CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Programma windenergie amsterdam 12_VRM23_357.pdf

Raadscommissie Duurzaamheid en Circulaire economie 13 juni 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief over de terinzagelegging ontwerp-Programma Windenergie Amsterdam 2030 en plan-MER (VN2024-005866)28.970 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Aan het einde van de levensduur van een windturbine start de ontmantelingsfase en zorgt de initiatiefnemer voor de afbraak en verwijdering van de windturbine. Het perceel wordt teruggebracht naar de originele staat, tenzij er iets anders is afgesproken. De omgeving wordt geïnformeerd over de ontmanteling en de werkzaamheden. Indien mogelijk worden materialen hergebruikt conform de dan geldende wet- en regel­ geving (zie tekstkader ‘Hoe wordt circulariteit van windturbines betrokken bij windprojecten?’). Ook worden oude windturbines soms opgeknapt en door­ verkocht naar landen waar deze windturbines her­ gebruikt kunnen worden.

3.4 Wat doet de gemeente Amsterdam? In de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 worden verschillende rollen van de gemeente in de energietransitie beschreven. Deze rollen zijn ook van toepassing op windprojecten. We onderscheiden vier rollen: de presterende, samenwerkende, regulerende, en ondersteunende gemeente. De rol die de gemeente vervult in een windproject en daarmee de invloed die

48

we kunnen uitoefenen, hangt met name af van wie de eigenaar is van de grond en wie bevoegd is om de vergunning te verstrekken. Zie ook tekstkader ‘Hoe kan de gemeente invloed uitoefenen?’. Ongeacht grondpositie of bevoegd gezag zal de gemeente zich altijd inzetten voor zorgvuldigheid bij een windproject binnen haar gemeentegrenzen. Dit betekent dat de gemeente er vanuit haar regulerende rol voor waakt dat er in alle fasen van een windproject rekening wordt gehouden met de belangen van de omgeving, met natuur en milieu en dat hinder en overlast zoveel mogelijk wordt voorkomen. De kaders waar­ binnen de gemeente medewerking zal verlenen aan een windproject staan beschreven in dit PWA en bestaan uit de aangewezen gebieden uit hoofdstuk twee en de richtlijnen voor de fysieke leefomgeving, natuur, landschap, (financiële) participatie en communicatie in hoofdstuk vier. De gemeente zal bij de beoordeling van initiatieven toetsen of aan deze kaders wordt tegemoetgekomen. In de rol van samenwerkende gemeente stimuleren we bij alle windprojecten de samenwerking tussen initiatiefnemer, grondeigenaar, gemeente en omgeving. We gaan door met onze samenwerking met de haven (Port of Amsterdam) om windprojecten te realiseren binnen de mogelijkheden van, en in afstemming met, andere ambities om de haven te verduurzamen.

We zoeken onze buurgemeenten op, zeker als er kansen liggen voor een gezamenlijk windturbinepark. Als presterende overheid zetten we onze (wettelijke) invloed in om het gestelde doel van 127MW aan opgesteld windvermogen in 2030 te behalen. Als we zelf grondeigenaar zijn schrijven we een tender uit om binnen een aangewezen gebied grondeigenaren of andere partijen uit te nodigen om met een goed plan te komen. We starten zo nodig zelf de onderzoeken naar de milieueffecten en de haalbaarheid van windturbines. We signaleren de kansen die er zijn om een windproject te koppelen aan andere (gemeentelijke) opgaven op het gebied van de energietransitie, natuurontwikkeling, recreatie of andere ambities. In alle gevallen ondersteunen we initiatieven voor windprojecten binnen de aangewezen gebieden. En we helpen geïnteresseerde coöperaties om de stap te maken naar een windproject. Tot slot kunnen we hier een vijfde rol aan toevoegen: die van de regisserende gemeente. In die rol voeren

Programma Windenergie Amsterdam 2030

we regie op de samenhang tussen verschillende wind­ projecten en zorgen we dat er informatie en kennis uitgewisseld wordt. We zorgen dat er actuele informatie beschikbaar is (op website en huis-aan-huis bladen)

over de voortgang en de mijlpalen van windprojecten. En we bevorderen dat partijen in gesprek blijven in alle fasen van een windproject.

Hoe kan de gemeente invloed uitoefenen? Om de in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 vastgestelde ambitie van 127MW aan opgesteld windturbine vermogen te realiseren kan de gemeente op verschillende manieren invloed uitoefenen. Hoe dat kan hangt in belangrijke mate af van de grond­ eigendomssituatie en wie het bevoegd gezag is. Als de grond in eigendom is van de gemeente Amsterdam kan de gemeente een ontwikkeling het beste sturen. In dat geval zal de gemeente, vanuit haar rol als gebiedsontwikkelaar, een perceel grond voor het beoogde doel in bijvoorbeeld erfpacht op opstalrecht uitgeven. We zullen daarbij voorwaarden stellen aan de realisatie van een windturbine op gemeentelijke grond. De gemeente zal (in overleg met de eventuele erfpachter) een tender uitschrijven waarin duidelijk wordt gemaakt welke criteria worden gehanteerd bij de selectie van een geschikte partij voor het ontwikkelen van het windproject. Via de tender zullen we als gemeente expliciet sturen op ‘kwaliteit’ voor zover de wet- en regelgeving daar ruimte voor laat. Denk bijvoorbeeld aan wensen rond circulariteit, faciliteren toekomstige ontwikkelingen en financiële deelname.

We kunnen in onze rol als gebiedsontwikkelaar zelf een actieve rol vervullen door alvast de benodigde onderzoeken te starten, de ruimtelijke-landschappelijke context te verkennen en op zoek te gaan naar mogelijk geïnteresseerde energiecoöperaties.

Als de grond niet in eigendom is van de gemeente, maar bijvoorbeeld van een andere overheid of een private partij, kan de gemeente als onderdeel van actieve grondpolitiek proberen alsnog eigenaar te worden van deze grond door aankoop of ruilverkave­ ling om dit vervolgens in erfpacht/opstal uit te geven. Als de grond in eigendom is van een medeoverheid zullen we ons inzetten om gezamenlijk tot een tender te komen. In de haven is de grond in erfpacht uitge­ geven aan de Port of Amsterdam. Port of Amsterdam werkt zelf aan het realiseren van windturbines in overleg met lokale bedrijven. De haven kan verken­ nen of een bedrijf geïnteresseerd is en bereid om financiële participatie te faciliteren bij de ontwikke­ ling van energie­projecten in het havengebied. Bij het aangaan van nieuwe erfpacht­uitgifte of verlopen van de erfpacht­termijn kan de haven deze voorwaarden opnemen in een erfpacht­overeenkomst. Het bevoegd gezag bepaalt of een vergunning voor een windproject wordt verleend of niet. Vaak is de provincie het bevoegd gezag, soms is dat de gemeente (voor turbines met een vermogen minder dan 5 MW). Wanneer wij als gemeente bevoegd gezag zijn kunnen we via de omgevingsvergunning voorwaarden meegeven (tenzij de nieuwe landelijke windturbinenormen geen ruimte laten voor aanvullende voorwaarden).

Zo niet, dan zal de gemeente op basis van de uitgangspunten in dit PWA het bevoegd gezag adviseren over de vergunningaanvraag van een beoogd windproject.

Grondeigenaar

Geen grondeigenaar

Bevoegd gezag

Sturing op doelstelling in vergunning en via grondbeleid

Sturing via vergunning

Niet-bevoegd gezag

Sturing via grondbeleid

Sturing via advies aan bevoegd gezag en initiatiefnemer

Figuur 9: Tabel met sturingsmogelijkheden voor de gemeente Amsterdam

49

4 Waar moet een initiatief aan voldoen? Uit het plan-MER blijkt dat windturbines in de aangewezen gebieden op projectniveau mogelijk op volgens ons aanvaardbare wijze inpasbaar zijn. De gemeente vraagt in de verschillende fasen van een windinitiatief extra inspanning van de initiatiefnemer met betrekking tot de fysieke leefomgeving, ecologie, landschap, participatie en communicatie. Dit hoofdstuk beschrijft die gevraagde extra inspanningen.

