2. Toelichting en Regels.pdf
Tekst van het document
In het grondwater ter plaatse van de voormalige assemblageruimte, op het zuidelijk gedeelte van de locatie, is een lichte verontreiniging met naftaleen aangetroffen, welke mogelijk kan worden gerelateerd aan de sterke verontreiniging met PAK in de ondergrond aan de zuidzijde van de locatie. Aanbevelingen Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten bestaat, conform de richtlijnen van de Wet Bodembescherming, aanleiding tot nader onderzoek, om inzicht te verkrijgen in de ernst (gehaltes) en de verspreiding van de sterke verontreinigingen met koper, lood, zink en PAK in de grond en/of het grondwater. Vanwege de aanwezigheid van stukjes asbesthoudend plaatmateriaal in bovengrond op het noordelijk gedeelte van locatie bestaat tevens aanleiding voor het uitvoeren van nader onderzoek asbest, volgens NEN5707. Indien bij de herinrichting van de locatie licht verontreinigde grond of verhardingmateriaal zal vrijkomen, buiten de matige tot sterke verontreinigingen, dient er rekening mee te worden gehouden dat hiervoor beperkte hergebruikmogelijkheden bestaan. De toepassingsmogelijkheden voor dit materiaal op een andere locatie dienen te worden bepaald aan de hand van de voorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit en/of de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente Amsterdam (regio Noordzeekanaalgebied). 4.1.2
Nader onderzoek
Op de locatie Hendrik Soeteboomstraat 36-38A te Amsterdam is een nader bodemonderzoek uitgevoerd, in verband met de aanvraag omgevingsvergunning voor de geplande nieuwbouw op de locatie. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen van de NTA 5755 / NEN 5707. Vanwege het huidige gebruik van de gebouwen op het noordelijk gedeelte van de locatie als woonruimte heeft inpandig geen nader onderzoek plaatsgevonden. Conclusies Op basis van de resultaten van het nader bodemonderzoek en het voorgaand onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Demping / aanvulling (oostzijde en zuidzijde locatie) bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
blz. 35
In het verleden heeft op de locatie een demping/aanvulling plaatsgevonden van delen van de watergangen langs de zuidzijde en de oostzijde van de locatie. In de onderlaag van de demping/aanvulling zijn sterke verontreinigingen met koper, lood, zink, PAK en asbest aangetroffen. Aan de hand van de resultaten van het nader onderzoek blijkt dat de sterke verontreinigingen voornamelijk worden aangetroffen in de ondergrond vanaf circa 1,0 meter beneden maaiveld, en zich uitstrekken tot een diepte van 2,0 à 2,5 meter beneden maaiveld. Zintuiglijk is in de dempinglaag aan de oostzijde van de locatie bijmenging van resten puin, hout en slib waargenomen, alsook plaatselijk resten plastic, textiel en asbesthoudend materiaal. In de dempinglaag aan de zuidzijde van de locatie is zintuiglijk zwakke bijmenging van slibresten en sporen puin waargenomen. De demping aan de oostzijde van de locatie is hoofdzakelijk aangetroffen binnen de grenzen van de kadastrale percelen AN1745 en AN1786, langs de watergang Twiske, met een oppervlakte van circa 300 m2. De demping aan de zuidzijde van de locatie is hoofdzakelijk aangetroffen binnen de grenzen van de kadastrale percelen AN1755 en AN1760, met een oppervlakte van circa 40 m2.
Uitgaande van een gemiddelde laagdikte van 1,25 meter bedraagt de omvang van de sterke verontreinigingen in de ondergrond ter plaatse van de oostelijke en de zuidelijke demping/aanvulling circa 425 m3. In het grondwater ter plaatse van de demping/aanvulling is plaatselijk een lichte verontreiniging met PAK aangetroffen en is een licht verhoogde concentratie barium gemeten, welke vermoedelijk kan worden beschouwd als een verhoogde achtergrondwaarde. Voor koper, lood en zink is geen verontreiniging aangetoond in het grondwater. Op basis van de resultaten van het grondwateronderzoek worden de sterke verontreinigingen met zware metalen en PAK in het dempingmateriaal als niet mobiel aangemerkt. Overig buitenterrein In de grond op overige gedeelte van het buitenterrein is een sterke verontreiniging met zware metalen (specifiek koper, lood en zink) geconstateerd. De sterke verontreiniging manifesteert zich voornamelijk in de bovenlaag en de tussenlaag, vanaf 0,3 à 0,5 meter beneden maaiveld, tot een diepte van circa 0,8 à 1,1 meter beneden maaiveld. In de dieper gelegen lagen zijn nog lichte verontreinigingen met zware metalen aangetoond. De sterke verontreinigingen hebben zich heterogeen verspreid over het noordelijk en het zuidelijk gedeelte van de locatie.
Aan de hand van een oppervlakte van circa 750 m2 en een gemiddelde laagdikte van circa 0,6 à 0,7 meter bedraagt de omvang van de sterke verontreiniging met zware metalen in de grond ter plaatse van het buitenterrein circa 450 à 525 m3. In het grondwater ter plaatse van het overige terreindeel zijn plaatselijk lichte verontreinigingen met minerale olie en vluchtige aromaten aangetroffen, en is een licht verhoogde concentratie barium gemeten, welke vermoedelijk kan worden beschouwd als een verhoogde achtergrondwaarde. Op basis van de resultaten van het grondwateronderzoek wordt de sterke verontreinigingen met zware metalen in de grond als niet mobiel aangemerkt. Aanbevelingen Op basis van de omvang van de sterke verontreiniging met zware metalen en/of asbest in de grond ter plaatse van de demping/aanvulling (circa 425 m3) en ter plaatse van het overige buitenterrein (circa 450 à 525 m3) is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Vanwege de technische, organisatorische en ruimtelijke samenhang worden de sterke verontreinigingen op beide terreindelen gezamenlijk als één geval van ernstige bodemverontreiniging in de grond beschouwd. Voor een geval van ernstige bodemverontreiniging bestaat een saneringsnoodzaak. Sanering van de bodem wordt actueel bij herinrichting of graafwerkzaamheden op de locatie. Voor de uitvoering van
Gemeente Amsterdam
blz. 36
werkzaamheden op of in de bodem dient een saneringsplan / BUS-melding te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag, op basis waarvan een beschikking kan worden genomen omtrent de voorgestelde saneringsmaatregelen. Omdat sprake is van immobiele verontreinigingen bestaat in beginsel de mogelijkheid om een sanering uit te voeren middels het aanbrengen van een leeflaag (van grond) of een afdeklaag (verhardinglaag). Voorafgaand aan de herinrichting dient rekening gehouden te worden met een nader onderzoek voor asbest ter plaatse van de bestaande bebouwing op het noordelijk gedeelte van de locatie (na sloop, middels sleuvenonderzoek). Hiernaast dient voor af te voeren grondstromen rekening te worden gehouden met onderzoek op PFAS. Indien bij de herinrichting van de locatie licht verontreinigde grond of verhardingmateriaal zal vrijkomen, buiten de contouren van het geval van ernstige bodemverontreiniging, dient er rekening mee te worden gehouden dat hiervoor beperkte hergebruikmogelijkheden bestaan. De toepassingsmogelijkheden voor dit materiaal op een andere locatie dienen te worden bepaald aan de hand van de voorwaarden van het Besluit Bodemkwaliteit en/of de voorwaarden van de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente Amsterdam (regio Noordzeekanaalgebied).
