2. Conceptbesluit nieuwe raadsverordening
Tekst van het document
24
Het onderzoek wordt binnen zes weken uitgevoerd. Als de termijn van zes weken niet wordt gehaald, bijvoorbeeld omdat informatie bij derden moet worden opgevraagd of omdat er sprake is van een complexe hulpvraag, dan wordt hierover gecommuniceerd met de cliënt en kan deze termijn worden verlengd. Eigen kracht Is er verdere Wmo-ondersteuning nodig, dan moet worden gekeken welk resultaat er moet worden gehaald en of een maatwerkvoorziening nodig is. Dit gebeurt samen met de cliënt of zijn mantelzorger. Daarbij wordt gekeken naar de eigen kracht van de cliënt. De Wmo is bedoeld om de eigen kracht te versterken. Alle Amsterdammers, met of zonder beperking, worden gestimuleerd om hun talenten en mogelijkheden te zien, en die te gebruiken om ondersteuningsvragen op te lossen. Door hier tijdens het onderzoek aandacht aan te geven kunnen mensen hun eigen kracht benutten en vergroten. Sociaal netwerk Verder wordt er bij het onderzoek gekeken naar het sociale netwerk van de cliënt. Daarmee bedoelen we het gezin, familie, vrienden, de buurt waarin iemand woont, zijn werkomgeving en de sociale groepen waar hij bij hoort. Personen in het sociale netwerk zijn vaak bereid om (een deel van) de ondersteuning te bieden of die te organiseren. Deze ondersteuning wordt in sommige gevallen mantelzorg genoemd. Zie artikel 1.1 onder J.
De mantelzorger kan soms zelf ook (tijdelijke) ondersteuning krijgen om overbelasting te voorkomen. Dit kan onderdeel uitmaken van een maatwerkvoorziening. Van belang hierbij is de balans tussen draagkracht en draaglast. Gebruikelijke hulp Binnen het sociaal netwerk kan ook sprake zijn van gebruikelijke hulp door een huisgenoot. Zie de definitie hiervan in artikel 1.1 onder H. en de toelichting. In principe is alle hulp door huisgenoten gebruikelijk als dit een kortdurende situatie is met uitzicht op een dusdanig herstel, dat ondersteuning daarna niet meer nodig is. Daarbij gaat het meestal over een periode van maximaal drie maanden. Bij een chronische situatie is de hulp van een huisgenoot gebruikelijk als die hulp wordt gegeven om te kunnen meedoen in de maatschappij. Gebruikelijke hulp is tot slot ook anderen leren omgaan met een cliënt met een beperking, chronisch psychische of psychiatrische aandoening. Van ouders wordt bijvoorbeeld verwacht dat ze professionals instrueren hoe ze moeten omgaan met de beperkingen van hun kind. Er zijn uitzonderingen mogelijk op het uitgangspunt van gebruikelijke hulp, al dan niet tijdelijk.
Bijvoorbeeld situaties waarin: De huisgenoot lang of regelmatig afwezig is voor bijvoorbeeld werk en het gaat om de zorg voor kinderen; Is vastgesteld dat de huisgenoot beperkingen heeft en niet in staat kan worden geacht tot het verrichten of aanleren van taken die horen bij gebruikelijke hulp; De huisgenoot overbelast is of dreigt te raken; De cliënt een korte levensverwachting heeft. Voorliggende voorzieningen In het onderzoek wordt gekeken of wetten als de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Jeugdwet voorliggend zijn op ondersteuning vanuit de Wmo. Voorliggend betekent dat die wetten voorgaan omdat ze passender zijn. Algemene voorzieningen
25
Verder wordt gekeken of de ondersteuningsvraag opgelost kan worden met een algemene voorziening. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat zonder Wmoonderzoek toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. De meeste algemene voorzieningen zijn gratis. Voor beschermd vervoer geldt een ritbijdrage. Ook voorzieningen in de sociale basis behoren tot de algemene voorzieningen. De sociale basis is het aanbod van activiteiten en voorzieningen in wijken om de dragende samenleving zo goed mogelijk te laten functioneren ter versterking van de eigen kracht en het netwerk van Amsterdammers. Zie ook artikel 3.2 van de toelichting. Maatwerkvoorziening Leidt alles hierboven niet of niet voldoende tot een oplossing? Dan kan de cliënt voor een Wmo-maatwerkvoorziening in aanmerking komen. Financiële tegemoetkomingen meerkosten Heeft een Amsterdammer een chronische ziekte of beperking in combinatie met een laag inkomen? Dan kan hij in aanmerking komen voor een vergoeding van meerkosten die hij heeft als gevolg van de beperking. Hiervoor is een individuele toekenning nodig. De beoordeling en uitbetaling van de tegemoetkoming meerkosten gebeurt (met uitzondering van de sportvoorzieningen) door de afdeling Werk, Participatie en Inkomen (WPI) van de gemeente. Casemanager Soms heeft de cliënt begeleiding van een casemanager.
Dat kan nodig zijn bij een complexe situatie of complexe voorzieningen waarbij er uitgebreider onderzoek moet worden gedaan. Met het uitgebreidere onderzoek kan er een goed beeld worden gekregen van de situatie en van de benodigde aanvraag. De casemanager is het centrale aanspreekpunt voor de cliënt en de overige betrokken organisaties. De casemanager kent de Wmo- procedures en begeleidt de cliënt bij de aanvraag van voorzieningen. Uitgangspunt is dat de cliënt hierbij zelf doet wat hij kan. Tijdens de verdere afhandeling van de melding, aanvraag en levering geeft de casemanager intensieve begeleiding en stemt de casemanager af met verschillende onderdelen van de hulpverlening.
Artikel 2.3 Verslag van het onderzoek Het onderzoek wordt afgesloten met een verslag of ondersteuningsplan. Zo kunnen cliënt en medewerker uitgaan van dezelfde informatie. De cliënt krijgt het verslag/ondersteuningsplan (of een kopie ervan) mee. In het ondersteuningsplan staan de afspraken over de doelen, resultaten en activiteiten, en over de duur en frequentie van de ondersteuning. Het ondersteuningsplan wordt samen met de cliënt en eventueel zijn mantelzorger opgesteld. Daarna ondertekent de cliënt het plan. Een keer per jaar wordt opnieuw gekeken of en zo ja, welke afspraken er nog nodig zijn.
26
Als in het ondersteuningsplan staat dat er een maatwerkvoorziening nodig is, dan heeft het ondersteuningsplan de waarde van een aanvraagformulier. Als de Amsterdammer en de medewerker die het onderzoek heeft uitgevoerd het niet met elkaar eens zijn over het verslag of ondersteuningsplan, dan kan de cliënt vragen om onderzoek door een onafhankelijk adviesorgaan. Als de uitkomst van het onderzoek niet leidt tot overeenstemming over de voorziening die de Amsterdammer denkt nodig te hebben, dan kan hij in bezwaar gaan tegen het besluit dat volgt op de aanvraag (beschikking). Het is niet mogelijk om in bezwaar of beroep te gaan tegen het verslag of ondersteuningsplan.
Artikel 2.4 Aanvraag maatwerkvoorziening De aanvraag voor een maatwerkvoorziening moet in principe schriftelijk worden gedaan. Sommige voorzieningen kunnen ook mondeling of digitaal worden aangevraagd, zodat de afhandeling sneller gaat. Op dit moment is de mondelinge aanvraag mogelijk voor aanvullend openbaar vervoer en maatschappelijke opvang. Er moet in principe binnen twee weken een besluit worden genomen over de aanvraag. Deze termijn is relatief kort, omdat het voorwerk al in het onderzoek is gebeurd (zie artikel 2.1 t/m 2.3). Het kan door omstandigheden zijn dat er nader onderzoek moet worden gedaan om de juiste maatwerkvoorziening te bepalen. Bijvoorbeeld nader onderzoek naar de specifieke aandoening en de bijbehorende beperkingen. In dat geval kan de beslistermijn op grond van de Algemene wet bestuursrecht worden verlengd. De gemeente schakelt hierin principe een onafhankelijk adviesorgaan voor in. Dit adviesorgaan kan ook al eerder tijdens het onderzoek worden ingezet, als bij de melding al blijkt dat er mogelijk een (aanvraag voor een) maatwerkvoorziening nodig is. Zo blijft de afhandelingstermijn zo kort mogelijk en ontstaat er geen onnodige bureaucratie.
