CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Ontwerpbestemmingsplan Zuidas-Woonbuurt Ravel

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 3 februari 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van vrijgeven voor terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan Zuidas-Woonbuurt Ravel (ZD2020-014436)35.093 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan ZuidasWoonbuurt Ravel

Ontwerp

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan Zuidas-Woonbuurt Ravel

Colofon

Opdrachtgever Opdrachtnemer

Ruimte en Duurzaamheid

IMRO_idn

NL.IMRO.0363.K1901BPGST-OW01

Datum print

1 December 2020

Planstatus

ontwerp

blz. 3

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 5.4 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 Hoofdstuk 8 8.1

7 Inleiding

9

Algemeen Bevoegdheden Crisis- en herstelwet Leeswijzer

9 9 10 11

Plankader

13

Ligging en begrenzing van het plangebied Geldend planologisch kader Doelstelling Beschrijving van het plangebied Geschiedenis van het plangebied

13 15 15 15 16

Beleidskader

19

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

19 24 26 32

Het ruimtelijk kader

47

Ruimtelijk-functionele aspecten Stedenbouwkundige aspecten

47 52

MER Zuidas - de Flanken

59

Algemeen Regelgeving MER Zuidas Flanken Conclusie

59 59 60 62

Verkeer en parkeren

63

Algemeen Verkeersbeleid Openbaar vervoer Langzaam verkeer Conclusie

63 64 78 78 81

Geluid

83

Algemeen Regelgeving Beleid Resultaten onderzoeken Regeling in bestemmingsplan Conclusie

83 83 87 87 88 89

Luchtkwaliteit

91

Algemeen

91

Gemeente Amsterdam

blz. 4

8.2 8.3 8.4

Regelgeving Beleid Conclusie

91 93 94

Externe veiligheid

97

Algemeen Regelgeving Beleid Resultaten onderzoeken Verantwoording Conclusie

97 97 99 100 101 104

Hoofdstuk 10

Milieuzonering

105

Hoofdstuk 11

Bodem

107

Algemeen Regelgeving Conclusie

107 108 109

Water

111

Algemeen Regelgeving Beleid Watertoets Conclusie

111 111 113 115 119

Hoofdstuk 13

Natuur en Landschap

121

13.1 13.2 13.3 13.4

Algemeen Toetsingskader Resultaten onderzoeken Conclusie

121 121 122 126

Hoogbouwaspecten

127

14.1 14.2 14.3

Bezonning Windhinder Luchthavenindelingbesluit Schiphol

127 127 129

Hoofdstuk 15

Cultuurhistorie en archeologie

133

Algemeen Regelgeving Resultaten onderzoeken Conclusie

133 133 135 136

Duurzaamheid

137

Algemeen Toetsingskader Duurzaamheid in Zuidas Doorwerking planvorming

137 137 138 138

Juridische planbeschrijving

141

Algemeen Planvorm

141 141

Hoofdstuk 9 9.1 9.2 9.3 9.4 9.5 9.6

11.1 11.2 11.3 Hoofdstuk 12 12.1 12.2 12.3 12.4 12.5

Hoofdstuk 14

15.1 15.2 15.3 15.4 Hoofdstuk 16 16.1 16.2 16.3 16.4 Hoofdstuk 17 17.1 17.2

bestemmingsplan_Zuidas-Woonbuurt Ravel (ontwerp)

blz. 5

17.3 17.4 17.5

Milieuhinderlijke functies: Staat van Inrichtingen Regels met betrekking tot geluid Artikelgewijze toelichting

141 142 144

Hoofdstuk 18

Economische uitvoerbaarheid

159

Hoofdstuk 19

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

161

Algemeen Artikel 3.1.1. Bro - overleg Maatschappelijk overleg Participatie

161 162 162 167

19.1 19.2 19.3 19.4

Bijlagen bij toelichting

169

Bijlage 1

Ontwikkelplan Ravel juni 2020

171

Bijlage 2

Omgevingsdocument bij Ontwikkelplan Ravel

245

Bijlage 3

MER Zuidas - de Flanken, Deel A, 25 januari 2011

253

Bijlage 4

MER Zuidas - de Flanken deel B, 25 januari 2011

381

Bijlage 5

Verkeersstudie Zuidas 2011, 17 mei 2011

951

Bijlage 6

Actieplan weginfrastructuur Zuidas Flanken 2011, 17 mei 2011

1025

Bijlage 7

Verkeersstudie Zuidas Flanken 2013, 10 april 2013

1065

Bijlage 8

Verkeersonderzoek Zuidas 2014, 3 februari 2015

1157

Bijlage 9

Verkeersonderzoek Zuidas 2017, 19 september 2017

1221

Bijlage 10

Verkeersonderzoek Vivaldi en Ravel november 2020

1339

Bijlage 11

Akoestisch onderzoek juli 2020 - Kavels A en B

1403

Bijlage 12

Akoestisch onderzoek oktober 2020 - Kavels C - J

1511

Bijlage 13

CONCEPT besluit hogere waarden oktober 2020

1997

Bijlage 14

Rapportage externe veiligheid Zuidas, 11 januari 2010

2007

Bijlage 15

Rapportage externe veiligheid juni 2020

2063

Bijlage 16

Onderzoek stemgeluid schoolplein

2087

Bijlage 17

CNCPT Watertoets december 2020

2125

Bijlage 18

Natuuronderzoek Zuidas-Zuidasdokgebeid, dec 2018,

2173

Bijlage 19

Toetsing Wnb Zuidas: Ravel ontwikkelveld 2, mei 2019

2221

Bijlage 20

Stikstofonderzoek Ravel Amsterdam

2245

Gemeente Amsterdam

blz. 6

Bijlage 21

Bezonningsstudie dec 2019

2331

Bijlage 22

Windonderzoek april 2020

2383

Bijlage 23

Oplegnotitie windonderzoek

2437

Bijlage 24

VVGB LIB, ILT juli 2019

2443

Bijlage 25

Archeologisch bureauonderzoek Ravel

2461

Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Hoofdstuk 4

2487 Inleidende regels

2488

Begrippen Wijze van meten

2488 2496

Regels over activiteiten en functies in de fysieke leefomgeving

2497

Gemengd Groen Water

2497 2506 2509

Algemene regels

2510

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

2510 2511 2512 2513 2514

Overgangs- en slotregels

2515

Artikel 11 Overgangsrecht Artikel 12 Slotregel

2515 2516

Bijlagen bij de regels

2517

Bijlage 1

Staat van inrichtingen

2518

Bijlage 2

Verbeelding NL.IMRO.0363.K1901BPGST-OW01

2547

bestemmingsplan_Zuidas-Woonbuurt Ravel (ontwerp)

blz. 7

Toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 8

bestemmingsplan_Zuidas-Woonbuurt Ravel (ontwerp)

blz. 9

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Algemeen

Zoals ook aangegeven in de door het Rijk opgestelde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de gemeentelijke structuurvisie ontwikkelt Zuidas zich tot internationale toplocatie voor wonen en werken in de Metropoolregio Amsterdam. De uitstekende bereikbaarheid, de kwalitatief hoogwaardige omgeving en de economische aantrekkingskracht van Amsterdam vormen de grondslagen voor een succesvolle ontwikkeling. Een ontwikkeling waarmee Amsterdam en Nederland de internationale concurrentie aankunnen. Sinds de vaststelling van het Masterplan Zuidas door de Gemeenteraad in 1998, wordt de ontwikkelingsstrategie voor Zuidas uitgewerkt in verschillende deelprojecten.

