMATINEprogramma15, dat in de zomer van 2025 van start is gegaan en loopt tot 2031. Binnen dit project worden 557 sociale huurwoningen van Lieven de Key en de monumentale Centrale Markthal biobased geïsoleerd. Voor dit project is 4,5 miljoen euro aan Europese subsidie aangetrokken. Tot slot onderzocht Amsterdam samen met de MRA of een regionale keten kan worden ontwikkeld van teelt tot toepassing van biobased isolatie (‘van land tot pand’ G7), in lijn met motie 673 van Bakker en Norbruis. Daaruit blijkt dat de lokale productie­ capaciteit in Noord-Holland en Flevoland onvoldoende is om aan de vraag te voldoen. De rol van Amsterdam ligt in het vergroten van de marktvraag naar biobased bouwmaterialen. Dit biedt boeren en verwerkers perspectief op nieuwe verdienmodellen en betere kansen om te investeren. Biobased isoleren bevindt zich inmiddels in de implementatiefase en beweegt al richting uitvoering. Het is opgenomen in de uitvoerings­ agenda van de directie Monumenten & Archeologie, de Commissie Omgevingskwaliteit werkt aan een handreiking Duurzaam renoveren, en Gemeentelijk Vastgoed hanteert inmiddels het principe ‘biobased, tenzij’. De directie Wonen heeft biobased en circulair isoleren geïntegreerd in het Isolatieoffensief en is begonnen met gerichte trainingen voor energieadviseurs en aannemers.

Amsterdam is bovendien één van de eerste gemeenten die een biobased bonus in subsidieregelingen heeft opgenomen. In de Extra Isolatiesubsidie Amsterdam en de Volkshuisvestingssubsidies voor Nieuw-West en Noord ontvangen huiseigenaren een extra bijdrage voor biobased isolatie, inclusief gratis energieadvies over circulaire maatregelen. Voor andere woningeigenaren is informatie en begeleiding beschikbaar via het energieloket en Duurzaam Wonen. Met de Biobased Booster ontwikkelde de gemeente een praktische gids voor projectleiders van woningcorporaties en bouwbedrijven om biobased materialen succesvol toe te passen in renovatieprojecten.

15 LIFE BIOMATINE – openresearch.amsterdam

31

Voortgang, lessen en aanbevelingen per programmaonderdeel | Uitvoeringsagenda Circulaire Economie 2023–2026

De industriële houtbouwtransitie We streven ernaar om de 7500 woningen die Amsterdam jaarlijks nieuw wil bouwen op een circulaire manier te realiseren. Grond & Ontwikkeling en Ruimte & Duurzaamheid werken samen aan nieuwe instrumenten en het verbeteren van bestaande instrumenten om circulair bouwen te stimuleren, zoals circulaire criteria in tenders voor gronduitgifte. We evalueren lessen uit financiële innovaties en nemen die, waar mogelijk, op in werkprocessen.

Waar staan we nu? Amsterdam heeft meer dan vijfentwintig woningbouwprojecten en vijf utiliteitsgebouwen met circulaire en duurzame (hout)bouwmethoden in aanbouw of al gerealiseerd (G2). In vier jaar tijd is de productie van houtbouwprojecten gestegen van ongeveer 0,5 procent naar circa 5 procent (MRA gemiddelde) en 8 procent (Amsterdam). Daarmee is het oorspronkelijke doel van ten minste 20 procent in 2025 niet gehaald. Toch is het goed nieuws, want de randvoorwaarden om biobased te kunnen bouwen zijn structureel verbeterd en verdere opschaling ligt in het verschiet. Zo zijn selectiecriteria in tenders aangepast in lijn met de richtlijnen van Het Nieuwe Normaal, de nieuwe standaard voor circulair bouwen. Binnen het programma Gewoon Goed is meer aandacht gekomen voor flexibele stedenbouwkundige kaders, wat het mogelijk maakt om industrieel modulair bouwen beter te integreren in de bouwpraktijk. De innovatietender Houtbouw in de Sluisbuurt heeft geleid tot een breed gedeeld adviesrapport over het stimuleren van houtbouw in tenders binnen de MRA. In de geactualiseerde Omgevingsvisie is de houtbouwdoelstelling expliciet opgenomen en er wordt gewerkt aan een Kansenkaart Houtbouw. Deze kaart biedt een overzicht van locaties waar houtbouw geschikt of minder geschikt is.