Artikel 2.5 Aanvraag van een persoonsgebonden budget Voor maatwerkvoorzieningen bestaat in principe de mogelijkheid om te kiezen tussen de voorziening in natura of als persoonsgebonden budget (pgb). Als de cliënt kiest voor verstrekking in de vorm van een pgb, dan is hij verantwoordelijk voor een passende besteding. Dit houdt in dat hij een motivering moet kunnen geven, zoals in het tweede lid onder b van artikel 2.3.6 van de wet. Ook moet de cliënt vooraf inzicht geven in hoe de besteding van het pgb voorziet in zijn ondersteuningsbehoefte.
Artikel 2.6 Aanvraag financiële tegemoetkoming meerkosten Geen toelichting nodig.
27
Artikel 2.7 Inhoud van de beschikking Een beschikking is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Is de cliënt het niet eens met een besluit, dan kan hij in bezwaar gaan bij de gemeente en in beroep bij de rechtbank.
3. Algemene voorzieningen Artikel 3.1 Algemeen Een algemene voorziening is in de wet gedefinieerd als een aanbod van diensten of activiteiten die voor iedereen toegankelijk zijn, en die gericht zijn op het versterken van zelfredzaamheid, samenredzaamheid, participatie of opvang. Er gaat geen onderzoek aan vooraf naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers. Wel moeten de gebruikers tot de doelgroep behoren. De meeste algemene voorzieningen zijn gratis. Een Amsterdammer die volgens de gemeente voor zijn ondersteuning gebruik kan maken van een algemene voorziening, komt daarmee niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening.
Artikel 3.2
Voorzieningen sociale basis
De sociale basis is het fundament van het gemeentelijke stelsel voor zorg, ondersteuning en meedoen. In de sociale basis werken bewoners, vrijwilligers en professionals samen aan een breed, laagdrempelig en vrij toegankelijk aanbod van activiteiten en voorzieningen in de buurt. Het is de plek waar Amsterdammers elkaar vinden, ontmoeten en waar sociale cohesie ontstaat. Opzet van de sociale basis De gemeente faciliteert de sociale basis en kijkt daarbij wat de sociale opgave in het gebied is. De uitvoering van de sociale basis is gemandateerd aan de Dagelijks Besturen van stadsdelen en stadsgebied. Zij subsidiëren op hun beurt partners die activiteiten en voorzieningen in de sociale basis uitvoeren. Verder ligt de uitvoering van de sociale basis voor een belangrijk deel bij bewoners zelf. Vaak helpen en ondersteunen zij elkaar zonder enige bemoeienis vanuit de gemeente. Preventieve werking De sociale basis heeft een belangrijke preventieve werking. Amsterdammers met bijvoorbeeld gezondheidsproblemen komen via de sociale basis zo vroeg mogelijk in beeld. Zo kunnen problemen vroegtijdig worden opgelost of wordt voorkomen dat ze groter worden. Hiermee kan de sociale basis soms een voorliggende voorziening vormen en is zwaardere zorg en ondersteuning niet nodig.
28
Artikel 3.3 Dienstverlening door het buurtteam In elk stadsdeel en het stadsgebied Weesp zijn Buurtteams actief. Buurtteams bieden laagdrempelige en toegankelijke ondersteuning aan mensen met een (dreigende) beperking of mensen die moeite hebben met participatie of zelfredzaamheid. De ondersteuning kan individueel of gezamenlijk zijn en is gericht op: Het inzetten van de eigen kracht; Het structureren en uitvoeren van praktische activiteiten; Het aanleren van vaardigheden bij het regelen van het dagelijks leven; Het aanleren van vaardigheden bij het aangaan of onderhouden van sociale contacten en het versterken van het sociale netwerk van de cliënt; en/of Het aanleren van vaardigheden bij het participeren in de samenleving. De ondersteuning kan ook nodig zijn ter ontlasting van de mantelzorger als die dreigt overbelast te raken, of voor het signaleren van terugval of het voorkomen van escalatie. De Buurtteams zijn georganiseerd in buurtteamorganisaties die elk meerdere locaties hebben. De Amsterdammer kan zelf kiezen naar welk buurtteam hij gaat. Onderdeel a tot en met c Ondersteuning door het buurtteam kan bestaan uit informatie en advies. Bijvoorbeeld over activiteiten in de buurt, wonen, schulden, inkomen, werk of participatie. Het buurtteam werkt hiervoor nauw samen met de sociale basis en relevante organisaties.
Naast de Wmo ondersteuning valt ook het sociaal raadsliedenwerk en schuldhulp onder de dienstverlening van de buurtteams. Daarnaast biedt het buurtteam de algemene voorziening Ondersteuning door het buurtteam. Die is gericht op: Het bereiken en behouden van grip op het dagelijks leven en op het persoonlijk functioneren; Het opbouwen en onderhouden van een sociaal netwerk; en Deelname aan het maatschappelijk leven. Voor mensen die dit zelf niet kunnen of niet zelf kunnen (laten) regelen. Denk aan ondersteuning bij de administratie, woonbegeleiding of het indelen van de dag of bij het initiëren van deelname aan buurtactiviteiten, vrijwilligerswerk of dag invulling. De ondersteuning door het buurtteam wordt geboden aan zelfstandig wonende Amsterdammers en kan zowel kortdurend als langdurig en in meer of mindere mate intensief geboden worden en kan zowel op individuele basis als in groepsverband plaatsvinden. Als ondersteuning door het buurtteam langer duurt dan 3 maanden, is een plan van aanpak verplicht, dit kan in de vorm van een ondersteuningsplan. Als de ondersteuning korter dan 3 maanden is, wordt een verslag van de afspraken en een eventuele vraagverheldering gemaakt. De ondersteuning kan, afhankelijk van de situatie van de Amsterdammer, zowel worden geboden op de locatie van het buurtteam als bij de Amsterdammer thuis.
Onderdeel d Indien meer nodig is dan de buurtteams zelf kunnen bieden, dan hebben zij een belangrijke rol in het toegangsproces voor bepaalde maatwerkvoorzieningen. Deze rol is per maatwerkvoorziening beschreven in hoofdstuk 4. In het algemeen kunnen de sociale basis en de voorzieningen daarbinnen worden gezien als voorliggende voorziening. Maar ook de dienstverlening door het buurtteam zelf vormt in feite de mogelijke voorliggende voorziening op de verstrekking van verdergaande voorzieningen die de gemeente kan bieden. 29
Artikel 3.4 Woningaanpassing Een woningaanpassing is een kleine aanpassing aan de woning waarvoor geen bouwtechnische ingrepen nodig zijn. Zoals het verwijderen van een eenvoudige drempel of het aanbrengen van een douchezitje. Als de kleine woningaanpassing deel uitmaakt van een grotere woningaanpassing, dan valt hij onder de maatwerkvoorziening die staat in artikel 4.7. Als de ondersteuningsvraag met een algemeen gebruikelijke voorziening is op te lossen, zoals met een losse douchestoel, wordt er geen kleine woningaanpassing verstrekt.
