2. Regels en toelichting bestemmingsplan Van Zeggelaarstraat 18B.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Van Zeggelaarstraat 18B
21 juni 2024
2
Van Zeggelaarstraat 18B
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 Hoofdstuk 6 Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3
5 Inleiding Aanleiding Ligging plangebied Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer Initiatief Huidige situatie Toekomstige situatie Beleidskader Nationaal beleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage (m.e.r.) Bodem Archeologie Geluid Bedrijven en milieuzonering Luchtkwaliteit Externe veiligheid Flora en fauna Waterhuishouding Verkeer en parkeren Cultuurhistorie Juridische planbeschrijving Algemeen Plansystematiek Wijze van bestemmen Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Algemeen Vooroverleg Zienswijzen
7 7 7 8 10 11 11 11 13 13 15 17 18 18 19 21 21 23 24 24 26 29 35 37 38 38 38 39 40 41 41 41 42
Bijlagen bij toelichting
43
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8
44 45 46 47 48 49 50 51
Kavelpaspoort Verkennend Bodemonderzoek Memo AERIUS-berekening AERIUS-berekening aanlegfase AERIUS-berekening gebruiksfase Quickscan Digitale watertoets resultaat-check Nota van Beantwoording
Van Zeggelaarstraat 18B
3
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Hoofdstuk 4 Artikel 12 Artikel 13
4
53 Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Bestemmingsregels Tuin - 1 Tuin - 2 Wonen - 1 Waarde - Archeologie - 2 (dubbelbestemming) Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
55 55 58 61 61 62 62 63 67 67 67 67 68 69 71 71 71
Van Zeggelaarstraat 18B
Toelichting
Van Zeggelaarstraat 18B
5
6
Van Zeggelaarstraat 18B
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
Op het perceel aan de Van Zeggelaarstraat 18B te Amsterdam is een loods gelegen, opgetrokken uit staalplaten, waar een poelier gevestigd was. De bedrijfsvoering is al enige tijd geleden beëindigd. De opstallen zijn verkocht aan de achterbuurman. De bedrijfsopstallen zijn inmiddels leeg en afgekoppeld van nutsvoorzieningen. Het geheel maakt een verwaarloosde indruk. Door de nieuwe eigenaren, de heer en mevrouw Van der Helm, is een verzoek ingediend om op het perceel één woning te realiseren. Door de gemeente Amsterdam is positief op dit verzoek gereageerd (Z2022N000666, 18 augustus 2022). Om het perceel als woonkavel in gebruik te nemen is afwijken van het geldende bestemmingsplan noodzakelijk. Hiervoor is een aanvraag tot 'planologisch afwijken' aangevraagd. In reactie op deze aanvraag is door de gemeente Amsterdam aangegeven dat planologische medewerking alleen via een partiële herziening van het bestemmingsplan mogelijk is. Onderhavig plan voorziet in deze herziening.
1.2
Ligging plangebied
Van Zeggelaarstraat 18B bevindt zich in Amsterdam en ligt in de wijk Kadoelen. Het plangebied maakt deel uit van de kadastrale gemeente Amsterdam, sectie AP, perceel 4061, met een oppervlakte van 497 m². Het perceel is globaal gelegen ten zuiden van de A10 en ten noorden van het zijkanaal. Het perceel is gelegen aan de rand van een kleinschalige woonbuurt dat is gerealiseerd tussen 1918 en 1920 en ligt aan de noordzijde van de Wilmkebreekpolder. De Wilmkebreekpolder is bijna 400 jaar oud. Het is het laatst overgebleven gebied binnen de ring A10 waar nog agrarische bedrijvigheid aanwezig is. Op de navolgende afbeeldingen zijn de ligging van het plangebied en de plangrens globaal aangegeven.
Situering plangebied, plangebied rood omcirkeld (bron: Google Earth).
Van Zeggelaarstraat 18B
7
Het plangebied ligt nabij de Stoombootweg.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (Bron: Google Earth).
