2. Toelichting en Regels.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan 8e Herziening Landelijk Noord
Vastgesteld
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan 8e herziening Landelijk Noord
Colofon
Opdrachtgever
I. van Iterson
Opdrachtnemer
Ruimte en Duurzaamheid
IMRO_idn
NL.IMRO.0363.N2004BPSTD-VG01
Datum print
17 Augustus 2021
Planstatus
vastgesteld
blz. 3
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1
5 Inleiding
7
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Ligging plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
7 7 8 8
Hoofdstuk 2
Ruimtelijk beleidskader
9
Inleiding Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal en gemeentelijk beleid
9 9 10 18
Planbeschrijving
21
3.1 3.2
Huidige situatie Toekomstige situatie
21 21
Hoofdstuk 4
Sectorale aspecten
23
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13
Inleiding Verkeer en parkeren Wegverkeerslawaai Bodem Archeologie Cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Luchtkwaliteit Water Ecologie Milieueffectrapportage Eindconclusie
23 23 24 26 30 31 31 33 34 36 42 45 46
Hoofdstuk 5
Juridische plantoelichting
47
Algemeen Opbouw regels Bestemmingen Algemene regels Overgangs- en slotregels
47 47 47 48 49
Uitvoerbaarheid
51
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid
51 51
2.1 2.2 2.3 2.4 Hoofdstuk 3
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 Hoofdstuk 6 6.1 6.2
Bijlagen toelichting
53
Bijlage 1
Memo stikstofberekening
55
Bijlage 2
Aeriusberekening aanlegfase
59 Gemeente Amsterdam
blz. 4
Bijlage 3
Aeriusberekening gebruiksfase
67
Bijlage 4
Aanwijzing rijksbeschermd dorpsgezicht Holysloot
73
Bijlage 5
Verkennend bodemonderzoek
77
Bijlage 6
Aanvullend bodemonderzoek
137
Bijlage 7
Nader bodemonderzoek
225
Bijlage 8
Beoordeling nader onderzoek Omgevingsdienst
289
Bijlage 9
Archeologische Quickscan Dorpsstraat 43
293
Bijlage 10
Archeologisch besluit Dorpsstraat 43
295
Bijlage 11
QuickScan Flora en Fauna
297
Bijlage 12
Onderzoek wegverkeerslawaai
305
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Hoofdstuk 3
343 Inleidende regels
344
Begrippen Wijze van meten
344 349
Bestemmingsregels
350
Tuin Wonen Waarde - Archeologie - 1 Waarde - Archeologie - 6 Waarde - Cultuurhistorie
350 351 353 355 357
Algemene regels
358
Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Artikel 9 Algemene bouwregels Artikel 10 Algemene gebruiksregels Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
Artikel 11 Overgangsrecht Artikel 12 Slotregel
bestemmingsplan_8e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
358 359 360 362 362 363
blz. 5
Toelichting
Gemeente Amsterdam
blz. 6
bestemmingsplan_8e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 7
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De initiatiefnemer is voornemens één woning te realiseren aan de Dorpsstraat te Holysloot tussen nummer 41 en 43 in de gemeente Amsterdam. Op het perceel bevinden zich nu twee schuren en een hooiopslag. De oppervlakte van deze agrarische bebouwing is 286 m2.
Op basis van het geldende bestemmingsplan is het mogelijk om een agrarische bedrijfswoning op het perceel te realiseren. Deze is tot op heden niet gebouwd. Op basis van artikel 6.9 lid 2 van de Omgevingsverordening NH2020 is het mogelijk om op het perceel waar (planologisch) een agrarische bedrijfswoning is toegestaan, een burgerwoning te realiseren. Hiervoor wordt de bestaande agrarische bebouwing gesloopt. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, is een nieuw bestemmingsplan opgesteld.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen in het beschermd dorpsgezicht van Holysloot, aan het lint van de Dorpsstraat tussen nummer 41 en 43. Ten noorden van het plangebied ligt het water 'Holyslooter Die' en ten zuiden van het plangebied liggen agrarische gronden.
Figuur 1.1 ligging plangebied (bron: Luchtfoto 2019, Kadaster)
Gemeente Amsterdam
blz. 8
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan 'Landelijk Noord'. Dit bestemmingsplan is op 26 juni 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam. Verder geldt het bestemmingsplan 'Drijvende bouwwerken' dat op 18 september 2019 is vastgesteld door de gemeente Amsterdam. Dit bestemmingsplan geeft regels voor woonboten en is voor voorliggend bestemmingsplan niet relevant.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het vigerende beleid weergegeven. Waarna in hoofdstuk 3 de huidige en toekomstige planologische situatie beschreven worden. In hoofdstuk 4 worden vervolgens de relevante milieuaspecten toegelicht. Hoofdstuk 5 komt de juridische planbeschrijving aan de orde. Hierin staat welke keuzes zijn gemaakt bij het opstellen van de regels. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
bestemmingsplan_8e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 9
Hoofdstuk 2 2.1
Ruimtelijk beleidskader
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een overzicht geboden van de ruimtelijk relevante beleidskaders voor het plangebied. Achtereenvolgens wordt ingezoomd op het geldende rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid. Samen vormen deze de beleidskaders waar binnen de beoogde ontwikkeling plaats dient te vinden.
2.2
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (2020) en Barro (2020) In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) formuleert het Rijk een nieuwe integrale aanpak waarin samen met andere overheden en organisaties optimaal kan worden gewerkt aan behoud van een gezond, leefbaar en economische sterk Nederland. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen spelen de volgende vier prioriteiten de komende een grote rol in de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving van Nederland: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Nationale belangen De NOVI is vertaald in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Deze gaat echter pas in zodra de omgevingswet in werking treedt. De voorloper van het BKL is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuurnetwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.
Toetsing en conclusie Het NOVI en het Barro kenmerken zich door een hoog abstractieniveau en bevatten geen concreet beleid ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Er is geen sprake van strijdigheid met het nationaal beleid.
Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling (art. 3.6.1 Bro, juli 2017) Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden.
Gemeente Amsterdam
blz. 10
Toetsing en conclusie Gezien de geringe aard van de ontwikkeling (één woning) is er geen ladderplichtige onderbouwing noodzakelijk. Het gaat immers niet om een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening.
2.3
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie NH2050 - Balans tussen economische groei en leefbaarheid (vastgesteld, 19-11-2018) De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kúnnen investeren in een prettige leefomgeving. Omdat het leefbaar houden van Noord-Holland ook vraagt om grote investeringen in bijvoorbeeld het landschap, natuurontwikkeling en de transitie naar een duurzame energiehuishouding.