Artikel 3.5 Kortdurende opvang, passantenpension en noodopvang dakloze gezinnen Lid 1 en 2 Kortdurende opvang zoals beschreven in lid 1 is bedoeld voor mensen die dakloos zijn en waarbij sprake is van meervoudige problematiek waarvoor ondersteuning noodzakelijk is. Voor toegang tot kortdurende opvang wordt gekeken naar de binding met Amsterdam op basis van het convenant landelijke toegankelijkheid, waar Amsterdam partij bij is. Wanneer binding met Amsterdam ontbreekt, maar opvang wél noodzakelijk is, wordt de persoon (warm) overgedragen aan de gemeente waar dit perspectief ligt. Lid 2 regelt de kortdurende opvang van kwetsbare EU-burgers en ongedocumenteerden. Kortdurende opvang wordt in meerdere varianten geboden, zie de Nadere regels. Lid 3 Om dakloosheid aan te pakken, heeft Amsterdam buitenwettelijk begunstigend beleid. Dat betekent dat Amsterdam noodopvang, tijdelijke huisvesting en begeleiding biedt aan mensen die niet in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang vanuit de Wmo, omdat zij alleen niet zelfredzaam zijn op het gebied van huisvesting en niet zelf in hun onderdak kunnen voorzien. Het gaat hierbij zowel om volwassen alleenstaande personen als gezinnen met minderjarige kinderen met aantoonbare binding met Amsterdam. Deze opvang kent verschillende vormen, zie de Nadere regels.
Artikel 3.6 Waardering mantelzorgers Mantelzorgers die in Amsterdam wonen of die mantelzorgen voor een Amsterdammer met een beperking komen in aanmerking voor mantelzorgwaardering. Dit gebeurt jaarlijks op de Dag van de Mantelzorg. De Dagelijks Besturen van de stadsdelen organiseren die dag activiteiten voor mantelzorgers. Voor jonge mantelzorgers is er de Week van de jonge mantelzorger.
4. Maatwerkvoorzieningen In de Verordening moet staan op welke manier en op basis van welke criteria wordt bepaald of een maatwerkvoorziening nodig is. Daarvoor is dit hoofdstuk bedoeld. Artikel 4.1 geldt in alle gevallen. In de artikelen daarna staan per specifieke voorziening waar nodig nog aanvullende criteria. 30
Artikel 4.1 Criteria maatwerkvoorziening algemeen In dit artikel staan de uitgangspunten die een rol spelen bij de beoordeling of een maatwerkvoorziening moet worden toegekend. Noodzakelijk Noodzakelijk wil zeggen dat de persoon met beperkingen alleen met behulp van de voorziening zelfredzaam blijft en maatschappelijk kan participeren. De voorziening moet om die reden nodig zijn; niet gewenst of gemakkelijk. Bij het vaststellen van de noodzaak wordt gekeken naar de persoonskenmerken, de behoeften en de financiële mogelijkheden van de Amsterdammer. De noodzakelijkheid kan leiden tot een kortdurende of langdurige verstrekking. Woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen zijn een uitzondering. Die moeten langdurig noodzakelijk zijn. De grens wordt bepaald door de vraag: gaat de beperking over of is de beperking blijvend? Als de Amsterdammer een probleem heeft van acht of tien maanden, mag ervan worden uitgegaan dat geen sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt niet bij een Amsterdammer die terminaal ziek is. Als de levensverwachting bijvoorbeeld vier maanden is, is duidelijk dat het probleem blijvend is. Er wordt dan uitgegaan van langdurige noodzaak. Algemeen gebruikelijk Bij het onderzoek wordt ook gekeken of een ondersteuningsvraag kan worden opgelost met het kopen van een algemeen gebruikelijke voorziening. Zie artikel 1.1 onder a en de toelichting.
Soms is een algemeen gebruikelijke voorziening met aanpassingen een geschikte oplossing voor de ondersteuningsvraag. Dan kunnen vanuit de Wmo die aanpassingen worden vergoed. Dit is in overeenstemming met een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Voorzienbaarheid Als de Amsterdammer bewust een bepaalde keuze heeft gemaakt die vermijdbaar was, en die keuze heeft vervolgens geleid tot een concreet en duidelijk probleem, dan gaat de gemeente ervan uit dat de Amsterdammer hierop kon anticiperen. De aangevraagde voorziening kan dan worden afgewezen. Als de Amsterdammer een voorziening aanvraagt nadat deze gerealiseerd is, wordt deze afgewezen als de gemeente geen mogelijkheid meer heeft de noodzaak, adequaatheid en passendheid te beoordelen, en als de gemeente ook geen invloed meer heeft op de soort voorziening. Goedkoopst adequaat Als het college vaststelt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, zal het college kiezen voor de goedkoopst adequate voorziening. Daarmee wordt bedoeld ‘wat volgens objectieve maatstaven verantwoord en toereikend is’. Hiervan is sprake als een oplossing de beperkingen die de Amsterdammer op een bepaald gebied heeft, wegneemt of aanzienlijk vermindert. De oplossing kan een combinatie van voorzieningen zijn. De oplossing hoeft niet aan alle wensen van de Amsterdammer te voldoen. Hoe begrijpelijk deze wensen soms ook zijn.
Als meerdere voorzieningen adequaat zijn, wordt gekozen voor de goedkoopste voorziening. Gericht op de persoon met beperkingen Een maatwerkvoorziening is gericht op de persoon met beperkingen. Dit betekent dat er altijd 31
één individuele aanvrager is die de maatwerkvoorziening aanvraagt of voor wie de maatwerkvoorziening aangevraagd wordt. De maatwerkvoorziening moet voor deze persoon noodzakelijk zijn in het kader van de Wmo. Een maatwerkvoorziening kan gedeeld worden als twee of meer aanvragers hier individueel voor in aanmerking komen, bijvoorbeeld een traplift. In principe worden maatwerkvoorzieningen verstrekt die de aanvrager zelfstandig kan gebruiken. Als dat niet zo is, maar de voorziening is wel de enige adequate oplossing voor het probleem, dan kan deze voorziening bij uitzondering toch worden toegekend. Bij co-ouderschap, waarbij het kind voor wie de voorziening is bedoeld, wisselend bij beide ouders verblijft, wordt in principe maar één voorziening verstrekt. Van ouders wordt namelijk verwacht dat zij over dit soort roerende voorzieningen onderling afspraken maken. Bruikleen Maatwerkvoorzieningen kunnen in bruikleen worden verstrekt. In dat geval kan het college een bruikleenovereenkomst afsluiten met de cliënt. Uiteraard is deze mogelijkheid er niet voor een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening.
Artikel 4.2 Aanvullende criteria persoonsgebonden budget Het persoonsgebonden budget (pgb) is een volwaardig alternatief voor zorg in natura. Een toegekend pgb wordt na facturering van de uitgevoerde zorg aan de zorgverlener uitbetaald door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB voert ook de pgb-administratie voor de gemeente uit. Als een cliënt meerdere maatwerkvoorzieningen nodig heeft, is het mogelijk dat hij de ene voorziening in natura ontvangt en de andere voorziening met een pgb. Het is níet mogelijk om één maatwerkvoorziening deels in natura en deels in de vorm van een pgb te ontvangen. Lid 1 De motivatie en pgb-vaardigheid van de pgb-aanvrager en de doelmatigheid van het zorginhoudelijke voorstel worden getoetst. Dit gebeurt aan de hand van een pgb-plan dat de aanvrager moet invullen en een zorgplan dat de zorgverlener moet invullen. Beide documenten vormen onderdeel van het gesprek als bedoeld in hoofdstuk 2 van deze Verordening. Als er een pgb-vertegenwoordiger is, wordt de pgb-vaardigheid van die vertegenwoordiger getoetst. Wanneer de cliënt het pgb zelf beheert is daarbij hulp uit het sociale netwerk mogelijk, al kan dit niet worden gezien als vorm van vertegenwoordiging.