1.3
Geldende bestemmingsplannen
Kadoelen-Oostzanerwerf III Voor de gronden geldt het bestemmingsplan 'Kadoelen-Oostzanerwerf III’, vastgesteld door de gemeente Amsterdam op 19 juni 2013. In dit bestemmingsplan hebben de gronden gelegen binnen het bouwvlak de enkelbestemming 'Bedrijf - 1', voorts geldt voor de overige gronden de enkelbestemming 'Tuin - 1' en voor een klein gedeelte aan de zuidelijke zijde de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'. Bij de enkelbestemming 'Bedrijf - 1' geldt een maatvoering van een maximum bebouwingspercentage van 100% en een maximum bouw- en goothoogte van respectievelijk 8 m en 6 m. Bij de enkelbestemming 'Tuin - 1' mag slechts gebouwd worden voor de hierna genoemde bestemmingsfuncties, hierbij geldt voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk een maximum bouwhoogte voor aanbouw van 3 m en een maximum bouw- en goothoogte voor een bijgebouw van respectievelijk 5 m en 3 m. Op 30 november 2016 is de herziening '2e partiële herziening Kadoelen-Oostzanerwerf III' toegepast. In deze herziening is opgenomen dat niet langer is toegestaan verschillende hoofdbestemmingen volledig te benutten ten behoeve van een zelfstandige parkeerfunctie. Daarmee wordt de oorspronkelijke bedoeling verduidelijkt en ingevoerd, dat op verschillende hoofdbestemmingen parkeren slechts is toegestaan ten behoeve van deze hoofdbestemming.
Dit bestemmingsplan heeft een conserverend karakter, er worden geen nieuwe ontwikkelingen in dit plan mogelijk gemaakt.
8
Van Zeggelaarstraat 18B
Verbeelding geldend bestemmingsplan 'Kadoelen-Oostzanerwerf III', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Toegestane functies zijn: Bedrijf bedrijf; zakelijke dienstverlening; maatschappelijke voorzieningen; parkeervoorzieningen; bergingen en andere nevenruimten; bedrijfserven; verkeersareaal; groenvoorzieningen; water; waterhuishoudkundige voorzieningen. Tuin tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; erven; voetpaden; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; water; waterhuishoudkundige voorzieningen. Drijvende bouwwerken Voorts geldt voor de gronden het paraplubestemmingsplan 'Drijvende bouwwerken', vastgesteld op 18 september 2019. Sinds 30 juni 2023 is het voorbereidingsbesluit 'Partiële herziening drijvende bouwwerken' in werking getreden. Op de tot 'Recreatie-dagrecreatie 1' bestemde gronden mogen ter plaatse waar in het moederplan ligplaatsen voor woonboten en/of bedrijfsvaartuigen zijn toegestaan, drijvende bouwwerken worden opgericht. Het project betreft geen drijvend bouwwerk, dit houdt in dat het project niet in strijd is met het bestemmingsplan 'Drijvende bouwwerken'.
Van Zeggelaarstraat 18B
9
Grondwaterneutrale Kelders Daarnaast geldt voor de gronden het paraplubestemmingsplan 'Grondwaterneutrale Kelders', vastgesteld op 7 oktober 2021. In dit bestemmingsplan hebben de gronden van het plangebied de gebiedsaanduiding 'Overige zone - 2'. Binnen deze gebiedsaanduiding is het verboden kelders te bouwen, dan wel bestaande kelders te vergroten. Hierop kan worden afgeweken door het bevoegd gezag mits de kelder grondwaterneutraal kan worden gebouwd. Het project beschikt niet over een kelder, dit houdt in dat het project niet in strijd is met het bestemmingsplan 'Grondwaterneutrale Kelders'. Darkstores Tevens geldt voor de gronden het paraplubestemmingsplan 'Darkstores', vastgesteld op 10 mei 2023. Voor alle in het plan betrokken gronden geldt dat deze niet mogen worden gebruikt als darkstore. Het project betreft geen darkstore, dit houdt in dat het project niet in strijd is met het bestemmingsplan 'Darkstores'. Het project is in strijd met artikel 4 van de bouw- en gebruiksbepalingen van het bestemmingsplan 'KadoelenOostzanerwerf III'. De locatie heeft in dit bestemmingsplan namelijk de bestemming 'Bedrijf - 1'. In het bouwplan wordt aangegeven dat op deze locatie maximaal één woning gerealiseerd wordt waartoe het bestaande bouwvlak dient te worden vergroot en de maximale bouwhoogtes zullen worden overschreden.
Binnen deze (bedrijf- en tuin)bestemming is het oprichten van nieuwe woningen of hoofdgebouwen niet toegestaan. Om dit mogelijk te maken is een wijziging van de bestemming naar wonen vereist en daarmee is een partiële herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Hiervoor is onderhavig bestemmingsplan opgesteld. Hierbij is een op een aangesloten op het bestemmingsplan 'Kadoelen-Oostzanerwerf III'.
