CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Programma windenergie amsterdam 12_VRM23_357.pdf

Raadscommissie Duurzaamheid en Circulaire economie 13 juni 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief over de terinzagelegging ontwerp-Programma Windenergie Amsterdam 2030 en plan-MER (VN2024-005866)28.970 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

-

--

--

-

-

-

-

--

--

--

--

--

--

?

+

0

?

+

?

?

0

+

?

+

?

?

Netinpassing Netinpassing

Figuur 4: Ter illustratie: de beoordelingstabel uit het plan-MER. Leesbare versie van deze informatie is te vinden in bijlage 1.3

27

Programma Windenergie Amsterdam 2030

2.2 Welke afwegingen maakt het college over de zoekgebieden? De uitstoot van CO2 door het verbranden van fossiele brandstoffen leidt tot klimaatverandering. De gevolgen daarvan voor de gezondheid van mensen en voor de natuur zijn nu al merkbaar. Als er niks gebeurt zal er meer schade worden toegebracht aan natuur en gezondheid. De gemeente Amsterdam gaat daarom met urgentie door met de energietransitie, zoals beschreven in de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050. Tegelijk staat het college op het standpunt dat maatregelen die nodig zijn voor de energietransitie lokaal niet mogen leiden tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s en het teveel belasten van de natuur. Het opwekken van duurzame energie met behulp van windturbines maakt een belangrijk onderdeel uit van de energietransitie. Hoewel het door de beperkte beschikbare ruimte in Amsterdam niet is uitgesloten dat het plaatsen van windturbines gepaard gaat met enige hinder of nadelige gevolgen voor natuur, staat het college op het standpunt dat er geen onaanvaardbare gezondheidsrisico’s mogen ontstaan of de natuur te veel mag worden belast. Bij het aanwijzen van gebieden waar Amsterdam de winddoelstelling wil realiseren is dan ook uitdrukkelijk gekeken naar de effecten op gezondheid en natuur. Op welke manier lichten wij daarom hieronder toe.

Hoe andere milieugevolgen meegewogen zijn in de aanwijzing van de gebieden, lichten wij per gebied toe in paragraaf 2.3.

Impact op gezondheid Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat gezondheids­ effecten van windturbines voort kunnen komen uit geluidshinder. Daarom is geluid door windturbines een belangrijk onderwerp in het plan-MER en voor het college een belangrijk criterium bij de selectie van aangewezen gebieden in dit PWA. De nieuwe landelijke concept-normen voor windturbines gaan uit van een grenswaarde van 47 dB Lden en een standaardwaarde 45 dB Lden en 39 dB Lnight (zie paragraaf 4.1 voor een toelichting op de concept-landelijke milieunormen voor windturbines). Deze concept-normen zijn onderbouwd met een landelijk plan-MER en zijn volgens de landelijke wetgever niet onverenigbaar met gezondheid. Hoewel de provincie in de meeste gevallen het bevoegd gezag is (als een aanvraag niet past binnen het bestaande omgevingsplan), en op basis van de dan geldende normen een vergunning zal verlenen aan

28

een wind­project, kiest het college er bij het aanwijzen van de gebieden in dit PWA voor om uit te gaan van de gebieden waar op basis van de informatie uit het plan-MER niet meer dan 45 dB Lden op geluidgevoelige objecten optreedt. Het college volgt hiermee de lijn van het tijdens de reflectiefase opgeleverde advies van de expertgroep gezondheid (zie ook 1.4). De gemeente Amsterdam kiest er bij de aanwijzing van de gebieden buiten het Havengebied dus voor om voor geluid niet gemotiveerd af te wijken van de standaardwaarde van 45 dB Lden, en de grenswaarde van 47 dB Lden niet op te zoeken. We zijn daarmee in zekere zin ‘strenger’ dan de landelijke concept-normen op projectniveau voorschrijven.

Impact op natuur Ten aanzien van natuur volgt Amsterdam de geldende landelijke, provinciale en gemeentelijke natuurwet- en regelgeving en beleidskaders, waarin het voorkomen van schade -al dan niet door het treffen van maatregelenvoorop staat. Wij kiezen ervoor om geen gebied aan te wijzen waar sprake is van areaalverlies van Natura2000gebied, omdat wij areaalverlies hier op voorhand zien als onaanvaardbare schade voor de meest zwaar beschermde natuur (Natura 2000 beschermt Europa’s meest bedreigde en waardevolle soorten en habitats). In hoofdstuk vier staat beschreven welke wetten en beleidskaders van toepassing zijn qua natuur­ bescherming. Voorop staat dat in alle gebieden maat­ werk nodig is om onaanvaardbare schade aan de natuur te voorkomen. In geval van aantasting van beschermde natuur door een windproject moet zo nodig voorzien worden in kwantitatieve en kwalitatieve compensatie. Aandachtspunten per gebied worden in dit hoofdstuk en in hoofdstuk vier (richtlijnen) benoemd.

Overige aspecten Naast het milieubelang heeft het college ook andere aspecten mee laten wegen bij haar afweging om een gebied aan te wijzen voor windturbines of juist te laten afvallen. In de afwegingen bij de aanwijzing is de mogelijkheid van groepering en de aansluiting bij logische ruimte­ lijke structuren meegewogen. In de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 staat hierover dat “we kijken vanuit de regionale schaal en sluiten aan bij logische ruimte­lijke structuren. Denk aan bestaande grote weg- en spoor­ infrastructuur en kanalen, of bestaande industriële

Programma Windenergie Amsterdam 2030

gebieden, zoals de haven”. Daarnaast kunnen door clustering nadelige milieu­gevolgen in de aanlegfase mogelijk relatief beperkt blijven. Binnen de aangewezen gebieden wordt gezocht naar ruimtelijke aanknopings­ punten voor logische windturbine-opstellingen, zoals een koppeling aan grote verkeersknopen die de duur­ zame stadsentrees kunnen vormen. Het rapport over de sociale aspecten van de wijken in de onderzochte gebieden, heeft bijgedragen aan de kennis over deze gebieden. Sociale aspecten hebben mede een rol gespeeld in de keuze om een gebied al dan niet aan te wijzen. We zijn we ons ervan bewust dat Amsterdammers in sociaal kwetsbare wijken voor recreatie meer zijn aangewezen op recreatiegebieden in hun buurt/wijk. Voor zover sprake is van areaalverlies in het recreatiegebied door een windturbine, zullen wij streven naar compensatie op projectniveau. In de volgende paragraaf wordt per gebied op basis van deze afweging een toelichting gegeven waarom deze is aangewezen of afgevallen.

2.3 Toelichting op de afgevallen en aangewezen gebieden In deze paragraaf staat per RES 1.0-zoekgebied gemotiveerd beschreven waarom deze door het college is aangewezen dan wel afgewezen voor de plaatsing van windturbines (zie ook kaart 1: Aangewezen gebieden voor windturbines). Daarbij worden de voor het gebied relevante aspecten beschreven, zoals milieuaspecten, energieopbrengst, sociale aspecten, uitkomsten van participatie, koppeling aan ruimtelijke structuren en mogelijkheden tot groepering. Bij de daadwerkelijke inpassing van windturbines in de aangewezen gebieden moet mede hoofdstuk vier van dit programma in acht worden genomen.

Toelichting bij de contouren van de gebieden op de kaart In lijn met het plan-MER onderzoek, waarin de RES 1.0 zoekgebieden zijn onderzocht en onderling met elkaar zijn vergeleken op milieueffecten, is er in dit PWA voor gekozen om in de kaart alleen aanpassingen te doen in de vorm/ de contour van de RES-gebieden indien nu al duidelijk is (dus zonder nader onderzoek) waar we geen windturbines willen. Dit is alleen gebeurd bij de zoekgebieden Havengebied en Gaasperplas. Binnen een aangewezen gebied op de kaart zal uit nader onderzoek

Sociale aspecten Sociale aspecten in relatie tot windturbines zijn in de reflectiefase benoemd als aandachtspunt: deelnemers vonden het belangrijk dat alle bewoners worden betrokken en goed geïnformeerd. De Commissie mer plaatste in haar advies op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) een opmerking over het belang van kennis over de sociale aspecten van de zoekgebieden. Hierop hebben wij aan onder­ zoeksbureau Antea gevraagd om de (omgeving van de) zoekgebieden te onderzoeken op een aantal sociale kenmerken. Hierbij is gebruik gemaakt van de basis die al gelegd was voor sociale aspecten in het Omgevingseffect­ rapport (OER) bij de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 en de handreiking ‘sociale effecten in milieu­ effectrapportages’ van de Commissie mer. Het onderzoek richtte zich op het in kaart brengen en duiden van de belangrijkste sociale aspecten, aanvullend op het plan-MER. Zie bijlage 4 voor de rapportage van het onderzoek.

op projectniveau moeten blijken welke positie/ locaties binnen een aangewezen gebied daadwerkelijk inpasbaar is/zijn.