Een cliënt die door iemand uit zijn sociale netwerk wordt geholpen bij het beheren van zijn pgb, moet op elk ogenblik zelf de verantwoordelijkheid kunnen dragen en regie kunnen voeren over het pgb. Dit betekent dat de cliënt een sturende rol heeft, in staat is om te overzien wanneer er actie moet worden ondernomen op het pgb-beheer en tijdig de nodige hulp inschakelt. De persoon uit het sociale netwerk moet beschikbaar zijn en in staat zijn om adequaat hulp te bieden. Als de cliënt het budgetbeheer door een pgb-vertegenwoordiger laat uitvoeren, mag deze niet ook de zorgverlener van de cliënt zijn, tenzij hiervoor door de gemeente toestemming is gegeven. Er is sprake van professionele hulp als de werkzaamheden beroepsmatig uitgevoerd worden en de zorgverlener ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel. De omschrijving van de bedrijfsactiviteiten van de onderneming moet aansluiten bij de te leveren diensten voor het pgb.
32
Er gelden kwaliteitseisen voor de zorgverlener. Die eisen zijn afgeleid van de wettelijke kwaliteitseisen die gelden voor zorgaanbieders met een contract voor zorg in natura. Deze kwaliteitseisen zijn uitgewerkt in het pgb-kwaliteitskader en gelden zowel voor professionele als informele zorgverleners. De cliënt moet zich ervan verzekeren dat zijn pgb-zorgverlener aan de kwaliteitseisen voldoet. De kwaliteitseisen staan in bijlage 5. Lid 2 en 3 De gemeente weigert een cliënt een pgb als de gemeente in de drie jaar voor de aanvraag een beslissing om een maatwerkvoorziening of een pgb te verstrekken heeft herzien of ingetrokken. Dit kan zijn gebeurd omdat de cliënt toen onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt (artikel 2.3.10, onderdeel a Wmo 2015), niet voldeed aan de voorwaarden (artikel 2.3.10, onderdeel d Wmo 2015) of de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikte (artikel 2.3.10, onderdeel e Wmo 2015). Het pgb moet worden gebruikt voor het inkopen van zorg of ondersteuning. De cliënt mag het pgb niet gebruiken voor andere kosten, zoals reiskosten, bemiddelingskosten en telefoonkosten. Met de uitsluitingen in dit artikel volgt Amsterdam de beperkingen voor het pgb in de Wmo 2015.
Daar heeft Amsterdam de bepaling artikel 4.2 tweede lid onder c in de Verordening aan toegevoegd; dit ziet toe op de situatie van het collectief vervoer, een auto, een autobus of een gesloten buitenwagen, de opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld en beschermd verblijf. Als voor aanvullend openbaar vervoer (AOV) ook een pgb mogelijk zou zijn, zou de financiering zo duur worden dat het een onaanvaardbaar financieel risico voor de gemeente zou opleveren. Dit is ook in de rechtspraak geaccepteerd. Dit geldt ook voor vervoersmiddelen als een auto, autobus of gesloten buitenwagen. Dat zijn dure voorzieningen die bij zorg in natura door de gemeente worden geleased. Hierdoor zou een pgb waarmee de cliënt zelf een vergelijkbare voorziening kan kopen altijd hoger zijn dan de gemeentelijke uitgave in natura. Het kostenaspect geldt ook voor de opvang van slachtoffers van huiselijk geweld. Beschermd verblijf is uitgesloten van pgb vanwege de noodzaak van 24-uurs toezicht en bescherming. Voor de voorzieningen Hulp bij het huishouden (Hbh) OGGZ en bijzondere schoonmaak geldt dat deze vaak worden verstrekt aan personen met een psychische beperking en problemen op meerdere leefgebieden, waarover onvoldoende regie op het pgb kan worden gevoerd. Het zijn bovendien zorgproducten die niet op de reguliere markt te krijgen zijn.
Daarnaast moet de zorgverlener specifieke competenties hebben om de taken en werkzaamheden uit te kunnen voeren. Met name het actief kunnen signaleren van problemen en veranderingen, of het motiveren van de cliënt om mee te helpen. Een pgb is hierbij niet passend. Dit geldt ook bij dagbesteding voor de resultaatgebieden Inloop en Meewerken-plus. Een pgb past niet goed bij het karakter van deze resultaatgebieden. Lid 4 In dit lid staan regels voor periodieke betalingen aan de zorgverlener, ook wel maandloon genoemd. Als een cliënt een zorgovereenkomst afsluit met een professionele zorgverlener, is de mogelijkheid voor periodieke betalingen, of automatische maandloonbetalingen, uitgesloten. Deze betalingen kunnen worden gedaan op declaratiebasis van de gewerkte uren. Hiermee beoogt het college doelmatigheid en voorkomt het oneigenlijk gebruik van het pgb. Lid 5 Een gemeente kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten van adequate ondersteuning in natura. Dit staat in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39). Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om 33
differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Amsterdam hanteert dan ook verschillende tarieven voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende type zorgverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen professionele ondersteuning, waarbij wordt gewerkt volgens kwaliteitsstandaarden, en niet-professionele ondersteuning. In een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 mei 2017 heeft de rechter in een zaak van de gemeente Emmen bepaald dat essentialia van het voorzieningenpakket in de verordening moeten worden vastgelegd. Hieronder valt ook de tariefdifferentiatie van het pgb. De gemeente Amsterdam heeft in april 2017 opdracht gegeven aan onderzoeksbureau KPMG om objectief en onafhankelijk advies uit te brengen over passende en goed onderbouwde pgbtarieven voor hulp bij het huishouden, aanvullende individuele ondersteuning, dagbesteding en logeeropvang. Dit onderzoek getiteld ‘Doorontwikkeling Pgb-tarieven Wmo-voorzieningen’ is op 8 juni 2017 gepubliceerd. De pgb-tarieven voor deze voorzieningen zijn op dit onderzoek gebaseerd.
Voor aanvullende individuele ondersteuning, begeleid thuis, dagbesteding en logeeropvang zijn de tarieven afgeleid van de vastgestelde tarieven die gelden voor de maatwerkvoorziening in natura, minus een afslagpercentage voor kostencomponenten die slechts deels van toepassing zijn op de pgb-tarieven. De omvang van het persoonsgebonden budget voor aanvullende individuele ondersteuning en begeleid thuis worden bepaald op basis van maatwerk. Daarbij maakt het indicatieadviesorgaan een afweging, rekening houdend met de omstandigheden van de Amsterdammer. Denk aan de mogelijkheden tot de inzet van eigen kracht en inzet vanuit het netwerk. De ondersteuning wordt niet zwaarder of langer ingezet dan nodig is en de intensiteit van de ondersteuning kan periodiek worden bijgesteld. Het pgb voor hulp bij het huishouden wordt berekend via een puntensysteem. De basis voor het aantal punten dat wordt toegekend wordt gevormd door het ondersteuningsplan met afsprakenoverzicht (zie bijlage 2 van de Nadere regels). Het aantal vastgestelde punten maal het per punt geldende tarief bepaalt het budget. Aan de hand van de Maatstaf voor hulp bij het huishouden worden aan de activiteiten en de frequentie ervan punten toegekend. Op basis van het aantal punten per jaar wordt de hoogte van het budget per week bepaald. Bij het bepalen van het tarief per punt is uitgegaan van het pgb-tarief per uur.
Het pgb-uurtarief en het tarief per punt zijn hierdoor automatisch aan elkaar gekoppeld. Voor woonvoorzieningen is bij de berekening van de kosten van een woonruimteaanpassingen het uitrustingsniveau van een sociale huurwoning bepalend. Bij logeeropvang kan het pgb gebruikt worden om te logeren bij een professionele aanbieder van logeeropvang, bijvoorbeeld een instelling of logeerhuis. Lid 6 Aan cliënten in een gezamenlijk wooninitiatief kan een toeslag worden toegekend. Voor de bestedingsmogelijkheden van deze toeslag wordt aangesloten bij de mogelijkheden die de gelijksoortige toeslag op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) biedt. In de Nadere regels staan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor deze toeslag. Lid 7 Het niet-professionele pgb-tarief is vastgesteld op basis van een benchmark met diverse andere grote gemeenten, en kent een minimumvakantiebijslag. Daarnaast houdt het tarief rekening met wat door de CrvB als redelijk wordt geacht, volgens de uitspraak van 16 augustus 2023.
