2. Omgevingseffectrapportage omgevingsvisie amsterdam.pdf
Tekst van het document
Voor elk alternatief is een samenhangend pakket van ruimtelijke ingrepen, verdichtingslocaties en transformatiegebieden en ingrepen in het hoofdwegennet en OV-infrastructuur, waarmee de stad kan groeien met in totaal circa. 150.000 woningen en bijbehorend werk- en voorzieningenprogramma. In hoofdstuk vijf zijn de drie alternatieven toegelicht en vergeleken. Vervolgens is mede op basis van het effectenonderzoek een Voorkeursalternatief bepaald. Dit Voorkeursalternatief is meer dan een combinatie van de drie alternatieven. Het betreft een integraal alternatief dat verder gedetailleerd is en verrijkt. Dit is in hoofdstuk zes onderzocht. Specifieke aandacht is er voor de effecten van de alternatieven buiten Amsterdam. Dit is bij de Verstedelijkingsalternatieven en het Voorkeursalternatief telkens ook apart in beeld gebracht.
2.3
Hoe worden de ambities bereikt en vindt sturing plaats? Centraal in dit OER staan de geografische effecten van de ruimtelijke ingrepen, verdichtings- en transformatielocaties en andere maatregelen. De wijze waarop dit bereikt wordt in processen en procedures komt enerzijds in paragraaf 6.6.2 aan bod, maar met name in hoofdstuk zeven. Hier is ingegaan op hoe de in dit OER geconstateerde effecten, aandachtspunten en dergelijke een plaats kunnen krijgen in de beleidscyclus en wordt verkend in hoeverre het OER ‘levend’ gehouden kan worden gedurende de looptijd van de Omgevingsvisie.
Blad 24 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
3
Methodologie van dit OER
3.1
Welke vragen staan centraal in dit OER? In dit OER zijn vier vragen op de fysieke leefomgeving van Amsterdam en omgeving in beeld gebracht en beoordeeld (zie ook figuur 3-1): 5. Wat is de ‘Staat van de fysieke leefomgeving’ (kwaliteiten, belemmeringen en aandachtspunten) in de huidige kwaliteit in Amsterdam? 6. Wat is de ‘Staat van de fysieke leefomgeving’ in 2050 zonder realisatie van de plannen uit de Omgevingsvisie (de zogenaamde referentiesituatie)? 7. Wat zijn de effecten op de fysieke leefomgeving in 2050 van de drie verstedelijkingsopgaven 8. Wat zijn de effecten van het Voorkeursalternatief uit de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in 2050? Hierbij is ook aandacht voor de regionale effecten.
figuur 3-1 Te onderzoeken effecten op de fysieke leefomgeving in dit OER
Om deze vragen te kunnen beantwoorden is een ‘beoordelingskader’ nodig. Hiervoor zijn door de gemeente in samenspraak met de opstellers van dit OER ‘kernwaarden’ geformuleerd. Elke kernwaarde is opgebouwd uit één of meer meetbare criteria, zodat een objectieve beoordeling mogelijk is. De effecten van de fysieke leefomgeving nu (2020) en in de referentiesituatie (2050) zijn in beeld gebracht in het hoofdstuk vier ‘De Amsterdamse Leefomgevingsfoto’. De effecten van de Omgevingsvisie staan in hoofdstuk vijf ‘Verstedelijkingsopgaven’ en zes ‘Voorkeursalternatief’. In deze hoofdstukken is ook specifiek aandacht voor de regionale effecten. Voordat de wijze van beoordeling toegelicht is, begint dit hoofdstuk eerst met een korte uiteenzetting hoe met behulp van de donuteconomie en de vijf kernopgaven de kernwaarden zijn bepaald.
Blad 25 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
3.2
Van kernopgaven via de donuteconomie naar kernwaarden De vijf kernopgaven voor Amsterdam vormen tezamen het beoordelingskader voor alle vragen in dit OER. Des te groter de bijdrage aan één of meerdere van deze opgaven des te positiever het effect. Echter, om de effecten specifieker te kunnen duiden zijn deze vijf kernopgaven te globaal. Ook ontbreekt de relatie met de donuteconomie. Daarom zijn de vijf kernopgaven vertaald naar dertien zogenaamde kernwaarden. Het betreft vier kernwaarden die gaan over het ecologisch plafond en negen kernwaarden over het sociaal fundament. Relatie model donuteconomie, kernopgaven en kernwaarden voor het ecologisch plafond In de tabel is voor het ecologisch plafond aangegeven hoe de onderdelen van de donuteconomie geleid hebben tot vijf kernwaarden en deze een relatie hebben met één van de kernopgaven. tabel 3-1: Relatie donuteconomie, kernwaarden en kernopgaven voor het ecologisch plafond.
Onderdeel donuteconomie Kernwaarde Relatie met welke kernopgave Ecologisch plafond Klimaatverandering Klimaatneutraal Klimaatbestendig & klimaatneutraal Biodiversiteitsverlies Natuurlijk Leefbaar & bereikbaar Belasting met stikstof en fosfor Luchtvervuiling* Milieukwaliteit: Ecologisch plafond* Gezond & veilig Chemische vervuiling (Bodem en waterverontreiniging) Verzuring oceaan Uitputting ozonlaag Watergebruik Landvernietiging Circulair Economisch vitaal & Circulair * = impact van deze thema op natuur niet op de mens
Vier thema’s die onderdeel zijn van de donuteconomie komen niet terug in dit OER. Dit betreft onderdelen die op het niveau van de stad veel minder relevant zijn. Dit betreft effecten op de ozonlaag, oceaan, vernietiging van land (dit gaat bijvoorbeeld om de vernietiging van oerbos, etc.) en uitputting van zoetwatervoorraden. De andere onderdelen van de donuteconomie zijn min of meer één op één overgenomen, dan wel in licht aangepaste vorm. Het thema circulair is toegevoegd als kernwaarde. Het gaat hierbij om het hergebruik van grondstoffen en materialen in de stad. Relatie donuteconomie, kernopgaven en kernwaarden voor het sociaal fundament In de volgende tabel is voor het sociaal fundament geduid hoe de onderdelen van de donuteconomie geleid hebben tot negen kernwaarden en deze een relatie hebben met één van de vijf kernopgaven.
Blad 26 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
Tabel 3-2: Relatie donuteconomie en kernwaarden voor het sociaal fundament. Onderdeel donuteconomie Kernwaarde Relatie met welke kernopgave Sociaal fundament Sociale gelijkheid Inclusief & betaalbaar Inclusief & betaalbaar Huisvesting Werk en inkomen Economisch vitaal Economisch vitaal & Circulair Leefbaar Leefbaar & bereikbaar Gezond & veilig Gezondheid Milieukwaliteit: Sociaal fundament Gezond & veilig (geluid, geur/stof, lucht*) Gezondheidsbevordering Netwerken Bereikbaar** Leefbaar & bereikbaar Economisch vitaal & Circulair Energie Voedsel Politieke inspraak Vrede en rechtvaardigheid Seksegelijkheid Water Onderwijs Veilig Gezond & veilig Klimaatbestendig Klimaatbestendig & klimaatneutraal Ruimtelijke kwaliteit Leefbaar & bereikbaar * = impact op de mens en hiervan zijn drie separate beoordelingen gemaakt ** = netwerken als datanetwerken e.d. zijn buiten beschouwing gelaten
Bij de vertaling van de elementen van het sociaal fundament vanuit de donuteconomie naar kernwaarden die een relatie hebben met de vijf kernopgaven zijn de nodige aanpassingen gedaan. Aangezien dit een Omgevingseffectrapport betreft, is de focus op de ruimtelijke wereld. De elementen vanuit de donuteconomie die gaan over seksegelijkheid, politieke inspraak, vrede, onderwijs, etc. worden niet minder belangrijk geacht, maar zijn in dit rapport minder op hun plaats. Deze zijn bijvoorbeeld wel relevant voor de Stadsdonut van Amsterdam (zie hoofdstuk één). Daarnaast hebben ten opzichte van de oorspronkelijke donut de meer ruimtelijke en milieuthema’s een prominentere plek gekregen. Zo is het thema gezondheid opgesplitst in drie kernwaarden en zijn ook onderdelen als veiligheid, klimaatbestendig en ruimtelijke kwaliteit toegevoegd.