Programma Windenergie Amsterdam 2030

In de volgende paragrafen wordt dieper ingegaan op de richtlijnen die de gemeente hanteert bij de beoordeling van een windproject. Het kan gaan om het opstellen van een plan, het (laten) uitvoeren van een onderzoek of een inspanningsverplichting waarmee de initiatiefnemer laat zien dat een zorgvuldig proces is doorlopen. Uiteraard moet dit hoofdstuk gelezen worden naast de eisen die gesteld worden in wet- en regelgeving. Voor alle initiatieven geldt bovendien dat de onderzoekslast groter is als een windproject niet past binnen het geldende bestemmingsplan/omgevingsplan. In de teksten in dit hoofdstuk wordt in donkerblauwe cursieve regels beschreven wat de gemeente concreet aan een initiatiefnemer vraagt. Daaronder volgt een toelichting. Hieronder in tabel 2 alvast een overzicht:

Let op: In dit hoofdstuk worden richtlijnen op hoofd­ lijnen beschreven, passend bij het detailniveau van een beleidsstuk van een omgevingsprogramma (zoals dit PWA). Voor vrijwel alle aspecten die in dit hoofdstuk voorbijkomen (fysieke leefomgeving, natuur, landschap, participatie en communicatie) geldt dat de concrete invulling van richtlijnen zeer afhankelijk is van de locatie. In de haven hebben onderstaande richtlijnen een wezenlijk andere betekenis dan in de gebieden in zuidoost. De invulling van onderstaande richtlijnen zijn dan ook maatwerk per gebied en afhankelijk van de context. Nadere invulling van deze algemene richtlijnen vindt plaats in het proces van een windproject.

Tabel 2: Overzicht van wat de gemeente concreet aan initiatiefnemers vraagt Overzicht van wat de gemeente concreet aan initiatiefnemers vraagt: 4.1 Fysieke leefomgeving De initiatiefnemer heeft in de verkennings- ontwerpfase onderzoek gedaan naar een optimale positionering/opstelling van de windturbine(s) om daarmee negatieve impact van geluid, slagschaduw, veiligheidsrisico’s en verlichting te voorkomen of tot een minimum te beperken. 4.2 Natuur en biodiversiteit De initiatiefnemer doet in de verkenningsfase een Quickscan naar de geldende beschermingsregimes en de aanwezige natuurwaarden en beschermde soorten in de omgeving van de beoogde locatie. Als voorwaarde voor een beoordeling van een initiatief voor plaatsing van één of meer windturbines geldt dat in de aanvraag alle consequenties voor natuurwetgeving en -beleid inzichtelijk moet zijn gemaakt. 4.3 Ruimtelijk-landschappelijk Het initiatief past binnen de geldende regels en kaders van rijk, provincie, gemeente en waterschappen ten aanzien van ruimtelijke inpassing. De initiatiefnemer neemt in een vroeg stadium (de verkenningsfase) contact op met de gemeente om over ruimtelijklandschappelijke voorwaarden en kansen te praten.

De initiatiefnemer onderzoekt en beschrijft in de ontwerpfase de randvoorwaarden en ambities ten aanzien van het landschap Een initiatief geeft tijdens de ontwerpfase in een landschapsplan inzicht in de te treffen ruimtelijk- landschappelijke maatregelen. 4.4 Proces participatie Het participatieproces voldoet aan de geldende beleidskaders en verordeningen ten aanzien van participatie. De initiatiefnemer stelt tijdens de verkenningsfase, in afstemming met de omgeving, een participatieplan op en legt dit voor aan het collegebevoegd gezag (de gemeente Amsterdam of sluit hierover een anterieure overeenkomst met de provincie. Noord-Holland). In de vergunningsfase en in het verdere verloop van een windproject legt de initiatiefnemer verantwoording af over het participatieproces. De gemeente/provincie zorgt voor formele inspraak. 4.5 Financiële participatie De initiatiefnemer stelt in de verkenningsfase een plan op voor financiële participatie waarin zij aangeeft op welke wijze er binnen het project invulling gegeven wordt aan financiële participatie, in lijn met de ambitie en doelen van de gemeente. Het plan wordt als bijlage toegevoegd aan het participatieplan dat de initiatiefnemer – tevens in de verkenningsfase – opstelt.

4.6 Communicatie Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat zij, in afstemming met gemeente en stadsdeel, in de ontwerpfase van het windproject een communicatieplan opstelt.

52

Programma Windenergie Amsterdam 2030

4.1 Wat zijn aandachtspunten ten aanzien van de fysieke leefomgeving? In deze paragraaf staat het beperken van eventueel negatieve impact van de plaatsing van windturbines op de fysieke leefomgeving centraal. We hebben het dan over de aspecten veiligheid, geluid, slagschaduw en licht. Bij de keuze voor de aangewezen gebieden voor windenergie heeft de impact op de fysieke leefomgeving een grote rol gespeeld. De gebieden waarvan wij denken dat het plaatsen van een wind­turbine een onaanvaardbaar negatieve impact heeft op veiligheid, geluid, slagschaduw en licht, zijn om die reden komen te vervallen (zie hoofdstuk twee). Met aanvullende mitigerende maatregelen is de impact van windturbines op de fysieke leefomgeving in de verschillende fasen van de ontwikkeling van een windinitiatief mogelijk verder te beperken. In het plan-MER worden een aantal mogelijke mitigerende maatregelen beschreven. In deze paragraaf gaan we hier nader op in. De initiatiefnemer heeft in de verkennings- en ontwerp­fase onderzoek gedaan naar een optimale positionering/opstelling van de windturbine(s) om daarmee negatieve impact van geluid, slagschaduw, veiligheids­risico’s en verlichting te voorkomen of tot een minimum te beperken.

In de projectfase moet daarbij voor gevoelige objecten, zijnde verzorgingshuizen en psychiatrische inrichtingen met woon- en slaapruimten, een inschatting worden meegenomen van het werkelijke aantal bewoners. Een initiatiefnemer dient in de verkennings- en ontwerp­ fase de gekozen positionering van de windturbine(s) te onderzoeken op de mogelijke negatieve effecten voor de fysieke leefomgeving. Als de aanvraag niet past binnen het geldende bestemmingsplan/omgevingsplan is dit onderzoek van extra belang. De geluidsbelasting voor de omwonenden en daarmee samenhangende geluidhinder is één van de door het bevoegde gezag af te wegen belangen. In sommige gevallen kan negatieve impact door geluid of slagschaduw worden voorkomen of verminderd door de positie van de windturbine te verschuiven binnen het betreffende zoekgebied.

Hinder door geluid Geluid aangewezen gebieden anders dan het Havengebied In de aangewezen zoekgebieden (buiten het haven­ gebied) kan volgens het plan-MER voldaan worden aan de standaardwaarde van 45 dB Lden op geluidgevoelige bestemmingen. Daarom is bij het verlenen van een vergunning geen lokaal maatwerk nodig om gebruik

te maken van de grenswaarden van 47 dB Lden en 41 dB Lnight. Zo lang de nieuwe landelijke normen nog niet in werking zijn, wordt in lijn met het advies van de expertgroep gezondheid gestreefd naar een grenswaarde van 45 dB Lden en een standaardwaarde van 42 dB Lden. Als de nieuwe landelijke normen hetzelfde zijn als het concept, beoordeelt het bevoegde gezag ook de toevoeging van geluid van de windturbines aan het al aanwezige geluid (cumulatie van geluid). En gaat na of het geluid past bij de aard van het gebied. Daarnaast voorziet de concept-landelijke norm in een strafkorting van 5dB als er tonaal geluid optreedt. Op dit moment lijken de concept-landelijke normen ons geen ruimte te bieden om aanvullende eisen aan initiatieven ten aanzien van laagfrequent frequent te kunnen stellen. Geluid Havengebied Voor windturbines in het aangewezen Havengebied blijkt uit het plan-MER dat zich een beperkt aantal geluid­gevoelige bestemmingen belast worden met meer dan 47 dB. Omdat het Havengebied onze voorkeur voor de opwek van windenergie heeft, gaan wij bij de inpas­ sing van turbines in dat gebied onderzoeken of lokaal maatwerk mogelijk is tot de grenswaarden in de dan geldende landelijke windturbinenormen. Boven de mo­ gelijke grenswaarden zal in ieder geval mitigatie moeten plaatsvinden om aan de normen te kunnen voldoen.

