CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat regels en toelichting.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 25 juni 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (VN2025-005888)28.751 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Sobere en terughoudende vormgeving als rustige en informele achtergrond voor de openbare ruimte. De ontsluiting van de woningen zal een portiekgalerijontsluiting zijn in combinatie met korte galerijen, aangezien de woningen niet eenzijdig georiënteerd mogen zijn. Aan de zijde van het Roosje Vospad is binnen de gebouwcontour van 16 meter diepte, ruimte voor de buitenruimtes van de woningen en aan de zijde van de Nierkerkestraat voor de galerijen. De koppen van de beide woongebouwen dienen ook sprekende gevels te zijn, als integraal onderdeel van de architectuur. Architectonische geleding Het hoofdvolume is helder en strak vormgegeven, passend bij de architectuur van Zuidwest Kwadrant. De architectonische uitwerking van de twee woongebouwen kenmerkt zich door een visuele 'schil' om het hoofdvolume, ook aansluitend op het dakvlak. De 'schil' wordt gezien als een heldere omkadering van het bouwvolume en benadrukt de horizontale geleding van het gebouw. De vloeren vullen dan ook het volledige bouwvlak. Binnen de 'schil' is ruimte voor gevelverspringingen, buitenruimtes en galerijen. Materiaal en kleurgebruik Om ervoor te zorgen dat de twee gebouwen maximaal verwant zijn, zal het gebouw dat als eerste ontwikkeld gaat worden leidend zijn voor de uitstraling van het tweede gebouw. Het tweede gebouw zal op een passende manier moeten aansluiten bij het eerste gebouw.

Het stedenbouwkundig ensemble is qua kleur identiek, of in ieder geval verwant. Er is sprake van één hoofdkleur. Lichte warme kleuren voeren de boventoon.

Gemeente Amsterdam

blz. 34

Kleurdetails zijn toegestaan, mits ondergeschikt. Kleuren zijn terughoudend en samenhangend. Materialen en kleuren zijn ingetogen, in harmonie en passend in het straatbeeld. In de gevel overheersen bij voorkeur duurzame materialen die goed aansluiten bij de baksteen- en betonarchitectuur van de nieuwbouw in de buurt. De voorkeur gaat uit naar hout. Gevelopeningen in hoofdzaak transparant invullen. Gerecycled materiaal sluit aan bij de circulaire intenties en bij de beeldkwaliteit. Dit kunnen elementen zijn uit het plangebied zelf (van de sloop), maar ook van elders. PV-cellen in de gevel zijn alleen mogelijk indien geïntegreerd in het ontwerp. Geen gebruik maken van uitlogende materialen, zoals koper en zink. Kozijnen zijn van hout of hebben een vergelijkbare luxe uitstraling. Daarnaast wordt voor de nieuwbouw verwezen naar de kaders die worden gesteld in de welstandsnota van Amsterdam: "De schoonheid van Amsterdam, 2016", hoofdstuk 6 "AUP en Post-AUP". Ambities Ruimtelijke kwaliteit Ambitie 1 Heldere lijnen en bouwmassa, overeenkomstig de stedenbouw van Zuidwest Kwadrant: Doorgaande horizontale lijnen van de bouwhoogte en verdiepingshoogtes. Tweezijdige georiënteerd woningen, dus geen corridorontsluiting.

Buitenruimtes en galerijen worden binnen de hoofdmassa's van de gebouwdelen geplaatst, overeenkomstig het stedenbouwkundige principe van de overige bebouwing in het Zuidwest Kwadrant, dus geen aanhangende galerijen en balkons. Ambitie 2 Collectieve uitstraling van de twee appartementengebouwen als stedenbouwkundig ensemble met een heldere verhoogde plint met entrees aan de Nierkerkestraat en een terugspringende toplaag. Ambitie 3 Heldere sterke inkadering van het stedenbouwkundig ensemble van twee woongebouwen door een groen openbare ruimteontwerp aan zowel de Nierkerkestraat als het doorgaand fietspad, het Roosje Vospad. Kavelregels Stedenbouw Het totale kavel voor de twee woningbouwblokken heeft een totale lengte van ca. 180 meter en een breedte van 16 meter. Beide woningbouwblokken hebben een lengte van 84 meter, met een tussenruimte van 12 meter. Bij elk bouwblok wordt het middendeel tussen de twee blokken 'ingesnoerd'. Het middengedeelte (10-16 meter breed) heeft zichtbaar een teruggesprongen rooilijn aan zowel de voor- als achtergevel. Hierdoor wordt dit middendeel ondergeschikt aan de hoofdvolumes en wordt de lengte van de galerij onderbroken.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

blz. 35

De diepte van de woningbouwblokken is max. 16 meter aan de buitenkanten, en zichtbaar minder bij het middengedeelte. Dit is inclusief buitenruimtes en galerijen. Bouwen in de rooilijn aan de Nierkerkestraat is verplicht. Het gebouw mag ook minder diep dan 16 meter gebouwd worden, mits de verspringing bij het middenstuk zowel aan de voor- als achterzijde behouden blijft. De bouwhoogte is 5 bouwlagen bij het middendeel, en 6 bouwlagen voor de overige delen. De maximale bouwhoogte is resp. 18 en 21 meter. Zie ook onderstaande afbeelding.

Het totale programma van woningen en maatschappelijke voorzieningen is ca. 12.500 m2 BVO, excl. buitenruimtes woningen. In de plinten van beide woongebouwen, en de halfverdiepte parkeergarage van het middeldure huurblok, bevinden zich de bergingen en het inpandig fiets- en autoparkeren, waarbij de levendigheid van de plint gewaarborgd moet worden. Bij de woningen en maatschappelijke voorzieningen in de plint wordt er aandacht besteed aan de ontmoeting tussen privé en openbaar. Er is bij deze woningen een duidelijke zichtrelatie naar de straat, maar ook aandacht voor de privacy van de bewoners. (Te open gevels worden met gordijnen gesloten, het is beter als de architectuur hiervoor de oplossing aanreikt.) De twee woningbouwblokken staan rondom in het groen. Aan de zijde van het Roosje Vospad komt een openbare groenstrook die ook de ruimte tussen de twee gebouwen vult. Aan de Nierkekestraat wordt het straatprofiel waar mogelijk vergroend. Aan de straat en in de openbare ruimte bevindt zich ook het Gemeente Amsterdam

blz. 36

bezoekersparkeren voor fietsen en auto's. Kenmerken woningbouwblokken: twee alzijdige woongebouwen, zicht (sociale controle) op alle zijden rondom gebouw kopgevels hebben open uitstraling de plinthoogte is 4,5 meter alle buitenruimtes vallen binnen het hoofdvolume (dus geen achtertuintjes en uitstekende balkons) (hoofd)entrees aan de straatkant Niekerkerstraat goede overgangen privé-openbaar zo min mogelijk gesloten gevels op de begane grond (hoofd)entrees aan de straatkant Nierkerkestraat woningen op de begane grond hebben hun eigen entree aan de straat woningen op de bovengelegen verdiepingen hebben een gezamenlijke entree aan de straatzijde de collectieve entrees zijn duidelijk herkenbaar onderdeel van de architectonische opgave: de zesde bouwlaag mag tot max 12m bebouwd worden (minder mag ook), overige ruimte beschikbaar voor dakterras bij de woning. Prettig wonen: Goede woningplattegronden Iedere woning heeft een ruime buitenruimte De buitenruimtes van de woningen op de begane grond vallen binnen het hoofdvolume.