1.2

Bevoegdheden

Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het stadsdeel Zuid. Bij besluiten van de Gemeenteraad van 1997, 29 oktober 2003, 13 juli 2011 en 18 februari 2014, is de Zuidas, waar het bestemmingsplangebied deel van uitmaakt, aangewezen als grootstedelijk project. Hierbij is besloten dat de bevoegdheden op grond van de Wet ruimtelijke ordening, zoals het vaststellen van bestemmingsplannen, bij de centrale stad liggen. Op 12 juni 2013 heeft de Gemeenteraad besloten tot intrekking van de Verordening op de stadsdelen en tot vaststelling van de Verordening op de bestuurscommissies 2013. Deze verordening is op 19 maart 2014 (gewijzigd) in werking getreden. Directe aanleiding voor de wijziging was de wijziging van de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met het afschaffen van de bevoegdheid van gemeentebesturen om deelgemeenten in te stellen (Wet afschaffing deelgemeenten). Op 21 maart 2018 is de Verordening op het lokaal bestuur in werking getreden. Met deze verordening is een nieuwe stap gezet in de ontwikkeling van het bestuurlijk stelsel. Het besluit is mede gebaseerd op de evaluatie van het in het 2014 ingevoerde bestuurlijke stelsel door een onafhankelijke evaluatiecommissie onder leiding van de professor A.F.M. Brenninkmeijer. Amsterdam houdt nadrukkelijk vast aan lokaal bestuur naast het centrale gemeentebestuur.

Het stelsel is daarbij tot de kern teruggebracht in die zin dat er in elk van de zeven stadsdelen twee lokale onderdelen zijn ingesteld: een bestuurscommissie die wordt benoemd door het college van burgemeester en wethouders en die de taken en de bevoegdheden uitoefent die voorheen aan de algemene besturen van de stadsdelen waren toegekend en een stadsdeelcommissie die direct wordt gekozen en bestaat uit twee tot vier gebiedscommissies per stadsdeel. Deze stadsdeelcommissies geven zwaarwegende adviezen aan het dagelijks bestuur van het stadsdeel over zaken die spelen binnen hun stadsdeel. De bevoegdheid tot het vaststellen van bestemmingsplannen in het (groot)stedelijk gebied Zuidas blijft onveranderd bij de Gemeenteraad.

Gemeente Amsterdam

blz. 10

1.3

Crisis- en herstelwet

1.3.1

Procedurele aspecten

Met ingang van 13 april 2011 is in de Crisis- en herstelwet het project Amsterdam Zuidas aangewezen in bijlage II (bijlage Aa, nummer 3). Als gevolg daarvan is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit brengt onder meer met zich mee dat bij een eventueel beroep alle beroepsgronden in het beroepschrift dienen te worden opgenomen en deze na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld. Verder verloopt de behandeling van het beroep versneld. 1.3.2

Bestemmingsplan met verbrede reikwijdte

De flanken van Zuidas worden doorkruist door de A10. Er is dus sprake van een bijzondere geluidsituatie, ook nadat het project Zuidasdok is gerealiseerd. Bij de ontwikkeling van het gebied, met name wat betreft wonen en onderwijs moet rekening worden gehouden een goede geluidsituatie. De ontwikkeling van Zuidas, en dus ook Ravel, is daardoor niet zondermeer mogelijk met het bestaande juridisch-planologische instrumentarium. Om die reden is Zuidas aangemeld bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu als duurzaam innovatief experiment als bedoeld in artikel 2.4 van de Crisis- en herstelwet (Chw) om daarmee deel te kunnen nemen aan een pilot op grond van de 7e tranche én daarnaast is het gebied aangemeld als ontwikkelingsgebied als bedoeld in artikel 2.2 van Chw. Bij besluit van 25 januari 2019 tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (Besluit uitvoering Chw), zeventiende tranche, is het plangebied Zuidas, gemeente Amsterdam, aangewezen als plangebied als bedoeld in artikel 7c, zeventiende lid, van het Besluit uitvoering Chw (bijlage 149). In dit artikel zijn de aangewezen plangebieden opgenomen en staan wettelijke bepalingen vermeld waarvan bij wijze van experiment kan worden afgeweken, evenals de voorwaarden en tijdsduur die gelden voor het experiment.

Dit betekent onder andere dat de mogelijkheid wordt geboden om vooruitlopend op de Omgevingswet te experimenten met het opstellen van een omgevingsplan, ook wel bekend als een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. In aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen in het bestemmingsplan hiermee ook regels worden gesteld die strekken ten behoeve van het: 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit (artikel 7c, eerste lid, onder a van het Besluit uitvoering Chw); en 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies (artikel 7c, eerste lid, onder b van het Besluit uitvoering Chw). Zolang de Omgevingswet niet in werking is getreden is een experimenteel omgevingsplan (bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) een buitenwettelijk en vormvrij plan. Voor het bestemmingsplan verbrede reikwijdte 'Zuidas-Ravel Ontwikkelveld 2' maakt de gemeente Amsterdam gebruik van de volgende onderdelen uit de Chw tot en met de zeventiende tranche: planperiode 20 jaar; regels voor de gehele fysieke leefomgeving; open normen/beleidsregels; faseren onderzoeken; vormvrij bestemmingsplan (afwijken RO-standaarden). Deze afwijkingsmogelijkheden zijn geregeld in artikelen 2 en 7c van het Besluit Chw.

Als gevolg daarvan mag vooruitlopend op de nieuwe Omgevingswet een zogenoemd 'bestemmingsplan verbrede reikwijdte'

bestemmingsplan_Zuidas-Woonbuurt Ravel (ontwerp)

blz. 11

worden vastgesteld met een looptijd van 20 jaar. Daarnaast is het op grond van de pilot mogelijk om tijdelijk af te wijken van enkele bestaande milieunormen, zonder dat daarbij de 'gezonde leefomgeving' geweld wordt aangedaan. De Nota van toelichting bij het desbetreffende besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu vermeldt hierover het volgende: "Het bestemmingsplan verbrede reikwijdte wijkt af van de huidige reguliere bestemmingsplannen. Er gelden dan ook andere regels. Voor een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op basis van de 7e tranche geldt niet de actualiseringsplicht ex artikel 3.1, tweede lid, Wro. Voor de looptijd kan worden aangesloten bij het in de 6e tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet opgenomen experiment met een looptijd van twintig jaar (artikel 7b van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet). Dientengevolge behoeft ook niet te worden voldaan aan de in de jurisprudentie ontwikkelde verplichting dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan moet worden aangetoond dat de beoogde ontwikkeling binnen tien jaar kan worden gerealiseerd." In de vijftiende tranche van de Chw (Stb.2017, 275) is tevens de mogelijkheid opgenomen om duurzaamheidsnormen te stellen, zoals gasloos bouwen en een energieprestatie coëfficiënt van maximaal 0,2.

Het betreft normen die op grond van het Besluit uitvoering Chw reeds een bindende werking hebben (artikel 6b en 6l) voor de aangewezen delen. De normen gelden op grond van dat besluit overigens uitsluitend voor woningen. Momenteel wordt onderzocht of dit kan worden uitgebreid naar andere functies en gebouwen. Omdat de duurzaamheidsnormen ten aanzien van gasloos bouwen en een EPC van maximaal 0,2 al voor het plangebied rechtstreeks van toepassing zijn, vanwege de inwerkingtreding van bovengenoemde bepalingen uit het Besluit uitvoering Chw, worden deze normen niet in het bestemmingsplan verplicht gesteld.