Saneringsplan Naar aanleiding van de sterke verontreiniging met zware metalen en asbest, alsook de voorgenomen herinrichting van de locatie is door LAWIJN advies & management een saneringsplan opgesteld. Het doel van het saneringsplan is het aangeven van de wijze waarop de bodemsanering dient te worden uitgevoerd. De omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) is het bevoegd gezag inzake de Omgevingswet, en dient in te stemmen met het saneringsplan. Het saneringsplan is als Bijlage 3 toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan.
4.2
Geluidhinder
In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald, dat bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan, of het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan voor het realiseren van nieuwe geluidgevoelige bebouwing binnen geluidzones van (spoor)wegen, middels een akoestisch onderzoek dient te worden aangetoond of ter plaatse de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient namelijk te worden voorkomen. In opdracht van Livingstone Welkom Thuis B.V. is door Wematech Milieu Adviseurs B.V. de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai bepaald. De volledige rapportage van het onderzoek is als Bijlage 4 toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan, hieronder volgen de belangrijkste bevindingen. Beoordeling In de omgeving van het plan zijn uitsluitend wegen met een maximale snelheid van 30 km/h gesitueerd. Voor deze wegen hoeft geen toetsing aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder plaats te vinden. Wel dient een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd te worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
Om te kunnen beoordelen of ter plaatse van de woningen een acceptabel woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd, is de geluidbelasting als gevolg van de relevante 30 km/h wegen (Hendrik Soeteboomstraat, Zuideinde, Cornelis Roosstraat, Jan Ringelstraat, Jacob Groenplantsoen, Hoopende Swaen en Walvisvaart) inzichtelijk gemaakt. Daarnaast kan overwogen worden of aanvullende maatregelen aan de gevels nodig zijn in het kader van het Bouwbesluit 2012 ondanks dat geen toets hoeft plaats te vinden aan de Wet geluidhinder.
bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
blz. 37
Ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden bepaald of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Hiervoor wordt aansluiting gezocht bij de classificering van de kwaliteit van de akoestische omgeving in een milieukwaliteitsmaat volgens het RIVM. In onderstaande tabel is de kwalificatie van het woon- en leefklimaat weergegeven. Geluidbelasting in dB
Indicatie geluidkwaliteit in de leefomgeving
< 45 dB
Zeer goed
45-50 dB
Goed
50-55 dB
Redelijk
55-60 dB
Matig
60-65 dB
Slecht
> 65 dB
Zeer slecht
Tabel 4.1 Beoordeling akoestische kwaliteit in woon- en leefklimaat Bouwbesluit 2012 In het kader van het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan de uitwendige scheidingsconstructie van nieuwe woningen. Op grond van artikel 3.2 geldt een minimale karakteristieke geluidwering van 20 dB voor een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied. Aangezien de Wgh niet van toepassing is op het plangebied en derhalve ook geen hogere grenswaarden aan de orde is, worden op grond van het Bouwbesluit, behoudens de minimale isolatie van 20 dB, geen aanvullende eisen gesteld aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie. Conclusie Aangezien in de omgeving van het plan geen geluidgezoneerde wegen zijn gesitueerd, is het aanvragen van hogere grenswaarden niet aan de orde. Hierdoor gelden vanuit het Bouwbesluit 2012 eveneens geen aanvullende eisen voor de geluidwering van de gevels. Uit het onderzoek blijkt dat de cumulatieve geluidbelasting als gevolg van de 30 km/h wegen ten hoogste 53 dB berekend wordt ter plaatse van de noordgevels, 47 dB ter plaatse van de west-/oostgevels en 39 dB ter plaatse van de zuidgevels van de woningen. Op grond van tabel 4.1 te kwalificeren als een redelijk tot zeer goed woon- en leefklimaat. Hierdoor wordt ter plaatse van de te realiseren woning een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Aanvullende maatregelen aan de gevels zijn niet noodzakelijk. Het aspect geluidhinder staat de uitvoering van voorliggend bestemmingsplan niet in de weg.
Gemeente Amsterdam
blz. 38
4.3
Water
Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water een sturende factor in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit en verdroging te voorkomen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen dan ook verplicht. Middels de waterparagraaf is onderzocht wat de waterhuishoudkundige consequenties zijn van de beoogde ontwikkeling aan de Hendrik Soeteboomstraat 36-38 te Amsterdam. Hierin wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. De volledige rapportage van de waterparagraaf is aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd als Bijlage 5. Hieronder volgen de meest relevante aspecten en conclusies uit de watertoets. Waterbeleid Europees waterbeleid Europese Kaderrichtlijn Water Met ingang van december 2000 is de "Europese Kaderrichtlijn Water" (KRW) van kracht. De Kaderrichtlijn moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. Met de komst van de Implementatiewet EG-Kaderrichtlijn Water, is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving.
De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden, waarmee een achttal wetten is samengevoegd tot één wet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet richt zich op de zorg voor waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterfuncties (zoals de drinkwatervoorziening). De wet biedt de basis voor het stellen van normen ten aanzien van deze onderwerpen. Verder bevat de wet regelingen voor het beheer van water. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Met als resultaat één vergunning; de watervergunning. Watervergunningen kunnen betrekking hebben op bouw- of aanlegwerkzaamheden bij water en dijken; lozen en onttrekken van water; varen, aanmeren en evenementen en plannen ten behoeve van natuur en recreatie en uitbreidingsplannen. Minstens zo belangrijk is dat zoveel mogelijk activiteiten onder algemene regels vallen.