Mitigatie geluid Het verminderen van de geluidsbelasting kan op verschillende manieren. In de eerste plaats door de situering van de windturbine. In de tweede plaats door de keuze voor een stiller type windturbine Er kunnen flinke verschillen zitten (3-4 dB) in de geluidsproductie van windturbines met een vergelijkbaar vermogen. Door voor een stil type te kiezen is het mogelijk om de geluidsbelasting door een opstelling te verminderen. In hoeverre dit afdwingbaar is, is afhankelijk van het landelijk wettelijk geluidskader. In de derde plaats kunnen windturbines in een zoge­ naamde ‘noise modus’ draaien gedurende bepaalde tijden, zoals ‘s nachts. Noise modi zijn instellingen waarbij de windturbine minder geluid maakt (met een lagere opbrengst tot gevolg). Alle moderne typen windturbines zijn voorzien van dergelijke modi. Voordeel hiervan is dat er meer maatwerk mogelijk is door verschillende windturbines binnen een opstelling verschillend te behandelen.

53

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Landelijke windturbinenormen in ontwikkeling Op 12 oktober 2023 zijn de concept-regeling en plan-MER voor de nieuwe windturbinenormen gepubliceerd door het rijk. Deze normen gaan zowel gelden voor losstaande windturbines als voor windparken (drie of meer windturbines). Volgens planning treden de normen op 1 juli 2025 in werking. Mogelijk zal dus aan de nieuwe normen getoetst moeten worden bij nieuwe aanvragen voor windturbines in Amsterdam. Bij de aanwijzing van gebieden is daarom op voorhand gekeken of nieuwe turbines op vergunningenniveau aan de nieuwe landelijke normen zouden kunnen voldoen. Hieronder volgt een globaal overzicht van de conceptwindturbinenormen voor nieuwe windturbines.

• Van toepassing op objecten met een afstand van maximaal 12 x rotordiameter. • Automatische stilstandsvoorziening (tijd die nodig is om de stilstandvoorziening in te schakelen) telt niet mee in de norm. • Bevoegd gezag mag afwijken naar strenger, bijvoor­ beeld naar 0 uren.

Geluid • De toegestane geluidsbelasting wordt uitgedrukt in Lden en Lnight. Lden (Level day evening night) geeft de gemiddelde geluidsbelasting over alle etmalen van een jaar, met straffactoren voor geluid in de avond en de nacht. Lnight geeft de gemid­ delde geluidsbelasting over alle nachten van een jaar. • De standaardwaarde is 45 dB Lden en 39 dB Lnight op een geluidgevoelig gebouw. • Er is lokaal maatwerk mogelijk tot een grenswaarde van 47 dB Lden en 41 dB Lnight. • Er is afwegingsruimte voor een lagere waarde dan de standaardwaarde op grond van cumulatie van geluid of de aard van het gebied • Een extra toeslag van 5dB op Lden wanneer een windturbine teveel tonaal geluid produceert. Deze toeslag geldt voor het jaargemiddelde geluids­ niveau en niet alleen voor de tijd dat het tonaal geluid daadwerkelijk optreedt. • Er komt geen aanvullende norm voor laagfrequent geluid.

Obstakelverlichting en -markering • Kleur turbines, mast en wieken is wit. • Verlichting ‘s nachts (rood) en overdag (wit) met vaste, dimbare of flikkerende lampen. • Maatwerk mogelijk voor in- en uitschakelen op basis van naderingsdetectie luchtvaartuigen. • Verplicht bij turbine: – hoger dan 150 m tiphoogte – in hoogtebeperkingsgebied Schiphol – vanaf 100 m tiphoogte in laagvlieggebieden – vanaf 100 m tiphoogte binnen 120 meter afstand van aangewezen autosnelwegen of waterwegen

Slagschaduw • De norm is maximaal 6 uur per jaar én max 20 min per dag per slagschaduwgevoelig gebouw.

Tot slot vragen we initiatiefnemers te onderzoeken hoeveel volkstuinhuisjes binnen welke geluidscontour staan. Volkstuinen worden niet gezien als geluids­ gevoelig object. Maar de gemeente Amsterdam wil zoveel als mogelijk rekening houden met de aanwezig­ heid van volkstuinen bij het bepalen van de exacte

54

Externe veiligheid • De grenswaarde is PR 10 -6 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. • De standaardwaarde is ook PR 10 -6 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. • Lokaal gezag kan afwijken van de standaardwaarde.

Lichtschittering • Verplicht gebruik niet-reflecterende coating of verf, zodat lichtschittering voorkomen wordt. Afstandsnorm • Tenminste een afstand van 2x tiphoogte tot wind­ turbinegevoelige objecten (woonfunctie, zorg­functie met bedden, onderwijsfunctie, kinderopvang­functie met bedden) • Uitzondering alleen mogelijk voor zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen (ZEZAM) mits lokaal goed gemotiveerd.

positie van windturbines. Bij de uitwerking in een wijziging omgevingsplan en/of een vergunning is immers de kwaliteit van de fysieke leefomgeving het uitgangspunt en zullen de belangen van tuinders daarbij meegewogen moeten worden.

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Hinder door slagschaduw

Wat is tonaal/laagfrequent geluid?

Slagschaduw aangewezen gebieden anders dan het Havengebied In de aangewezen zoekgebieden geldt dat er volgens het plan-MER, ten opzichte van de meeste niet aan­ gewezen gebieden, in beperktere mate slag­schaduw­ hinder optreedt.

Bij het waarnemen van geluid spelen verschillende aspecten een rol. Allereerst is het geluidsniveau van belang. Hoe hard is het geluid dat we horen. Dit drukken we uit in decibel. De geluidmaten Lden en Lnight zeggen iets over het geluidsniveau in decibel. Daarnaast bestaat geluid uit verschillende tonen. Elke toon kun je zien als een trilling die zich met een bepaalde frequentie verplaatst door de lucht. De trillingen van hoge tonen hebben een hoge frequentie en lage tonen een lage frequentie. Het aantal trillingen per seconden noemen we Herz. De geluiden die we kunnen horen hebben frequenties tussen 20 en 20.000 Herz, het geluidspectrum. Een soort geluid bevat over het algemeen verschillende frequenties uit dit spectrum.

De landelijke concept-regelgeving verplicht om wind­ turbines uit te rusten met een stilstandvoorziening als meer dan zes uur per jaar met een maximum van twintig minuten per dag slagschaduw op specifieke objecten binnen een afstand van 12x de rotordiameter van de windturbine optreedt. Als er boven dat maximum slag­schaduw zou optreden (de schaduw zou op het betreffende object vallen en het waait en de zon schijnt), wordt de windturbine automatisch stilgezet. Het is een afweging op projectniveau, mede gelet op andere lokale omgevingsfactoren en te verwachten opbrengst, of een strengere norm dan de standaardnorm toegepast wordt. De landelijke concept-regelgeving biedt die ruimte aan het bevoegd gezag. Slagschaduw Havengebied Voor windturbines in het aangewezen deel van het Havengebied gaan wij geen strengere norm dan de dan geldende wettelijke standaardnorm voorschrijven omdat er een relatief beperkt aantal slagschaduwgevoelige objecten binnen de 20-minuten slagschaduw contour zijn (zie ook figuur 87 van de technische bijlage van het plan-MER (bijlage 1.4) in dit verband). Ook heeft het Havengebied onze voorkeur en willen wij niet op voorhand extra beperkingen opnemen. Stilstand vanwege de 20-minuten-contour zal naar verwachting op project­niveau niet of nauwelijks nodig zijn.