Blad 27 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
Samengevat: de te beschouwen kernwaarden De vertaling van kernopgaven naar kernopgaven is samengevat in de volgende figuur.
figuur 3-2 Kernopgaven en kernwaarden
Van het model van de donuteconomie naar het model voor de Omgevingsvisie en OER In dit OER zijn de effecten van de huidige situatie, de referentiesituatie, de verstedelijkingsalternatieven en het Voorkeursalternatief op de vijftien kernwaarden in beeld gebracht. Hiervan zijn voor de huidige situatie, de referentiesituatie en het Voorkeursalternatief op basis van de beoordelingen pluimgrafieken. Zoals uitgelegd in paragraaf 1.2 is dit een visualisatie van het OER-beoordelingskader ‘geïnspireerd’ op de donut vanuit de donuteconomie.
Blad 28 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
3.3
Hoe zijn de effecten per kernwaarde bepaald? In dit OER doen we drie uitspraken per kernwaarde: 1. Wat is de huidige kwaliteit en kwaliteit in de referentiesituatie van een kernwaarde. Bijvoorbeeld: Wat is de mate van luchtverontreiniging in Amsterdam nu en in 2050? 2. Wordt een bepaalde beleidsambitie horend bij de kernwaarde gehaald? Bijvoorbeeld: In hoeverre voldoet Amsterdam aan de ambities van klimaatneutraal? 3. Hoe scoren alternatieven en/of keuzes op een kernwaarde? Bijvoorbeeld: wat is de impact van verstedelijkingsalternatief X op kernwaarde ‘Gezondheid’? Om deze vragen te beantwoorden is een beoordelingskader nodig. In dit beoordelingskader zijn per kernwaarde indicatoren bepaald. Een indicator is een maatstaf om te bepalen hoe goed of slecht iets scoort. Naast de indicatoren staat ook wat de streefwaarde is (met andere woorden, wanneer is het goed) en de gewenste beweging (met andere woorden, wanneer gaat het goede kant op). Deze streefwaarden en gewenste beweging staan in het volgende hoofdstuk. Nuancering van het gebruik van een beperkt aantal indicatoren per kernwaarde Per kernwaarde zijn enkele indicatoren benoemd. Hoewel hier primair naar gekeken is, zijn vele andere factoren ook van belang en hebben een rol gespeeld bij de beoordeling. In dit tekstblok is dit voor de kernwaarden waar gezondheidseffecten in voorkomen aangeduid.
Allereerst de nuance dat de belangrijkste determinanten opgenomen zijn en ten tweede dat niet de suggestie wordt gewekt dat er altijd een directe 1op-1 relatie is tussen de determinant en het effect. Zo bepaalt de geluidsbelasting slechts voor maximaal de helft de geluidshinder. De belangrijkste determinanten van overgewicht zijn voeding, bewegen en slaap. De belangrijkste determinanten van bewegen zijn sociaaleconomische status en een reeks van factoren uit de sociale en fysieke omgeving. De gekozen indicatoren zijn gekozen om een zo volledig mogelijk beeld te geven.
Tabel 3-3: Kernwaarden met bijbehorende indicatoren van het sociaal fundament Kernwaarde Indicator Inclusief en betaalbaar Leefbaar Bereikbaar Milieukwaliteit sociaal fundament: • Geluid • Geur & Stof • Luchtkwaliteit Gezond
Veilig: • •
Verkeer Risico’s
Klimaatbestendig Ruimtelijke kwaliteit Economisch Vitaal
• • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •
Mate van segregatie Vervoersarmoede Ontmoeten Leefbaarometer Modal shift Betrouwbare reistijd Geluidhinder van (weg)verkeer, vliegtuigen, rail, industrie en overige bronnen Geur- en stofhinder Concentratie luchtverontreinigende stoffen Overgewicht Gezond voedselaanbod Beweegvriendelijke omgeving Rookvrije omgeving Verkeersveiligheidsaandachtspunten Aanwezige omgevingsveiligheidsrisico’s Waterveiligheid Hittestress Droogteproblemen Rainproof Cultuurhistorische waarde Landschap, stedenbouw en architectuur Ontwikkeling BRP Werkgelegenheid en werkloosheid
Blad 29 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
Tabel 3-4: Kernwaarden met bijbehorende indicatoren van het ecologisch plafond
Kernwaarde
Indicator
Klimaatneutraal
Natuurlijk Milieukwaliteit ecologisch plafond: • Lucht, bodem & water
Circulair
• • • • • • • • • • •
•
CO2 uitstoot bedrijven CO2 uitstoot woningen CO2 uitstoot mobiliteit Oppervlak natuur Biodiversiteit Stikstofverbindingen (NOx en NH3) Luchtverontreiniging Bodemverontreiniging Waterverontreiniging stoffen Voedsel en organische reststromen Consumptiegoederen Gebouwde omgeving
Bij de beoordeling van de effecten per kernwaarde is een score van 1 tot en met 5 gehanteerd. Deze beoordelingsschaal, inclusief beschrijving, komt overeen met die van de Nationale Omgevingsvisie. tabel 3-5 Vijfpuntsschaal voor de beoordeling
Score 5 4 3 2 1
3.4
Waardering
Toelichting De staat is overal goed, er zijn geen knelpunten (streefwaarden/ambities worden overal gehaald) De staat is overwegend goed, lokaal zijn er wat knelpunten (streefwaarden/ambities worden grotendeels gehaald) De staat is redelijk, verspreid zijn er knelpunten (streefwaarden/ambities worden vaak wel, soms niet gehaald) De staat is matig, er zijn redelijk wat knelpunten (streefwaarden/ambities worden soms gehaald) De staat is overal slecht, er zijn overal knelpunten (streefwaarden/ambities worden nergens gehaald).
Hoe komt de beoordeling voor de huidige situatie en referentiesituatie tot stand? Bepaling kwaliteit van de kernwaarde in de huidige situatie De ‘Leefomgevingsfoto van Amsterdam’ beschrijft per kernwaarde de staat van de fysieke leefomgeving. Voor de huidige situatie 2020 (en waar mogelijk een terugblik naar 2000) kan dit veelal op basis van aanwezige data. Op basis van de indicatoren, streefwaarde en gewenste beweging kan een negatieve, neutrale of positieve beoordeling van deze kernwaarde gegeven worden. In de figuur is dit als voorbeeld voor de kernwaarde klimaatbestendig weergegeven. Het moge duidelijk zijn dat de gepresenteerde (trend)lijn en bepaling van de score niet exact te bepalen is. Hiervoor zijn de gekozen indicatoren en beoordelingsschaal te grofmazig. Daarom is per kernwaarde toegelicht hoe een bepaalde score tot stand gekomen is. Hierdoor is de beoordeling navolgbaar en is deze ook getoetst door expert van zowel Antea Group als de gemeente Amsterdam.
Blad 30 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
figuur 3-3 Beoordeling huidige situatie 2020 (voorbeeld)
Beoordeling impact autonome ontwikkelingen op de kernwaarde Vervolgens is met behulp van aanwezige data, de specialisten van de gemeente en Antea Group een expert judgement gegeven van de te verwachten ontwikkeling van dit thema. Dit is vrijwel altijd met een bandbreedte om zo ook de onzekerheid in de voorspelling mee te nemen (zie figuur).
