2. Rapportage EDO Amsterdam
Tekst van het document
In de governance verschilt de aansturing in de zin dat de aangesloten energiegemeenschappen direct zeggenschap hebben in de koepel en via de koepel indirect op de EDO. In de uitwerking kan ervoor worden gekozen de EDO een afdeling of onderdeel te laten zijn van de koepel, dan wel, zoals in figuur 2 is uitgewerkt, dat de EDO een dochter is van de koepel met een eigen rechtspersoon. De tweede variant vraagt een extra rechtspersoon, en het is de vraag wat daarvan de toegevoegde waarde is. Energie Samen had aanvankelijk een
24 werkmaatschappij (bedrijfsbureau) onder de koepel maar heeft in 2024 de governance structuur aangepast en de werkmaatschappij opgeheven.
Figuur 2: Scenario 1a EDO is van de initiatieven, via koepel.
4.2 EDO is van de gemeente Een tweede scenario is er eentje waarbij de Energie Diensten Organisatie een uitvoeringsorganisatie is van de gemeente. De gemeente heeft beleid geformuleerd rond de energietransitie en het betrekken van de inwoners. Om maximaal invloed te kunnen uitoefenen op de operationele uitwerking daarvan, stelt zij een uitvoeringsorganisatie in die rechtstreeks verantwoording aflegt aan de gemeente. In de praktijk zijn meerdere directies vanuit de gemeente betrokken bij de energietransitie. Dus als de EDO bijvoorbeeld bij de directie Ruimte en Duurzaamheid wordt gepositioneerd, dan blijft dus binnen de gemeente Amsterdam de vraag hoe andere directies invloed hebben op en inbreng leveren aan de EDO. De energiegemeenschappen die gebruik maken van de diensten van de EDO hebben geen zeggenschap. Invloed zou geregeld kunnen worden via een deelnemers- of adviesraad op basis van de participatieverordening (per 1 januari 2025 wettelijk geborgd, zie https://vng.nl/nieuws/wet-versterking-participatie-door-eerste-kamer-aangenomen ). Figuur 3 illustreert hoe de gemeente zeggenschap heeft richting de directie van de EDO. Met de gestippelde lijn wordt getoond hoe vanuit de energiegemeenschappen invloed kan worden uitgeoefend, direct dan wel via de koepel. De gemeente Amsterdam kan in dit scenario rechtstreeks toezicht houden op de operatie van de EDO.
25
Figuur 3: Scenario 2: EDO is van de gemeente.
4.3 EDO is samenwerkingsverband van initiatieven/gemeente Volgend op de twee scenario’s waarbij de EDO van de ene dan wel van de andere partij is en betrokkenheid via invloed geregeld moet worden in plaats van zeggenschap, is scenario 3 een variant waarbij er feitelijk sprake is van gezamenlijke aansturing. In het bedrijfsleven wordt ook wel gesproken over een joint venture. Qua rechtsvorm is een besloten vennootschap (BV) een waarschijnlijke keuze. In dat geval, zoals in figuur 4 is uitgewerkt, hebben beide partijen ieder 50% van de zeggenschap in de Algemene Vergadering. Belangrijkste statutaire rol van de Algemene Vergadering is het aanstellen van een bestuur. Het bestuur, de bestuurder, eventueel een directeurbestuurder, stelt het beleid op, zorgt voor de uitvoering en legt hierover na afloop verantwoording af aan de Algemene Vergadering. Naast de bovengenoemde zeggenschap over de besturing van de EDO, zal de gemeente, zolang de EDO afhankelijk is van subsidies en opdrachten, ook via deze weg invloed uitoefenen op de EDO. Het hebben van zeggenschap maakt het voor beide partijen mogelijk het toezicht nader te regelen.
26
Figuur 4: Scenario 3: EDO is samenwerkingsverband initiatieven/gemeente.
4.4 EDO is zelfstandig In scenario 4 is er geen rechtstreekse zeggenschap van en toezicht door de twee betrokken partijen. Meest voor de hand liggende rechtsvorm is een stichting. In de basisvorm staat een stichting op zichzelf, kent geen eigenaren of algemene vergadering met aandeelhouders of leden dus wordt zij enkel geleid door de statutair vastgelegde doelstelling.
Figuur 5: Scenario 4: EDO is zelfstandig.
Invloed van betrokken partijen begint bij het opstellen van de statuten en de daarin geformuleerde doelstelling. In afwijking van de basisvorm van de statuten kan bepaald
27 worden dat bepaalde partijen het recht hebben een bestuurder te benoemen. Bij de uitwerking van de statuten kan dus worden vastgelegd dat de gemeente en de initiatieven, waarschijnlijk via de koepel, ieder een bestuurder van de stichting mogen benoemen. Naast de bovengenoemde invloed op besturing van de EDO, zal de gemeente, zolang de EDO afhankelijk is van subsidies en opdrachten, ook via deze weg invloed uitoefenen op de EDO. In afwijking van scenario 3 is er geen mogelijkheid rechtstreeks toezicht te houden op het functioneren van de EDO.
4.5 Samenvatting governance De vier scenario’s worden in tabel 2 kort samengevat. Scenario
Initiatieven
Gemeente
Koepel
1a: Van initiatieven 1b: Van initiatieven, via koepel 2: Van gemeente
Zeggenschap
Invloed
Zeggenschap is indirect
Invloed
Zeggenschap
-
Zeggenschap
Invloed
3:Samenwerkingsverband 4: Zelfstandig
Zeggenschap indirect Invloed
Zeggenschap Gedeeld Invloed
Zeggenschap gedeeld Invloed
Rechtspersoon Coöperatie/ vereniging Coöperatie/ vereniging Publiekrechtelijke rechtspersoon Besloten Vennootschap Stichting
Tabel 2: Overzicht van mate van invloed van initiatieven, gemeente en koepel en type rechtspersoonlijkheid per scenario.
