CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Ontwerp GR OD NZKG brief gemeenteraad.pdf

Raadscommissie Financiën, Kunst en Diversiteit 21 maart 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de ontwerp Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2024 en instemmen met het ten aanzien hiervan indienen van een zienswijze. (VN2024-000114)12.416 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

1119tZ

i9bUit—m g1:.4 .noordzeekanaalgebied

Bezoekadres Ebbehout 31 1507 EA Zaandam EBBEHOUT 31, 1507 EA ZAANDAM

www.odnzkg.nl

Aan de raad der gemeente Amsterdam Postbus 202 1000 AE Amsterdam

Betreft: Ontwerp Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied

Contactpersoon Bert Veraa E-mailadres Bert.veraa@odnzkg.nl Doorkiesnummer 088 567 0250 Kenmerk 12501583

Geachte leden van de raad,

Bijlage(n) 2

per 1 juli 2022 is de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) gewijzigd. Volgens

Datum 27 december 2023

de gewijzigde wet moet iedere gemeenschappelijke regeling een aantal wijzigingen doorvoeren. Hiervoor hebben gemeenschappelijke regelingen tot 1 juli 2024 de tijd. De doorgevoerde wijzigingen zijn op te delen drie categorieen: 1. Wijzigingen gericht op de versterking van de positie van vertegenwoordigende organen (lees raden, staten en algemeen besturen) bij besluitvorming in gemeenschappelijke regelingen; 2. De introductie van aanvullende controle-instrumenten; 3.

Wijzigingen gericht op het verbeteren van de positie van vertegenwoordigende organen (lees raden, staten en algemeen besturen) met betrekking tot het functioneren van de regeling.

Dit leidt ertoe dat er binnen iedere gemeenschappelijke regeling ook een aantal keuzes dienen te worden gemaakt over de wijze waarop de regeling wenst om te gaan met deze nieuwe mogelijkheden. In onze brief van 23 oktober 2023 hebben wij u aangekondigd dat de GR OD NZKG deze wetswijziging gaat verwerken in de gemeenschappelijke regeling. Verzoek Het Algemeen Bestuur van de OD NZKG biedt u de gewijzigde concept gemeenschappelijke regeling aan. Wij verzoeken u deze ontwerpregeling in uw

Verzonden 2 7 DEC. 2023

rib

4"611;ng5d Igtz noordzeekanaalgebied

raad te agenderen en binnen een termijn van 8 weken uw zienswijze te geven. Mocht u geen aanleiding zien voor een zienswijze, verzoeken wij u dit ook te laten weten. Als gevolg van de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen heeft u het recht om een zienswijze over het ontwerp van deze gewijzigde regeling naar voren te brengen voordat de gewijzigde regeling voor toestemming en instemming wordt toegezonden. Conform artikel 1 van de Wgr heeft u, vanaf ontvangst van de ontwerpregeling, acht weken de tijd om een eventuele zienswijze kenbaar te maken. Op dit punt in het proces zijn we nu aangekomen. Daarom verzoeken wij u de ontwerpregeling zo spoedig mogelijk van eventuele zienswijzen te voorzien en ons deze voor 4 maart 2024 toe te sturen. Dit stelt ons in staat om deze eventuele zienswijzen te betrekken bij het definitieve voorstel voor de wijziging van de regeling. Beoogd wordt om in de vergadering van het Algemeen Bestuur van 12 juli 2024 een definitief voorstel voor de gewijzigde gemeenschappelijke regeling vast te stellen, om deze vervolgens aan uw college ter instemming voor te leggen.

Toelichting op de belangrijkste wijzigingen Onderstaand lichten we een aantal wijzigingen toe en geven enige duiding waarom wij dit voorstel doen. Voor een volledig overzicht verwijzen wij u naar de bijlagen. Technische wijzigingen • Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de gewijzigde Wgr zijn de considerans en de taakomschrijving (art. 2 GR - belang) herschreven. Daarnaast dienen bepaalde begripsbepalingen opnieuw geformuleerd te worden, zodat deze in overeenstemming zijn met de Omgevingswet. •

Art. 29 GR (Ombudsfunctie) is overbodig en wordt daarom geschrapt.

•

In art. 42 GR wordt het derde lid geschrapt. Het AB is de gesprekspartner van de raden en niet het DB.

•

In art. 53 GR wordt de meerderheid die akkoord dient te gaan met een toetreding gewijzigd van vijf zesde naar twee derde meerderheid. Dit heeft te maken met het feit dat vijf zesde van negen deelnemers op een gebroken aantal uitkomt (namelijk 7,5).

•

Art. 61 GR 2021 wordt geschrapt, omdat de bepalingen achterhaald of niet meer van toepassing zijn.

Optionele wijzigingen • De Wgr biedt raden en Staten de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen. Op dit moment bestaat de zienswijzeprocedure al voor de ontwerpbegroting en bij de bevoegdheid tot het treffen van een regeling. Onder treffen wordt ook toetreding, wijziging en uittreding verstaan. In de werkgroepsessies is besloten dat geen extra mogelijkheden tot zienswijzen in de GR worden opgenomen. De GR hoeft daardoor op dit punt niet aangepast te worden. Verplichte wijzigingen • In de Wgr is de mogelijkheid opgenomen dat het AB een gemeenschappelijke adviescommissie instelt naar aanleiding van een voorstel van de raden en Staten. De GR hoeft hier niet voor aangepast te worden omdat de mogelijkheid voor het doen van een voorstel door de raden en Staten uit de Wgr zelf volgt. •

Het vorige punt geldt eveneens voor aanvullende controle-instrumenten. De GR hoeft niet aangepast te worden, aangezien de bevoegdheid (recht van enquete en onderzoek door rekenkamer) rechtstreeks uit de Gemeentewet/Provinciewet volgt.