figuur 3-4 Beoordeling referentiesitiuatie 2050 (voorbeeld)
In dit OER zijn de effecten en beoordeling per kernwaarde samengevat in hoofdstuk vijf. Dit betreft een vrij uitgebreide samenvatting, zodat het zelfstandig leesbaar blijft. Wat is de referentiesituatie 2050 voor Amsterdam? De referentiesituatie is de situatie van Amsterdam in 2050 zonder dat de beleidsveranderingen, keuzes, maatregelen en extra programma uit de Omgevingsvisie gerealiseerd zijn. De referentiesituatie bestaat uit het vastgestelde beleid en de plannen en projecten waarover politieke besluitvorming heeft plaatsgevonden. Concreet betekent dit dat voor plannen in ieder geval of een vastgesteld Investeringsbesluit is genomen en/of een vastgesteld bestemmingsplan/omgevingsvergunning. In de drie verstedelijkingsalternatieven en het Voorkeursalternatief is aangegeven welke gebieden wel/niet ontwikkeld worden. Er wordt voor de referentiesituatie ervan uitgegaan dat deze
Blad 31 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
gebieden niet ontwikkeld worden. Dit is een aanpassing ten opzichte van de NRD, waar dit niet expliciet aangegeven stond. Dit betekent dat ontwikkelingen als Haven-Stad, Schinkelkwartier, Hamerkwartier, metro-uitbreidingen, e.d. niet zijn opgenomen in de referentiesituatie, maar onderdeel uitmaken van de te onderzoeken Verstedelijkingsalternatieven en in sommige gevallen ook van het Voorkeursalternatief. Dit is een aanpassing ten opzichte hetgeen in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau stond. Het voordeel van deze aanpassing is dat een veel scherper beeld ontstaat wat verdichting-/transformatielocaties voor impact hebben op de diverse kernwaarden. Een belangrijk verschil tussen de huidige situatie en de referentiesituatie de groei van het verkeer door de realisatie van onder andere woningbouwplannen in Amsterdam en buurgemeenten. Een ander voorbeeld is het schoner worden van de lucht doordat Europa, het Rijk, provincies en Amsterdam zelf hier beleid op voeren, inclusief maatregelen. Daardoor is de verbetering van de luchtkwaliteit groter dan de toename als gevolg van nieuwe bouwplannen zo blijkt uit jaarlijkse cijfers die het RIVM vrijgeeft. Omdat de planhorizon 2050 is, is de referentiesituatie omgeven met onzekerheid.
Dertig jaar geleden was het 1990 was de Berlijnse muur net gevallen, was Lubbers net met zijn 3 de kabinet begonnen en telde Amsterdam ruim 170.000 minder inwoners dan nu. Kortom, een voorspelling van 30 jaar vooruit is onmogelijk. Daarom is in de beoordeling ook uitgegaan van een bandbreedte voor deze periode. Ook zijn de onzekere en nog niet in te schatten technologische en sociaaleconomische ontwikkelingen en onzekerheden hierin niet meegenomen. Dit kan uiteraard wel goed meegenomen worden in de verdere monitoring van effecten. De beoordeling per kernwaarde is vervolgens vertaald in een totaalbeoordeling van de huidige situatie en referentiesituatie. Hierin zijn de grafieken gebundeld weergegeven, zie figuur.
figuur 3-5 Voorbeeld van een samengevatte beoordeling van alle kernwaarden
Blad 32 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
3.5
Beoordeling Verstedelijkingsalternatieven en Voorkeursalternatief Beoordeling van de drie Verstedelijkingsalternatieven De effecten van de drie verstedelijkingsalternatieven zijn, net als de Leefomgevingsfoto van de huidige situatie en referentiesituatie, beoordeeld op de kernwaarden van het ecologisch plafond en het sociaal fundament. Hetzelfde beoordelingskader is hiervoor gebruikt. Per kernwaarde is beschreven en beoordeeld of een verstedelijkingsalternatief een positieve of negatieve bijdrage levert aan de verwachte score van de referentiesituatie. De verstedelijkingsalternatieven zijn op hoofdlijnen geformuleerd. Dit betekent dat pas bij concrete uitwerking veel duidelijk wordt over de exacte omvang, locatie en specifieke kenmerken van een bepaalde ontwikkeling. Het is daarom evident dat de hier gegeven effectbeoordeling niet de pretentie heeft om bepaalde effecten concreet te kunnen duiden. De hier gegeven effectbeoordeling op hoofdlijnen moet dan ook meer in de vorm van ‘kansen op positieve of negatieve effecten’ gezien worden. De beoordeling vindt plaats op een meer traditionele manier met plussen en minnen (en zijn geen pluimgrafieken gemaakt): ++ + 0/+ 0 0/--
Kans op het optreden van een sterk positief effect ten opzichte van de referentiesituatie Kans op het optreden van een positief effect ten opzichte van de referentiesituatie Kans op het optreden van een klein positief effect ten opzichte van de referentiesituatie Een neutraal effect ten opzichte van de referentiesituatie Risico op het optreden van een klein negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie Risico op het optreden van een negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie Risico op het optreden van een sterk negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
Geen varianten binnen de drie Verstedelijkingsalternatieven In de notitie Reikwijdte en Detailniveau stond nog aangegeven dat binnen de drie Verstedelijkingsalternatieven varianten ontwikkeld konden worden in het aantal woningen en arbeidsplaatsen. Gedurende de totstandkoming van de Omgevingsvisie en dit OER bleek dit niet werkbaar en voor de besluitvorming relevant te zijn. De 150.000 woningen en 200.000 arbeidsplaatsen die centraal staan in de Omgevingsvisie en het OER kennen natuurlijk een bandbreedte, maar het is wenselijk om dit bij de verdere uitwerking nader te detailleren. Hier spelen natuurlijk ook de regionale afspraken en macro-economische omstandigheden een rol. Beoordeling Voorkeursalternatief De effecten van het Voorkeursalternatief zijn ook beoordeeld op de kernwaarden. Veel van de effectbeschrijvingen zijn ontleend aan de drie verstedelijkingsalternatieven. Ook hier is een beoordeling van plussen en minnen gegeven. Daarnaast is voor het Voorkeursalternatief op basis van de beoordeling met plussen en minnen de impact op de verwachte ontwikkeling van de kernwaarde, zoals gepresenteerd bij de Leefomgevingsfoto, gemaakt, zie figuur. In het voorbeeld zorgt het Voorkeursalternatief voor een verbetering van de verwachte situatie voor de kernwaarde gezondheid.
Blad 33 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
figuur 3-6 Beoordeling kernwaarde klimaatbestendig in een verstedelijkingsalternatief 2050 (voorbeeld)
In totaal zijn er dan drie situaties die in één figuur met elkaar vergeleken kunnen worden: • Huidige situatie 2020 • Referentiesituatie 2050 • Voorkeursalternatief 2050 Conclusies en aanbevelingen bij het Voorkeursalternatief Bij de beoordeling van de effecten van het Voorkeursalternatief uit de Omgevingsvisie zijn diverse conclusies getrokken. Ook zijn er diverse mogelijkheden om effecten te versterken of juist te beperken. In de vorm van aanbevelingen zijn diverse spelregels per kernwaarde en in het algemeen gemaakt. Deze kunnen helpen om gedurende de uitvoering van de visie de kwaliteit van de fysieke leefomgeving zo hoog mogelijk te maken en houden. Hier is een duidelijke link te maken met het monitoren van hetgeen onderzocht is en nader uitgewerkt wordt. Zie ook hoofdstuk acht. Inzicht in kansen en risico’s op proceskwaliteit en kosteneffectiviteit In de notitie Reikwijdte en Detailniveau is aangegeven dat inzicht gegeven wordt in de impact van de ‘proceskwaliteit’ en ‘kosteneffectiviteit’ op het Voorkeursalternatief. Hierop is in de conclusies van hoofdstuk zes nader ingegaan.
Blad 34 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
4
De leefomgevingsfoto van Amsterdam In dit hoofdstuk leest u de beoordeling van de kernwaarden van het sociaal fundament en ecologisch plafond in de huidige situatie (2020) en de situatie in 2050 zonder dat de ontwikkelingen en maatregelen uit de omgevingsvisie. Deze situatie noemen we ook wel de referentiesituatie, zie paragraaf 3.4. Als eerste zijn de kernwaarden van het sociaal fundament beschreven, daarna die van het ecologisch plafond. Het hoofdstuk eindigt met een samenvattend overzicht.