Havengebied (1A) Het havengebied is al lange tijd een zoekgebied voor windturbines. Tot op heden is 73 MW van de 75 MW aan opgesteld vermogen van de gemeente gerealiseerd in of direct rond het havengebied. In 2021 hebben Port of Amsterdam en gemeente Amsterdam in het kader van de RES1.0 de ambitie uitgesproken om bovenop de al aanwezige en vergunde windturbines nog eens 10 MW aan wind in het havengebied te realiseren. De gemeente Amsterdam en Port of Amsterdam hebben daarom de afgelopen jaren actief naar aanvullende mogelijkheden gezocht, waarbij twee belangrijke kenmerken van het gebied naar voren komen. • Enerzijds constateren we dat het havengebied al drukbezet is met de bestaande windturbines, primaire functies van het havenbedrijf en infrastructuur. Daarbij spelen in het gebied bredere ruimtelijke opgaven van de gemeente Amsterdam, de regio, het Rijk en de EU. Denk aan ruimtevragers die voor de energietransitie van de stad en regio van groot belang zijn. Het

29

Programma Windenergie Amsterdam 2030

realiseren van meer windturbines is daardoor extra complex en de feitelijke ruimte is beperkt. • Anderzijds is het havengebied beter geschikt voor windturbines dan andere zoekgebieden, door de beperkte effecten op natuur en gezondheid. Geredeneerd vanuit de belemmeringenanalyse van het plan-MER blijkt dat er in het havengebied (gebied 1A) een theoretisch potentieel is voor in totaal 45 windturbineposities. Conform de plan-MER aanpak zijn de havenactiviteiten en de inpassing van ruimtelijke opgaven voor het gebied buiten beschouwing gelaten. Uit de Optimalisatiealternatieven Natuur en Gezondheid blijkt dat posities ongeveer in het midden van het havengebied ten westen van de A10, beperkte milieueffecten hebben ten opzichte van de andere gebieden in Amsterdam. Verder blijkt uit het planMER dat bij benutting van het totale havengebied sprake is van een toename van het aantal ernstig geluidgehinderden. Uit het plan-MER blijkt ook dat er diverse locaties zijn waarbij de maximale geluidsbelasting van 45 dB Lden op geluidgevoelige gevels niet wordt overtreden. Op basis van de genoemde ruimtelijke beperkingen in het havengebied en het onderzoek naar aanvullende mogelijkheden, concluderen we dat van de theoretische windturbineposities uit het plan-MER er 9 als kansrijke posities worden geïdentificeerd. Deze posities kennen nog wel een groot aantal knelpunten.

Daarom dient nader onderzoek naar milieueffecten (op project-niveau) uit te wijzen in hoeverre (een deel van) de posities ook daadwerkelijk ingezet kan worden. Daarnaast is de haalbaarheid ook afhankelijk van een aantal andere knelpunten, bijvoorbeeld op wet- en regelgeving. De meest kritieke hierbij zijn de hoogtebeperking in verband met het vliegverkeer van Schiphol (volgens het Luchthavenindelingsbesluit – LIB) en de afstanden die voortkomen uit de aanen uitvliegroute van de helikopterhaven. Verder is er medewerking van bestaande bedrijven nodig en moet er rekening gehouden worden met verschillende externe veiligheidscontouren, de mogelijke komst van waterstofleidingen of andere ruimtevragers die voor de energietransitie van groot belang zijn. Wij werken nauw samen met Port of Amsterdam om de mogelijkheden voor grootschalige windenergie in het havengebied te benutten. Wij richten ons daarbij gezamenlijk op het nader onderzoeken en wegnemen van knelpunten bij de meest kansrijke posities. Als blijkt

30

dat er tijdens het wegnemen van de knelpunten voor de 9 kansrijke posities mogelijkheden ontstaan om met deze posities meer te realiseren dan de 10 MW die in de RES 1.0 is afgesproken, dan spannen wij en Port of Amsterdam zich daarvoor in. Dit geldt tot 2030, of tot eerder in het geval dat de restdoelstelling van 27 MW in zicht of behaald is. Wij wijzen het Havengebied (1A) buiten de Ring A10 aan als gebied voor windturbines. De reden hiervoor is de beperktere nadelige milieugevolgen van (delen van) het havengebied in vergelijking met de andere gebieden. Omdat nabijgelegen buurten werkgebieden zijn, vormen sociale aspecten geen speciaal aandachtspunt. Tot slot weegt het college mee dat uit eerdere participatie (Signalen uit de stad en NRD) en het advies van de SARA blijkt dat er breed maatschappelijk draagvlak bestaat voor meer grootschalige windturbines in het Havengebied. We blijven ons in de volgende fase bewust van de eerdergenoemde ruimtelijke uitdagingen in het gebied. Het aangewezen gebied is vanwege de onverenigbaarheid met de stadsontwikkeling Havenstad ten opzichte van het zoekgebied uit de RES 1.0 (inclusief reservegebied) verkleind tot het gebied ten westen van de A10. Ook wij hebben de sterke voorkeur voor het haven­ gebied ten opzichte van de andere aangewezen gebieden.

Wij zijn daarom van plan om het havengebied (buiten de ring A10) aan te wijzen als versnellingsgebied zoals bedoeld in de Renewable Energy Directive III voor de opwek van grootschalige windenergie.

Haven Zuid (1B) Uit het plan-MER blijkt dat er vanwege de beperkte ruimte in de Brettenzone in theorie maximaal twee windturbines (2x4 MW) ingepast zouden kunnen worden, die bovendien vrij dicht bij bewoning gelegen zijn. Daarom is dit zoekgebied slecht beoordeeld in vergelijking met andere gebieden op het aspect ‘aantal ernstig gehinderde door windturbinegeluid’. De windturbines liggen beide in de Hoofdgroenstructuur, de westelijke windturbine ligt in Natuurnetwerk Neder­ land, en de oostelijke in Bijzonder Provinciaal Landschap, wat de gevolgen voor ecologie en landschap negatief beïnvloedt. De Brettenzone is een gebied dat intensief gebruikt wordt voor recreatie, waardoor dit gebied ten opzichte van andere zoekgebieden negatief wordt beoordeeld op het aspect recreatie. Dit beeld is ook in de reacties op de NRD geschetst.

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Uit het onderzoek naar sociale aspecten blijkt dat met name de nabijgelegen woonbuurten Geuzenveld en Slotermeer sociaal kwetsbaar zijn, en al een hoge milieubelasting hebben. Doordat het zoekgebied klein

is, er weinig schuifruimte is, en de windturbines gelegen zijn in beschermde gebieden, lijkt er weinig ruimte om mitigerende maatregelen te nemen.  

Renewable Energy Directive III (REDIII) Op 20 november 2023 is de tweede herziening van de Europese richtlijn voor de promotie van hernieuwbare energie in werking getreden. In REDIII komen energie-aspecten van de EU-klimaattransitie in het kader van het Fit-for-55-pakket aan bod. Daarnaast zijn ook doelstellingen voor leveringszekerheid van energie (mede naar aanleiding van de oorlog in Oekraïne) en concurrerend vermogen van de EU belangrijk in REDIII. Met deze herziene richtlijn wordt het doel voor het aandeel hernieuwbare energie verhoogd tot minimaal 42,5% in 2030. De elementen met betrekking tot versnelling van de procedure voor hernieuwbare energieprojecten zijn vergelijkbaar met de EU Noodverordening voor hernieuwbare energie (deze is in werking in de periode 30 december 2022 tot en met 30 juni 2024, met een mogelijke verlenging). REDIII heeft, anders dan de Noodverordening, een permanent karakter. Deze moet in de lidstaten worden omgezet in de eigen wettelijke bepalingen, in dit geval vóór 21 mei 2025. Dat is een relatief korte termijn. Voor sommige bepalingen uit REDIII is deze termijn nog korter. REDIII voorziet onder meer in het aanwijzen van versnelde uitrolgebieden voor hernieuwbare energie.