4.6 Beleidskader Verbonden Partijen Op 24 januari 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden met een aantal juristen van de gemeente Amsterdam. De eerder in dit hoofdstuk genoemde scenario’s zijn daarbij doorgenomen. Vanuit de juristen is aangegeven dat bij de keuze voor een bepaald scenario rekening gehouden moet worden met het Beleidskader Verbonden Partijen. Hanteren we het ‘Denkkader verbonden partijen’, figuur 2 op pagina 16 van het beleidskader (hieronder overgenomen in figuur 6), dan leidt dit tot de volgende stappen: 1. Is er sprake van een gemeentelijk, publiek belang? Vanuit de eerder in het beleidskader gehanteerde definitie: ‘Een publiek belang is een maatschappelijk belang waarvan de overheid zich de behartiging aantrekt op grond van de overtuiging dat dit belang anders niet goed tot zijn recht komt’ kan
28 gesteld worden dat het antwoord ‘ja’ is. Eerdere besluiten in de gemeenteraad over het belang van de en energietransitie en de rol van energiegemeenschappen daarbij (najaar 2024) maakt het aannemelijk dat er een politieke keuze is gemaakt om dit onderwerp tot publiek belang te verheffen. 2. Is volledige gemeentelijke betrokkenheid noodzakelijk? Gezien de discussies en besluitvorming eerder binnen de gemeente is het antwoord hier ‘nee’. De gemeente wil nadrukkelijk een rol vervullen, maar is van mening dat er ook veel ruimte moet zijn voor burgerinitiatieven en de markt. 3. Is behartiging belang als opdracht-of regelgever of subsidie- of leningverstrekker mogelijk afdoende? Antwoord op deze vraag is ‘ja’, waarmee de uitkomst van dit denkkader er op aanstuurt om de uitvoering door de markt te laten doen. Instrumenten om hier aan richting te geven zijn dan: regulering, subsidiering, opdrachtgever en verstrekker leningen.
Figuur 6: Denkkader verbonden partijen.
Naast het denkkader spelen er op termijn nog andere overwegingen een rol. Naar verwachting zal in 2026 de Wet Collectieve Warmte (Wcw) van kracht worden. In de wettekst zoals deze nu voorligt, krijgt de gemeente een aantal taken toebedeeld:
29 •
Vaststellen warmtekavels: de gemeente bepaalt welke gebieden geschikt zijn voor de aanleg van collectieve warmtesystemen en wijst deze aan als warmtekavels. • Aanwijzen (publieke) warmtebedrijven en warmtegemeenschappen: Na het vaststellen van een warmtekavel wijst de gemeente een warmtebedrijf of warmtegemeenschap aan dat verantwoordelijk wordt voor de aanleg en exploitatie van het warmtesysteem in dat gebied. • Verlenen van ontheffingen voor kleine collectieve warmtesystemen, verhuurders en VvE’s: De gemeente kan een ontheffing verlenen op het verbod om zonder aanwijzing van het college warmte te transporteren of te leveren voor gebieden zowel binnen als buiten de warmtekavel aan kleine collectieve warmtesystemen, verhuurders en VvE’s. • Het toezicht van de gemeente richt zich op het verbod om zonder aanwijzing warmte te transporteren en te leveren, de naleving van de voorschriften en beperkingen die zijn verbonden aan de aanwijzing of ontheffing, de instemming met een uitgewerkt kavelplan. Dit betekent dat de gemeente ‘meerdere petten’ op krijgt zodra de Wcw in werking is getreden. Als de gemeente ervoor kiest om deel te nemen in de EDO wordt zowel de uitvoering van de opbouw van warmtegemeenschappen als de toezicht/handhavende taak bij de gemeente belegd. De juristen vinden dat zeer ongewenst.
4.7 Voorbeeld EDO’s in de praktijk De Energie Diensten Organisatie die in Amsterdam wordt ontworpen, kan leren van ervaringen elders in Nederland. Want het sluit aan bij een landelijke trend dat energiegemeenschappen op regionaal niveau meer en meer samenwerken in sterke uitvoeringsorganisaties. De rationale erachter is dat energiegemeenschappen op grotere schaal meer uitvoeringskracht kunnen organiseren, zelf over voldoende relevante kennis beschikken, makkelijker professionele mensen kunt aantrekken en vasthouden, en een sterkere partner zijn voor gemeenten en andere partijen in de energietransitie. Coöperatie Zeeuwind en coöperatie Deltawind Een mooi voorbeeld daarvan is de samenwerking tussen coöperatie Zeeuwind in de provincie Zeeland en coöperatie Deltawind op Goeree Overflakkee die gezamenlijk windpark Krammer hebben gerealiseerd, met 34 windmolens het grootste burgerwindpark van Nederland. Beide coöperaties hebben particulieren als lid en hebben duizenden leden. Beide coöperatie zijn al ruim 40 jaar bezig met de ontwikkeling en vervanging van windparken, en hebben de scope van hun activiteiten geleidelijk uitgebreid naar opwekking zon, energiebesparing en warmte. Zij ondersteunen andere energiegemeenschappen in hun werkgebied. AGEM In de acht Achterhoekse gemeenten is vanaf 2013 de AGEM actief.
Het is gestart als een uitvoeringsorganisatie van de acht gemeenten in een holdingstructuur met verschillende werkmaatschappijen (bv’s). In 2018 is het besturingsmodel aangepast en hebben ook lokale energiecoöperaties zeggenschap gekregen. In 2023 is de governance structuur opnieuw aangepast, en is de bovenliggende holding ingericht als een pool van 43 energie experts, die diensten verleent aan werkmaatschappijen die worden aangestuurd door 3 coöperaties.
30 Twee daarvan: Coöperatie Energieloket (DAEB) en Coöperatie Gemeentelijke energie worden bestuurd door de deelnemende gemeenten. De energiecoöperaties in de Achterhoek besturen alleen (zonder de gemeenten) de coöperatie Streekenergie. Grunneger Power In de stad Groningen is vanaf 2011 coöperatie Grunneger Power actief met diensten op het gebied van projectontwikkeling van opwekprojecten, Buurtwarmte en energielevering. Grunneger Power heeft particulieren als lid. De werkorganisatie van Grunneger Power heeft 17 mensen op de loonlijst staan. Het heeft de dienstverlening geleidelijk opgebouwd en is inmiddels ook in de ommelanden van de stad Groningen actief. Een deel van de activiteiten is buiten de organisatie geplaatst. Zo is Grunneger Power een van de oprichters van Energie Van Ons het leveringsbedrijf van stroom en gas dat in de drie Noordelijke provincies actief is. Energie Samen Rivierenland In de regio Rivierenland is vanaf 2015 Energie Samen Rivierenland (ESR) actief als een coöperatie van lokale energiecoöperaties uit de acht gemeenten van de regio. De laatste jaren is het werkgebied uitgebreid naar het westen en het oosten van het rivierengebied. ESR biedt diensten op het gebied van Energiebesparing zoals een Energieloket, Energiearmoede (Energie Vitaal) en de Woonwijzerwinkel in Tiel.
