CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Rapportage verkennend onderzoek Voorwaarden opvang dak- en thuisloze LHBTIQ.pdf

Raadscommissie Sociaal, Economische zaken en Democratisering 18 januari 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Raadsbrief ter afdoening motie (nr. 742.21) inzake opvang dakloze lhbtiq+’ers TA2021-001255 (VN2022-043957)20.274 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verkennend onderzoek naar de voorwaarden voor een veilige opvang van dak- en thuisloze lhbtiq+’ers in Amsterdam Oktober 2022

Eva Klooster, Ewoud Butter & Rodrigo Consalez Alvarez

Inhoudsopgave Inhoudsopgave _______________________________________________________________________ 1 1

Inleiding_________________________________________________________________________ 2 Onderzoeksvraag _____________________________________________________________________ 2 Aanpak ______________________________________________________________________________ 2 Leeswijzer ___________________________________________________________________________ 3

2.

Situatieschets dak- en thuisloze lhbtiq+-personen ______________________________________ 5 Inleiding _____________________________________________________________________________ 5 Oorzaak dak- en thuisloosheid lhbtiq+’ers __________________________________________________ 6

3.

Amsterdams beleid om dak- en thuisloze lhbtiq+ personen op te vangen ____________________ 8

4.

Ervaringen elders ________________________________________________________________ 11

5

6

4.1.

Ervaringen met lhbtiq+- opvang in Utrecht en Den Haag ___________________________ 11

4.2

Ervaringen met lhbtiq+- opvang in het buitenland ________________________________ 13

Antwoorden op de onderzoeksvragen________________________________________________ 16 5.1

Opvang jongvolwassenen ______________________________________________________ 16

5.2

Opvang volwassenen __________________________________________________________ 20

5.3

Basisvoorwaarden voor inclusieve(re) opvang _____________________________________ 23

5.4

Specifieke opvang nodig? ______________________________________________________ 26

Samenvattende conclusies en aanbevelingen _________________________________________ 29 6.1.

Samenvattende conclusies____________________________________________________ 29

6.2.

Aanbevelingen ______________________________________________________________ 31

Bijlage:

Literatuur ________________________________________________________________ 34

Bijlage:

Respondenten ____________________________________________________________ 39

Bijlage:

Amsterdamse voorzieningen voor dak- en thuislozen ____________________________ 40

Bijlage:

Eindnoten ________________________________________________________________ 44

1

1

Inleiding

“In Amsterdam moet iedereen dezelfde kansen krijgen en in vrijheid zichzelf kunnen zijn.” Dat werd in de nota Regenboogbeleid 2019-2022 van de gemeente Amsterdam benoemd als de kern van het beleid voor lhbtiq+-personen. Voor een deel van de Amsterdamse lhbtiq+-personen is deze vrijheid beperkt omdat ze dak- of thuisloos zijn. Deze groep vormt een aanmerkelijk deel van de gehele groep dak en thuislozen. Voor een deel gaat het om een groep die vaak vanwege hun seksuele geaardheid en/of genderidentiteit en -expressiei dak- en thuisloos is geworden en behoefte heeft aan een laagdrempelige, veilige opvang. Tijdens de discussie over de begroting 2022 constateerde de Amsterdamse raad dat er in Amsterdam geen speciale opvang is voor dak- en thuisloze lhbtiq+-personen, zoals die bijvoorbeeld wel in Utrecht is gerealiseerd. In een aangenomen motie ‘Veldhuyzen, Bloemberg-Issa, De Fockert’ ii vroeg de gemeenteraad vervolgens “Onderzoek te doen naar de noodzaak en mogelijkheden om een opvang in te richten voor dak- en thuisloze lhbtiq+-personen en hierover te rapporteren naar de raad”. Volgens de indieners van de motie is een aparte opvang nodig voor de waarborging van de veiligheid van dak- en thuisloze lhbtiq+-personen, omdat door de bestaande opvanglocaties niet aan de vereiste voorwaarden kan worden voldaan.

Onderzoeksvraag De gemeente Amsterdam heeft Klooster, Onderzoek en Advies gevraagd om een verkennend onderzoek uit te voeren naar actuele inzichten. De in de motie verwoordde vraag vormt de basis voor de hoofdvraag van het onderzoek: “In hoeverre is er in Amsterdam behoefte aan specifieke opvang voor (jong)volwassen dak- en thuisloze lhbtiq+’ers?” Aanvullend zijn door de gemeente Amsterdam de volgende deelvragen geformuleerd: 1. Hoe ervaren de stakeholdersiii de huidige opvang? 2. Welke knelpunten, hiaten worden nu ervaren als het gaat om opvang van lhbtiq+’ers? 3. Kunnen de knelpunten worden opgelost binnen het huidige systeem? Zo ja; hoe? Zo nee; hoe moet het dan anders? 4.

Indien een aparte opvang voor lhbtiq+ volgens respondenten noodzakelijk is, hoe moet deze er dan uit zien? Bijvoorbeeld maatwerk binnen de huidige opvang of aparte plekken elders? Wie moet de speciale opvang gaan organiseren, exploiteren, etc.?

Aanpak Om de onderzoeksvragen te beantwoorden is voor een mixed-method aanpak gekozen, bestaande uit: literatuuronderzoek, een scan van rapportages en interviews met stakeholders. De functie van literatuuronderzoek is het zoeken naar ‘werkzame elementen’ van opvang van dak- en thuisloze lhbtiq (jong)volwassenen. Meer specifiek: wat leren we uit de literatuur over de doelgroep en de voorwaarden waaronder opvang het beste aansluit bij de doelgroep? In hoeverre is hier specifieke opvang voor nodig en onder welke voorwaarden kan deze opvang binnen het huidige aanbod 2

gerealiseerd worden? We kijken hierbij ook naar (beleids)rapportages, de internationale literatuur en naar ervaringen in Utrecht en Den Haag. Naast literatuuronderzoek is voor dit onderzoek een brede interviewronde gehouden. Deze interviews vormen de kern van het onderzoek. De meerderheid van de interviews vond plaats op een (opvang)locatie, in de vorm van individueel face-to-face gesprek. We hebben gesproken met 38 personen met ervaring met Amsterdamse dak- en thuisloze opvang (zie bijlage). Behalve met stakeholders uit het (professionele) veld, is ook gesproken met lhbtiq+-personen die gebruik maken of hebben gemaakt van opvang in Amsterdam. We hebben ons ingespannen om, binnen onze mogelijkheden, een zo breed mogelijke groep stakeholders te spreken. We zijn iedereen die heeft meegewerkt aan de interviews, en zeker ook de mensen die als cliënt ervaring hebben (gehad) met dak- en thuisloze opvang, dankbaar voor de openheid waarmee zij met ons hebben gesproken. Hoewel de meeste geïnterviewden aangaven geen probleem te hebben met vermelding van hun naam of betrokkenheid bij opvang, gold dat voor een enkele geïnterviewden wel. Uit respect voor deze personen, hebben we gekozen om alle citaten in dit rapport anoniem te verwerken en bij de organisaties alleen het aantal geïnterviewden te noemen in de bijlage. Ten slotte nog een kanttekening.

De focus van dit onderzoek ligt, op verzoek van de opdrachtgever, op dak- en thuisloze jongvolwassen lhbtiq’ers die toegang hebben tot Maatschappelijke Opvang Jongeren (MOJ) en volwassen lhbtiq’ers die gebruik kunnen maken van de volgende vormen van opvang: kortdurende dag- en nachtopvang, winteropvang (algemene voorzieningen) of Maatschappelijke Opvang en Beschermd Wonen (MOBW). Deze vormen van opvang zijn bedoeld voor dak- en thuisloze personen die niet zelfredzaamiv zijn. Bovenstaande impliceert dat dit onderzoek niet alle groepen dak- en thuislozen meeneemt. Het onderzoek gaat niet over de groep ‘zelfredzame’ dak- en thuisloze personen, ofwel de economische daken thuislozen, waarvoor o.a. een passantenhotel is ingericht. Hetzelfde geldt voor de opvang van slachtoffers van huiselijk geweld, van ongedocumenteerden of van gezinnen in nood die dakloos zijn geworden. De opvang van deze groepen vindt plaats in specifiek voor deze groepen ingerichte locaties en valt onder andere opvangregelingen. Dit neemt niet weg dat er tijdens het onderzoeksproces vanzelfsprekend doelgroepen aan de orde kwamen die buiten de oorspronkelijk focus van het onderzoek vielen, maar wel aandacht verdienen. Deze doelgroepen komen terug in de aanbevelingen.