Erfafscheidingen zijn onderdeel van de architectuur (geen schuttingen) Aandacht voor privacy wonen, De architectuur biedt hier oplossingen voor (bijvoorbeeld geen ramen tot de grond, deze worden dichtgezet met gordijnen) Bij woningen op de begane grond: zicht op straat belangrijk, dus woonkamer of keuken aan de straat, geen slaapkamers Aandacht voor de overgang prive-openbaar bij de begane grond woningen, dit oplossen in de gevelarchitectuur BOG-plint: zichtbare functies. Van buiten is zichtbaar wat er binnen gebeurt en vice versa BOG-plint: plint heeft uitnodigende en open uitstraling Programma Het programma bestaat uit maximaal 150 woningen, waarvan 72 tot 80 in de sociale huur en 70 tot 78 wonignen betaalbare koop. Voor het sociale huurblok is er een verdeling van 20% woningen van 40m2 GBO, 60% woningen van 60m2 GBO en 20% woningen van 85m2+ GBO. Het sociale huurblok heeft in de plint een BOG-programma van 300m2 voor maatschappelijke voorzieningen in de plint, gecombineerd met (fiets)bergingen en woningen. De betaalbare koopwoningen hebben een maximale gemiddelde woninggrootte van 60m2 GBO. Het blok heeft verder ruimte voor (fiets)bergingen en inpandig autoparkeren in een half-verdiepte parkeerverdieping. Parkeren Autoparkeren Voor de parkeernorm wordt verwezen naar de 'Nota Parkeernormen Auto' uit 2017. Daarin staat het volgende beschreven:

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

blz. 37

Een maximumparkeernorm van één parkeerplek per woning voor alle woningtypen, vrije sectorwoningen (koop en huur) en sociale huurwoningen. Voor vrije sectorwoningen (koop en huur): Bij woningen tot 30 m² bvo, een minimumnorm van 0,1 tenzij het project met minder dan 100 woningen in deze categorie betreft. In dat geval is de norm 0,0 parkeerplek per woning. Woningen tussen 30 m² en 60 m² bvo, een minimumnorm van 0,3 parkeerplek per woning. Woningen boven de 60 m² bvo, een minimumnorm van 0,6 parkeerplek per woning Voor alle soorten sociale huurwoningen, geen minimumparkeernorm. In gereguleerd gebied geldt bij nieuwbouw van alle woningtypen (vrije sectorwoningen en sociale huur) dat bewoners worden uitgesloten van parkeervergunningverlening. In gebieden met (nog) geen regulering wordt daarom vooraf duidelijk aangegeven dat, mocht regulering worden ingevoerd, bewoners niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning. Voor parkeerplaatsen voor voorzieningen (de BOG in de plint) wordt verwezen naar normen in de CROW. Aantallen zijn afhankelijk van de functie. Fietsparkeren Voor de parkeernormen voor fietsen en scooters wordt verwezen naar de 'Nota Parkeernormen Fiets en Scooter' uit 2018.

Daarin worden de volgende aantallen voor het aantal benodigde fietsparkeerplekken gehanteerd: Woningen < 50m2 2 fietsparkeerplekken Woningen 50-75m2 3 fietsparkeerplekken Woningen 75-100m2 4 fietsparkeerplekken Woningen 100-125m2 5 fietsparkeerplekken Woningen >125m2 6 fietsparkeerplekken Voor scooters geldt een minimum parkeernorm van 0,13 parkeerplaatsen per woning.

Openbare ruimte en omgeving Uitgangspunt voor het ontwerp van de openbare ruimte is een samenhangende groene inrichting rondom de twee nieuwbouwblokken. Aan het Roosje Vospad komt een strook groen ingerichte openbare ruimte, met meer bomen. Aan Nierkerkestraat komt mogelijk een groener straatprofiel met continue bomenrij, en een vermindering van autoparkeerplaatsen in het straatprofiel. Aan de overzijde van de rijbaan blijft het straatprofiel van de Nierkerkstraat onveranderd, zoals het nu is. De ruimte tussen de twee gebouwen wordt groen ingericht als onderdeel van de nieuwbouw.

Gemeente Amsterdam

blz. 38

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

blz. 39

Hoofdstuk 5 5.1

Milieueffectrapportage

Wetgeving

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. De regelgeving met betrekking tot de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 1.64 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Voor sommige plannen of activiteiten geldt direct de verplichting om een MER op te stellen, maar er zijn ook plannen waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of zij het nodig vindt om ter voorbereiding van een besluit een MER te laten maken (m.e.r.-beoordeling). In het Omgevingsbesluit opgenomen voor welke activiteiten de m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat. Het gaat dan met name om activiteiten die aanzienlijke nadelige effecten op het milieu kunnen hebben. Tot slot kan er sprake zijn van een zogenoemde vormvrije-beoordeling. Dit geldt voor activiteiten die wel worden genoemd in het Omgevingsbesluit, maar vanwege de omvang van de activiteit (onder de drempelwaarde) geen m.e.r.(beoordelings)plicht kent.

Bij besluiten die grote gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moet het onderwerp 'milieu' goed en op tijd worden onderzocht. De regels die hiervoor gelden staan in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit (kolom 1, nummer J11) staat dat wanneer een activiteit de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen omvat, er sprake is van een m.e.r.(beoordeling)-plicht. Voor projecten die aangemerkt kunnen worden als een stedelijk ontwikkelingsproject neemt het bevoegd gezag de beslissing of een mer moet worden doorlopen. Het bevoegd gezag neemt de mer-beoordelingsbeslissing binnen zes weken, nadat initiatiefnemer de schriftelijke melding van het voornemen om een mer-beoordelingsplichtig project heeft ingediend bij het bevoegd gezag. De mededeling en het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning kan tegelijkertijd. Het verzoek om de mer-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een mer-beoordelingsbeslissing.

Volgens jurisprudentie van de Raad van State hangt het antwoord op de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling een rol spelen. Een voorzichtige lijn die aangehouden kan worden bij de bepaling van of er al dan niet sprake is van een stedelijke ontwikkeling is dat naar mate functies worden gewijzigd, de omvang van het project en de toename van bebouwing groter en de wijziging van de ruimtelijke inrichting significanter is, de kans dat een bouwproject wordt aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject toeneemt. Het perceel waarop het project wordt gerealiseerd is in het tijdelijk omgevingsplan Amsterdam, deelgebied bestemmingsplan Zuidwest Kwadrant deels aangewezen voor Wonen en deels voor Groen. Ook wordt een grotere bouwhoogte mogelijk gemaakt. Er worden zo'n 150 woningen gerealiseerd. De bebouwing krijgt een hoogte van maximaal 21 meter (exclusief opbouwen voor installaties en liftschachten). Op basis van Bijlage V van het Omgevingsbesluit (nr. J11 aanleg, wijziging of uitbreiding van stedelijke

Gemeente Amsterdam

blz. 40

ontwikkelingsprojecten) en gelet op de jurisprudentie is er sprake van een kans dat dat de voorgenomen ontwikkeling wordt aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject.