1.4

Leeswijzer

Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. Deze bestemmingen zijn gerelateerd aan de in de regels opgenomen juridische regeling. De verbeelding en de planregels vormen samen de bestemmingsplanregeling zoals deze door de gemeenteraad wordt vastgesteld. De toelichting geeft de achtergronden (relevant beleid, resultaten van onderzoeken) bij de bestemmingsplanregeling. In de hoofdstukken 2 en 3 wordt het algemeen kader weergegeven. In hoofdstuk 4 wordt een beschrijving gegeven van het ruimtelijk en stedenbouwkundig kader. In hoofdstuk MER Zuidas - de Flanken wordt ingegaan op de wijze waarop met de uitgevoerde milieueffectrapportage-procedure is rekening gehouden. In hoofdstuk Verkeer en parkeren tot en met 5 worden de achtergronden bij de bestemmingsplanregeling beschreven. In hoofdstuk 17 wordt uitgelegd op welke wijze dit is vertaald in juridische zin. In hoofdstuk 18 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 19 op de maatschappelijke uitvoerbaarheid. In dat laatste hoofdstuk zal een beschrijving worden gegeven van de uitkomsten van het overleg met de artikel 3.1.1 Bro-diensten. Daarnaast wordt, overeenkomstig artikel 3.1.6, eerste lid, onder e, van het Besluit ruimtelijke ordening, een beschrijving gegeven van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken.

Gemeente Amsterdam

blz. 12

bestemmingsplan_Zuidas-Woonbuurt Ravel (ontwerp)

blz. 13

Hoofdstuk 2 2.1

Plankader

Ligging en begrenzing van het plangebied

Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebied dat bestuurlijk is aangewezen als grootstedelijk projectgebied Zuidas. Het plangebied ligt tussen de Beethovenstraat (aan de westkant), De Boelelaan/Boelegracht (aan de zuidkant), Antonio Vivaldistraat (aan de oostkant) en Maurice Ravellaan (aan de noordkant).

Figuur: Globale ligging plangebied in Zuidas, bron: Google Maps 2020

Gemeente Amsterdam

blz. 14

Figuur 1: Globale ligging plangebied in deelgebied Ravel, bron: Google Maps 2020

bestemmingsplan_Zuidas-Woonbuurt Ravel (ontwerp)

blz. 15

Figuur 2: Plangrens bestemmingsplan, verbeelding bestemmingsplan Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de plangrens zoals deze op de verbeelding is aangegeven.

2.2

Geldend planologisch kader

Voor het plangebied van Ravel geldt het bestemmingsplan 'Zuidas-Ravel', vastgesteld op 13 juli 2016. In dit moederplan is voor twee gebieden een uitwerkingsplicht opgenomen. Eerder is een uitwerkingsplan vastgesteld voor Valley (ten noorden van Ravel). De tweede uitwerking gaat over het plangebied van Ravel. De belangrijkste bestemming in het plangebied van Ravel is een gemengde bestemming met onder andere wonen, kantoren, horeca, dienstverlening en scholen. Het moederplan heeft regels gesteld om deze gemengde bestemming uit te werken. In de uitwerkingsregels staan maximale maten waarbinnen we de uitwerkingsplicht kunnen toepassen. De belangrijkste maximale maten gaan over: De maximale bouwhoogte Het maximale programma in bruto vloeroppervlak (bvo) dat is toegestaan Het aantal parkeerplaatsen Het stedenbouwkundig plan in het ontwikkelplan Ravel overschrijdt op onderdelen de maximale ruimte van de uitwerkingsregels. Dit betekent dat een tweede uitwerking van het moederplan niet voldoende is voor de gewenste ontwikkeling. Er is een nieuw juridisch-planologisch kader nodig. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

2.3

Doelstelling

Met een totale capaciteit van 7.000 woningen, een rijk aanbod aan voorzieningen en 1,2 miljoen m2 kantoorvloeroppervlak groeit Zuidas uit tot een nieuwe stadskern in de Amsterdamse regio. Een groot deel van de geplande woningproductie in Zuidas komt in Ravel. Hier bouwen we de komende jaren een gemengde buurt met een uitgebreid aanbod van ongeveer 1.350 woningen. We willen in deze nieuwe woonbuurt een prettig woon- en leefklimaat maken dat vooral aansluit bij de behoeftes van gezinnen. We willen een autoluwe, groene en gemengde woonbuurt in hoge dichtheid ontwikkelen. Een buurt waar iedereen zich thuis voelt. Een buurt die primair gericht is op gezinnen en die aansluit op de ambities van Zuidas. De openbare ruimte tussen de bouwblokken krijgt een autovrije, groene inrichting en wordt zo het bindende element van de buurt. We maken hoogwaardige verblijfsplekken om recreatie, ontmoeting en verblijf te stimuleren. Om de sociale samenhang in het gebied te versterken houden we de bouwkundige eenheden zo klein mogelijk. Hierdoor komen er veel voordeuren uit op de begane grond. Voor de verscheidenheid en levendigheid krijgen de gebouwen een gemengde invulling. Dit alles helpt om een hechte buurtgemeenschap te krijgen.

2.4

Beschrijving van het plangebied

Zuidas is opgebouwd uit verschillende deelgebieden. Het deelgebied Ravel bestaat uit twee ontwikkelvelden en een sportpark: Aan de noordzijde het in aanbouw zijnde sportpark Goed Genoeg; Gemeente Amsterdam

blz. 16

Een westelijk ontwikkelveld met het in aanbouw zijnde complex Valley; Een zuidelijk ontwikkelveld met de nieuwe woonbuurt Ravel. De woonbuurt Ravel ligt tussen de Beethovenstraat, de De Boelelaan/Boelegracht, de Antonio Vivaldistraat en de Maurice Ravellaan. De huidige functies in Ravel hebben weinig samenhang met elkaar; voetbalvelden, parkeerplaatsen, werkterreinen en tijdelijke functies, zoals de studentenhuisvesting Ravel Residence en Kindercampus Zuidas, liggen verspreid door het gebied.

2.5

Geschiedenis van het plangebied

De bestaande structuur van Ravel in een beschrijving aan de hand van vijf onderwerpen: 1. Gemeentelijk sportpark Goed Genoeg Een groot deel van het deelgebied Ravel bestaat uit gemeentelijk sportpark Goed Genoeg. De hoofdgebruiker van dit sportpark is voetbalvereniging Amsterdamsche Football Club (AFC). 2. Ravel Residence In de zuidoosthoek van Ravel ligt Ravel Residence. Dit is een tijdelijk wooncomplex met ongeveer 800 studentenwoningen. Op de begane grond van dit complex is een horecagelegenheid gevestigd. Op het dak liggen een zonnedek, een moestuin en een basketbalkooi. De huurovereenkomst en het tijdelijk opstalrecht eindigen in augustus 2026. 3. Kindercampus Zuidas Aan de De Boelegracht ligt Kindercampus Zuidas. In het tijdelijke gebouw is een alles in één school gevestigd dat ruimte biedt aan basisonderwijs en kinderopvang. De totale vloeroppervlakte bedraagt ongeveer 3.800 m2. Vanaf september 2024 krijgt deze alles in één school een definitief onderkomen in Ravel. 4. De Boelelaan/Boelegracht De De Boelelaan-Oost is dé verbinding tussen de A10-Zuid en Zuidas. De straat heeft in 2017 een nieuw profiel gekregen met 2 x 2 rijstroken om de doorstroming van het autoverkeer te verbeteren. In het ontwerp zochten we naar een balans tussen goede bereikbaarheid en ruimtelijke kwaliteit.