Leeswijzer Dit rapport bestaat, inclusief deze inleiding, uit zes hoofdstukken en drie bijlagen. In het volgende hoofdstuk, hoofdstuk 2, geven we achtergrondinformatie. We gaan onder andere in op het aantal daken thuisloze lhbtiq+-personen en oorzaken voor dak- en thuisloosheid onder deze groepen. Na een korte schets in hoofdstuk 3 van het Amsterdamse beleid om dak en -thuisloze lhbtiq+ op te vangen, schetsen we in hoofdstuk 4 ervaringen met lhbtiq+ opvang in twee andere steden (Utrecht en Den Haag) en in het buitenland. In hoofdstuk 5 geven we vervolgens antwoord op de onderzoeksvragen. We starten in paragraaf 5.1. met een schets van de ervaringen van stakeholders met de huidige opvang van dak- en thuisloze lhbtiq+’ers. We behandelen in deze paragraaf de eerste twee onderzoeksvragen en benoemen wat volgens de geïnterviewden goed gaat en wat beter kan. We maken hierbij een onderscheid tussen ervaringen met de opvang van jongvolwassenen en de opvang van volwassenen. Vervolgens gaan we in paragraaf 5.2. in op de vraag hoe binnen het huidige systeem de opvang

3

inclusiever kan worden door basisvoorwaarden voor een inclusievere opvang te benoemen. In paragraaf 5.3. geven we antwoord op de vraag of er behoefte bestaat aan een specifieke opvang. In hoofdstuk 6 sluiten we het inhoudelijk verslag van het onderzoek af met samenvattende conclusies en aanbevelingen. In de bijlagen volgt een overzicht van de literatuur die voor dit onderzoek is gebruikt, de respondenten die we hebben gesproken en geven we een schets van de Amsterdamse voorzieningen voor dak- en thuislozen. De laatste bijlage bevat de eindnoten van deze rapportage. Toelichting op enkele veelgebruikte termen In de rapportage komen een aantal termen regelmatig voor. Hieronder staat een korte toelichting op het gebruik van de termen: Lhbtiq+ wordt gebruikt als een parapluterm voor mensen die wat betreft seksuele oriëntatie, of gender identiteit of expressie anders zijn dan hetero’s of cisgenders (mensen waarbij het geslacht overeen komt met de gender identiteit). De letters lhbtiq+ staan daarbij voor lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders, interseksuelen en queers. De + staat voor mensen die zich anders definiëren dan waar deze letters voor staan. Stakeholders: de term stakeholders staat voor belanghebbenden.

In het kader van dit onderzoek zijn dat onder meer de lhbtiq+- ervaringsdeskundigen, te weten (ex) cliënten van opvang, de lhbtiq+belangenorganisaties en aanbieders van opvang en zorg in Amsterdam. Dak- en thuislozen. Onder daklozen verstaan we mensen die geen vaste woon- of verblijfplaats hebben. Daklozen maken gebruik van een opvangvoorziening, slapen op straat of leven in voor wonen ongeschikte ruimtes als een garagebox, in een boot, auto of tentje. Thuislozen hebben ook geen vaste woon- of verblijfplaats en vinden steeds op verschillende plekken tijdelijk onderdak. Cliënt gebruiken we voor iedereen die voor korte of langere periode ervaring heeft met een vorm van dak- en thuisloze opvang in Amsterdam. Men kan deze term dus ook lezen als ‘gebruiker van opvang’ (bijv. kortdurende nachtopvang) of ‘bewoner van opvanglocatie’ (in het geval van 24 uurs opvang van langere tijd)

4

2.

Situatieschets dak- en thuisloze lhbtiq+-personen

Inleiding Op 1 januari 2021 waren volgens het CBS 32.000 Nederlanders van 18 tot 65 jaar dakloos. Het werkelijk aantal dak- en thuislozen ligt waarschijnlijk aanmerkelijk hoger. Volgens Valente (branchevereniging voor maatschappelijke opvang) en het Straat Consulaat (belangenbehartigers dak- en thuislozen) is de definitie van het CBS ontoereikend.v Er zijn er in Nederland veel onzichtbare dak- en thuisloze mensen, die niet zijn meegenomen in de schattingen.vi Zo worden ongedocumenteerde mensen niet meegeteld, net als mensen die tijdelijk in tuinhuisjes wonen, op vakantieparken, in kraakpanden, garages of bij iemand op de bank slapen.vii Een meer volledige telling zou volgens experts veel hoger, op 100.000 daken thuisloze personen uitkomen.viii ix Uit CBS-cijfers van 1 januari 2021 blijkt dat naar schatting 80 procent van de dak- en thuislozen man is en relatief vaak in een van de vier grote steden verblijft (37 procent). Van het totaal aantal dak- en thuislozen was 18 procent in de leeftijd van 18 tot 27 jaar. Van de dak- en thuislozen heeft volgens het CBS bijna twee derde een migratieachtergrond, waarvan 50% een niet-westerse migratieachtergrond. Onder 18tot 27-jarigen had zelfs 58 procent een niet-westerse migratieachtergrond.x Aantal dak- en thuisloze lhbtiq+ Hoeveel dak- en thuisloze lhbtiq+-personen er in Nederland zijn, is niet bekend.

Op grond van vooral internationaal onderzoek en ervaringen van experts bestaat de verwachting dat een relatief groot deel van alle dak- en thuislozen een lhbtiq+ achtergrond heeft. Vooral onder trans personen komt dak- en thuisloosheid vaak voor. Zo blijkt uit Amerikaans onderzoek dat het percentage dak- en thuisloze lhbtiqjongeren varieert van 8% tot 37% van de totale dak- en thuisloze jongerenpopulatie (Ecker et al., 2016). Onder queer dak- en thuisloze volwassenen lopen de schattingen uiteen van 9% (Khandor et al., 2011) tot 30% (City of San Francisco & Applied Survey Research, 2013). Deze percentages liggen aanmerkelijk hoger dan het deel van de totale bevolking dat zich identificeert als lhtbtiq+: ongeveer 4,5% van de Amerikaanse volwassen bevolking (The Williams Institute, 2019) en 8% onder studenten in de VS in 2015 (Kann et al., 2016). In het Nederlandse rapport Driedubbel Kwetsbaar (Meijsen et al, 2020) worden onderzoeken uit GrootBrittannië (AKT, 2020) en de VS (Page, 2017) aangehaald waarin wordt geschat dat tussen de 20 en 24% van het totaal aantal dak- en thuislozen een lhbtiq+- achtergrond heeft. De auteurs merken op dat de percentages in Nederland mogelijk lager liggen, omdat “de acceptatie van lhbti’s in Nederland hoger is, de sociale verhoudingen hier anders zijn en de jeugdzorg in Nederland beter is ingericht”.

Aandeel dak- en thuisloze lhbtiq+ in Amsterdam Er bestaat geen zekerheid over de omvang van het aandeel lhbtiq+ in de totale Amsterdamse dak- en thuislozen populatie. De experts die we hebben gesproken noemen hiervoor meerdere redenen. Een deel van de groep blijft onzichtbaar omdat hun seksuele oriëntatie of genderidentiteit vaak niet geregistreerd wordt. Een deel van de hulpverleners en screeners zou er, mogelijk door handelingsverlegenheid of gebrek aan sensitiviteit of kennis, niet naar vragen. Terwijl een deel van de cliënten vanwege o.a. ongemak, gebrek aan kennis, angst voor de opvang en/of schaamte het zelf ook niet benoemt. Bij veel medewerkers heeft de dakloosheid prioriteit en seksuele voorkeur of genderidentiteit niet. Ze vragen er niet naar en voor jongeren is het tegelijk een onderwerp waar ze niet gemakkelijk over beginnen. Er wordt 5

dus niet over gesproken, er is dus geen probleem. …Het grootste probleem is dat we te weinig data hebben. No data no problem, no problem no care. (zorgmedewerker) Ook onderzoeken naar opvang buiten Nederland maken melding van onderrapportage van lhbtiq+’ers in de opvang (Cray et al., 2013; Meris, 2001; Porter et al., 2003). Verder is bekend dat het percentage daken thuislozen in grote steden relatief hoog is omdat lhbtiq+’ers relatief vaker de neiging hebben om naar grotere steden te verhuizen (Cooke & Rapino, 2007). Diverse herkomst en leeftijd Wat betreft de herkomst van de dak- en thuisloze lhbtiq+’ers in Amsterdam bestaat onder de respondenten de indruk dat een groot deel een migratieachtergrond heeft. Het gaat voor een deel om Nederlanders met een Marokkaanse, Turkse, Surinaamse of Caribische achtergrond. Daarnaast zijn er dak- en thuisloze lhbtiq+’ers met een (tijdelijke) verblijfsvergunning zoals personen van LatijnsAmerikaanse, Poolse en Oosteuropese herkomst. Ten slotte is er een groeiende groep statushouders (o.a. uit Syrië, Oekraïne) die zich bevindt in een situatie van dak – en thuisloosheid. Verschillende respondenten geven aan dat binnen de dak- en thuislozen lhbtiq+’ers in Amsterdam met name het percentage ongedocumenteerden, statushouders en Oosteuropeanen de laatste jaren snel toeneemt.