Circulaire Stedenbouw In een circulaire stad is ruimte nodig voor het innemen, opslaan, hergebruiken en verwerken van materialen en producten, zoals locaties voor industriële activiteiten met een hoge milieucategorie, opslaglocaties voor het hergebruiken van bouwmaterialen zoals klinkers en straatstenen en ‘nieuwe’ voorzieningen in de wijk voor het delen en repareren van spullen. Dit vereist strategisch, ruimtelijk

ordeningsbeleid. Het is vervolgens aan ruimtelijk ontwerpers om op gebiedsniveau de juiste ontwerpkeuzes te maken en circulariteit vroeg in het ontwerpproces mee te nemen.

Waar staan we nu? Binnen de stad zijn meerdere circulaire gebiedsontwikkelingen in uitvoering of voorbereiding (G3), waaronder het Holterbergdistrict, Buiksloterham, Strandeiland, Centrumeiland, Amstel 3, Zuidas, Nelson Mandelabuurt, Schinkelkwartier, Bajeskwartier en Parkkwartier De Nieuwe Kern. Voor de Bijlmer is de Visie Zuidoost Circulair 2030 opgesteld, waarin een uitgebreide materiaalstroomanalyse van bouwmaterialen in het gebied is opgenomen. Maar het blijft pionieren: we voeren nog steeds verkenningen uit om circulaire gebiedsontwikkeling en stedenbouw beter in processen en procedures te implementeren en in projecten te kunnen sturen en aan te jagen. De verkenning Circulaire Gebiedsontwikkeling leverde concrete handvatten voor stedenbouwkundigen en ontwerpers van de openbare ruimte. Amsterdam maakt Ruimte voor de Circulaire Economie is één van de eerste studies die de ruimtevraag van een circulaire stad concreet heeft weten te maken. En daar volgen ontwerpprincipes voor circulaire gebiedsontwikkeling uit. Participatie in het internationale onderzoeksprogramma ASSET: A Spatial Strategy for the Eurodelta geeft handvatten op regionale schaal over de landsgrenzen heen.

In het onderzoek Toekomstbestendig Verdichten zijn dertien gebouwen geanalyseerd en is een eerste versie van ontwerp- en monitoringstooling opgeleverd om circulariteit al in de ontwerpfase goed mee te kunnen nemen. Dit wordt nu voor het eerst toegepast in het project K-Midden in Amsterdam Zuidoost. De verkenningen, tools en pilots hebben veel kennis en inzichten opgeleverd over de ruimtelijke randvoorwaarden voor een circulaire gebouwde omgeving. Toch zal Ruimte & Duurzaamheid in 2026 nog niet volledig in staat zijn circulair te werken. De kennis en instrumenten zijn grotendeels aanwezig, maar vragen om verdere verankering in de organisatie met passende sturing, zoals doorvertaling van CO₂budgetten per project.

Gemeentelijke panden en objecten In de besluitvorming wordt het principe Duurzaam Tenzij gehanteerd, waarbij een eventuele ‘tenzij’ moet worden onderbouwd. Sinds 2022 wordt er gewerkt aan een Programma van Eisen Duurzaamheid en een Total Cost of Ownership berekeningsmethodiek specifiek voor utiliteitsbouwprojecten van en voor het Gemeentelijk Vastgoed. Hiermee kunnen ‘tenzij’s’ beter worden gemotiveerd en beoordeeld. Het doel is om een gemeentebrede standaardwerkwijze te ontwikkelen voor duurzaamheid in de utiliteitsbouw, inclusief de beheerfase. De werkmethode vertaalt landelijke en gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen naar concrete en meetbare eisen voor nieuwbouw-, renovatie- en deelrenovatieprojecten en verduurzamingsprojecten op de onderwerpen energie, circulariteit, klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen.