34
Lid 8 Een pgb-cliënt kan een persoon uit het sociaal netwerk inzetten onder de voorwaarden die in lid 8 staan.
Artikel 4.3 Aanvullende criteria voor aanvullende individuele ondersteuning Aanvullende individuele ondersteuning (AIO) kan worden ingezet als uit de afweging van het buurtteam zoals bedoeld in artikel 3.3 lid 4 duidelijk wordt dat dit de meest passende wijze van ondersteuning is. Zoals bij Amsterdammers met zwaardere problematiek als gevolg van één van de volgende beperkingen, of een combinatie daarvan: 1. Niet-Aangeboren Hersenletsel (NAH); 2. Licht Verstandelijke Beperking (LVB); 3. Autisme; 4. Auditieve beperking; 5. Visuele beperking. Aanvullende individuele ondersteuning AIO is niet bedoeld voor Amsterdammers met een meervoudig complexe en intensieve zorgvraag op het gebied van psychiatrie, psychosociaal (bijv. voormalig dakloosheid), verslaving, een (licht) verstandelijke beperking of forensische achtergrond. Hiervoor is er Begeleid Thuis (zonder wooncomponent). Zie artikel 4.5.
Artikel 4.4 Aanvullende criteria voor dagbesteding Dagbesteding biedt zingeving, activiteiten en sociaal verkeer en ondersteunt de cliënt bij het bevorderen en behouden van zelfredzaamheid. Dagbesteding wordt aangeboden in een groep en is gericht op het hebben van contacten met meerdere personen. Daarbij wordt ook specifiek gekeken naar de samenstelling van de groep en de omgeving waarin de dagbesteding plaatsvindt. Tijdens de dagbesteding kan er ook begeleiding zijn bij persoonlijke verzorging of communicatie. Als de cliënt vanwege beperkingen niet zelfstandig naar dagbesteding kan komen, moet hij voor zijn vervoer eerst een beroep doen op zijn sociaal netwerk of op andere informele oplossingen. Als dit niet mogelijk is, dan bespreekt hij mogelijke vervoersalternatieven met de zorgaanbieder. Die zal vanuit gemaakte afspraken met de gemeente een passende vervoersoplossing bieden. Bij een pgb worden voorliggende voorzieningen voor vervoer ook in overweging genomen. Als deze onvoldoende toereikend zijn kan de cliënt een indicatie krijgen voor een financiële tegemoetkoming voor vervoer van- en naar dagbesteding. Bij dagbesteding horen 4 te bereiken resultaten. Deze resultaten hebben een logische opbouw in de mate van prestaties die de cliënt kan leveren. De resultaten staan in de Nadere regels bij deze Verordening.
35
Artikel 4.5 Begeleid thuis, beschermd verblijf en ondersteuning voor slachtoffers bij huiselijk geweld
Lid 1 Begeleid Thuis is voor Amsterdammers die niet of beperkt zelfredzaam zijn op meerdere leefgebieden. Dit blijkt uit het onderzoek dat wordt gedaan, zoals de Amsterdamse maatwerkmethode of de zelfredzaamheidsmatrix. Het onderzoek levert ondersteuningsvragen op bij psychosociale, psychiatrische of verslavingsproblematiek, of een licht verstandelijke beperking of een combinatie van een of meer van deze. Psychosociale problematiek gaat over onder andere klachten die veroorzaakt worden door sociale problemen zoals bijvoorbeeld sociaal isolement, ingrijpende gebeurtenissen zoals het verliezen van werk, oplopende schulden, en dergelijke. Amsterdammers die in aanmerking komen voor begeleid thuis hebben complexe meervoudige problematiek, maar kunnen met intensieve specialistische ondersteuning zelfstandig wonen. Zonder deze ondersteuning cliënten niet zelfstandig wonen. Begeleid Thuis is er met of zonder wooncomponent. Begeleid Thuis zonder wooncomponent is voor Amsterdammers die een eigen woonplek hebben, maar zonder Begeleid Thuis het niet redden. Het besluit over de toekenning van Begeleid thuis wordt genomen door de gemeente op advies van het Buurtteam. Zie voor het verschil tussen Begeleid thuis en de maatwerkvoorziening Aanvullende individuele ondersteuning de toelichting bij artikel 4.3 van de Verordening.
Lid 2 Bij Begeleid Thuis met wooncomponent krijgt de cliënt Begeleid Thuis in een woning die op naam staat van de zorgaanbieder. Daarvoor is een woonurgentie op basis van de Huisvestingsverordening onder voorwaarden verplicht. Een belangrijke voorwaarde is dat cliënt openstaat voor begeleiding en zich als goed huurder gedraagt. Lid 3 Beschermd Verblijf is voor Amsterdammers die weinig zelfredzaam zijn en niet in staat zijn om zelfstandig te wonen en die (tijdelijk) 24-uurs ondersteuning nodig hebben. Bij Beschermd Verblijf wordt de cliënt intensief begeleid door een professional. De ondersteuning is gericht op herstel, op het vergroten van de zelfredzaamheid, het voorkomen en oplossen van crisissituaties en waar het kan toewerken naar zelfstandiger wonen. Lid 4 Voor slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling is het uitgangspunt dat, als de thuissituatie niet veilig is, zij opvang krijgen in de regio waar zij wonen. Opvang in de eigen centrumgemeente is wenselijk omdat slachtoffers (en eventuele kinderen) dan in de eigen vertrouwde omgeving kunnen blijven waar zij mensen kennen die zij om hulp of ondersteuning kunnen vragen. Er kunnen echter voor de veiligheid om voor opvang buiten de eigen centrumgemeente te kiezen.
36
Opvang via een noodbed, maximaal 3 dagen, is voor volwassenen en hun eventuele kinderen die door een plotseling onveilige situatie niet thuis kunnen blijven. Crisisopvang, 6 tot 9 weken, is voor volwassenen en hun eventuele kinderen als de thuissituatie blijvend onveilig is. Als het nodig is kan er na de crisisopvang nog begeleid thuis worden geboden. Als bij huiselijk geweld en kindermishandeling blijkt dat hulp op een andere manier dan in de vorm van opvang mogelijk is, dan wordt ambulante hulp ingezet. Hierbij blijven slachtoffers thuis en krijgen zij hulp aan huis.
Artikel 4.6 Aanvullende criteria voor logeeropvang Logeeropvang is bedoeld voor Amsterdammers die aangewezen zijn op zorg met intensief toezicht. Deze opvang vindt plaats in een huiselijke, veilige omgeving bij een professionele aanbieder met 24-uurs toezicht. Bij het toekennen wordt eerst gekeken of het installeren van bijvoorbeeld domotica hulpmiddelen kan helpen. Met alarmering of video op afstand kan de mantelzorger misschien even weggaan terwijl de Amsterdammer alleen thuisblijft. Logeeropvang kan een aangesloten periode zijn, bijvoorbeeld als de mantelzorger op vakantie gaat. Maar het kan ook terugkerend enkele dagen plaatsvinden. Daarbij geldt een maximum van 3 etmalen per week. In totaal geldt er een maximum van 36 etmalen per cliënt per jaar. Resultaten Met logeeropvang worden de volgende drie resultaten beoogd, waarbij de eerste twee altijd aan de orde zijn: 1. Het bieden van veilige logeeropvang in een huiselijke omgeving, om overbelasting van mantelzorger(s) te voorkomen of verminderen Binnen dit resultaat wordt de zorg van de mantelzorger tijdelijk overgenomen door een professionele zorgaanbieder. De mantelzorger wordt hierdoor ontlast en kan iets voor zichzelf doen. Zo kan hij zijn mantelzorgtaken langer volhouden. 2.