1.4
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tot slot bevat hoofdstuk 5 de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
10
Van Zeggelaarstraat 18B
Hoofdstuk 2
2.1
Initiatief
Huidige situatie
De huidige bedrijfsloods, gebruikt door een poelier, is in 1999 gebouwd. Het perceel ligt aan de zuidzijde van de straat met woningen en grenst aan de Wilmkebreekpolder. De gronden rondom het plangebied zijn bebouwd met woningen die zijn gerealiseerd tussen 1918 en 1920. Er is veel verhard oppervlak aanwezig op het perceel.
Gevelaanzicht plangebied (Bron: Google Earth).
2.2
Toekomstige situatie
Op het perceel aan de van Zeggelaarstraat 18B te Amsterdam staat een loods, opgetrokken uit staalplaten waar tot voor kort een poelier gevestigd was. Het perceel heeft op dit moment (grotendeels) een bedrijfsbestemming en een tuinbestemming. Door de initiatiefnemer is een vooroverlegplan ingediend om op locatie één woning toe te voegen. Op 18 augustus 2022 heeft de gemeente Amsterdam (Z2022-N000666) aangegeven in te kunnen stemmen met de realisatie van één woning op locatie. De initiatiefnemer heeft ervoor gekozen maximaal één woning mogelijk te maken, hiermee wordt het eenvoudiger de kavel als ontwikkeling op de markt te zetten. De gemeente Amsterdam heeft aangeven dat de voorgestelde transformatie van bedrijven naar woningbouw op dit perceel aansluit op de ontwikkeling van de wijk.
Van Zeggelaarstraat 18B
11
Om het beoogde initiatief goed in te passen zijn een schets en een stedenbouwkundig advies (incl. bouwmassa) opgesteld. Voor het beoogde bouwplan wordt het bestaande bouwvlak verschoven en aangesloten op de karakteristiek van bestaande woningen in de straat, zoals te zien is in de bij deze toelichting bijgevoegde verbeelding. Het beoogde bouwplan bestaat uit de realisatie van één woning bestaande uit twee bouwlagen met een kap. Aanvankelijk was het voornemen om een goothoogte en nokhoogte van respectievelijk 4,5 m en 10 m als maximale hoogte op te nemen in het bestemmingsplan. Doordat gemeente Amsterdam vanuit stedenbouwkundig oogpunt bedenkingen heeft bij deze hoogten, zijn de plannen aangepast naar een maximale goot- en nokhoogte van respectievelijk 3 m en 9 m. Daarmee wordt aangesloten bij aangrenzende woningen. De schaal en de nokrichting van de woning (haaks op de straat) sluiten eveneens aan op het straatbeeld, zoals te zien is in het als bijlage toegevoegd stedenbouwkundig advies, daar een serie woningen ten noorden van het plangebied een aanwezige goot- en bouwhoogte hebben van respectievelijk 3 m en 8 m, terwijl deze hoogten bij de woning tegenover de planlocatie (Van Zeggelaarstraat 20) respectievelijk 4 m en 9 m bedragen.
Verder zal de beoogde woning een breedte krijgen van 7 m (oostzijde), een lengte van 12 m (noordzijde) en daarbij worden voorzien van een uitbreiding aan de zuidwestzijde met een diepte van 2 m aan zowel de zuid- als westzijde, zoals te zien in het kavelpaspoort hierna. Parkeren zal uitsluitend geschieden op eigen terrein. Daarnaast was aanvankelijk het voornemen om een aanduiding bijgebouw op te nemen aan de oostzijde van het plangebied. Doordat er een stedenbouwkundige randvoorwaarde is gesteld door de gemeente Amsterdam teneinde het doorzicht op de Wilmkebreekpolder te behouden, zijn de plannen aangepast en is het gedeelte voor de rooilijn vrijgehouden van bebouwing en zijn hier alleen bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan met een maximumhoogte van 1 m. In de regels wordt hier nader op ingegaan. In de navolgende afbeelding is het kavelpaspoort getoond voor de toekomstige situatie. Het kavelpaspoort is tevens toegevoegd als bijlage (zie Bijlage 1 Kavelpaspoort).
Kavelpaspoort toekomstige situatie (bron: Buro SRO, 12 oktober 2023).
12
Van Zeggelaarstraat 18B
Hoofdstuk 3
3.1
Beleidskader
Nationaal beleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang van het project is de NOVI verder niet specifiek van belang.