De kwaliteit komt tot uitdrukking in een vloeiend wegverloop, een constante rijbaanbreedte, twee rijen bomen met groen en doorgaande stroken voor fietsers en voetgangers. Aan de noordkant ligt naast de weg een brede gracht (De Boelegracht) die zicht biedt op de skyline van Zuidas. 5. Kabels en leidingen Om de A10-Zuid en het spoor te kruisen loopt tussen de Vivaldistraat en het Beatrixpark een ondergrondse verbinding voor kabels en leidingen (de zogenaamde Oostelijke kruising). Deze verbinding is deel van het Masterplan Energie en Nutsvoorzieningen Zuidas (MENZ). De MENZ voorziet in een duurzame inbedding van de vele kabels en leidingen in Zuidas. In het MENZ-tracé liggen hoofdverbindingen voor energie, telecommunicatie, drinkwater en riolering. Tussen de koppelvelden in de Vivaldistraat en de Beethovenstraat liggen de kabels en leidingen voor een deel nog in een tijdelijk tracé. Vanaf de Beethovenstraat sluit het tracé aan op de Integrale Leidingen Tunnel (ILT) onder de Gustav Mahlerlaan.

bestemmingsplan_Zuidas-Woonbuurt Ravel (ontwerp)

blz. 17

De bestaande structuur wordt voor een klein deel behouden in de toekomstige structuur. Dit is uitgewerkt in Hoofdstuk 4 Het ruimtelijk kader.

Gemeente Amsterdam

blz. 18

bestemmingsplan_Zuidas-Woonbuurt Ravel (ontwerp)

blz. 19

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om in te spelen op ontwikkelingen en uitdagingen in dit kader heeft het Rijk op 13 maart 2012 de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR kent drie hoofddoelen: het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur van Nederland; het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Uit deze drie hoofddoelen komen onderwerpen voort die van nationaal belang zijn. Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen, worden daarom geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Bij de inwerkingtreding van de SVIR en het Barro kwamen de Nota Ruimte en de bijbehorende Realisatieparagraaf nationaal ruimtelijk beleid te vervallen.

In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts dertien nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijk ordening. Daarnaast kan rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainport, greenports en de valleys; over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed; een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is.

Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners. Deze drie criteria zijn leidend voor het formuleren van ruimtelijk rijksbeleid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie rijksdoelen geformuleerd: de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; de bereikbaarheid verbeteren; zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Gemeente Amsterdam

blz. 20

bestemmingsplan_Zuidas-Woonbuurt Ravel (ontwerp)

blz. 21

De SVIR stelt in relatie tot het stedelijk gebied onder meer het volgende. Voor de concurrentiekracht van Nederland is het van belang dat internationaal opererende bedrijven niet alleen in Nederland blijven, maar dat er zich ook meer bedrijven, ondernemers en internationale Gemeente Amsterdam

blz. 22

kenniswerkers blijvend vestigen. Het bieden van een bijhorend vestigingsklimaat is hiervoor noodzakelijk. Het gaat daarbij niet alleen om kwalitatief hoogwaardige ruimte voor werken, verplaatsen en wonen (waaronder differentiatie in woonmilieus, het belang van openbaar vervoer voor de stedelijke regio en multimodaliteit ten behoeve van logistiek), maar ook om voldoende aanbod van onderwijs, cultuur, toegankelijk groen en recreatiemogelijkheden. Dit wordt ook wel de 'quality of life' genoemd. Het Rijk kiest voor het versterken van de ruimtelijk-economische structuur door het integraal benutten en uitbouwen van de kracht van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren, internationale verbindingen en mainports. Daarnaast zijn het borgen van ruimte voor bestaande en nieuwe energievoorziening, ruimte voor buisleidingen voor transport van (gevaarlijke) stoffen en het creëren van een efficiënt gebruik van de ondergrond belangrijke randvoorwaarden. Het eerste door het Rijk aangemerkte nationaal belang is een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren.

Voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren is het nodig om te beschikken over een voldoende voorraad (kwalitatief en kwantitatief ) woningen, bedrijventerreinen, kantoren en andere voorzieningen. Vanwege de complexiteit van de verstedelijkingsopgave in de stedelijke regio's rond de mainports (Noordvleugel en Zuidvleugel) maakt het Rijk met decentrale overheden afspraken over de programmering van de verstedelijking. Het Rijk vindt de stedelijke regio's van de mainports, brainport, greenports en de valleys van nationale betekenis. Gebiedsontwikkelingen van nationaal belang zoals Zuidas (als het grootste internationale zakendistrict), de Structuurvisie Mainport Schiphol Amsterdam Haarlemmermeer, Rotterdam-Zuid en Brainport Avenue rond Eindhoven worden doorgezet. De opgave voor Zuidas is het ontwikkelen van Zuidas als economische toplocatie en infrastructuurknooppunt (weg, spoor en openbaar vervoer) samen met andere overheden). Zuidas: gebiedsontwikkeling van nationaal belang: In de Rijksstructuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt Zuidas gekwalificeerd als een 'gebiedsontwikkeling van nationaal belang'.

Als nationaal belang acht het Rijk het bewerkstelligen van 'een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren'. De ontwikkeling van Zuidas, als economische toplocatie en infrastructuurknooppunt (weg, spoor en openbaar vervoer) draagt hieraan bij. Voorliggend bestemmingsplan geeft uitvoering aan het gegeven beleid doordat het voorziet in een kwalitatief hoogwaardige verstedelijking met woningen, kantoen en andere voorzieningen. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

De nationale belangen uit de SVIR worden in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) juridisch geborgd. Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte planologische kernbeslissingen (PKB's) die juridisch moeten doorwerken tot in bestemmingsplannen. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. Deze onderwerpen zijn niet aan de orde in het voorliggende bestemmingsplan. De uitbreiding van de ruimtelijke ordeningsregels Barro is op 1 oktober 2012 in werking getreden. Deze uitbreiding betreft rijksregels ten aanzien van de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorziening, de uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet, de veiligheid rond rijksvaarwegen, de verstedelijking in het

bestemmingsplan_Zuidas-Woonbuurt Ravel (ontwerp)

blz. 23

IJsselmeer, de bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en de toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Deze uitbreiding van het Barro heeft voor wat betreft het voorliggende plan uitsluitend consequenties voor wat betreft de binnen het plangebied gelegen primaire waterkering. Voorliggend bestemmingsplan past binnen de gestelde bepalingen van het Barro. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder een stedelijke ontwikkeling wordt op grond van artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro verstaan: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Wat tot het bestaand stedelijk gebied moet worden gerekend, volgt uit artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Bro: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. In alle gevallen geldt dat de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling onderbouwd moet worden.

In de motivering van het bestemmingsplan wordt de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het licht geplaatst van een goede ruimtelijke ordening en wordt de behoefte aan die ontwikkeling met het oog op het tegengaan van ongewenste leegstand en het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik onderbouwd. De behoefte wordt onderbouwd en afgewogen op het niveau van het verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en de omvang van de ontwikkeling zijn daarbij bepalend voor de reikwijdte van de beschrijving van en het overleg over de behoefte, waarvan de resultaten ook zijn opgenomen in de beschrijving. Het gaat daarbij niet alleen om de kwantitatieve behoefte, maar ook om de kwalitatieve behoefte, zijnde de behoefte aan het specifieke karakter van de voorziene stedelijke ontwikkeling. Het gebied van de Zuidas kenmerkt zich als een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en/of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Met het gestelde in voorliggende toelichting bij het bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan bovenstaande. Hierbij wordt opgemerkt dat de leegstand in de Zuidas voor alle functies zeer laag is. De Zuidas ontwikkelt zich blijvend in positieve zin.