Daarnaast biedt het diensten aan op het gebied van energieopwekking (wind en zon), Buurtwarmte en voor de zakelijke markt. De werkorganisatie heeft 30 medewerkers en daarnaast nog eens 30 medewerkers bij Energie Vitaal, waarvan 25 medewerkers met een afstand tot de arbeidsmarkt werkervaring opdoen. Een van de leden van Energie Samen Rivierenland is coöperatie Betuwewind dat 7 windmolens heeft gerealiseerd aan de A15. Met de inkomsten van die windmolens heeft Energie Samen Rivierenland dienstverlening kunnen ontwikkelen op het gebied van Buurtwarmte. Energie Verbonden In het Gooi werken energiecoöperaties uit acht gemeenten samen in Energie Verbonden. Zij werken samen op het gebied van energiebewustzijn, energiebesparing, energieopwekking en de warmtetransitie. Ze zijn vooral sterk in collectieve inkoopacties en werken daarin nauw samen met geselecteerde bedrijven in de regio. Coöperatie Buurtwarmte U.A. In 2024 is coöperatie Buurtwarmte opgericht dat professionele ondersteuning levert aan energiegemeenschappen en gemeenten op het gebied van de warmtetransitie. In het oprichtingsproces waren de coöperatie Zeeuwind, Grunneger Power, =OM Nieuwe Energie en Energie Samen Rivierenland actief betrokken. Energie Samen, de branchecoöperatie, coördineert en faciliteert die samenwerking.
Trinova In 2024 hebben drie coöperatieve leveringsbedrijven (Energie van Ons, =OM Nieuwe Energie en AGEM) een gezamenlijk servicebedrijf Trinova opgezet om de krachten te bundelen, in de ontwikkeling en het beheer van IT-systemen die nodig zijn voor een leveringsbedrijf.
31
5. Organisatie en financiële aspecten van een EDO 5.1 Organisatie van de EDO Uit de geformuleerde doelen en taken (hoofdstuk 3) volgt dat er team nodig is van mensen die op de verschillende taken waarde biedt aan energiegemeenschappen en aan energiegemeenschappen in wording. De omvang van dat team is afhankelijk van de vraag vanuit deze doelgroepen. Bij de warmte-initiatieven leert de ervaring dat er een duidelijke behoefte bestaat aan deels specialistische ondersteuning op technisch, financieel, organisatorisch en juridisch gebied. Op de andere thema’s kan de EDO vanaf het begin toegevoegde waarde leveren in de organisatorische en financiële versterking van de energiegemeenschappen. Het is niet mogelijk gebleken om in het kader van deze opdracht die behoefte precies in manuren te identificeren. Maar op basis van ervaring met het opstarten van energiediensten organisaties elders in Nederland, is wel duidelijk dat je een stevig gecommitteerd team nodig hebt die er samen de schouders onder kan zetten. Wij schatten in dat de organisatie bij aanvang een team van tenminste 3 personen vraagt die de kar voltijds trekken, aangevuld met een pool van experts die op deeltijdbasis meewerkt aan de opbouw van de dienstenorganisatie.
Vanaf aanvang van de EDO zijn de volgende functies nodig op het gebied van warmte: • Coördinator/directeur • Projectleider(s) warmte • Experts in de warmtetransitie op het gebied van technisch ontwerp, business cases, contracten, organisatieontwikkeling en financiering. • Expert gemeenschapsvorming (incl. betrekken van kwetsbare groepen) die warmteinitiatieven goed kan ondersteunen in het betrekken van bewoners. • Secretariële ondersteuning van het team en het bestuur Daarnaast zijn er gekwalificeerde mensen nodig voor de overige taken (hoofdstuk 3.3) zoals capaciteitsontwikkeling, kennisdeling, standaardisatie, toegang tot financiën en backoffice diensten. De volgende functies zijn daarbij nodig: • Kennis en opleiding (incl. kwaliteitsontwikkeling) • Standaardisatie • Marketing en communicatie • HR • IT • Financiën (boekhouding en financiële verantwoording) • Fondsenwerving Door de bovenstaande functies in met mensen in te vullen van een hoog professioneel niveau kan de EDO organisatie goed worden neergezet en kan de EDO ook energiegemeenschappen (op alle thema’s) organisatorisch en financieel versterken. En de EDO bouwt met deze diensten een werkrelatie met de energiegemeenschappen op, waarbinnen ook inhoudelijke vragen op kunnen komen en geadresseerd kunnen worden.
32 Alle bovenstaande functies kunnen worden ingevuld door mensen die deels fulltime of parttime, op een vast of flexibel contract voor de EDO werken. Het streven is een stevige organisatie te creëren waarin mensen een vast dienstverband kunnen krijgen, omdat daarvan de grootste kans op continuïteit en kwaliteitsopbouw verwacht mag worden. De EDO heeft een vaste kantoorruimte met enkele (te delen) vergaderruimtes nodig. Want daarmee kan het fysieke ontmoetingen tussen de energiegemeenschappen faciliteren. Bewaking van kwaliteit en voortgang van de taken van de EDO vindt plaats d.m.v. halfjaarlijkse evaluaties per project, beknopte evaluatie ex post bij kleine opdrachten en middels een klantenraad waarvan een aantal coöperaties bij toerbeurt deel uitmaken.
5.2 Afbakening van de taken van EDO en Gemeente In hoofdstuk 3.5 is al in algemene zin over de inbedding van de EDO in het bestaande organisatorische landschap geschreven. De taakafbakening van de EDO ten opzichte van de gemeente kan op dit moment nog niet precies worden vastgesteld. Daarvoor ontbreekt het overzicht van wat de gemeente Amsterdam allemaal tot haar takenpakket rekent en moet doen, nu al doet, wil gaan doen, of wil stoppen of overdragen. Zonder volledig te willen zijn is duidelijk dat ambtenaren van de gemeente Amsterdam taken uitvoeren die direct raken aan de praktijk van energieprojecten van energiegemeenschappen. Voorbeelden daarvan zijn gronduitgifte, vergunningverlening, planning van werken in de openbare ruimte, sociale hulpverlening in buurten, en op termijn mogelijk een publiek, gemeentelijk warmtebedrijf. De gemeentelijke taken dienen in de kwartiermakersfase van de EDO verder verkend te worden en gespiegeld aan de taken van de EDO die in hoofdstuk 3.3 zijn beschreven. Als het overzicht is gemaakt zal blijken dat een deel van de taken elkaar niet overlappen, maar dat er een tussengebied bestaat van overlappende taken waarover werkafspraken gemaakt moeten worden. Uit het participatieproces bleek dat bijvoorbeeld voor de rol van gebiedscoördinatoren en duurzaamheidscoördinatoren die voor de stadsdelen werken.