Onderhavig initiatief is in alle redelijkheid beperkt in omvang en invloed op de ruimtelijke omgeving. De realisatie van de woning is niet in strijd met de in de NOVI opgenomen prioriteiten en beleidskeuzes. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Onderhavig initiatief valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
Van Zeggelaarstraat 18B
13
1.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. 2. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. 3. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Planspecifiek Conform artikel 1.1.1.
eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 woningen, afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het gewenste ontwerp maakt de realisatie van één woning mogelijk, waarmee het project niet aangemerkt wordt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet nader getoetst hoeft te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.1.4 Luchthavenindelingbesluit (LIB) Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) legt beperkingen op aan bebouwing, activiteiten en functies in de buurt van luchthaven Schiphol. De beperkingen zijn ingesteld om te voorkomen dat objecten of gebruiksfuncties worden ontwikkeld die: 1. het vliegverkeer belemmeren en/of in gevaar brengen (vliegveiligheid); 2. zelf te veel geluidhinder of risico ondervinden als gevolg van het vliegverkeer (externe veiligheid en geluid).
De beperkingen hebben geen consequenties voor bestaand gebruik of al vóór inwerkingtreding vergunde objecten en gebruiksfuncties, uitgezonderd bestaande woningen binnen de zogenaamde sloopzones LIB 1 en LIB 2. Planspecifiek Het plangebied bevindt zich ruim buiten de zones rondom de landingsbanen van Schiphol. Verder bevindt het plangebied zich in het beperkingengebied van het 'Luchthavenindelingbesluit Schiphol' (LIB). Het plangebied valt onder het gebied waar een maatgevende toetshoogte van 146 m NAP geldt. Binnen dit gebied zijn geen objecten hoger dan 146 m NAP toegestaan. Onderhavig plan voorziet in een bouwhoogte van 9 m en zit daarmee ruim onder de 146 m NAP. Er is dan ook geen overschrijding van de gestelde toetshoogte. Er kan geconcludeerd worden dat het 'Luchthavenindelingbesluit Schiphol' geen belemmeringen voor de uitwerking van het plan veroorzaakt.
14
Van Zeggelaarstraat 18B
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities: Leefomgeving a. Klimaatverandering: een klimaat bestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. b. Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. c. Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt. Gebruik van de leefomgeving a. Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. b.
Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. c. Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen. d. Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Energietransitie a. De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie. Daarnaast wordt er met de Omgevingsvisie NH2050 geprobeerd om een richting uit te zetten om houvast te bieden naar de onzekere toekomst. Daarvoor wordt een aantal bewegingen naar de toekomst toe benoemd: 1. Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst 2. Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging 3. Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem 4. Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal 5. Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie 6.
Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector Er wordt in de Omgevingsvisie NH2050 uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Planspecifiek De provincie Noord-Holland hecht veel waarde aan een goede balans tussen leefbaarheid en economische ontwikkeling. Een belangrijk aspect van de leefbaarheid is een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Doordat voorliggend plan slechts betrekking heeft op maximaal één woning heeft dit geen negatieve gevolgen voor de leefbaarheid. Bij de ruimtelijke randvoorwaarden, bestaande uit één woning met maximaal 3
Van Zeggelaarstraat 18B
15
bouwlagen (2 lagen + kap), is rekening gehouden met de directe omgeving. Dit initiatief draagt ook op kleine schaal bij aan de bestaande economische activiteiten die vastgesteld zijn voor het besluitgebied voor de komende decennia, waarmee efficiënt en duurzaam met de ruimte wordt omgegaan. Er kan geconcludeerd worden dat er uit de omgevingsvisie geen belemmeringen voor voorliggend plan voortkomen. 3.2.2 Omgevingsverordening NH2020 Provinciale Staten van Noord-Holland hebben op 22 oktober 2020 de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn de eerste stappen gezet om de ambities, ontwikkelprincipes en sturingsfilosofie uit de Omgevingsvisie, vastgesteld op 19 november 2018, vorm te geven en wordt er een start gemaakt met werken in de geest van de Omgevingswet. Echter valt de Omgevingsverordening NH2020 nog onder de huidige wet- en regelgeving. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn alle regels van de provincie die gaan over de fysieke leefomgeving samengevoegd. Merendeel van de regels in deze verordening zijn vrijwel ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2010. Echter zijn een aantal onderdelen wel gewijzigd of nieuw.