In hoofdstuk 3 en 4 wordt ingegaan op de leegstand, de behoefte en ontwikkelingen in relatie tot de functies die het bestemmingsplan mogelijk maakt. 3.1.4

Structuurvisie Zuidasdok

Op 9 juli 2012 is de Rijksstructuurvisie Zuidasdok vastgesteld. Zuidasdok zorgt ervoor dat de bereikbaarheid van de noordelijke Randstad verbetert en Zuidas een stevige impuls krijgt om zich verder te ontwikkelen als internationale toplocatie en hoogwaardig stedelijk gebied. De doorstroming van de A10 wordt verbeterd door de uitbreiding van de capaciteit van de A10 tussen de knooppunten De Nieuwe Meer en Amstel. Tegelijkertijd wordt het doorgaande verkeer en het bestemmingsverkeer van elkaar gescheiden.

Gemeente Amsterdam

blz. 24

Door een verbeterde doorstroming op de A10 Zuid ontstaat een robuust autonetwerk in de noordelijke Randstad. Ter hoogte van het centrumgebied van Zuidas wordt de A10 ondergronds aangelegd, waardoor de milieukwaliteit in de flanken van Zuidas (de gebieden ten noorden en zuiden van de infrastructuurbundel A10/spoor) verbetert en de barrièrewerking wordt verminderd. Het huidige station Amsterdam Zuid wordt aangepast tot een kwalitatief hoogwaardige OV-terminal, waar de Noord/Zuidlijn, trams en bussen in geïntegreerd zijn. Niet alleen vanuit de stad en regio is Zuidas goed bereikbaar, door aanlanding van de Hanzelijn en de hogesnelheidstreinen is een groot deel van Nederland beter aangesloten op Zuidas en Amsterdam. In voorliggend bestemmingplan is rekening gehouden met en in de onderzoeksopgave uitgegaan van de ontwikkeling van het Zuidasdok (zie paragraaf 2.3).

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie NH 2050

Op 19 november 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie NH 2050 vastgesteld. In deze omgevingsvisie (als opvolger dan de structuurvisie) wordt de ambitie geschetst een relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau vast te houden. Daarvoor moet een goede balans gezocht worden tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. De ambities die worden nagestreefd, zijn: 1. Een gezonde en veilige basiskwaliteit van de leefomgeving, met als doel: a. een klimaatbestendige en waterrobuust Noord-Holland; b. het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving; c. het vergroten van de biodiversiteit in Noord-Holland. 2. Ruimtelijke ontwikkelingen faciliteren, met als doel: a. een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor; b. vraag en aanbod van woon- en werklocaties beter met elkaar in overeenstemming brengen c. dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden. d. het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en cultuurhistorie. 3.

Noord-Holland als samenleving in 2050 klimaatneutraal en gebaseerd op hernieuwbare energie. 3.2.2

Provinciale Ruimtelijke Verordening / Omgevingsverordening NH2020

Tegelijk met de invoering van de Structuurvisie Noord-Holland 2040 werd in juni 2010 de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (PRVS) vastgesteld als een van de instrumenten om de beleidsdoelen die de provincie in de structuurvisie heeft gesteld te bereiken. De PRVS is na haar vaststelling vier keer gewijzigd. Bij de vijfde wijziging is besloten om de PRVS opnieuw vast te stellen, om te voorkomen dat er een stapeling van toelichtingen zou ontstaan. Hierdoor was het ook mogelijk om de naam te veranderen in Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV); een benaming die beter aansluit bij overige provinciale verordeningen. Door de term 'structuurvisie' te laten vallen is bovendien verduidelijkt dat de PRV een zelfstandig en, in tegenstelling tot de Provinciale Structuurvisie Noord-Holland 2040, een voor burgers bindend document is. Op 11 februari 2019 is een gewijzigde versie van de PRV in werking getreden. In de PRV hebben

bestemmingsplan_Zuidas-Woonbuurt Ravel (ontwerp)

blz. 25

Provinciale Staten in het kader van een goede ruimtelijke ordening een aantal algemene regels vastgesteld omtrent de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen over onderwerpen in zowel het landelijke als het bestaand bebouwd gebied van Noord-Holland, inclusief Amsterdam, waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Daarnaast zijn, ter uitvoering van de Structuurvisie Noord-Holland 2040, algemene regels vastgesteld over onder meer: detailhandel; advisering door de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling over de ruimtelijke ordening, verstedelijking en ruimtelijke kwaliteit in Noord-Holland; aardkundige waardevolle gebieden; meerlaagse veiligheid; locaties voor bedrijventerreinen en kantoorlocaties binnen bestaand bebouwd gebied; verbod tot aanleg bedrijventerreinen en kantoorlocaties en ruimtelijke kwaliteitseisen bij nieuwe woningbouw en andere vormen van verstedelijking in het landelijk gebied; de groene ruimte; de blauwe ruimte; energie. Daarnaast zijn regels opgenomen die voortvloeien uit het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het gaat hierbij om een aantal onderwerpen ter verdere uitwerking en/of aanvulling in een provinciale verordening waaronder: bundeling van verstedelijking en locatiebeleid economische activiteiten; rijksbufferzones; ecologische hoofdstructuur; nationale landschappen; het kustfundament; het regionaal watersysteem.

Aan de PRV zijn diverse kaartbeelden verbonden. Ook zijn in bijlagen toetsingskaders voor de toepassing van de provinciale regels opgenomen. Het gemengde woongebied dat met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is in overeenstemming met de geldende provinciale planningsopgave voor kantoren (Plabeka, hierover later meer) en onderhavig bestemmingsplan voldoet ook aan de overige regels zoals gesteld in de PRV. Op 14 februari 2020 hebben Gedeputeerde Staten de ontwerp Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. De ontwerp Omgevingsverordening ligt met ingang van 18 februari tot en met 10 april 2020 ter inzage. De Omgevingsverordening is in oktober 2020 door Provinciale Staten vastgesteld en wordt in november 2020 bekend gemaakt. In de Omgevingsverordening 2020 zijn de eerste stappen gezet om in het de geest van de Omgevingswet naar nieuwe regels te streven die zien op het 'hoe': 'hoe kom je tot een goede fysieke leefomgeving'. De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie worden verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland. Deze vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening.

Omdat de Omgevingswet in de zomer van 2020 niet in werking is getreden, is de Omgevingsverordening NH2020 gebaseerd op de huidige wet- en regelgeving. De provincie wacht bewust niet op invoering van de Omgevingswet. De provincie wil de vastgestelde Omgevingsvisie NH2050 vertalen in haar juridische regels. Bij het opstellen van de Omgevingsverordening NH2020 is zoveel mogelijk voorgesorteerd op de Omgevingswet.

Gemeente Amsterdam

blz. 26

Het gemengde woongebied dat met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is in overeenstemming met de geldende provinciale planningsopgave voor kantoren (Plabeka, hierover later meer) en onderhavig bestemmingsplan voldoet ook aan de overige regels zoals gesteld in de PRV en de toekomstige Omgevingsverordening NH2020. De Omgevingsverordening NH2020 is op 22 oktober 2020 door Provinciale Staten vastgesteld. Op 16 november 2020 is de Omgevingsverordening NH2020 inwerking getreden. De Omgevingsverordening heeft geen gevolgen voor het plangebied. 3.2.3

Detailhandelsbeleid Noord-Holland 2015-2020

De provinciale missie is het versterken van de detailhandelstructuur in Noord-Holland. Gemeenten, bedrijfsleven en de provincie moeten er samen voor zorgen dat de detailhandelsstructuur in Noord-Holland sterk blijft. Dat betekent: keuzes maken. Op locaties waar mogelijkheden zijn moet ruimte worden gegeven aan nieuwe initiatieven. Op andere locaties is er geen ruimte voor nieuwe winkelmeters. Hiermee wordt een aantrekkelijke winkelstructuur behouden voor de inwoners van Noord-Holland en de bezoekers aan onze provincie. In het kader van de missie staan drie hoofddoelstellingen centraal: I. Een detailhandelstructuur die uitgaat van duurzaam ruimtegebruik; II. Een detailhandelstructuur die bijdraagt aan een vitale regionale economie; III. Een detailhandelstructuur die bijdraagt aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving. De hoofddoelstellingen zijn uitgewerkt in zes beleidsdoelen: 1. 2. 3. 4.