Daarvoor gelden de volgende voorwaarden: • Er is een ‘mapping’ geweest van de totale opgave • Er is een plan-MER opgesteld, waarin mitigerende en zo nodig compenserende maatregelen worden beschreven • Het gebied bevindt zich buiten N2000- en NNN-ge­ bieden, en de aanwijzing heeft geen negatieve effec­ ten (al dan niet na mitigatie) op beschermde soorten • Er wordt voorrang gegeven aan bebouwde en kunstmatige oppervlakten • Er vindt promotie plaats van participatie van de lokale gemeenschap (lokale energie-initiatieven) • Er vindt inspraak plaats over het besluit tot versneld uitrolgebied (deze verplichting geldt niet voor elektriciteit-infrastructuur)

• De keuze voor gebieden is openbaar en wordt periodiek geactualiseerd • Een concreet initiatief is nodig voor het behalen van klimaat- of energiedoelstellingen Het havengebied en het plan-MER voldoen aan deze voorwaarden. De totale opgave voor groot­ schalige windenergie in Amsterdam is toegelicht in hoofdstuk 1, en hoe groot de restopgave nog is. In hoofdstuk 4 wordt weergegeven hoe participatie in het vervolgproces vormgegeven wordt en welke mitigerende maatregelen getroffen kunnen worden op projectniveau. Het voordeel van een aanwijzing als versnellings­ gebied is, dat er verkorte proceduretermijnen voor de vergunningverlening gelden. Zo moet het bevoegd gezag binnen 30 dagen beoordelen of de aanvraag compleet is en moet de vergunning binnen een jaar worden verleend. Als het gaat om een repoweringproject moet het bevoegd gezag binnen een halfjaar besluiten. In het kader van een daadwerkelijke toestemming voor een windpark volgt een screening om te onder­ zoeken of dat windpark past binnen de bandbreedte van de in het plan-MER beschreven milieugevolgen en de daarin beschreven mitigerende maatregelen worden toegepast. Als dat inderdaad zo is, dan is de mer-(beoordelings)plicht voor dat project verwerkt. Het onderzoek naar beschermde soorten op projectniveau en de eventuele benodigde toestemming daarvoor, blijft wel bestaan. Momenteel is nog geen NL-wetsvoorstel beschikbaar.

Deze wordt in Q4 2024 verwacht. Vooruitlopend daarop kondigen wij in dit programma aan de moge­ lijkheid tot aanwijzing als versnellingsgebied te gaan benutten. De inspraak over het ontwerp-PWA en plan-MER gaan dus ook over het voornemen om het Havengebied als versnellingsgebied in de zin van REDIII aan te wijzen.

31

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Vanwege de nadelige milieugevolgen in combinatie met beperkte aanwezige ruimte om te optimaliseren en de sociale kwetsbaarheid van nabijgelegen buurten, is dit gebied niet aangewezen als mogelijke locatie voor windturbines.

Ring A10 Noord (3A) In theorie kan in dit gebied 38 MW aan opgesteld windvermogen worden gerealiseerd. Deze windturbines zouden dan wel langs diverse woonwijken liggen, waardoor de gevolgen voor geluid negatief zijn ten opzichte van andere gebieden. Door de ligging aan de rand van het open buitengebied is dit zoekgebied ten opzichte van andere gebieden zeer negatief beoordeeld op ecologie (NNN, weidevogels, ganzen, vogel- en vleermuisslachtoffers) en landschap (BPL, aantasting van de landschappelijke waarden, zoals openheid, en de scheggenstructuur). Ook als er enkel gekozen wordt voor windturbineposities die verder van aaneengesloten woonbebouwing zijn gelegen, zoals de 3 noordelijke en 2 zuidelijke posities, en daarmee de negatieve gevolgen voor de leefomgeving beperkter blijven, is de beoordeling op recreatie, landschap en ecologie nog altijd negatief in vergelijking met andere zoekgebieden. Dit is ook uit de reacties uit de participatie gebleken. Uit het onderzoek naar sociale aspecten blijkt dat de nabijgelegen woonbuurten binnen de ring A10 sociaal kwetsbaar zijn en al een hoge milieubelasting hebben. Gelet op de gevolgen voor met name geluid en de grote nadelige gevolgen voor natuur in combinatie met de soci­ ale kwetsbaarheid van nabijgelegen buurten, is dit gebied niet aangewezen als mogelijke locatie voor windturbines.

Strand-Buiteneiland (4C) en IJburg Baai (4D) Met name vanwege de ligging ten opzichte van de woonwijken-in-ontwikkeling op Strand- en Buiteneiland en de woonwijken rond IJburg Baai zijn deze zoekgebieden (zeer) slecht op geluid en slagschaduw beoordeeld ten opzichte van de andere zoekgebieden. Ook hebben windturbines in het water op deze locatie zeer negatieve ecologische effecten op broedvogels, vogeltrek en vleermuizen en zijn deze gebieden slecht beoordeeld vanwege de ligging ten opzichte van Natura 2000 en NNN. Daarnaast is er, net als bij IJburg Diemerpark (zie hierna), een grotere negatieve impact op het UNESCO-werelderfgoed (Vuurtoreneiland) ten opzichte van andere zoekgebieden. Vanwege de grote nadelige milieugevolgen zijn deze gebieden niet aangewezen.

IJburg Diemerpark (4E) Een solitaire windturbine in het Diemerpark heeft een iets slechtere beoordeling op geluid en slagschaduw in vergelijking met Sciencepark. Op ecologische structuur, vogeltrek en vleermuizen is dit gebied zeer negatief beoordeeld, tevens op recreatie en op ligging ten opzichte van Unesco-werelderfgoed Stelling van Amsterdam/Nieuwe Hollandse Waterlinie. Dit beeld is bevestigd in de participatie en inspraak die heeft plaatsgevonden in voorgaande jaren. De windturbine is daarnaast gelegen binnen de risicoafstand van TenneT tot een 380 kV-leiding, zodat de uitvoerbaarheid onzeker is. Vanwege de grote nadelige milieugevolgen is dit gebied niet aangewezen als mogelijke locatie voor windturbines.

Diemerscheg (5A) Sciencepark (4A) De solitaire windturbine (6 MW) die past binnen dit zoekgebied is ten opzichte van andere zoekgebieden negatief beoordeeld op geluid en zeer negatief op slagschaduw, vanwege de grote aantallen woningen in de nabije omgeving. Door de afgelegen ligging en het huidige gebruik van het gebied als infrastructureel knooppunt zijn er weinig effecten op ecologie en landschap vergeleken met de overige gebieden. De ligging aan het knooppunt kan de windturbine een ‘landmark’-functie geven. Vanwege de negatieve gevolgen voor met name geluid is dit gebied niet aangewezen als mogelijke locatie voor windturbines.

32

Zoekgebied Diemerscheg laat, samen met het noord­ oostelijk deel van het IJmeer, de minste effecten op het aspect geluid zien ten opzichte van de andere zoekgebieden (door de grote afstand tot woon­ bebouwing). Het MER heeft in het gebied vier wind­ turbines als voorbeeldopstelling ingepast. Gelet op de hoogtebeperkingen van Schiphol (LIB) gaat het om relatief kleine windturbines (met een tiphoogte van maximaal 145 meter, overeenkomend met een opwekvermogen van 3,8 MW). Op landschappelijk aspecten wordt dit zoekgebied, ten opzichte van andere gebieden, slecht beoordeeld. Dit vanwege onder meer de mogelijk negatieve impact op het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL - VechtstreekNoord). Het zoekgebied overlapt namelijk aan de zuidkant met dit BPL. Op plan-MER-niveau leidt dat tot

een dubbele min in de beoordeling. Een opstelling van turbines die zich zoveel mogelijk richt op de verkavelingsstructuur lijkt op voorhand niet uitgesloten. Vanwege de beperkte hoogte van de turbines is vermoedelijk geen aanvullend onderzoek nodig naar de impact op het Unesco werelderfgoed Stelling van Amsterdam/Nieuwe Hollandse Waterlinie. Tevens ligt dit zoekgebied binnen de Amsterdamse ecologische structuur. De ecologische structuur is van belang vanwege de ecologische verbindingen in de stad en naar gebieden daarbuiten. Voor wat betreft de effecten op vogeltrek laat het MER zien dat de Diemerscheg gemiddeld wordt beoordeeld.