5.2

MER / MER beoordeling

Om inzichtelijk te maken of de voorgenomen ontwikkeling tot nadelige milieugevolgen leidt heeft de gemeente Amsterdam een m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld (zie Bijlage 1). Uit de beoordeling blijkt dat er geen dusdanig milieueffecten te verwachten zijn waardoor er M.E.R. doorlopen hoeft te worden.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

blz. 41

Hoofdstuk 6

Verkeer en Vervoer

6.1

Bereikbaarheid auto, OV en fiets

6.1.1

Verkeersafwikkeling in het besluitgebied

Team onderzoek & kennis van de gemeente Amsterdam heeft onderzoek uitgevoerd naar de verkeersafwikkeling/ verkeersaantrekkende werking als gevolg van voorgenomen ontwikkeling. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 2. In deze paragraaf is een samenvatting van de resultaten gegeven. Onderzoek Om de effecten van de extra woningen en voorzieningen te bepalen is een ritgeneratieanalyse gedaan. Tevens is op basis van het Verkeermodel Amsterdam (VMA; voor het jaar 2030AR) bekeken of de extra woningen passen binnen het huidige wegennet. De berekening is gemaakt op basis van maximaal 167 woningen 600m2 BVO BOG. Verder uitgangspunten voor de berekening zijn: Uitgangspunten voor de berekeningen zijn: Te amoveren woningen: 72 Nieuwe woningen: 167 Nieuwe voorzieningen: 600 m2 BVO Op basis van 1,5 inwoner per woning en 1 fte per 80m2 BVO, leidt dit tot: (167-72=) 95 x 1,5 = 143 extra inwoners (600 m2/80 m2 = ) 8 nieuwe fte Op basis van deze uitgangspunten is de extra ritgeneratie per etmaal 270. In onderstaande tabel is te zien hoe deze is verdeeld over de modaliteiten.

De toename van het autoverkeer stijgt licht. Maar ook op basis van de resultaten uit het VMA is te zien dat dit niet leidt tot congestie in de straat, of op de met deze straat verbonden straten. Hierbij is uitgegaan dat de helft van de gegenereerde rit de Baden Powellweg neemt en de andere helft de Woldbrantskerkweg/Koos Vorrinkweg om naar de zuid of noord te gaan.

Gemeente Amsterdam

blz. 42

Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat het toevoegen van 167 woningen (bij sloop van 72 woningen) en 600m2 voorzieningen geen problemen oplevert in de bereikbaarheid van het gebied. Het toevoegen van minder woningen en minder voorzieningen leidt daardoor ook niet tot problemen.

6.2

Verkeersveiligheid

6.2.1

Amsterdam veilig en leefbaar: 30 km/u in de stad

Het college van B&W heeft het streven vanaf 2023 voor alle wegen in stedelijk gebied in Amsterdam in principe een maximumsnelheid van 30 km/u te hanteren. Wegen met een maximumsnelheid van 50 km/u worden de uitzondering. Dit staat beschreven in de beleidsnota 'Amsterdam veilig en leefbaar, 30 km/u in de stad'. Het beleidsvoornemen dient drie doelen: 1. De verkeersveilige stad Een lagere snelheid draagt bij aan minder én minder ernstige ongevallen. Ook verbetert het leefklimaat als gemotoriseerd verkeer rijdt met een lagere snelheid die past bij de stad. Weggebruikers voelen zich veiliger. Als automobilisten in de stad langzamer rijden, sluit dat beter aan op de snelheid van de andere weggebruikers. Zeker in een stad als Amsterdam, waar lopen en fietsen de belangrijkste modaliteiten zijn, is dat van groot belang. 2. De geluidsarme stad Met een maximumsnelheid van 30 km/u wordt de grootste bron van ernstige geluidshinder aangepakt: het verkeerslawaai. Geluid is een belangrijke bron van hinder en slaapverstoring, wat op termijn leidt tot een hogere bloeddruk, hartziekten en zelfs sterfte. Een lagere snelheid in de stad draagt dus bij aan een betere gezondheid van Amsterdammers. 3. De autoluwe stad Een maximumsnelheid van 30 km/u als norm draagt bij aan de ambitie om meer ruimte te maken voor een leefbare en toegankelijke stad.

Naar verwachting leidt een lagere snelheid tot minder autoverkeer.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

blz. 43

Ook zal een deel van het autoverkeer zich verplaatsen naar plekken waar dat tot minder overlast leidt. Als er minder (dominant) autoverkeer is, kunnen er andere keuzes gemaakt worden in de inrichting en functionaliteit van de openbare ruimte. Het snelheidsregime van wegen wordt niet geregeld door middel van het omgevingsplan, maar door middel van verkeersbesluiten. 6.2.2

Verkeersveiligheid in het besluitgebied

Uit de het onderzoek naar de verkeersgeneratie, zie hoofdstuk 4 van Bijlage 2 blijkt dat bij het toevoegen van 167 woningen (en de sloop van 72 woningen) en 600m2 BVO voorzieningen er geen sprake zal zijn van problemen ten aanzien van de bereikbaarheid van het plangebied. De verkeersveiligheid in het gebied is dan ook niet in het geding.

6.3

Parkeren

6.3.1

Beleidskader

Nota parkeren Auto 2017 De gemeente Amsterdam voert al jaren parkeerbeleid. Parkeerbeleid heeft invloed op de bereikbaarheid en leefbaarheid in de stad. Dit onder meer vanuit het idee dat minder auto's op straat leidt tot meer ruimte voor voetgangers en fietsen en een aantrekkelijkere openbare ruimte voor bewoners, bezoekers en ondernemers. Daarnaast willen ondernemers en bewoners ook een bereikbare stad, een stad waar ze hun auto kwijt kunnen en klanten een parkeerplek kunnen vinden. Minder auto's op straat en tegelijkertijd een goede (auto)bereikbaarheid van de stad, het lijken tegenstrijdige doelstellingen. De gemeenteraad heeft op 8 juni 2017 de Nota Parkeernormen Auto vastgesteld. Deze Nota is op 29 november 2017 gewijzigd vastgesteld (Gmb, 2017, 229877). In de Nota staan beleidsregels en parkeernormen voor nieuwbouw- en transformatieplannen. Autoparkeernormering helpt om de toekomstige parkeervraag in (ondergrondse) autoparkeergarages op te lossen, door ontwikkelaars te verplichten om bij nieuwbouw parkeergelegenheid op eigen terrein te realiseren. Niet voor alle functies geldt een minimumparkeernorm. Op de locaties waar geen minimumparkeernorm geldt en de ontwikkelaar ervoor kiest om geen autoparkeervoorzieningen te realiseren, geldt wel dat bewoners uitgesloten worden van een parkeervergunning voor het parkeren in de openbare ruimte.