Lichthinder Windturbines boven bepaalde afmetingen zijn ver­ plicht verlichting te dragen, om zichtbaar te zijn voor vlieg­verkeer. Deze lichthinder kan storend zijn en geldt daarom ook als landschappelijk beoordelingscriterium in het plan-MER. Recent is er veel onderzoek gedaan naar mogelijkheden om de verlichting uit te schakelen, tenzij er een vliegtuig in de buurt is (‘naderingsdetectie’). Het signaleren van vliegverkeer kan met behulp van een kleine radarinstallatie die in de buurt van het windpark wordt geplaatst. Het kan ook met behulp van transpon­ derdetectie, waarbij het windpark gebruik maakt van de transponder die alle vliegverkeer verplicht aan boord

De frequenties tussen 20 en ongeveer 150 Herz zijn het laagfrequente deel geluid. Laagfrequente geluiden kunnen een grotere afstand afleggen voordat ze niet meer hoorbaar zijn. Een goed voor­ beeld van laagfrequent geluid is het brommen van een snelweg in de verte. Ook het geluid van wind­ turbines bestaat voor een deel uit laagfrequent geluid. Soms komen in het totale geluid dat we horen één of enkele tonen voor die luider zijn dan de rest van het geluid. Dat noemen we tonaal geluid. Denk aan het aanslaan van een toets op een piano, dan klinkt 1 toon. Als dit tonale geluid continu aanwezig is kan dat heel hinderlijk zijn voor omwonenden. Af en toe komt het voor dat een windturbine hinderlijk tonaal geluid maakt. Deze situatie willen we zeker voorkomen bij het plaatsen van windturbines in Amsterdam. Maar daar kon tot nu toe nog niet genoeg aan gedaan worden omdat er geen geluidnorm was voor tonaal geluid. In de nieuwe landelijke geluidnormen wordt wel rekening gehouden met tonaal geluid.

heeft. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat nade­ ringsdetectie niet mag worden toegepast in obstakel­ vrije gebieden rond een luchthaven. Het is niet mogelijk om toepassing van dergelijke maatregelen direct voor te schrijven in het beleid, aangezien een plan voor nade­ ringsdetectie altijd moet worden goedgekeurd door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Buiten naderingsdetectie is het mogelijk om, onder gunstige visuele omstandigheden, de verlichting te dimmen, om

55

Programma Windenergie Amsterdam 2030

de hinder als gevolg van de verlichting te mitigeren. In de nieuwe landelijke concept-normen is een deel van het huidige beleid van het ILT in de regelgeving opgeno­ men. De gemeente kan hier geen aanvullende of andere eisen stellen, anders dan maatwerk na toestemming van het ILT. Zie in dit verband ook het tekstkader in par. 4.1 over de landelijke windturbinenormen in ontwikkeling. De nieuwe lande­lijke normen laten enige mate van maat­ werk toe en aanzien van naderingsdetectie. Wij zijn voor­ nemens hiervan buiten het Havengebied zoveel mogelijk gebruik van te maken. Volgens het plan-MER zijn geen effecten van landschappelijke lichthinder te verwachten in het Havengebied.

Hinder voor verkeer Langs rijkswegen is sprake van een wettelijke ruimtelijke reservering die vrijgehouden moet worden voor even­ tuele weguitbreidingen. Bij rijkswegen en rijks­vaarwegen moet voor het plaatsen van windturbines ook rekening gehouden worden met het beleid van Rijkswaterstaat (RWS). Het gaat er daarbij om dat een onderbouwing bij de aanvraag vergunning/wijziging omgevingsplan gevoegd is die ingaat op afstandsregels en externe,- en verkeersveiligheid. Bij deze onderbouwing moet de be­ leidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in, of over, waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk (de Handreiking risicozonering wind­turbines (HRW2020) en de Beoordeling van objecten langs autowegen en auto­snelwegen en de Richtlijnen vaarwegen 2020) in acht worden genomen en in voorkomende gevallen voorzien te zijn van een wegbeeldanalyse. Mogelijk is dit aan de orde bij realisatie van windturbines in het aangewezen gebied Haven, Holendrecht en/of Diemerscheg. Als dit aan de orde is, dient afstemming met RWS -bij voorkeur voorafgaand aan de aanvraagplaats te vinden.

4.2 Wat zijn aandachtspunten ten aanzien van natuur en biodiversiteit? Het bevorderen van de biodiversiteit is een belangrijke opgave voor een duurzame stad. De gemeente Amsterdam zet daarom in op een natuur-inclusieve energietransitie. Dit betekent dat bij de planvorming voor windturbines optimaal rekening wordt gehouden met bestaande (beschermde) natuurwaarden, en het welzijn van in het wild levende dieren, maar ook dat wordt ingezet op het waar mogelijk versterken van

56

Geluidshinder in volkstuinparken Een volkstuincomplex hebben we in het planMER niet geteld als geluidsgevoelig object (zoals bijvoorbeeld een woning) maar als ‘overig’ object. Dit is omdat de tuinhuisjes geen woning zijn en er niet jaarrond gewoond mag worden. Het exacte aantal tuinhuisjes in beeld brengen is niet passend bij het abstractieniveau van een plan-MER. Wel zijn de effecten op recreatie (waaronder tuinparken) in het MER onderzocht. Zo zijn de geluidcontouren over de tuinparken weergegeven, de effecten op de tuinparken gevisualiseerd, en zijn de tuin­parken waar overnacht mag worden voor de bereke­ ning van externe veiligheid als kwetsbaar object aangemerkt. Op projectniveau willen we wel dat wordt onderzocht hoeveel individuele volkstuinpark­ huisjes binnen welke geluidscontour vallen en wegen we dit mee bij de exacte positionering van een turbine en mogelijke andere te treffen miti­ gerende maatregelen. Het plan-MER (figuur 77 van de technische bijlage 1.4) laat zien dat de meest zuidelijke positie van een windturbine in zoek­ gebied Diemerscheg een hoog geluidsniveau zou veroorzaken op het meest noordelijke deel van het tuinpark daar. Uit het plan-MER blijkt overigens ook dat deze turbinepositie vanuit ecologie en visuele impact diverse aandachtspunten heeft. De gemeente heeft al eerder aangegeven geen turbines in volkstuinparken te plaatsen.

nieuwe en robuuste natuur. Aandacht voor natuur en ecologie is belangrijk in alle projectfasen, van bouwfase en exploitatie tot de uiteindelijke ontmanteling. In het plan-MER hebben diverse aspecten ten aanzien van natuur en ecologie een rol van betekenis gespeeld, zoals (onder andere) de ligging ten opzichte van een beschermd natuurgebied, de Amsterdamse ecologische structuur, de effecten op weidevogelgebieden of ganzenfoerageergebieden en effecten op (zwaar) beschermde plant- en diersoorten, met bijzondere focus op de door windenergie kwetsbare soortgroepen vogels en vleermuizen. De initiatiefnemer doet in de verkenningsfase een Quickscan naar de geldende beschermingsregimes en de (potentieel) aanwezige natuurwaarden en beschermde soorten in de omgeving van de beoogde locatie. De aangewezen gebieden bevinden zich geen van allen in Natura2000-gebieden. Gelet op de afstand van de

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Een windturbine in het Havengebied Amsterdam Westpoort gezien vanaf Volkstuinpark de Bretten.

aangewezen gebieden tot de Natura 2000-gebieden rond de stad, is echter niet op voorhand uitgesloten dat negatieve effecten optreden. Dit moet op projectniveau onderzocht worden. Voor het Havengebied gaat het om de eventuele effecten van stikstofdepositie in de aanlegfase en van slachtoffers vanwege het overvliegen tussen een Natura2000-gebied en een foerageergebied. In zijn algemeenheid zijn in het Havengebied relatief gezien de minste effecten op ecologie te verwachten (in het plan-MER is in dit gebied mede onderzocht in het Optimalisatiealternatief Natuur). Naar verwachting kan op projectniveau een screening volstaan. Voor de aangewezen gebieden, met uitzondering van het Havengebied en Weesperkarspel, geldt dat deze gelegen zijn in of nabij NNN-gebieden (Natuur Netwerk Nederland). Voor het gedeelte van het aangewezen gebied Gaasperplas is sprake van een overdraai van de rotorbladen boven NNN-gebied. Een turbine in het gebied Holendrecht zou mogelijk buiten het NNNgebied ingepast kunnen worden.