Op het gebied van recreatie hebben windturbines in dit zoekgebied een negatiever effect dan in verschillende andere zoekgebieden. Deze signalen zijn ook naar voren gekomen in participatierondes, waarin onder meer de hoge waarde van het volkstuinencomplex en NNNgebied voor de gebruikers ervan is onderstreept. In het plan-MER zijn de gevolgen voor geluid en externe veiligheid voor het volkstuinencomplex in beeld gebracht. Er kunnen geen windturbines in volkstuin­ complexen worden geplaatst. Tevens zijn visualisaties gemaakt die onder meer een beeld geven van de impact op het volkstuinencomplex. Bij de inpassing van windturbines in dit gebied moeten ook de gevolgen voor het volkstuinencomplex meegewogen worden.

Programma Windenergie Amsterdam 2030

De onderzoeksopstellingen in het plan-MER bevinden zich in het Natuurnetwerk Nederland. Ook voor dit aspect geldt echter dat er optimalisaties mogelijk zijn. Zo zijn er binnen het gebied verschillen in ecologische waarden en de mogelijkheden om te mitigeren of compenseren. Het maken van keuzes over de positio­ nering van windturbines binnen het Diemerscheg gebied gebeurt op projectniveau in afstemming met de provincie en op basis van nader onderzoek. Voor dit gebied is het ook van belang om de mogelijkheid van natuurcompensatie, clustering en ontwerpen in samenhang met toekomstige plannen voor windenergie van de gemeente Diemen mee te nemen. Het onderzoek naar sociale aspecten levert voor de locatie Diemerscheg geen specifieke aandachtspunten op, omdat het beeld per buurt die binnen een kilometer van het zoekgebied ligt, wisselend is. Vanwege de, in vergelijking met andere gebieden, vrijwel ontbrekende nadelige milieugevolgen voor gezondheid en de mogelijkheden om door mitigatie/ compensatie andere negatieve effecten te beperken, is dit gebied aangewezen als mogelijk gebied voor windturbines. Mogelijk zijn niet alle windturbines van de onderzoeksopstelling in het plan-MER inpasbaar.

Weesperkarspel (5B) Een solitaire windturbine in dit zoekgebied (met een tiphoogte van maximaal 212m, overeenkomend met een opwekvermogen van 5,6MW) op de grens met de gemeente De Ronde Venen ligt op aanzienlijke afstand van woningen. De gevolgen voor geluid zijn vergelijkbaar met de gebieden Diemerscheg, Knooppunt Holendrecht en noordoostelijk deel van het IJmeer. Op het aspect ‘aantal slagschaduwgevoelige objecten binnen de 30 minuten-contour’, is het gebied iets minder gunstig beoordeeld dan bijvoorbeeld Diemerscheg. Dat betekent dat slagschaduwhinder op projectniveau gemitigeerd moet worden. Het onderzoek naar sociale aspecten geeft een meer wisselend beeld. De wijken Gein 3 en 4 scoren bovengemiddeld op sociale aspecten, maar in Weesperkarspel bevindt zich wel een sociaaleconomisch kwetsbare buurt. Ook op het gebied van ecologie en landschap is de impact beperkter dan in diverse andere gebieden. Wel is het zoekgebied onderdeel van de Hoofdgroenstructuur, zodat zorgvuldige inpassing nodig is. Vanwege de, in vergelijking met andere gebieden, beperktere nadelige milieugevolgen is dit gebied aan­ gewezen als mogelijke locatie voor plaatsing van een

34

solitaire windturbine. Mogelijk kan een cluster van twee windturbines gevormd worden met een turbine aan de zuidoostelijke rand van gebied Gaasperplas (zie hierna).

Gaasperplas (5C) De drie in het plan-MER onderzochte onderzoeks­ opstellingen in de Gaasperplas (17 MW) zijn gezamenlijk in het plan-MER als zeer slecht beoordeeld op leef­ omgeving vanwege de grote aantallen woningen in de nabijheid. Dit effect is in het westen van het zoekgebied groter dan in het oosten. Verder is de plas onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Dit zoekgebied is ten opzichte van andere zoekgebieden het meest negatief beoordeeld op recreatie. Ook uit de reacties op het concept NRD is gebleken dat het gebied voor omwonenden van belang is voor (water)recreatie, in het bijzonder voor omwonenden met een beperkt budget. Dit wordt ondersteund door de uitkomsten van het onderzoek naar sociale aspecten, waaruit blijkt dat de sommige buurten rond het zoekgebied Gaasperplas sociaaleconomisch kwetsbaar zijn. Wel geldt voor dit gebied dat een optimalisatie mogelijk is. De negatieve milieugevolgen zijn aanzienlijk te beperken als alleen de meest oostelijke turbine, op de oever van de Gaasperplas, beschouwd wordt. Mogelijk kan deze locatie nog verder geoptimaliseerd worden door buiten de 45 dB Lden-contour te blijven, buiten het NNN-gebied te blijven (of aanwezige natuur­waarden te compenseren) en ook binnen dit gebied zo ver mogelijk verwijderd te blijven van de meest kwetsbare woonbuurten. Hiervoor is nader onderzoek in de volgende fase nodig.

Aandachts­ punten daarbij zijn ook de doelen van de in het planMER genoemde ontwikkeling ‘Vernieuwing Gaasper­ plas’, zoals het verhogen van de biodiversiteit en recreatiemogelijkheden. Gelet op de grote nadelige milieugevolgen en de sociale kwetsbaarheid van de woonbuurten in de nabijheid van de meest westelijke turbines, vinden wij het grootste gedeelte van dit gebied niet geschikt. Gezien de mogelijke optimalisatie aan de zuidoostrand van de Gaasperplas, wordt dit gedeelte van het zoekgebied wel aangewezen als mogelijke locatie voor plaatsing van één windturbine, en is de contour van het zoekgebied hierop aangepast. Deze positie is bevindt zich het verst af van sociaaleconomisch kwetsbare wijken (Gein 3 en 4 scoren bovengemiddeld goed op sociale aspecten). Mogelijk kan een cluster van twee windturbines gevormd worden met een turbine in het gebied Weesperkarspel (5B).

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Bestaande windturbine Amstelvogel op grondgebied van gemeente Ouder-Amstel nabij knooppunt Holendrecht. In coöperatief beheer.

Knooppunt Holendrecht (6A) De solitaire windturbine nabij knooppunt Holendrecht (met een tiphoogte van maximaal 212 meter overeen­ komend met 5,6 MW opwekvermogen) ligt ver van woningen, waardoor deze in het plan-MER goed wordt beoordeeld op de effecten van geluid ten opzichte van andere zoekgebieden. Wel overlapt het zoekgebied deels met NNN-gebied. De aanwezige natuurwaarden zijn minder hoog dan in sommige andere gebieden en kunnen in overleg met de provincie en Staatsbosbeheer gecompenseerd worden. Gelet op de ligging op een golfbaan en het gebruik van het gebied voor wandelen en sport, zal onderzocht moeten worden hoe dit ingepast kan worden en eventueel gecompenseerd. Door de ligging langs de snelweg, vlakbij de bestaande windturbine, is er wel een duidelijke aansluiting bij bestaande structuren mogelijk (‘landmark’-functie). In de directe nabijheid van de locatie wordt door gemeente Ouder-Amstel onderzoek gedaan naar mogelijkheden voor plaatsing van nieuwe windturbines. Het college ziet daarom een kans om dit voor Knooppunt Holendrecht samen met de gemeente Ouder-Amstel te onderzoeken

en te streven naar clustering, in combinatie met de reeds bestaande windturbine. Volgens het onderzoek naar sociale aspecten zijn er – gelet op de afstand tot woongebieden – geen kwetsbare gebieden nabij het zoekgebied. Wel is er woningbouw gepland. Volgens het plan-MER is deze ontwikkeling niet onverenigbaar met plaatsing van een windturbine, maar moet er in het kader van vergunningverlening wel rekening gehouden worden met noodzakelijke mitigerende maatregelen. Een andere stadsontwikkeling in de omgeving heeft betrekking op het verplaatsen van de helipoortstandplaats van traumahelikopters van de VU naar het AMC. Dit kan wel onverenigbaar zijn met de plaatsing van een windturbine op deze locatie. Afstemming en vervolgonderzoek is hiervoor nodig. Vanwege de, in vergelijking met andere gebieden, beperktere nadelige milieugevolgen is dit gebied aangewezen als mogelijk gebied voor plaatsing van een solitaire windturbine.