Waar staan we nu? Per 1 januari 2025 wordt het PvE Duurzaamheid zoveel mogelijk standaard meegenomen in de werkprocessen van Gemeentelijk Vastgoed en Maatschappelijke Voorzieningen. Gaandeweg worden collega’s van het Projectmanagementbureau, Facilitair Bureau en Sport & Bos meegenomen om dezelfde werkwijze te omarmen Gemeentelijk Vastgoed heeft ongeveer 1.000 panden in beheer. Maatschappelijk Vastgoed en Gemeentelijk Vastgoed trekken samen op in verduurzaming van zowel bestaande gebouwen als ook voor het duurzaam bouwen van nieuwe panden. Zo is ongeveer de helft van de materialen gebruikt in renovaties biobased (G5).

32

Voortgang, lessen en aanbevelingen per programmaonderdeel | Uitvoeringsagenda Circulaire Economie 2023–2026

Het PvE Duurzaamheid en de TCO-benadering bieden vooraf inzicht in zowel de benodigde investering als in het verwachte terugverdien­ effect, in euro’s én in CO₂-besparing. Deze integrale werkwijze maakt zichtbaar hoe financieel rendabele energie-investeringen ruimte creëren voor maatregelen die maatschappelijk waardevol zijn maar financieel minder snel terugverdienen, zoals circulariteit, klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit. Door alle maatregelen als één samenhangend pakket te beoordelen, kan een investering die veel oplevert op energie­gebruik het volledige maatregelenpakket alsnog rendabel maken, iets wat in renovatieprojecten regelmatig voorkomt. Het Innovatiepartnerschap Schoolgebouwen (G4) stimuleert industriële en circulaire scholenbouw. Na jaren van voorbereiding zijn diverse scholen in aanbouw of worden in 2026 opgeleverd. De Wisperweide in Weesp is sinds de kerstvakantie als eerste, circulaire schoolgebouw zelfs al in gebruik. Bouwconsortia realiseren flexibele, betaalbare en Paris-proof schoolgebouwen met een CO₂-uitstoot onder 250 kg/m² bvo exclusief (of vanaf) de fundering, minimaal 55 procent losmaakbaarheid en 25 procent circulair materiaalgebruik.

De VLOA-subsidie (Verordening Lokaal Onderwijsbeleid Amsterdam) biedt zelfs extra financiële ruimte om deze prestaties nog verder aan te scherpen, met hogere ambities voor losmaakbaarheid, circulariteit, energie en waterberging. De ontwikkeling van circulaire kunstgrasvelden (G8) is in volle gang. Drie consortia werken aan prototypes die energie opwekken, water vasthouden en volledig circulair zijn geproduceerd. In 2026 worden de eerste proefvelden aangelegd en getest. Bij succes wordt dit de nieuwe standaard voor duurzame sportvelden in Amsterdam, een aanpak die ook breder inzetbaar is voor circulair inkopen en samenwerking met de markt. Tenslotte is er begonnen met digitalisering van het tekeningenbeheer. Dit legt een solide basis voor inzicht in de mogelijkheden voor toekomstig hergebruik van materialen uit gemeentelijke panden en hoe renovaties het meest efficiënt kunnen worden ingepland en uitgevoerd. Uiteindelijk maakt dit ook het gebruik van materialenpaspoorten op andere plekken in de organisatie mogelijk (R2).