Voor zover sprake is van areaalverlies van NNN-gebied, dient dit gecompenseerd te worden met inachtneming van de Provinciale Omgevingsverordening. Voor Diemerscheg kan dit in nauw overleg met de provincie en de gemeente Diemen ingevuld worden. Een positie aan de rand van dit NNN-gebied lijkt qua natuurwaarden kansrijker dan een positie in het midden van het NNN-gebied. Dit in combinatie met opwaardering en optimalisatie van natuurwaarden binnen de NNN in de Diemerscheg (magneet). Voor de gebieden Diemerscheg, Weesperkarspel en het aangewezen deel van Gaasperplas is ook de Ecologische Structuur een punt van aandacht waar zorgvuldig mee omgegaan moet worden om natuurwaarden niet te veel te schaden. Voor Gaasperplas kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de aanleg van een verbrede oeverrand (extra plasdras) en een zorgvuldige landschapsecologische inpassing van de voet van de turbine. Ook geldt dat plaatsing van één of meer windturbines gevolgen kan hebben voor beschermde dier- en plantsoorten die vallen onder de beschermingsregimes

57

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Bescherming van natuur in beleid en wetgeving Vanuit de Omgevingswet (Ow), tot voor kort Wet Natuurbescherming (Wnb), geldt voor alle gebieden dat onderzoek en toetsing noodzakelijk is. In het veld moet worden beoordeeld of er geschikt habitat voor beschermde soorten aanwezig is. Indien nodig moet nader (veld)onderzoek worden uitgevoerd om de aan- of afwezigheid van soorten vast te stellen. Nader onderzoek naar (vliegbewegingen van) vogels en vleermuizen is nodig om de aanvaringsrisico’s te bepalen, te bepalen voor welke soorten een ontheffing nodig is en of mitigerende maatregelen nodig zijn. Als een leefgebied wordt aangetast of als niet kan worden uitgesloten dat exemplaren worden gedood of verwond is een ontheffing nodig bij het daarvoor bevoegd gezag. Leefgebied dat verloren gaat, moet worden gecompenseerd. Als voldoende mitigerende en/of compenserende maatregelen worden getroffen, dan is een ontheffing voor alle zoekgebieden redelijkerwijs te verkrijgen. Als er beschermde groenstructuren aanwezig zijn die als beschermde houtopstand zijn aangemerkt in de Wet Natuurbescherming is een boominventarisatie nodig. In de meeste gevallen geldt een herplantplicht. De Amsterdamse gedragscode flora en fauna is een aanvulling op de bescherming van soorten middels de Omgevingswet (Ow).

In deze Amsterdamse gedragscode flora en fauna staan aanvullende voor­ waarden geformuleerd voor het specifieke lokale karakter van de gemeente Amsterdam. In de Ow zijn ook bepalingen opgenomen voor de bescherming van Natura 2000-gebieden. Zo is het verboden handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat

van de Omgevingswet (tot voor kort de Wet Natuurbescherming) en de Amsterdamse Gedragscode Flora & Fauna. Een initiatiefnemer zal daarom in het kader van de vergunning uitgebreid onderzoek moeten laten doen naar de aanwezige natuurwaarden in de omgeving van de beoogde windlocatie (zie tekstkader: Bescherming van natuur). Dat begint in de verkenningsfase met een Quickscan naar de

58

gebied is aangewezen. Voor de meeste gebieden die zijn aangewezen, geldt dat ze in de nabij­­heid van Natura 2000 gebieden liggen. Kwalifi­cerende habitatrichtlijnsoorten en met name vogelrichtlijn­­ soorten kunnen binding hebben met de zoek­ gebieden. Negatieve effecten door aantasting van leefgebied en/of aanvaringslachtoffers is niet op voorhand uitgesloten. Een passende beoordeling is nodig. Gekeken moet worden in hoeverre kwalificerende soorten in omliggende Natura 2000-gebieden binding hebben met een zoekgebied. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zorgt in Nederland voor een samenhangend robuust leef­ gebied voor leefgemeenschappen van planten en dieren. De gebieden en verbindingen die in het NNN zijn aangewezen bieden kansen voor her-kolonisatie van soorten en het verkleint daarmee de kans op het uitsterven van inheemse soorten en soortgroepen. Het NNN in de provincie Noord-Holland is onderverdeeld in een aantal gebieden met specifieke biotopen en natuurwaarden. De provincie Noord-Holland heeft voor deze gebieden wezenlijke waarden en kenmerken beschreven. Deze wezenlijke waarden en kenmerken mogen niet worden aangetast. Omdat een deel van de aangewezen gebieden deel uitmaakt van het NNN, is het nodig eventuele effecten hierop te bepalen en te toetsen.

Aantasting van waarden leidt tot een compensatieopgave die nader bepaald moet worden aan de hand van concrete projectinformatie en de huidige en potentiële kwaliteit van het NNN dat wordt aangetast. Het waar mogelijk versterken van nieuwe en robuuste natuur is aanvullend bovenop de wettelijk verplichte mitigatie en compensatie. Dit is in lijn met de Amsterdamse ambitie en opgave om rigoureus te vergroenen (Omgevingsvisie Amsterdam 2050).

beschermingsregimes die van toepassing zijn op de beoogde locatie en de natuurwaarden en beschermde soorten die (mogelijk) voorkomen in het gebied. De randvoorwaarden en ambities ten aanzien van ecologie worden in de verkenningsfase beschreven in een quickscan. Een eerste verkenning naar een optimale inzet van compenserende en mitigerende maatregelen, zoals (tijdelijke) stilstand van windturbines (onder

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Onderzoek en innovatie natuurinclusieve windenergie De gemeente Amsterdam stimuleert weten­ schappelijk onderzoek en innovaties die meer inzicht geven in de effecten van windturbines op natuur. Nieuwe inzichten kunnen bijdragen aan het optimaliseren van mitigerende maatregelen, zoals een betere positionering van windturbines, aangepaste vorm of kleur of stilstand van wind­ turbines die beter is afgestemd op de gedragingen van vogels en vleermuizen. Deze inzichten kunnen regionaal, maar ook landelijk bijdragen aan een natuur-inclusieve energietransitie. Een goed voorbeeld is het radaronderzoek van de Universiteit van Amsterdam (UvA), waarmee wordt voortgebouwd op lopend (inter)nationaal onderzoek. UvA doet in dat kader onderzoek naar regionale vliegroutes, vlieghoogtes en vlieggedrag van vogels en insecten binnen de provincie Noord-Holland, gebruik makend van verschillende radartechnieken.

bepaalde omstandigheden) voor vogels en vleermuizen, maakt hier onderdeel van uit. Daarnaast worden ook de kansen inzichtelijk gemaakt voor landschaps-ecologische inpassing en mogelijke versterking van nieuwe en robuuste natuur. Dit kan in de (directe) omgeving van nieuwe windturbines, maar zo nodig ook op afstand om kwetsbare diersoort(groep)en elders aan te trekken (magneetwerking) en daarmee te verleiden tot andere/ minder kwetsbare vliegroutes. In het plan-MER is ingegaan op welke beschermde soorten mogelijk voorkomen in een gebied. Indien deze daadwerkelijk voorkomen in het gebied, is een ontheffing/vergunning voor een flora,- en fauna-activiteit nodig. Dit geldt voor alle aangewezen gebieden, dus ook in het Havengebied. Als voorwaarde voor een beoordeling van een initiatief voor plaatsing van één of meer windturbines geldt dat in de aanvraag alle consequenties voor natuurwetgeving en -beleid inzichtelijk moet zijn gemaakt. In de ontwerpfase wordt uitgebreid onderzoek gedaan naar de (potentiële) impact van het beoogde wind­project op natuur en ecologie. Daarbij is er ook aandacht voor bescherming van ecologisch waardevolle landschapselementen en -structuren, de bodemstructuur,