De belangrijkste uitgangspunten van de Nota zijn: 1. Er geldt geen minimumparkeernorm voor sociale huurwoningen en middeldure huurwoningen. 2. De verplichte minimumparkeernorm voor vrije sectorwoningen is afhankelijk van de woninggrootte (< 30 m2 geldt een norm van 0,1-1 pp per woning, 30-60 m2 geldt een norm van 0,3-1 pp per woning en woningen >60 m2 geldt een norm van 0,6-1 pp per woning). 3. Er geldt in de hele stad een maximumparkeernorm van 1 parkeerplaats per woning. Nu geldt in grote delen van de stad geen maximumparkeernorm. 4. Er geldt alleen een maximumparkeernorm voor kantoren en geen minimumnorm. 5. Voor voorzieningen wordt maatwerk geleverd. 6. Bij nieuwbouw wordt geen parkeervergunning aan huurders, kopers en werknemers verleend. In de 'Nota Parkeernormen Auto' wordt voor parkeernormen onderscheid gemaakt in drie soorten typen locaties: A-, B-, en C-locaties genoemd. Nota Parkeernormen Fiets en Scooter 2018

Gemeente Amsterdam

blz. 44

Op 14 maart 2018 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter 2018 vastgesteld (Gmb 2018, nr. 183048). Met de Nota Parkeernormen fiets en Scooter wordt voorkomen dat Amsterdammers hun fiets of scooter bij nieuwe woningen of voorzieningen in de openbare ruimte moeten stallen en zo een groot beslag leggen op die ruimte. Daarom worden er eisen gesteld bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Initiatiefnemers bij nieuwbouw en herontwikkeling moeten in hun plannen voldoende parkeervoorzieningen voor de fiets opnemen. Het vereiste aantal fietsparkeerplekken bepaalt de gemeente aan de hand van parkeernormen, die verschillen per functie en per zone. Deze normen worden vastgelegd in het omgevingsplan. De Nota Parkeernormen Fiets en Scooter bevat bindende beleidsregels voor fietsers bij niet-woonfuncties. Daarnaast bevat de nota richtlijnen voor het parkeren van scooters bij woningen en niet-woonfuncties, voor fietsparkeervoorzieningen bij woningen en voor de toegankelijkheid, inrichting en bruikbaarheid van de parkeervoorzieningen voor fiets en scooter. De richtlijnen zijn niet bindend. In de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter worden twee verschillende beoordelingssituaties onderscheiden: 1. Nieuwbouw: als een gebouw wordt gebouwd op een perceel zonder bebouwing. 2. Herontwikkeling (c.q. transformatie/bestemmingswijziging): het bestaande gebouw krijgt een andere functie.

De Nota Parkeernormen Fiets en Scooter kent drie zones die verschillen in intensiteit van het fietsgebruik. De indeling is als volgt: 1. Zone 1 (hoog fietsgebruik) 2. Zone 2 (gemiddeld fietsgebruik) 3. Zone 3 (laag fietsgebruik)

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

blz. 45

6.3.2

Parkeren in het besluitgebied

Autoparkeren Om de parkeerbehoefte van het Nierkerkecomplex is inzichtelijk te maken is door de gemeente Amsterdam (Bijlage 2) als door Royal HaskoningDHV (Bijlage 3) onderzoek uitgevoerd. Het door de gemeente uitgevoerde onderzoek is gebaseerd op een situatie zonder invoering van betaald parkeren. Het door Royal HaskoningDHV uitgevoerde onderzoek is gebaseerd op de situatie na invoering van betaald parkeren. In de navolgende paragrafen wordt dan ook nader ingegaan op het onderzoek van Royal HaskoningDHV. Programma & normen In het voorliggende wijziging van het omgevingsplan is ruimte voor maximaal 150 woningen. In de berekening is uitgegaan van minimaal 72 en maximaal 80 sociale huurwoningen en minimaal 70 en maximaal 78 betaalbare koopwoningen. In het omgevingsplan is 300 m2 BVO maatschappelijke dienstverlening voorzien. In de parkeerberekeningen is echter uitgegaan van 500 m2 BVO. Berekening parkeerbehoefte De autoparkeernorm voor de te realiseren sociale huurwoningen heeft een bandbreedte van 0 tot 1 parkeerplaats per woning. Voor de koopwoningen geldt een minimum parkeernorm van 0,3 parkeerplaats per woningen en een maximum van 1 parkeerplaats per woning. + 0,1 openbare parkeerplaats per woning.

Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat de parkeerbehoefte van nieuwbouw op eigen terrein wordt gefaciliteerd en dat bewoners niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning. Dit betekent dat toekomstige bewoners niet met een parkeervergunning op straat kunnen parkeren. De minimum parkeerbehoefte voor de woningen bedraagt minimaal 0 parkeerplaatsen voor de sociale huurwoningen en minimaal 21 tot 24 parkeerplaatsen voor de betaalbare koopwonigen. De maximum parkeerbehoefte bedraagt 80 parkeerplaatsen voor de sociale huurwoningen en 78 parkeerplaatsen voor de betaalbare koopwoningen. Voor bezoek wordt uitgegaan van 0,1 parkeerplaats per woning. Dit betekent dat voor bezoek 15 parkeerplaatsen nodig zijn. Voor de maatschappelijke dienstverlening is uitgegaan van de norm voor kantoor met baliefunctie. Deze bedraagt op B-locaties 1,0 parkeerplaats per 125 m2 BVO. Voor 500m2 maatschappelijke dienstverlening zijn 4 parkeerplaatsen nodig. De minimale parkeerbehoefte bedraagt: 24 parkeerplaatsen betaalbare koop (uitgaande van 78 woningen in dit segment) 15 parkeerplaatsen voor bezoekers 4 parkeerplaatsen voor maatschappelijke voorzieningen. Parkeerdruk in de omgeving Royal HaskoningDHV heeft de actuele parkeersituatie rondom het te realiseren complex inzichtelijk gemaakt. Hierbij is uitgegaan van een loopafstand van 100 meter rondom het complex evenals Gemeente Amsterdam

blz. 46

natuurlijke grenzen (wat betekent dat straten in de omgeving van hoek tot hoek zijn meegenomen). Uit het onderzoek blijkt dat de gemiddelde parkeerdruk rondom het Nierkerkecomplex maximaal 68% bedraagt (voor de invoering van betaald parkeren in april 2024 was de parkeerdruk in de meeste straten groter dan 95%). Fiets- en scooterparkeren Voor het berekenen van de fietsparkeerbehoefte is uitgegaan van de vigerende "Nota Parkeernormen Fiets en Scooter" uit 2018. Daarin is vastgelegd dat voor woningen van verschillende grootte de fiets- en scooterparkeernorm vastgelegd. Op basis van de vigerende regelgeving zijn voor 150 woningen het volgende aantal parkeerplaatsen nodig: Inpandige fietsparkeerplaatsen voor bewoners: 450 fietsparkeerplekken voor bezoekers: 75 Scooterparkeerplaatsen: 20 Voor 500 m2 maatschappelijke dienstverlening bedraagt het aantal te realiseren plaatsen: 15 fietsparkeerplekken 2 scooterparkeerplekken Conclusie De minimale autoparkeerbehoefte (bij 78 betaalbare koopwoningen en 500m2 maatschappelijke voorzieningen) bedraagt 43 parkeerplaatsen. Hiervan zijn 15 parkeerplaatsen voor bezoekers, waaronder bezoekers van bewoners van de sociale huurwoningen. De totale parkeervraag kan opgevangen worden op eigen terrein. Het omgevingsplan maakt de realisatie van een parkeerkelder mogelijk onder een van de twee woningblokken.