Circulaire inrichting en beheer van de openbare ruimte Materiaalgebruik in de openbare ruimte, zoals verhardingen, lantaarnpalen en civiele constructies, is verantwoordelijk voor 39 procent van de totale gemeentelijke CO₂-uitstoot. Doordat de gemeente zelf bepaalt hoe de openbare ruimte wordt ontworpen en welke materialen worden ingekocht, kan zij grote invloed uitoefenen op hoe circulair de uitvoering wordt. En dat is goed nieuws, want Amsterdam staat voor grote veranderingen: misschien wel eén op de drie straten gaat komende jaren open voor het warmtenet, de verdichtingsopgave of een herinrichting, terwijl ook het groot onderhoud gewoon door gaat.

Waar staan we nu? Circulair werken in de openbare ruimte ligt goed op koers (G6). Dit vergt directieoverstijgende samenwerking en dat gebeurt ook. Zo werken collega’s vanuit verschillende onderdelen van de organisatie samen in een versnellingsteam dat interne barrières voor circulair werken wegneemt en kansen benut om de transitie te versnellen. Eén van de pijlers van dit succes is de werkgroep die in kaart bracht hoe we als interne keten systematisch kunnen innoveren en daarmee de begrenzingen van versnippering en projectmatig werken doorbreken. Concrete voorbeelden zijn standaard toepassing van de Quickscan Circulair, het aanstellen van een materialenmakelaar, de toepassing van de Milieukostenindicator, CO₂ -grenswaardes en CO₂ -beprijzing bij investeringsbesluiten. Hoe complex dit type veranderingen is, blijkt wel uit het feit dat de pilot emissiearm beton uitgevoerd wordt door een team samengesteld uit collega’s van zeven directies. Deze pilot moet dan ook meteen een blauwdruk opleveren hoe directieover­ stijgende innovatie, gericht op de praktijk, vormgegeven kan worden. Op veel plekken worden standaarden al aangepast om circulair werken te stimuleren, bijvoorbeeld door duurzaamheidscriteria toe te voegen aan moederbestekken en intakeformulieren. In de openbare ruimte is het Goed Oud Eerst-principe inmiddels leidend, wat zichtbaar heeft geleid tot meer hergebruik.

Dit betreft vaak aanpassingen achter de schermen die pas later in de praktijk zichtbaar worden, zoals bij het succesvolle traject Hergebruik

Tenzij met een innovatieve samenwerkingsovereenkomst (SOK) voor verhardingen. Ondanks deze mooie resultaten en de voortgang in de implementatie zijn we in de openbare ruimte in 2026 ook nog niet in staat om 100 procent circulair te werken. De volgende stap is opschaling naar andere assetgroepen, zoals civiele constructies, straatmeubilair en verlichting. En er liggen nog talloze andere kansen om circulaire principes te standaardiseren, bijvoorbeeld door nieuwe tools en afwegingskaders te ontwikkelen die duurzame keuzes ondersteunen bij materiaalgebruik, aanbestedingen en ontwerp.

Lessen en aanbevelingen - Gebouwde omgeving Lessen ƒ Hergebruik in de openbare ruimte leidt tot enorme milieu- en financiële besparingen. Hergebruik tenzij bespaart nu al veel kosten en zal de komende jaren nog veel meer opleveren, ook qua milieuwinst. Zeker als verdere implementatie naar assets zoals stenen, verlichting en straatmeubilair tot uitvoer komt. Het bieden van meerjarige zekerheid voor de bijbehorende investeringen vergroot de kans van slagen en maakt circulair werken in de openbare ruimte rond 2030 mogelijk zonder meerkosten. ƒ Integrale en meerjarige samenwerking en partnerschappen versnellen de transitie. Samenwerking met consortia, de bouwketen en andere partners blijkt cruciaal om circulaire ambities te realiseren. Het MRA Houtbouwconvenant, het Innovatieplatform schoolgebouwen en de SOK 2.0 Verhardingen laten zien dat meerjarige afspraken en gezamenlijke inspanningen leiden tot concrete resultaten. Het verenigen van kennis, ketenpartners en middelen, zoals bij woningcorporaties en het mkb, is essentieel, maar vraagt om maatwerk vanwege verschillen in tempo en behoeften. ƒ Standaarden en richtlijnen zijn effectief en nodig om circulariteit te verankeren in gemeentelijke processen, maar niet voldoende.