Windturbines en de hoofdgroenstructuur Een groot deel van de aangewezen zoekgebieden bevinden zich (deels) in de Hoofdgroenstructuur van Amsterdam. Dat is het resultaat van de afweging die het college gemaakt heeft (op basis van het planMER). Zowel vanuit het huidige beleidskader Hoofdgroen­ structuur (in de Structuurvisie Amsterdam 2040 uit 2011) als in het concept beleidskader Hoofd­ groenstructuur (2023; vaststelling aangehouden i.r.t. referendum mid 2024) geldt het ‘nee, tenzij’ principe. Windturbines zijn niet inpasbaar ‘tenzij’ dit noodzakelijk is. Dit staat als volgt omschreven: • In de huidige Hoofdgroenstructuur: “Nietinpasbaar: Windturbines, met uitzondering van de uitwerkingsgebieden windenergie” • In de nieuwe (niet vastgestelde) Hoofdgroen­ structuur: “Niet inpasbaar: Windturbines, tenzij deze bij gemeenteraadsbesluit als zoekgebieden voor windenergie zijn aangemerkt en mits uit een milieueffectrapportage blijkt dat er geen onaanvaardbare effecten zijn voor natuur en milieu”. In de initiatieffase (zie hoofdstuk 3) zal nog een advies aan de Technische Adviescommissie Hoofd­ groenstructuur (TAC) gevraagd worden over hoe windturbines zo goed mogelijk kunnen worden ingepast.

ecologische waterkwaliteit en bijbehorend bodem- en waterleven. Tevens worden mitigerende maatregelen opgenomen om eventuele negatieve impact te voor­ komen evenals voorstellen om de biodiversiteit ter plaatse te versterken. Het onderzoek heeft betrekking op de verschillende fasen van het project (van bouw tot ontmanteling) en is voorzien van een ambtelijk advies van een ecoloog en een landschapsarchitect van de gemeente Amsterdam over de inpasbaarheid van het initiatief. Signalering en beoordeling van strijdigheid met eventueel op een locatie ook van toepassing zijnde bovengemeentelijk natuurbeleid of –wetgeving (zoals Wet Natuurbescherming, Natura2000, Natuur Netwerk Nederland) maakt hier onderdeel van uit. Evenals het rapporteren of in dat kader ontheffingen en/of vergunningen vereist zijn en of deze al zijn aangevraagd of al zijn verleend door het daartoe bevoegde gezag.

59

Programma Windenergie Amsterdam 2030

4.3 Wat zijn ruimtelijklandschappelijke aandachtspunten? In het plan-MER zijn de zoekgebieden voor windenergie op diverse ruimtelijk-landschappelijke aspecten beoordeeld, zoals de impact op landschappelijke waarden, de mate van aansluiting bij bestaande (lijn) structuren en de verhouding van windturbines tot maatvoering/dimensie van het landschap. Ook is gekeken of gebieden gelegen zijn in of nabij Bijzondere Provinciale Landschappen of de Amsterdamse Hoofd­ groenstructuur. In deze paragraaf beperken we ons tot de ruimtelijk-landschappelijke aspecten die door de gemeente Amsterdam en/of de provincie Noord-Holland meegewogen zullen worden bij de beoordeling van initiatieven voor plaatsing van één of meer windturbines binnen de in hoofdstuk twee aangewezen gebieden. Het initiatief past binnen de geldende regels en kaders van rijk, provincie, gemeente en waterschappen ten aanzien van ruimtelijke inpassing. Een initiatiefnemer moet in de eerste plaats aantonen dat het plaatsen van één of meer windturbines past binnen de geldende regels en kaders van rijk, provincie, gemeente en waterschappen. Zo moet het initiatief in ieder geval voldoen aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening, bijvoorbeeld ten aanzien van Bijzonder Provinciaal Landschap.

Het is dan ook raadzaam om een initiatief voor een windproject zo vroegtijdig mogelijk met de provincie af te stemmen. De initiatiefnemer neemt in een vroeg stadium (de verkenningsfase) contact op met de gemeente om over ruimtelijk-landschappelijke voorwaarden en kansen te praten. Windturbines maken onderdeel uit van het Amster­ damse stadslandschap net zoals kantoortorens, hoogspanningsmasten of havenkranen. De positio­ nering, ruimtelijke inpassing en vormgeving van deze bouwwerken is maatwerk en afhankelijk van de ruimtelijk-landschappelijke context waarin de wind­ turbine(s) een plek moet(en) krijgen. Het streven moet zijn om met de plaatsing een positieve bijdrage te leveren aan de herkenbaarheid, identiteit en beleving van het stadslandschap. Initiatiefnemers dienen in een vroeg stadium van planvorming contact op te nemen met de gemeente om over ruimtelijk-landschappelijke voorwaarden en kansen te praten.

60

Georgsweder energy hill – bijzondere landschappelijke inpassing van windturbines In Hamburg is een voormalige beruchte vuilnisbelt getransformeerd naar een ‘hernieuwbare energie berg’. Op de berg staan twee windturbines, een zonnepanelen weide, en uit de berg wordt methaan gewonnen. Na een ontwerpwedstrijd in 2013 is een ‘horizon pad’ toegevoegd dat het park verder toegankelijk maakt, mooie uitzichten over de stad biedt, en het park ’s nachts markeert.

De initiatiefnemer onderzoekt en beschrijft in de ontwerpfase de randvoorwaarden en ambities ten aanzien van het landschap. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat zij een analyse uitvoert naar de ruimtelijk-landschappelijke context van de beoogde locatie en de betekenis daarvan voor de inpassing van de windturbine(s) in de omgeving. Wat zijn de kernwaarden van het landschap? Welke cultuurhistorische waardevolle structuren of elementen bevinden zich in de omgeving? De landschappelijke en stedenbouwkundige context op verschillende schaalniveaus (regio, stad, stadsdeel en directe omgeving) maken hier deel van uit. Evenals aspecten zoals recreatie, infrastructuur, cultuurhistorie, bodem, archeologie, groen en ecologie en mogelijke interferentie met andere hoge elementen in de omgeving. De initiatiefnemer betrekt hierbij de Ruimtelijke Handreiking Wind op Land en de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie van de provincie NoordHolland1. Ook wordt onderzocht welke plannen in de omgeving (mogelijk) van invloed kunnen zijn op realisatie van een of meer windturbines op de beoogde locatie. Denk aan plannen voor woningbouw of infrastructuur, maar ook aan mogelijke andere initiatieven voor windturbines in de nabijheid. Buurgemeenten worden betrokken in deze fase.

De conclusie van de analyse wordt beschreven en verbeeld, en vertaald naar randvoorwaarden en ambities ten aanzien van landschappelijke inpassing.

1 https://www.noord-holland.nl/Onderwerpen/Klimaat_Energie/ Duurzame_energie/Windenergie/ Documenten/Ruimtelijke_ handreiking_wind_op_land_OV_NH2020.org https://leidraadlc.noord-holland.nl/

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Windturbines bij de Basisweg in het Havengebied Amsterdam Westpoort.

Een initiatief geeft tijdens de ontwerpfase in een landschapsplan inzicht in de te treffen ruimtelijklandschappelijke maatregelen. In de vergunningsfase worden de resultaten van de eerste analyses door de initiatiefnemer uitgewerkt tot een landschapsplan (de provincie spreekt over een beeldkwaliteitsplan). Uitgangspunt in het landschapsplan is dat de openbare ruimte rondom de turbine(s) zoveel mogelijk wordt gespaard en bij voorkeur wordt versterkt. Een initiatiefnemer wordt uitgedaagd om, afhankelijk van de locatie, iets extra’s te doen op het gebied van recreatie, beleving, cultuurhistorie of ecologie (zie voor ecologie hoofdstuk 4.2). In de ‘Ruimtelijke handreiking wind op land’ staat waar een landschapsplan (ook wel beeldkwaliteitsplan) minimaal aan moet voldoen. Vanuit de gemeente Amsterdam zijn dit de richtlijnen voor beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing van windturbines: Voor aanleg en onderhoud van de windturbine wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van bestaande infrastructuur. De impact van de aanleg van de windturbine(s) op het landschap wordt tot een minimum beperkt. Denk hierbij aan de aanleg van de (tijdelijke) toegangswegen, de opstelplaats van de kraan en de aanleg van kabels en leidingen.