In de regel komt dit neer op een meldingsplicht in plaats van een vergunningenprocedure. Niet alles is in algemene regels vast te leggen en voor deze activiteiten in, op, onder of over watersystemen is er de watervergunning Nationaal Water Programma 2022 - 2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma geeft een
bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
blz. 39
overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doen we voor de periode 2022 - 2027, maar we kijken ook verder vooruit. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaat adaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen we samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Provincie Noord-Holland Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027 In het Regionaal Waterprogramma geeft de provincie aan hoe zij zich inzet voor een goede waterkwaliteit, het op peil houden van de watervoorraad en de bescherming tegen overstromingen. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) Waterplan 2022 - 2027 Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is verantwoordelijk voor het waterbeheer in hun beheergebied en heeft hiertoe het Waterplan 2022 – 2027 (WBP) vastgesteld. In het WBP staat hoe het hoogheemraadschap haar taken in die periode uitvoert. Het hoogheemraadschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar.
Met het waterbeheer zorgt het hoogheemraadschap voor voldoende, gezond en schoon water om van te leven, er te werken en te recreëren, voor mens, dier en natuur. Tevens draagt het hoogheemraadschap bij aan maatschappelijke opgaven welke in het WBP zijn beschreven in vijf thema's. Dit zijn ruimtelijke adaptatie, omgevingswet, duurzaamheid, biodiversiteit en datagestuurd werken. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's c.q. speerpunten uit het waterbeheerplan en heeft het waterschap een verordening; de Keur en de Legger. Keur HHNK 2016 In de Keur staan de regels die het hoogheemraadschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Samen met de Waterwet, nationale en Europese wetgeving en de beleidsregels van HHNK vormt dit de basis voor de watervergunning. In de Keur wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. De Keur is onder andere van toepassing wanneer direct of indirect wordt geloosd naar een oppervlaktelichaam. Conform de Keur is het in beginsel verboden om zonder vergunning neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen.
Is er echter sprake van een verhardingstoename lager dan 800 m2, dan is er geen vergunning nodig en hoeft er geen melding te worden gedaan. Is de verhardingstoename groter dan 800 m2 en kleiner dan 2.000 m2, dan moet 10% van de verhardingstoename gecompenseerd worden. Daarnaast gelden er Algemene regels bij de Keur voor bepaalde handelingen of werken in en nabij waterstaatswerken van het hoogheemraadschap. Denk aan het aanleggen van werken en beplanting, het aanleggen van steigers, het aanleggen of vervangen van beschoeiing en het aanbrengen van
Gemeente Amsterdam
blz. 40
lozingswerk. In de meeste gevallen kan worden volstaan met een melding bij het hoogheemraadschap, ook zijn er situaties waarbij een algehele vrijstelling geldt. Geadviseerd wordt hier rekening mee te houden bij de verdere uitwerking van het plan en de dimensionering van de hemelwaterafvoer. Legger Waterkeringen De Legger Waterkeringen toont de ligging van de dijken, duinen en hoger gelegen gronden en de daarbij behorende beschermingszones. Nabij het plangebied ligt er een primaire en een regionale waterkering. Uit de legger blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen de beschermingszones van deze waterkeringen. Legger Wateren 2023
Figuur 4.1 Kaart Legger Wateren 2023 Uit de leggerkaart met oppervlaktewateren blijkt dat aan de oostzijde van het plangebied een primaire waterloop is gelegen en aan de zuidzijde een secundaire waterloop. Het onderhoud van de primaire waterloop is in beheer bij het hoogheemraadschap en van de secundaire watergang bij de gemeente. Het 'droog' onderhoud ligt bij de perceeleigenaren van de aangrenzende percelen. Beide waterlopen hebben een beschermingszone van 5 meter breed die over het plangebied liggen. Het voorgenomen plan voorziet onder andere in de aanleg van steigers in langs de oostzijde van het plangebied in de beschermingszone van de primaire waterloop 'Het Twiske'. Conform artikel 3.2 van de Keur HHHK 2016 is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie, of daarin handelingen te verrichten. In artikel 5 van de Algemene regels bij de Keur is een afwijkingsregeling opgenomen voor het zonder vergunning aanbrengen en/of vervangen en behouden van een steiger in een beschermingszone. Een melding is van toepassing als er kan worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
blz. 41
1. Per perceel wordt maximaal 1 werk in het oppervlaktelichaam aangebracht; 2. De steiger wordt niet verder dan tot 1,00 meter uit de oeverlijn aangebracht. De maximale lengte van de steiger langs de oeverlijn is 6,00 meter. 3. Steigers worden niet aangelegd binnen een afstand van 6,00 meter uit een ondersteunend kunstwerk (duiker, stuw, gemaal, et cetera) en op locaties voor het keren en te water laten van de maaiboot. 4. De steiger rust op een open constructie die geen deel uitmaakt van de beschoeiing, schanskorf en een ander oeververdedigingswerk van derden. 5. De hoogte van de onderzijde van de steiger ligt minimaal 0,20 meter boven het hoogst gehanteerde streefpeil van het oppervlaktelichaam. 6. Direct na voltooiing van de werkzaamheden krijgt het oppervlaktelichaam ter plaatse van het werk dezelfde afmetingen als het overige aansluitende deel en zonder achterlating van vaste stoffen. 7. De steiger wordt in goede staat onderhouden. 8. Het onderhoud van het oppervlaktelichaam onder en 1,00 meter rondom de steiger wordt verzorgd door de houder, belanghebbende of rechtsopvolger. 9. Ten minste 10 werkdagen voordat met de werkzaamheden wordt aangevangen, neemt de aanvrager contact op met de beheerder om de exacte plaats van de steiger te bepalen.
De steigers die in het plangebied mogelijk worden gemaakt zullen voldoen aan de bovenstaande voorwaarden uit artikel 5 van de Algemene regels bij de Keur. Voor het aanleggen van de steigers is daarom geen watervergunning nodig en kan er met een melding worden volstaan. Peilbesluit Waterlanden Het hoogheemraadschap heeft op 5 november 2013 de waterpeilen voor De Waterlanden vastgesteld. Het plangebied is gelegen in de Oostzaanpolder in peilgebied 5330-1, waarvoor een vast waterpeil van -1,45 m NAP geldt. Oostzaan heeft grondwatertrap I (GHG < 40 cm-mv en GLG < 50 cm-mv). De grondwaterstand in Oostzaan varieert van meer dan een meter onder maaiveld in het stedelijke gebied tot enkele decimeters in het landelijke gebied. Gemeentelijk beleid Omgevingsprogramma Riolering 2022-2027 Op 15 februari 2022 is door de gemeente Amsterdam het Omgevingsprogramma Riolering (OPR) 2022-2027 vastgesteld. Het OPR is de opvolger van het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam 2016-2021 en geldt sinds 25 maart 2022. In het OPR is het beleid voor de gemeentelijke taken voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater opgenomen. Het programma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 en is tot stand gekomen door de samenwerking tussen gemeente, Waternet en Amsterdam Rainproof. Het Omgevingsprogramma Riolering heeft als doel om de stad beter te laten omgaan met extreme neerslag.