4.1
Inclusief en betaalbaar
4.1.1
Inleiding, beleid en beoordelingskader Inleiding: wat betekent inclusief en betaalbaar? Een inclusieve samenleving is een samenleving waar iedereen tot zijn recht kan komen. Het maakt niet uit welke culturele achtergrond, gender, leeftijd, seksualiteit, talenten of beperkingen iemand heeft: een samenleving die inzet op de participatie van iedereen, een samenleving waarin elk lid een aandeel heeft en waar de notie van wederkerigheid centraal staat. Beleid Amsterdam heeft en rijk inclusie- en diversiteitsbeleid. Dat beleid is echter sterk gericht op het sociale domein en thema’s als antidiscriminatie, LHBTIQ+ inclusie en vrouwenemancipatie. De in dit OER gebruikte indicatoren (segregatie, vervoersarmoede en leefomgevingskwaliteit) zijn (nog) niet nadrukkelijk onderdeel van inclusiebeleid. Beoordelingskader Het definiëren van inclusie is tamelijk lastig; het operationaliseren en nader concretiseren in indicatoren is waar mogelijk nog lastiger. Omdat de mate van inclusie samenhangt met het gevoel dat groepen mensen in de samenleving hebben, is een onderverdeling in indicatoren vrijwel altijd onvolledig. De nadruk in de beoordeling in dit OER voor inclusief en betaalbaar ligt dan ook op indicatoren die een sterke ruimtelijke component hebben.
Dat betekent dat indicatoren die echt in het sociale domein liggen (antidiscriminatie, LHBTIQ+, vrouwenemancipatie, diversiteit, cultuur, kunst en gedeelde geschiedenis) hoewel zeer belangrijk, geen onderdeel zijn van de beoordeling in het OER. Deze indicatoren kúnnen wel een ruimtelijke component hebben, denk onder meer aan de representatie van het koloniale verleden in het straatbeeld of de mate waarin vrouwen gebruik kunnen maken van bijvoorbeeld openbare toiletten. De effecten van de verstedelijkingsalternatieven en het beleid in de Omgevingsvisie op deze indicatoren is echter niet te beoordelen, omdat deze indicatoren alle vragen om zeer lokale maatwerkoplossingen die per definitie geen onderdeel zijn van de strategische visie. De focus van de beoordeling “inclusief en betaalbaar” ligt daarom in dit OER op sociaal-inclusieve verstedelijking en het borgen van een goede leefbaarheid. Hierbij horende indicatoren zijn segregatie (zorg voor een stad waar de plek waar je opgroeit niet bepalend is voor je ontplooiingskansen), vervoersarmoede (zorg voor een 30-minutenmetropool voor kwetsbaren, praktisch en middelbaar geschoolden, met bereikbare banen in de fundamentele economie), en leefomgevingskwaliteit (zorg voor een stad waar de plaats waar je woont niet bepalend is voor je levensverwachting en het aantal gezonde jaren).
Blad 35 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
Kernwaarde
Inclusief en betaalbaar
Criterium
Mate van segregatie
Streefwaarde/Ambitie Een stad waar de plek waar je opgroeit niet bepalend is voor je ontplooiingskansen
Vervoersarmoede
Een 30-minutenmetropool voor kwetsbaren, praktisch en middelbaar geschoolden
•
• •
Ontmoeten
4.1.2
•
Een stad waarin ontmoetingen met anderen aangemoedigd wordt door de inrichting van de ruimte
• •
Gewenste beweging Meer koopwoningen dan nu op plekken waar dat betaalbaar kan Relevant werk en hoge kwaliteit van voorzieningen naar (of in bereik van) kwetsbare wijken brengen Meer knooppunten waar clusters van midden- en laagopgeleide banen en werknemers samen komen Middenbanen naar de perifierie, ontsluiten centraal gelegen praktische en middenbanenclusters Beter bereikbaar maken groene gebieden rondom stedelijk gebied. Groene plekken voor ontmoeting en spelen vergroten sociale interactie en verminderen eenzaamheid.
Huidige situatie Segregatie Amsterdam heeft in vergelijking met steden in het buitenland een lange inclusieve traditie. Tot enkele jaren geleden slaagde de stad er dan ook vrij goed in om bevolkingsgroepen in relatief gelijke mate recht te laten hebben op de stad en op vreedzaam samenleven. De laatste jaren zijn daar grote veranderingen in gekomen. Onder invloed van onder meer de deregulering van de woningmarkt, snelle gentrificatie in wijken rondom het centrum (bijvoorbeeld in De Pijp) zijn er grote verschuivingen in de woonlocaties van sociale groeperingen opgetreden. Binnen de Ring A10 is een zeer sterke toename van hoger opgeleiden met hoge inkomens. De sociale huurvoorraad in dit gebied is flink geslonken. Buiten de ring overtreft de vraag (ondanks het relatief grote aanbod sociale huurwoningen) het aanbod. Mensen met een kleine portemonnee zijn voor een goed gedeelte aangewezen op huurwoningen buiten de gemeente. In de hele stad komen middengroepen minder aan bod. Bovenstaande ontwikkelingen worden duidelijk door onder meer de ontwikkeling van de verkoopprijs van woningen per vierkante meter.
figuur 4-1: verkoopprijs met vierkante meter in 2003 (links) en 2019 (Rechts) (bron: maps.amsterdam.nl)
Blad 36 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
Uit de figuur blijkt de enorme toename in de verkoopprijs per vierkante meter binnen de A10. Overigens geldt een algehele prijsstijging op de woningmarkt die niet uniek is voor Amsterdam. In Amsterdam profileert de prijsstijging zich wel het meest nadrukkelijk van Nederland. Deze trends profileren zich onder wereldwijde trends die woonsegregatie versterken: • Globalisering, waardoor de instroom van mensen in de stad met een relatief hoog inkomen vergroot wordt; • Professionalisering, waarbij er een toename is van hoogopgeleiden bij een gelijkblijvende groep laagopgeleiden; • Een toename in het aantal huishoudens met hoog inkomen; • Veranderende woonvoorkeuren: toenemende voorkeur hoge inkomens voor centrale stad. Deze druk van hoogopgeleide professionals op de centrale delen van Amsterdam zorgt voor grote prijsverschillen voor koopwoningen, wat inkomenssegregatie in de hand werkt. Het ‘ruimtelijk systeem’ werkt als versterking voor de woonsegregatie: de ongelijke verdeling van woonmilieus en woningtypen gecombineerd met woonvoorkeuren van hoogopgeleiden versterkt dit. Binnen de Metropoolregio Amsterdam (MRA) ligt 50% van de corporatiewoningen in 15% van de MRAwoonbuurten, en van die buurten ligt 83% in Amsterdam. In aanvulling hierop neemt het aandeel sociale huurwoningen in de centrale stad fors af ten bate van koopappartementen.
figuur 4-2: typen woonmilieus naar voornaamste woningtype (Rigo, 2020)
Uit onderzoek van Rigo Research en Advies (2020) blijkt dat in corporatiebuurten het aantal kwetsbare groepen sterk toeneemt en dus ook de problemen die daarmee samenhangen, terwijl dat elders niet speelt. In Amsterdam zijn clusteringen van groepen mensen met een hoge Sociaaleconomische Status (SES) en groepen met een lage SES zichtbaar. Deze clustering komt vrijwel exact overeen met figuur 3.2 waar de corporatiebuurten weergegeven zijn. Het aandeel corporatiewoningen, het aandeel lage inkomens en het aandeel bijstandsontvangers is in lage SES-gebieden significant hoger dan in de rest van de MRA.
Blad 37 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
figuur 4-3: segregatie naar inkomen en werk in 2017 (Rigo, 2020)
Op het gebied van voorzieningen geldt dat in bijna de hele MRA is het voorzieningenniveau voldoende tot goed is. Dit geldt in het bijzonder voor Amsterdam binnen de Ring. In Nieuw-West en Zuidoost lis de beschikbaarheid en kwaliteit van primaire en secundaire voorzieningen lager dan in de rest van de stad.
figuur 4-4: Bereikbaarheid van primaire (links) en secundaire (rechts) voorzieningen binnen de MRA: des te roder des te hoger de dichtheid van voorzieningen (Rigo, 2020)
Nadere analyse woonmarkt Amsterdam In het onderzoek ‘Wonen in Amsterdam (WiA)’ uit 2019 zijn nog diverse interessante analyses opgenomen die het beeld van de Amsterdamse woningbouw completeren. De volgende analyses zijn uit dit onderzoek afkomstig. Op de Amsterdamse woningmarkt speelt het particuliere vrije huursegment een steeds belangrijkere rol. In dit segment stijgen de prijzen snel, zijn contracten vaak tijdelijk en is de mutatie hoog. Het particuliere huursegment wordt snel groter, terwijl de koopvoorraad in aantal en in aandeel is afgenomen. Dit zou een indicatie kunnen zijn dat mensen die een nieuwe woning kopen, of gaan samenwonen, hun koopwoning aanhouden om te verhuren, of dat er woningen worden gekocht om te verhuren.