fit AO 1119%.--: - is

-

noordzeekanaalgebied

•

In de Wgr is bepaald dat in de GR expliciet wordt vastgelegd of er de mogelijkheid bestaat voor participatie. De OD NZKG zal geen gebruik maken van de participatiemogelijkheid, aangezien de OD NZKG een uitvoeringsinstantie is. In de GR is een nieuw artikel opgenomen:

Artikel 30: Participatie van ingezetenen en belanghebbenden Het openbaar lichaam biedt ingezetenen en andere belanghebbenden geen mogelijkheid tot frispraak bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van belekl.' •

Er bestaat vanuit de Wgr een actieve informatieplicht, zodat de raden hun taken goed uit kunnen voeren. Hierdoor wordt art. 39 GR (Inlichtingen en verantwoording AB) op onderstaande manier gewijzigd en aangevuld:

3. Het algemeen bestuur geeft aan de vertegenwoordigende organen gevraagd en ongevraagd alle informatie die nodig is voor een juiste beoordeling van het door het Bestuur gevoerde en te voeren beleid. Deze informatie wordt mondeling of schriftelijk verstrekt. 4. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vertegenwoordigende organen. 5. Het Algemeen Bestuur maakt vergaderstukken en verslagen van het Algemeen Bestuur actief openbaar. •

Een aanvulling op art. 42 GR is dat het DB de agenda's en besluitenlijsten actief openbaar zal maken.

•

Een belangrijke wijziging in de Wgr is de evaluatieregeling. In de GR is een nieuw artikel hierover opgenomen: Artikel 64: Evaluatie:

1. Het algemeen bestuur besluit om de vier jaar over het evalueren van de regeling. 2. Het algemeen bestuur bepaalt voorafgaand aan de uitvoering van de evaluatie het doel, de reikwijdte en de wipe van evaluatie.' •

Een ander wezenlijk punt in de GR wat nader uitgewerkt wordt, betreft de uittreding van een oprichter/eigenaar. De artikelen 54 tot en met 58 GR regelen de te ondernemen stappen en gevolgen van een uittreding.

•

De begrotingscyclus heeft in de Wgr diverse wijzigingen ondergaan. De zienswijzeperiode is verlengd van acht naar twaalf weken. Tevens is de datum wanneer de vastgestelde begroting aan de minister van BZK gezonden moet worden, opgeschoven naar 15 september.

In bijlage 1 vindt u de ontwerpregeling. In bijlage 2 is een tabel opgenomen waarin de wijzigingen zijn weergegeven in was-wordt-format.

Toelichting gewenst? Mocht u een nadere toelichting op de ontwerpregeling wensen, dan zijn wij daartoe graag bereid. U kunt daarvoor contact opnemen met de secretaris van de GR OD NZKG dhr. Bert Veraa (email bert.veraa@odnzkg.nl).

Tot slot Wij verzoeken u de conceptontwerp regeling van eventuele zienswijzen te voorzien en deze zienswijzen zo spoedig mogelijk aan ons toe te sturen. Dit stelt ons in staat om deze eventuele zienswijzen mee te nemen in het definitieve voorstel voor de wijziging van de regeling. Beoogd wordt om in de vergadering van het Algemeen Bestuur van 12 juli 2024 een definitief voorstel voor de gewijzigde gemeenschappelijke regeling vast te stellen, om deze vervolgens aan uw college ter instemming voor te leggen.

II

g 40:11 /

100e, i

tti

111

i

noordzeekanaalgebied

Namens het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regeling OD NZKG,

Tjapko Poppens

Loes de Maat

voorzitter

secretaris

Bijlagen: 1. Ontwerpregeling GR OD NZKG 2.

Was-Wordt lijst

, 4,, , ;El...riyui__._,;., ,..- -1 ; a r, ,A. yt-.w noordzeekanaalgebied

Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2024

. . -= 7". ir • W. o•r- gr" 0 vs 0- 4-.6011111- o9V- w a: i9s.ak_.—E noordzeekanaalgebied

Gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2024 De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn, en Zaanstad en gedeputeerde staten van de provincie NoordHolland, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft, Overwegende dat Omgevingswet artikel 18.21 bepaalt dat Gedeputeerde Staten en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die behoren tot een of meer regio's als bedoeld in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio's of tot een kring van bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen gemeenten een omgevingsdienst instellen voor een doelmatige en doeltreffende uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak voor die regio, regio's of kring; de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn en Zaanstad en Gedeputeerde Staten van de provincie NoordHolland de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied hebben ingesteld voor in ieder geval de uitvoering van de basistaken, zoals bedoeld in Omgevingsbesluit artikel 13.12; diverse wetswijzigingen, waaronder de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de Wet gemeenschappelijke regelingen, noodzaken tot een wijziging

van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2021

Gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen; de toestemming van provinciale staten van Noord-Holland en de toestemmingen van de raden van Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn, en Zaanstad ex artikel 1, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen; Besluiten tot wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied zodat deze als volgt komt to luiden: de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2024

Hoofdstuk 1: Artikel 1:

Algemene bepalingen

Begripsbepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst, bedoeld in artikel 4; b. ambtenaren: ambtenaren, als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet; c. Amstellandgemeenten: de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn; d. basistakenpakket: het basistakenpakket voor omgevingsdiensten zoals bedoeld in artikel 13.12 van het omgevingsbesluit op basis van artikel 18.22 lid 1 van de Omgevingswet;

in'

sos

-A

noordzeekanaalgebied

e. Seveso-/RIE-4 taken: de taken waaraan op basis van artikel 18.22 lid 2 van de Omgevingswet met uitsluiting van andere omgevingsdiensten de uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak is opgedragen voor activiteiten (a) met betrekking tot installaties als bedoeld in bijlage I, categorie 4, bij de richtlijn industriele emissies en (b) waarop de Seveso-richtlijn van toepassing is; f. colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten en gedeputeerde staten van Noord-Holland; g. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst, bedoeld in artikel 4; h. directeur: de secretaris van de Omgevingsdienst, bedoeld in artikel 26; i. gemeenten: de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn en Zaanstad; j Omgevingsdienst: het openbaar lichaam bedoeld in artikel 3; k. provincie: de provincie Noord-Holland; I. regeling: de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2021, en m. vertegenwoordigende organen: de raden van de gemeenten en provinciale staten van Noord-Holland. n. plustaken; taken die niet behoren tot het basistakenpakket als gedefinieerd in artikel 1, sub d. Artikel 2:

Belang

De regeling wordt getroffen ter ondersteuning van de colleges bij de uitvoering van hun taken en bevoegdheden op het gebied van fysieke leefomgeving in het algemeen en de Omgevingswet in het bijzonder, alsmede de taken en bevoegdheden op het terrein van vergunningverlening, handhaving en toezicht op grond van de Wet milieubeheer, de Waterwet, de Woningwet, de Wet luchtvaart en Besluit geluidproductie sportmotoren en de Elektriciteitswet.

Hoofdstuk 2:

Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied

Afdeling 1: Instelling en taken Artikel 3:

Instelling

1. Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam ingesteld genaamd Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. 2. De Omgevingsdienst is gevestigd to Zaandam. Artikel 4:

Bestuur

Het bestuur van de Omgevingsdienst bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

Afdeling 2; Artikel 5:

Algemeen bestuur Hoofdschap

Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van de Omgevingsdienst. Artikel 6:

Samenstelling

1. De colleges wijzen uit hun midden ieder een lid van het algemeen bestuur aan, met dien verstande dat de colleges van Amsterdam, Haarlemmermeer en Noord-Holland ieder twee leden van het algemeen

a.

ada a. —111 ; no -4.01 Ifavt---7; a: i9bUittUri'aZ.

noordzeekanaalgebied

bestuur uit hun midden aanwijzen. 2. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt wethouder of burgemeester respectievelijk gedeputeerde of commissaris van de Koning te zijn. 3. Een lid van het algemeen bestuur kan te alien tijde ontslag nemen. Het lid blijft aan tot het college dat hem heeft aangewezen in zijn opvolging heeft voorzien. 4. De colleges wijzen uit hun midden ieder een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur aan. Het plaatsvervangend lid vervangt het lid, bedoeld in het eerste lid, bij afwezigheid. Hetgeen in deze regeling bepaald is omtrent het lid van een algemeen bestuur, is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid. 5. Het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst IJmond kan uit zijn midden een vertegenwoordiger aanwijzen die een adviserende stem heeft in het algemeen bestuur. Artikel 7:

Meervoudig stemrecht

1. De leden van het algemeen bestuur, aangewezen door gedeputeerde staten van de provincie NoordHolland hebben ieder tien stemmen. 2. De leden van het algemeen bestuur, aangewezen door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam hebben ieder vijftien stemmen. 3. De leden van het algemeen bestuur, aangewezen door het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer hebben ieder acht stemmen. 4. Het lid van het algemeen bestuur, aangewezen door het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad heeft negen stemmen. 5. De leden van het algemeen bestuur, aangewezen door de colleges van burgemeester en wethouders van de Amstellandgemeenten ieder vijf stemmen hebben. Artikel 8:

Reglement van orde

Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast. Artikel 9:

Vergaderingen

1. Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en voorts zo vaak als het daartoe besloten heeft. 2. Voorts vergadert het algemeen bestuur indien de voorzitter of het dagelijks bestuur het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit het algemeen bestuur bestaat schriftelijk, met opgaaf van redenen, daarom verzoekt. Artikel 10: Oproeping 1. De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op. 2. Tegelijkertijd met de oproeping brengt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen met uitzondering van de in artikel 23, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen bedoelde stukken worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd. Artikel 11: Quorum 1. De vergadering van het algemeen bestuur wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. 2. Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de voorzitter, onder

; irk ----- -..w a: ii9SUIL %Ii11119%. -Zna•L noordzeekanaalgebied

verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen. 3. Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. Het algemeen bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. Artikel 12: Immuniteit De leden van het bestuur van het openbaar lichaam en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor dan wel worden verplicht getuigenis of te leggen als bedoeld in artikel 165, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over hetgeen zij in de vergadering van het algemeen bestuur hebben gezegd of aan het algemeen bestuur schriftelijk hebben overlegd. Artikel 13: Vergaderorde 1. De voorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken. 2. Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering te ontzeggen. 3.

Hij kan het algemeen bestuur voorstellen aan een lid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd. Artikel 14: Belangenverstrengeling 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht neemt een lid van het algemeen bestuur niet deel aan een stemming over: a. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken; b. de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort. 2. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje. 3. Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt. Artikel 15: Stemming 1. Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen. 2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was; b. in een vergadering als bedoeld in artikel 11, tweede lid, voor zover het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande, ingevolge artikel 11, eerste lid, niet geopende vergadering aan de orde waren

"rail

noordzeekanaalgebied

gesteld. Artikel 16: Besluitvorming 1. Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht, met inachtneming van artikel 7. 2. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje. Artikel 17: Stemwijze 1. De stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen geschiedt bij gesloten en ongetekende stembriefjes. 2. Indien de stemmen staken over personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt, wordt in dezelfde vergadering een herstemming gehouden. 3. Staken bij de stemming, bedoeld in het tweede lid, de stemmen opnieuw, dan beslist terstond het lot. 4. De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping, indien de voorzitter of een van de leden dat verlangt. In dat geval geschieden zij mondeling. 5. Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht zijn stem voor of tegen uit to brengen. 6. Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het aangenomen. 7.

Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen, behoudens bij stemming over personen, het nemen van een besluit uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend. 8. Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een ingevolge het zevende lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel niet aangenomen. 9. Onder een voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering waarin alle leden waaruit het algemeen bestuur bestaat, of hun plaatsvervangers, voor zover zij zich niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht. Artikel 18: Ambtelijke bijstand Het algemeen bestuur regelt op welke wijze ambtelijke bijstand wordt verleend aan de leden van het algemeen bestuur. Artikel 19: Openbaarheid vergaderingen 1. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde gedeelte van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd. 2. Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij het algemeen bestuur anders beslist. Artikel 20: Besluitvorming in besloten vergadering 1.

In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen, ter zake van de begroting, de wijzigingen daarvan en de jaarrekening. 2. In een besloten vergadering kan evenmin worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen, over het ontslag van leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter. 3. In een besloten vergadering kan geen besluit worden genomen ter zake van:

noordzeekanaalgebied

a. het aangaan van geldleningen, het uitlenen van gelden en het aangaan van rekeningcourantovereenkomsten; b. het kopen, ruilen, vervreemden, bezwaren en verpanden van eigendommen; c. het doen van een uitgaaf voordat de begroting of de begrotingswijziging waarbij deze uitgaaf is geraamd, is goedgekeurd. Artikel 21: Ontslag De colleges kunnen ieder het door hen in het algemeen bestuur aangewezen lid te alien tijde ontslaan wanneer dit lid het vertrouwen van het betreffende college niet !anger bezit. Afdeling 3:

Dagelijks bestuur

Artikel 22: Samenstelling 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en vier andere door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen leden, waarbij de leden aangewezen door de colleges van Amsterdam, Haarlemmermeer, Zaanstad en een vertegenwoordiger namens de Amstellandgemeenten, alsmede het lid aangewezen door gedeputeerde staten van Noord-Holland in elk geval zitting hebben. 2. Degene die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn. 3. Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid. Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan wordt het aanwijzen van een nieuw lid in het dagelijks bestuur uitgesteld totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is bezet. Artikel 23: Vergaderingen 1. Het dagelijks bestuur vergadert zo vaak de voorzitter het nodig oordeelt of tenminste een lid daar de voorzitter om verzoekt. 2. De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar. 3. leder lid heeft een stem. 4. Het dagelijks bestuur besluit bij volstrekte meerderheid van stemmen. 5.

Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast. Artikel 24: Ontslag Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Afdeling 4. Voorz/tter Artikel 25: Aanwijzing 1. De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen. 2. Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. 3. Uit de andere leden als bedoeld in artikel 22, eerste lid, wordt een plaatsvervangend voorzitter aangewezen door het algemeen bestuur. Het tweede lid is niet van toepassing op de plaatsvervangend voorzitter.

.

a .

0riagelnin-g 5cilenst noordzeekanaalgebied

Afdeling 5: Secretaris Artikel 26: Benoeming, schorsing en ontslag 1. De secretaris wordt door het dagelijks bestuur benoemd. 2. De bevoegdheid tot schorsing of ontslag van de secretaris berust bij het dagelijks bestuur. Artikel 27: Taak 1. De secretaris staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter ter zijde bij de uitoefening van hun taak. Hij is aanwezig in de vergadering van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur. Hij ondertekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan, mede. 2. De secretaris staat, als directeur, aan het hoofd van de ambtelijke organisatie van de Omgevingsdienst. 3. Het dagelijks bestuur stelt in de organisatieverordening nadere regels vast betreffende de taak en de bevoegdheid van de secretaris. Artikel 28: Vervanging 1. Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de secretaris. 2. Artikel 26, tweede lid, en artikel 27 zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de secretaris vervangt.

Afdeling 6: Ombudsfunctie Vervallen

Afdeling 7: Bestuurscommissies Artikel 29:

Instellen

Het algemeen bestuur is bevoegd een bestuurscommissie als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen in to stellen.

Afdeling 8: Participatie Artikel 30: Participatie van ingezetenen en belanghebbenden Het openbaar lichaam biedt ingezetenen en andere belanghebbenden geen mogelijkheid tot inspraak bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.

Hoofdstuk 3:

Bevoegdheden van de Omgevingsdienst

Afdeling 1: Bevoegdheden van het bestuur Artikel 31: Overdracht bevoegdheden Aan het bestuur van de Omgevingsdienst worden geen bevoegdheden overgedragen. Artikel 32: Mandaatverlening

,;;;

glyti ii

A.

noordzeekanaalgebied

1. De colleges kunnen aan het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de secretaris mandaat verlenen ter uitvoering van de bevoegdheden van het betreffende college, voor zover deze binnen het belang van deze regeling vallen. Onverminderd het bepaalde in artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht moet de secretaris instemmen met de mandaatverlening door het betreffende college. 2. Gedeputeerde staten van de provincie en de colleges van de gemeenten verplichten zich er voor zorg te dragen dat namens hun bestuur ten minste de bevoegdheden noodzakelijk voor de uitvoering van het basistakenpakket en de uitvoerings- en handhavingstaken voor Seveso- en RIE-4-bedrijven aan het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de secretaris in mandaat worden opgedragen. 3. De krachtens dit artikel genomen mandaatbesluiten worden overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht bekendgemaakt, onverminderd het bepaalde in artikel 10:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts worden de mandaatbesluiten opgenomen in een register. Artikel 33: Privaatrechtelijke bevoegdheden 1. De privaatrechtelijke bevoegdheden van de Omgevingsdienst worden ingekaderd door de begroting, en nader ingevuld in onder meer het directiereglement en het treasury statuut.