Het fietsparkeren zal deels opgelost worden met inpandige fietsenstallingen dan wel middels fietsparkeerplekken in de openbare ruimte.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

blz. 47

Hoofdstuk 7

Geluid

7.1

Geluid vanwege wegen, spoorwegen en industrieterreinen

7.1.1

Algemeen

Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het geluid op de geluidgevoelige gebouwen beoordeeld worden. Hiertoe zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen. De instructieregels hebben tot doel de gezondheid en het milieu te beschermen tegen te veel geluid. Hiervoor zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving eisen gesteld aan het geluid op geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw is volgens de begripsbepalingen in bijlage 1, Bkl, een (deel van een) gebouw met een woonfunctie, een gebouw met een onderwijsfunctie, een gebouw voor kinderopvang met bedden, een gebouw voor gezondheidszorg met bedden. Ook ligplaatsen voor woonschepen en standplaatsen voor woonwagens zijn aangewezen als geluidgevoelig. Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid vanwege de betreffende bron hoger kan zijn dan de standaardwaarde. De grootte van het gebied is afhankelijk van de bron. De standaardwaarde is in het algemeen een aanvaardbaar geluidniveau. In het omgevingsplan kan op basis van het type gebied een hogere of lagere standaardwaarde worden vastgesteld. Het omgevingsplan voorziet in een aanvaardbaar geluidsniveau van verkeer en industrie op een geluidgevoelig gebouw.

Hiervoor zijn in het omgevingsplan regels opgenomen over het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied en over het toelaten of wijzigen van nieuwe of bestaande (spoor)wegen en industrieterreinen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het beschermen van de gezondheid en het milieu tegen het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds (paragraaf 5.1.4.2a, Bkl). 7.1.2

Veel gebruikte begrippen uitgelegd

In het Besluit kwaliteit leefomgeving worden verschillende begrippen gebruikt om geluidsemissies en geluidwaarden te beschrijven. Hieronder volgt een kort overzicht. Standaardwaarden en grenswaarden Geluidwaarden worden uitgedrukt in standaardwaarden en grenswaarden. De standaardwaarde is een aanvaardbaar geluidniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Een standaardwaarde kan bij omgevingsplan hoger of lager worden vastgesteld. Zo kan bijvoorbeeld de gemeente in het omgevingsplan de standaardwaarde voor een bedrijventerrein verhogen en in het buitengebied verlagen. Als aan de standaardwaarde wordt voldaan, is geen nadere afweging of besluitvorming nodig. Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken. Een overschrijding van de grenswaarde op een geluidgevoelig gebouw is alleen bij uitzondering en in de in het Bkl genoemde gevallen mogelijk. Gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid Het gecumuleerd geluid is het geluid door de geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld met een correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Het gezamenlijk geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld zonder correctie voor de verschillen in

Gemeente Amsterdam

blz. 48

hinderlijkheid. Bij zowel het bepalen het gecumuleerd geluid en het gezamenlijk geluid moet in ieder geval het geluid afkomstig van (spoor)wegen, industrieterreinen, luchtvaartverkeer, windturbines en schietbanen worden betrokken. 7.1.3

Beoordeling geluid in het omgevingsplan

De regels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen gelden alleen voor geluidgevoelige gebouwen die binnen een geluidaandachtsgebied liggen en voor bronnen met een geluidaandachtsgebied. Bij het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied of het wijzigen of aanleggen van een geluidbron met een geluidsaandachtsgebied moet de geluidbelasting worden getoetst. Wanneer een overschrijding van de norm wordt geconstateerd, moeten maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting zoveel mogelijk terug te brengen. Indien uit onderzoek volgt dat de standaardwaarde wordt overschreden bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw dan wordt het gezamenlijke geluid op de gevel vastgelegd in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit. Het gecumuleerd geluid op de gevel wordt beoordeeld als het geluid van een geluidbronsoort op de gevel hoger is dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van het geluid in de bestaande situatie. 7.1.4

Waarden voor geluid

Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort en gelden voor een geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar is toegelaten (artikel 5.78, tweede lid, Bkl). De waarden die bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de 7 geluidbronsoorten gelden, staan in de onderstaande tabel.

Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied wordt de geluidwaarde op het gebouw berekend en beoordeeld. Het uitgangspunt is dat het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. Het geluid is dan in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade is klein. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

blz. 49

7.1.5

Amsterdams geluidbeleid

Amsterdam kent een eigen geluidbeleid gericht op het beschermen van geluidgevoelige gebouwen tegen geluid. Het gaat om geluidbeleid voor het bouwen op geluidbelaste locaties en om Amsterdams geluidbeleid dat uitvoering geeft aan de verplichtingen van de Europese richtlijn omgevingslawaai. Amsterdam stelt als agglomeratiegemeente elke vijf jaar een geluidskaar en een Actieplan geluid vast. Dit Actieplan geluid is vooral gericht op de beperking van overlast van het (weg)verkeerlawaai. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 17 oktober 2023 het Interim geluidbeleid Amsterdam 2024 vastgesteld met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hiermee beoogt het college zoveel mogelijk te voorzien in een beleidsneutrale overgang van het Amsterdams geluidbeleid 2016 (gewijzigd) en de geluidsnota Weesp 2007. Het Amsterdams geluidbeleid is vertaald in de regels van het Omgevingsplan en in beleidsregels geluid (vastgesteld op 17 oktober 2023). Bij overschrijding van de standaardwaarde moet een woning in principe beschikken over een stille zijde, de stille zijde bevindt zich bij voorkeur bij de slaapkamer. Woningen met een niet geluidgevoelige gevel moeten altijd een stille zijde krijgen, behoudens zeer uitzonderlijke gevallen, zoals tijdelijke bewoning door bijzondere doelgroepen.

Bij de beoordeling van geluid moet rekening worden gehouden met de cumulatie van de geluidbelasting van verschillende bronnen. Volgens Amsterdams geluidbeleid is sprake van een onaanvaardbare geluidbelasting als de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 3dB hoger is dan ten hoogste de maximaal toelaatbare grenswaarde. 7.1.6

Besluitgebied

In opdracht van de gemeente Amsterdam heeft Peutz akoestisch onderzoek uitgevoerd met als doel inzichtelijk te maken in hoeverre er ter plaatse van de beoogde ontwikkellocatie sprake is van een aanvaardbare akoestische situatie. In deze paragraaf wordt een samenvatting van het onderzoek gegeven. Het volledige onderzoek is bijgesloten als Bijlage 4. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de door de gemeente beschikbaar gestelde verkeersgegevens ter plaatse van de beoogde woongebouwen die de huidige bebouwing vervangen (zie ook onderstaande afbeelding).

Gemeente Amsterdam

blz. 50

De uitgangspunten voor de verkeersgegevens zijn ontleend aan het gemeentelijk verkeersmodel. De verkeerscijfers betreffen het prognosejaar 2035. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de gehanteerde verkeersintensiteiten.

Overige wegen zijn vanwege de afstand en/of de geringe verkeersintensiteit als niet relevant aangemerkt. Toetsingskader Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, voorziet erin dat het geluid vanwege wegverkeer op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, zoals bedoeld in onderstaande tabel.

Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, kan erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de standaardwaarde als: 1. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; 2. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; 3. het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, zoals bedoeld in tabel 3.1. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Indien een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde wordt toegestaan, wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken en wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid beoordeeld. Berekeningen Op basis van de uitgangspunten is een rekenmodel opgesteld waarmee de geluidbelasting vanwege wegverkeer is berekend op de gevels van de beoogde woningen. Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van een rekenmodel dat gebaseerd is op bijlage IVe (meet- en rekenmethode geluid wegen) van de Omgevingsregeling. In bijlage 1 van het akoestisch onderzoek zijn de invoergegevens van het rekenmodel opgenomen.

Rekenresultaten De geluidbelasting ten gevolge van de gemeentewegen bedraagt tot 58 dB. In onderstaande figuur is de geluidbelasting vanwege wegverkeer weergegeven (per rekenpositie is alleen de hoogste geluidbelasting van alle bouwlagen weergegeven). bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

blz. 51

De rekenresultaten zijn in meer detail opgenomen in bijlage 2 van het akoestisch onderzoek.

Geluidbelas ting vanwege wegverkeer (in dB) Beoordeling Vanwege wegverkeer is er sprake van geluidbelastingen van ten hoogste 58 dB ter plaatse van de beoogde woningen aan de Nierkerkestraat. Dit is -plaatselijk- hoger dan de standaardwaarde op grond van het Bkl van 53 dB. Ter plaatse van een groot gedeelte van de woningen is sprake van geluidbelastingen van minder dan 53 dB. Maatregelen Overschrijding van de standaardwaarde kan conform het Bkl toelaatbaar zijn. Wel dient onderzocht te worden of er geluidbeperkende maatregelen mogelijk zijn. Daarnaast stelt het gemeentelijk geluidbeleid bij overschrijding van de standaardwaarde één stille (geluidluwe) zijde verplicht bij de betreffende woning. Het merendeel van de woningen beschikt over ten minste één geluidluwe zijde. Ter plaatse van enkele woningen gesitueerd aan de zijde van de Baden Powellweg treden geluidbelastingen tot 5 dB hoger dan de standaardwaarde op en is er geen geluidluwe gevel aanwezig. Maatregelen bij de bron Bij het treffen van maatregelen kan worden gedacht aan het terugbrengen van de geluidbelasting ter plaatse van de beoogde woningen middels het aanbrengen van geluidreducerend wegdek. Door bijvoorbeeld een dunne deklaag type B toe te passen ter plaatse van de Baden Powellweg kan de geluidbelasting met 2 tot 3 dB worden teruggebracht. Met een dergelijke reductie is alleen ter plaatse Gemeente Amsterdam

blz. 52

van de kopse gevel van het woongebouw (aan de zijde die gericht is naar de Baden Powellweg) nog sprake van een overschrijding van de standaardwaarde. Maatregelen in de overdracht Overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld het plaatsen van geluidschermen zijn onder andere vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. Maatregelen bij de ontvanger Omdat in dit stadium de exacte locatie, afmetingen en plattegrond van de geluidbelaste woningen nog niet bekend zijn kan er enkel een indicatieve oplossingsrichting worden gegeven. Om geluidbelastingen ter plaatse van een eventuele buitenruimte terug te brengen tot de standaardwaarde is -afhankelijk van de locatie van de buitenruimte- een reductie benodigd van 1 tot 5 dB. Aangeraden wordt om maatregelen te treffen ter plaatse van de langsgevels (parallel aan de Nierkerkestraat) omdat daar sprake is van beperkte overschrijding van de standaardwaarde tot maximaal 2 dB. Als oplossingsrichting kan gedacht worden aan het aanbrengen van een (eventueel verhoogde) gesloten borstwering in combinatie met een geluidabsorberend plafond (e.e.a. afhankelijk van de optredende geluidbelasting in combinatie met de verdieping waar de woning zich bevindt).

Een andere mogelijkheid voor het terugbrengen van de geluidbelasting ter plaatse van te openen ramen is het aanbrengen van een constructie vóór het raam, bijvoorbeeld in de vorm van een SilentAir-systeem of een bloemkozijn. Conclusie Vanwege wegverkeer is er bij een aantal woningen sprake van een overschrijding van de standaardwaarde, er treden geluidbelastingen op tot 58 dB. Ook beschikt niet elke woning over een geluidluwe gevel, hetgeen als voorwaarde is opgenomen in het gemeentelijk geluidbeleid. Mogelijkheden om de geluidbelasting terug te brengen bestaan uit het treffen van gebouwgebonden maatregelen, bijvoorbeeld in de vorm van aanpassingen aan de buitenruimte (gesloten borstwering, geluidabsorberend plafond) of aan de te openen ramen. Gezien het stadium van de planvorming en de mate van overschrijding van de standaardwaarde zijn er naar verwachting voldoende mogelijkheden om ter plaatse van elke woning te kunnen voorzien in één geluidluwe gevel.

7.2

Geluid vanwege milieubelastende activiteiten

7.2.1

Toetsingskader

Hieronder wordt het kader voor het aspect geluid door milieubelastende activiteiten beschreven, anders dan: industriegeluid; spoorweggeluid; wegverkeersgeluid; scheepsvaartgeluid; luchtvaartgeluid; en bouw- of sloopgeluid. Rekening houden met geluid

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

blz. 53

Op grond van artikel 5.59, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is het verplicht om rekening te houden met het geluid van activiteiten, anders dan wonen, op geluidgevoelige gebouwen. Deze verplichting is aan de orde zowel bij het toelaten van geluidveroorzakende activiteiten (met uitzondering van de hierboven genoemde bronnen) als bij het toelaten van geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw is: een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met een: a. b. c. d.

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan;

Concreet betekent deze verplichting dat bij het toelaten van geluidgevoelige of geluid veroorzakende activiteiten gemotiveerd moet worden: dat er sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie; en en wat de gevolgen zijn voor de 'geluidruimte' van activiteiten. Bij de beoordeling van de geluidsituatie moet niet alleen gekeken worden naar het geluid van de activiteiten afzonderlijk, maar ook gecumuleerd. (Voor gecumuleerd geluid zie verder ook paragraaf Geluid vanwege industrieterrein en (spoor)wegverkeer.) Aanvaardbaarheid Op grond van het tweede lid van artikel 5.59 Bkl moet het omgevingsplan erin voorzien dat het geluid door een activiteit, anders dan wonen, op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan dit vereiste kan voldaan worden door het stellen van geluidwaarden (conform art. 5.65 t/m 5.69 Bkl). Ook is het mogelijk om geen waarden op te nemen als de aard en de locatie van de milieubelastende activiteit hiertoe aanleiding geven. Tot slot is het ook mogelijk om andere regels dan geluidwaarden te stellen, bv. het verplichten tot het treffen van geluidbeperkende maatregelen. 7.2.2

Besluitgebied

In de omgeving van het besluitgebied zijn geen bedrijven gevestigd waar geluidveroorzakende activiteiten plaatsvinden. Wel ligt aan het Louis de Visserplein een voetbalkooi.