Blad 38 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
Het aanbod is duur, en er is een grote instroom van huishoudens met een hoog inkomen naar Amsterdam. Dit zorgt voor een verschuiving in de inkomensverdeling van de Amsterdamse huishoudens naar de hogere inkomenscategorieën. Starters op de woningmarkt worden ook geconfronteerd met deze hoge prijzen op de huurmarkt en nauwelijks aanbod van goedkope of middeldure koopwoningen. Steeds meer vrijkomende sociale huurwoningen van particulieren zijn voor een specifieke doelgroep, voornamelijk jongeren en studenten. In de jaren ‘80 kende Amsterdam een grote particuliere huurvoorraad, die bestond voor een groot deel uit goedkope woningen. Vervolgens groeide de corporatievoorraad sterk en nam het aandeel koopwoningen toe. De eigendomsverdeling in Amsterdam liet de laatste jaren een toename zien van het aandeel koopwoningen en particuliere huurwoningen, en een afname van het corporatiebezit in de stad. De verschuiving tussen 2017 en 2019 laat echter een ander patroon zien. Voor het eerst in jaren is de voorraad koopwoningen in aandeel, en in aantal, kleiner geworden. Hiertegenover staat een grote groei van het aandeel en aantal particuliere huurwoningen; een grotere groei dan op voorgaande meetmomenten zichtbaar was.
In 2019 bestaat de woningvoorraad voor 30,8% uit koopwoningen, corporatiewoningen zijn 40,7% van de voorraad, en de resterende 28,5% zijn woningen die door particuliere verhuurders worden verhuurd. In figuur 4-5 is de ontwikkeling van de woningvoorraad weergegeven.
48,1
47
45,5
43,1
40,7
32,5
30,8 28,5
2017
29,4 22,5
30,6 22,3
30,6 23,9
2011
2013
2015
Koopwoningen
Corporatiewoningen
24,4
2019
Particuliere huur
figuur 4-5 Ontwikkeling woningvoorraad 2011 – 2019
De koopvoorraad laat in omvang nauwelijks verschillen zien tussen de stadsdelen. Stadsdelen verschillen voornamelijk in de omvang van de corporatiesector en de particuliere huursector. De stadsdelen Centrum, West, Zuid en Oost kennen van oudsher een grote particuliere huurvoorraad, terwijl in de stadsdelen Nieuw-West, Noord en Zuidoost een groter aandeel van de woningvoorraad door woningcorporaties wordt verhuurd. Stadsdeel Noord, waar de corporatiesector in omvang het grootste is, heeft tussen 2011 en 2019 de grootste afname van de corporatiesector gehad en de grootste groei van de koopvoorraad, waardoor de koopvoorraad in percentage nu het grootste is van de hele stad. De verschuiving van koop naar particuliere huur is in een aantal stadsdelen duidelijk te zien. Dit gaat om de stadsdelen Centrum, Nieuw-West en Zuidoost. Verschuiving van eigendomssectoren komt natuurlijk niet alleen door wisseling van bewoners, ook door nieuwbouw. In Nieuw-West, waar een grote groei te zien is van particuliere huur, is ook veel huur bijgebouwd. Dit geldt in iets mindere mate ook voor de stadsdelen Oost en West. In de volgende figuur is de verandering van
Blad 39 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
de percentages eigendomssectoren per stadsdeel tussen 2011 en 2019 te zien. Overal is sprake van een dalende trend van de corporatiehuur.
figuur 4-6 Ontwikkeling percentages eigendomssectoren per stadsdeel tussen 2011 en 2019
In figuur 4-7 ook het corporatiebezit in Amsterdam te zien per bouwjaar. Met name de grote hoeveelheid in Noord, Zuidoost, Nieuw-West en Oost is hierbij goed te zien.
figuur 4-7 Corporatiewoningen per bouwperiode
Blad 40 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
Wonen en werken binnen de 30-minutenmetropool De 30-minutenmetropool was lange tijd de norm voor verstedelijking. Uit recente analyses in de Metropoolregio Amsterdam (2019) blijkt echter dat deze, vooral voor praktisch en middelbaar geschoolden sterk onder druk staat. Op stadsniveau is de bereikbaarheid van praktische banen met OV/fiets en auto over het algemeen goed. Voor praktisch opgeleiden in grote delen van Almere-Lelystad, Waterland, IJmond en de westkant van de Haarlemmermeer/Haarlem Zuid is de kans op een baan binnen een half uur ook met de auto slecht. Door inwonersgroei en verdere professionalisering zal de bereikbaarheid van banen en nog grotere uitdaging worden. Dit is momenteel al een aandachtspunt voor met name minder hoogopgeleiden. Zo blijkt dat: ▪ 90% van theoretisch opgeleiden woont op een plek waar ze in theorie binnen een half uur met OV en fiets op hun werk kunnen zijn. Met de auto geldt dit voor 99% van hen. ▪ Voor Praktisch opgeleiden zijn deze percentages 40 en 70%. Zij reizen dus veelal langer en zitten meer in de auto. ▪ Voor middelbaar opgeleiden zijn de percentages 70 en 92%. Ook zij reizen meer en vaker met de auto. In figuur 4-8 zijn diverse constateringen vanuit de MRA-studie door Rigo over onder andere de vervoersarmoede opgenomen.
figuur 4-8 Samenvatting constateringen in MRA-verband over vervoersarmoede
Ontmoeten Ontmoetingen en contact leiden tot een inclusievere samenleving. Hier kan de buitenruimte een rol in spelen. Bij dit criterium is ingegaan op de aanwezigheid van groen en buitenspeelplaatsen om sociale interactie te stimuleren en eenzaamheid te verminderen. In Amsterdam zijn ook tal van buitenspeelplekken beschikbaar. Deze zijn online te zien op de buitenspeelkaart van Amsterdam (zie link). Voor de sociale inclusie is het van belang dat mensen elkaar kunnen ontmoeten, kinderen met elkaar kunnen spelen en dat er een goede functiemenging is. Deze aspecten dragen bij aan levendigheid en gaan zo eenzaamheid tegen en bevorderen de sociale cohesie.
Blad 41 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
Voor het dagelijks gebruik van groen (parken, bossen, natuurgebieden en dagrecreatieve terreinen) zijn openbare groengebieden binnen een afstand van 500 meter van de woning van belang. Uit Europees onderzoek blijkt dat dit groen minimaal 1 hectare moet hebben om daadwerkelijk als groen beleefd te kunnen worden. In figuur 4-9 staan de groengebieden met enige omvang binnen de gemeentegrenzen. Veel van de groene gebieden zijn op dit moment overbelast (% mensen dat hiervan (in theorie) van gebruik kan maken). Op MRA-niveau blijkt dat groene gebieden ook overbelast en voor circa 25% van de bevolking niet binnen 500 meter bereikbaar. Verder blijkt uit analyses vanuit de MRA (Rigo, 2020) dat de verdere verdichting deze statistiek verslechtert: 22% van de nieuwbouw tot 2030 is voorzien in gebieden waar nu geen groen > 1 hectare binnen 500 meter beschikbaar is. Voor Amsterdam zijn geen specifieke cijfers beschikbaar. Op basis van expert judgement is de verwachting dat met name voor het centrumgebied en de IJ-oevers deze getallen overeenkomen. Buiten de Ring is veel groen aanwezig binnen korte afstand van woningen.
figuur 4-9: Groen in Amsterdam (maps.amsterdam.nl, 2020).