Het feit dat die werkafspraken gemaakt worden, zal de samenwerking bevorderen, en heeft als doel dat de energietransitie versnelt, en efficiënter, inclusiever en rechtvaardiger verloopt. De benodigde afbakening van rollen en taken kan deels op uitvoerend niveau in werkafspraken worden vastgelegd, en deels zal die afbakening waarschijnlijk in gemeentelijk beleid een plek moeten krijgen. Daarbij is ook een gezond samenspel tussen de gemeente en de koepel van energiegemeenschappen nodig, in lijn met het collegebesluit ten aanzien van een volwassen en volwaardige positie van energiegemeenschappen in de energietransitie. Om de samenwerking de komende jaren goed in te richten is het wenselijk dat de belangenbehartiging vanuit de koepel van energiegemeenschappen korte lijnen heeft met het uitvoerende niveau van de EDO. Dat gezonde samenspel vraagt om een passend besturingsscenario. Deze lijn van samenwerken is nu al ingezet voor de EDO pilot, die begin 2025 van start is gegaan. De aansturing van de EDO pilot verloopt vanuit de gemeente Amsterdam en de APEC samen. En op het uitvoerende niveau wordt de ondersteuning van warmtegemeenschappen ingericht met het EDO team en twee gebiedsregisseurs en de
33 projectleider energiegemeenschappen van de gemeente Amsterdam. Daarin is een leerdoel om de taakafbakening gezamenlijk te ontdekken.
5.3 Geldstromen van de Gemeente naar de EDO In het hoofdstuk 4 is gemeld dat geldstromen naar de EDO geen deel uitmaken van de besturing. Besluitvorming daarover staat dus los van de keuze voor een bepaald besturingsscenario. Uit de voorgaande hoofdstukken en paragrafen spreekt dat er bij een bestuurlijk commitment voor een EDO ook een financieel commitment hoort om de EDO goed in de beoogde tussenpositie te brengen, en met een bezetting van een hoog kwaliteitsniveau. Dat commitment dient lang genoeg te duren om ook de benodigde samenwerking met gemeenteambtenaren goed op poten te zetten. Vanuit de energiegemeenschappen en vanuit de gemeente zijn er spanningen te overbruggen en dat zal de nodige tijd vergen. Ook is aangegeven dat er een balans nodig is in de geldstromen naar de EDO en de geldstromen rechtstreeks naar de energiegemeenschappen. De huidige subsidieregeling Ruimte voor Duurzaam Initiatief is de default voor energiegemeenschappen die je met de EDO wilt verbeteren. In plaats van doorgaan met duizend bloemen laten bloeien, kiest de gemeente ervoor om te convergeren in de aanpakken die bewezen succesvol zijn. Daarvoor zet je een team gekwalificeerde professionals neer, en die laat je goed samenwerken met professionals die binnen de gemeente Amsterdam werkzaam zijn. Daarvan verwacht je dat het meer gerealiseerde projecten en een hogere kwaliteit oplevert.
De geldstromen van de gemeente naar de EDO kunnen twee vormen aannemen: 1. Een cash bijdrage om het team van de EDO en de huisvesting te bekostigen 2. Een in-kind bijdrage in de vorm van professionals die binnen de gemeente Amsterdam werkzaam zijn, en die meewerken aan projecten van energiegemeenschappen. Bij de in-kind bijdrage moet een oplossing worden gevonden voor de aansturing van die gemeenteambtenaren. Want het ligt voor de hand om die voor de planning van hun taken, en bewaking van het kwaliteitsniveau door de EDO aan te laten sturen en niet ook gedeeltelijk door hun lijnmanagers in de gemeentelijke organisatie. Er zijn voorbeelden van samenwerking op basis van een in-kind bijdrage. Een voorbeeld is het expat loket, waarin het voor de klant niet zichtbaar is door welke organisatie ze worden betaald.
5.4 Financiering van de EDO Een inschatting van de kosten van de EDO in dit stadium vraagt een veelheid aan aannames, die in het kader van dit onderzoek niet allemaal zijn getoetst. De belangrijkste onzekere
34 factor is de vraag naar ondersteuning van de EDO. Zoals eerder gemeld is die nog niet precies op manuren te schatten. De geldbedragen in deze paragraaf moeten dan ook als eerste inschatting worden gelezen. Daarnaast geven we ook een inschatting van de mogelijke dekking van de kosten, en daarbij baseren we ons op ervaringen van energie dienstenbedrijven elders in Nederland (hoofdstuk 4.7). Kostenposten De grootste kostenpost van de EDO zijn de personeelskosten. In het eerste jaar zijn die geschat op € 1,0 miljoen, voor het team bestaande uit functies die in hoofdstuk 5.1 zijn beschreven voor het ondersteuningsteam op warmte en voor het team op de overige taken die in hoofdstuk 3.3 zijn beschreven. De verhouding daarbij tussen inhoudelijke deskundigheid en overhead wordt nagestreefd is respectievelijk 80% en 20%. Met daarbij de opmerking dat de staffuncties die de EDO gaat inrichten ook voor andere energiegemeenschappen beschikbaar zijn om hen organisatorisch en financieel te versterken. Daarnaast zijn er twee relatief grote kostenposten: • Marketing en communicatie € 100.000 • Huisvesting, kantoorinrichting en kantoorautomatisering € 100.000 Totaal in jaar 1 is € 1,2 miljoen. In de jaren die volgen verwachten we een gestage groei van de vraag naar ondersteuning door de EDO.
Deels omdat er steeds nieuwe initiatieven bij zullen komen, terwijl de ondersteuning van initiatieven die zich in voorgaande jaren hebben gemeld zullen doorlopen. We verwachten dat de kosten zullen oplopen richting de € 3,6 miljoen in jaar 5. Dus 300% van de kosten in jaar 1. Dat is een groeicurve die we ook bij andere energiediensten organisaties hebben gezien. De mogelijke opbouw van totale kosten van de EDO gedurende vijf jaar: Jaar 1 € 1.2 miljoen
Jaar 2 € 1,6 miljoen
Jaar 3 € 2,0 miljoen
Jaar 4 € 2,8 miljoen
Jaar 5 € 3,6 miljoen
Een belangrijke aanname hierbij is dat de EDO in de initiatiefase deels gratis ondersteuning biedt. De positieve effecten daarvan zijn de volgende: • de initiatieven gaan zich op een later (meer natuurlijk) moment formaliseren in een rechtspersoon. Ze kunnen de energie die ze hebben bij de start dan meer richten op de inhoud en op mensen mobiliseren om mee te doen. Dat maakt ook de drempel voor bewoners om een initiatief te nemen lager. • de initiatieven krijgen meer sturing om een begaanbare weg in te slaan en dat betekent minder vrijheidsgraden om te experimenteren met gemeenschapsgeld. • de EDO kan een controleerbare kwaliteit leveren. Staatssteun Zoals eerder gemeld is er is een balans nodig tussen geldstromen naar de EDO en geldstromen naar de energiegemeenschappen. Want zij moeten wel zelf over middelen
35 kunnen beschikken om een volwaardige en volwassen rol te kunnen spelen. Dat betekent dus ook dat de subsidieregeling Ruimte voor Duurzaam Initiatief niet verdwijnt maar wel op een wat later punt in de ontwikkeling van een initiatief beschikbaar wordt gesteld. Als je een deel van de subsidie aan initiatieven door de EDO wilt laten lopen, kom je in het vraagstuk van geoorloofde of ongeoorloofde staatssteun. Energie Samen Rivierenland en AGEM hebben dat opgelost door voor een deel van hun activiteiten (Energie loket en initiatiefase aardgasvrij) in een DAEB te brengen (Dienst Algemeen Economisch Belang). Deze activiteiten hebben continuïteit en kwaliteit nodig maar hebben geen koopkrachtige vraag. Dit kan ook voor de EDO Amsterdam een begaanbare route zijn. Kostendekking Een eerste vingeroefening ten aanzien van de kostendekking van bovengenoemde kosten, baseren we op de ervaringen van de bovengenoemde energiediensten organisaties (hoofdstuk 4.7). Voor de financiering van de EDO bestaan vier mogelijke bronnen: • Rechtstreekse subsidie en opdrachten van gemeente Amsterdam, omliggende gemeenten en provincie aan de EDO. • Betaling door initiatieven in de ontwikkelfase van een warmteproject op basis van een ontwikkellening bij het Ontwikkelfonds Warmte (zoals MeerEnergie).