Nieuwe permanente toegangswegen zijn bij voorkeur ook op andere wijze te gebruiken (dubbelgebruik) en waar mogelijk openbaar toegankelijk. In materiaal en vorm verhoudt de weg zich tot de omgeving. Bomen en groenstructuren blijven zoveel mogelijk gespaard. Er is bijzondere aandacht besteed aan de vormgeving van de voet van de molen, zodat deze (zo goed mogelijk) aansluit bij de directe omgeving. Hekwerken blijven achterwege of sluiten in materiaal en vorm aan op hun omgeving. Kastjes, transformatorhuisjes en toegang tot de turbine zijn onderdeel van het integraal ontwerp van de windturbine en de directe omgeving. Kleine technische installaties zijn zoveel mogelijk weggewerkt in de mast van de turbine. In de landelijke windturbinenormen in ontwikkelingen (zie par. 4.1) is de kleur wit voorgeschreven en is geen mogelijkheid om daar op lokaal niveau van af te wijken. Er bevindt zich in principe geen reclame op de turbine. Deze richtlijnen zijn in aanvulling op de algemene welstandscriteria (zie tekstkader). Alleen bij een alternatief ontwerp dat kwalitatief gelijkwaardig is kan hier mogelijk gemotiveerd van worden afgeweken.

61

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Windturbines en welstand De Commissie Omgevingskwaliteit (COK, voormalig CRK) geeft geen advies over de locatiekeuze voor windturbines. Mogelijke locaties (zoekgebieden) zijn vastgesteld door het College van B&W in het Programma Windenergie Amsterdam 2030 (PWA, dit document, hoofdstuk twee). Het plaatsen van een windturbine is een ‘activiteit bouwen’ in het kader van de omgevingswet waar­ voor een vergunning nodig is. Het uiterlijk van de turbine (en de situering op projectniveau) maakt deel uit van de beoordeling van de aanvraag. Voor grote windturbines zijn geen specifieke welstandscriteria, ze worden getoetst aan de alge­ mene welstandscriteria. Voor kleine turbines op gebouwen bestaan wel specifieke welstandscriteria1, maar dit programma gaat alleen over grootschalige windturbines. Windturbines moeten daarnaast ook voldoen aan de richtlijnen voor beeldkwaliteit zoals beschreven in dit document (en nader uitgewerkt in een locatie specifiek landschapsplan/beeldkwaliteitsplan). 1 Zie p.110 van de welstandsnota: https://www.crk.amsterdam. nl/media/documenten/23385-welstandsnotawcag.pdf

4.4 Wat zijn de richtlijnen voor procesparticipatie? Procesparticipatie draait om het betrekken van bewoners, bedrijven, belangenorganisaties en iedereen die te maken krijgt met een windproject. We vinden het belangrijk dat omwonenden van een locatie voor een windproject, en bedrijven en organisaties die actief zijn in de omgeving, meedenken en meedoen, en hun mening kunnen uiten. De zoektocht naar de exacte, optimale inpassing van een windturbine is complex en hangt af van vele technische en andere fysieke factoren. Maar de menselijke factor is hierbij minstens zo belangrijk. We zullen samen oplossingen moeten bedenken om de impact op de omgeving te beperken. We zullen rekening moeten houden met veel verschillende belangen, en ervoor moeten zorgen dat de omgeving wordt gehoord en betrokken. Participatie2 zorgt ervoor dat iedereen die dat wil, kan meedenken en meedoen. 2

62

Het participatieproces voldoet aan de geldende beleidskaders en verordeningen ten aanzien van participatie. Zoals vastgelegd in de Omgevingswet is de initiatief­ nemer, degene die de vergunning aanvraagt, verant­ woordelijk voor het participatieproces. In het Beleids­ kader participatie van de gemeente Amsterdam (2021) zijn hiervoor uitgangspunten vastgelegd. Dit beleid is van toepassing als de gemeente zelf initiatiefnemer is. Als een derde partij initiatief neemt is de Participatiehandreiking (2022)3 van toepassing, een afgeleide van het beleidskader. Inspraak is een formele variant van participatie. In de Algemene inspraakverordening van de gemeente Amsterdam is vastgelegd dat er inspraak wordt gehou­ den over beleid en plannen, voordat er definitieve besluiten over worden genomen. In mei 2024 wordt de Inspraakverordening en het Beleids­kader vervangen door een Participatie­ verordening (conform de Wet Versterking Participatie op Decentraal Niveau).4 De gemeenteraad heeft besloten dat het participatieplan een indieningsvereiste is als een aanvraag voor een omgevingsvergunning niet past binnen het bestemmingsplan/omgevingsplan.  Als de provincie het bevoegd gezag is moet het participatiebeleid van de provincie nageleefd worden. De provincie heeft algemeen participatiebeleid5, ook daarin heeft de initiatiefnemer een rol.

De initiatiefnemer stelt tijdens de verkenningsfase, in afstemming met de omgeving, een participatieplan op en legt dit voor aan het college of sluit hierover een anterieure overeenkomst met de provincie. Een succesvol participatieproces begint met goede afspraken, bij voorkeur al in de verkenningsfase. Het is essentieel om vroeg te beginnen, zodat de omgeving mee kan denken voordat belangrijke beslissingen genomen zijn.

3 https://amsterdam.notubiz.nl/ document/11933151/1#search=%22participatiehandreiking%22 4 Nieuwe participatieverordening - Gemeente Amsterdam 5  Uitgangspunten voor participatie - Provincie Noord-Holland en https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2022-15284.html

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Noodverordening hernieuwbare energie In de Verordening (EU) 2022/2577 van de Raad van 22 december 2022 tot vaststelling van een kader om de inzet van hernieuwbare energie te versnellen (ook wel de Noodverordening hernieuwbare energie genoemd) is van kracht in de periode 30 december 2022 tot en met 30 juni 2024, met de mogelijkheid tot verlenging. De Noodverordening biedt een kader om de inzet van hernieuwbare energie te versnellen, moet de energiecrisis aanpakken, de EU minder afhankelijk maken van Russische fossiele brandstoffen, en de klimaat­doelstellingen van de EU verder ontwikkelen door de vergunning en de inzet van projecten op het gebied van hernieuwbare energie te versnellen.

moet nog steeds onderbouwd worden dat er geen Alternatieven zijn en er geCompenseerd wordt. Omdat het onderbouwen van de ‘D’ in de ADC-toets in de praktijk niet lastig is, heeft de Noodverordening in zoverre naar verwachting dan ook nauwelijks consequenties voor vergunningverlening van duurzame energie.

De Noodverordening geldt rechtstreeks in de lidstaten en hoeft dus niet eerst omgezet te worden in het Nederlandse recht. De Noodverordening bepaalt dat de planning, bouw en exploitatie van installaties voor hernieuwbare energie, inclusief de aansluiting ervan op het net en opslagvoorzieningen, geacht worden van hoger openbaar belang te zijn en de volksgezondheid en openbare veiligheid te dienen. De relevantie van het aanmerken van de opwekking van duurzame energie als van (hoger) openbaar belang komt pas in beeld bij de zogenoemde “ADCtoets”, nadat uit een daaraan voorafgaande passende beoordeling naar voren is gekomen dat significante negatieve effecten op de Natura 2000 gebieden niet (volledig) uitgesloten kunnen worden. Daarmee is de ‘D’ in de ADC-toets op voorhand gegeven, maar

Voor windenergie is de Noodverordening verder van belang bij repowering van windturbines. De Noodverordening geeft aan dat dan de maximale duur van de vergunningsprocedure maximaal zes maanden is en de mer-beoordeling alleen over de milieueffecten van de uitbreiding ten opzichte van de bestaande windturbines gaat.