Sterke k ernen houden regio’s vitaal Dorpskernen als Holysloot (onderdeel van de Metropoolregio Amsterdam) horen bij het regionale netwerk, versterken dat en zijn aanvullend op wat de centrumstad te bieden heeft en andersom. Zij bieden een woon- en werkmilieu passend bij dit type kern. Het beleid is er op gericht om kernen hun eigen identiteit te laten behouden. Ontwikkelingen bij dorpskernen vinden zoveel mogelijk binnenstedelijk plaats, nabij OV-knooppunten.
Dorpskernen zorgen voor behoud van voorzieningen in het landelijk gebied Bij de dorpskernen lopen de functies en karakters van de vele kernen ver uiteen. Er worden in regionaal verband keuzes gemaakt over welke dorpskernen als voorzieningencentra (blijven) fungeren. Dit kan bijdragen aan het behoud van voorzieningen en de leefbaarheid in deze gebieden. Er is daarnaast een zeer divers beeld van de sociale cohesie (denk hierbij aan bijvoorbeeld een bruisend verenigingsleven) en ontwikkelkracht per kern. Dit vraagt daarom ook om maatwerk, in samenspraak met de lokale bevolking en ondernemers. Daar waar de kleinschalige en lokale vraag helder is (kwalitatief en kwantitatief regionaal onderbouwd) is het aan de regio om maatwerk te leveren met oog voor onder andere de natuur, agrisector, duurzaamheid en milieu.
Toetsing en conclusie Doordat de ontwikkeling in de kern van Holysloot plaatsvindt, wordt rekening gehouden met de eis zoveel mogelijk 'binnenstedelijk' te ontwikkelen. In een kleine kern als Holysloot draait het ook om sociale cohesie. De buurtbewoners zijn daarom gecontacteerd en geïnformeerd over de aanstaande ontwikkeling. Regionale afstemming is niet nodig, doordat er geen sprake is van een stedelijke
bestemmingsplan_8e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 11
ontwikkeling. In het ontwerp van de woning is rekening gehouden met het beschermde dorpsgezicht van Holysloot. Zo blijft de identiteit van het dorp behouden.
Omgevingsverordening NH2020 (geconsolideerd, 16-11-2020) + Wijzigingsbesluit herbegrenzing BPL (Bijzonder Provinciaal Landschap) en NNN (Natuurnetwerk Nederland) (06-04-2021) In de Omgevingsverordening NH2020 heeft de provincie regels gesteld om de provinciale hoofdbelangen uit de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 juridisch te borgen. Gemeenten moeten bij het maken van ruimtelijke plannen deze regels in acht nemen. De Omgevingsverordening is daarmee een kaderstellend instrument van de provincie voor gemeenten. Uit de Omgevingsverordening zijn voor het voorliggende bestemmingsplan alleen artikel 6.46, 6.59 en 6.9 relevant. De voorgenomen ontwikkeling wordt hierna aan deze artikelen getoetst.
Artikel 6.46 Bijzonder provinciaal landschap 1. De kernkwaliteiten van het Bijzonder provinciaal landschap zijn vastgelegd in Bijlage 6. 2. Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Bijzonder provinciaal landschap bevat regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten. 3. In afwijking van artikel 6.3 bevat het ruimtelijk plan geen regels die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. 4. Het ruimtelijk plan kan regels bevatten die een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, mits deze ontwikkeling de voorkomende kernkwaliteiten niet aantast. 5. De toelichting op het ruimtelijk plan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en een motivering van de wijze waarop wordt voldaan aan het tweede en, indien van toepassing, het vierde lid.
Toetsing Getoetst wordt aan het Bijzonder Provinciaal Landschap, zoals dat is vastgesteld op 16 november 2020. Het plangebied is gelegen binnen het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) in het landschap 'Waterland'. Ook valt het plangebied in de structuur van 'Stolpen'. Binnen dit gebied zijn nieuwe stedelijke ontwikkelingen niet toegestaan. Daarin voorziet dit plan ook niet. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk indien ze de kernkwaliteiten niet aantasten. Een bestemmingsplan binnen het BPL bevat regels ter bescherming van de daar geldende kwaliteiten. Hierna worden de kernkwaliteiten uit het BPL beschreven aan de hand van de provinciale kernwaarden.
Kernwaarde: Aardkundige en landschappelijke karakteristiek De aanwezige kernkwaliteiten zijn de natuurlijke veenwaterlopen en onregelmatige strookverkaveling van de veenweidepolders.
Gemeente Amsterdam
blz. 12
De kernkwaliteit van de natuurlijke veenwaterlopen wordt niet aangetast. Er worden geen wijzigingen aan de waterlopen doorgevoerd. Kleine oeveraanpassingen zijn geen aantasting van deze kwaliteit. Met de beoogde ontwikkeling wordt tevens geen aantasting van de onregelmatige strookverkaveling bewerkstelligd. Het verkavelingspatroon wordt niet gewijzigd en, zoals hiervoor aangegeven, wijzigt er niets aan de waterlopen met deze ontwikkeling.
Kernwaarde: Openheid en ruimtelijke beleving Ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot (verdere) verdichten of verrommeling worden gezien als aantasting van de ruimtelijke kwaliteit 'open ruimte en vergezichten' in dit gebied. Met de beoogde ontwikkeling wordt juist verrommeling tegengegaan en is geen sprake van verdere verdichting in het lint van Holysloot.
Het plangebied kenmerkt zich niet als geschikt habitat voor weidevogels. Het tast deze kernkwaliteit ook niet aan.
Kernwaarde: Ruimtelijke dragers De aanwezige kernkwaliteiten in het plangebied zijn: korte bebouwingslinten en stolpenstructuren.
Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk binnen de korte bebouwingslinten mits er voldoende doorzichten blijven bestaan en ze zorgvuldig worden ingepast in de karakteristiek van het lint. Er is geen sprake van tweedelijnsbebouwing met de beoogde ontwikkeling. De bebouwing wordt juist ingepast in de karakteristiek van het lint. Hiervoor wordt het bouwvlak zelfs iets naar de straat getrokken, zodat de bebouwing niet te ver naar achteren staat ten opzichte van de overige bebouwing in het lint. Met de ontwikkeling worden geen bestaande doorzichten geblokkeerd. Hier was reeds bebouwing toegestaan en aanwezig.
Het stolpensilhouet van Holysloot wordt niet aangetast doordat de nieuwbouw zich aan bestaande gooten bouwhoogtes houdt. Ook wordt er geen stolpenbouwwerk gesaneerd. In dit plan zijn regels opgenomen om de goot- en bouwhoogtes vast te leggen.