En mogelijk op andere thema’s betaling van energiegemeenschappen op basis van subsidies of ontwikkelleningen die zij zelf hebben ontvangen. • Overheadbijdrage op variabele uren. • Rijkssubsidie / Europese innovatiesubsidie Inschatting is dat de kosten, € 1,2 miljoen, in het eerste jaar voor ruim 80% gedekt zullen moeten worden uit directe gemeentelijke subsidies en opdrachten. Dit bedrag zal in jaar 2 tot 5 oplopen tot € 1,3 miljoen. Daarbij zal het relatieve aandeel van de directe subsidie van de gemeente Amsterdam in de totale inkomsten van de EDO dan wel sterk dalen, naar minder dan 40%. Een jaarlijks groeiend deel van de financiering zal moeten komen van gevorderde initiatieven met een eigen ontwikkelbudget. Bronnen Directe subsidie en opdrachten Betaalde uren initiatieven Rijk en Europa
Jaar 1 € 1,0 milj
Jaar 2 € 1,1 milj
Jaar 3 € 1,2 milj
Jaar 4 € 1,2 milj
Jaar 5 € 1,3 milj
€ 200K
€ 400K
€ 600K
€ 1,0 milj
€ 1,5 milj
€0
€ 100K
€ 200K
€ 600K
€ 800K
€ 1,6 milj
€ 2,0 milj
€ 2,8 milj
€ 3,6 milj
Totale inkomsten € 1,2 milj
36
6. Synthese en aanbevelingen 6.1 Wat is de toegevoegde waarde van een EDO? Uit alle gesprekken blijkt dat de toegevoegde waarde van een EDO in Amsterdam wordt onderkend. Om te beginnen door de warmte-initiatieven, maar ook door initiatieven op het gebied van opwekking van zon- en windenergie, energiebesparing en systeemintegratie. De behoefte aan ondersteuning is niet op al deze thema’s gelijk. Op zon, wind en besparing bestaan al vele diensten en hier dient de EDO een aanvulling op te zijn. Je kunt stellen dat naarmate er al meer praktijkervaring met een thema is opgedaan de behoefte aan ondersteuning specifieker wordt. In het bijzonder op het thema zon wordt een EDO als mogelijke bedreiging gezien door organisaties die zelf dienstverlenend zijn naar energiegemeenschappen. De warmte-initiatieven hebben de meest urgente behoefte aan ondersteuning. De koplopers op het gebied van warmte kunnen die ondersteuning niet (voldoende) bieden omdat die druk zijn met hun eigen warmteproject. In de doelen en taken van de EDO komt tot uitdrukking dat de EDO zich primair richt op professionele ondersteuning van energiegemeenschappen maar daarnaast ook een rol speelt in de bevrediging van behoeften op het gebied van positionering, toegang tot kennis en toegang tot geld. In het EDO pilotproject wordt in de praktijk geleerd hoe de EDO de professionele ondersteuning kan vormgeven.
Ook ambtenaren van de gemeente Amsterdam onderkennen de toegevoegde waarde van een EDO. Zij verwachten dat de EDO een goede bijdrage levert aan: • • • •
Het versterken van de kracht van onderop, Grotere acceptatie van Amsterdammers voor de energietransitie, Vermindering van de kosten voor de gemeente Amsterdam, door meer inzet van bewoners zelf, betere samenwerking met gemeentelijke afdelingen, standaardisatie van processen, en Het opbouwen en vasthouden van kennis binnen een sterke Amsterdamse organisatie.
Ook deze verwachtingen komen terug in de doelen, de BHAG en taken van de EDO. Het bestaansrecht van een EDO in Amsterdam zal afhangen van de mate waarin het voorziet in behoeften van energiegemeenschappen en verwachtingen van de gemeente Amsterdam en andere financiers vervult. Ervaringen met succesvolle energiediensten organisaties elders in het land laten zien dat zij bestaansrecht hebben omdat zij in staat zijn geweest om uitvoeringskracht te organiseren, relevante kennis op te bouwen, professionele mensen hebben kunnen aantrekken en vasthouden, en een sterkere partner zijn voor gemeenten en andere partijen in de energietransitie. Dat moet in een grote stad als Amsterdam ook kunnen.
37 Op basis van de ontwerpsessies en gesprekken die tot nu toe zijn gevoerd schatten wij in dat de EDO in het Amsterdamse landschap van energiegemeenschappen zijn plek zal kunnen vinden. In de startfase van de EDO is focus op warmte belangrijk en kan een voorzichtige strategie worden gevolgd om de scope te verbreden. De behoefte van energiegemeenschappen op andere thema’s is nog niet altijd duidelijk gearticuleerd. Door te starten met ondersteuning in versterking van de organisatie van de energiegemeenschappen kan daar al wel een professionele relatie mee worden opgebouwd.
6.2 Wie bestuurt de EDO? Er zijn vier scenario’s gepresenteerd in hoofdstuk 4. Het scenario 2 is afgevallen: EDO is een afdeling van de gemeente. We lichten toe waarom dat scenario in de Amsterdamse context niet de voorkeur verdient. Daarna lichten we toe wat de aandachtspunten zijn bij de drie overgebleven scenario’s. Scenario 2: EDO is een afdeling van gemeente Dit scenario krijgt geen steun van de energiegemeenschappen en de APEC, want zij willen zeggenschap over de EDO. Ze willen een slagvaardige efficiënte en effectieve uitvoeringsorganisatie die dichtbij de energiegemeenschappen staat, en in hun behoefte aan ondersteuning voorziet. Dit scenario valt niet te rijmen met het collegebesluit om energiegemeenschappen een volwassen en volwaardige positie in de energietransitie te bieden. Het is bekend dat de top-down benadering van de systeemwereld van de gemeente niet goed aansluit bij de leefwereld en behoeften van de energiegemeenschappen. In dit scenario kan de EDO die spanning tussen beide werelden niet goed overbruggen, en is niet voldoende klantgericht. Vanuit de gemeentelijke organisatie zelf wordt aangevoerd dat deze afdeling moeilijk ondersteuning kan bieden die tegen de beleidslijnen en strategie van de gemeente ingaat.