Prioriteit geven aan hoofdwinkelgebieden; Voorkomen van extra leegstand; Internet-afhaalpunten bij voorkeur situeren in bestaande winkelcentra; Een vitale, dynamische en concurrerende detailhandelstructuur, waarbij ruimte wordt geven aan kwaliteit; 5. Primaire detailhandel (levensmiddelen) is bereikbaar op een aanvaardbare afstand; 6. Detailhandel draagt bij aan aantrekkelijke binnensteden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een gemengd programma met voorzieningen, waaronder detailhandel en is daarmee in lijn met het provinciale detailhandelsbeleid.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Vervoerregio Amsterdam

De Stadsregio Amsterdam, een bestuurlijk samenwerkingsverband tussen verschillende gemeenten in de regio, is opgehouden te bestaan. Dit samenwerkingsverband is verder gegaan als Vervoerregio Amsterdam, een samenwerkingsverband van vijftien gemeenten en is sinds 1 januari 2017 opgericht. De vervoerregio werkt onder meer aan verbetering van de bereikbaarheid, de leefbaarheid en de economische ontwikkeling en heeft in dat kader een aantal beleidsnota's opgesteld, waarvan in dit kader vooral het Plabeka relevant is.

bestemmingsplan_Zuidas-Woonbuurt Ravel (ontwerp)

blz. 27

3.3.2

Metropoolregio Amsterdam

De Metropoolregio Amsterdam is het informele samenwerkingsverband van lokale en provinciale overheden in de noordvleugel van de Randstad. Belangrijk kenmerk van de metropoolsamenwerking vormt het feit dat dit gebeurt op vrijwillige basis. De democratische legitimatie van besluiten vindt plaats in de Staten en gemeenteraden van de aangesloten gemeenten en provincies. Het versterken van de concurrentiepositie, nationaal en internationaal, vormt de rode draad binnen de metropoolsamenwerking. Om in de Europese top mee te kunnen blijven spelen, is de gezamenlijke ambitie gericht op het creëren van een hoogwaardig, veilig en duurzaam leef- en woonmilieu voor bedrijven, bewoners en bezoekers, nu en straks. Door in te zetten op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden die omringd worden door recreatief groen moet het vestigingsklimaat aantrekkelijk blijven. Rond de beleidsvelden verkeer en vervoer, economie, verstedelijking, landschap en duurzaamheid zijn drie regionale bestuurlijke overlegorganen geformeerd. De samenwerking in metropoolverband levert de regio bovendien structureel meer kracht en zeggenschap op richting het Rijk. 3.3.3

Plabeka

Op 23 juni 2017 heeft het Platform Economie de Uitvoeringsstrategie 3.0 vastgesteld: 'Ruimte voor werken in de MRA van morgen: 2017-2030'(Uitvoeringsstrategie). In 2019 is een lichte actualisatie uitgevoerd: 'Actualisatie light – Naar een Uitvoeringsstrategie Plabeka 3.1'. Hoofddoel in de Uitvoeringsstrategie is voldoende en kwalitatief passend aanbod van werklocaties in de Metropoolregio Amsterdam, om bij te dragen aan het versterken van de (inter)nationale concurrentiepositie en het verbeteren van het regionale vestigingsklimaat. In deze Uitvoeringsstrategie zijn bestuurlijke afspraken gemaakt. In Plabeka 3.1 zijn wijzigingen opgenomen naar aanleiding van deelregionale gesprekken, parallel lopende trajecten en nieuwe inzichten uit onderzoeken. De bestuurlijke afspraken gaan over de preambule, strategie, programmering, transformatie, duurzame en toekomstbestendige werklocaties en overige afspraken. Het meest recente jaarlijkse verslag van de ontwikkelingen op de kantoren- en bedrijventerreinenmarkt in de MRA is de Monitor Plabeka 2017-2018. Daaruit blijkt dat de economie van de MRA in 2017 voor het vijfde jaar op rij een groei vertoonde. Bijna 60% van de banen in de MRA is gesitueerd op gemengde werkmilieus als woonwijken, centrumgebieden en creatieve wijken. Vooral binnen de creatieve wijken groeit de werkgelegenheid sterk.

Kantoorruimte concentreert zich in centrumgebieden en woonwijken. De kantorenleegstand in gemengde milieus is in de afgelopen twee jaar gedaald tot 11%. Vooral in centra en creatieve wijken is de leegstand laag. In 2017 was bovendien meer transformatie zichtbaar dan ooit (0,5 miljoen m2, 4% van de totale voorraad). Wonen is de voornaamste nieuwe functie (minstens de helft van de getransformeerde ruimtes). Tot 2030 beschikt de MRA over 0,9 miljoen m2 hard planaanbod op kantoorlocaties, waarvan bijna de helft op internationale vestigingslocaties als Zuidas. De vraag concentreert zich met name op aantrekkelijke, multimodaal bereikbare plekken met een hoog voorzieningenniveau. In Amsterdam is de voorraad in dit segment krap. Ook de markt voor bestaande bedrijfsruimte lijkt in de gemeente Amsterdam krapper dan elders in de MRA. Het transactievolume van bedrijfsruimte ligt er relatief hoog en de leegstand van industrieel vastgoed en kantoorruimten op bedrijventerreinen is laag. Het bestemmingsplan voorziet in kantorenporgramma en draagt bij aan de uitvoeringsstrategie van het Plabeka.

Gemeente Amsterdam

blz. 28

3.3.4

Woonbeleid

3.3.4.1 Handreiking Ladder voor Duurzame Verstedelijking Stadsregio Amsterdam Gemeenten zijn verplicht om bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwplannen de ladder voor duurzame verstedelijking toe te passen, om te toetsen of het plan voorziet in een actuele behoefte binnen de regio. De Stadsregio Amsterdam (thans Vervoerregio Amsterdam) heeft op 18 oktober 2016 de Handreiking Ladder voor Duurzame Verstedelijking Stadsregio Amsterdam opgesteld. Deze handreiking is een aanvulling op de bestaande, landelijke handreikingen, toegespitst op de situatie in de stadsregio Amsterdam. Het doel van de ladder is zorgvuldig ruimtegebruik en het voorkomen van leegstand en overprogrammering uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Leegstand en overprogrammering zijn voor wat betreft wonen in de regio Amsterdam echter niet zozeer van toepassing. Er is een enorme vraag naar woonruimte binnen de regio en vooralsnog zijn er voor de komende tien jaar nog niet genoeg (harde) plannen die in deze behoefte kunnen voorzien. De onderbouwing van de woningbehoefte binnen de regio kan zowel kwantitatief als kwalitatief zijn. Met kwantitatieve behoefte wordt bedoeld: de vraag naar woningen binnen de regio, uitgedrukt in cijfers, afgezet tegen het aanbod van woningen binnen de regio, uitgedrukt in cijfers.