Conclusie Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals omschreven in het BPL. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen als het realiseren van een woning op de locatie waar reeds een agrarische bedrijfswoning is toegestaan zijn goed mogelijk, mits er geen sprake is van aantasting van de kernkwaliteiten uit het BPL.
bestemmingsplan_8e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 13
Met de beoogde ontwikkeling worden de kernkwaliteiten uit het BPL niet aangetast. Bovendien wordt verrommeling van het perceel aangepakt. Dit komt de kernkwaliteit ruimtelijke beleving ten positieve. De bestaande dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' beschermd de kernkwaliteiten van het gebied. Deze dubbelbestemming is overgenomen in dit plan.
Artikel 6.59 Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied 1. Gedeputeerde Staten stellen de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vast, die de provinciale belangen beschrijft ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. 2. Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied, wordt in het ruimtelijk plan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a. rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; b. bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en c. bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren. 3. De toelichting van een ruimtelijk plan bevat een motivering waaruit moet blijken dat voldaan is aan het bepaalde in het tweede lid. 4. Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap of het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente kunnen de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling om advies vragen, ook in een vroeg stadium, inzake de locatieafweging of de ruimtelijke inpassing.
Toetsing Met het toevoegen van een woning ten koste van agrarische bebouwing wordt een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling toegevoegd. Van toepassing is in dit geval het Leidraad Landschap en Cultuurhistorie zoals vastgesteld op 10 april 2018. Het plangebied ligt in het ensemble 'Waterland'. Hierna wordt aan de Leidraad getoetst, waarbij rekening wordt gehouden met de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren. Deze kansen voor deze ambities en ontwikkelprincipes worden betrokken bij de ontwikkeling. De ontstaansgeschiedenis en provinciale kernwaarden van Waterland worden betrokken.
Ontstaansgeschiedenis Het veen in Waterland is ontstaan als veenkussen achter de strandwallen. Omstreeks 500 v.Chr. had dit veenpakket haar grootste omvang. De natuurlijke ontwatering vond plaats via veenstromen (dieën). De Holysloter Die is daar één van. Deze natuurlijke afwateringen zijn bepalend geweest bij de ontginning. Loodrecht op de veenstromen werden sloten gegraven, die de basis vormden voor het strookvormig verkavelingspatroon. Deze eeuwenoude verkaveling is nog vrijwel intact. Door de ontginning startte het proces van veenoxidatie en klink waardoor het maaiveld daalde. De ontginners trokken om die reden steeds verder het nog onontgonnen veen in en de nederzettingen verplaatsten mee. Een dergelijke ontwikkeling lijkt zich bij Holysloot niet te hebben voorgedaan. Door het grillige patroon van de veenstromen ter plaatse zijn slechts ondiepe ontginningsblokken ontstaan, die geen mogelijkheden tot verdere verschuivingen van de bewoning hebben geboden. Holysloot kan dan ook gezien worden als een Gemeente Amsterdam
blz. 14
van de weinige voorbeelden in Waterland van een ontginningsnederzetting in een vroege fase van de veenontginning. Kenmerkend hiervoor is het onregelmatige beloop van de weg door Holysloot, de Dorpsstraat.
Kernwaarden op grond van de Leidraad In de overzichtskaart van Waterland is de locatie aangegeven als dorpsrand. Gelegen aan een die aan de noordzijde en een veenpolderlandschap met slotenpatroon in het zuiden. In het lintdorp liggen verschillende stolpboerderijen.
Figuur 2.1 - Overzichtskaart Waterland (bron: provincie Noord-Holland)
Kijkend naar de kernwaarden, dan zijn dat voor dit ensemble: 1. de landschappelijke karakteristiek, 2. de openheid en ruimtebeleving en, 3. de ruimtelijke dragers.
De landschappelijke karakteristiek Het ensemble wordt grotendeels bepaald door een waterrijk veenpolderlandschap, bestaande uit onvergraven veen met een onregelmatig, vaak historisch verkavelingspatroon. Het is dooraderd met grillige veenwaterlopen (zoals de Holysloter Die), die karakteristiek zijn voor Waterland. Het veenpolderlandschap is in gebruik als grasland (veenweide).
bestemmingsplan_8e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 15
Voor de dorpen in het veenpolderlandschap heeft het water een belangrijke structurerende rol gespeeld. Verschillende dorpen, waaronder Holysloot liggen allen langs een waterloop. De nederzettingen van Holysloot liggen met de voorzijde langs de weg en met de achterzijde aan het water. In het dorp staan veel houten woningen die in een karakteristieke lichtgrijze kleur zijn geschilderd. De te realiseren woning wordt binnen een bestaand lint gebouwd en valt daarmee niet op in het open landschap van Waterland. Bestaande (vervallen) bebouwing wordt vervangen door een woning met het typische ontwerp wat kenmerkend is voor Waterland. De kernwaarde 'landschappelijk karakteristiek' wordt niet aangetast. Er is zelfs sprake van ruimtelijke kwaliteitsverbetering door het saneren van de oude bedrijfsbebouwing en het toevoegen van een woning in het typische ontwerp voor de regio Waterland.
De openheid en ruimtebeleving Het veenpolderlandschap heeft een open karakter, met incidenteel een onderbreking in de vorm van een klein lint of erf. De beleving van een doorlopende ruimte overheerst. In het gebied is nauwelijks sprake van opgaand groen, met uitzondering van de begroeiing rond de verspreid liggende agrarische erven. Beplanting langs wegen komt nauwelijks voor. Dit versterkt de openheid aanzienlijk. De openheid in Waterland is zeer kwetsbaar omdat bijna elke ruimtelijke ingreep zichtbaar is in het vlakke land. Door de onregelmatige verkaveling, het ontbreken van opgaande begroeiing in combinatie met de open vlakken van de dieën is het landschap uitermate afwisselend en aantrekkelijk maar tegelijk zeer open en ruimtelijk, als een oneindig landschap.
Door de realisatie van de woning in het bestaande lint van Holysloot wordt geen afbreuk gepleegd aan de openheid in Waterland. Bestaande bebouwing wordt vervangen door nieuwe bebouwing. Daarmee kan gesteld worden dat er wordt bijgedragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het lint. De woning wordt verder iets meer richting de weg gebouwd, buiten het voormalig agrarisch bouwvlak, zodat de woning vanuit stedenbouwkundig oogpunt beter past in het bestaande lint.
De ruimtelijke dragers Het bebouwingslint van Holysloot is een van de structuurdragers in het landschap. Onderdeel daarvan zijn de stolpenstructuren. Deze staan aan historische lijnen: wegen of vaarten. Het stolpensilhouet van Holysloot wordt niet aangetast doordat de nieuwbouw zich aan bestaande goot- en bouwhoogtes houdt. Ook wordt er geen stolpenbouwwerk gesaneerd.