Bij de ter inzagelegging van de ontwerpbegroting wordt melding gemaakt van voorgenomen rechtshandelingen die een bedrag van € 2,5 miljoen te boven gaan. 2. Het algemeen bestuur kan slechts bij vijf zesde meerderheid besluiten tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, cooperates en onderlinge waarborgmaatschappijen. Artikel 34: Treffen gemeenschappelijke regeling 1. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter zijn bevoegd een gemeenschappelijke regeling te treffen met het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter van een ander openbaar lichaam in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen voor zover dit binnen het belang van de regeling valt, als bedoeld in artikel 2. 2. Het dagelijks bestuur of de voorzitter gaat niet over tot het treffen van een gemeenschappelijke regeling dan na verkregen toestemming van het algemeen bestuur. De toestemming kan slechts onthouden worden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. 3. Onder het treffen van een gemeenschappelijke regeling wordt in dit artikel mede verstaan het wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een gemeenschappelijke regeling. 4.

Het algemeen bestuur neemt de besluiten als bedoeld in dit artikel in afwijking van artikel 16, eerste lid, met een vijf zesde meerderheid. Artikel 35: Dienstverleningshandvest 1. Het dagelijks bestuur stelt een dienstverleningshandvest vast, dat geldt als algemene voorwaarden voor de dienstverlening aan deelnemers en derden. In het dienstverleningshandvest worden in elk geval opgenomen: a. de basistaken die voor elke deelnemer structureel door de Omgevingsdienst moeten worden uitgevoerd; b. de voorwaarden voor wijziging van het onder a bedoelde takenpakket, alsmede voor uitoefening van andere incidentele taken; c. de aansprakelijkheid, verzekering en geschillen met betrekking tot de taakuitoefening; d. de jaarlijkse vaststelling van de productcatalogus, welke de kwaliteit van de op te leveren producten bevat, en

161 "

':::y =o

IA

u

noordzeekanaalgebied

e. een voorziening in geval van niet voldoen aan de door de deelnemers gestelde eisen. 2. Het dagelijks bestuur stelt het dienstverleningshandvest, bedoeld in het eerste lid, niet vast dan nadat het algemeen bestuur de gelegenheid heeft gekregen zijn wensen en bedenkingen inzake het dienstverleningshandvest aan het dagelijks bestuur kenbaar te maken. Artikel 36: Uitvoeringsovereenkomst De Omgevingsdienst zal meerjarige, jaarlijks te actualiseren, uitvoeringsovereenkomsten sluiten met de provincie en de gemeenten met betrekking tot de uit te voeren taken, zowel structurele als incidentele taken, de financiele vergoeding daarvoor en eventuele aanvullende afspraken daaromtrent. Bij de uitvoeringsovereenkomst kan niet worden afgeweken van het in artikel 35 bedoelde dienstverleningshandvest, tenzij het dagelijks bestuur hier met vijf zesde meerderheid mee instemt.

Afdeling 2: Bevoegdheden algemeen bestuur Artikel 37: Algemene bevoegdheden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 57 van de Wet gemeenschappelijke regelingen berusten alle bevoegdheden tot regeling en bestuur van de Omgevingsdienst bij het algemeen bestuur, voor zover deze niet bij of krachtens de wet, algemene maatregel van bestuur of deze regeling zijn toegekend aan het dagelijks bestuur of de voorzitter. 2. Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van verordeningen binnen de bevoegdheden van de Omgevingsdienst. Artikel 38: Overdracht van bevoegdheden 1. Het algemeen bestuur kan aan het dagelijks bestuur of aan een bestuurscommissie als bedoeld in artikel 30 bevoegdheden van het algemeen bestuur overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen deze overdracht verzet. 2. Het algemeen bestuur kan in elk geval niet overdragen de bevoegdheid tot: a. het vaststellen of wijzigen van de begroting; b. het vaststellen van de jaarrekening; c. het vaststellen van regels met betrekking tot de organisatie van de administratie en het beheer van vermogenswaarden van de Omgevingsdienst; d. het vaststellen van regels met betrekking tot de controle op de administratie en het beheer van vermogenswaarden van de Omgevingsdienst; en e. de bevoegdheden, bedoeld in artikel 30 en 33, tweede lid. Artikel 39: Inlichtingen en verantwoording 1.

Een lid van het algemeen bestuur geeft het college dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door een of meer leden van dat college worden gevraagd. 2. Een lid van het algemeen bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen, ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid. 3.Het algemeen bestuur geeft aan de vertegenwoordigende organen gevraagd en ongevraagd alle informatie die nodig is voor een juiste beoordeling van het door het Bestuur gevoerde en te voeren beleid. Deze informatie wordt mondeling of schriftelijk verstrekt. 4. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vertegenwoordigende organen. 5. Het Algemeen Bestuur maakt vergaderstukken en verslagen van het Algemeen Bestuur actief openbaar.

AO I _

;

16. • •

"

•

_

noordzeekanaalgebied

Afdeling 3: Bevoegdheden van het dagelijks bestuur Artikel 40: Bevoegdheid 1. Het dagelijks bestuur is bevoegd: a. het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet of de regeling het algemeen bestuur hiermee is belast; b. beslissingen van het algemeen bestuur voor te bereiden en uit te voeren; c. regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de Omgevingsdienst; d. ambtenaren in dienst te nemen, te schorsen en te ontslaan; e. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de Omgevingsdienst te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 33, tweede lid; f. de inkomsten, uitgaven en het vermogen van de Omgevingsdienst te beheren, en g. te besluiten namens de Omgevingsdienst, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist. 2. Het dagelijks bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit. Artikel 41: Mandaat en overdracht 1.

Het dagelijks bestuur kan mandaat en volmacht, machtiging verlenen aan een of meer leden van het dagelijks bestuur. 2. Het dagelijks bestuur kan tevens mandaat, volmacht en machtiging verlenen aan de directeur, voor zover de aard van de bevoegdheid zich niet tegen mandatering verzet. Het dagelijks bestuur kan de directeur toestaan ondermandaat en ondervolmacht te verlenen. 3. Het algemeen bestuur kan, op voordracht van het dagelijks bestuur, bevoegdheden van het dagelijks bestuur overdragen aan een bestuurscommissie als bedoeld in artikel 30. Artikel 42: Inlichtingen en verantwoording 1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur. 2. Zij geven het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer leden van het algemeen bestuur gevraagde inlichtingen voor zover het verstrekken daarvan niet in strijd is met het openbaar belang. 3. In aanvulling op het tweede lid geeft het dagelijks bestuur het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. 4. Het Dagelijks Bestuur maakt agenda's en besluitenlijsten van het Dagelijks Bestuur actief openbaar. 5.