Met kwalitatieve behoefte wordt bedoeld: de vraag naar woningen binnen de regio, onderscheiden naar type woningen, woonmilieu en/of segment, afgezet tegen het aanbod van woningen binnen de regio, onderscheiden naar type woningen, woonmilieu en/of segment. Bij het aanbod van woningen worden zowel de reeds bestaande woningen als de in uitvoering zijnde of geplande bouw van woningen binnen de regio meegewogen. 3.3.4.2 Regionaal Actieprogramma Wonen 2016-2020 Stadsregio Amsterdam De provincie Noord-Holland heeft de gemeenten binnen de Stadsregio Amsterdam (thans Vervoerregio Amsterdam) gevraagd gezamenlijk een Regionaal Actieprogramma Wonen (RAP) op te stellen voor de periode 2016 tot en met 2020. Dit komt voort uit de provinciale Woonvisie uit 2010, waarin als doelstelling is opgenomen dat in 2020 de inwoners van Noord-Holland beschikken over voldoende woningen met een passende kwaliteit en in een aantrekkelijk woonmilieu. De gemeenten die deel uitmaken van de Vervoerregio Amsterdam werken nauw samen om de woningbehoefte voor de gehele regio adequaat op te vullen. Hiertoe is in het regionale portefeuillehouders-overleg Ruimte en Wonen van 30 juni 2016 de Samenwerkingsagenda Regionale Woningmarkt 2016-2020 vastgesteld.

De thema's in deze samenwerkingsagenda zijn woningbouwproductie, betaalbare voorraad en woonruimteverdeling, om de kwantitatieve behoefte aan woningen, maar vooral ook de kwalitatieve behoefte aan woningen in kaart te brengen. Eind 2016 heeft de voormalige Stadsregio Amsterdam het RAP 2016-2020 aangeboden aan de provincie Noord-Holland. De provincie heeft in januari 2017 laten weten vooralsnog niet in te kunnen stemmen met het RAP 2016-2020. Er waren aanvullingen nodig met betrekking tot zowel het regionale woningbouwprogramma als beleidsmatige onderwerpen op het gebied van wonen. Bovendien bestaat het gebied van de voormalige Stadsregio uit drie deelregio's: Amsterdam, Amstelland-Meerlanden en Zaanstreek-Waterland. De aanvullingen zijn daarom ingediend in de vorm van de oplegger Regionaal Actieprogramma Wonen 2016-2020 Amstelland-Meerlanden, Amsterdam, Zaanstreek-Waterland. De oplegger én het Regionaal Actieprogramma Stadsregio Amsterdam 2016-2020 vormen tezamen het geldende RAP 2016-2020 voor deze regio. Het RAP brengt de regionale vraag naar woningen in beeld en zet deze vraag af tegen het (geplande) aanbod van woningen. De woningmarkt in de regio Amsterdam kent een sterke samenhang en een gedeeld gezamenlijk belang. De regio is internationaal gezien zeer sterk met veel groeipotentieel en een bestemmingsplan_Zuidas-Woonbuurt Ravel (ontwerp)

blz. 29

goede concurrentiepositie. Deze sterke positie van de regio is ontstaan dankzij een veelheid aan factoren, waarbij de hoge kwaliteit van leven een belangrijke rol speelt. Een aantrekkelijke en diverse woningmarkt maakt hier deel van uit. Veel mensen willen dan ook graag in de regio wonen. Dat biedt tegelijkertijd kansen en uitdagingen. De vraag naar woningen is in alle segmenten groter dan het aanbod. De onderbouwing van de woningbehoefte binnen de regio kan zowel kwantitatief als kwalitatief worden weergegeven. Met kwantitatieve behoefte wordt bedoeld: de vraag naar woningen binnen de regio, uitgedrukt in cijfers, afgezet tegen het aanbod van woningen binnen de regio, uitgedrukt in cijfers. Met kwalitatieve behoefte wordt bedoeld: de vraag naar woningen binnen de regio, onderscheiden naar type woningen, woonmilieu en/of segment, afgezet tegen het aanbod van woningen binnen de regio, onderscheiden naar type woningen, woonmilieu en/of segment. Bij het aanbod van woningen worden zowel de reeds bestaande woningen als de in uitvoering zijnde of geplande bouw van woningen binnen de regio meegewogen. Voor plannen in Amsterdam is de gehele stadsregio te beschouwen als marktregio. Onder actuele woningbehoefte wordt de behoefte voor de komende tien jaar verstaan.

Dit sluit aan bij de jurisprudentie die over dit begrip is ontstaan bij de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Wat betreft de kwantitatieve behoefte geldt voor de gehele voormalige Stadsregio dat wordt geschat dat de woningbehoefte in de periode 2017-2027 zal toenemen met ca. 79.500 woningen. Hier staat een harde plancapaciteit van bijna 62.500 woningen tegenover, waardoor een tekort aan harde plannen van 17.000 woningen bestaat. In onderstaande tabel worden woningbehoefte en plancapaciteit tegen elkaar afgezet, uitgedrukt in het aantal woningen.

Bron: Oplegger Regionaal Actieprogramma Wonen 2016 t/m 2020 Amstelland-Meerlanden, Amsterdam Zaanstreek-Waterland (vhn Stadsregio Amsterdam) Wat betreft de kwalitatieve behoefte geldt voor de marktregio Amsterdam (de gehele stadsregio) het volgende: De woningbehoefte is zo groot, dat in vrijwel alle marktsegmenten tekorten zijn. De grootste tekorten doen zich voor bij eengezinswoningen, betaalbare huurwoningen en betaalbare en middeldure koopwoningen. Alleen bij de marktsegmenten meergezinswoningen in een stedelijk milieu - een segment dat ruim geprogrammeerd staat - en dure huurwoningen is de plancapaciteit een fractie groter dan de vraag. In voorliggend bestemmingsplan wordt woonprogramma mogelijk gemaakt en draagt daarmee bij aan het lenigen van de woningbehoefte.

Gemeente Amsterdam

blz. 30

3.3.5

Regionaal detailhandelsbeleid Stadsregio Amsterdam 2016-2020

Het regionale detailhandelsbeleid is op 15 maart 2016 vastgesteld door de Regioraad van de Stadsregio Amsterdam en is daarmee beleid van en voor alle 15 gemeenten van de Stadsregio. Met dit nieuwe beleid spreken de gemeenten af zich te richten op het tegengaan van leegstand en op het behoud van hun fijnmazige winkelstructuur, zodat bewoners op aanvaardbare afstand in hun eigen buurt of wijk de meeste van hun (dagelijkse) boodschappen kunnen blijven doen. De ontwikkelingen op de vaak grootschalige perifere locaties vragen daarbij extra aandacht. De leegstand is daar het grootst en bij gevolg ook de verleiding om daar allerlei andere vormen van detailhandel toe te staan. Maar dat kan verstrekkende gevolgen hebben voor de winkelstructuur in de aanpalende buurten en wijken, ook die van de de buurgemeenten. Terughoudendheid is daar op zijn plaats. Maar detailhandel is niet alleen het behouden wat er is, het is ook ruimte geven aan nieuwe ontwikkelingen, aan nieuwe concepten en winkelformules. Detailhandel is daarmee een balanceeract tussen ruimte geven en reguleren. Het regionaal detailhandelsbeleid dient meerdere doelen. Allereerst is het een leidraad voor de gemeenten van de Stadsregio voor hun eigen gemeentelijke detailhandelsbeleid. Zuinig ruimtegebruik staat daarbij voorop. Het detailhandelsbeleid van de regio gaat daarom ook met name over de ruimtelijke aspecten ervan.