35

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Landelijk Noord (X1) De gekozen onderzoeksopgave om windturbines in Landelijk Noord te modelleren leidt volgens de opstellers van het plan-MER niet tot onverwachte inzichten: de effecten op vrijwel alle milieuthema’s zijn zeer negatief. Door het grote aantal verspreid liggende woningen en de status van het gebied als beschermd landschappelijk en natuurlijk gebied zijn er niet of nauwelijks realiseerbare optimalisaties denkbaar. Vanwege de zeer negatieve effecten op vrijwel alle milieuthema’s is dit gebied niet aangewezen als mogelijke locatie voor windturbines.

IJmeer (X2) Windturbines in het IJmeer liggen zo ver van Schiphol dat er geen hoogtebeperkingen zijn. In het plan-MER is daarom uitgegaan van windturbines met een tip­ hoogte van 240 meter (met een opwekvermogen van 7,2 MW). Elke windturbine kan hier zeer veel energie opwekken, waardoor de doelstelling met relatief weinig windturbines gehaald kan worden. Doordat in het plan-MER het gehele zoekgebied maximaal met windturbines is ingevuld liggen er ook woningen binnen de geluidscontouren, waardoor de beoordeling op Leefomgeving negatief wordt beïnvloed. Optimalisatie is hier mogelijk. Uit het planMER blijkt dat als gekozen wordt voor plaatsing van windturbines uitsluitend in het noordoostelijk deel van het zoekgebied, de effecten op geluid en slagschaduw relatief goed beoordeeld worden. Ecologie is het meest kritische milieuthema voor dit zoekgebied: de ligging in een Natura 2000-gebied betekent in ieder geval dat er sprake zal zijn van areaalverlies en, volgens het plan-MER, grote aantallen verwachtte vogel- en vleermuisslachtoffers. Significant negatieve effecten op het Natura 2000-gebied zijn daarom niet op voorhand uit te sluiten en zouden in een passende beoordeling nader moeten worden onderzocht.

Als uit een dergelijk onderzoek blijkt dat er significant negatieve effecten op natuur te verwachten zijn, die bovendien niet of nauwelijks te mitigeren zijn, dan is een extra natuurtoets nodig (de zogenaamde ADC-toets). Uit die toets moet onder andere blijken dat er geen mogelijkheden zijn om de doelstelling voor opwek van duurzame energie op andere wijze/ op alternatieve locaties te realiseren. Dit gebied aanwijzen is daarom niet mogelijk zonder dat er detailonderzoek wordt gedaan naar de gevolgen voor ecologie en er op basis van onderzoek aangetoond kan worden dat

36

er binnen Amsterdam geen andere haalbare locaties voor windturbines aanwezig zijn. Dat is ook in lijn met het advies van de expertgroep Natuur voor de Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat er lang onzekerheid zou blijven bestaan over de uitvoerbaarheid van windturbines in het IJmeer.2 Ook landschappelijk zijn de negatieve effecten aanzienlijk, door de aantasting van landschappelijke waarden en de ligging ten opzichte van UNESCOwerelderfgoed. Hierover dient nauwe afstemming met de provincie plaats te vinden. Daarnaast is het effect van windturbines op (water)recreatie in het plan-MER als negatief beoordeeld. Vanwege de aanzienlijk negatieve beoordeling in het plan-MER op natuur en overige milieueffecten is dit gebied niet aangewezen als mogelijke locatie voor windturbines.

2.4 Conclusie: Wat zijn de aangewezen gebieden? Op kaart 1/tabel 1 staan de gebieden die, na een zorgvuldige voorbereiding en belangenafweging, volgens het college mogelijk geschikt zijn voor de plaatsing van grootschalige windturbines op het grondgebied van de gemeente Amsterdam. Het gaat om de volgende gebieden: • Havengebied (gebied 1A buiten de RingA10); • Diemerscheg (gebied 5A); • Weesperkarspel (gebied 5B); • Zuidoostelijke oever Gaasperplas (gebied 5C) en; • Knooppunt Holendrecht (gebied 6A). Invulling in het Havengebied heeft onze sterke voorkeur. Om die reden zijn wij voornemens om dit gebied als versnellingsgebied in de zin van REDIII aan te wijzen. Het college verbindt een aantal voorwaarden aan realisatie van windturbines in deze gebieden: • Door plaatsing van windturbines in deze gebieden mogen er geen onaanvaardbare gezondheidsrisico’s ontstaan of de natuur te veel worden belast (zie 2.2 ‘Welke afwegingen heeft het college gemaakt?’);

2 Overigens is de ADC-toets in de (verlengde en gewijzigde) Europese Noodverordening voor hernieuwbare energie recentelijk verder versoepeld.

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Naam zoekgebied RES 1.0

Status

Toelichting

1A Haven

Aangewezen (contour aangepast t.o.v. RES1.0)

Inpasbaarheid windturbine(s) binnen het deelgebied moet blijken uit onderzoek op projectniveau

1B Haven-Zuid

Afgevallen

Afgevallen o.b.v. resultaten plan-MER

2A Noorder IJplas

Anders

Reeds in ontwikkeling

2B Cornelis Douwesterrein

Afgevallen

Afgevallen o.b.v. resultaten eerder onderzoek

3A Ring A10 Noord

Afgevallen

Afgevallen o.b.v. resultaten plan-MER

4A Sciencepark

Afgevallen

Afgevallen o.b.v. resultaten plan-MER

4B Zeeburgereiland

Afgevallen

Geen windturbines inpasbaar

4C Strand-/Buiteneiland

Afgevallen

Afgevallen o.b.v. resultaten plan-MER

4D IJburg Baai

Afgevallen

Afgevallen o.b.v. resultaten plan-MER

4E IJburg/Diemerpark

Afgevallen

Afgevallen o.b.v. resultaten plan-MER

5A Diemerscheg

Aangewezen

Inpasbaarheid windturbine(s) binnen het deelgebied moet blijken uit onderzoek op projectniveau

5B Weesperkarspel

Aangewezen

Inpasbaarheid windturbine binnen het deelgebied moet blijken uit onderzoek op projectniveau

5C Gaasperplas

Aangewezen (contour aangepast t.o.v. RES1.0)

Inpasbaarheid windturbine(s) binnen het deelgebied moet blijken uit onderzoek op projectniveau

6A Knooppunt Holendrecht

Aangewezen

Inpasbaarheid windturbine binnen het deelgebied moet blijken uit onderzoek op projectniveau

6B Amstel III

Afgevallen

Geen windturbines inpasbaar

7

Afgevallen

Geen windturbines inpasbaar

X1 Landelijk noord

Afgevallen

Afgevallen o.b.v. resultaten plan-MER

X2 IJmeer

Afgevallen

Afgevallen o.b.v. resultaten plan-MER, aanwijzing niet mogelijk zonder passende beoordeling

Kop Amstelscheg

Tabel 1: overzicht van aangewezen en afgevallen gebieden

• Het totaal aan opgesteld vermogen windenergie in 2030 is 127 MW; • Geschiktheid en locatie van één of meer wind­ turbines binnen een deelgebied moet blijken uit nader onderzoek op projectniveau, mede gelet op hoofdstuk 4. Zo nodig wordt natuur- en recreatie­ gebied gecompenseerd. In tabel 1 staat samengevat welke gebieden zijn afgevallen of zijn aangewezen en waarom.

Tot slot Zoals gezegd gaat Amsterdam uit van de doelstelling van 127 MW opgesteld vermogen, en een restopgave van maximaal 27MW in de in dit programma aangewezen gebieden. Mocht onverhoopt een project dat als auto­ nome ontwikkeling is aangemerkt toch niet uitgevoerd worden, dan leidt dat voor 2030 niet tot extra gebied(en) dan nu in dit programma zijn aangewezen.

of een extra turbine wenselijk is (waarmee het doel met een klein aantal MW’s wordt overschreden) of dat een klein tekort op het doel beter is. Met dit programma liggen de zoekgebieden tot 2030 vast. Na 2030 wordt dit programma geëvalueerd en zo nodig bijgesteld, gelet op het dan gerealiseerde opgesteld vermogen danwel herziene doelstellingen voor wind. Voor alle gebieden geldt dat er maatwerk nodig is en dat er in het vergunningstraject locatie-specifieke onderzoeken uitgevoerd moeten worden naar de inpasbaarheid van één of meer windturbines. In hoofdstuk vier wordt nader ingegaan op de nood­ zakelijke onderzoeken en de richtlijnen die Amsterdam meegeeft aan initiatiefnemers van wind­projecten. In het volgende hoofdstuk (hoofdstuk 3) beschrijven we eerst het proces van een windturbineproject en gaan we dieper in op de rol van de gemeente in dat traject.