Belangrijke gewijzigde en nieuwe onderdelen zijn het Landelijk gebied, Bijzonder provinciaal landschap, de mogelijkheden voor kleinschalige woningbouw in landelijk gebied en de ruimte voor windenergie in de MRA regio. De omgevingsverordening heeft de volgende doelstellingen: het bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te bereiken; het behoud en herstel van de biologische diversiteit; het in standhouden en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Planspecifiek Aan de hand van de bij de Omgevingsverordening behorende kaart zijn de voor de planontwikkeling relevante bepalingen geïdentificeerd. De relevante artikelen worden navolgend behandeld. Artikel 6.82 Peilbesluit Het plangebied is aangemerkt met vastgestelde peilbesluit(en) voor de oppervlaktewaterlichamen in de gebieden binnen het werkingsgebiedpeilbesluit, die rekening moeten houden met veranderingen in de omstandigheden ter plaatse en met de aanwezige functies en belangen. Artikel 5.6 Normen voor waterkwaliteit Het plangebied is aangemerkt met de gebiedswaarden wateroverlast. Het maaiveld criterium geeft in percentages aan welk deel van het oppervlak van een gebied buiten beschouwing kan worden gelaten bij de berekening van de kans op een overstroming.
Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente binnen de bebouwde kom als norm een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1/100 per jaar voor bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen met maaiveldcriterium van 0%; b. 1/50 per jaar voor glastuinbouw met maaiveldcriterium van 1%; c. 1/10 per jaar voor het overige gebied met maaiveldcriterium van 5%. Aan de indeling in het eerste lid liggen de volgende overwegingen ten grondslag: a. Voor bebouwing in stedelijk gebied geldt vanwege de hoge economische waarde van het gebouwde overeenkomstig de normering uit het NBW de hoogste norm, de 'bebouwingsnorm', van 1/100 per jaar. b. Voor niet bebouwd gebied in stedelijke kernen (parkeren, sportvelden etc.) is gekozen voor de 'graslandnorm' van 1/10 per jaar vanwege de relatief lage economische waarde van dat gebied en de kosten van de benodigde maatregelen die gemoeid zijn met het realiseren van een hogere norm. Het moge duidelijk zijn dat de gestelde normen niet gelden voor gebieden die bewust onder water worden gezet, zoals waterpleinen. Ook wateroverlast die wordt veroorzaakt door rioleringsproblemen wordt niet meegenomen bij de beoordeling of aan de normen wordt voldaan, want de normen zijn watersysteembeheersnormen.
16
Van Zeggelaarstraat 18B
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Amsterdam 2050 De Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is door de gemeenteraad van Amsterdam vastgesteld op 8 juli 2021. In deze toekomstvisie staan de volgende vijf strategische keuzes centraal: Meerkernige ontwikkeling; Groeien binnen grenzen; Duurzaam en gezond bewegen; Rigoureus vergroenen; Samen stadmaken. Daarbij worden de volgende vijf kernopgaven vermeld: Inclusief en betaalbaar; Klimaatbestendig en klimaatneutraal; Leefbaar en bereikbaar; Economisch vitaal en circulair; Gezond en veilig. De structuurvisie stelt dat de centrale ambitie voor Amsterdam is dat het zich verder ontwikkelt als kernstad van een internationaal concurrerende, duurzame, Europese metropool. De visie stelt dat het stedelijk centrummilieu zich uitrolt tot aan de ring A10 en zich niet alleen beperkt tot de historische binnenstad. Hierbij biedt intensivering van het grondgebruik in de stad een tal van mensen woon- en werkruimte. Planspecifiek De realisatie van de woning draagt op zeer bescheiden schaal bij aan de strategische keuze 'Groeien binnen grenzen' in het besluitgebied, terwijl de ontwikkeling ervan geen verstoring of afname van de bestaande natuurlijke/landschappelijke waarden betekent. Het onderhavige initiatief vormt hiermee een goede invulling van het beleid van de structuurvisie.
Van Zeggelaarstraat 18B
17
Hoofdstuk 4
Milieu- en omgevingsaspecten
In de ruimtelijke onderbouwing dient gemotiveerd te worden in hoeverre het plan milieutechnisch haalbaar is. Dit houdt in dat verschillende ruimtelijke en milieutechnische aspecten, zoals flora & fauna, archeologie, bodem, akoestiek, etc. onderzocht moeten worden.
4.1
Milieueffectrapportage (m.e.r.)
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; b. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.plicht; c.
het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; d. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.(-beoordelings)plicht. Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet: door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer). De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r.
genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Per 1 januari 2021 is de Verzamelwet IenW 2019 in werking getreden. Dit heeft er onder andere toe geleid dat artikel 7.28 van de Wet milieubeheer gewijzigd. De wijziging houdt in dat voor gevallen onder de drempelwaarden (kolom 2) van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (informele m.e.r.-beoordeling) een m.e.r.-beoordelingsbesluit in een dergelijk geval niet al moet worden voorgelegd bij de aanvraag. Dit betekent dat de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling tegelijk met de procedure voor de vergunningaanvraag kan lopen. Planspecifiek Het bestemmingsplan bevat een activiteit die genoemd wordt in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Het realiseren van woningen valt onder onderdeel D.11.2 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen', (drempelwaarde: een aangesloten gebied dat 2.000 woningen of meer omvat) van het
18
Van Zeggelaarstraat 18B
Besluit milieueffectrapportage. Daarmee valt voorliggend plan onder sub c: het plan wordt wel genoemd maar voldoet niet aan de drempelwaarde. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Daarnaast blijkt uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017) en (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten zoals aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Ook het opvullen van een open gebied in een stedelijke omgeving en het uitbreiden van bebouwing zijn, op basis van een uitspraak 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879, 12 juni 2019) en een tussenuitspraak van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2019:1668, 22 mei 2019) niet zonder meer te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Met het voorliggende plan wordt de bestaande bedrijfsbebouwing gesloopt en één nieuwe woning gerealiseerd.
Gelet op de omvang van het plangebied, de te slopen gebouwen en de realisatie van één woning, neemt het totale bouwvolume substantieel af. Tevens is de ontwikkeling te zien als een vorm van kleinschalige opvulling in bestaand stedelijk gebied. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat er hier geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit en daarmee een aanmeldnotitie is niet noodzakelijk.
4.2
Bodem
Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek In het kader van de nieuwbouw is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Grondslag (Grondslag, 17 juli 2020, zie Bijlage 2 Verkennend Bodemonderzoek). Door Grondslag is ter plaatse van één boring een matige brandstofwaarneming gedaan. In de betreffende bodemlaag is in de grond een lichte verhoging gemeten aan minerale olie. In het grondwater zijn geen verhogingen aangetoond aan minerale olie en aromaten. In de bodem is een laag van volledig metselpuin aangetroffen. Aangezien de herkomst van het materiaal onbekend is, is het formeel verdacht op het voorkomen van asbest.
Indien er bij de ontwikkeling in het metselpuin gewerkt gaat worden, of het materiaal afgevoerd gaat worden, dan wordt aanbevolen om het metselpuin te onderzoeken op het voorkomen van asbest. Voor de graafwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwbouw dient een melding te worden gedaan conform het Besluit Uniforme Saneringen (BUS). In hoeverre het perceel gesaneerd dient te worden door middel van een leeflaag (grond) en/of afdeklaag (verharding) is ter beoordeling van het bevoegd gezag. Op basis van de risicobeoordeling zijn er bij het toekomstige gebruik ‘wonen met tuin’ geen onaanvaardbare risico’s te verwachten.
Van Zeggelaarstraat 18B
19
Door Grondslag wordt geadviseerd om de niet sterk verontreinigde grond die tijdens de werkzaamheden vrijkomt te hergebruiken binnen de perceelsgrenzen. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van dit rapport worden afgevoerd naar een grondbank of -depot. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn dat de grond nog onderzocht dient te worden op PFAS. Als de grond wordt afgevoerd voor hergebruik elders, is (normaliter) eerst een keuring nodig (doorgaans incl. PFAS) conform het Besluit Bodemkwaliteit. Met name bij grotere partijen grond is dit laatste voordeliger dan afvoeren naar een grondbank of -depot. Toetsing Omgevingsdienst Op 3 oktober 2023 heeft de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied het ingediende bodemonderzoek door Grondslag getoetst. De omgevingsdienst heeft een redelijk vermoeden dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging als bedoeld in de Wet bodembescherming. Dit vermoeden is gebaseerd op het ingediende bodemonderzoeksrapport en het advies daarover van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Op grond van artikel 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht treedt de omgevingsvergunning niet eerder in werking dan nadat: a.
bij beschikking is vastgesteld dat geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is - de zogenaamde beschikking ernst, geen spoed - en het desbetreffende besluit in werking is getreden (artikel 29, eerste lid, in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming). Een dergelijke beschikking is aan de orde indien geen sprake is van grondverzet. Indien wel sprake is van grondverzet of indien spoedige sanering noodzakelijk is, dan zal er een saneringsplan (zie onder b) of BUS-melding (zie onder c) moeten worden ingediend. BUS staat voor Besluit uniforme saneringen; of b. is ingestemd met het saneringsplan en het desbetreffende besluit in werking is getreden (op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming); of c. een BUS-melding is gedaan en de termijn waarna men mag beginnen is verstreken (op grond van artikel 39b, derde lid, van de Wet bodembescherming). BUS staat voor Besluit uniforme saneringen. Conform het advies van de Omgevingsdienst en op grond van artikel 6.2c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zal een BUS-melding worden gedaan. Daarnaast wijst de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied op de volgende gebruiksadviezen vanwege lood. Volgens de GGD Amsterdam kan een loodgehalte vanaf 100 mg/kg in de bodem al schadelijk zijn voor de gezondheid.