Zij komen niet in aanmerking voor de regeling voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen (MOBW). Uitgeprocedeerde asielzoekers en mensen die een tweede asielaanvraag hebben ingediend (Dublin-procedure) kunnen gebruik maken van de 24-uurs opvanglocaties voor ongedocumenteerden. Deze locaties vallen buiten de reikwijdte van dit onderzoek, maar komen kort terug in de aanbevelingen. Dak- en thuisloze lhbtiq+’ers komen in alle leeftijdsgroepen voor. Deskundigen in het Amsterdamse veld, schatten in dat jongvolwassenen de grootste groep vormen binnen de groep dak- en thuisloze lhbtiq+’ers. Toch wordt door verschillende respondenten benadrukt dat het aantal volwassenen dat op latere leeftijd een coming out heeft of in transitie gaat, de laatste jaren stijgt. Zoals in de inleiding genoemd is dit onderzoek gericht op een verkenning onder lhbtiq+’ers boven de 18 jaar, omdat degenen onder de 18 jaar onder andere regelgeving vallen.

Oorzaak dak- en thuisloosheid lhbtiq+’ers Dakloze lhbtiq+’ers vormen geen uniforme groep. Er is sprake van grote diversiteit en van een brede waaier aan achtergronden en oorzaken van dakloosheid. Toch gaat het, volgens de literatuur en de stakeholders die we gesproken hebben, in grote lijnen om een groep met een andere problematiek dan andere (‘reguliere’) dak- en thuislozen. ‘Voor zover ik kan zien hebben dak- en thuisloze lhbtiq+’ers, in verhouding tot de overige gebruikers van de opvang, vaker te maken (gehad) met problemen binnen het gezin en de thuisomgeving, waaronder verstoting en fysiek en psychisch geweld.’ (zorgcoördinator opvang) Het gebrek aan acceptatie van hun seksuele geaardheid en genderidentiteit en -expressie in hun familie en de algehele samenleving is een belangrijke reden voor dak- en thuisloosheid. Het gaat bij dak- en thuisloze lhbtiq+’ers in Amsterdam volgens de experts relatief vaak om personen die uit conservatief (religieuze) gezinnen of een omgeving komen waar hun seksuele oriëntatie of identiteit niet geaccepteerd wordt (zie ook Meijsen, Timmerman, 2020). Dit kan leiden tot ruzies, negeren, pestgedrag of psychisch en fysiek geweld. In sommige gevallen kan het gepaard gaan met schadelijke praktijken als 6

conversietherapieën en/of gebedsgenezing, opsluiting of (dreigende) achterlating in een land van herkomst (Butter, Omlo, 2021; Meijsen, Timmerman, 2020). Zeker trans personen of feminiene jongens hebben daarnaast vaak een achtergrond met ervaringen met pesten en geweld, zowel thuis als op straat (zie o.a. Kromhout & Wolf, 2019). Het leidt vaak tot ‘acute dakloosheid’ bij lhbtiq+-jongeren wanneer sprake is van een onverwachte coming out bijvoorbeeld nadat iemand betrapt wordt of wordt verraden, (Meijsen, Timmerman, 2020). Over het algemeen geldt dat dak- en thuisloze lhbtiq+’ers bij voorkeur opvang zoeken buiten de eigen woonomgeving en sociale netwerken van de familie. Een deel vindt veiligheid in een ander deel van dezelfde gemeente, anderen zoeken onderdak elders in het land. Een deel van de dak- en thuisloze lhbtiq+’ers mijdt de reguliere opvang uit angst dat ze daar niet veilig zullen zijn. Dit zou met name gelden voor biculturele personen, maken we op uit gesprekken met ervaringsdeskundigen en lhbtiq+-belangenorganisaties. De omvang van de groep ‘opvangmijders’ is niet bekendxi. Relatief veel dak- en thuisloze lhbtiq’+ers, zeker jongeren en jongvolwassene homoseksuelen en trans personen, belanden dan in kwetsbare situaties als (ongewenst) sekswerk of opvang bij een particulier tegen betaling door seks.

Uit literatuur en interviews maken we verder op dat biculturele lhbtiq+-personen, zeker trans personen, vaak vrij geïsoleerd leven, los van de (witte) transgemeenschap en los van de biculturele cisgender gemeenschap. Dit bemoeilijkt het vinden van een veilige opvang. Uit Amerikaans onderzoek bleek dat 8% (Rosenthal et al., 2006) tot 33% (Rosario et al., 2012) van de lhbtiq+ thuisloze jongeren het huis verliet omdat hun SOGIE (seksuele oriëntatie genderidentiteit en expressie) in hun familie werd afgewezen. Van de hulpverleners in de VS gaf 55% aan dat de afwijzing van de seksuele geaardheid van jongeren door het gezin de belangrijkste reden was voor dakloosheid; 67% noemde hetzelfde voor transgenderjongeren (Choi et al., 2015). Lhbtiq+-jongeren worden op jongere leeftijd dakloos dan heteroseksuele jongeren (Moon et al., 2000) en verlaten vaker het huis vanwege fysieke mishandeling (Cochran et al., 2002) en seksueel misbruik (Rew et al., 2005). Andere redenen voor lhbtiq+ jongeren om hun huis te verlaten waren homofoob pesten op school en in de buurt, en de wens om in een meer lhbtiq+-vriendelijke buurt te wonen (Cull et al., 2006). Er zijn minder studies beschikbaar naar de oorzaken van dakloosheid onder volwassenen lhbtiq+personen (Ecker et al., 2019). De auteurs beschrijven echter een aantal factoren die verband kunnen houden met dakloosheid.

Tot deze factoren behoorden afwijzing door het gezin, structurele en systemische factoren zoals economische en juridische kwesties, meerdere lagen van onderdrukking zoals racisme en lhbtiq+-fobie en individuele factoren zoals psychische problemen (Ecker et al., 2019). Dak- en thuisloze lhbtiq+-personen komen regelmatig niet of (te) laat in beeld van de reguliere hulpverlening. Uit een onderzoek onder 138 dakloze jeugdzorgaanbieders in de VS bleek dat huisvesting, acceptatie en emotionele steun, en ondersteuning bij gendertransitie de belangrijkste behoeften waren voor dak- en thuisloze lhbtiq+ jongeren (Choi et al., 2015). Een andere studie in de VS vroeg dak- en thuisloze lhbtiq+ jongeren rechtstreeks naar hun behoeften: seksuele voorlichting en lhbtiq+ peerondersteuning waren de twee belangrijkste behoeften (Wells et al., 2013). Aan een groot onderzoek in Europa namen 64 organisaties uit 21 landen deel. Meer dan de helft van de organisaties gaf aan met lhbtiq+ jongeren te werken, maar slechts acht organisaties boden gespecialiseerde diensten aan voor lhbtiq+ jongeren en vijf organisaties hadden gespecialiseerde diensten voor transgenderjongeren. De meeste organisaties (n=40) meldden dat ze zeker baat zouden hebben bij ondersteuning en begeleiding bij het werken met lhbtiq+ jongeren (Shelton et al., 2020) 7

3. Amsterdams beleid om dak- en thuisloze lhbtiq+ personen op te vangen Inleiding Dak- en thuislozen kunnen in Amsterdam een beroep doen op uiteenlopende voorzieningen. Of dak- en thuislozen voor deze voorzieningen in aanmerking komen en, als dat het geval is, voor welke voorzieningen ze in aanmerking komen is onder andere afhankelijk van: -

de vraag of ze beschikken over een geldige verblijfsvergunning; de mate waarin sprake is van psychische kwetsbaarheid of fysieke dreiging; de mate waarin sprake is van zelfredzaamheid en een sociaal netwerk waarop een beroep kan worden gedaan.