Ook kan het zijn dat niet exact het aantal van 27 MW opgesteld vermogen in de aangewezen gebieden wordt behaald. In dat geval zal te zijner tijd worden afgewogen

37

38

5 km

N

Amstelveen

Oostzaan

Knooppunt Holendrecht

Ouder-Amstel

Landsmeer

Diemerscheg

Gooise Meren

Let op: Concept kaart t.b.v. ter visie legging. Q2 2024

Weesperkarspel

De Ronde Venen

Gaasperplas

Diemen

Waterland

Kaart 1: Aangewezen gebieden voor windturbines (status: concept voor ter visielegging Q2 2024). Disclaimer: op deze kaart staan de aangewezen gebieden waarbij de contour van de RES 1.0 gebieden in twee gevallen is gewijzigd. Uit nader onderzoek op projectniveau zal blijken welke locaties binnen een gebied daadwerkelijk in aanmerking komen voor plaatsing van één of meer windturbines.

2,5km

Stadsdeelgrens

Bestaande windturbine

Windturbine in voorbereiding

Aangewezen gebied

Legenda

Haarlemmermeer

Haven

Zaanstad

Programma Windenergie Amsterdam 2030

5 km

Let op: Concept

IJmeer

Knooppunt Holendrecht

Diemerscheg Weesperkarspel

De Ronde Venen

Gaasperplas

Gooise Meren

Kaart 2: Zoekgebieden voor windenergie uit de RES 1.0 Op deze kaart staan de windzoekgebieden uit de RES 1.0. Deze gebieden vormden het startpunt van het PWA. In het plan-MER zijn deze gebieden gescoord op milieuaspecten. In het plan-MER is ook gekeken of er nog andere mogelijke gebieden mogelijk geschikt zijn voor windenergie. Dit was niet het geval.

2,5km

N

Ouder-Amstel

Stadsdeelgrens

Diemen

Kop Amstelscheg

Windturbine in voorbereiding

Bestaande windturbine

Landelijk Noord

Waterland

Zeeburger Eiland IJburg baai Strand- kaart t.b.v. Buiteneiland ter visie legging. Sciencepark Q2 2024 IJburg/Diemerpark

Ring A10 Noord

Amstel III

Cornelis Douwes

Landsmeer

Noorder IJplas

Amstelveen

Oostzaan

Voorkeursgebied RES 1.0

Reservegebied RES 1.0

Extra reservegebied RES 1.0

Legenda

Haarlemmermeer

Haven zuid

Haven

Zaanstad

Programma Windenergie Amsterdam 2030

39

3 Hoe komt een windproject tot stand? Het realiseren en in bedrijf nemen van een windturbine is een complex en meerjarig traject. Het vraagt om zorgvuldigheid in alle fasen, waarbij veel aandacht is voor het betrekken van de omgeving. Er moeten diverse onderzoeken worden uitgevoerd naar de mogelijke impact op natuur, landschap en leefomgeving. Initiatiefnemer, overheden, omwonenden, bedrijven en andere partijen werken samen in verschillende rollen en verantwoordelijkheden. Hoe zo’n proces er concreet uitziet is maatwerk per project. Wel zijn er een aantal fasen te onderscheiden die bij elk project moeten worden doorlopen om een windturbine te realiseren, te exploiteren en uiteindelijk ook weer te ontmantelen. In dit hoofdstuk beschrijven we op hoofdlijnen het proces van een windturbineproject en gaan we dieper in op de rol van de gemeente in dat traject.

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Verkenning

Ontwerp

Vergunning

Bouw

Exploitatie

Ontmanteling

Vergunning

Bouw

Exploitatie

Ontmanteling

Figuur 5: Fasering van een windproject.

Verkenning

Ontwerp

3.1 Hoe ziet het proces er op hoofdlijnen uit?

Geen windproject is hetzelfde

Globaal kunnen we bij het realiseren van een wind­ Ontwerp Vergunning Verkenning turbine zes fasen onderscheiden: verkenning, ontwerp, vergunning, bouw, exploitatie en ontmanteling (zie figuur 5).1 In dit proces zijn diverse partijen betrokken.

Verkenning

Ontwerp

Vergunning

• De initiatiefnemer is de trekker van de ontwikkeling en doorloopt het gehele proces vanaf de verkennings­ fase tot en met het ontmantelen van de windturbine. Een initiatiefnemer kan een grondeigenaar zijn, maar ook een coöperatie, particulier, bedrijf (bijvoorbeeld Ontwerp Vergunning Verkenning een bedrijf dat duurzame energie nodig heeft om te verduurzamen) of een overheidsinstantie. • Uiteraard is ‘de omgeving’, zoals bewoners, bedrijven en eventueel andere belanghebbenden, een belang­ rijke partij bij de ontwikkeling van een wind­project tot en met de fase van de ontmantelingVergunning van een Ontwerp Verkenning windturbine. • Daarnaast zijn de gemeente, de provincie en even­ tueel andere overheden intensief betrokken bij een wind­project.

Vergunning ElkVerkenning windproject is uniekOntwerp en zal een eigen proces door­ lopen (zie tekstkader: Geen windproject is hetzelfde). We beperken ons in de volgende paragrafen tot het beschrijven van de hoofdlijnen. Hoe ziet het proces van een windproject er ongeveer uit? Welke onderzoeken moeten er worden uitgevoerd? En wie zijn er bij elke fase betrokken? In hoofdstuk vier wordt dieper ingegaan op de richtlijnen die de gemeente stelt aan een windproject.

1 https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/projectbesluit/

42

Het proces van een windproject en de rolverdeling tussen de initiatiefnemer, andere Bouw Exploitatieoverheid en Ontmanteling betrokken partijen is zeer afhankelijk van de lokale omstandigheden. Het hangt bijvoorbeeld af van het grondeigendom en de betrokken partijen in de omgeving van een beoogde locatie. Hoe dit proces in de praktijk vorm krijgt is maatwerk.

Bouw

Exploitatie

Ontmanteling

Zo geldt voor het aangewezen gebied in de haven dat de Port of Amsterdam (PoA) al geruime tijd initiatiefnemer en facilitator is. PoA doet in deze rol gedetailleerd onderzoek en overlegt met de bedrijven binnen haar exploitatiegebied om te Bouw Exploitatie onderzoeken welke mogelijkheden Ontmanteling er zijn om windturbines in te passen op het (uitgegeven-) terrein van de haven. Potentiële locaties kunnen bijvoorbeeld onderdeel worden van de inrichting van een bedrijf. De betrokken partijen in de lokale omgeving zullen vooral bedrijven zijn. Bouw Exploitatie Ontmanteling Ook de richtlijnen die van toepassing zijn op nieuwe windprojecten (zie hoofdstuk vier) zijn zeer afhanke­lijk van de lokale situatie. Een participatie- en communi­catie­proces zal er in Bouw Exploitatie Ontmanteling de haven anders uitzien dan in de Diemerscheg, Weesperkarspel, of Knooppunt Holendrecht. Ook zullen de mogelijkheden voor finan­ciële participatie verschillen en worden er andere eisen gesteld aan landschappelijke inpassing of ecologie. Het proces dat in dit hoofdstuk centraal staat en de richtlijnen die we in hoofdstuk vier beschrijven zijn dan ook ‘op hoofdlijnen’. Om invulling te geven aan lokale omstandigheden wordt een initiatief­ nemer uitgenodigd om in een vroeg stadium van planvorming (in de verkenningsfase) contact op te nemen met de gemeente en de provincie.

In dat stadium zal de gemeente concreter invulling kunnen geven aan de condities waaronder een windturbineproject op steun kan rekenen.

Verkenning

Ontwerp

Vergunning

Bouw

Exploitatie Ontmanteling Programma Windenergie Amsterdam 2030

Verkenning

Ontwerp

Vergunning

Bouw

Exploitatie

Ontmanteling

Bouw

Exploitatie

Ontmanteling

Figuur 6: Van verkenning naar de fase van vergunningverlening.