Tot 2021 was de norm dat tenminste buien van 60 mm regenwater in een uur zonder schade konden worden verwerkt. Omdat buien steeds extremer worden, is de norm nu verhoogd naar 70 mm in een uur. Voor vitale infrastructuur, zoals het elektriciteitsnetwerk en belangrijke toegangswegen bijvoorbeeld tot een ziekenhuis, wordt een hogere norm van buien van 90 mm in een uur gehanteerd. De eigenaar van een perceel is primair verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater. Alleen als het niet redelijkerwijs kan, komt de gemeentelijke zorgplicht voor hemelwater in beeld. Om ook bewoners en bedrijven bij te laten dragen aan het regenbestendig maken van de stad is in 2014 Amsterdam Rainproof opgericht. Amsterdam Rainproof is begonnen als een netwerkprogramma, maar stelt zich nu meer activerend op waarbij klimaatadaptatie in de brede zin behandeld wordt, inclusief hittestress, droogte en overstromingen. Gemeente Amsterdam
blz. 42
In 2019 is een stresstest uitgevoerd waar een knelpuntenkaart uit voort is gekomen. Onderhavig plangebied is niet gelegen in of nabij een knelpunt. Hemelwater Amsterdam Rainproof heeft als lange termijn perspectief de stad in 2050 regenbestendig te laten zijn. In het Programmaplan Amsterdam Rainproof is hiervoor een aanpak uitgewerkt. Het hoofddoel van Amsterdam Rainproof is om de stad Amsterdam regenbestendiger te maken. Het perspectief is dat de stad zodanig is ingericht dat enerzijds hemelwater nuttig wordt gebruikt voor een aantrekkelijke en leefbare stad en anderzijds schade, wateroverlast of negatieve invloeden op de volksgezondheid door (zeer) hevige regen wordt tegengaan of beperkt. Het gaat daarbij zowel om de regenbestendige inrichting van de publieke als de private ruimte(n), die vooral tot stand is gekomen door het toepassen van kleinschalige, fijnmazige oplossingen. Op 9 mei 2021 is de Hemelwaterverordening Amsterdam vastgesteld. In de Hemelwaterverordening wordt verplicht dat bij nieuwbouw het regenwater op eigen perceel wordt opgevangen en verwerkt. Het is namelijk verboden om vanaf een gebouw hemelwater in openbaar riool of op de openbare ruimte te lozen.
Daarbij worden in een verordening een aantal voorwaarden gesteld waaraan de waterberging moet voldoen; de hemelwaterberging heeft tenminste een capaciteit van 60 liter per m2 bebouwd oppervlak, loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool en is na 60 uur leeg. Met het nieuwe Omgevingsprogramma Riolering 2022-2027 is de norm van 60 mm naar 70 mm verhoogd. Om te toetsen of een ontwerp of gebouw voldoet aan de eisen van de Hemelwaterverordening is een rekentool ontwikkeld, welke te vinden is op de website van Amsterdam Rainproof. De tool wordt gebruikt bij het verlenen van bouwvergunningen maar kan ook goed gebruikt worden als hulpmiddel in de ontwerpfase van gebouwen of in de aanloop naar een vergunningaanvraag. Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam wil de negatieve gevolgen van de aanleg van kelders voorkomen. Uit onderzoek van Waternet en het Ingenieursbureau van Amsterdam bleek dat in grote delen van de stad de effecten van (met name cumulatieve) kelderbouw negatief zijn. Door de barrièrewerking van meerdere kelders naast elkaar wordt de stand en stroom van het grondwater beïnvloed. Dit leidt tot onder- en overlast van het grondwater. Dit heeft negatieve gevolgen in de openbare ruimte en op particuliere percelen. Hiervoor is door de gemeenteraad in januari 2021 het ‘Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders’ vastgesteld.
Het Afwegingskader ziet primair op kelders kleiner dan 300 m2 en tot maximaal 4 meter diep; daarvoor voorziet het beleidskader in mogelijke standaardmaatregelen waarmee de grondwaterneutraliteit kan worden aangetoond. Een zodanig kleine kelder heeft op zichzelf beschouwd beperkte grondwatereffecten, meerdere van dergelijke kleine kelders leiden echter tot cumulatieve grondwatereffecten die mogelijk wel negatieve gevolgen voor het grondwater hebben. Voor grotere kelders (denk aan parkeerkelders of grote opslagkelders onder bedrijfsgebouwen) moet de grondwaterneutraliteit worden aangetoond door middel van een geohydrologisch rapport; het gaat hierbij om maatwerk. De gemeenteraad heeft op 7 oktober 2021 het paraplubestemmingsplan "Grondwaterneutrale Kelders" vastgesteld voor de gehele stad als vertaling van het afwegingskader. Zowel grote als kleine kelders worden in het paraplubestemmingsplan mogelijk gemaakt op voorwaarde dat zij grondwaterneutraal kunnen worden gebouwd. De toetsing van dit plan aan het paraplubestemmingsplan "Grondwaterneutrale Kelders" is te vinden in hoofdstuk 1.4.4. Waterbergingsopgave Verhardingsopgave bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
blz. 43
Het planvoornemen betreft de sloop van de huidige bebouwing en de realisatie van zes nieuwe woningen. In onderstaande tabel wordt de verharding van de huidige en toekomstige situatie weergegeven.
Tabel 4.2 Verhardingsopgave Compensatie-eis Op basis van de verhardingsopgave in bovenstaande tabel neemt de verharding van het plangebied toe met 370 m2. Op basis van het beleid van het hoogheemraadschap geldt er geen vergunnings- of compensatieplicht voor versnelde afvoer van hemelwater op het oppervlaktewater. De verhardingstoename is namelijk lager dan 800 m2. Op basis van het gemeentelijke beleid geldt voor nieuwbouw een norm van 70 mm waterberging per m2 bebouwd oppervlak. Bebouwd oppervlak is in de hemelwaterverordening gedefinieerd als 'het oppervlak dat een gebouw inneemt'. Derhalve geldt met het oog op de toekomstige woningen een compensatie-eis van 500 m2 x 70 mm = 35 m3 ofwel 35.000 liter. De verplichting om waterberging te realiseren geldt echter alleen om lozing van hemelwater te voorkomen op het openbaar riool of de openbare ruimte. Uit de gemeentelijke hemelwaterverordening blijkt dat het lozen op oppervlaktewater met deze verordening niet wordt verboden, omdat deze bevoegdheid bij het hoogheemraadschap ligt. Gezien bovenstaande geldt er voor onderhavig planvoornemen dus geen vergunnings- of compensatieplicht indien geloosd wordt op het oppervlaktewater. Afvoer hemelwater Het hemelwater dat in de tuin of op de bestrating valt zal ter plaatse infiltreren of afstromen naar het naastgelegen oppervlaktewater.