Het openbaar maken van de stukken, zoals genoemd onder lid 3 en lid 4, geschiedt zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen twee weken na vaststelling of ontvangst van de informatie. Afdeling 4: De taken en bevoegdheden van de voorzitter Artikel 43: Taken

4-1,‘ • ads A..r. A--

;

AP- 4-

noordzeekanaalgebied

1. De voorzitter bevordert een goede behartiging van de zaken van de Omgevingsdienst. 2. Hij heeft de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur. 3. Hij ondertekent alle stukken welke van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan. Artikel 44: Vertegenwoordigingsbevoegdheid De voorzitter vertegenwoordigt de Omgevingsdienst in en buiten rechte. Indien de voorzitter aan een ander machtiging verleent tot vertegenwoordiging, behoeft deze machtiging de instemming van het dagelijks bestuur. Artikel 45: Inlichtingen en verantwoording 1. De voorzitter is aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur. 2. Hij geeft het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer leden van het algemeen bestuur gevraagde inlichtingen voor zover het verstrekken daarvan niet in strijd is met het openbaar belang. 3. De voorzitter geeft de vertegenwoordigende organen mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen. Hoofdstuk 4:

Financien van de Omgevingsdienst

Afdeling 1: Inleidende bepalingen Artikel 46: Kostentoerekening De kosten over het lopende kalenderjaar worden bij de gemeenten onderscheidenlijk de provincies in rekening gebracht op basis van de door het algemeen bestuur voor het betreffende jaar, bij de begroting, vastgestelde uitgangspunten. Artikel 47: Inrichting 1. De begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de jaarrekening en het jaarverslag worden ingericht overeenkomstig artikel 190 van de Provinciewet en het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. 2. Op de administratie en controle is hoofdstuk XIV van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing. Artikel 48: Garantstelling De gemeenten en de provincie zullen er steeds zorg voor dragen, overeenkomstig de systematiek voor kostentoedeling, dat de Omgevingsdienst te alien tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen, onverminderd het bepaalde in artikel 1:1, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Afdeling 2: De begroting Artikel 49: Begroting 1. Voor alle aan de Omgevingsdienst opgedragen taken brengt het algemeen bestuur jaarlijks op de begroting de bedragen die het daarvoor beschikbaar stelt, alsmede de van de gemeenten of de provincies te ontvangen bijdragen en andere financiele middelen die naar verwachting kunnen worden aangewend. 2. De begroting bevat mede een bedrag voor onvoorziene uitgaven.

rt.

; noordzeekanaalgebied

3. De begroting moet in evenwicht zijn. Hiervan kan worden afgeweken indien aannemelijk is dat het evenwicht in de begroting in de eerstvolgende jaren tot stand zal zijn gebracht. 4. Ten laste van de Omgevingsdienst kunnen slechts lasten en daarmee overeenstemmende balansmutaties worden genomen tot de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht. 5. Het begrotingsjaar is het kalenderjaar. Artikel 49a: Kadernota Het dagelijks bestuur zendt voor 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiele en beleidsmatige kaders ter informatie aan de vertegenwoordigende organen. Artikel 50: Ontwerpbegroting 1. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting uiterlijk 15 april en tenminste twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de vertegenwoordigende organen. 2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving. 3. De vertegenwoordigende organen kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze tijdig aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 4.

Het dagelijks bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten en de staten van de deelnemende provincie schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 5. Het eerste en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen waarbij geen verandering wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten onderscheidenlijk de provincie of waarbij de wijziging uitsluitend is gebaseerd op wijziging van een dienstverleningsovereenkomst als bedoeld in artikel 36.

Artikel 51: Vaststelling begroting 1. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. In afwijking van artikel 16, eerste lid, wordt de begroting met vijf zesde meerderheid vastgesteld. 2. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 september van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de begroting betrekking heeft, aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 3. Het algemeen bestuur zendt, zo nodig, de begroting aan de vertegenwoordigende organen, die ter zake bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hun zienswijzen naar voren kunnen brengen. 4. Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen. 5. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met inachtneming van het vierde lid. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen waarbij geen verandering wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten onderscheidenlijk de provincie of waarbij de wijziging uitsluitend is gebaseerd op wijziging van een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 36. Afdelfrig 3: Jaarrekening

.. 4"A

Mot er.

— .cr

y}

liariglyvi...": a: sia.3%.allkz-.1.•-avra. noordzeekanaalgebied

Artikel 51a: Voorlopige jaarrekening Het dagelijks bestuur zendt voor 15 april van het jaar na afloop aan dat waarvoor de jaarrekening dient, de voorlopige jaarrekening ter informatie aan de vertegenwoordigende organen. Artikel 52: Jaarrekening en jaarverslag 1. Het dagelijks bestuur legt aan het algemeen bestuur over elk begrotingsjaar verantwoording of over het door hem gevoerde bestuur, onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag. 2. De in het eerste lid bedoelde stukken liggen, zodra zij aan het algemeen bestuur zijn overgelegd, voor een ieder ter inzage en zijn algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. Het algemeen bestuur beraadslaagt over de jaarrekening en het jaarverslag niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving. 3. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag vast in het jaar volgende op het jaar waarop ze betrekking hebben. De jaarrekening betreft alle baten en lasten van de Omgevingsdienst. 4. Indien het algemeen bestuur tot het standpunt komt dat onrechtmatige totstandkoming van in de jaarrekening opgenomen baten, lasten of balansmutaties aan de vaststelling van de jaarrekening in de weg staat, brengt hij dit terstond ter kennis van het dagelijks bestuur met vermelding van de gerezen bedenkingen. 5.