Gemeente Amsterdam

blz. 54

Afbeelding 7.2.1: situering plangebied en voetbalkooi (bron: Peutz) In artikel 22.63 van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam is bepald dat, met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder, het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw niet hoger mag zijn dan de waarde bedoeld in tabel 22.3.1. Ook is in het Omgevingsplan gemeente Amsterdam bepaald (artikel 22.70, lid 1 onder c) bepaald dat stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten buiten beschouwing blijft. In artikel 22.70, lid 2 onder b opgenomen dat voor de beoordeling van de maximale geluidniveau's het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan buiten beschouwing blijft. Concreet betekent dit dat de meeste geluiden vanwege het gebruik van de voetbalkooi niet aan de grenswaarden conform artikel 22.63 Omgevingsplan gemeente Amsterdam getoetst hoeven te worden. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een toetsing van het geluid vanwege de voetbalkooi echter wel wenselijk en noodzakelijk. Vanwege de geringe afstand tussen de voetbalkooi en de te realiseren woningen is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 5.

Onderzoek In het onderzoek is het toetsingskader op grond van artikel 5.65 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) als leidraad gehanteerd. Hoewel dit artikel expliciet niet van toepassing is op activiteiten die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht, kunnen de hierin genoemde waarden als richtinggevend gebruikt worden bij de beoordeling of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

blz. 55

Uitgangspunten onderzoek De voetbalkooi wordt gebruikt voor meerdere sporten, waaronder voetbal en basketbal. De kooi kan tot 22.00 uur in gebruik zijn, na 22.00 uur is gebruik van de kooi -zoals op de borden die op de kooi zijn aangebracht is aangegeven- niet toegestaan. Voor wat betreft het geluidvermogen van de activiteiten in de kooi is aangesloten bij geluidmetingen verricht in vergelijkbare situaties elders. Op basis hiervan is een geluidvermogen gehanteerd van 94 dB(A) voor de gehele kooi. Hierbij is aangehouden dat sprake is van een mix van gemiddeld ca. 20 tot 25 kinderen en jongeren/volwassenen gedurende de gehele avondperiode van 19.00 tot 22.00 uur. De maximale geluidniveaus (“pieken”) die kunnen optreden zijn enerzijds gerelateerd aan het schieten van ballen tegen een hekwerk, en anderzijds aan het stemgeluid (schreeuwen) van gebruikers van de kooi. Hiervoor zijn op basis van ervaringsgegevens waarden gehanteerd van respectievelijk 105 en 108 dB(A). Bij gebruik van dit soort sportvoorzieningen blijkt in de praktijk sprake van een grote variatie/spreiding van de geluidemissies, afhankelijk van hoe, door wie en met welke intensiteit de kooi op dat moment gebruikt wordt. De bovenstaande uitgangspunten zijn van toepassing bij relatief intensief en continu gebruik van de kooi en kunnen daarmee als worst-case aangemerkt worden. Berekeningen

Gemeente Amsterdam

blz. 56

Op basis van de uitgangspunten is een akoestisch rekenmodel opgesteld. Met behulp van dit rekenmodel zijn de optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de dag- en avondperiode (respectievelijk 07.00 – 19.00 uur en 19.00 – 23.00 uur) berekend, alsook de optredende maximale geluidniveaus (“pieken”). In de nachtperiode (23.00 – 07.00 uur) is de voetbalkooi niet in gebruik. Uit de berekeningen blijkt dat ter plaatse van de beoogde nieuwe woningen aan de Nierkerkestraat sprake is van een geluidbelasting van ca. 52 dB(A) in de dagperiode en ca. 52 dB(A) in de avondperiode. De maximale geluidniveaus bedragen tot ca. 73 dB(A), hierbij is het schreeuwen van gebruikers van de voetbalkooi maatgevend voor de optredende pieken. Beoordeling De standaardwaarden en grenswaarden conform artikel 5.65 van het Bkl worden als richtinggevend toetsingskader gehanteerd voor de beoordeling of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten samengevat en afgezet tegen de standaardwaarden en grenswaarden.

De optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de dag- en avondperiode zijn met 52 dB(A) respectievelijk 2 en 7 dB(A) hoger dan de standaardwaarden zoals opgenomen in tabel 5.65.1 van het Bkl. De optredende maximale geluidniveaus in de avondperiode zijn 8 dB(A) hoger dan de standaardwaarden zoals opgenomen in tabel 5.65.1 van het Bkl. Overwegingen De grenswaarden zoals opgenomen in tabel 5.65.2 van het Bkl worden niet overschreden, mits de nieuwe woningen een geluidwering van de gevel hebben van minimaal 28 dB(A). De woningen dienen te voldoen aan de wettelijke eisen ten aanzien van ventilatie. Het zal niet noodzakelijk zijn om ('s avonds en 's nachts) een raam open te zetten om een gezond binnenklimaat te hebben. De voetbalkooi vervult een belangrijke maatschappelijke functie. Ze biedt de mogelijkheid om in de buurt te kunnen sporten. Ook zorgt de voetbalkooi voor verbinding. Ze functioneert als een ontmoetingsplek. Conclusie Er is sprake is van een inpasbare situatie.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

blz. 57

7.3

Geluid vanwege luchtvaart

7.3.1

Luchthavenindelingsbesluit Schiphol

Beperkingengebied geluid (LIB 4) In bijlage 3 van het LIB is het 'beperkingengebied geluidgevoelige gebouwen' aangewezen, aangeduid met nummer 4. Dit beperkingengebied is ingesteld om ernstige geluidhinder en slaapverstoring te voorkomen. Gelet op de hoge geluidbelasting die in dit gebied voorkomt, zijn nieuwe geluidgevoelige gebouwen op grond van artikel `2.2.1.c slechts onder de volgende voorwaarden toegestaan: maximum 25 woningen in bestaand stedelijk gebied of maximum 3 woningen in de lintbebouwing; vervangende nieuwbouw van geluidsgevoelige objecten van gelijke aard en omvang. Dit beperkingengebied komt in kleine delen van Nieuw-West en Zuid voor. De Nierkerkestraat ligt buiten het Beperkingengebied geluid (LIB 4). Afwegingsgebied LIB 5 In bijlage 3 van het LIB is het zogenaamde ruimtelijk afwegingsgebied geluid en externe veiligheid (voorheen: 20 Ke gebied) aangewezen, aangeduid met nummer 5. Volgens het bepaalde in artikel 2.2.1.d, eerste lid, van het LIB zijn binnen het ruimtelijke afwegingsgebied geen nieuwe woningbouwlocaties toegestaan buiten bestaand stedelijk gebied. Op grond van het tweede lid van hetzelfde artikel motiveren gemeenten in de toelichting op het omgevingsplan de wijze waarop rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen.