Voordat mensen worden toegelaten tot een voorziening, wordt onderzocht of ze hiervoor in aanmerking komen in meerdere gesprekken. Afhankelijk van de situatie zijn er dan verschillende mogelijkheden: daken thuislozen met een inkomen, maar zonder huis, ook wel economisch dak- en thuislozen of zelfredzame dak- en thuislozen genoemd, kunnen bijvoorbeeld tegen een vergoeding terecht in een passantenhotel of -pension; een persoon die (al dan niet met kinderen) als gevolg van huiselijk geweld geen huisvesting meer heeft, wordt doorverwezen naar Blijfhuizen; een dakloos persoon die niet zelfredzaam als gevolg van meervoudige problematiek (o.a. psychische problematiek, schulden, verslaving, ontbrekend netwerk), komt in aanmerking voor Maatschappelijke Opvang en Beschermd Wonen (MOBW), waarbij ‘een bed’ wordt gecombineerd met begeleiding. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen jongvolwassenen (18-23 jaar) en volwassenen (ouder dan 23 jaar). Dak- en thuisloze personen zonder verblijfsvergunning kunnen in aanmerking komen voor opvang in speciale 24-uurs opvang in het kader van de pilot Landelijke Vreemdelingen Voorziening.

Onderzoek en aanbevelingen opvang van lhbtiq+ In opdracht van de gemeente Amsterdam is in 2018 door Movisie het participatieve actieonderzoek Out on the streets (OOTS) uitgevoerd. De onderzoekers concludeerden dat dak- en thuisloze lhbti-jongeren en (jong)volwassenen in Amsterdam specifieke ervaringen, problemen en behoeften hebben, waardoor ze extra kwetsbaar zijn. Ook constateerden ze dat de hulpverlening nauwelijks is afgestemd op lhbtijongeren. Hulpverleners ervaren handelingsverlegenheid en brengen de seksuele oriëntatie of genderidentiteit vaak niet ter sprake. Daardoor zijn zij vaak niet op de hoogte van het lhbti-zijn van de jongeren en kunnen zij hun hulp hier niet op afstemmen. De onderzoekers deden onder andere de aanbeveling hulpverleners te trainen, werk te maken van lhbti-specifieke en sensitieve hulpverlening en het lhbti-aanbod meer op de kaart te zetten. Het rapport en de aanbevelingen van OOTS zijn door de gemeente breed verspreid onder de aanbieders. Het is ook aan de orde geweest in trainingen die aan professionals zijn gegeven. De vraag naar de mate waarin de aanbevelingen uit het rapport zijn geïmplementeerd behoorde niet tot de vragen in ons onderzoek. Toch hebben we uit de interviews die wij in het kader van dit onderzoek hebben uitgevoerd, niet de indruk dat er met de aanbevelingen van OOTS veel is gebeurd.

Dit zal mede afhankelijk zijn van het verloop in medewerkers en de betrokkenheid van individuele medewerkers en leidinggevenden bij het onderwerp.

8

In het beleidsprogramma Aanpak Dakloosheid ‘Een nieuwe start’ is kort aandacht voor de opvang van lhbtiq+. Wel wordt onder het kopje doelgroepen onder andere geschreven: “Aandacht is er ook voor biculturele dak- en thuisloze jong- volwassen met een lhbtiq+ achtergrond en kwetsbare jongvolwassen vrouwen.” Dit wordt op één plaats in het programma verder uitgewerkt, namelijk in het project ‘onder de pannen’, een project waarbij dak- en thuislozen die niet aan de voorwaarden voor MOBW voldoen tijdelijk onderdak krijgen bij mensen die een kamer beschikbaar hebben. Hierbij vermeldt de gemeente: “Daarbij hebben we ook rekening gehouden met (extra) kwetsbare jongvolwassenen, zoals biculturele dak- en thuisloze jongvolwassenen met een lhbtiq+ achtergrond en kwetsbare jongvolwassen vrouwen. Deze woonvorm is uitermate geschikt voor deze groep jongvolwassenen.” In het handboek ‘Kortdurende opvang Maatschappelijke opvang Beschermd wonen, handboek voor professionals’ (verder ‘het handboek’) wordt bij de kortdurende dag- en nachtopvang voor jongvolwassenen geschreven: “Er is speciale aandacht voor specifieke behoeften van lhbtiq+ jongvolwassenen, in het bijzonder transgenders. Vanuit veiligheidsoverwegingen, kunnen zij niet altijd een kamer delen.

Soms gaat het om lhbtiq+ jongvolwassenen die geen binding hebben met Amsterdam.” Daarnaast zijn er de afgelopen jaren verschillende initiatieven op verschillende locaties geweest om lhbtiq+-personen zoveel mogelijk opvang op maat te bieden, bijvoorbeeld door voor lhbtiq+ gereserveerde eenpersoonskamers aan te bieden. Veilige Haven Het waarschijnlijk oudste initiatief met specifieke aandacht voor dak- en thuisloze lhbtiq+ is Veilige Haven, dat in 2006 als project werd gestart voor ”islamitische homoseksuele jongeren”.xii xiiiAanvankelijk bood het project ook opvang voor de nacht,xivmaar dat werd na een paar jaar gestopt. De eerste jaren werden ongeveer 50 jongeren per jaar opgevangen.xv Het project werd al snel verbreed tot wat destijds “allochtone HLBTxvi jongeren” werd genoemd. Toen het project in 2012 werd geëvalueerd door de GGD Amsterdam (Savenije, 2012)xvii, werd onder andere geconcludeerd dat een aanzienlijk deel van de cliënten van Veilige Haven behoefte heeft aan onderdak. Deze behoefte is soms het gevolg van dakloosheid of een acute dreiging van geweld. “Soms bestaat er een behoefte aan een andere leefomgeving vanwege spanningen thuis en gevoelens van onderdrukking die soms het functioneren van personen belemmeren.

Met betrekking tot gedeelde woonvoorzieningen, blijkt uit het onderzoek dat er een behoefte bestaat aan het delen van deze voorzieningen met andere HLBT-jongeren. Een specifiek op allochtone HLBT jongeren afgestemde voorziening is noodzakelijk is om passende hulpverlening te bieden aan de jongeren die tot op heden door Veilige Haven worden bediend. Afgezien van Veilige Haven, is er geen hulpverlening in Amsterdam die aan de door cliënten gearticuleerde hulpbehoefte voldoet.” Vanaf 1 mei 2013 is het voormalige project Veilige Haven ondergebracht bij de reguliere Maatschappelijke Dienstverlening (aanvankelijk Centram en sinds 1 januari 2022 Buurtteam Amsterdam Centrum). Veilige Haven (0,9 fte verdeeld over vier medewerkers die zelf lhbtiq+ en bicultureel zijn) biedt laagdrempelige maatschappelijke ondersteuning aan bi-culturele lhbtiq+ Amsterdammers, onder wie asielzoekers en statushouders. Ook geeft Veilige Haven trainingen aan professionals over cultuursensitief werken in relatie tot de lhbtiq+ gemeenschap, zodat deze doelgroep op meer plekken terecht kan voor ondersteuning. Veilige Haven beschikt niet over crisisbedden, maar heeft wel samenwerkingsafspraken met onder andere de Blijf Groep en HVO-Querido. De samenwerking met de Blijf Groep komt voort uit het gegeven 9

dat bij Veilige Haven relatief veel jongeren zich melden die te maken hebben met huiselijk en/of eergerelateerd geweld. HVO-Querido beschikte tot voor kort over een locatie in Zuidoost, waar kwetsbare bi-culturele lhbtiq-jongeren maximaal een jaar onder begeleiding konden wonen. De locatie werd gesloten vanwege gebrek aan belangstelling. Volgens verschillende respondenten, waaronder medewerkers van Veilige Haven, was dit omdat de locatie onvoldoende bekend was, op een plek lag die door cliënten als onveilig werd ervaren en veel van de geïnteresseerden geen regiobinding met Amsterdam hadden. Het T-huis Sinds 2019 is er in het centrum van de stad voor de Amsterdamse trans gemeenschap het T-huis, dat is opgericht door bi-culturele transgender personen, omdat er behoefte was aan een veilige plek voor de trans gemeenschap. In het T-huis, grotendeels geleid door vrijwilligers van Trans United Europe, is het mogelijk om samen te zijn, ervaringen uit te wisselen en aan activiteiten deel te nemen. Daarnaast worden er trainingen en voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd en is er professionele hulp en advies beschikbaar dankzij samenwerking met de gemeente Amsterdam en partners als de GGD, HVOQuerido, UMC, Veilige Haven, de politie, advocaten, TNN en Vluchtelingenwerk. Het T-huis ontvangt ook geregeld dakloze lhbtiq+ personen voor steun en advies.