Het dagelijks bestuur zendt het algemeen bestuur binnen twee maanden na ontvangst van het standpunt, bedoeld in het vierde lid, een voorstel voor een indemniteitsbesluit, vergezeld van een reactie op de bij het algemeen bestuur gerezen bedenkingen. 6. Indien het dagelijks bestuur een voorstel voor een indemniteitsbesluit heeft gedaan, stelt het algemeen bestuur de jaarrekening niet vast dan nadat hij heeft besloten over het voorstel. 7. De leden van het dagelijks bestuur nemen niet deel aan stemmingen over besluiten als bedoeld in het derde, vierde en zesde lid. Hun plaatsvervangers zijn wel stemgerechtigd. 8. Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de vaststelling van de jaarrekening de leden van het dagelijks bestuur ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer. 9. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Hoofdstuk 5: Toetreding, uittreding, wijoging, opheffing Artikel 53. Toetreding 1. Een bestuursorgaan kan een verzoek tot toetreding ter kennis brengen van het algemeen bestuur. 2. Toetreding kan geschieden nadat ten minste twee derde van de colleges, alsmede het bestuursorgaan dat wenst toe to treden hiertoe hebben besloten. 3. Een college kan pas instemming verlenen na verkregen toestemming van het vertegenwoordigend orgaan als bedoeld in artikel 51, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 4. Het toetredingsbesluit regelt wanneer de toetreding in werking treedt. Artikel 59 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 54. Uittreding en vermindering van taken 1. Een deelnemer kan geheel uit de regeling treden door een daartoe strekkend besluit van het betreffende college en na verkregen toestemming van de betreffende raad, respectievelijk Staten.

14 1 18

41S sou -41 vii/i1119%="ii

noordzeekanaalgebied

2. In het geval diensten, taken en bevoegdheden door alle colleges die de betreffende diensten, taken en bevoegdheden afnemen hebben gedelegeerd of gemandateerd met ingang van dezelfde datum niet langer worden afgenomen c.q. niet langer worden gedelegeerd of gemandateerd, stellen de colleges met elkaar een plan op waarin alle aspecten en gevolgen daarvan worden geregeld, zodat er geen sprake is van achterblijvende kosten en achterblijvend personeel. 3. Een college zendt het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen. 4. Tenzij het algemeen bestuur een kortere termijn bepaalt, kan de uittreding niet eerder plaatsvinden dan tegen 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op de datum van de in het tweede lid bedoelde ontvangstdatum. 5. Voor het verminderen of stopzetten van taken en opdrachten die niet tot het Basistakenpakket behoren geldt dat een uittredingplan wordt opgesteld zoals bedoeld in artikel 55. Vermindering of stopzetting van taken en opdrachten die niet tot het Basistakenpakket behoren kan, tenzij het Algemeen Bestuur anders besluit, niet eerder plaatsvinden dan tegen 31 december van het jaar volgend op de datum van de in het tweede lid bedoelde ontvangstdatum. Artikel 55. Uittredingsplan 1. Het Algemeen Bestuur stelt een uittredingsplan vast.

Het uittredingsplan regelt de gevolgen van de uittreding. 2. Onder de gevolgen van de uittreding, respectievelijk het verminderen of stopzetten van taken en opdrachten die niet tot het Basistakenpakket behoren, worden verstaan de financiele juridische personele - en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 3. Het uittredingsplan bepaalt de systematiek voor berekening van de flnanciele gevolgen van de uittreding. De systematiek wordt gebaseerd op: a. Relevante regelgeving; b. Relevante jurisprudentie; c. Feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. 4. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat, met in achtneming van het derde lid, uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt, als bedoeld in lid 5 en 6. 5. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 6.

Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig, te maken dan wel te dragen door het openbaar lichaam die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiele sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico's daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 7. Het openbaar lichaam brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende deelnemer overneemt, als bedoeld in artikel 55, lid 4, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom. 8. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 9. Het openbaar lichaam alsmede de uittredende deelnemer is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van

11.4)

illyrr."

I; sou noordzeekanaalgebied

overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het Algemeen Bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. 10. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het vierde lid wordt een risico-opslag van tien procent toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. 11. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiele gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. Artikel 56. Externe deskundige 1.Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het Algemeen Bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het Algemeen Bestuur het conceptuittredingsplan voorbereidt. De onafhankelijke deskundige kan, in overleg met het Algemeen Bestuur, voor specifieke onderdelen van het Uittredingsplan andere deskundigen inschakelen. 2.De kosten voor het inschakelen van de onafhankelijke externe deskundige en overige ingeschakelde deskundigen vallen onder de frictiekosten als bedoeld in artikel 55, lid 5. 3.Het Algemeen Bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het Dagelijks Bestuur.

Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het Algemeen Bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van meerderheid van stemmen in het Algemeen Bestuur. Artikel 57. Uittreedsom 1. Ten minste 12 maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het Algemeen Bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het Algemeen Bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 55, derde lid en op de jaarrekening van het openbaar lichaam over het meest recent verstreken begrotingsjaar. 2. Uiterlijk 6 maanden na het moment van uittreding, respectievelijk het verminderen of stopzetten van taken en opdrachten die niet tot het Basistakenpakket behoren, stelt het Algemeen Bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het Algemeen Bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 55, derde lid en op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. 3. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het Algemeen Bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer.