Waarborging van primaire en dagelijkse levensbehoeften voor de cliënt Binnen dit resultaat wordt tijdens de opvang ondersteuning gegeven bij het uitvoeren en structureren van dagelijkse praktische vaardigheden. Zo nodig worden er dagactiviteiten en begeleiding op maat geboden. Daarnaast kan er persoonlijke zorg en verpleging vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) zijn, en aanvullende individuele ondersteuning of dagbesteding vanuit de Wmo. De inzet hiervan tijdens het logeren verschilt per cliënt en de mogelijkheden van het logeeradres. 3. Het bieden van logeeropvang in onverwachte situaties De gemeente kan in onverwachte situaties logeeropvang bieden, bijvoorbeeld wanneer een mantelzorger plotseling wegvalt en de Amsterdammer hierdoor tijdelijk niet zelfstandig thuis kan wonen. De gemeente biedt geen logeeropvang als: de cliënt moet worden opgenomen en dat een medische aanleiding heeft (dan is er sprake van eerstelijnsverblijf (ELV) vanuit de Zvw); de cliënt al zorg krijgt vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz); de cliënt een niet-verzilverde Wlz-indicatie heeft. Logeeropvang in relatie tot andere voorzieningen Om de mantelzorger te ontlasten, kan er naast logeeropvang soms ook een beroep worden gedaan op aanvullende individuele ondersteuning, begeleid thuis en dagbesteding. Hierbij is 37
het uitgangspunt dat de voorkeur uitgaat naar de voorziening die het beste past bij de situatie van de cliënt en diens mantelzorger.
Artikel 4.7 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen Lid 1 Onderdeel a Amsterdammers krijgen woonvoorzieningen om beperkingen bij het normale gebruik van de woning weg te nemen of aanzienlijk te verminderen. Met het normale gebruik van de woonruimte worden bedoeld de activiteiten die de bewoner in zijn woning in elk geval verricht, bijvoorbeeld koken, en schoonmaken. Onderdeel c Uitzondering op woonvoorzieningen zoals genoemd in Lid 1 onderdeel a is de uitraaskamer. Deze voorziening is bedoeld om personen met een specifieke beperking tot rust te brengen. Een uitraaskamerkan bijvoorbeeld nodig zijn voor kinderen met onbeheersbaar en oncontroleerbaar gedrag waarbij normale oppas- en zorgmaatregelen die van ouders of verzorgers verwacht mogen worden niet voldoende bescherming bieden. De uitraaskamer is niet bedoeld om overlast voor huisgenoten en omwonenden te beperken. Lid 2 Bij woonruimteaanpassingen beoordeelt het indicatiebureau welke aanpassingen noodzakelijk zijn om de hele woning voor lange tijd geschikt te maken. Ook kijkt het indicatiebureau of de aanpassingen technisch uitvoerbaar zijn. Bewoners van sloopwoningen en kraakpanden krijgen alleen simpele, losse, her te gebruiken woonvoorzieningen, omdat deze woningen nog maar kort bewoond blijven.
Bij een onzelfstandige woonruimte kan de Amsterdammer alleen een woonvoorzieningen krijgen als de woonruimte deel uitmaakt van een woongebouw of een woning, die geheel of gedeeltelijk wordt verhuurd voor groepswonen door ouderen, personen met beperkingen of een daarmee vergelijkbare woonvorm. De bewoners hebben hiervoor een individueel huurcontract nodig of moeten (mede)eigenaar zijn. Voor woongebouwen die specifiek zijn gericht op ouderen en cliënten met een beperking, zijn voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder extra kosten kunnen worden meegenomen uitgesloten. Verhuizen naar een geschikte woonruimte heeft voorrang boven woonruimteaanpassingen, als de kosten van de aanpassingen hoger zijn dan het in het Financieel besluit artikel 4 vastgelegde bedrag. Lid 4 Voor het logeerbaar maken van een woning bepaalt het college of 1 keer een woonruimte wordt aangepast waar een persoon met beperkingen die zijn hoofdverblijf heeft in een Wlzinstelling, vaak verblijft. Het gaat dan vaak om het bezoekbaar maken van een woonruimte: door het toegankelijk maken van de entree, de woonkamer en het toilet. De belanghebbende heeft in de woonruimte niet zijn hoofdverblijf, waardoor maar een beperkte aanpassing plaatsvindt. Voor kinderen die in een Wlz-instelling verblijven en die in het weekend en tijdens de 38
vakanties voor een langere periode in het ouderlijk huis verblijven kan dit logeerbaar gemaakt worden. Als de ouders van het kind niet bij elkaar wonen kan ook de tweede woning logeerbaar worden gemaakt. Denk bijvoorbeeld aan kinderen die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft bij de andere ouder. Dit geldt alleen voor woningen in Amsterdam. Voor roerende woonvoorzieningen krijgen co-ouders maar 1 voorziening waarover ouders onderling afspraken maken. Lid 5 Bereikbaar houdt in dat de persoon met beperkingen zonder hulp vanaf de straat de toegangsdeur van de woonruimte kan bereiken. Toegankelijk betekent dat de persoon met beperkingen zonder hulp in de woonruimte kan komen. Bruikbaar houdt in dat de persoon met beperkingen zelfstandig alle in de woonruimte gebruikelijke activiteiten kan doen, zonder last te hebben van de manier waarop de woning is gebouwd. Er moet een rechtstreeks verband zijn tussen de ondervonden (naar objectieve maatstaf aanwezige) beperkingen, en 1 of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de woning. De problemen moeten in of bij de woning zelf ervaren worden. Geluids- of geuroverlast, problemen met buren, onveiligheidsgevoelens, allergie door omgevingsfactoren of beperken van overlast voor derden zijn geen redenen voor verstrekking van een woonvoorziening.
Artikel 4.8 Aanvullende criteria voor hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden is het geheel of gedeeltelijk overnemen van huishoudelijke activiteiten in verband met beperkingen die leiden of die dreigen te leiden tot het disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van de persoon met beperkingen dan wel van de leefeenheid waartoe hij behoort. Hulp bij het huishouden wordt toegekend voor het hoofdverblijf in Amsterdam. Hulp bij het huishouden kan ook worden geboden aan de Amsterdammer als zijn mantelzorger overbelast dreigt te raken. Om de zelfredzaamheid van de Amsterdammer te bevorderen kan advies, instructie en voorlichting worden geboden. Onderdeel van advies, instructie en voorlichting is de activering en ondersteuning van de Amsterdammer en zijn netwerk. Zo nodig wordt de Amsterdammer ook ondersteund bij de dagelijkse organisatie van het huishouden. De mate van zelfredzaamheid van de Amsterdammer wordt onderzocht en gestimuleerd. Vervolgens wordt gekeken welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is. Eigen kracht Ter versterking van de zelfredzaamheid van de Amsterdammer wordt allereerst gekeken naar de mogelijkheden en vaardigheden van de Amsterdammer zelf om het huishouden op eigen kracht te organiseren en uit te voeren.
Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan: het aanschaffen van algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals een uitschuifbare ramenlapper, een wringmechanisme voor een dweil of strijkvrije kleding, een strijkservice, het anders organiseren van de boodschappen of de maaltijden. Een droger of afwasmachine hoeft niet verplicht aangeschaft te worden. Maar als deze aanwezig zijn, is het gebruik ervan voorliggend op de inzet van hulp bij het huishouden. 39
Het vergroten van de inzet van het eigen sociale netwerk Gebruikelijke hulp Bij het eigen sociaal netwerk gaat het allereerst om de zogenoemde gebruikelijke hulp. De gemeente gaat ervan uit dat volwassen huisgenoten een bijdrage leveren aan het huishouden. Daarbij wordt rekening gehouden met de belastbaarheid van de volwassen huisgenoot. Huisgenoten van 18 tot en met 22 jaar gelden als volwassen huisgenoten en kunnen een eenpersoonshuishouden voeren. Taken die bij een eenpersoonshuishouden horen zijn: schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en een kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Huisgenoten vanaf 23 jaar kunnen alle huishoudelijke taken volledig overnemen. Er wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Gebruikelijke hulp en werk Als gebruikelijke hulp geleverd wordt door (fulltime) werkenden, wordt met het werk en daarmee samenhangende drukte ten aanzien van huishoudelijke taken geen rekening gehouden. Stofzuigen of de badkamer schoonmaken kan immers ook in het weekend of vrije tijd verricht worden door werkenden in het kader van gebruikelijke hulp.
Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn personen die op grond van hun beroep langdurig van huis moeten zijn zoals zeevarenden of (internationale) vrachtwagenchauffeurs en daarmee vergelijkbare beroepen. Kamerverhuur (op basis van een huurovereenkomst) Als er sprake is van kamerverhuur op basis van een huurovereenkomst, wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot het huishouden gerekend. Van huurders mag niet verwacht worden dat zij de huishoudelijke taken overnemen; er is bijvoorbeeld geen sprake van familiebanden. Als mensen zelfstandig samenwonen op een adres en gemeenschappelijke ruimten delen, wordt verondersteld dat het aandeel in het schoonmaken van die ruimten bij uitval van een van de leden wordt overgenomen door de andere leden van een leefeenheid. Overig sociaal netwerk Naast de gebruikelijke hulp wordt ook gekeken naar het overig sociaal netwerk van de Amsterdammer. Het sociaal netwerk bestaat bijvoorbeeld uit vrienden, kennissen of buren die op basis van vrijwilligheid of wederkerigheid, ondersteuning kunnen bieden op gebied van het huishouden. Hierbij kan gedacht worden aan vrienden die maaltijden verzorgen of buren die boodschappen meenemen of het afval aan de straat zetten of in de container doen.
Een beroep doen op andere wetgeving De Zorgverzekeringswet (Zvw) kan voorliggend zijn als behandeling of medicatie kan leiden tot verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden). Voor Amsterdammers die een indicatie hebben of kunnen krijgen voor zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz), geldt dat de Wlz voorliggend is op de Wmo.
40
Het gebruik maken van voorzieningen in de sociale basis en algemene voorzieningen in de wijk Hulp bij het huishouden wordt pas verstrekt als er geen alternatieve basis- of algemene voorzieningen in de wijk of buurt voorhanden zijn. Zo zijn er bijvoorbeeld eettafels, het doen van boodschappen of het verzorgen van een maaltijd voorliggende activiteiten op ondersteuning voor boodschappen of maaltijden vanuit de Wmo. De voorziening hulp bij huishouden Onder de voorziening hulp bij het huishouden valt de structurele schoonmaak van de belangrijkste ruimtes in de woning. Per huishouden worden alleen de huiskamer, de als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimte(s), sanitaire ruimten (max. 1 badkamer en 2 toiletten), de keuken en de hal structureel schoongemaakt. Als een trap aanwezig is dan hoort deze bij de hal. Overige en niet in gebruik zijnde ruimtes worden incidenteel of niet schoongemaakt. Het type woning, de grootte van de woning of het aantal inwoners van de woning heeft geen invloed op het aantal te behalen resultaten binnen het huishouden. De grootte van de woning en het aantal bewoners kan wel invloed hebben op de frequentie van ondersteuning. Huisdieren kunnen invloed hebben op de tijdsbesteding van schoonmaak, maar hebben geen invloed op de frequentie van de huishoudelijke ondersteuning.
Een uitzondering hierop is de hulphond; deze kan zowel invloed hebben op de tijdsbesteding als op de frequentie van huishoudelijke ondersteuning. Het schoonhouden of schoonmaken van de buitenkant van het huis, zoals het ramen lappen aan de buitenkant, maakt geen deel uit van hulp bij het huishouden. Ook het onderhouden van de tuin, het uitlaten van huisdieren en overige activiteiten buiten het huis, vallen buiten de reikwijdte van hulp bij het huishouden. Dit is ook van toepassing op hand- en spandiensten zoals het vervangen van een lamp of ophangen van een plank. Van de Amsterdammer wordt medewerking gevraagd om de ondersteuning zo efficiënt mogelijk te kunnen organiseren. Dit betekent dat van de Amsterdammer wordt verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt bijvoorbeeld aan het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning. Ook wordt van de Amsterdammer gevraagd om binnen zijn mogelijkheden werkzaamheden te (blijven) uitvoeren en in ieder geval de woning op te ruimen, zodat het schoonmaken efficiënter gebeurt. Het schoonmaken van verzamelingen valt niet onder hulp bij het huishouden. Als de Amsterdammer regie kan voeren over het huishouden, mag van hem tevens worden verwacht dat werkzaamheden worden geprioriteerd en keuzes worden gemaakt.
Voor informatie over het verschil tussen Hulp bij het huishouden en de maatwerkvoorziening Aanvullende individuele ondersteuning zie de toelichting van artikel 4.3
Artikel 4.9 Aanvullende criteria voor vervoersvoorziening Lid 1 Een cliënt kan mogelijk een vervoersvoorziening krijgen als hij vanwege aantoonbare beperkingen onvoldoende gebruik kan maken van het openbaar vervoer. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als het openbaar vervoer niet voldoende bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar is. Als eerste vervoersvoorziening is er dan het collectief vervoer, in Amsterdam aanvullend openbaar vervoer (AOV) genoemd. Dit is een vervoerssysteem waarbij de cliënt wordt 41
opgehaald en weggebracht. De cliënt moet een vervoerspasje van de gemeente hebben en hij moet de rit van tevoren boeken. De cliënt wordt zittend vervoerd. Lid 2 Soms is het collectief vervoer niet passend of adequaat. Dan kan er een individuele vervoersvoorzieningen worden toegekend, zoals een scootmobiel. De individuele vervoersvoorziening kan ook in combinatie met collectief vervoer worden toegekend. Wanneer is het collectief vervoer niet passend of adequaat: Als de cliënt vanwege zijn beperkingen niet met het collectief vervoer kan reizen; Als de cliënt een zeer frequente en onplanbare vervoersbehoefte heeft, die met het collectief vervoer niet mogelijk is; Als het gaat om een cliënt met meereizende kinderen (onder de 12 jaar) en de cliënt niet in staat is toezicht/ begeleiding te bieden aan de kinderen, en er ook geen reisgenoot is die dit kan bieden. Lid 3 De directe woon- of leefomgeving is de wijk of het stadsdeel waarin de cliënt woont. Sociale bestemmingen buiten het eigen stadsdeel, maar binnen Amsterdam kunnen ook in de directe woon- of leefomgeving vallen, als: deze bestemmingen dichterbij niet voorkomen, en deze bestemming voor de cliënt aantoonbaar van belang zijn voor het leven van alledag. Vervoer naar nog verder weggelegen bestemmingen valt onder verantwoordelijkheid van het Rijk.
Lid 5 Uitgangspunt is dat de cliënt 1.500 kilometer kan reizen in zijn directe woon- en leefomgeving.
Artikel 4.10
Aanvullende criteria voor een rolstoelvoorziening
Het belangrijkste doel van de rolstoel is dat de Amsterdammer zich zittend kan verplaatsen, omdat lopend verplaatsen met een looprek, rollator, wandelstok of krukken voor langere tijd niet of onvoldoende mogelijk is. De rolstoel kan handbewogen of elektrisch zijn en is bedoeld voor gebruik binnen en buiten de woning.
5. Tegemoetkomingen
Artikel 5.1 Financiële tegemoetkoming De Centrale Raad van Beroep heeft in 2018 bepaald dat de Wmo 2015 de mogelijkheid biedt om ondersteuning in de vorm van een financiële tegemoetkoming te verstrekken. Dat is in dit artikel geregeld.
42
De financiële tegemoetkoming voor kosten van een verhuizing is een Amsterdamse regeling, en is ook bestemd voor de inrichtingskosten. Het bedrag dat per jaar wordt verstrekt voor vervoer naar dagbesteding wordt berekend aan de hand van het bedrag per etmaal vermenigvuldigd met het aantal dagen dat de dagbestedingslocatie wordt bezocht maal 52 weken.