Ze komen uit Amsterdam, maar ook uit andere delen van het land. Het gaat voornamelijk om mensen van kleur met een biculturele achtergrond. Wanneer er een opvangplek nodig is, wordt samengewerkt met het Permens Atlantisplein (waar twee gereserveerde bedden zijn) en HVO-Querido.

10

4. Ervaringen elders In dit hoofdstuk kijken we kort naar ervaringen met specifieke opvang voor lhbtiq+. Hoewel de situatie in Amsterdam anders is dan in andere steden en zeker andere landen, zijn er ook overeenkomsten. Het is daarom relevant hiervan kennis te nemen. In paragraaf 4.1. kijken we naar ervaringen in het buitenland, in paragraaf 4.2. naar ervaringen elders in Nederland, in het bijzonder Utrecht waar sinds februari 2021 een specifieke opvang voor dak- en thuisloze lhtbiq+ personen bestaat.

4.1. Ervaringen met lhbtiq+- opvang in Utrecht en Den Haag Lhbtiq+-opvang in Utrecht In Utrecht bestaat sinds februari 2021 op twee locaties specifieke opvang voor lhbtiq+-personen. Eén locatie (4 bedden) is van De Tussenvoorziening (een organisatie die onder andere verantwoordelijk is voor daklozenopvang), een andere locatie (twee bedden) wordt verzorgd door Lister, een organisatie die mensen met psychiatrische kwetsbaarheid opvangt en begeleidt. De Tussenvoorziening startte een verkenning naar de opvang van lhbtiq+ naar aanleiding van een conferentie van FEANTSA (de Europese koepelorganisatie van organisaties die zich bezighouden met de opvang van dak- en thuislozen) waaruit bleek dat lhbtiq+ een relatief groot deel van het totaal aantal dak- en thuislozen vormen. Uit de verkenning van De Tussenvoorziening bleek dat de Cliëntenraad liet weten dat de opvang geen plek is waar iedereen zich welkom en veilig voelt. Het werd zeer waarschijnlijk geacht dat een deel van de lhbtiq’ers daarom de opvang zou mijden en onderdak zoekt bij vage kennissen of via bijvoorbeeld chatrooms. Dat kan tot onveilige situaties leiden. Belle (hulpverlening voor sekswerkers) maakte daarnaast melding van jongens die door misbruiksituatie getraumatiseerd waren of ongewild in sekswerk terecht kwamen.

Verder maakte Belle melding van een groeiend aantal bi-culturele trans personen die door een onveilige thuissituatie, vaak met eergerelateerd geweld, dakloos dreigen te worden. Er werd vervolgens een stedelijke werkgroep opgericht ten behoeve van de opvang van dak- en thuisloze lhbtiq’ers.xviii In deze werkgroep bleek er veel draagvlak te zijn voor een pilot aanvullende opvangplekken. Dat dit in een behoefte zou kunnen voorzien was ook gebleken uit de verkenning ‘Driedubbel kwetsbaar’ van Movisie en uit zeer goede ervaringen in Canada en Frankrijk met kleinschalige opvang (maximaal 6 personen) voor cliënten uit de lhbtiqI+ gemeenschap. In februari 2021 is de Tussenvoorziening gestart met het openstellen in een woning van vier kamers voor (dreigend) dak- en thuislozen met een lhbtiq+ achtergrond. Twee maanden later zijn door Lister (psychische opvang) twee plekken in een tweepersoonswoning beschikbaar gesteld voor psychisch kwetsbare mensen met een lhbtiq+ achtergrond. Beide woningen bevinden zich in een reguliere woonomgeving. Naast de twee opvangplekken stelt Lister ook een logeerbed beschikbaar op een locatie in het centrum van Utrecht (max 3 weken overnachten) De intake wordt verzorgd door de Zorgbemiddeling (Tussenvoorziening) en team Voordeur (Lister) Er zijn twee vaste medewerkers die dit doen en er inmiddels veel ervaring mee hebben.

Ze bekijken onder andere of er sprake is van regiobinding en in hoeverre cliënten duidelijk aan specifieke opvang duidelijke behoefte hebben. Aan beide plekken is een Beschermd Thuis (BT) indicatie verbonden. Dit betekent dat 11

er een duidelijke zorgbehoefte moet zijn, maar dat er geen continue begeleiding nodig is. Het is bedoeld voor mensen die alleen met (zeer) veel hulp en ondersteuning zelf hun eigen leven kunnen leiden. Per casus wordt deze bekeken en wordt een oplossing op maat gezocht. De opvang is bedoeld als een overbrugging en de mogelijkheid om tot rust te komen. Aanvankelijk ging het om een periode van 3-6 maanden, maar op grond van de ervaringen in het eerste jaar wordt nu gedacht de periode te verlengen tot 6-9 maanden. Daarna moet er voor de cliënten een stabiele oplossing zijn. Vanaf de eerste dag wordt er gesproken met de bewoner over het vervolg. Hoewel er direct na de start diverse telefoontjes uit andere plaatsen uit het hele land kwamen, liep het aanvankelijk nog niet hard. Maar na een aantal maanden was er meer belangstelling. Het is inmiddels steevast vol – alle 6 de plekken zijn bezet- en is er een wachtlijst. Dit komt onder andere omdat er meer bekendheid over de voorziening is gekomen, bijvoorbeeld bij de Buurtteams. In de eerste 15 maanden hebben 9 mensen van de voorziening gebruik gemaakt. Het merendeel van hen is ook weer uitgestroomd. Tot nu toe maken relatief veel trans personen tussen 18 en de 45 jaar gebruik van de voorziening.

Ze hebben tot nu toe voornamelijk een Turkse, Marokkaanse of autochtone achtergrond, maar het gaat ook om kleine groepen met een migratieachtergrond, zoals bijvoorbeeld Ecuador. De meeste mensen komen ‘intern’ binnen via andere opvangplekken van De Tussenvoorziening en Lister of via Belle of via de Buurtteams en de reguliere opvang. De ambulante begeleiders zijn belangrijk voor een veilig klimaat. Op de groepen zitten nu begeleiders die deels afkomstig uit zijn uit de doelgroepen en begeleiders met affiniteit met de doelgroepen. Belangrijk is dat de medewerkers goed kunnen luisteren, dat ze rustig en sensitief zijn en een open houding hebben. Ter voorbereiding moeten ze een e-learning van Movisie doen.xix De ambulante begeleiders komen een paar uurtjes per week per cliënt. Er ligt veel accent op stabiliseren. Ze gaan dan ook mee naar Altrecht, de transkliniek, bijbaantje, schuldhulpverlening. Soms spreken ze in het huis af, soms op kantoor – ook om te stimuleren dat ze naar buiten gaan. Gesprekken over identiteit, seksuele voorkeur e.d. vinden afhankelijk van de behoefte plaats. Daarnaast worden deelnemers ook, gekoppeld aan een regenboogmaatje als ze willen, doorverwezen naar werkgroepen van het COC, Transvisie, transgroepen of Colored Qollective.

Uit een tussentijdse evaluatie (november 2021) bleek dat in een aantal gevallen mensen niet geplaatst konden worden vanwege geen passende indicatie en/of regiobinding, terwijl zij qua achtergrond en behoeften wel goede kandidaten zijn. Bij Belle wordt gesignaleerd dat er een groeiende groep lhbtiq sekswerkers is waarvoor het moeilijk is om passende opvang/ huisvesting te vinden. Dit komt onder andere door een gebrek aan recht op Wmo en complexe problemen in combinatie met grote kwetsbaarheid. Voor hen is er nog geen opvang. Uit de tussentijdse evaluatie bleek verder dat alle cliënten het prettig vinden dat huisgenoten ook een lhbtiq+- achtergrond hebben. Aanvullende ontmoetingsvormen (maatje, ontmoetingsgroep) komt voor de helft te vroeg en wordt door de andere helft benut. Het gaat om kwetsbare personen met een heftige jeugd, vervelende ervaringen in het verleden, angstig en weinig sociaal contact. In het bijzonder wordt kwetsbaarheid gesignaleerd bij trans vrouwen, vooral als het transitie traject nog gaande is. Eén van hen laat in de evaluatie weten: “In de reguliere opvang zou ik mij niet veilig voelen. Ik zou een schild nodig hebben. Ik zou me als man voorstellen en uiten, daar zou ik zelf aan onderdoor gaan.” 12