Het gebruik van gedeelde standaarden helpt om circulaire en biobased bouwmethoden beter te verankeren in gemeentelijke processen.Voorbeelden hiervan zijn Het Nieuwe Normaal en een PvE Duurzaamheid bij inkoop, gronduitgifte en aanbestedingen. Ook is het bijzonder effectief gebleken om sjablonen (bijvoorbeeld van moederbestekken of intake/startformulieren)

33

Voortgang, lessen en aanbevelingen per programmaonderdeel | Uitvoeringsagenda Circulaire Economie 2023–2026

ƒ

ƒ

ƒ

ƒ

te voorzien van duurzaamheidsvragen en circulaire principes (refuse, reduce, reuse). Tegelijk zien we dat actieve communicatie, kennisdeling en training nodig is om onder andere ontwerpers en beleidsmakers, CO₂-impact van bouwprojecten mee te laten nemen in stedenbouwkundige plannen. Data en digitalisering kunnen erg behulpzaam zijn voor goede monitoring. Betere databeschikbaarheid en digitale tools maken het mogelijk om scherper te sturen op de impact van bouwprojecten. Ze kunnen bovendien tot kostenbesparing leiden door het voorkomen van onnodige vervanging of onderhoud. Monitoring via de Emissietool binnen de SOK 2.0 Verhardingen werkt goed. Op dit moment is de gemeente afhankelijk van marktpartijen voor digitale ontwerptools en ontbreekt een robuust digitaal systeem voor materialenbeheer en hergebruik. Wet- en regelgeving werken soms beperkend. De gemeente is voor een groot deel afhankelijk van landelijke regelgeving om circulaire ambities te realiseren, zoals een strengere MPG-norm en CO₂-beprijzing. Subsidievoorwaarden en landelijke eisen, zoals isolatiewaarden, sluiten vaak niet aan bij circulaire en biobased oplossingen, wat opschaling belemmert. Bij transformatieprojecten, die een groot deel van de woningbouwproductie uitmaken, kan de gemeente slechts stimuleren en niets afdwingen, wat de verduurzaming vertraagt.

Vraag naar biobased bouwmaterialen is groter dan regionaal geproduceerd kan worden. Hoewel het landelijk gebied rondom Amsterdam veel potentie heeft om een rol te spelen in een regionale biobased economie, kan het niet zelfstandig voldoende produceren om aan de vraag naar bouwmaterialen te voldoen. Lokale initiatieven, zoals het gebruik van lisdodde in icoon­ projecten, kunnen wél bijdragen aan bewustwording. Het ontbreken van een structurele terugkoppeling van geleerde lessen naar beleid en nieuwe projecten belemmert verdere vooruitgang. Waar de gemeente directe invloed heeft, zoals bij gronduitgifte en aanbesteding, zijn al successen geboekt. Toch blijven interne processen vaak complex en gefragmenteerd. Er is hoge werkdruk en weinig tijd voor reflectie. Bovendien zijn opdrachtgeverschap en beslissingbevoegdheid niet altijd helder. Door vroegtijdig expertise, mandaat en afstemming te regelen,