Met name geldt dit voor jonge kinderen in de leeftijd tussen 0 en 6 jaar. De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied adviseert daarom de gebruiksadviezen op te volgen: Aanbrengen van bodembedekking, zoals gras, verharding of een schone laag grond op plekken waar kinderen spelen; Kinderen laten spelen in een zandbak met schoon wit zand; Groente en fruit kweken in plantenbakken met schone teelaarde; Rekening houden met hygiëne: zelfgekweekte groente wassen, handen wassen; Inloop van gronddeeltjes tegengaan door schoenen uit te doen en regelmatig te stofzuigen. De verontreiniging is waarschijnlijk gerelateerd aan de oudstedelijke ophooglaag. Er is op basis van de uitgevoerde risicobeoordeling geen sprake van onaanvaardbare risico’s vanwege de bodemkwaliteit voor het gebruik ‘Wonen met tuin’. De bodemkwaliteit voldoet echter niet aan de bodemnorm voor blijvende geschiktheid voor het beoogde gebruik als ‘Wonen met tuin’. Geadviseerd wordt om de bodem duurzaam geschikt te maken voor de beoogde functie. Dit staat de voorgenomen bestemmingswijziging echter niet in de weg. Conclusie Conform het advies van de Omgevingsdienst en op grond van artikel 6.2c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zal een BUS-melding worden gedaan. Daarmee is het planvoornemen uitvoerbaar in het kader van het aspect bodem.
20
Van Zeggelaarstraat 18B
4.3
Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet en de Wet op Archeologie en Monumentenzorg. Op basis van deze wetten zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. Planspecifiek De betreffende locatie is gelegen in een gebied met deels een archeologische verwachtingswaarde. De bestemming 'Waarde - Archeologie - 2' is voor het zuidelijke deel van de kavel opgenomen. Conform het geldende bestemmingsplan geldt voor deze gronden dat wanneer er sprake is van bodemverstoring, er een archeologisch rapport overlegd dient te worden. Echter kan hiervan worden afgeweken bij een bodemverstoring met een kleiner oppervlak dan 10.000 m² en een kleinere diepte dan 0,50 m onder het maaiveld. Het grondoppervlak waarop de huidige loods aanwezig is en dat tevens een bedrijfsbestemming heeft bedraagt ca. 7 m². De gronden met een tuinbestemming als wel een archeologische dubbelbestemming bedraagt ca. 35 m².
Daarmee blijven deze gronden onder de grenswaarden en is archeologisch onderzoek op voorhand niet noodzakelijk. Daarbij wordt de woning niet op de locatie gerealiseerd waar deze archeologische gronden gelegen zijn. Wel moet worden gezegd dat tijdens het bodemonderzoek bodemverontreiniging is aangetroffen. Daardoor adviseert de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied om voor het saneren een BUSmelding in te dienen. Daarbij kan ervoor worden gekozen om bij de sanering van de bodemverontreiniging de gronden met 'Waarde - Archeologie - 2' af te dekken. Bovendien zal de beoogde woning niet worden geplaatst op de betreffende archeologische gronden. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat er archeologische waarden worden geschaad. Mochten in het kader van de sanering toch bodemingrepen dieper dan 0,5 m plaatsvinden in de tuinenbestemmingen, dan zal hieraan voorafgaand een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Conclusie Zoals hiervoor aangegeven bedraagt de bodemverstoring minder dan de in het geldende bestemmingsplan aangegeven grenswaarden. Daarmee is het planvoornemen uitvoerbaar in het kader van het aspect archeologie.