De Tussenvoorziening laat weten dat groepen in transitie lang moeten wachten. Dat leidt tot psychische kwetsbaarheid, somberheid en eenzaamheid. Eenzaamheid is voor bijna alle cliënten een issue. Bewoners in het huis leven soms wat langs elkaar heen, maar doen de laatste tijd meer samen. Het hangt ook af van de behoefte die ze aan een Regenboogmaatje hebben. Sommigen ervaren ondanks wat vrienden, toch wel een sterke eenzaamheid. Dat lijkt vaak verband te hebben met het verleden, waarin ze niet uit konden komen voor hun identiteit, of zijn afgewezen/ verstoten vanwege hun identiteit. Anderen hebben een groter netwerk. Op den duur moeten alle opvanglocaties van De Tussenvoorziening en Lister inclusief zijn. De opening van het pand met de daarmee gepaard gaande media-aandacht hiervoor heeft volgens de tussenevaluatie in de hele organisatie geleid tot een duidelijke toename van bewustwording en bereidheid onder medewerkers om lhbtiq+ sensitiever te gaan werken. Er is meer overleg over lhbtiq+ cliënten in de organisatie (bijvoorbeeld over een veilige omgeving realiseren), er worden e-learnings gevolgd, workshops seksualiteit gegeven door de lhbtiq+ teamambassadeurs en er is een regenboogmaatjes gestart. Bij Lister verschilt de mate van sensitief werken momenteel per locatie. Er volgen binnenkort extra cursussen om de handelingsverlegenheid van begeleiders te verminderen.

Lhbtiq+-opvang in Den Haag De gemeente Den Haag oriënteert zich naar aanleiding van de Haagse beleidsnota Queer in Den Haag, op de behoefte aan een specifieke opvang voor dak- en thuisloze queer personen.xx Er is contact gezocht met de Utrechtse Tussenvoorziening, die haar voorlopige ervaringen met lhbtiq specifieke opvang heeft gepresenteerd, ook aan diverse Haagse (opvang)organisaties. Er is inmiddels een werkgroep queer opvangplek aan het werk gegaan en er is een mogelijke locatie op het oog.

4.2

Ervaringen met lhbtiq+- opvang in het buitenland

Een studie in de VS onderzocht 19 huisvestingsprogramma's voor dak- en thuisloze jongeren. Hulpverleners stelden vast dat dak- en thuisloze lhbtiq+ -jongeren grote behoefte hadden aan crisisopvang speciaal voor deze doelgroep (Maccio et al., 2016). De belangrijkste reden hiervoor is dat lhbtiq+ -jongeren geweld en discriminatie kunnen ervaren van leeftijdsgenoten in algemene crisisbedden. De auteurs van deze studie doen de aanbeveling aan om huisvesting ter plaatse te integreren met klinische, educatieve, werkgelegenheids-, gezondheids-, juridische en sociale diensten. In het Verenigd Koninkrijk werden lhbtiq+ dak- en thuisloze jongeren in 21 verschillende opvangprogramma's gevraagd naar hun ervaringen in de huidige opvangcentra (Cull et al., 2016). Hoewel opvangcentra beleid hebben om geweld en discriminatie te voorkomen, bleken deze maatregelen niet altijd succesvol in het creëren van een veilige ruimte voor deze groep. Lhbtiq+ -jongeren gaven aan dat ze baat zouden hebben bij een lhbtiq+ -specifieke accommodatie met personeel waarmee ze zich kunnen identificeren. In hun perspectief zou dit hen helpen om "de effecten van homofobie en isolatie te overwinnen". Het zou hen daarnaast ook kunnen helpen om aan diverse vaardigheden te werken en ondersteunende netwerken te ontwikkelen, die essentieel zijn om de effecten van eerdere negatieve ervaringen aan te pakken.

De auteurs van deze studie concluderen dat lhbtiq+ -specifieke huisvesting een rol zou kunnen spelen bij het voorkomen van toekomstige dakloosheid onder lhbtiq+ jongeren en het verminderen van de kwetsbaarheid in verband met hun seksualiteit. In een onderzoek onder voor lhbtiq+ -thuisloze jongeren in reguliere huisvestingsprogramma's in Canada, vermeldden alle jongeren dat lhbtiq+ -specifieke huisvestingsprogramma's op verschillende 13

momenten nuttig voor hen zou zijn geweest, vooral tijdens crisissituaties (Abramovich, 2013). Vanwege de lhbtiq-fobie die wordt ervaren in de reguliere opvang, geven lhbtiq+-jongeren soms aan liever op straat te slapen. Naast het hebben van lhbtiq+ -specifieke huisvestingsprogramma's, zou het bovendien belangrijk zijn voor reguliere opvangcentra om te werken aan het creëren van veilige ruimtes. Onder het personeel waren de meningen uiteenlopend: terwijl sommigen de behoefte aan specifieke lhbtiq+ opvangcentra erkenden, waren anderen juist bezorgd over het verminderen van de inclusiviteit in reguliere opvangcentra (Abramovich, 2012). Deze zorg werd echter niet echt gedeeld door lhbtiq+jongeren. Er is weinig onderzoek gedaan naar de ervaringen van lhbtiq+ dak- en thuisloze volwassenen. Daarnaast zijn er ook relatief weinig lhbtiq+-specifieke huisvestingsprogramma's voor volwassenen in vergelijking met jongeren. Ecker en collega’s (2022) bestudeerden de ervaringen van lhbtiq+-volwassenen met huisvestingsprogramma's in Canada en concludeerden dat zij ook baat zouden hebben bij lhbtiq+specifieke huisvestingsprogramma's. Uit de internationale literatuur, voornamelijk afkomstig uit de VS en Canada, blijkt kortom dat het wordt aanbevolen om lhbtiq+ -specifieke huisvestingsprogramma's te creëren voor hbtiq+ -thuisloze jongeren en volwassenen.

Tegelijkertijd benadrukken auteurs ook hoe belangrijk het is om lhbtiq+’ers niet te isoleren of onterecht te scheiden (Hunter, 2008; Mottet & Ohle, 2006). Als er eenmaal lhbtiq-specifieke huisvestingsprogramma's zijn opgezet, is het aan te raden om onderling nauw samen te werken (Ecker, 2016).

Overgangsprogramma New York Het LGBTQ Transition Living Program (TLP) genaamd Green Chimneys, in New York bood in 10 bedden aan in appartementen met twee of drie slaapkamers, waarbij elke jongere zijn eigen kamer had (Nolan, 2006). De appartementen bevonden zich in verschillende gebouwen en delen van de stad. Het TLP is voor dak- en thuisloze lhbtiq+ jongeren, tussen 17 en 21 jaar die begeleid worden medewerkers die ook lhbtiq+ zijn. Een ander belangrijk aspect van TLP was de sterke nadruk op relaties met de gemeenschap en peers. Deze TLP kwam overeen met het door (Nelson, 2010) voorgestelde "ondersteunde huisvestingsmodel", dat geestelijke gezondheidsondersteuning biedt aan jongeren en hen aanmoedigt om zelfstandig te wonen, en de voorkeur geeft aan verspreide plaatsing, keuze in huisvesting en geen on-site diensten. Nolan (2006) evalueerde het verblijf van 40 jongeren. Het is een van de weinige studies die de resultaten evalueert van een specifiek lhbtiq+-programma voor dak- en thuisloze jongeren. Over het algemeen lijken de resultaten positief. Gemiddeld bleven de jongeren 10 maanden in het programma en bijna de helft van hen bleef nog een jaar; transgenderjongeren bleven langer dan cisgenderjongeren. Misschien wel de belangrijkste uitkomst was dat tweederde van de jongeren huisvesting vond na hun verblijf bij Green Chimneys.

Ook werden er resultaten geboekt wat betreft werk en scholing. Belangrijk is te vermelden dat de resultaten van dit onderzoek niet alleen aan de TLP kunnen worden toegeschreven, omdat er geen controlegroep was om mee te vergelijken.