Ambities op grond van de leidraad Voor het ensemble Waterland is de algemene ambitie om ruimtelijke ontwikkelingen: 1. bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek 2. bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en, 3. helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers.
Gemeente Amsterdam
blz. 16
Gelet op het perceel, zijn onderstaande ambities en bijbehorende ontwikkelprincipes vertrekpunt bij het streven naar ruimtelijke kwaliteit: a. De combinatie van dieën en veenlandschap met verschillende verkavelingsrichtingen maken Waterland uniek; b. De openheid van het landschap is karakteristiek, maar kwetsbaar. Het toevoegen van bebouwing is maatwerk.
De combinatie dieën en veenlandschap met verschillende verkavelingsrichtingen maken Waterland uniek De ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij 1) het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen binnen de ontginningsstructuur en 2) het intact houden van verkavelingsstructuur, slotenpatronen en oevers. Door deze kleinschalige ontwikkeling mogelijk te maken op een locatie waar ook al bestaande agrarische bebouwing aanwezig is en waar planologisch gezien een agrarische bedrijfswoning is toegestaan wordt de ontwikkeling goed ingepast in het bestaande lint. Zoals eerder gezegd wordt de woning daarbij iets meer aan de straatzijde gebouwd, zodat deze stedenbouwkundig gezien beter aansluit bij het dorpslint. De bestaande sloten worden gerespecteerd en er wordt ruimte gemaakt voor onderhoud van deze sloten door de woning op enige afstand van de sloot te situeren. Dit in tegenstelling tot de bestaande bebouwing, die tegen de sloot aan is gebouwd. De mogelijkheden tot onderhoud van de bestaande sloot worden hiermee verbeterd.
De openheid van het landschap is karakteristiek maar kwetsbaar. Het toevoegen van bebouwing is maatwerk De landschappelijke openheid is een grote kwaliteit van dit gebied. De ruimtelijke kwaliteit wordt gerespecteerd door in het bestaande lint te bouwen op een locatie waar bestaande bebouwing staat en waar een agrarische bedrijfswoning is toegestaan. De woning wordt gebouwd in karakteristieke Waterlandse stijl, maar heeft ook een eigen karakter waardoor het geen repeterend gezicht wordt in het dorp. De zichtlijn naar het veenpolderlandschap ten zuiden van het plangebied blijft behouden.
Conclusie Aan de hand van bovenstaande toelichting is de conclusie dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van artikel 6.59 van de Omgevingsverordening NH2020. Hiervoor is de ontwikkeling getoetst aan de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. Er is rekening gehouden met de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren. De kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes en de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren zijn betrokken bij de ontwikkeling.
Met de beoogde ontwikkeling is er sprake van een positieve impact op de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in het gebied. Stedenbouwkundig wordt de woning goed passend gemaakt in het bestaande dorpslint en er wordt gebouwd in Waterlandse stijl. Ook wordt er verder van de naastliggende sloot gebouwd, wat goed onderhoud van de bestaande sloot mogelijk maakt.
bestemmingsplan_8e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 17
Artikel 6.9 MRA Landelijk gebied 1. Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied MRA landelijk gebied niet voorzien in een kleinschalige woningbouwontwikkeling. 2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan voorzien in functiewijziging van een stedelijke functie of van een agrarisch bouwperceel naar wonen in de vorm van maximaal twee burgerwoningen, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. ter plaatse van de bestaande stedelijke functie of het agrarisch bouwperceel is ten minste één bedrijfswoning planologisch toegestaan; b. de functiewijziging naar een woonfunctie beperkt de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven niet; c. de bestaande bedrijfsbebouwing op de overige gronden wordt gesloopt en aan deze gronden wordt een bestemming toegekend zonder bouwmogelijkheden; en d. een tweede burgerwoning is alleen mogelijk als meer dan 1.500 m² grondoppervlakte aan bestaande bedrijfsbebouwing op het bestemmingsvlak wordt gesloopt.
Toetsing en conclusie Lid 2 van artikel 6.9 maakt het mogelijk dat een ruimtelijk plan in MRA Landelijk gebied kan voorzien in functiewijziging van agrarisch bouwperceel naar wonen. Daarbij dient wel aan de voorwaarden onder lid 2, a t/m c te worden voldaan. Op het perceel is momenteel één agrarische bedrijfswoning planologisch toegestaan. In hoofdstuk 4, paragraaf 4.7 van deze toelichting wordt onderbouwd dat de komst van deze woning de omringende agrarische bedrijven niet verder beperkt. Om de komst van de woning mogelijk te maken wordt alle bestaande bedrijfsbebouwing op dit perceel gesloopt. De woning en bijgebouwen worden aan de straatzijde net buiten het voormalig agrarisch bouwvlak gebouwd, zodat de woning vanuit stedenbouwkundig oogpunt goed binnen het dorpslint aansluit. Omdat er geen overige gronden in het spel zijn wordt automatisch aan sub c van lid 2 voldaan.
Stiltegebieden (Omgevingsverordening NH2020 - paragraaf 4.2.1) Het plangebied ligt in het midden van het stiltegebied Ransdorp Holysloot, zoals weergegeven in figuur 2.2. Voor eenieder geldt de zorgplicht in stiltegebieden, zoals aangegeven in artikel 4.1.3 uit de Omgevingsverordening.
Artikel 4.20 Zorgplicht voor stiltegebieden 1. Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in het werkingsgebied stiltegebieden geluid wordt voortgebracht in zodanige mate dat de heersende natuurlijke rust in dat gebied is of wordt verstoord, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten -behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan - dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde de verstoring te voorkomen of te beperken. 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de algemene zorgplicht zoals opgenomen in artikel 1.1a van de Wet Milieubeheer van toepassing is.
Gemeente Amsterdam
blz. 18
Figuur 2.2 - de groene vlakken zijn stiltegebieden, in rood het plangebied (bron: provincie Noord-Holland)
Toetsing De provincie heeft een verbod gesteld op bepaalde (recreationele) activiteiten. Het bestemmingsplan voorziet niet in functies die deze activiteiten mogelijk maken binnen het stiltegebied. Wel geldt de zorgplicht voor stiltegebieden.