In het uittredingsplan bepaalt het Algemeen Bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen. Als de uittredende deelnemer kiest voor betaling in termijnen kan het Algemeen Bestuur een rentevergoeding in rekening brengen. Artikel 58. Verplichtingen uittreder 1. De uittredende deelnemer, respectievelijk de deelnemer die taken en opdrachten vermindert of stopzet die niet tot het Basistakenpakket behoren, is gehouden zich in te spannen om de formatie van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende deelnemer overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beeindigd dienen te worden.

; ci g _ ! • • • .3%4

dr% glytz

sae

noordzeekanaalgebied

Artikel 59: Wijziging 1. Het dagelijks bestuur en de colleges kunnen een voorstel tot wijziging van de regeling indienen bij het algemeen bestuur. 2. Het algemeen bestuur zendt het wijzigingsvoorstel aan de colleges. 3. Artikel 53 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 60: Opheffing en liquidatie 1. Het dagelijks bestuur en de colleges kunnen een voorstel tot opheffing van de regeling indienen bij het algemeen bestuur. 2. Indien het algemeen bestuur opheffing van de regeling noodzakelijk acht, legt het een daartoe strekkend voorstel aan de deelnemers voor. 3. Het algemeen bestuur stelt een besluit tot opheffing vast, indien tenminste twee derde van het aantal deelnemers daartoe, gelet op de besluitvorming in de bestuursorganen die de regeling zijn aangegaan, heeft besloten. 4. In het geval van opheffing stelt het algemeen bestuur, na overleg met de deelnemers een liquidatieplan vast. 5. Het liquidatieplan omvat de verplichtingen van de deelnemers tot deelneming in de financiele consequenties van de opheffing en een regeling. 6. Voor zover het liquidatieplan niet anders bepaalt, geschiedt de vereffening van een nadelig saldo dan wel de verdeling van een voordelig saldo conform de op grond van de in de begroting vastgelegde verdeling van bijdragen.

Hoofdstuk 6: Archief Artikel 61: Archief 1. Het bestuur van de Omgevingsdienst is verplicht de onder hem berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. 2. Overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen verordening draagt het dagelijks bestuur zorg voor de archiefbescheiden van het bestuur van de Omgevingsdienst. 3. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde zorg, komen ten laste van de Omgevingsdienst. 4. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13, eerste lid van de Archiefwet 1995, over te brengen archiefbescheiden van het bestuur van de Omgevingsdienst wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats van een van de gemeenten of de provincie aan. 5. Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van het bestuur van de Omgevingsdienst, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van het dagelijks bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 belast de archivaris. Met betrekking tot dit toezicht stelt het algemeen bestuur een verordening vast. 6. De archivaris wordt door het dagelijks bestuur benoemd, geschorst en ontslagen. 7.

In afwijking van het vorige lid kan het dagelijks bestuur ook de archivaris van de gemeente onderscheidenlijk de provincie als bedoeld in het vierde lid aanwijzen als archivaris van de Omgevingsdienst.

_ - 4:-.7; la i9WL.11itIFIZ.4'-' -4.,11119noordzeekanaalgebied

Hoofdstuk 7: Slotbepalingen Artikel 62: Duur van de regeling De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd. Artikel 63: Inwerkingtreding Deze regeling wordt bekend gemaakt in het publicatieblad van de provincie Noord-Holland en in werking per 1 juli 2024. Artikel 64: Evaluatie 1. Het algemeen bestuur besluit om de vier jaar over het evalueren van de regeling. 2. Het algemeen bestuur bepaalt voorafgaand aan de uitvoering van de evaluatie het doel, de reikwijdte en de wijze van evaluatie. Artikel 65: Citeerwijze Deze regeling wordt aangehaald als Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2024.

1, 1

o kx D eVo o g d

De staat van morgen. Start vandaag.

GR OD NZKG : Was-Wordt Tabel

Toelichting: Toegevoegde of verwijderde artikelen of leden zijn aangemerkt Wijzingen in bestaande artikelen of leden zijn dikgedrukt weergegeven Spelling: 'algemeen bestuur' en 'dagelijks bestuur' zijn consequent zonder hoofdletters geschreven. De gewijzigde regeling kent enkele nieuwe artikelen

Op de volgende pagina's is de Was-Wordt tabel to vinden.

lk

okxDeVoogd

De staat van morgen. Start vandaag.

Artikel Intitule,

Was Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2021 De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn, Weesp en Zaanstad en gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft, Overwegende dat het Rijk, het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in 2009 in een package deal, welke wettelijk is vastgelegd, afspraken hebben gemaakt over de uitvoering van een basistakenpakket door verscheidene omgevingsdiensten; Gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Amsterdam, Haarlemmermeer en Zaanstad in december 2011 een bestuursopdracht hebben vastgesteld om to komen tot een voorstel voor de oprichting van een Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied; het Rijk en het Interprovinciaal Overleg in maart en april 2012 afspraken hebben gemaakt over de wijze waarop de taken voortvloeiend uit het Besluit risico's zware ongevallen 1999 door zogeheten landsdelige omgevingsdiensten worden uitgevoerd; De gemeente Amsterdam en de gemeente Weesp per 24 maart 2022 naar verwachting zullen gaan fuseren op grond van het wetsvoorstel Herindeling van de gemeenten Amsterdam en Weesp;

Wordt Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2024 De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn, en Zaanstad en gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft, Overwegende dat Omgevingswet artikel 18.21 bepaalt dat Gedeputeerde staten en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die behoren tot een of meer regio's als bedoeld in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio's of tot een kring van bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen gemeenten een omgevingsdienst instellen voor een doelmatige en doeltreffende uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak voor die regio, regio's of kring; De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn, Weesp en Zaanstad en gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied hebben ingesteld voor in ieder geval de uitvoering van de basistaken, zoals bedoeld in Omgevingsbesluit artikel 13.12; Diverse wetswijzigingen, waaronder de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de Wet gemeenschappelijke regelingen, noodzaken tot een wijziging van de

Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2021

itokxDeVoogd De staat van morgen. Start vandaag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13888533/1