Tot slot: aandacht voor woningen op milieubelaste gebieden De milieuthema’s geluid, luchtkwaliteit en veiligheid staan later in dit hoofdstuk beschreven. Voor de kernwaarde Inclusief & Betaalbaar is hiervan het volgende van belang. Op dit moment zijn in stedelijke omgevingen de relatief arme gezinnen wonen op de plekken waarde milieubelasting hoog danwel het hoogste is. Nieuw-West en Zuidoost komen hier (door bijvoorbeeld geluidoverlast van Westpoort en respectievelijk de A10/A2 en Schiphol) naar voren als gebieden met grootste milieudruk.
Blad 42 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
Beoordeling huidige situatie De betaalbaarheid van woningen is een groeiend aandachtspunt in Amsterdam. Hier is de afgelopen jaren sprake van een neerwaartse trend. Hoewel in de grote stad als Amsterdam en met altijd een bepaald percentage sociale huurwoningen de woningdiversiteit groot is, is deze met name binnen de Ring A10 verslechterd. Dit vergroot de mate van segregatie. De trend vanaf 2000 tot 2020 is daarom van redelijk tot negatief voor dit aspect. Het aspect vervoersarmoede speelt minder in Amsterdam. Door de vele mogelijkheden om binnen de stad te reizen (lopend, fiets, tram, bus, metro, trein en auto) speelt dit minder dan in de gehele MRA-regio. Vooral voor lager opgeleiden vanuit buiten Amsterdam die daar willen werken is de relatieve afstand groot. De reistijd is daar veelal hoger dan 30 minuten. Tot slot het groen en de buitenspeelplekken. Er is binnen Amsterdam relatief veel groen aanwezig. Maar de druk op dit groen neemt wel toe. Ook is in diverse nieuwbouwlocaties het aandeel groen beperkt (bijvoorbeeld NDSM of Zeeburgereiland). Hier is ook sprake van een negatieve score (en negatieve trend vanaf 2000). Samengevat is sprake van een negatieve score voor de huidige situatie: er zijn redelijk wat knelpunten en de streefwaarden/ambities worden soms gehaald.
4.1.3
Referentiesituatie Tot enkele jaren geleden slaagde de stad vrij goed in om bevolkingsgroepen in relatief gelijke mate recht te laten hebben op de stad en op vreedzaam samenleven. Voor wat betreft de woningmarkt buiten de ring overtreft – ondanks de relatief grote omvang van de sociale huurvoorraad – de vraag het aanbod. Mensen met een smalle beurs die een betaalbare woning zoeken zijn daardoor deels aangewezen op huurwoningen buiten de gemeente. In de hele stad komen middengroepen minder aan bod. Er ontstaan dus toenemende probleemcumulaties aan de rand van de stad en ook “suburbanisatie van de armoede”. In de minst gewilde delen van de buitenwijken in Noord, Zuidoost en Nieuw-West is sprake van een toenemende concentratie van laagopgeleide mensen met minder grip op hun eigen leven en afnemend perspectief. Daarmee dreigt een vicieuze cirkel. De genoemde wijken zijn ook direct de wijken waar de milieudruk hoger is en de vervoersarmoede het grootst is. Vanuit de Verstedelijkingsstrategie van de MRA zijn diverse uitgangspunten en principes vastgelegd om deze problematiek ook aan te pakken door middel van verstedelijking. Ten aanzien van de te ontwikkelen woonmilieus dat deze ‘divers, leefbaar en sociaal-inclusief’ zijn: “Rijk en MRA
Blad 43 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
verbeteren het functioneren van de woningmarkt en de leefbaarheid, zodat het zowel voor huidige als toekomstige bewoners mogelijk is een passende en aantrekkelijke woonplek te vinden. We werken aan voldoende woningen, met een divers en betaalbaar woningaanbod in diverse woonmilieus, in kwalitatief goede en veilige leefomgevingen” (MRA, 2020). Voor de uitwerking van dit principe is de volgende invulling beschreven: • Op ontwikkelingslocaties worden woningen gebouwd in verschillende prijsklassen, waaronder voldoende betaalbare woningen, en in verschillende woningtypen in aansluiting op de woningbehoefte (tenzij het om een locatie met een zeer beperkt aantal woningen gaat). • Waar eenzijdigheid in de woningvoorraad of bevolkingssamenstelling de kansengelijkheid in de regio bedreigt, doorbreken we dat door bij de woningbouw in of nabij dergelijke clusters slim te programmeren in woningtypen, voorzieningen en hun ontsluiting. • Woonomgevingen nodigen uit tot een gezonde levensstijl, onder meer door voldoende groen en goede wandel- en fietsvoorzieningen. • Bij locatiekeuzes voor woningbouw, infrastructuur en werklocaties wordt gezocht naar toekomstbestendige maatwerkoplossingen, waarbij altijd de vraag centraal staat hoe we kunnen borgen dat mensen gezond, veilig en prettig kunnen wonen.
• Waar door verdichting de druk op de groenvoorzieningen toeneemt, worden de kwantiteit, kwaliteit en bereikbaarheid van het groen vergroot. De genoemde invullingen om diverse en sociaal-inclusieve woonmilieus te realiseren dragen bij aan verbetering van de geconstateerde problematiek. Toch zijn hier enkele kanttekeningen bij te maken: 1. De woningbouwopgave is voor een groot deel geprojecteerd in relatief dure gemeenten, zoals Amsterdam. 2. De woningbouwopgave landt tot 2030 voor 30% op plekken waar tegen huidig prijspeil een ruim en betaalbaar appartement gerealiseerd kan worden en voor 10% op plekken waar ruime, betaalbare eengezinswoningen gerealiseerd kan worden, zoals Almere, Lelystad, Zaanstad, Purmerend en Hoofddorp. De overige 70% dus niet. 3. De huidige plannen gaan over nieuwe ontwikkellocaties niet over de bestaande voorraad en dus ook niet over die problemen, zoals de geconstateerde vervoersarmoede. Ondanks de ingezette verbeteringen op MRA en gemeentelijk niveau is niet de verwachting dat de geconstateerde aandachtspunten opgelost worden. Er is ook een gerede kans dat de neerwaartse trend zich blijft doorzetten. In de beoordeling is daarom de kans op een negatieve trend wat waarschijnlijker dan dan een positieve trend.
Blad 44 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
4.2
Leefbaar
4.2.1
Inleiding, beleid en beoordelingskader Inleiding Leefbaarheid is een zeer ruim begrip. Een begrenzing is dus noodzakelijk, anders kan leefbaarheid over alles in de fysieke leefomgeving gaan. Het Rijk (ministerie van BZK) heeft hiervoor een specifiek instrument ontwikkeld om de leefbaarheid per buurt, wijk en gemeente te meten. Dit is de Leefbaarometer. Dit is vervolgens aangevuld met enquêtes die de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties en de gemeente tweejaarlijks uitvoeren op het gebied van leefbaarheid. Grosso modo komen dezelfde indicatoren naar voren. De Leefbaarometer is een instrument dat een inschatting geeft van de leefbaarheid zoals bewoners die ervaren. Het instrument doet dat op basis van allerlei feitelijke kenmerken van gebieden – zoals criminaliteit en overlast, voorzieningen, fysieke kenmerken van de woonomgeving en bevolkingssamenstelling. Het kan voorkomen dat sommige waarden die bijdragen aan leefbaarheid (bijvoorbeeld luchtkwaliteit of ruimtelijke kwaliteit) geen onderdeel zijn van het beoordelingskader van de kernwaarde leefbaarheid. Deze indicatoren zijn dan uitgewerkt onder andere kernwaarden. De Leefbaarometer bestaat uit 100 indicatoren, die onderverdeeld zijn in vijf dimensies: Woningen, Bewoners, Voorzieningen, Veiligheid en Fysieke omgeving.
Voor een volledig overzicht van de indicatoren en weging hiervan binnen de vijf dimensies kunt u de Leefbaarometer zelf raadplegen, via deze link. Modelmatige benadering van de leefbaarheid voor een gebied De Leefbaarometer is een wetenschappelijk onderbouwd model dat continu aan verbetering en herijking onderhevig is. De kern van de Leefbaarometer zijn twee submodellen: Het eerste submodel voorspelt rechtstreeks het oordeel van bewoners over hun woonomgeving (de zogenoemde ‘stated preferences’, ook wel als het ‘subjectieve deel’ aangeduid). Via het tweede submodel wordt de waardering van bewoners voor de woonomgeving voorspeld, voor zover die in de huizenprijzen tot uiting komt (de zogenoemde ‘revealed preferences’, ook wel als het ‘objectieve deel’ aangeduid). Door deze twee benaderingen te combineren, ontstaat – zo is gebleken – een goed beeld van de leefbaarheid. Dat beeld kan wellicht het beste worden omschreven als “een geobjectiveerd oordeel van de leefbaarheid door bewoners over hun eigen directe woonomgeving.”