Het hemelwater afkomstig van de daken van de woningen zal tevens worden afgevoerd naar het naastgelegen oppervlaktewater, al dan niet via een vertraagde afvoer. Gezien de beperkte ruimte binnen het plangebied, de gemiddeld hoogste grondwaterstand en de mogelijkheid op kwel, is het aanleggen van een waterberging middels een wadi of infiltratiekratten niet aan te bevelen. Wel kan eventueel gebruik worden gemaakt van regentonnen en/of watervasthoudende plantenbakken om het regenwater langer vast te houden en te gebruiken voor bijvoorbeeld tuinbesproeiing. Aandachtspunten Extreme neerslag Wateroverlast vanwege extreme buien wordt voorkomen door bij het bepalen van het bouwpeil van de nieuwe woningen te zorgen voor het hiervoor noodzakelijke hoogteverschil met de omliggende infrastructuur. Extreme neerslag zal derhalve dan niet meteen tot natte voeten leiden. Grondwater Perceeleigenaren zijn zelf verantwoordelijk om schade door grondwateroverlast en grondwateronderlast
Gemeente Amsterdam
blz. 44
zoveel mogelijk te voorkomen c.q. te beperken. Dit houdt in dat de eigenaar verantwoordelijk is voor de ontwatering op het eigen perceel. Daarnaast dienen de voorschriften over waterdichtheid van gebouwen en afvoer van hemelwater te worden opgevolgd die in het Bouwbesluit zijn opgenomen. Materiaalgebruik De afkoppeling van het hemelwater van het afvalwater maakt dat er in de bebouwing geen materialen gebruikt mogen worden die de grondwaterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden, zoals uitlogende materialen, bijvoorbeeld zink en lood. In het afwateringssysteem van de daken moeten voorzieningen worden aangebracht om vaste bestanddelen als bladeren, zand, ander sediment en dergelijke achter te houden zodat het systeem niet verstopt raakt of dicht gaat slibben na verloop van tijd. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven, om ze regelmatig te kunnen onderhouden en reinigen. Het is niet toegestaan chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de af te koppelen verharde oppervlakken. Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat het systeem blijft functioneren. Ook dienen standleidingen op de juiste manier te worden toegepast zodat voldoende beluchting en ontluchting van de binnenriolering is gewaarborgd en mogelijk stankoverlast wordt voorkomen.
Conclusie Het aspect water staat de uitvoering van voorliggend bestemmingsplan niet in de weg.
4.4
Ecologie
Vanuit Europese- en nationale regelgeving dient onderzocht te worden welke effecten de voorgenomen ingreep heeft op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op beschermde flora en fauna. Natura 2000-gebieden Nederland kent 162 Natura 2000-gebieden. Dit Natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Ook alle grote wateren en de gehele Noordzee behoren tot het NNN. Voor deze gebieden is het Rijk verantwoordelijk. De provincies zijn verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land. Quickscan flora en fauna Om inzicht te krijgen in de aanwezige ecologische waarden is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De volledige rapportage van het onderzoek is als Bijlage 6 toegevoegd aan dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
blz. 45
Hieronder worden enkel de conclusies weergegeven. Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt niet in de nabijheid van de Natuurnetwerk Nederland.
Figuur 4.2 Ligging plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een Natura 2000-gebied. Gezien de aard van de werkzaamheden, en de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, worden negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen voor habitattypen en habitatsoorten niet verwacht. Negatieve effecten middels additionele stikstofuitstoot zijn in deze rapportage/toets niet meegenomen.
Gemeente Amsterdam
blz. 46
Figuur 4.3 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden Hoofdgroenstructuur en ecologische structuur Amsterdam Het plangebied ligt in geen van beide bovengenoemde structuren, maar is wel wel dicht aan gelegen de Hoofdgroenstructuur en ecologische structuur van Amsterdam.
Figuur 4.4 Ligging plangebied ten opzichte van de Hoofdgroenstructuur en ecologische structuur van bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
blz. 47
Amsterdam Soortenbescherming Vaatplanten Het plangebied is niet geschikt voor beschermde soorten flora. Het betreffen twee oude woningen met bijbouw. Om de bebeouwing liggen gecultiveerde tuintjes. Er is gekeken naar mogelijke groeiplaatsen voor beschermde soorten varens. Deze zijn niet aangetroffen. Reptielen & amfibieën Op basis van de fysieke karakteristieken van het plangebied worden beschermde en/of algemene soorten reptielen en/of amfibieën ter plaatse van het plangebied niet verwacht. Er zijn geen geschikte voortplantingswateren of rommelhopen of andere geschikte overwinteringsplaatsen welke worden beïnvloed door de werkzaamheden. Vissen Er is geen water aanwezig waarop de ruimtelijke ingrepen van toepassing zijn. Vogels De ruimte tussen enkele van de dakpannen op het dak en bij de goot bieden voldoende ruimte voor zowel gierzwaluw als huismussen om zich te vestigen. Ook zijn in de omgeving zowel gierzwaluw als huismussen genesteld. Verder onderzoek is noodzakelijk om aan te tonen of uit te sluiten dat middels de wet natuurbescherming beschermde verblijfplaatsen van gierzwaluwen en huismussen aanwezig zijn binnen de grenzen van het plangebied. Dit dient voor gedaan te worden volgens richtlijnen van het gierzwaluw-protocol tussen de periode van 1 juli t/m 15 juli en de volgens de richtlijnen huismus-protocol tussen de periode van periode 1 april t/m 15 mei.