Juristen vonden een groot nadeel van dit scenario dat de gemeente meerdere petten op krijgt, zodra de Wcw in werking treedt: zowel uitvoerend als toezichthoudend. Die meerdere petten zijn er ook als de gemeente Amsterdam besluit om deel te nemen in een gemeentelijk warmtebedrijf. De drie overgebleven scenario’s zijn scenario 1: EDO is van de initiatieven, scenario 3: EDO is een samenwerkingsverband van de initiatieven en de gemeente, en scenario 4: EDO is zelfstandig. Deze scenario’s genieten aantrekkingskracht bij zowel vertegenwoordigers van energiegemeenschappen als van de gemeente. Maar ook klinken kritische noten op deze scenario’s. Scenario 1: EDO is van de initiatieven Vanuit de energiegemeenschappen en de APEC heeft deze variant de voorkeur. Daarbij is de EDO een afdeling of een uitvoeringsorganisatie (met een eigen rechtspersoon) van de koepel van energiegemeenschappen. De les van de recente organisatieverandering van Energie Samen is dat rechtstreekse zeggenschap van de leden prima werkt, want je bent er om waarde toe te voegen voor de leden. Dus een extra rechtspersoon onder de koepel
38 maakt de afstand tot de leden groter. De EDO kan ook met directe zeggenschap voldoende slagvaardig inspelen op behoeften van de energiegemeenschappen. Voor de gemeente kan dit scenario ook werken. Ze kunnen nog steeds veel invloed uitoefenen door te sturen met geld. Die ervaring is er ook met stichting !Woon die ook een zelfstandige positie heeft ten opzichte van de gemeente. Voor de gemeente maakt het de besluitvorming over de EDO ook eenvoudiger. Want het kan het politiek en bestuurlijke heikele vraagstuk van deelneming in de EDO dan loslaten. De besluitvorming over de EDO betekent dan een commitment voor lange termijn financiering van de EDO en het opbouwen van een goede samenwerking daarmee. Die goede samenwerking van de EDO met gemeentelijke organisaties kan worden ingeregeld in afspraken over het jaarprogramma, in begrotingsposten die daaraan zijn verbonden en met regelmatige evaluatiemomenten. De komst van de EDO betekent verandering voor de gemeentelijke organisatie en voor de geldstromen vanuit de gemeente naar energiegemeenschappen. Die veranderingen wil je niet over een paar jaar weer terugdraaien. Het commitment van de gemeente is voor een langere periode, dus dat moet bestuurlijk voldoende zijn geborgd. Scenario 3: EDO is een samenwerkingsverband van de initiatieven en de gemeente Vanuit de energiegemeenschappen zijn er geluiden voor en tegen dit scenario.
Het is een samenwerkingsverband met de gemeente en dat geeft en aantal energiegemeenschappen comfort, dat er voldoende bestuurlijk commitment blijft voor hun positie in de energietransitie. Op het thema wind wordt al jaren op basis van gelijkwaardigheid goed met de gemeente samengewerkt, en daar lijkt dit ook een passend scenario. Het tegengeluid is principieel en stelt dat de gemeente in haar publieke rol en bij haar publieke taken moet blijven en die niet veel moet vermengen met civiele taken. Energiegemeenschappen en de APEC vrezen dat de slagvaardigheid van de EDO vermindert als de gemeente er ook een bestuurlijke rol in speelt. De beleidsmatige kaders van de gemeente en de bureaucratie zouden de besluitvorming binnen de EDO kunnen vertragen. Een uitvoeringsorganisatie die erop is gericht om de vaart er bij de energiegemeenschappen in houden, dient voldoende wendbaar te zijn. Het gevoel van gelijkwaardigheid en serieus genomen worden als partner is groter als de EDO bestuurd wordt door vertegenwoordigers van energiegemeenschappen. De gemeente heeft voldoende mogelijkheden om via subsidies en beleidskaders en ambtelijke in-kind inzet (met kennis en ervaring) te sturen. Extra sturing in het bestuur van de EDO is niet nodig.
De beleidsmatige spanning die er is tussen de verkokerde gemeentelijke organisatie versus integraliteit van de realiteit waarin bewoners zitten, heeft een functie. Die spanning kan worden teniet wordt gedaan als de logica van de gemeentelijke kokers te dominant wordt. Vanuit de gemeente klinken er ook een aantal positieve en negatieve geluiden. Positief kan zijn dat op basis van gelijkwaardigheid samen vormgegeven kan worden aan de ondersteuning van energiegemeenschappen. Negatieve geluiden komen onder andere van deelneming juristen van de gemeente Amsterdam (hoofdstuk 4.6). Het beleidskader verbonden partijen en de uitbreiding van de gemeentelijke verantwoordelijkheden in de warmtetransitie maken dit scenario zeer onwenselijk. Een ander negatief geluid komt voort uit ervaringen met ouder kind centra in de jeugdzorg, dat aanvankelijk tegen de adviezen in als joint venture was opgezet maar uiteindelijk toch is verzelfstandigd. De EDO begint in de gemeente Amsterdam maar kan zijn werkgebied uitbreiden naar omringende gemeenten van de MRA-regio. Voor wind speelt dat al, en voor warmte en energiebesparing is het ook
39 logisch als er eenmaal een stevige ondersteuningsorganisatie staat. Als de gemeente deelneemt in de EDO moet je later ook andere gemeenten in de governance structuur gaan toelaten. Bij de AGEM hebben ze al afscheid genomen van dit scenario, omdat het niet goed werkte. Scenario 4: EDO is zelfstandig Dit scenario krijgt geen steun van de energiegemeenschappen en de APEC, want zij willen zeggenschap over de EDO. In de variant dat ze wel een bestuurder kunnen benoemen, hebben ze die zeggenschap wel, maar dan indirect. Dit scenario werd door energiegemeenschappen ontvangen als een nieuwe commerciële onderneming. Een adviesbureau gericht op Amsterdam, dat de doelen en taken die er voor de EDO zijn geformuleerd zelfstandig op eigen wijze zou oppakken. De directie van de EDO bepaalt dan zelf wat er moet gebeuren. Heel slagvaardig maar afstandelijk, niet samen. Er werd spanning gevoeld met het delen van kennis en het sterker maken van de energiegemeenschappen. De feedback op de ondersteuning werkt dan zoals het nu ook met adviesbureaus werkt, als het aanbod of product er al ligt. De onderlinge verhouding in dit besturingsmodel is een klassieke opdrachtgever-opdrachtnemer relatie. De reacties uit de gemeentelijke organisatie waren aanvankelijk lauw maar die werden later positiever.