Beleid De gemeente voert sinds 1995 een onderzoek naar de leefbaarheid in de stad uit onder de noemer: ‘Wonen in Amsterdam’. In dit onderzoek wordt een beeld geschetst van de inkomensontwikkeling, de ontwikkeling van de woningvoorraad, de tevredenheid met de woning en woonomgeving en de woon- en verhuiswensen van Amsterdammers. De laatste rapportage stamt uit voorjaar 2019. Beoordelingskader De kernwaarde Leefbaar is samengebracht in één criterium: de score vanuit de Leefbaarometer en het onderzoek ‘Wonen in Amsterdam’, zie . De streefwaarde voor leefbaar is nadrukkelijk in Amsterdams beleid vastgelegd, maar is door opstellers van het OER gekozen als logische ambitie. tabel 4-1 Beoordelingskader leefbaar Kernwaarde Leefbaar
Criterium Score leefbaarheidssituatie
Streefwaarde/Ambitie Een score ‘goed’ (7,5 of hoger)
•
•
Blad 45 van 326
Gewenste beweging Afname van het aantal slecht scorende wijken/buurten Stijging van de gemiddelde score
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
4.2.2
Huidige situatie Algemene leefbaarheid in Amsterdam De leefbaarheid in Amsterdam scoort gemiddeld een ‘ruim voldoende’ blijkt uit de Leefbaarometer. Dit is positiever dan in het begin van de metingen toen de gemeente nog ‘voldoende’ scoorde. In figuur 4-6 Ontwikkeling percentages eigendomssectoren per stadsdeel tussen 2011 en 2019 is de ontwikkeling van de scores op leefbaarheid in Amsterdam te zien. Hierin zijn ook de andere groter gemeenten en de rest van Nederland te zien. Amsterdam neemt een middenpositie in. Er is daarbij wel sprake van een positieve trend de afgelopen jaren.
figuur 4-10 Ontwikkeling leefbaarheid (2002-2018) Amsterdam in vergelijking met de G4, G40 en de rest van Nederland (Leefbaarometer, 2018)
De score ruim voldoende wordt in Amsterdam vooral veroorzaakt door een matige tot slechte score op de dimensie veiligheid. In de rapportage van de Leefbaarometer staat een lijst van buurten die op grond van bovengenoemde definitie als het meest onveilig mogen worden beschouwd. Deze buurten liggen bijna allemaal in de vier grote steden, waarbij Amsterdam opvallend vaak vertegenwoordigd is. Bij deze score is een tweedeling te maken. Enerzijds zijn er buurten binnen de Ring die een (zeer) ongunstige score op het gebied van veiligheid combineren met een dusdanige goede score op andere dimensies dat de totale Leefbaarometerscore bovengemiddeld is. Anderzijds zijn er buurten waar een lage veiligheidsscore samengaat met ongunstige scores op andere dimensies. Dit zijn dan ook buurten met een lage totaalscore op de Leefbaarometer. Dit is vooral het geval in West en Zuidoost. Deze scores komen in grote mate overeen met de onderzoeksresultaten Wonen in Amsterdam. Uit de factsheets leefbaarheid blijkt dat Amsterdammers in 2019 hun buurt gemiddeld een 7,5 geven. Sinds 2001 tot 2015 steeg dit gemiddelde rapportcijfer vanaf een 6,9. Nu is het al enkele jaren stabiel. Nader ingezoomd op de diverse wijken en onderdelen van leefbaarheid In figuur 4-11 is de leefbaarheidscore per buurt getoond. Hieruit blijkt duidelijk de grote verschillen tussen de stadsdelen en zelf buurten.
Blad 46 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
figuur 4-11 Leefbaarheidscore per buurt in Amsterdam (2018)
Uit de figuur blijkt dat de aandachtsgebieden vrijwel allemaal liggen in de stadsdelen: Nieuw-West, Noord en Zuidoost. Wat bovengemiddeld goed scoort in al deze gebieden is het voorzieningenaanbod. De scores op ‘bewoners’, ‘veiligheid’ en in mindere mate ‘fysieke omgeving’ leiden tot een onvoldoende score. Het gaat dan om aspecten als opleidingsniveau, inkomen, taalachterstanden, overlast, etc. Op buurtniveau zijn de cijfers uit het onderzoek Wonen in Amsterdam wat positiever dan de Leefbaarometer. Zo is geen enkele buurt in 2019 lager gewaardeerd dan een 6,0. Vijf wijken scoorden in 2019 onder de 6,5.. De scores per buurt zijn in figuur 4-12 te zien. Vooral in de stadsdelen NieuwWest, Noord en Zuidoost liggen de wijken met cijfers onder het stedelijk gemiddelde van 7,5. De Kolenkit Noord in stadsdeel West (6,0) is de wijk met het laagste rapportcijfer voor buurttevredenheid. Deze wijk maakt deel uit van een groter gebied van nog drie andere wijken die met een 6,5 of lager zijn beoordeeld: Slotermeer-Zuidwest (6,4), SlotermeerNoordoost (6,3) en Geuzenveld (6,3), alle drie gelegen in stadsdeel Nieuw-West. Geuzenveld en Slotermeer scoren al veel jaren laag op buurttevredenheid. In totaal hebben vijf wijken van de 91 een rapportcijfer onder de 6,5. In 2017 waren dat er vier. Aan de andere kant scoren 28 van de 91 wijken op buurttevredenheid een 8 of hoger.
Dat zijn er vier meer dan in 2017. De drie wijken met de hoogste gemiddelde tevredenheid zijn De Apollobuurt (8,5), de Museumpleinbuurt (8,5) en de combinatie van Waterland, Nieuwendammerdijk en Buiksloterdijk (8,6) in Noord. Deze drie wijken zijn al sinds het begin van de meting de hoogst scorende wijken. Stadsdeel Zuid is (sinds begin van deze metingen) het stadsdeel met het hoogste buurttevredenheidscijfer (8,1). In stadsdeel Zuid scoren 11 van de 18 wijken een 8 of hoger, en er scoort geen enkele wijk onder het Amsterdamse gemiddelde.
Blad 47 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
figuur 4-12 Buurttevredenheid in 2019
De tevredenheid van de Amsterdammers over hun buurt (en stadsdeel) is wel een stijgende lijn, zoals eerdergenoemd. In figuur 4-13 is dit per stadsdeel terug te zien.
figuur 4-13 Ontwikkeling buurttevredenheid per stadsdeel vanaf 2001
In stadsdeel Centrum is het buurttevredenheidscijfer al sinds 2013 langzaam aan het dalen. Dit komt met name door de grote stroom toeristen die in dit stadsdeel tot negatieve effecten leidt, zoals drukte op woningmarkt, overlast, drukte, criminaliteit, etc. Deze overlast is in figuur 4-14
Blad 48 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
gevisualiseerd en is het hoogst in het Centrum, maar strekt zich ook uit tot de andere delen van Amsterdam.
figuur 4-14 Mate van ervaren overlast door toeristen/vakantieverhuur (links) en overlast door andere mensen dan buurtbewoners (rechts) in 2019
Uit de Leefbaarometer blijkt dat onveiligheid een belangrijke reden is waarom de score niet ‘goed’ is in plaats van ‘ruim voldoende’. Ook het Amsterdamse onderzoek blijkt hier een aandachtspunt te liggen, zie figuur 4-15. Ook hier scoren Nieuw-West, Zuidoost en delen van Noord matig tot onvoldoende.
figuur 4-15 Mate van ervaren onveiligheid ’s-avonds (links) en ervaren overlast door criminaliteit (rechts) in 2019
Beoordeling huidige situatie De leefbaarheid in Amsterdam scoort tussen matig en positief. Er zijn duidelijke verschillen tussen de stadsdelen (en de daarin gelegen wijken en buurten). Zo scoren Zuid en Centrum al sinds begin van de metingen positie positief tot zeer positief. Oost en West hebben een duidelijke opmars gemaakt de afgelopen twintig jaar. Een voorbeeld vormt bijvoorbeeld de Kolenkitbuurt-Zuid waar de buurttevredenheid de afgelopen tien jaar met bijna 1 heel punt is gestegen. Aandachtspunten zijn en blijft het stadsdeel Nieuw-West en in iets mindere mate Zuidoost en Noord. Deze wijken scoren in de buurttevredenheid ruim onder het Amsterdams gemiddelde en blijken ook in de Leefbaarometer diverse plekken te hebben die matig tot onvoldoende scoren.