Artikel 5.2 Financiële tegemoetkoming meerkosten De Wmo 2015 kent de mogelijkheid van een financiële tegemoetkoming in de meerkosten en dat wordt met dit artikel geregeld. De financiële tegemoetkoming voor meerkosten voor een voorziening voor sportbeoefening kan ook een aanpassing aan een voorziening voor sportbeoefening betreffen. Het college kan naast de genoemde tegemoetkomingen meer tegemoetkomingen in nadere regels opnemen, en zal daarin tevens aangeven op welke wijze de afstemming met WPI plaatsvindt.
6. Bijdragen De wet schrijft voor dat, voor zover Amsterdam een bijdrage in de kosten wil vragen, dit gereguleerd wordt via de verordening. Bij de omslag naar eigen kracht hoort ook het vergroten van het kostenbewustzijn van de burger en financiële verantwoordelijkheid voor diegenen die dat kunnen betalen. Per 1 januari 2020 geldt in de wet een abonnementstarief. Dit is een vaste bijdrage per maand voor huishoudens zolang zij gebruikmaken van Wmo-voorzieningen of een persoonsgebonden budget ontvangen. Zowel de maatwerkvoorzieningen, persoonsgebonden budgetten als enkele algemene voorzieningen worden met deze wetswijziging onder het abonnementstarief gebracht. Via een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) krijgt de gemeente de mogelijkheid bepaalde vormen van vervoer uit te zonderen van het abonnementstarief. Amsterdam zondert het collectief vervoer uit en vraagt hiervoor een ritbijdrage. Het abonnementstarief geldt niet voor de intramurale voorzieningen opvang en beschermd wonen. Hier worden huisvesting en de meeste dagelijkse behoeften door een instelling geleverd. In de gemeente Amsterdam geldt het abonnementstarief voor hulp bij het huishouden, logeeropvang, woonruimteaanpassingen, roerende woonvoorzieningen, uitraasruimte, bruikleenauto, vervoersvoorzieningen en vervoerskostenvergoedingen. Voor enkele algemene voorzieningen wordt een aparte bijdrage gevraagd.
Benoemd wordt welke voorzieningen dit zijn. Voor de bijdrage kortdurende opvang zijn de overwegingen: het is een redelijk bedrag voor het gebodene; het is betaalbaar voor mensen met een uitkering; het is een bedrag dat niet belemmerend werkt voor doorstroom. Het is niet de bedoeling dat kortdurende opvang een eindstation is. Het is een tijdelijke oplossing, gericht op doorstroom van cliënten naar opvang of huisvesting die gericht is op vergroten van de zelfredzaamheid. De hoogte van de bijdrage in de kortdurende opvang is ook een instrument ter bevordering van de doorstroom naar andere vormen van opvang of een 43
eigen woning, waarvoor immers ook een eigen bijdrage respectievelijk huur voor moet worden betaald. Voor de bijdrage in de kosten voor noodopvang gezinnen zijn de overwegingen: het is een redelijk bedrag voor het gebodene; het is betaalbaar voor mensen met een uitkering; door de bijdrage in de kosten voor noodopvang wordt aan dakloze gezinnen een signaal afgegeven dat Amsterdam gezinnen opvangt in geval van nood, maar dat hier wel een inspanningsverplichting van de gezinnen tegenover staat om snel weer zonder hulp verder te kunnen. Voor voorzieningen sociale basis kan op wijkniveau een compensatie worden gevraagd voor gebruikskosten. De aanbieders van deze voorzieningen zijn vrij om te bepalen óf er een compensatie wordt gevraagd, met inachtneming van de genoemde voorwaarden. Voor het collectief vervoer geldt dat het OV-tarief in Amsterdam wordt vastgesteld door de Vervoerregio Amsterdam en te vinden is op www.vervoerregio.nl. Er geldt een korting van 10% op de ritbijdrage voor cliënten die buiten de drukke tijden reizen, dat wil zeggen tussen 18.00 uur en 01.00 uur (daltarief).
7. Toezicht en handhaving In het belang van de gemeente én in het belang van de cliënten zal de gemeente Amsterdam in de uitvoering de nodige aandacht moeten besteden aan het voorkomen van onterechte verstrekkingen door middel van goed onderzoek, en het waar mogelijk terugnemen of – vorderen als blijkt dat onverhoopt toch onterecht een voorziening is toegekend. Dit is ook een wettelijke verplichting. Daarnaast komt het voor dat cliënten zich ernstig misdragen tegen medewerkers van zorgaanbieders of oneigenlijk gebruik maken van verstrekte voorzieningen zoals vervoersvoorzieningen. Voor die gevallen is voorzien in de mogelijkheid van het nemen van al dan niet tijdelijke maatregelen. Uiteraard dient daarbij de ondersteuningsbehoefte betrokken te worden.
8. Kwaliteit en klachten Artikel 8.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Geen toelichting nodig. Artikel 8.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Geen toelichting nodig.
44
Artikel 8.3 Meldingsregeling calamiteit en geweld De aanbieder heeft op grond van de wet een meldingsplicht bij de gemeentelijke toezichthouder. Daarnaast zullen de meldingen over incidenten, calamiteiten en geweld ook in het kader van het contractmanagement onderwerp van gesprek zijn.
Artikel 8.4 Klachtregeling en medezeggenschap Aanbieders van voorzieningen moeten beschikken over een interne klachtenregeling. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de aanbieder om de cliënt te informeren over het bestaan van de klachten- en dispuutregeling. In de contracten met de aanbieder worden de eisen vastgelegd die van belang zijn om de klachtenregeling goed te kunnen laten functioneren. Aanbieders van maatwerkvoorzieningen in de vorm van dienstverlening, begeleid thuis, beschermd verblijf en opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld die rechts- persoon zijn, moeten beschikken over een regeling ten behoeve van de behartiging van de belangen van de cliënten van de aanbieder. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de aanbieder om de cliënt te informeren over het bestaan van de medezeggenschapsregeling. In de contracten met de aanbieder worden de eisen vastgelegd die van belang zijn om de medezeggenschap goed te kunnen laten functioneren. Deze medezeggenschap dient zoveel mogelijk aan te sluiten bij de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen. Het college kan besluiten dat een cliëntenraad bij een aanbieder niet hoeft te worden ingesteld. Dit zou het college bijvoorbeeld kunnen beslissen als er sprake is van een zeer kleine organisatie of een natuurlijke persoon en een samenwerking met een andere aanbieder op dit punt niet mogelijk is.
9. Beleidsparticipatie
Artikel 9.1 Beleidsparticipatie Dit artikel regelt dat het college de burgers van Amsterdam betrekt bij de totstandkoming van het Wmo-beleid. Dat past bij de aard van de wet en bij hoe het college en burgers samen invulling geven aan de doelen van de wet. Dit artikel biedt burgers de waarborgen voor een tijdige inspraak op de voornemens van de gemeente inzake het Wmo-beleid en verplicht het college om burgers in staat te stellen de inspraak effectief te kunnen vormgeven. Ook op grond van de Inspraakverordening 2003 geldt overigens de in dit artikel opgenomen verplichting, en die geldt als aanvulling op wat in deze verordening niet geregeld wordt.
45
10. Slotbepalingen
Artikel 10.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening. Afwijken kan enkel ten gunste, niet ten nadele van de aanvrager. Benadrukt wordt dat slechts in bijzondere gevallen gebruik gemaakt kan worden van de hardheidsclausule. Het college geeft bij toepassing van deze clausule duidelijk aan waarom van de verordening moet worden afgeweken.
Artikel 10.2 Indexering Deze bepaling maakt het mogelijk om de bedragen die gebaseerd zijn op deze verordening te indexeren. Of daarvoor bijvoorbeeld de consumentenprijsindex (cpi) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wordt genomen, of een andere index, kan per voorziening door het college worden bepaald.