Verkenning

Ontwerp

Vergunning

3.2 Wat moet er gebeuren voordat de bouw kan starten? Voordat er gestart kan worden met de bouw van één of Verkenning meer windturbines wordt er in de verkennings-, Ontwerp Vergunning ontwerp-, en vergunningsfase een zorgvuldig proces doorlopen. In de verkenningsfase2 maakt de initiatiefnemer of initia­ tiefnemers het plan om één of meerdere windturbines Vergunning te Verkenning ontwikkelen kenbaarOntwerp bij de grond­eigenaar, gemeente en andere overheidsinstanties, waaronder de Provincie Noord-Holland. Deze bekijken en beoordelen de plan­ nen, mede op basis van dit PWA. Als een initiatiefnemer voldoet aan de eisen die wij en de Provincie stellen aan het starten van een windenergieproject, dan kunnen Ontwerp Vergunning Verkenning afspraken worden vastgelegd, en kan de initiatiefnemer beginnen met de verkenning.

Deze staan beschreven in de algemene set van indieningsvereisten in het Omgevingsloket. De Provincie Noord-Holland omschrijft daarnaast in de Ruimtelijke Handreiking Wind op Land (2021)3 de processtappen die de initiatiefnemer dient te doorlopen voordat Bouw Exploitatie Ontmanteling er een vergunningsprocedure gestart kan worden. De initiatiefnemer start in deze fase een verkenning naar de ruimtelijke context van de ontwikkeling, en betrekt daarbij aspecten zoals landschap, recreatie en natuur. Ook verkent de initiatiefnemer in deze fase Bouwpartijen er Exploitatie Ontmanteling welke verder betrokken moeten worden zoals omwonenden, bedrijven, belangengroepen, energiebedrijven, et cetera.

De initiatiefnemer verkent in deze fase wat er nodig is om een vergunning te krijgen en welke wetten en kaders van toepassing zijn. In hoofdstuk vier van dit programma ‘Waar moet een initiatief aan voldoen’ staat beschreven welke richtlijnen de gemeente daarbij hanteert. De Omgevingsdienst zal namens de gemeente of provincie ook aangeven wat de indieningsvereisten zijn om in aanmerking te komen voor een vergunning.

In de ontwerpfase wordt nader onderzocht of het project realiseerbaar is. In dit stadium worden Bouw Exploitatie Ontmanteling onderzoeken verricht om te kunnen beoordelen of het plan voldoet aan de eisen uit het PWA en de vergunningsvereisten van het bevoegd gezag. Voor aanvullende onderzoeken, bijvoorbeeld geluid en ecologie, zal de initiatiefnemer meestal een gespecia­ liseerd inschakelen. De omgeving Bouw adviesbureau Exploitatie Ontmanteling wordt geïnformeerd over de uitkomsten van de onderzoeken. De initiatiefnemer stelt samen met de omgeving en de gemeente een communicatieplan en een participatieplan op. In het participatieplan wordt ingegaan op de betrokkenheid van de omgeving en de mogelijkheden om financieel te participeren. De omgeving bestaat onder andere uit omwonenden, lokale ondernemers en belangenorganisaties. Ook het desbetreffende stadsdeel wordt betrokken en adviseert over het participatieplan en het communicatieplan. Aan het college van B&W wordt gevraagd om in te stemmen met het participatieplan en het communicatieplan. De verkenning naar de ruimtelijke context wordt in deze fase samen met de gemeente, de omgeving (en buurgemeenten) uitgewerkt naar een landschapsplan (of beeldkwaliteitsplan), mede op basis van de Ruimtelijke Handreiking Wind op Land (2021) en de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie van de provincie.

2 Met ‘verkenning’ wordt hier niet gedoeld op de verkenning in het kader van een projectbesluit-procedure. Voor informatie over het projectbesluit zie par. 1.1 en ook Projectbesluit | Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl).

3  https://www.noord-holland.nl/Onderwerpen/Klimaat_Energie/ Duurzame_energie/ Windenergie/Documenten/Ruimtelijke_ handreiking_wind_op_land_OV_NH2020.org

Als de gemeente zelf grondeigenaar is dan wordt de ontwikkeling van een windproject via een tender in de markt gezet. De gemeente bepaalt in dat Vergunning geval in deze Ontwerp Verkenning fase de criteria op basis waarvan een ontwikkelende partij zal worden geselecteerd, zoals ruimtelijke inpassing, procesparticipatie en financiële participatie (zie ook tekstkader: Hoe kan de gemeente invloed uitoefenen?). Als een andere (publieke) partij de grondeigenaar is kan de gemeente een samen­werking aangaan om gezamenlijk een tender voor wind­ ontwikkeling voor te bereiden of deze partij actief te ondersteunen.

43

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Omgevingsplan Sinds 1 januari 2024 is het instrument ‘bestemmings­ plan’ er niet meer. Deze is grossomodo vervangen door het ‘omgevingsplan’. Het omgevingsplan bevat algemene regels van de gemeente voor de fysieke leefomgeving. De reikwijdte van het omgevingsplan is daarmee breder dan van het bestemmingsplan (het bestemmingsplan bevatte regels over de ruimtelijke ordening). Een aantal gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, zoals de Hemelwaterverordening Amster­dam of de Erfgoedverordening Amsterdam, gaan verplicht onderdeel uitmaken van het omgevings­plan. Iedere gemeente heeft 1 omgevings­plan onder de Om­ gevingswet. Dit is fictief al zo vanaf 1 januari 2024. Daarom wordt gesproken van ‘een wijziging van het omgevingsplan’ bij nieuwe ruimtelijke plannen. De ­gemeenteraad is bevoegd om te besluiten over wijzigingen van het omgevingsplan. Een wijziging kan bijvoorbeeld gaan over het mogelijk maken van windturbines in een van de aangewezen gebieden. De gemeenteraad mag delen van die bevoegdheid overdragen aan het college van burgemeester en wethouders.

Het omgevingsplan bestaat volgens het overgangs­ recht in de Invoeringswet Omgevingswet uit een tijdelijk deel en een nieuw deel. In het tijdelijke deel zitten alle bestaande ruimtelijke besluiten zoals bestemmings­plannen, uitwerkingsplannen, wijzigings­ plannen plus algemene rijksregels die overgegaan zijn van het rijk naar de gemeente. Uiterlijk 1 januari 2032 moet het omgevingsplan voldoen aan de vereisten van de Omgevingswet, deze vereisten gaan onder meer over digitale vereisten aan een omgevingsplan. In Amsterdam wordt gewerkt aan de Basisregels Omgevingsplan, zodat alle regels al uniform zijn. Net als onder het recht van vóór 1 januari 2024, is het mogelijk om met een vergunning af te wijken van het bestaande omgevingsplan. Als een aanvraag niet past in het bestaande omgevingsplan en gaat over windturbines tot 5 MW1, mag het college van burgemeester en wethouders daarover besluiten. Als een aanvraag niet past in het bestaande omgevings­ plan, en gaat over windturbines tussen de 5-100MW, dan mag het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland daarover besluiten; deze moeten dan verplicht een projectbesluitprocedure toepassen.

1 In het wetsvoorstel voor de Energiewet is de gemeente bevoegd gezag tot 15 MW (artikel 6.2 van het wetsvoorstel Energiewet). Het wetsvoorstel is momenteel in behandeling bij de Tweede Kamer.