Want de gemeente werkt in de woningverduurzaming goed samen met stichting !Woon die een zelfstandige positie heeft (de gemeente heeft geen bestuurder in !Woon) maar voor een belangrijk deel van financiering van de gemeente afhankelijk is. In de variant dat de gemeente een bestuurder mag benoemen in de EDO, kan de gemeente via de aangewezen bestuurder toch meebesturen. De mate van zelfstandigheid van de EDO ten opzichte van de energiegemeenschappen en de gemeente, is afhankelijk van het bestuursmandaat (smal of ruim) dat de aangewezen bestuurders krijgen. Om een aantal nadelen die bij scenario 3 zijn genoemd, te voorkomen dient dat bestuursmandaat voldoende ruim geformuleerd te worden.
6.3 Wie organiseert de EDO? Van de directie van de EDO wordt gevraagd om een professionele en klantgericht opererende organisatie op te bouwen die tijdig de juiste kennis en expertise kan bieden. De in hoofdstuk 4.7 genoemde energiediensten organisaties hebben hier allemaal meer of minder mee geworsteld. Een schaal ontwikkelen waardoor een dienstenorganisatie een aantrekkelijke, collegiale werkgever wordt, uiteraard met passende arbeidsvoorwaarden of zzp-tarieven is in deze tijd van krapte op de arbeidsmarkt geen sinecure. In Amsterdam loopt gelukkig wel veel talent rond dat, mits een aantrekkelijk toekomstperspectief geboden kan worden, een plek in de EDO kan krijgen. De financieringsvraag. Wie betaalt de EDO? In hoofdstuk 5 is op basis van een aantal aannames een eerste inschatting gemaakt van de kostenontwikkeling van de EDO in de eerste 5 jaar. Die loopt op van € 1,2 miljoen in 2026 naar € 3,6 miljoen Euro in 2030. De inschatting is dat de bekostiging daarvan in het eerste jaar voor 80% afhankelijk is van een directe bijdrage van de gemeente Amsterdam, aflopend naar 36% vijf jaar later.
40
6.4 Randvoorwaarden voor succes Er zijn uit het participatieproces (hoofdstuk 2) een aantal randvoorwaarden voor succes gedestilleerd die van invloed zijn op het succes of mislukking van de EDO. Die randvoorwaarden dragen bij aan de BHAG die voor de EDO is geformuleerd. Big Hairy Audacious Goal (BHAG): De EDO is een ondersteuningsorganisatie voor energiegemeenschappen dat de ontwikkeling van bewonerskracht en organisatievermogen versterkt en daarnaast de samenwerking met de gemeenten en andere betrokken (markt-)partijen stroomlijnt en verstevigt, zodat de energietransitie in de gemeente Amsterdam en de Metropoolregio versnelt, en efficiënter, inclusiever en rechtvaardiger verloopt. 1. Vraaggestuurde ondersteuning Met vraaggestuurde ondersteuning heeft de EDO voldoende werk als het beter presteert (prijs/kwaliteit) dan concurrenten. In de opstartfase schuurt dat met kennisopbouw in de EDO, standaardisatie, afstemming met gemeentelijke afdelingen etc. Die spanning kan worden overbrugd door initiatieven in de initiatiefase te ondersteunen met middelen van de EDO. En daarna keuzevrijheid te bieden door de initiatieven rechtstreeks te financieren. Het natuurlijke moment daarvoor is als de energiegemeenschap kennis, ervaring en de organisatiestructuur heeft om een goede opdrachtgever te zijn. Bijvoorbeeld bij formalisering in een rechtspersoon. 2.
Autonomie van energiegemeenschappen Energiegemeenschap hechten aan autonomie. Dat is niet synoniem met eigenwijsheid, maar met de regie op het proces, zodat zij zich eigenaar van hun eigen project blijven voelen. De ondersteuning neemt de verantwoordelijkheid voor het project niet weg bij de energiegemeenschap maar bekrachtigt die juist. 3. Kennisdeling In vergelijking met gewone commerciële adviesbureaus dient de EDO zich te onderscheiden doordat het vrijgevig is met het delen van kennis, zodat de energiegemeenschap die het ondersteunt wijzer en slimmer wordt. Dat betekent dat de EDO ook praktische kennis en ervaring deelt. 4. Contact met gemeentelijke afdelingen Voor een goede samenwerking van de EDO met gemeentelijke afdelingen is het van belang dat er richting bewoners een samenhangend verhaal wordt gepresenteerd, over wiens belang door de EDO wordt gediend. Want er kunnen belangentegenstellingen bestaan tussen de initiatiefnemers van een energiegemeenschap en de betrokken leden, buurtbewoners, de gemeente en andere betrokken partijen. Duidelijkheid in de opstartfase van de EDO hierover geeft focus aan de dienstverlening.
41 5. Vasthouden aan kwaliteitstandaarden De EDO moet onafhankelijk en integraal advies kunnen geven en ook ‘nee’ zeggen als het initiatief niet kansrijk wordt geacht. Bijvoorbeeld omdat er in de buurt andere thema’s spelen die een grotere prioriteit hebben, en het initiatief niet in het belang van de buurtbewoners wordt geacht. Of omdat belangrijke partijen die nodig zijn om het te laten slagen niet mee willen doen. 6. Aansluiten bij wat er al is De EDO kan een plek krijgen in het bestaande landschap van organisaties en diensten als het zorgvuldig omgaat met wat er al is en daarbij aansluit met aanvullende diensten. Zie ook de spanningen die in hoofdstuk 3.5 zijn geformuleerd over de inbedding van de EDO. 7. Versnellen door standaardisatie Het gewenste effect van de EDO in het versnellen van de energietransitie en de verbetering van de efficiëntie hang af van het succes van het verlagen van drempels voor energiegemeenschappen, in de toegang tot kennis over begaanbare wegen, toegang tot geld en kwalitatief goede professionele ondersteuning. In het verlagen van die drempels speelt processtandaardisatie een belangrijke rol.