Door het vaststellen van gemeenschappelijke uitgangspunten wordt er tussen de gemeenten onderling een eenduidig en gelijk speelveld gecreëerd. Gemeenten, consumenten én bedrijfsleven weten dan allemaal waar ze aan toe zijn. De Stadsregio Amsterdam heeft in het kader van het regionale detailhandelsbeleid 15 uitgangspunten voorgesteld. 1. Inwoners van de Stadsregio Amsterdam moeten op aanvaardbare afstand hun (dagelijkse) boodschappen kunnen doen (fijnmazige detailhandelsstructuur); 2. Het beleid is er op gericht om vraag en aanbod in evenwicht te brengen in de (fysieke) retailsector; 3. Detailhandelsvestigingen zijn louter gevestigd in verstedelijkt of nog te verstedelijken gebied: passend in de structuur van de hoofdwinkel-, stadsdeel- of wijkcentra, alsook op specifiek benoemde locaties op bedrijventerreinen. Solitaire vestigingen buiten en binnen woongebieden zijn uitgesloten; 4. Nieuwe ontwikkelingen: a. moeten de huidige structuur versterken; b. die ruimtegebrek vergen, zijn alleen mogelijk als de ontwikkeling niet op een bestaande winkellocatie mogelijk is; c. moeten duidelijkheid geven over de impact van de ontwikkelingen op de lokale en regionale winkelstructuur; 5. Clustering van detailhandel is een leidend principe, al dan niet met andere commerciële en/of maatschappelijke voorzieningen; 6. Gemeenten streven ernaar om leegstand zoveel als mogelijk te voorkomen.

Nieuwe initiatieven worden daarom altijd bekeken en beoordeeld vanuit het principe 'nieuw voor oud'. Dat wil zeggen dat eventuele nieuwe initiatieven en uitbreiding van bestaand winkelareaal gepaard gaan met maatregelen om de bestemming detailhandel elders te beperken. Door pro-actief beleid werken gemeenten aan voorzienbaarheid, zodat planschade voorkomen kan worden bij het daadwerkelijk verminderen van het aantal m2 detailhandel; 7. Gemeenten moeten (ook in het kader van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking) goed beschrijven wat de regionale behoefte is van de winkelplannen die voorzien zijn; 8. Gemeenten kunnen via het bestemmingsplan aanvullende eisen voor branchering stellen. Dit dient op ruimtelijke aspecten gebaseerd te zijn; 9. Alleen op bepaalde reeds als zodanig aangemerkte locaties (Amstelveen: Bovenkerkerhoek; bestemmingsplan_Zuidas-Woonbuurt Ravel (ontwerp)

blz. 31

Haarlemmermeer: Cruquius; Amsterdam: GDV-zone Arenagebied, Spaklerweg, Schinkel, Landlust, Keurenplein en Van Slingeland- straat / Bedrijventerrein Westerkwartier) is - indien passend binnen het vigerende bestemmingsplan - grootschalige detailhandel (GDV) toegestaan. Dat wil zeggen winkels van meer dan 1500 m2 wvo zonder brancheringseisen (uitgezonderd dagelijkse goederen, te weten levensmiddelen en persoonlijke verzorging); 10. Naast de PDV-locaties waar GDV mogelijk is, zijn er de traditionele PDV-locaties, waar louter de PDV-branches zijn en blijven toegestaan. Brancheverruiming is op deze locaties op grond van het provinciale beleid niet toegestaan; 11. Op basis van de uitkomsten van het in 2016/2017 uit te voeren Koopstromen-onderzoek en het Marktruimteonderzoek, zal onderzocht worden of de locaties waar nu GDV mogelijk is, gehandhaafd moeten blijven of dat er aanpassingen nodig of mogelijk zijn in aantal, omvang of locatie. Dit onderzoek zal bij voorkeur plaatsvinden op de schaal van de Metropoolregio Amsterdam; 12. Nieuwe perifere detailhandelslocaties worden in beginsel niet toegestaan; 13. Conform het provinciaal beleid zijn internetafhaalpunten alléén op bedrijven-terreinen toegestaan als deze afhaalpunten géén winkel- en géén uitstalfunctie hebben. Bij voorkeur worden afhaalpunten in bestaande winkelgebieden gesitueerd; 14.

Indien er een bestemmingsplanwijziging nodig is bij nieuwe winkelinitiatieven moet iedere gemeente dit initiatief voorleggen aan de Adviescommissie Detailhandel Noord-Holland Zuid (ADZ). Dit geldt voor alle initiatieven boven de 1500 m2 wvo. Bij winkelcentra van meer dan 25.000 m2 wvo (Hoofddorp, Amstelveen, Purmerend, Zaanstad en Amsterdam, plus in Amsterdam het Buikslotermeerplein en de Amsterdamse Poort) geldt dit voor initiatieven van meer dan 3000 m2 wvo. Deze grenzen gelden voor het totale winkelgebied en niet per winkel; 15. Iedere gemeente legt de lokale detailhandelsstructuur in ruimtelijke termen vast in de gemeentelijke structuurvisie of in een gemeentelijke detailhandelsvisie. Deze visie past binnen het regionale detailhandelsbeleid en binnen het kader dat is vastgesteld in het provinciale detailhandelsbeleid uit 2014. Het doel van de uitgangspunten en het beleid is dat het een leidraad biedt voor vroegtijdig onderling overleg, zodat gemeentelijke plannen en voornemens goed op elkaar aangesloten kunnen worden. Gemeentelijk detailhandelsbeleid houdt rekening met de uitgangspunten. Het voorliggende bestemmingsplan houdt rekening met de uitgangspunten uit het beleid. In paragraaf 4.1 wordt de behoefte aan detailhandel in relatie tot de functies in het bestemmingsplan beschreven. 3.3.6

Regionaal Verkeer en Vervoerplan

Het Regionaal Verkeer en Vervoerplan (RVVP) is in december 2004 vastgesteld door de Regioraad en opgesteld in samenwerking met de zestien gemeenten van de Vervoerregio Amsterdam. De gezamenlijke ambitie is een gezonde en gedifferentieerde economie met internationale concurrentiekracht, het bieden van een goed sociaal klimaat voor inwoners en het zorgen voor een duurzame leefomgeving. De mobiliteitsgroei is hierbij een gegeven. Deze groei moet wel worden opgevangen om voldoende recht te doen aan de geformuleerde ambities maar mag niet leiden tot onbereikbaarheid en aantasting van de leefbaarheid. Beleid is noodzakelijk om niet alleen de bereikbaarheidsproblemen op te lossen maar ook om de veiligheid en leefbaarheid te waarborgen. Het RVVP gaat uit van een samenhangende aanpak van de bereikbaarheidsproblemen. Er wordt ingezet op het benutten van de sterke kanten van het bestaande aanbod van openbaar vervoer (OV) en wegcapaciteit, maar het kan niet zonder uitbreiding van deze capaciteit en verdere beïnvloeding van de vraag naar mobiliteit. Goed samenspel tussen ruimtelijke ontwikkelingen en verkeer en vervoer is noodzakelijk.

Gemeente Amsterdam

blz. 32

Jaarlijks wordt voor het RVVP een uitvoeringsprogramma opgesteld en iedere twee jaar wordt het beleidskader geëvalueerd. Met de uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd is in het bestemmingsplan rekening gehouden. In hoofdstuk 6 wordt verder ingegaan op het aspect bereikbaarheid. 3.3.7

Regionale OV-Visie 2010-2030 van de Stadsregio Amsterdam

De OV-Visie 2010-2030 is samen met gemeenten van de Stadsregio Amsterdam (thans Vervoerregio Amsterdam), aangrenzende overheden, maatschappelijke organisaties (reizigersverenigingen) en vervoerbedrijven ontwikkeld en op 24 juni 2008 vastgesteld door de Regioraad. Het aanleggen van grootschalige infrastructuur vraagt een lange voorbereidingstijd. Daarom is een visie nodig voor de langere termijn. Op basis van de visie wordt ook een investeringsstrategie gemaakt. Met de visie kunnen juiste en toekomstbestendige keuzes worden gemaakt in de aanleg of aanpassingen van het OV-netwerk in de regio.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9686027/1