Andere belanghebbenden zoals bijvoorbeeld buur­ gemeenten, Rijkswaterstaat, Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, Provincie Noord-Holland, belangen­groepen, energiebedrijven, Liander, Tennet, Inspectie leefomgeving transport (ILT) en Waterschap worden door de initiatiefnemer geïnformeerd over de geplande ontwikkeling. Deze instanties toetsen zo nodig de haalbaarheid van het ontwerp vanuit hun eigen beleidskaders en randvoorwaarden en andere ruimtelijke ontwikkelingen. Liander toetst bijvoorbeeld als netbeheerder of de windturbine aangesloten kan worden op het stroomnet. Omliggende gemeenten worden geconsulteerd of het initiatief conflicteert met lokale belangen in die gemeente. Het aanvragen van een vergunning gebeurt in de vergunningsfase. Vanzelfsprekend moet een aanvraag voor een omgevingsvergunning voldoen aan de indienings­ vereisten van de vergunningverlener en de geldende

44

wet- en regelgeving, zoals de Provinciale Omgevings­ verordening, landelijke normen ten aanzien van geluid, ecologie en overige vereisten van de Omgevingswet en bijbehorende regelingen. Ook moet de initiatiefnemer aantonen dat aan alle wet- en regel­geving wordt voldaan als de windturbine eenmaal in bedrijf is. Als de provincie bevoegd gezag is geeft de gemeente advies aan de provincie. Ontwerpbesluiten (bijvoorbeeld een ontwerpbesluit omgevingsvergunning) worden ter inzage gelegd, inclusief de daarbij horende onder­ zoeken die in de ontwerpfase zijn uitgevoerd. De Omgevingsdienst verwerkt de zienswijzen in de vorm van een Nota van Beantwoording en verleent de definitieve vergunning namens de provincie.4

4 Voor meer informatie zie https://www.noord-holland.nl/Loket/ Producten_en_Diensten/Producten_op_alfabet/P/Provinciaal_ projectbesluit_inzage

Verkenning

Ontwerp

Vergunning

Bouw

Exploitatie Ontmanteling Programma Windenergie Amsterdam 2030

Verkenning

Ontwerp

Vergunning

Bouw

Exploitatie

Ontmanteling

Bouw

Exploitatie

Ontmanteling

Figuur 7: Van bouwfase tot ontmanteling van een windturbine.

Verkenning

Ontwerp

Vergunning

Soms is ook een vergunning volgens de Waterwet vereist. Daarvoor is het Waterschap bevoegd gezag.

Zodra de vergunningen zijn verleend worden alle benodigde overeenkomsten gesloten, zoals koopgebruikof erfpacht overeenkomsten metVergunning de initiatief­ Ontwerp Verkenning nemer, grondeigenaar en/ of gemeente. Daarnaast wordt er een anterieure overeenkomst met de Provincie NoordHolland of de gemeente (afhankelijk van wie bevoegd gezag is) gesloten om kosten die samenhangen met de uitvoering van de vergunning te verhalen. Ook worden

Verkenning

Ontwerp

Vergunning

er contracten vastgelegd met leveranciers en afnemers van stroom. De financiering wordt definitief vastgelegd. Dan kan gestart worden met de bouw.

3.3 Het proces van bouwfase vanOntmanteling een Bouwtot ontmanteling Exploitatie windturbine In de bouwfase wordt de locatie gereed gemaakt om de windturbine(s) te plaatsen. Het terrein wordt bouwrijp gemaakt, ondergrondse infrastructuur en bouwwegen

Bouw

Exploitatie

Ontmanteling

Exploitatie

Ontmanteling

Monitoring, handhaving, en het melden van overlast Verkenning

Ontwerp

Vergunning

Bij een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag (hier meestal de Provincie Noord-Holland) monitorings­maatregelen opleggen in de vergunning­ voorschriften. Denk aan een verplichte monitoring van geluid om te kunnen bepalen of dit binnen de gestelde normen blijft, maar ook bijvoorbeeld monitoring van slachtoffers onder vogels en vleer­ muizen. Bevoegd gezag kan vragen om hiervoor een monitoringsplan op te stellen. De gemeente Amsterdam kan het bevoegd gezag verzoeken bepaalde voorschriften in de vergunning op te nemen, en/of kan aanvullende afspraken maken met initiatiefnemers in overeenkomsten. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen dat de wind­ turbine functioneert conform de vergunning en de daaraan verbonden monitoringsvoorschriften. Als er monitoringsmaatregelen in de omgevingsvergunning zijn opgenomen, is de vergunninghouder zelf verant­­woordelijk voor de monitoring en moeten de resultaten daarvan aan het bevoegd gezag beschik­ baar worden gesteld. Het bevoegd gezag, ziet vervolgens toe op het volgen van wet- en regelgeving en vergunningsvoorschriften o.a. ten behoeve van het functioneren van de

Bouw

windturbine. De Omgevingsdienst heeft hiervoor een algemene handhavingsstrategie. Omwonenden kunnen ook een handhavingsverzoek bij de omgevings­ dienst indienen. Informatie hierover staat op de site van de Omgevingsdienst. Melden van overlast of indienen van een klacht Een melding kan worden gedaan bij het ondervinden van overlast (geluid, licht e.d.) van een windturbine. De gemeente wil dat een melding kan worden gedaan bij de initiatiefnemer/coöperatie/ exploitant van (een) windturbine(s) en/of gelijk bij de Omgevingsdienst ODNZKG. Voor het doen van een melding bij overlast van een windturbine heeft de Omgevingsdienst een speciale meldingentool op overlast.odnzkg.nl Bij meldingen hoeft er overigens niet altijd sprake zijn van overschrijdingen van wettelijke normen/ vergunning­voorschriften. Het is aan de ODNZKG om te beoordelen of de voorschriften worden overschreden of te conclu­deren dat de voorschriften ontoereikend zijn en er aanleiding is om voorschriften aan te passen. De gemeente is nog in overleg met provincie /OD op welk wijze de Informatie over meldingen, klachten en het doen van een handhavingsverzoek op de website klantvriendelijker kan worden gemaakt.

45

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Figuur 8: Voorbeeld van circulariteit. Speeltuin van hergebruikte windturbinebladen – Superuse/Blade made, Rotterdam 2009. Foto: Allard van Der Hoek

Hoe wordt circulariteit van windturbines betrokken bij windprojecten? Circulariteit gaat ervan uit dat afval opnieuw grondstof is voor nieuwe producten. De onderdelen waar een windturbine uit bestaat kunnen na hun levensduur opnieuw worden ingezet, waardoor de waarde behouden blijft. Bij circulariteit van windturbines speelt met name de zorg voor de noodzakelijke zeldzame metalen en de recyclebaarheid van de rotorbladen. Deze opgaven kan de gemeente Amsterdam niet (alleen) oplossen. Amsterdam zal daarom bijdragen aan de landelijke activiteiten die in het Nationaal Programma Circulaire Economie worden ondernomen. De Rijksoverheid heeft als doel gesteld dat in 2050 100% secundair gebruik gemaakt kan worden van windturbine materialen en dat het gebruik van gerecyclede materialen in windturbine(s) verplicht is.1 Er kan naar schatting 85% tot 90% van een

windturbine gerecycled worden. Wanneer er ook een circulaire schaalbare oplossing voor de moeilijk te recyclen composietbladen wordt gevonden, is een windturbine 100% herbruikbaar. In lijn met de circulaire doelen van het rijk kan de gemeente bij windprojecten de richtlijn meegeven dat: • Initiatiefnemers duidelijkheid geven over de herkomst en recyclebaarheid van de turbine­ (bladen) van de windturbine(s) die geplaatst worden, analoog aan de Europese CSRD richtlijn; • Initiatiefnemers ervoor zorgen dat de windturbine die wordt aangeschaft is voorzien van een materialen­paspoort; • Initiatiefnemers bij de aanschaf van een windturbine de recyclebaarheid en herkomst van gebruikte materialen betrekken bij hun afweging.

1 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/circulaire-economie/nederland-circulair-in-2050

46

Programma Windenergie Amsterdam 2030

worden aangelegd. De leverancier/ aannemer bouwt de windturbine in circa één jaar afhankelijk van de locatie en het aantal windturbines. De omgeving wordt voor­ af, tijdens en na de bouwfase geïnformeerd over de werkzaamheden. De aannemer zorgt er voor dat hinder en overlast tijdens het bouwproces tot een minimum beperkt blijft. De bouwactiviteit van een windturbine is ook nadrukkelijk onderdeel van de omgevingsvergun­ ning. Bij de bouw zijn veel partijen bij betrokken die in dit document niet verder worden uitgewerkt. Na de bouw van de windturbine gaat de exploitatiefase in. De windturbines zijn in werking en er wordt duurzame elektriciteit opgewekt. Liander faciliteert de aansluiting van de windturbine op het elektriciteitsnet. De financiële participatie, zoals beschreven is in het participatieplan, wordt door de initiatiefnemer uitgevoerd. Bij het ondervinden van overlast van de windturbine kan de omgeving een melding doen bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. De gemeente vindt het belang­ rijk dat er gemeten wordt in deze fase om inzicht te hebben in de mate van eventuele overlast/klachten in de omgeving van de windturbine(s). Zie tekstkader over Monitoring, handhaving en het melden van overlast. De levensduur van een windturbine is ongeveer 25 jaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14212668/1