2.4
Regionaal en gemeentelijk beleid
Structuurvisie Amsterdam 2040 'Economisch sterk en Duurzaam' (vastgesteld 17 februari 2011) De centrale ambitie van de Structuurvisie is dat Amsterdam zich verder ontwikkelt als kernstad van een internationaal concurrerende, duurzame, Europese metropool. Intensivering van het grondgebruik in de stad biedt aan tal van mensen woon- en werkruimte. Het betekent extra draagvlak voor voorzieningen, extra investeringen in de openbare ruimte en in recreatief gebruik van water en groen en efficiënter omgaan met energie en vervoer, zodat buiten de stad minder landschap hoeft te worden aangetast. De ambitie is om 70.000 woningen en bijbehorende voorzieningen toe te voegen tot 2040, een intensiever gebruik van de haven en huidige bedrijventerreinen te realiseren en ruimte te maken voor waterberging.
Toetsing en conclusie Er wordt niet of nauwelijks bijgedragen aan de ambitie 70.000 woningen te creëren in Amsterdam. De ontwikkeling past wel binnen het beeld van de groeiende stad, waarbij particulieren hun eigen woning realiseren.
bestemmingsplan_8e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 19
Afwegingskader grondwaterneutrale kelders (vastgesteld 20 januari 2021) Bij aanleg van (meerdere) nieuwe kelders kan het grondwater niet normaal stromen. Dit kan tot overlast en schade leiden doordat op sommige plekken het grondwater te hoog en op andere plekken te laag komt te staan. In bepaalde gebieden leidt dit tot mogelijke schade bij omliggende percelen. Amsterdam moet een veilige, gezonde en klimaatbestendige woonplek zijn voor iedereen. Daarom is het afwegingskader opgesteld. In gebieden waar grondwaterproblemen spelen worden straks alleen aanvragen voor het aanleggen van een kelder goedgekeurd als die voldoen aan de eisen van een grondwaterneutrale kelder. Zo beschermen we stad en woningen tegen de ongewenste effecten van de aanleg van kelders in kwetsbare gebieden in Amsterdam.
In alle buurten van Amsterdam zijn de belangrijkste eigenschappen van de bodem in kaart gebracht (zoals samenstelling van de bodem, de grondwaterstand, hoe het grondwater stroomt en hoe er gebouwd is). De situatie verschilt per buurt. Het effect van een kelder op de grondwatersituatie is daarom ook verschillend. Het risico op te hoge grondwaterstand, te lage grondwaterstand en onherstelbare schade is in sommige buurten veel groter dan in andere. Per buurt is daarom gekeken of het mogelijk is om grondwaterneutrale kelders aan te leggen en zo ja welke maatregelen daarvoor nodig zijn. Het nieuwe afwegingskader wordt opgenomen in een paraplubestemmingsplan, dat betekent dat de nieuwe regels straks gelden voor alle aanvragen voor het aanleggen van kelders onder woningen en andere gebouwen in Amsterdam. Nadat het door de raad vastgestelde parapluplan bekend is gemaakt, zijn de nieuwe regels voor vergunningen voor kelders van kracht.
Het plangebied is gelegen in het gebied waar de realisatie van nieuwe kelders in beginsel niet wordt toegestaan, vanwege de aanwezigheid van zogenoemde opbarstrisico's.
Toetsing en conclusie In afwachting van de vaststelling van het genoemde paraplupbestemmingsplan, is in dit bestemmingsplan de geldende regeling (uit bestemmingsplan Landelijk Noord) gecontinueerd. Bij (reguliere burger)woningen is het bouwen van ondergrondse ruimte niet bij recht toegestaan. Deze regeling zal komen te vervallen c.q. worden vervangen zodra het paraplubestemmingsplan is vastgesteld. Eerdere implementatie in dit bestemmingsplan is niet mogelijk omdat de exacte voorwaarden voor het al dan niet kunnen toestaan van een kelder nog niet bekend zijn. Een kelder is overigens niet voorzien in het bouwplan voor de nieuwe woning.
Gemeente Amsterdam
blz. 20
bestemmingsplan_8e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 21
Hoofdstuk 3 3.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
Midden in het beschermd dorpsgezicht van Holysloot ligt een agrarisch bestemd perceel met hierop twee schuren en een hooiopslag. Op het perceel staat in totaal 286 m² aan agrarische bebouwing. Aan de noordkant grenst het perceel aan het Holysloter Die en aan de zuidkant wordt het perceel ontsloten door de Dorpsstraat. Aan weerszijden wordt het perceel verder ingesloten door burgerwoningen aan de Dorpsstraat 41 en 43. Het is toegestaan een bedrijfswoning te bouwen op het perceel. Deze is echter nooit gerealiseerd.
3.2
Toekomstige situatie
De initiatiefnemer is voornemens één burgerwoning met schuur te realiseren op het perceel, met een grondoppervlak van respectievelijk 77 m2 en 21 m2 groot. Hiervoor dient alle bestaande bebouwing gesloopt te worden. In figuur 3.1 is het ontwerp van de woning afgebeeld en in figuur 3.2 zijn de ontwerp aanzichten van de te realiseren woning opgenomen. Omdat Holysloot is aangewezen als een beschermd dorpsgezicht is het noodzakelijk dat de woning aansluiting vindt bij de waarden en kwaliteiten van dit dorpsgezicht.
Gemeente Amsterdam
blz. 22
Figuur 3.1 - ontwerp woning
Figuur 3.2 - ontwerp van de woning
bestemmingsplan_8e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 23
Hoofdstuk 4 4.1
Sectorale aspecten
Inleiding
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
4.2
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Aan de hand van de kencijfers van het CROW dient inzichtelijk te worden gemaakt wat de te verwachten verkeersgeneratie is als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Daarnaast wordt op basis van de nota 'Nota parkeernormen auto (gewijzigd november 2017)' de parkeerbehoefte bepaald. Het plangebied heeft een niet stedelijk karakter op basis van de adressendichtheid en de locatie ligt in de dorpskern van Holysloot.
Onderzoek Ontsluiting Het plangebied ligt in het buitengebied van Amsterdam en in de (kleine) kern van Holysloot. In het dorp ligt één straat, de Dorpsstraat. Hier geldt een maximumsnelheid van 30 km/u. Het plangebied wordt alleen ontsloten door de Bloemendalergouw die in zuidelijke richting via Ransdorp naar Amsterdam gaat. De Bloemendalergouw is een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 60 km/u.
Openbaar vervoer Het plangebied is slecht te bereiken met het openbaar vervoer. In het dorp is één bushalte, waar ieder uur een belbus stopt. Het dorp ligt verder vrij ver afgelegen van andere ov-knooppunten.
Langzaam verkeer Op de wegen rond het plangebied deelt het fiets- en voetgangersverkeer de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer.