Vlinders Er zijn geen geschikte waardplanten of bomen voor middels de Wet Natuurbescherming beschermde vlindersoorten aanwezig in het plangebied. Libellen Er zijn geen geschikte wateren voor middels de Wet Natuurbescherming beschermde libellen aanwezig in het plangebied. Muizen Het plangebied is potentieel geschikt voor beschermde soorten grondgebonden zoogdieren als waterspitsmuis en/of noordse woelmuis doch gezien de ligging van het plangebied worden deze niet verwacht. De dichtstbijzijnde locaties van deze soorten liggen ten noorden van de ring A10 gescheiden van het plangebied door stedelijk gebied. Marterachtigen Er zijn geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van deze soorten. De tuinen en/of de bebouwing bieden geen dekking en/of mogelijkheden voor verblijfplaatsen. Er zijn geen schuurtjes of rommelhopen welke
Gemeente Amsterdam
blz. 48
geschikt zijn voor deze soortgroep. Vleermuizen De ruimte tussen het boeiboord en gevel voornamelijk van de woning op huisnummer 38, samen met enkele andere gleuven zijn geschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Verder onderzoek is noodzakelijk om aan te tonen of uit te sluiten dat middels de Wet natuurbescherming beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn binnen de grenzen van het plangebied. Deze inventarisatie dient te worden gedaan volgens de richtlijnen van het vleermuis-protocol voor gebouwbewonende soorten van de geografische ligging van het plangebied. Dit betreft ten minste 5 bezoeken in de periode 10 april t/m 30 september. Algemene zorgplicht De zorgplicht verlangt van de initiatiefnemer van ruimtelijke ontwikkelingen dat deze met respect omgaat met alle levende natuur. Dit is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming en luidt als volgt: 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a.
dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van de in het wild levende dieren. Dat betekent dat voor de wet alle dieren van onvervangbare waarde zijn en dat daar niet onzorgvuldig mee mag worden omgegaan. Vanuit deze gedachte is de zorgplicht in artikel 1.11 opgenomen. De zorgplicht geldt voor alle soorten, ook voor plantensoorten en de soorten die niet als beschermd zijn aangewezen. Er mag van de initiatiefnemer worden verwacht dat de personen verantwoordelijk voor de uitvoering van de werkzaamheden op de hoogte zijn of worden gebracht van de zorgplicht. Indien er twijfel bestaat over het al dan niet naleven van de zorgplicht en/of het welzijn van flora en fauna tijdens de werkzaamheden dient er contact opgenomen te worden met een erkend ecoloog. Nader onderzoek vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen Naar aanleiding van de resultaten uit de quickscan is een nader onderzoek uitgevoerd naar de aan- of afwezigheid van vaste verblijfplaatsen en/of nesten van vleermuizen, huismussen en/of gierzwaluwen binnen het plangebied.
Het onderzoeksrapport is als Bijlage 7 toegevoegd aan voorliggende toelichting van het bestemmingsplan, hieronder volgen de belangrijkste onderzoeksresultaten en conclusies. Vleermuizen Tijdens de inventarisaties is een beeld verkregen over het gebruik van de bebouwing en de directe omgeving van plangebied aan de Soeteboomstraat 38-38A. Er zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen. Gewone dwergvleermuizen maken zeer sporadisch en opportunistisch gebruik van het terrein. Een
bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
blz. 49
enkele gewone dwergvleermuis passeert tijdens de inventarisaties. Andere soorten zijn niet waargenomen, ook niet na na-analyse van de opnamen van de batlogger. Er zijn geen essentiële foerageergebieden aanwezig. Er zijn geen vliegroutes aanwezig. Huismussen De inventarisatie is afgelegd volgens de richtlijnen van het kennisdocument huismus. Tijdens twee gerichte veldbezoeken zijn geen huismussen op of bij het plangebied aantroffen. Daarom is het bij twee inventarisatieronden gebleven. Gierzwaluwen Voor de gierzwaluweninventarisaties is gewerkt volgens de richtlijnen zoals beschreven in het kennisdocument voor gierzwaluwen. In de periode van 1 juni tot en met 15 juli hebben drie veldbezoeken plaatsgevonden met een tussenperiode van minimaal tien dagen tussen de bezoeken. Per potentiële nestplek is, vanaf een strategische plek, 15 tot 30 minuten gekeken naar vluchten op dakgoot, nok en huishoogte en de aanwezigheid van "gierende" dieren. Tijdens de bezoeken zijn geen gierzwaluwen waargenomen. Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten zijn er binnen het plangebied geen beschermde dier- en/of plantsoorten aanwezig, de Wet natuurbescherming vormt daarom geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend bestemmingsplan. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden zal er ten alle tijden rekening worden gehouden met de algemene zorgplicht.
4.5
Stikstofdepositie
Op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is het verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen uit te voeren die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De juridische basis voor de Wet natuurbescherming zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Per gebied zijn voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelen bepaald. Het grootste gedeelte van de Nederlandse natuurgebieden heeft te lijden onder verzuring, vermesting en verdroging. Hierdoor gaan kwetsbare en vaak bijzondere planten- en diersoorten achteruit en maken plaats voor meer algemene soorten. Een teveel aan stikstof, in de vorm van stikstofoxiden en ammoniak, is hier voor een groot deel debet aan. Voor wat betreft stikstofdepositie dient voor nieuwe of gewijzigde plannen onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Met behulp van een rekenprogramma (Aerius Calculator) moet worden bepaald of een plan een bijdrage (>0,00 mol/ha/jaar) aan stikstofdepositie veroorzaakt ter plaatse van Natura 2000-gebieden.
Indien een bijdrage van 0,00 mol/ha/jaar wordt berekend, kan worden gesteld dat er geen sprake is van een bijdrage en daarmee het initiatief niet tot significante negatieve effecten kan leiden. Beoordeling Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied waar stikstofgevoelige habitattypen aanwezig zijn betreft 'Ilperveld, Varkensland, Gemeente Amsterdam
blz. 50
Oostzanersveld & Twiske', gelegen op circa 2,3 km ten noorden onderhavig plangebied. Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd van zowel de aanlegfase als de toekomstige gebruiksfase. De volledige berekeningen en bijbehorende rapportage is aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd als Bijlage 8. Hieronder volgt een korte samenvatting met de belangrijkste resultaten en conclusies. Uit de uitgevoerde berekeningen kan geconcludeerd worden dat zowel gedurende de aanlegfase als de gebruiksfase van het plan de stikstofbijdrage 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Hierdoor kan het initiatief niet tot significante negatieve effecten leiden ter plaatse van de Natura 2000-gebieden. Conclusie Voor wat betreft het aspect stikstofdepositie zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen belemmeringen voor de realisatie van het initiatief. Het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Het aspect stikstofdepositie staat de uitvoering van voorliggend bestemmingsplan niet in de weg.