ƒ

ƒ

ƒ

ƒ

ook met externe partijen zoals het Waterschap en Liander, worden faalkosten, milieubelastende materialen en het opnieuw openbreken van pas bestraatte wegen voorkomen. Financiering is een knelpunt voor circulaire oplossingen. Circulaire alternatieven vragen vaak aan de voorkant een hogere investering. CO₂-beprijzing en innovatieve waarderingsmethoden, zoals het berekenen van vermeden kosten, total cost of ownership en restwaarde-bepaling kunnen de financiële meerwaarde van circulaire investeringen concreet maken, maar worden nog onvoldoende toegepast. Tot zes lagen kan houtbouw goed worden toegepast. Gestapelde houtbouw tot maximaal zes lagen (in hout) kan de CO₂-impact van gebouwen aanzienlijk verminderen en aansluiten bij de doelen van Parijs. Hoogbouw met meer dan zes houtbouw lagen blijft echter een uitdaging. Lange adem nodig voor zichtbare impact. De lange doorlooptijd van bouwprocessen (5-10 jaar) vertraagt de zichtbare impact van nieuw beleid. Invloed op transformatie is beperkt. Bij nieuwbouw kunnen eisen worden gesteld, maar bij transformatie (circa 80 procent van de woningbouwproductie) kan de gemeente circulariteit slechts stimuleren. Afdwingen is als gevolg van landelijke regelgeving niet mogelijk.

ƒ

ƒ

ƒ

ƒ

Aanbevelingen ƒ Neem circulaire criteria standaard op. Bij aanbestedingen, tenders en inkoopprocessen kan de gemeente haar invloed maximaal benutten door opdrachtgevers circulaire criteria verplicht mee te laten nemen. ƒ Stel meetbare doelen en een helder afwegingskader op voor scope 1, 2 en 3-emissies. Zorg voor doorvertaling van de stedelijke 2030 en 2050 doelstellingen op directie- en projectniveau. Door naast scope 1 en 2 ook scope 3 mee te nemen, wordt het mogelijk om te sturen op de meest impactvolle interventies in de gehele keten. We voorkomen daarmee dure investeringen in maatregelen die op het geheel niet het meest effectief zijn. Dit kan verder vormgegeven worden door criteria en normen op te stellen voor

ƒ

de verschillende inkoopdomeinen. Zo verankeren we circulair werken ook in onze KPI’s. Versterk ontwikkeling circulaire financieringsmethodieken. Maak circulaire investeringen structureel aantrekkelijker door het waarderingskader aan te passen: neem CO₂-beprijzing, restwaarde en vermeden kosten standaard mee in investeringsbesluiten via total cost of ownership. Het is belangrijk om deze principes verplicht door te vertalen naar projecten, bijvoorbeeld door CO₂-budgetten te koppelen aan investeringen. Investeer om Hergebruik Tenzij écht de standaard te maken en uiteindelijk te besparen. Om vol te kunnen profiteren van de potentiële besparingen door hergebruik in de openbare ruimte zijn investeringen nodig in ruimte, materieel (robots), mensen (materialenmakelaars) en een voorraadbeheersysteem. Intensiveer samenwerkingen om vraag naar biobased en secundaire materialen te stimuleren. Bouw de samenwerking met woningcorporaties, projectontwikkelaars en andere gemeenten verder uit en formuleer gezamenlijke doelstellingen met aandacht voor criteria zoals circulair demonteren, hergebruik van gebouw­ onderdelen met hoge milieu-impact en een minimumpercentage gerecycled materiaal. Ontwikkel een integraal beleidsinstrument gericht op een circulaire gebouwde omgeving.

Om circulair bouwen en ontwerpen verder op te schalen is verankering in de werkprocessen binnen het fysieke domein noodzakelijk. Maak daarom afspraken over rollen, verantwoordelijkheden en meetbare doelen. Met aandacht voor het afwegen van conflicterende (duurzaamheids)ambities en dilemma’s. En leg dit vast in een integraal beleidsinstrument zoals een Thematisch Omgevingsprogramma op het gebied van circulariteit. Waarborg ruimte voor de circulaire economie in stedenbouw en planvorming. Stel een meerjarig implementatieplan op als vervolg op de verkenning Amsterdam maakt ruimte voor de Circulaire Economie met daarin ruimtelijke en economische afwegingen. Werk daarin ruimtelijke principes uit, zoals één circulaire voorziening per aantal huishoudens en ruimte voor gemeenschap­ pelijke voorzieningen op buurtniveau.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16521645/1