Naast het LIB bevat tevens de Omgevingsverordening NH 2022 (de Omgevingsverordening) regels ten aanzien van woningbouw binnen 20 Ke. Op grond van artikel 6.34 van de Omgevingsverordening wordt in de toelichting van een omgevingsplan 'rekenschap gegeven van het feit dat op de betreffende locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer en worden de redenen vermeld die er toe hebben geleid om op de betreffende locatie nieuwe woningen te bestemmen, alsmede de uitkomsten van het onderzoek naar de maatschappelijke haalbaarheid hieromtrent'. Op 28 juni 2017 heeft de gemeenteraad de beleidsregel 'Wonen en vliegen 20Ke-contour Schiphol' vastgesteld waarin is vastgelegd hoe het 'rekenschap geven' zoals bedoeld in de Omgevingsverordening in de toelichting van een omgevingsplan vorm krijgt. De geluidregels van de omgevingsverordening hebben alleen betrekking op nieuwe woningen, niet op andere geluidgevoelige gebouwen. De Nierkerkestraat ligt buiten het afwegingsgebied geluid en externe veiligheid (LIB 5). 7.3.2

Besluitgebied

Uit de Plan-/ Objectanalyse i.v.m. Luchthavenbesluit Schiphol (LIB), Bijlage 6, blijkt dat het besluitgebied wordt geraakt door de toetsvlakken 'Beperkingen aantrekken vogels' en 'Beperkingen voor windturbines en lasers'. Er is geen sprake van doorsnijding van toetshoogtevlakken en er is ook geen sprake van doorsnijding van radarvlakken. Voorliggend plan heeft geen vogelaantrekkende werking en maakt geen windturbines of een vaste laserinstallatie mogelijk. Vanuit het LIB zijn er geen beperkingen.

Gemeente Amsterdam

blz. 58

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

blz. 59

Hoofdstuk 8

Luchtkwaliteit

8.1

Regelgeving en beleid

8.1.1

Besluit kwaliteit leefomgeving

De gemeente moet bij het toelaten van activiteiten in het omgevingsplan in een aantal situaties toetsen aan omgevingswaarden voor lucht. De Omgevingswet bepaalt dat bij evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid, zo bepaalt artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet (Ow). Hierbij houdt de gemeente rekening met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (art. 2.1 en 2.4 Ow). In paragraaf 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels die de gemeente bij het opstellen van een omgevingsplan moet hanteren om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit houdt in dat het toelaten van activiteiten leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m3 of minder. De standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit staan onder artikel 5.54 (Bkl).

Activiteitentoetsen in en nabij aandachtsgebieden De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden (artikel 5.51 Bkl). Dat zijn gebieden of locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Volgens het tweede lid is de agglomeratie Amsterdam/Haarlem aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor de activiteiten genoemd in het eerste lid van artikel 5.51 Bkl, namelijk: a. de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen, niet zijnde een activiteit als bedoeld in artikel 5.50 eerste lid; b. activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen; of c. milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Omgevingswaarden Artikel 5.51 vierde lid van het Bkl bepaalt het volgende: Als de activiteiten leiden tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van een van de volgende in een daarbij aangegeven aandachtsgebied, worden in een omgevingsplan de daarbij aangegeven omgevingswaarden in acht genomen: a. in een aandachtsgebied voor zowel stikstofdioxide als fijnstof: 1°.

de omgevingswaarde voor stikstofdioxide, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onder b; en 2°. de omgevingswaarden voor PM10, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid; en b. in een aandachtsgebied voor fijnstof: de omgevingswaarden voor PM10, bedoeld in artikel 2.5, Gemeente Amsterdam

blz. 60

eerste lid. Het vijfde lid bepaalt vervolgens: Op het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide of van PM10 zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing . De omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn te vinden in paragraaf 2.2.1 Bkl. De omgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn te vinden onder artikel 2.4, respectievelijk 2.5, Bkl. 8.1.2

Besluitgebied

Middels een berekening met de NIBM-tool (NIBM-tool | Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl)) is inzichtelijk gemaakt of de beoogde ontwikkeling al dan niet in betekende mate bijdrage levert aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van verslechtering van de luchtkwaliteit.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22B Nierkerkestraat (vastgesteld)

blz. 61

Hoofdstuk 9 9.1

Omgevingsveiligheid (externe veiligheid)

Algemeen

Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving in relatie tot het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen bij bedrijven met risicovolle milieubelastende activiteiten, het transport van gevaarlijke stoffen via openbare wegen, wateren spoorwegen en buisleidingen, het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Een viertal begrippen is van belang: het plaatsgebonden risico (PR), brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden (BAG, EAG en GAG), voorschriftengebieden en het groepsrisico (GR). Deze begrippen vullen elkaar aan en leiden gecombineerd met elkaar tot een voldoende (en afgewogen) beschermingsniveau per functie en locatie. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen of activiteiten, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour rond de risicovolle activiteit en geeft daarmee de (minimaal) aan te houden afstand aan tussen de risicovolle activiteit en te beschermen objecten.

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden volgen uit het toestaan van een bepaalde risicobron op een locatie en gelden automatisch zodra de risicoactiviteit vergund is dan wel met de risicoactiviteit is begonnen. In brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebieden, moet je rekening houden met gevaren die door bedrijven of door het transport van gevaarlijke stoffen veroorzaakt worden. Binnen deze aandachtsgebieden kunnen voorwaarden worden gesteld voor bijvoorbeeld het bouwen van woningen, scholen, kantoorpanden en ziekenhuizen. Hiertoe wordt er onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen (zoals kinderopvang en ziekenhuizen) en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties (zoals kampeerterreinen en grote evenementen). De definities van deze categorieën zijn opgenomen in bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voorschriftengebied In het omgevingsplan worden aandachtsgebieden als voorschriftengebieden aangewezen, waardoor (bouwtechnische) maatregelen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gaan gelden voor nieuwe gebouwen.

De gemeente moet in principe in een omgevingsplan een geldend brandaandachtsgebied aanwijzen als een brandvoorschriftengebied en een geldend explosieaandachtsgebied als een explosievoorschriftengebied. De gemeenteraad kan gemotiveerd afzien van de verplichte aanwijzing van een voorschriftengebied of een kleiner voorschriftengebied aanwijzen. Voor zover zeer kwetsbare gebouwen zijn voorzien op een locatie in het aandachtsgebied bestaat deze mogelijkheid niet en moeten de maatregelen uit het Bbl worden toegepast. Voor een gifwolkaandachtsgebied is het niet mogelijk (en ook niet nodig) een voorschriftengebied aan te wijzen, omdat de generieke bouweisen uit het Bbl al voldoende mogelijkheden bieden om bescherming tegen een gifwolk te realiseren.

Gemeente Amsterdam

blz. 62

Groepsrisico Binnen de aandachtsgebieden kunnen zich ongewone voorvallen met gevaarlijke stoffen voordoen, waarbij afhankelijk van de bevolkingsdichtheid in het gebied meer of minder slachtoffers kunnen vallen. Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal tien mensen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hiermee wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Uit onder meer de Nota van toelichting bij het Bkl is echter op te maken dat het in het nieuwe beleid niet alleen gaat om het voorkomen van doden, maar ook om het voorkomen of beperken van maatschappelijke ontwrichting. Maatschappelijke ontwrichting kan verband houden met het overlijden van een groep mensen, maar ook met gewonden, milieuschade en economische schade. Voor externe veiligheid wordt door het Rijk sinds 2013 nieuw beleid ontwikkeld dat wordt aangeduid als omgevingsveiligheidsbeleid. Het omgevingsveiligheidsbeleid is er op gericht dat het bevoegd gezag externe veiligheidsrisico's als ontwerp-variabele zo vroeg mogelijk bij de totstandkoming van omgevingsplannen betrekt. In de ontwerpfase zijn immer meestal nog meerdere keuzes mogelijk, zoals een keuze voor een andere, minder risicovolle locatie of voor het voorschrijven van maatregelen die het aantal mogelijke slachtoffers bij een ongeval verminderen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15669758/1