Blad 49 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
Vanwege de verbeterde leefbaarheidssituatie in Oost en West de afgelopen twintig jaar, is wel sprake van een licht positieve trend. De beoordeling van de huidige situatie is als gevolg hiervan net onder een redelijke score in 2000 tot net boven een score ‘redelijk’ in 2020 beoordeeld.
4.2.3
Referentiesituatie In de factsheet Leefbaarheid bij het onderzoek Wonen in Amsterdam is een analyse opgenomen van de verwachte ontwikkeling van de leefbaarheid in de diverse buurten. Deze analyse geldt voor de komende jaren. Desalniettemin geeft dit een goed beeld voor de referentiesituatie. Uitspraken over de leefbaarheid in 2030 of zelfs 2050 is voor dit thema lastig, zo niet onmogelijk. In figuur 4-16 zijn de cijfers over de verwachte ontwikkeling van de leefbaarheid van de buurt getoond.
figuur 4-16 Verwachte ontwikkeling van de leefbaarheid (in rapportcijfers per buurt)
Blad 50 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
Op stedelijk niveau beoordeelt men de verwachte ontwikkeling van hun buurt met een 7,1, hetzelfde als in 2017. Vooral in stadsdelen Nieuw-West, Noord, Centrum en Zuidoost vindt men wijken met een score voor verwachte ontwikkeling van de buurt onder het stedelijk gemiddelde. De drie wijken in Amsterdam die de hoogste cijfers hebben zijn: Noordelijke IJ-oevers West (8,0), De Omval/ Overamstel (8,0) en Indische Buurt West (7,9). Kijken we naar de top vijf wijken met de hoogste cijfers voor de verwachte leefbaarheid in de komende jaren dan valt op dat in veel van deze wijken nieuwbouw is toegevoegd, zoals op de NDSM-werf, het Amstelkwartier en het Zeeburgereiland. Aandachtspunt blijft de ontwikkeling in Nieuw-West en in iets mindere mate Zuidoost. ‘Nieuwe’ aandachtspunten zijn het Centrum en Noord. In het stadsdeel Centrum is men minder positief over de toekomst en wordt de toenemende drukte als steeds negatiever ervaren. Dit komt vooral door toeristen, zo liggen negen van de tien wijken waar bewoners de meeste overlast van toeristenverhuur ervaren in het stadsdeel Centrum. In het stadsdeel Noord vallen de constrasterende cijfers op. Zo is de buurtwaardering in de tuindorpen niet heel verschillend, maar kent de algemene buurtwaardering in Tuindorp Oostzaan een duidelijk positieve trend, wat ook zichtbaar is in een verbeterde sociale omgang en betrokkenheid.
De positieve trend zal ook te maken hebben met de nieuwbouw in De Bongerd als onderdeel van Tuindorp Oostzaan. In de combinatie van Tuindorp Nieuwendam en Tuindorp Buiksloot laten sommige indicatoren juist een negatieve trend zien: overlast door vervuiling en criminaliteit en onderhoud van straten en stoepen speelt daar een rol. Stadsdeel Noord kent daarnaast enkele wijken die op leefbaarheidsitems tot de topscorers van Amsterdam behoren, de meanderende historische lintbebouwing van de Waterlandse Zeedijk overlopend in het landelijke gebied van Durgerdam en Ransdorp. Noord kent ook naoorlogse wijken zoals Waterlandpleinbuurt en Banne Buiksloot met gematigde cijfers voor aspecten van sociale leefbaarheid. Beoordeling referentiesituatie De leefbaarheidssituatie in het algemeen blijft op hetzelfde niveau als in de huidige situatie zitten. Ook in de autonome ontwikkeling worden verbeteringen in de diverse wijken en buurten doorgevoerd. Er lijkt echter toch wel een wat dalende trend te zijn, gezien de toekomstverwachting. Met name de overlast en drukte door toenemend toerisme (tot voorjaar 2020 althans) kunnen voor een kentering van de leefbaarheid in stadsdeel Centrum en omliggende wijken zorgen. Daarom is in de beoordeling de kans op een lagere score dan de huidige situatie groter dan op een verbetering van de huidige score.
Blad 51 van 326
Omgevingsvisie Amsterdam Omgevingseffectrapportage projectnummer 0462872.100 10 december 2020 Gemeente Amsterdam
4.3
Bereikbaar
4.3.1
Inleiding, beleid en beoordelingskader Inleiding Amsterdam maakt een sterke groei door in inwoners en arbeidsplaatsen. Tezamen met de bestaande stad levert dit een grote hoeveelheid aan verplaatsingen op. Dit betreft het verplaatsen met het OV, fiets, lopend of met de auto. De essentie is dat de stad voor iedereen (bewoners, werknemers en toeristen) toegankelijk moet blijven. Echter, de ruimte is beperkt en er is dus geen plek voor fiets, voetganger, OV en auto naast elkaar. Om de stad bereikbaar en veilig te houden en de openbare ruimte toegankelijk en aantrekkelijk, moet de gemeente keuzes maken en maatregelen treffen. Dit betekent bijvoorbeeld dat niet elke persoon of huishouden een eigen parkeerplek heeft. Ook het autogebruik moet veranderen, van bezit naar gebruik, bijvoorbeeld door deelauto’s. Ook zullen er gebieden zijn waar de auto grotendeels uit het straatbeeld verdwijnt en de focus op fiets en OV ligt. Beleid De hoofdlijnen van het mobiliteitsbeleid staan beschreven in de Mobiliteitsaanpak Amsterdam (MAA) uit 2013. Hierin staat het beleid in de periode tot 2030 beschreven op welke wijze de economische vitaliteit van Amsterdam op duurzame wijze versterkt kan worden door de bereikbaarheid in en van de stad en de aantrekkelijkheid van de openbare ruimte te vergroten.
Daarnaast heeft de gemeente een Uitvoeringsagenda Mobiliteit (2015) waarin de diverse maatregelen en keuzes uit de Mobiliteitsaanpak zijn uitgewerkt. De speerpunten zijn: Meer ruimte in het centrum • • •
Autoluwer maken van straten en invoering 30 km p/u gebied. Nieuwe fietsbrug- en veerverbindingen over het IJ en fietsparkeren onder- en bovengronds. Parkeergarages en -plekken ondergronds.
Betere doorstroming op belangrijke routes • • • • • • •
Verbeteringen van het OV. Betere fietsroutes, en fietskruispunten. Meer hoogwaardige voetgangersgebieden. Vlotte autoroutes in- en uit de stad. Ruimte voor laden- en lossen. Aantrekkelijkere P+R-locaties aan de randen van de stad. Elk vervoersmiddel krijgt de ruimte op geschikte routes.
Verbinden van de binnenstad met de delen daarbuiten • •
Het aanleggen van ontbrekende delen van fietsroutes (metropolitane fietsroutes). Het verbeteren van de verbinding met Noord
In het Beleidskader Verkeersnetten (2018) zijn de netwerken voor voetganger, fiets, openbaar vervoer en auto in kaart gebracht. Het beleidskader geeft richting aan de wijze waarop Amsterdam de komende jaren werkt aan de verbetering van de bereikbaarheid en van de kwaliteit van de openbare ruimte van de stad. Hierin staan ook de doelen per netwerk. In 2020 heeft de gemeente de Agenda Autoluw vastgesteld. Hierin zijn specifieke doelen en maatregelen opgenomen om de auto minder prominent aanwezig te laten zijn in het stadsbeeld