4.6
Archeologie en cultuurhistorie
Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Op grond van artikel 3.1.6, lid 5, sub a uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden rekening is gehouden. 4.6.1
Archeologie
Onderhavig projectgebied aan de Hendrik Soeteboomstraat 36-38a is conform het vigerend bestemmingsplan niet voorzien van een archeologische dubbelbestemming. Uit het archeologisch bureauonderzoek, die bij het vigerend bestemmingsplan "Kadoelen-Oostzanerwerf III" is bijgevoegd, blijkt dat onderhavig plangebied op de Archeologische beleidskaart is aangeduid als 'Beleidsvariant 11'. Voor dit deel geldt een negatieve verwachting vanwege de hoge mate van verstoring. De naastgelegen veenstroom 'het Twiske' is wel aangemerkt als object van cultuurhistorische waarde en voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'. Het Twiske maakt echter geen deel uit van onderhavig projectgebied. Ook heeft de ontwikkeling van het projectgebied geen invloed op de cultuurhistorische waarde van het Twiske. Ten behoeve van de beoogde sloop- en bouwwerkzaamheden is dan ook geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. De wettelijke meldingsplicht bij toevallige archeologische vondsten conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet is wel van toepassing. In het geval er bij het verrichten van de werkzaamheden een vondst wordt gemaakt waarvan er een vermoeden is dat het een archeologische vondst betreft, moet dit worden gemeld bij de gemeente en Bureau Monumenten en Archeologie. Conclusie Het aspect archeologie staat de uitvoering van voorliggend bestemmingsplan niet in de weg.
bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
blz. 51
4.6.2
Cultuurhistorie
Provinciale Staten van Noord-Holland heeft op 6 november 2017 de Erfgoedverordening 2017 vastgesteld. In verband met de intrekking van de Monumentenwet 1988 en de inwerkingtreding van de Erfgoedwet wat het wenselijke een nieuwe erfgoedverordening vast te stellen. Op grond van de 'Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie' van de provincie Noord-Holland zijn er binnen onderhavig plangebied geen objecten aangewezen met cultuurhistorische waarde. Ook in de nabije omgeving van het projectgebied zijn een cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig. Met de Erfgoedverordening Amsterdam beschermt de gemeente de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van Amsterdam. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om gedetailleerder beleid vast te stellen als uitwerking van de Erfgoedverordening. Een dergelijke uitwerking is bijvoorbeeld de 'Handleiding aanwijzing monumenten en gemeentelijke beschermde stadsen dorpsgezichten' waarin de criteria voor aanwijzing zijn benoemd. De vastgestelde cultuurhistorische waarden zijn uitgewerkt op de kaarten 'Cultuurhistorische waarden' van de gemeente Amsterdam. Op de kaarten is te zien dat ter plaatse van onderhavig plangebied geen elementen van cultuurhistorische waarden zijn weergegeven. Voor onderhavig planvoornemen gelden er dan ook geen belemmeringen ten aanzien van cultuurhistorie.
Het plangebied maakt onderdeel uit van de nog niet vastgestelde concept-waarderingskaart 'Stedenbouwkundige en Architectonische Kwaliteit Dorpen en Linten'. Hierin zijn de gebouwen met de adressen Hendrik Soeteboomstraat 36 en 38 met een orde 3 en Hendrik Soeteboomstraat 38A met een orde Basis in concept gewaardeerd. Verder is de hele Hendrik Soeteboomstraat stedenbouwkundig als een Zone C in concept gewaardeerd. De geconstateerde conceptwaarden zijn niet dusdanig hoog dat ze cultuurhistorisch gezien een belemmering vormen voor het huidige planvoorstel. Conclusie Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd stads- en dorpsgezicht. Het aspect cultuurhistorie staat de uitvoering van voorliggend bestemmingsplan niet in de weg.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
In de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) wordt informatie gegeven over de gemiddelde milieubelasting van de verschillende typen bedrijven en instellingen. De milieucategorie geeft daarbij een indicatie over de afstand, die tussen de diverse bedrijfstypen en een rustige woonwijk of een milieugevoelig object dient te worden aangehouden, om hinder uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen is echter sprake van een 'gemengd gebied'. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een lint in een dorpskern waar meerdere functies naast elkaar zitten. Of bij een gebied dat langs een ontsluitingsweg ligt of een gebied in het buitengebied met meerdere functies. De afstanden tot de milieucategorieën zijn in de onderstaande tabel weergegeven. Milieu categorie
Richtafstand tot "rustige woonwijk"
Richtafstand tot "gemengd gebied"
Gemeente Amsterdam
blz. 52
1
10
0
2
30
10
3.1
50
30
3.2
100
50
4.1
200
100
4.2
300
200
5.1
500
300
5.2
700
500
5.3
1000
700
6
15000
1000
Tabel 4.3 Richtafstanden VNG-publicatie Beoordeling Onderhavig initiatief voorziet enkel in de realisatie van milieugevoelige functie; woningen. Er is derhalve sprake van een inwaartse zonering. In de nabijheid van het projectgebied bevindt zich één perceel met de bestemming 'Bedrijf - 1', waar milieubelastende functies zijn toegestaan tot milieucategorie 2. Het bedrijfsperceel is gelegen aan de overzijde van het Twiske, aan de Twiskestraat 8A-B. De VNG-richtafstand van dit perceel bedraagt minimaal 30 meter tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. Onderhavig plangebied is gelegen op ruim 75 meter afstand ten opzichte van het bedrijfsperceel. Op basis van de VNG-richtafstand is het bedrijfsperceel daarom niet van invloed op onderhavig plangebied. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van voorliggend bestemmingsplan niet in de weg.
4.8
Luchtkwaliteit
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. Luchtkwaliteitsaspecten zijn verankerd in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) en betreffen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als fijnstof (PM10) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de
bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
blz. 53
grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. De wet voorziet onder meer het rijksprogramma het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het begrip "in betekenende mate" (ibm) en gebiedssaldering. De kern van de wet wordt gevormd door een programmatische aanpak om de grenswaarden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, te halen en door de introductie van het begrip "in betekenende mate". Beoordeling Niet in betekenende mate (NIBM) Om te beoordelen in hoeverre het project "in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit, wordt gebruik gemaakt van de 3%-norm. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal zes woningen mogelijk. Dit aantal ligt ver onder de 1.500 woningen en de ontwikkeling draagt daarmee niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt.
Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) van het RIVM is daartoe bepaald wat de totale concentraties zijn nabij het plangebied (rekenpunt 16045261 aan de Adriaan Loosjesstraat te Amsterdam). De toetsresultaten ter plaatse van het rekenpunt, alsmede de bijbehorende grenswaarden, zijn weergegeven in onderstaande tabel.