Parkeren Voor woningen geldt binnen 'C-locaties' een maatwerk parkeernorm. C-locaties zijn door de gemeente
Gemeente Amsterdam
blz. 24
aangewezen locaties en zijn zeer diverse gebieden met uiteenlopende kenmerken waarvoor nog geen plannen zijn en waar maatwerk uitgangspunt is. Bij sloop/nieuwbouw gelden de normen voor nieuwbouw. Hierbij moet worden voldaan aan de minimumnorm voor C-locaties en deze moeten op eigen terrein wordt gerealiseerd. Voor C-locaties geldt geen minimumnorm. Die minimumnorm is maatwerk. Gezien de mindere bereikbaarheid per openbaar vervoer van C-locaties gaat uit van één parkeerplaats per woning. Daar mag gemotiveerd naar boven en naar beneden van worden afgeweken. In het ontwerp worden twee parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Omdat het verder in de straat lastig parkeren is wordt aangeraden om voor sociaal bezoek een derde parkeerplaats op eigen terrein te realiseren. Het parkeren van een fiets en/of scooter dient altijd op eigen terrein te gebeuren. Hiermee wordt aan de parkeernorm voldaan.
Verkeersgeneratie Op basis van CROW (Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381) geldt per woning (koop, huis, vrijstaand) een verkeersgeneratie van maximaal 8,2 mvt/etmaal. Voor deze ontwikkeling komt de verkeersgeneratie daarmee uit op maximaal 8 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Op het drukste uur van de dag wordt doorgaans maximaal 10% van de etmaalwaarde afgewikkeld. Dit is dus 1 mvt in het drukste uur. Deze geringe verkeerstoename zal naar verwachting geen negatieve gevolgen hebben op de omliggende ontsluitingswegen.
Conclusie Het plangebied is goed bereikbaar voor zowel gemotoriseerd verkeer als het fietsverkeer. In de parkeerbehoefte wordt voorzien middels twee parkeerplaatsen op eigen terrein. Indien er ruimte is wordt aangeraden een derde parkeerplek te realiseren voor sociaal bezoek. De verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling zal niet leiden tot structurele knelpunten in de verkeersafwikkeling. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkeling dan ook niet in de weg.
4.3
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning). bestemmingsplan_8e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 25
Artikel 110g De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor het plangebied is dit het geval. Er wordt in het onderzoek dan ook uitgegaan van 5db aftrek.
Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied (binnen de bebouwde kom) van de gemeente Amsterdam. Voor wegverkeerslawaai is het plan uitsluitend gelegen binnen de geluidzone van de weg Bloemendalergouw. Hier geldt een geluidzone van 200 meter breed. Het plangebied is tevens gelegen aan de Dorpsstraat, waar 30km/u gereden mag worden. Dit type weg vormt een afwijkende categorie binnen de Wgh. Formeel kan voor deze weg geen hogere waarde worden aangevraagd of verleend, aangezien de weg niet zone-plichtig is. Echter voor de waarborging van een goed akoestisch woon- en leefklimaat dient de geluidbelasting op de gevels van de nieuw te bouwen woning nabij de 30km/uur weg wel te worden bepaald. Derhalve is in het akoestisch onderzoek de geluidsbelasting voor de Dorpsstraat te Holysloot inzichtelijk gemaakt. Doordat er geen verkeersgegevens beschikbaar waren is uitgegaan van kencijfers van CROW (publicatie 317, kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). De verdeling van lichte, middelzware en zware voertuigen over dag-, avond- en nachtperiode is gebruik gemaakt van het rapport 'bepaling verkeersgegeven ten behoeven van de wet geluidhinder' van het ministerie van VROM. De verkeersgegevens zijn geaccordeerd door de gemeente Amsterdam. Daarnaast is rekening gehouden met het geluidbeleid van de gemeente Amsterdam, zoals verwoord in het document 'Amsterdams geluidbeleid 2016'.
Onderzoek In dit plan is alleen rekening gehouden met wegverkeerslawaai. De aspecten spoorweglawaai, luchtverkeerslawaai en industrielawaai zijn niet beschouwd. De zogenaamde 'nieuwe situatie' is getoetst aan normbestelling van de Wet geluidhinder en er is aangegeven wat hiervan de consequenties zijn. Op basis van de resultaten van deze toetsing is vervolgens beoordeeld of voor de woning extra geluidwerend maatregelen nodig zijn.
Voor de gezoneerde weg Bloemendalergouw geldt dat de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe overschrijdt. Voor de 30km/u weg de Dorpsstraat geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woning de richtwaarde met maximaal 6 dB overschrijdt aan de zuidzijde van de woning en met maximaal 2 dB aan de oostzijde van de woning. Op de andere gevels zijn de richtwaarden niet overschreden. Dat betekent Gemeente Amsterdam
blz. 26
dat de woning twee stille zijdes kent. Daarmee wordt de maximale ontheffingswaarde niet overschreden. Doordat deze weg een niet zoneplichtige weg betreft is een procedure voor hogere waarde niet aan de orde. Daarmee is het gemeentelijk geluidbeleid ook niet van toepassing.
Volgens het bouwbesluit dient de karakteristieke geluid van de gevel (Ga;k) voor de verblijfsgebieden in een woning minimaal de in het vastgestelde besluit hogere waarden opgenomen hoogst toelaatbare geluidsbelasting minus 33 dB te bedragen. Een gevel van een nieuwbouwwoning dient minimaal een Ga;k van 20 dB te hebben. Ondanks dat voor het onderhavige plan geen hogere waarde aangevraagd kan worden, wordt in het kader van een goed woon- en leefklimaat alsnog geadviseerd een aanvullend onderzoek uit te voeren ter bepaling van de geluidwering van de gevels. Geadviseerd wordt aan te sluiten bij voornoemde nieuwbouweis waarbij als hogere waarde de gecumuleerde geluidgevelbelasting exclusief correctie conform artikel 110g Wgh kan worden aangehouden. Kortom, er wordt gerekend met de gecumuleerde geluidgevelbelasting minus 33 dB.
Conclusie Voor de gezoneerde weg Bloemendalergouw geldt dat de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkel gevel van de nieuwe overschrijdt. Voor de 30km/u weg de Dorpsstraat geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woning de richtwaarde met maximaal 6 dB overschrijdt aan de zuidzijde van de woning en met maximaal 2 dB aan de oostzijde van de woning. Doordat deze weg een niet zoneplichtige weg betreft is een procedure voor hogere waarde niet aan de orde. Ondanks dat voor het onderhavige plan geen hogere waarde aangevraagd kan worden, wordt in het kader van een goed woon- en leefklimaat alsnog geadviseerd een aanvullend onderzoek uit te voeren ter bepaling van de geluidwering van de gevels. Hierbij kan worden aangesloten op voornoemde nieuwbouweis waarbij voor de hogere waarde de gecumuleerde geluidgevelbelasting exclusief correctie conform artikel 110g Wgh kan worden aangehouden.