4.4
Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh): woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen); andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): 1. verzorgingstehuizen; 2. psychiatrische inrichtingen; 3. medisch centra; 4. poliklinieken; 5. medische kleuterdagverblijven. Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Van Zeggelaarstraat 18B
21
Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder. Doordat er met voorliggend plan de realisatie van maximaal één woning wordt beoogd, dient beschouwd te worden of de geluidsbronnen uit Wgh belemmeringen vormen voor de ontwikkeling. Wegverkeerslawaai De beoogde ontwikkeling bevindt zich in de buurt van een 30 km/u-weg, de Wet geluidhinder is hier niet van toepassing. De planlocatie bevindt zich niet binnen een weg met onderzoekszone. Wegverkeerslawaai De beoogde woning komt te liggen in een woonerf. In de directe omgeving van de planlocatie zijn wegen met een toegestane maximumsnelheid van 30 km/uur gelegen (Stoombootweg, Pandorinastraat en Eudorinastraat). Daarmee bevindt de planlocatie zich niet binnen een planologisch aandachtsgebied volgens de Wet geluidshinder (artikel 74, tweede lid, onder a en b, Wgh). In het kader van een goede ruimtelijke ordening en lokaal beleid van gemeente Amsterdam (Geluidsbelastingkaart Amsterdam 2021), wordt de beoogde locatie echter alsnog beoordeeld op geluidsaspecten. In navolgende afbeelding is zichtbaar dat er een maximale geluidsbelasting van 47 dB op de planlocatie optreedt. Daarmee ligt de woning onder de voorkeursgrenswaarden van 48 dB en 54 dB volgens respectievelijk de Wet geluidhinder en de Geluidsbelastingkaart Amsterdam 2021.
Uitsnede van kaart 'Geluidsbelastingkaart Amsterdam', planlocatie zwart omkaderd (bron: Gemeente Amsterdam).
22
Van Zeggelaarstraat 18B
Spoorweglawaai De beoogde ontwikkeling bevindt zich op ca. 3,7 km van de dichtstbijzijnde spoorweg. De planlocatie ligt buiten de onderzoekszone van deze spoorweg. Industrielawaai Er bevindt zich geen industrieterrein in de omgeving van de planlocatie. De planlocatie ligt buiten de onderzoekszone. Conclusie De Wet geluidhinder is niet van toepassing op het plangebied. Verder onderzoek is niet noodzakelijk. De bouwaanvraag zal wel moeten voldoen aan de vereiste vanuit het bouwbesluit waar het betreft het maximale binnenniveau.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit.
In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen: het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. Planspecifiek In het geldende bestemmingsplan is aangetoond dat op deze locatie bedrijven zijn toegestaan die vallen onder de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels horende staat van bedrijfsactiviteiten. Omliggende bedrijven Op ca. 13,5 m ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een pand (Stoombootweg 30) waar nog een bedrijfsbestemming op rust. Op locatie is de actieve bedrijfsvoering al enkele jaren geleden gestopt. Voor de locatie is ook geen actieve melding meer. De schuren zijn in privé in gebruik.
Op 23 juni 2020 is een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een nieuwe woning met bijgebouw aan de Stoombootweg 30. Op ca. 24,7 m ten oosten van het plangebied bevindt zich een pand (Van Zeggelaarstraat 20) waarin een holding gevestigd is. Door de eigenaar van de locatie is contact geweest met de gemeente Amsterdam. Aangegeven is dat de opgenomen bedrijfsbestemming per abuis is opgenomen en dat dit gecorrigeerd zou zijn. Op ruimtelijke plannen is dit niet terug te vinden. Voor de locatie is geen melding in het kader van het
Van Zeggelaarstraat 18B
23
Activiteitenbesluit gedaan. Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een pand (Stoombootweg 22) waarin een timmerbedrijf gevestigd was. Dit pand is enige tijd terug verkocht en ook daar is geen actieve bedrijfsvoering meer aanwezig. De afstand tot dit bedrijf is ca. 52,5 m en hiermee wordt voldaan aan de richtafstand uit de reguliere richtafstandlijst voor de categorie 'Bedrijfsgebouwen', die milieucategorie 2 heeft met een richtafstand van 30 m. De richtafstand tot de bovengenoemde bedrijven is groter dan 10 m, er is hierdoor geen gevaar, stof- of geuroverlast te verwachten. Het plangebied ligt aan een agrarisch gebied. Op dit gebied kan alleen vee gehouden worden, er is geen agrarisch bedrijf aanwezig dan wel dat er agrarische opstallen staan. Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat het plan uitvoerbaar is in het kader van bedrijven en milieuzonering.
4.6
Luchtkwaliteit
In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 µg/ m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek Met de voorgenomen wijziging verandert het plangebied naar woonbestemming. De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse.
4.7
Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
24
Van Zeggelaarstraat 18B
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.
Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen)
Van Zeggelaarstraat 18B
25
waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De hiernavolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
Uitsnede risicokaart, plangebied rood omcirkeld (bron: Atlas Leefomgeving).
Uit raadpleging van de risicokaart blijkt dat op ca. 350 m van het plangebied een LPG-station aanwezig is. De afstand is groot genoeg om een beschouwing van het plaatsgebonden- en groepsrisico achterwege te kunnen laten. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen vormt voor de realisatie van het initiatief.
4.8
Flora en fauna
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
26
Van Zeggelaarstraat 18B
Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang: vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.