Tabel 4.4 Concentraties NO2, PM10 en PM2,5 nabij het plangebied (bron: cimlk.nl, geraadpleegd op 7 maart 2023) Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de concentraties van de maatgevende stoffen voor de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruim onder de grenswaarden blijven. Derhalve kan worden gesproken van een goed woon- en leefklimaat in het kader van luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
Gemeente Amsterdam
blz. 54
4.9
Verkeer en parkeren
4.9.1
Verkeer
Het plangebied is bereikbaar via de bestaande wegenstructuur. De Hendrik Soeteboomstraat is een doodlopende woonstraat, die in het westen aansluit op de Zuidelinde. Er zijn in de bestaande situatie geen belemmeringen bekend ten aanzien van de verkeersafwikkeling. Beoordeling Op basis van de verkeerskencijfers van de CROW-publicatie 381 is de verkeersgeneratie van de nieuwe woningen in het plangebied bepaald. De verkeersgeneratie is afhankelijk van de functie en de ligging van het plangebied. Het plangebied ligt binnen de gemeente Amsterdam, dat de stedelijkheidsklasse 'zeer sterk stedelijk' heeft. De locatie van het plangebied is te omschrijven als 'rest bebouwde kom'. Voor woningen 'koop, huis, twee-onder-een-kap' geldt een verkeersgeneratie van 7,3 mvt/etmaal (motorvoertuigbewegingen per etmaal) en voor woningen 'koop, huis, vrijstaand' geldt een verkeersgeneratie van 7,7 mvt/etmaal. In het plangebied worden vier twee-onder-een-kapwoningen en twee vrijstaande woningen gerealiseerd, de totale verkeersgeneratie van het plangebied komt hierdoor neer op 44,6 mvt/etmaal. Deze verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling van het plangebied is goed op te vangen binnen de bestaande wegenstructuur. Conclusie Het aspect verkeer staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg. 4.9.2
Parkeren
In de Nota Parkeernormen Auto van de gemeente Amsterdam zijn de parkeernormen voor auto's vastgesteld voor nieuwbouw en transformatieprojecten in de stad. Volgens dit beleid is het plangebied gelegen in een C-locatie. Voor C-locaties geldt dat de bereikbaarheid per openbaar vervoer minder goed is dan in de rest van de stad (A- en B-locaties). Voor nieuwbouwplannen in C-locaties gelden er geen vaste parkeernormen, maar is er maatwerk van toepassing. Er wordt gebiedsspecifiek gekeken of de parkeervraag op eigen terrein moet, of op straat kan worden opgelost. Verder wordt naar de beschikbare (openbare) ruimte gekeken en naar de actuele parkeerdruk op het maatgevende moment. Gezien de mindere bereikbaarheid per openbaar vervoer van de C-locaties, is het uitgangspunt bij de toetsing één parkeerplaats per woning. Beoordeling Ten behoeve van de parkeerbehoefte van de nieuwe woningen worden er zes parkeerplaatsen aangelegd binnen het plangebied. Hiermee kan er worden voldaan aan het uitgangspunt van één parkeerplaats per woning en wordt de parkeerbehoefte op het eigen terrein opgelost. De bewoners worden bij de verkoop van de woningen geïnformeerd over het aantal parkeerplaatsen in het plangebied.
Mocht in de toekomst betaald parkeren worden ingevoerd in de omgeving van het plangebied dan krijgen de bewoners van de nieuwe woningen, conform het geldende parkeerbeleid, geen parkeervergunning om hun auto in de openbare ruimte te mogen parkeren. Conclusie
bestemmingsplan_Hendrik Soeteboomstraat 36-38 (vastgesteld)
blz. 55
Het aspect parkeren staat de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg.
4.10
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie, of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden over spoor, weg, water en door buisleidingen. Daarnaast kunnen inrichtingen gevaarlijke stoffen opslaan. Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten waarbij het voornamelijk gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het projectgebied is met name gebruik gemaakt van de 'Risicokaart Nederland'.
Figuur 4.5 Uitsnede Risicokaart Nederland (locatie projectgebied is blauw omcirkeld) Beoordeling BEVI-inrichtingen De locatie van onderhavig projectgebied valt niet binnen het invloedsgebied van een inrichting zoals bedoeld in het Bevi. Op enige afstand van het projectgebied is een LPG tankstation aanwezig aan de Appelweg 46. Het projectgebied ligt buiten het invloedsgebied van deze risicovolle inrichten. Een verantwoording van het groepsrisico is derhalve niet nodig.
Gemeente Amsterdam
blz. 56
Transportroutes Het projectgebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de rijksweg A10, welke op circa 600 meter ten noorden van het plangebied loopt. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie LT2 en bedraagt 880 meter. Vanwege de ligging in het invloedsgebied is een beknopte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk, waarin nader wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Buisleidingen De aardgastransportleiding W-572-01 bevindt zich ten westen van het projectgebied op een afstand van circa 1,15 kilometer. De grootte van de buisleiding betreft 16 inch met een werkdruk van 40 bar. De 100% letaliteitsgrens betreft 80 meter en de 1% letaliteitsgrens 170 meter. Het projectgebied is derhalve niet gelegen binnen het invloedsgebied van deze buisleiding. Beknopte verantwoording groepsrisico De kans op een ongeval met een tankwagen met gevaarlijke stoffen is klein, maar niet onmogelijk. Bij het vervoer van LPG, benzine of een giftige stof over de A10 kan een explosie, brand of giftige wolk ontstaan. De gevolgen voor onderhavig projectgebied zijn afhankelijk van het ongevalrisico. Gezien de ruime afstand van 600 meter tussen het projectgebied en de A10, zullen de gevolgen voor het projectgebied nihil zijn. Een plasbrand zal, gezien de afstand van de weg tot het projectgebied, geen invloed hebben op de woningen in het projectgebied.
Ook een fakkelbrand en een Bleve zullen nauwelijks invloed hebben op het projectgebied. Een giftige wolk daarentegen kan tot op grote afstand reiken en kan mogelijk gevolgen hebben voor het projectgebied. Zelfredzaamheid Het merendeel van de personen in het projectgebied is zich niet bewust van de mogelijke gevaren van wegtransport van giftige stoffen. De inwoners moeten geïnformeerd worden over de gevaren en gevolgen, zodat men weet hoe te handelen in het geval van een ongeval. Kennis hebben van de mogelijke gevaren vergroot de zelfredzaamheid. Schuilen in een gebouw kan alleen als het gebouw bestand is tegen de effecten van een ongeval met giftige stoffen. Hulpverlening De veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland bereidt zich voor op ongevallen met gevaarlijke stoffen. De hulpverlening kan een ongeval met wegtransport van gevaarlijke stoffen niet voorkomen. De hulpverlening richt zich voornamelijk op het beperken van de gevolgen, het afschermen van de omgeving en het helpen van gewonden. Het projectgebied is voor de hulpdiensten bereikbaar vanaf meerdere aanrijroutes. Maatregelen Er zijn maatregelen mogelijk die de gevaren van een ongeval met gevaarlijke stoffen nabij het projectgebied beperking. De voorgestelde maatregelen zijn niet de enige maatregelen de genomen kunnen worden, maar geven een denkrichting aan.