4.4
Bodem
Beleid en Normstelling Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd.
Onderzoek Verkennend bodemonderzoek
bestemmingsplan_8e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 27
In augustus 2017 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 5). Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de bovengrond licht verontreinigd is met kobalt, nikkel, zink, lood, PCB, minerale olie en PAK. De bovengrond (klei) is licht verontreinigd met kwik, lood en PAK. De bovengrond (veen) was in eerste instantie sterk verontreinigd met zink en PAK en matig verontreinigd met lood en licht verontreinigd met nikkel, koper, molybdeen en kwik.
De ondergrond (veen) is niet verontreinigd met onderzochte parameters. De ondergrond (zintuigelijke olie) is licht verontreinigd met minerale olie. Het grondwater is licht verontreinigd met kobalt, nikkel, koper, zink, barium, lood, minerale olie, xylenen en naftaleen.
Het verkennend bodemonderzoek biedt geen uitsluitsel over de aanwezigheid van een sterke vervuiling. Daarom is aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 6). Ook zijn antropogene bijmengen aangetroffen in de monsters. Hiervoor is een asbestonderzoek uitgevoerd. Ook twee nog niet genoeg onderzochte deellocaties (greppel en puinpad) zijn hierin verder onderzocht.
Figuur 4.1 - locaties verkennend bodemonderzoek
Aanvullend bodemonderzoek
Gemeente Amsterdam
blz. 28
Op basis van de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er ter plaatse van: boring 06 sprake is van een geval van ernstige bodemverontreining met lood in de bovengrond (> 25 m³ met verontreinigde grond). De verontreiniging is horizontaal niet afgeperkt. boring 04 sprake is van een geval van ernstige bodemverontreining met zink in de boven-/ondergrond (> 25 m³ met verontreinigde grond). De verontreiniging is horizontaal en verticaal niet afgeperkt. boring 03 sprake is van een geval van ernstige bodemverontreining met PAK in de bovengrond (> 25 m³ met verontreinigde grond). De verontreiniging is horizontaal en verticaal niet afgeperkt.
In de ondergrond ter plaatse van het puinpad is in de klei een lichte verontreiniging met kwik, lood en PAK aangetroffen. In het ondergrondgedeelte met veen is een lichte verontreiniging met kobalt, nikkel, molybdeen, kwik, lood, minerale olie en PAK aangetroffen.
In de bovengrond van de greppel is een lichte verontreiniging met minerale olie aangetroffen. Er is op basis van de onderzoeksresultaten in de greppel geen sterke verontreiniging met minerale olie aanwezig. Verder is op deze locatie wel sprake van drie gevallen van sterke verontreiniging met lood, zink en PAK. Deze verontreinigingen zijn niet volledig afgeperkt. Waarschijnlijk betreffen het gevallen van voor 1987, waardoor er geen saneringsplicht op rust.
Figuur 4.2 locaties aanvullend bodem- en astbestonderzoek bestemmingsplan_8e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 29
Asbestonderzoek Op deelgebied 1, het puinpad is geen asbest aangetroffen. Ook op deellocatie 2, het braakliggend terrein, is ondanks de aanwezigheid van een kleine niet gevaarlijke hoeveelheid asbesthoudend materiaal geen asbest aangetroffen. Er is geen sprake van bodemverontreiniging met asbest. Opgemerkt moet worden dat er op de locatie eventueel gemiste asbestnesten aanwezig kunnen zijn welke in het aanvullend onderzoek zijn gemist.
Indien de bestemming van de locatie gewijzigd wordt dient een saneringsplan/BUS-melding opgesteld te worden. Ten behoeven van het saneringsplan kan eventueel aanvullend bodemonderzoek naar de exacte verontreiningscontouren noodzakelijk zijn.
Nader bodemonderzoek Het verkennend en aanvullend bodemonderzoek uit respectievelijk Bijlage 5 en Bijlage 6 zijn beoordeeld door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Uit de reactie van de Omgevingsdienst bleek dat de informatie met betrekking tot de bodemkwaliteit in relatie tot de te wijzigen bestemming nog onvoldoende was. De omvang (en mate) van de verontreiniging met PAK in de grond en het grondwater ter hoogte van de toekomstige tuin (het voormalig puinpad) waren niet in kaart gebracht. Hiervoor is nader onderzoek geëist. Ook diende er een risicobeoordeling te worden toegevoegd om te bepalen of er sprake is van (on)aanvaardbare risico's. Dit nader onderzoek is opgenomen in Bijlage 7.
Uit het nader onderzoek is gebleken dat er sprake is van drie gevallen van ernstige verontreiniging: 1. ter plaatse van het voormalige puinpad is sprake van ernstige verontreiniging met PAK. Een sanering is op basis van de onderzoeksgegevens niet spoedeisend beoordeeld. In het onderzoek is de verontreiniging niet geheel in beeld. Daarvoor is nog extra onderzoek nodig. a. in het grondwater zijn sterk verhoogde concentraties PAK aangetoond. Hierbij gaat het om geringe overschrijdingen waarbij ook nog eens vermoedelijk het grondwater is onderzocht waardoor de verwachting is dat er geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging met PAK. Een nader onderzoek kan uitwijzen of dit klopt. 2. ter plaatse van het noordelijk terreindeel is circa 120 m³ bodemvolume sterk verontreinigd met zink. Een sanering is op basis van de onderzoeksgegevens niet spoedeisend beoordeel Een sanering is op basis van de onderzoeksgegevens niet spoedeisend beoordeeld. Om de verontreiniging beter in beeld te krijgen wordt aanbevolen aanvullen onderzoek uit te voeren. 3. ter plaatse van het zuidelijk terreindeel is circa 60 m³ bodemvolume sterk verontreinigd met zink en lood. Een sanering wordt hier op basis van de onderzoeksgegevens als spoedeisend beoordeeld. Ook hier wordt aanvullend onderzoek aanbevolen.
Aanbevolen wordt om een saneringsplan op te stellen voor de functiewijziging naar 'Wonen met tuin'. Hiervoor dient, zoals hierboven benoemd, nog aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd naar de exacte verontreinigingscontouren van de diverse gevallen van bodemverontreiniging. Ook wordt aanbevolen aanvullend grondwateronderzoek uit te voeren om de hypothese dat er geen geval van Gemeente Amsterdam
blz. 30
grondwaterverontreiniging met PAK op de locatie aanwezig is te toetsen.