De Noodverordening merkt duurzame energie­ projecten tevens aan als van een zwaarder (algemeen) belang waaraan voorrang wordt gegeven in een belangen­afweging. Mogelijk werkt dit wel door in de besluit­vorming.

De Raad van de Europese Unie is overeengekomen de Noodverordening te verlengen tot en met 30 juni 2025 en om een aantal bepalingen te wijzigen. Het gaat dan om een versoepeling van de A en de C in de ADC-toets. Op de website van IPLO is een Handreiking voor de uitleg van de Noodverordening te vinden.1

1 Europese noodverordening versnelde inzet hernieuwbare energie https://iplo.nl/thema/energietransitie/europese-noodverordeninghernieuwbare-energie/

Een initiatiefnemer is dan ook verplicht om een partici­ patieplan op te stellen bij initiatieven die niet passen binnen het bestemmingsplan/omgevingsplan. Het plan wordt vastgesteld door het bevoegd gezag (gemeente Amsterdam of provincie Noord-Holland, zie hierboven). De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor, in afstem­ ming met de gemeente en de omgeving van het project, het maken van een participatieplan waarin staat wat het project inhoudt, welke stappen er worden genomen van begin tot eind en hoe de omgeving bij het proces wordt betrokken. Onderdelen van het participatieplan zijn op zijn minst:

• Doelen en uitgangspunten; • Niveau van participatie en de ruimte die er is om mee te denken; • De manier waarop de omgeving mee kan denken over in ieder geval: – impact op de fysieke leefomgeving; – ecologie; – landschappelijke maatregelen; – financiële participatie. • Stakeholderanalyse waarin van alle betrokken partijen is beschreven wat hun rol, belang en invloed is en hoe zij betrokken worden bij het proces; • Instrumenten voor participatie en overleg met de omgeving;

63

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Fina rege nciël ling e Aand en e

om n nd ijve e ig om /n bedr

obli len gat en ies

Fin a

Lo k

aa 100% le lok Med ale ebe eig wo e n

Pr

oc

es p

ie

Vormen van participatie

gsevin n mg linge

ie at

iële particip nc

O e ming, reg emoetvkeorgoeding & g Te sen nd fo

nd rs e e

a r tici p

at

Figuur 10: Vormen van financiële participatie (bron: EnergieSamen).

• Planning; • Samenhang met de aanpak financiële participatie (zie 4.5); het plan financiële participatie is een bijlage van het participatieplan; • Samenhang met aanpak communicatie; • Eventuele afspraken over participatie uit samenwerkingsafspraken met relevante partijen; • Specifieke sociale kenmerken van de omgeving en wat dit betekent voor de (financiële-) participatie aanpak (zie tekstkader); • De manier waarop wordt gecommuniceerd over wat er met de inbreng van mensen en organisaties is gedaan. Het participatieplan wordt door het bevoegd gezag vastgesteld en door de initiatiefnemer op de project­ website gepubliceerd.6 In de vergunningsfase en in het verdere verloop van een windproject legt de initiatiefnemer verantwoording af over het participatieproces. Na het opstellen van het participatieplan legt de initiatiefnemer periodiek verantwoording af aan de gemeente over de voortgang en de resultaten van het participatieproces. De initiatiefnemer geeft inzicht in de uitvoering van het plan, wat de reacties uit de omgeving zijn en wat daarmee is gedaan.

6 Mogelijk wijken de provinciale participatieverplichtingen iets af van de gemeentelijke.

64

De gemeente/provincie zorgt voor formele inspraak Naast de afspraken/activiteiten uit het participatieplan, waar de initiatiefnemer verantwoordelijk voor is, zijn er ook wettelijke momenten van inspraak waar de gemeente of provincie voor verantwoordelijk is. Het gaat hierbij over het ter inzage leggen van voorgenomen besluiten, bijvoor­ beeld voor het verlenen van een vergunning, en het publi­ ceren van (voorgenomen) besluiten in het gemeenteblad.

4.5 Wat zijn de richtlijnen voor financiële participatie? Met financiële participatie en lokaal eigendom bedoelen we de mogelijkheden voor de omgeving om mee te profiteren van een windproject. Naast procesparticipatie, zoals beschreven in de vorige paragraaf, kan financiële participatie helpen om de acceptatie7, en daarmee de slagingskans, van een windproject te vergroten. In deze paragraaf beschrijven we wat we onder finan­ ciële participatie en lokaal eigendom verstaan en welke richtlijnen we hanteren bij nieuwe windprojecten. Het is 7 We kiezen hier bewust voor de term ‘acceptatie’. Acceptatie gaat om bereidheid van individuen of groepen om iets te aanvaarden en ermee in te stemmen, zelfs als ze het er mogelijk niet volledig mee eens zijn. Het kan betekenen dat mensen de beslissing of verandering tolereren of zich erbij neerleggen zonder er actief tegen te zijn. ´Draagvlak´ gaat verder dan acceptatie en betreft de mate van ondersteuning, goedkeuring en betrokkenheid van individuen of groepen bij een bepaalde beslissing of verandering.

Programma Windenergie Amsterdam 2030

belangrijk op te merken dat financiële participatie niet als resultaatsverplichting kan worden afgedwongen (als een onderdeel van het vergunningsproces). Een potenti­ ële initiatiefnemer dient bij het indienen van de plannen voor het windenergieproject een plan/visie voor financi­ ële participatie te overleggen, maar er is geen dwingen­ de eis is dat dit ook als zodanig wordt uitgevoerd. In de ontwerpfase wordt pas duidelijk hoe en in hoeverre fi­ nanciële participatie vorm kan krijgen. Wel zijn er moge­ lijkheden om uitgangspunten van financiële participatie vast te leggen bij gronduitgifte, of zelfs initiatiefnemers hierop uit te dagen bij een tenderprocedure. Wanneer de gemeente zelf grondeigenaar is, hebben we daar meer invloed op, en zijn de richtlijnen uit deze paragraaf uitgangspunt voor de verdere planuitwerking.

Wat wil het college bereiken? Het college vindt financiële participatie heel belangrijk. We zien ook dat bewoners er veel waarde aan hechten en dat coöperaties heel actief zijn in de stad. Tegelijker­ tijd hangt het met veel samen: bijvoorbeeld de financi­ ële haalbaarheid van een project, hoe mensen kunnen profiteren en zeggenschap hebben, maar ook risico´s voor deelnemers. Veel is afhankelijk van de uitwerking van het project, en het is daarom niet verstandig om heel concreet voor te schrijven hoe financiële participatie vormgegeven moet worden. Waar we daar invloed op hebben zullen we plannen toetsen aan de doelen die we met financiële participatie willen bereiken. De gemeente vindt het rechtvaardig dat • bewoners en ondernemers die te maken krijgen met een windturbine in hun leefomgeving financieel van het windproject voordeel kunnen krijgen; • zij zeggenschap kunnen krijgen over het wind project; • het project financieel bijdraagt aan andere doelen in de omgeving waar de effecten van de windturbines merk­ baar zijn, zoals het verbeteren van de openbare ruimte, tegengaan van energiearmoede, vergroten van de werk­ gelegenheid of het versterken van de sociale cohesie.

Vormen van financiële participatie Onder financiële participatie verstaan we alle mogelijk­ heden voor de omgeving om financieel van een windproject mee te profiteren (figuur x: vormen van financiële participatie). Bijvoorbeeld in de vorm lokaal eigendom, als een lokale coöperatie het project ont­ wikkelt, of als een initiatiefnemer obligaties of aandelen beschikbaar stelt aan de brede gemeenschap. Financiële participatie kan ook in de vorm van een financiële bijdrage aan een omgevingsfonds.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14212668/1