42
Bijlage 1. Opdrachtgevers Amsterdam Naam Eline Hoogendijk Ruben Voerman Wendy Springer Nynke Visser
Functie Projectmanager Duurzaamheid, Team Energietransitie Programmamanager Energietransitie Beleidsadviseur Energiecoöperaties Projectassistente Team Energietransitie
2. Deelnemers gemeente Amsterdam Naam
Functie
Harry de Brauw Paul Wallerbos Geerten Kruis
Adviseur duurzame energie, Waternet Duurzaamheidscoördinator Beleidsadviseur Energiearmoede Gebiedsregisseur
Maarten Verhoeven Saskia van Kesteren Nathalie van Loon Martin Jas Jeroen van Dijk Jan Bakker Steven Roerink Dick Spruitenburg Mickey van der Stap Edgar Zonneveldt Eeg Rot Christel van de Craats Heleen Noijons
11-11- 5-122024 2024 x x x
27-12025
3-32025
x
x
x
x
Controller Duurzaamheid
x
Projectleider Innovatieteam
x
Duurzaamheidscoördinator stadsdeel ZO V&OR Jurist team Energietransitie Adviseur Energietransitie Gebiedsregisseur
x
Participatieadviseur
x
x
Gebiedsregisseur
x
x
Adviseur Energietransitie Wind Gebiedsregisseur, Rechtvaardigheid Beleidsadviseur Deelnemingen
x
x x x x
x x
x
x
43 Silvia Kerste Patrick Dippel Emilie Bevers Julius van Manen Maarten Claasen Lennart Zwols Max Hormeijer Jeroen van Dijk Fokke Veldstra Sander Willemsen Sander Fanse
Senior projectleider Wonen, woningkwaliteit en duurzaamheid Inkoopadviseur inkoop stelsel + programma community wealth building Duurzaamheidscoördinator Nieuw West Omgevingsmanager Wind Procesregie slim gebiedsgericht uitvoeren. Cluster sociaal duurzaamheid coördinator Duurzaamheidscoördinator Nieuw West, Kernteam SLIM Beleidsadviseur WIOR Juridisch Adviseur ET Gebiedsregisseur
Programma adviseur Energie van de Stad Rutger Tiggeler Programmamanager Stedelijke Programmering Bram van Beek Coördinator BBA Team Energietransitie Jacco Zwemer Programmamanager EvdS team WBB Menno Roest Programmamanager ET Frans Hessels Programmamanager masterplan gebieden Joyce Projectleider EDO pilot en Wildschut verordening lokaal eigendom Renée Krugers Teamleider Energie voor de Dagneaux Stad Nanne Koot Afdeling Wonen,Teamleider woningkwaliteit en duurzaamheid Rozemarijn Teamleider Team ET Doornewaard Wim Gideonse Hoofd Programma's Energie voor de Stad Willem van Opdrachtgeverschap Verkeer Heijningen en Openbare Ruimte Doede Bardok Programmamanager Zonneenergie
x
x x x x x x x x x x x x x x x x
x x x
x
x
x
x x x x
44 Marc van Gemert Maaike Vallenduuk Bart Vertelman
Programmadirecteur Duurzame Toekomst Stad & Organisatie Teamcoördinator participatie, omgeving- en stakeholdermanagement en communicatie Programmamanager Wind
x x
x
x
x
2. Deelnemers Energiecoöperaties Naam
Coöperatie
Ardine Nicolai David Zuilhof Jan Heeren Lennert Dorman Eilard Jacobs Danilo Joanovic Ron van der Linden Hans Roeland Poolman Marian Prins
Meerenergie Duurzaam Slotervaart Duurzaam Slotervaart Warme Reus Warme Reus Borgerwarmte Oostoever Duurzaam Westerlicht
Paul van Dijk Aman Walia Kamiel Werk Theo Konijn Annette Schermer Aukje Bezeij Martijn Pater Lieke Sneiderberg Hugo Niesing Joris van Vuure Silvia Breukers Rene Goossens Jack van de Nes Jannekee Jansen op de Haar Carmen Luke Pauline Westendorp
Oostelijk Havengebied (OHG) Oostelijk Havengebied (OHG) Groene Hub Van der Pekbuurt Ketelhuis WG Ketelhuis WG Zuiderlicht NDSM Energie, APEC (Wind) Coopcentraal Coöperatie Sporenburg Ecostroom Zon op Kattenburg Park Haagseweg Slotania, APEC Jungle Amsterdam, Fixbrigade Fixbrigade NL Oranje Energie
26-92024 x x x x x x x x
14-112024
22-12025
5-32025
x
x x
x
x x x
x
x
x
x
x x x
x x x x x x
x x x x x x x x
x x x x
x
x x
x
45 Wilma van Stek Cor van Haagen Liet Heringa Rens Bouma Philip van der Wees
Liefdevol Duurzaam EC-HO Nieuw en Meer Nieuw en Meer Schoonschip
x x x x x
3. Deelnemers individuele gesprekken Naam
Organisatie
Functie
Pauline Westendorp Marc van Gemert
Oranje Energie
Bestuurder
7-10-2024
Duurzame Toekomst Stad en Organisatie EC Zuiderlicht Gemeente, Energie Transitie Gemeente, Energie Transitie Gemeente, Energie Transitie Gemeente, Energie Transitie Gemeente, Energie van de Stad Gemeente, Energie van de Stad Gemeente, Energie van de Stad Groene Hub Gemeente, Wonen
Programmadirecteur Duurzame Toekomst Stad & Organisatie Bestuurder Gebiedsregisseur
9-10-2024 30-10-2024 6-11-2024
Gebiedsregisseur
6-11-2024
Gebiedsregisseur
6-11-2024
Gebiedsregisseur
6-11-2024
Jurist
24-1-2025
Senior jurist
24-1-2025
Juridisch Adviseur ET
24-1-2025
Bestuurder Teamleider woningkwaliteit en duurzaamheid Bestuurder x x
11-2-2025 26-2-2025
Aukje van Bezeij Edgar Zonneveldt Sander Willemsen Dick Spruitenburg Maarten Verhoeven Jan Bakker Bas Husken Fokke Veldstra Siward Zomer Nanne Koot Joris van Vuure Saskia Müller Theo Konijn
Ecostroom APEC APEC
Datum
7-3-2025 12-3-2025 12-3-2025
46
4. Ontvangen losse feedback Naam
Organisatie
Functie
Bram van Beek Edgar Zonneveldt
Coördinator BBA Team Energietransitie Gebiedsregisseur
Silvia Kerste Nanne Koot
Gemeente Gemeente, Energie Transitie Gemeente, Energie Transitie Gemeente, Energie Transitie Gemeente, Energie van de Stad Gemeente Gemeente, Wonen
Rutger Tiggeler
Stadregie
Marc van Gemert
Gemeente
Aukje van Bezeij
Zuiderlicht
Sander Willemsen Maarten Verhoeven Jan Bakker
Gebiedsregisseur Gebiedsregisseur Jurist Senior Projectleider Duurzaam Wonen Teamleider woningkwaliteit en duurzaamheid Programmamanager Stedelijke Programmering Programmadirecteur Duurzame Toekomst Stad & Organisatie Bestuurder