Tijdelijk huisvestingsprogramma in Toronto YMCA Sprott House (Toronto) is in 2006 officieel geopend als het eerste tijdelijke huisvestingsprogramma in Canada speciaal voor lhbtiq+-jongeren. Het huis heeft 25 bedden voor 14

jongeren tussen 16 en 24 jaar. Aanvankelijk bood het huisvesting voor een jaar en momenteel voor twee jaar indien nodig. Er is een wachtlijst van maximaal 10 plaatsen om lange wachttijden te voorkomen. Het algemene doel van het programma is om een veilige ruimte te creëren die jongeren helpt bij de overgang naar onafhankelijkheid en het vinden van geschikte huisvesting. Abramovich en Kimura (2021) evalueerden het verblijf van 13 jongeren in het YMCA Sprott House. Hieruit bleek dat het huisvestingsprogramma een positief effect had op onder andere het welzijn, en zelfrespect van de jongeren, maar ook op hun deelname aan de samenleving. Lhbtiq+’s ervaarden meer veiligheid in hun dagelijks leven in vergelijking met wanneer ze in reguliere huisvesting woonden. De mentale gezondheid van jongeren nam toe tijdens hun verblijf in de huisvesting; dit werd toegeschreven aan hun gevoel van veiligheid in de huisvesting en de mogelijkheid om contact te maken met leeftijdsgenoten. Transjongeren beschreven hoe positief het was voor hun geestelijke gezondheid om openlijk te kunnen discussiëren en problemen aan te pakken met betrekking tot hun sociale en medische transitie. Het gevoel van eigenwaarde was gemiddeld met 9% togenomen bij jongeren die het programma verlieten.

15

5 Antwoorden op de onderzoeksvragen In paragraaf 5.1 behandelen we, op grond van de informatie die we uit de interviews hebben gehaald, de volgende onderzoeksvragen: 1.Hoe ervaren de stakeholders de huidige opvang van dak- en thuisloze lhbtiq+’ers? 2. Op welke onderdelen gaat het goed en wat zijn de mogelijke knelpunten? Om bovenstaande vragen te beantwoorden is gesproken met: personen die werken in of voor de opvangxxi, personen die zich vanuit belangenorganisaties actief inzetten voor de doelgroep en dak- en thuisloze lhbtiq+’ers die gebruik maken van een Amsterdamse opvangvoorziening. Tijdens de gesprekken zijn uiteenlopende perspectieven naar voren gekomen die gebaseerd zijn op persoonlijke ervaringen en betrokkenheid bij het onderwerp. Zo konden de meeste professionals die we spraken vooral een beeld schetsen van de organisatie of de locatie waar zij zelf werktenxxii. Ondanks de verschillen in ervaringen per individu en locatie, zijn er ook een aantal grote lijnen te ontdekken als het gaat om de veiligheid en begeleiding van dak- en thuisloze lhbtiq+- personen. In de volgende paragrafen nemen we de lezer mee in de belangrijkste uitkomsten van het onderzoek naar de ervaringen met de huidige opvang. We maken hierbij een onderscheid tussen de opvang van jongvolwassen en van volwassenen.

We starten iedere paragraaf met onderdelen van de opvang waarover men tevreden is en sluiten af met de knelpunten die geïnterviewden hebben benoemd. Aansluitend op het beeld van de huidige opvang in deze paragraaf, gaan we in paragraaf 5.2 in op de ervaring met en behoefte aan aparte opvangvoorzieningen voor lhbtiq+. Wij hebben de Amsterdamse stakeholders die voor dit onderzoek zijn geïnterviewd gevraagd een inschatting te doen van het aantal en achtergronden van dak- en thuislozen. Hoewel de samenstelling van de cliëntengroep verschilt per opvanglocatie is een grove inschatting van de professionals dat ruim 75% van de gebruikers van de Amsterdamse opvang een migratieachtergrond heeft, waarbij het aandeel dak- en thuislozen uit Midden en Oost-Europa met name in de algemene (nacht en winter) opvang de laatste jaren toeneemt. Op diverse locaties zijn er volgens geïnterviewden op het moment van het onderzoek enkele personen die zich openlijk identificeren als lhbtiq+ en men vermoedt dat het werkelijke aantal lhbtiq+-personen hoger ligt. In de interviews wordt bevestigd, wat in de beschikbare literatuur ook staat benoemd (zie hoofdstuk 1 ), dat veel dak- en thuisloze lhbtiq+ ers zowel binnen als buiten de opvang niet openlijk uitkomen voor hun geaardheid of gender.

5.1

Opvang jongvolwassenen

Dak en thuislozen tussen 18 en 23 jaar komen in aanmerking voor maatschappelijke opvangvoorzieningen voor jongvolwassenen (MOJ). Dit zijn – meestal – aparte locaties die specifiek gericht zijn op jongvolwassenen. De begeleiding op deze locaties gebeurt door professionals met een specialisme op deze leeftijdsgroep.

Wat gaat goed? Vaste teams De medewerkers en de jongvolwassen dak- en thuislozen die wij interviewden zijn over het algemeen positief over de ‘harde voorwaarden’ voor het bewaken van de veiligheid van cliëntenxxiii. Vooral op de locaties waar 24 uur per dag vaste begeleiders aanwezig zijn, is men tevreden. 16

‘Natuurlijk hebben wij hier ook wel eens een vechtpartijtje tussen cliënten, maar wij zitten 24/7 met twee mensen bovenop op de jongeren met intensieve begeleiding. Jongeren die negatief denken over lhbtiq+ houden zich hier binnen wel in.’ (directeur maatschappelijke opvangvoorziening) Wat volgens geïnterviewden helpt is dat bij de jongvolwassenxxiv wordt gewerkt met een vast team. Hierdoor is het gemakkelijker expertise op te bouwen en te bewaren, duidelijke huisregels te handhaven en snel te kunnen reageren als er wel sprake is van negatief gedrag richting lhbtiq+-personen. De ervaring van geïnterviewde stakeholders is dat dit bijdraagt aan de stabiliteit en minder verloop van cliënten. Diversiteit team De teams die werken met jongvolwassenen zijn vaak divers samengesteld, qua opleidingsrichting, opleidingsniveau, gender- en culturele achtergrond van de medewerkers. Dit helpt in de praktijk bij deescaleren, het bespreekbaar maken van spanningen, maar ook bij het ‘naar boven krijgen’ van hulpvragen. Jonge cliënten geven aan dat het ‘herkennen’ van teamleden de drempel kan verlagen om hulp te vragen. ‘Ze doen het prima. Ze gaan met respect met mensen om, onafhankelijk van de achtergrond. Zo lang de mensen hier niet de tent uitvechten, is het allemaal prima. Wat wel een goede maatregel is, is als er altijd iemand is die op je lijkt.

Dus dat er een iemand is die begrip voor je achtergrond heeft.’ (trans vrouw 24 jaar, in maatschappelijke opvang) ‘De begeleiders zijn top. Ze wisten niet heel veel. Ik heb een keer voorgesteld of ze wat meer informatie zouden kunnen verkrijgen over trans personen. Zij en ik hebben veel geleerd van onze gesprekken. Of begeleiders uit trans groep nodig zijn? Dat hoeft niet per se. Het is fijn als er iemand tussen zit, maar ik zou niet die harde eis stellen. Wat betreft begeleiders gaat het er het meest omdat iemand gewoon goed zijn werk doet.’ (trans vrouw 22 jaar, in opvang) Ook verschillende geinterviewde professionals wijzen op de voordelen van een divers samengesteld team. Zo vertelt een teamleider: ‘Verder zijn we heel tevreden over het team, we behandelen iedereen gelijk. Het team is gemêleerd, hbo/wo, multi cultureel en gender divers. Iedereen heeft een andere achtergrond, niemand is gespecialiseerd op de lhbt doelgroep. Wij werken met dak- en thuislozen, daar ligt onze expertise en we hebben het netwerk om door te verwijzen. Trainingen voor lhbtiq+ zouden wel goed zijn, maar dat geldt voor de hele organisatie.’ Gereserveerde kamers Op een woonlocatie met slaapplekken voor jongvolwassenen zijn - in overleg met de gemeente – twee kamers gereserveerd voor jongvolwassen lhbtiq’ers. Over de ervaringen met de kamers is gesproken met teamleiders, begeleiders en (ex)cliënten.

De geïnterviewden vertellen dat jaarlijks circa 2 a 3 lhbtiq+personen gebruik maken van de kamer. In tijden dat er geen vraag is vanuit de lhbtiq+ groep, worden de kamers voor andere personen ingezet die kwetsbaar zijn binnen de opvang. Een begeleider vertelt daarover: ‘We zijn er tot nu toe tevreden over de gereserveerde kamers, dient echt een doel. Afgelopen jaren altijd is er altijd wel 1 persoon uit de lhbtiq groep die er gebruik van maakt. Feit dat het kan is goed, maar het hoeft niet dat mensen uit de lhbtiq allemaal in de specifieke kamer komen. Dat is afhankelijk van de samenstelling van de groep. Kan ook zijn dat een cliënt fysiek nog een jongen is, maar er uitziet als een meisje en zelf graag met meiden wil optrekken en op een meidenkamer wil. Dan houden we rekening met meiden die op die kamer 17

liggen, als daar gevoeligheid zit met mannen, dan niet. Anders komt die persoon wel op de meidenkamer.’ (teamleider maatschappelijke opvang) Een trans man, die vijf maanden in de specifieke kamer heeft gewoond, is ook positief over deze mogelijkheid voor kwetsbare lhbtiq+-personen. Zelf was hij ook blij met een aparte kamer, maar dan vooral vanwege zijn autisme en niet zo zeer vanwege zijn genderidentiteit. ‘Ik zeg nooit dat ik een trans man ben, ik hoef ook niet zo nodig alleen met trans personen op een kamer. Ik denk wel dat er veel trans personen zijn die het wel fijn vinden, vooral degenen die geweld mee hebben gemaakt. Ik zelf heb, buiten mijn familie, nooit transfobische dingen meegemaakt. Vooral voor mensen die transfobische en onveilige situaties mee hebben gemaakt kan de aparte kamer een uitkomst zijn. Ik denk dat trans vrouwen dat wel vaker meemaken.’ (trans man 18 jaar)

Wat zijn de knelpunten? Niet bereikte groep Als er één constatering veel is gedaan door de geïnterviewde stakeholders, is het dat er in Amsterdam meer dak- en thuisloze lhbtiq+-personen zijn, dan worden bereikt via de hulp- en opvangvoorzieningenxxv. Er is een breed gedeelde zorg voor lhbtiq+-personen die (nog) niet in het bezit zijn van geldige verblijfsdocumenten, die zich niet veilig voelen in LVV-locatiesxxvi en daarom ‘buiten’ slapen (o.a. in garages). In deze rapportage gaan we, zoals eerder aangegeven niet uitvoerig in op deze problematiek, maar we willen de ernst van de signalen ook niet onbenoemd laten. ‘Ik kan op straat in ons stadsdeel zo nog 20 à 30 jongvolwassen mannen aanwijzen, die vind je in de partkeergarages, ze slapen in groepjes, een deel met middelengebruik en je ziet ze ook wel prostitutie. De jongste is 17 jaar, de oudste 37 jaar. Sommigen hebben de Nederlandse nationaliteit en anderen hebben geen papieren. Ze voelen zich niet begrepen en hebben slechte ervaringen met de opvang.’ (teamleider maatschappelijk opvangvoorziening) Een tweede oorzaak van het ontbreken van zicht op de totale omvang van de dak en thuislozen groep is ‘misbruik’ door volwassenen die aan dak en thuislozen – met name jongeren en jongvolwassenen woonruimte aanbieden ‘tegen een wederdienst’xxvii.

En ten slotte zijn er signalen dat de drempel voor lhbtiq+-personen om zichzelf te melden voor opvang hoog is. Zij hebben moeite zich te uiten bij onbekende professionals, waardoor situaties van misbruik tijdens de screening vaak worden gemist, vertelt een deskundige. ‘De screeners lopen een stroomschema af, maar missen de lhbtiq+ problematiek. Er is bijvoorbeeld weinig zicht op jongens die bij oudere mannen tegen seks verblijven. Vaak tegen hun zin of in een situatie met grote machtsongelijkheid.’ (medewerker kenniscentrum) Zwaardere GGZ-problematiek De jongvolwassenopvang heeft afgelopen jaren te maken met een hogere instroom van jongeren met zwaardere GGZ-problematiek, waaronder naar verhouding veel lhbtiq+-personen. Een veel genoemd knelpunt bij de opvang van jongvolwassenen is de behoefte aan grotere betrokkenheid van de GGZ bij de cliënten, waaronder bij de cliënten die in een transitietraject zitten. De onderstaande citaten zijn van begeleiders die werken met jongvolwassenen in de maatschappelijke opvang; ‘Bij de GGZ zijn de bedden afgebouwd en nu hebben wij verhoudingsgewijs meer in huis van die doelgroep. Ook onder de transgenders zien wij veel GGZ problematiek. De kern van ons probleem is nu ‘hoe krijgen wij 18

de GGZ meer betrokken bij onze cliënten?’.. Datzelfde probleem speelt bij de crisisdienst, het lukt soms echt niet om hen hierheen te bewegen. We hadden hier een homoseksuele jongen waarmee het psychisch helemaal niet goed ging omdat hij zichzelf, door zijn religieuze achtergrond, als zondig beschouwde. We hebben hemel en aarde moeten bewegen om hem in een GGZ traject te krijgen….’ ‘Heel veel jongeren komen van een lange weg, die hebben jaren met hun ziel onder hun arm gelopen. Ze hebben een struggle thuis gehad, transjongeren die illegaal begonnen met medicijnen. Onder hen zien we jongeren met een islamitische achtergrond die zijn verstoten. Maar we hebben hier ook jongeren uit een christelijke omgeving. Wij doen ons best, maar zijn niet opgeleid om het transitietraject of ggz problematiek te begeleiden.’

Specifieke deskundigheid We hebben weinig signalen gekregen over de fysieke onveiligheid op de locaties voor jongvolwassen, wat niet wegneemt dat er wel signalen zijn dat andere cliënten zich negatief gedragen tegenover lhbtiq+-personen. Er zijn met name voorbeelden genoemd van pestgedrag en denigrerende opmerkingen over en ‘misgenderenxxviii’ van trans personen. Een deel van het personeel is voldoende alert en reageert op deze signalen, maar dat geldt niet voor alle begeleiders, menen zowel enkele professionals als jonge cliënten uit de doelgroep. De geïnterviewde trans personen hebben unaniem gewezen op het belang van kennis bij de medewerkers over de impact van mis-genderen op de betreffende personen. Zowel een deel van de medewerkers, als andere jonge dak- en thuislozen zouden zich daar onvoldoende van bewust zijn. Het valt op dat ook op de locaties waar teamleden aangeven zeer alert te zijn op het juist gebruiken van voornaamwoorden, dit nog niet (altijd) gebeurt volgens geïnterviewde trans personen. Ook professionals die zichzelf rekenen tot de lhbtiq+ gemeenschap zien dat er nog een verbeterslag gemaakt kan worden op het terrein van deskundigheid. Daar zijn wel managers voor nodig die zorgdragen dat trainingen en experts blijvend beschikbaar zijn voor de medewerkers, merkt een geinterviewde teamleider op.

‘We hebben een paar collega’s die zich persoonlijk bekommeren om de lhbtiq+, maar het kan beter. We kaarten dit probleem al jaren aan en hebben nu eindelijk iemand in het management die het belangrijk vindt. We hebben meer experts nodig en meer gebruik van de experts die we al hebben.’ (teamleider maatschappelijke opvang)

19

5.2

Opvang volwassenen

Dakloze personen ouder dan 23 jaar kunnen, na een screening bij de CTMOxxix , in aanmerking komen voor tijdelijke woonplek via maatschappelijke opvang of beschermd wonen (MOVxxx) of voor een slaapplek bij een locatie voor dag- en nachtopvang (DNO) of winteropvang.

Wat gaat goed? Aparte en eenpersoonskamers Een specifieke kamer of een aparte ingang is op enkele locaties voor maatschappelijke opvang onderdeel van het maatwerk dat men tracht te bieden aan lhbtiq+-personen. Medewerkers die zich op deze locaties inzetten voor de doelgroep noemen het kunnen bieden van een eigen kamer een belangrijke vooruitgang. Een teamleider van een de locaties vertelt daarover: ‘Vorig jaar hadden we een trans vrouw, we zagen al snel vanwege dat het vanwege haar verschijning en gedrag dat ze mogelijk minder veilig zou zijn. We hadden destijds een gedeelde lift. In de lift kreeg ze verwensingen naar haar hoofd van cliënten van andere afdelingen. Ze mocht van ons om die reden met de personeelslift. We proberen bij iedereen maatwerk te bieden. Als het moeilijk is om je staande te houden in de opvang, dan is de kans groter dat iemand terugvalt in middelengebruik.’ Op een grote opvang locatie zijn sinds vorig jaar twee eenpersoonskamers (met eigen douche en toilet) gereserveerd voor mensen met ‘een specifieke achtergrond’ of kwetsbaarheid. Medewerkers vertellen dat de kamers gebruikt worden voor mensen met somatische problematiek en kwetsbare lhbtiq+personenxxxi. Daarnaast zijn er op dezelfde locatie eenpersoonskamers gecreëerd tijdens de coronaperiode.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12227246/1