Het nader bodemonderzoek is reeds beoordeeld door de Omgevingsdienst. Daarin wordt ook aangegeven dat er bij het voorgenomen bodemgebruik onaanvaardbare risico's zijn te verwachten ten aanzien van de loodvervuiling. Conform de Nota Bodembeheer Amsterdam 2019 (hoofdstuk 5 is er bij nieuwbouw sprake van een saneringsplicht. Voor de volledigheid is dit advies opgenomen in Bijlage 8.
Conclusie Duidelijk is dat er sprake is van ernstige bodemverontreiniging op enkele onderzoekslocaties met PAK, zink en lood. Voor lood zijn de te verwachten risico's onaanvaardbaar voor het beoogde gebruik. Er moet bij functiewijziging gesaneerd worden. Hiervoor dient een saneringsplan bij de Omgevingsdienst te worden ingediend. Er kan daarmee worden geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit plan.
4.5
Archeologie
Beleid en normstelling De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen met als uitgangspunt: 'de veroorzaker betaalt'.
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Onderzoek Het plangebied kent ter hoogte van de grondwerkzaamheden in het huidige bestemmingsplan een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie - 1'. Ter voorkoming van aantasting van aanwezige archeologische waarden is het verboden om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden uit te voeren van grondbewerkingen. Uit het opvragen van een archeologische quickscan (Bijlage 9) bij de gemeente Amsterdam volgt dat voor de planlocatie een uitzondering geldt voor archeologisch onderzoek bij bodemverstoringen kleiner dan 100 m² of dieper dan 50 cm. Zie ook Bijlage 10. De voorgenomen bodemingreep blijft grotendeels beperkt tot de bodem die bij de aanleg van de bestaande bebouwing is geroerd. De verstoring van de bodemoppervlakte is daarmee effectief 55 m². Er hoeft daarom geen archeologisch onderzoek plaats te vinden. Indien er zogenaamde archeologisch waardevolle toevalstreffers worden gevonden bij de werkzaamheden dan dienen deze volgens de Erfgoedwet te bestemmingsplan_8e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
blz. 31
worden gemeld bij Monumenten en Archeologie.
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Zogenaamde toevalstreffers dienen wel te worden gemeld.
4.6
Cultuurhistorie
Toetsingskader De voorgenomen ontwikkeling ligt in een gebied dat is aangewezen als het rijksbeschermd dorpsgezicht Holysloot. Het rijksbeschermd dorpsgezicht is gebaseerd op een aanwijzing van het toenmalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Deze aanwijzing is opgenomen in Bijlage 4.
Het plangebied kent de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie". Deze dubbelbestemming ligt op het gehele gebied dat is aangewezen als rijksbeschermd dorpsgezicht Holysloot. De dubbelbestemming is bedoeld voor de bescherming en veiligstelling van cultuurhistorische waarden. In relatie tot het plangebied is het belangrijk dat de kenmerkende (kleine) wooneenheden kort op de straat zijn gesitueerd. Het gaat om typische huizen voor de regio Waterland die ten delen uit hout zijn opgebouwd en op de begane grond uit bakstenen bestaan. De nederzetting wordt gevormd door een lintbebouwing langs de Holysloter Die. De oorspronkelijke agrarische functie is nog altijd van betekenis. De samenhang tussen het dorp en de directe omgeving is zowel in functioneel als in ruimtelijk opzicht zeer groot en waardevol. Door een aantal onbebouwde percelen en door de veelal tot op de Dorpsstraat doorlopende sloten en vaartjes zijn dorp en omgeving sterk met elkaar verweven. Het karakter van het oostelijk deel van Holysloot (waar de ontwikkeling plaatsvindt) wordt voornamelijk bepaald door de agrarisch functionerende bedrijven. In de bebouwing komt dit tot uiting in markante stolpboerderijen en kaakbergen.
Toetsing en conclusie De ontwikkeling vindt plaats in het bestaande lint, op een locatie waar een agrarische bedrijfsbestemming is toegestaan. De bestaande agrarische bebouwing oogt rommelig en wordt gesloopt. De woning wordt vlak aan de straat geplaatst, zodat deze past binnen de stedenbouwkundige opzet van het dorpslint. De woning wordt ook gebouwd in de stijl die typerend is voor de regio Waterland en zal daarmee het dorpsgezicht versterken.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen: ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
Gemeente Amsterdam
blz. 32
rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven.
Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.
Onderzoek In de beoogde situatie wordt een agrarische bedrijfsbestemming omgezet naar een burgerwoning. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. De ontwikkelingen vinden in het buitengebied plaats, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'rustige woonwijk'.
In de omgeving van de te realiseren woning ligt op 65 a 70 meter een agrarische bouwperceel voor een grondgebonden veehouderij/paardenfokkerij. Op zo'n 155 meter ligt het dorpshuis in een maatschappelijke bestemming en daarnaast op zo'n 160 meter ligt een horecabestemming met kleinschalige bed en breakfastvoorziening. Tevens is er een bedrijf in diervoeding aanwezig in het dorp, zoals voorkomend in categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Dit bedrijf ligt op 160 meter van het plangebied. Op zo'n 370 meter ligt nog een meubelmakerij met categorie 3.2. Er wordt voldaan aan alle opgestelde richtafstanden. Zie tabel 4.1 voor de richtafstanden.
Bovendien liggen tussen deze bedrijven en het plangebied al andere woningen. Op de planlocatie is bovendien al een bedrijfswoning toegestaan. De bedrijven worden dan ook niet meer belemmerd dan eerst.
Tabel 4.1 Afstanden tot bedrijven uit de VNG handleiding Omschrijving
Afstanden in meters
Geur
Stof
Geluid Gevaar
Grootste afstand
bestemmingsplan_8e herziening Landelijk Noord (vastgesteld)
Categorie
blz. 33
Meubelfabrieken 50 Fokken en houden van overige 50 graasdieren: paardenfokkerij/overig e graasdieren
30
100
30
100
3.2
30
30
0
50
3.1
Restaurants
10
0
10
0
10
1
Groothandel in akkerbouw en veevoeders
30
30
50
30
50
3.1
Conclusie Er wordt voldaan aan alle richtafstanden voor de hierboven genoemde bedrijven op alle aspecten. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen bedrijven belemmerd en ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.8
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Gemeente Amsterdam
blz. 34
Onderzoek In figuur 4.3 is te zien welke risicovolle inrichtingen er in de buurt van het plangebied zijn. Er zijn in de buurt geen risicovolle inrichtingen aanwezig met een externe werking. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is een pluimveebedrijf met een propaantank op zo'n 1,2 km. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied. Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via de weg, het spoor, over het water of door een buisleiding. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden.