2. Conceptbesluit nieuwe raadsverordening
Tekst van het document
Opmerkingen voor publicatie: Te publiceren in: Uiterlijk bekendmaken op: Niet eerder bekendmaken dan op: Consolideren op overheid.nl Gevolgen voor de werking van een andere regeling: Externe informatieve bijlage voor de leesbaarheid: Andere bijzonderheden:
Gemeenteblad 1 januari 2025 1 januari 2025 Ja Vaststellen van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2025 N.v.t. N.v.t.
Verordening van de raad van de gemeente Amsterdam houdende regels over de maatschappelijke ondersteuning (Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2025) De raad van de gemeente Amsterdam, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 november 2024, gelet op artikel2.1.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, besluit de volgende verordening vast te stellen: Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2025 Artikel I
Verordening 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 1.1.1 van de wet verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, die daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en die financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau; b. andere voorziening: voorziening op basis van een andere wet dan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; c. begeleid thuis: verstrekking in het kader van maatschappelijke opvang en beschermd wonen; d. beschermd verblijf: verstrekking in het kader van maatschappelijke opvang en beschermd wonen;
e. bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; f. cliënt: onder cliënt wordt in voorkomende gevallen ook verstaan degene die namens de cliënt als gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger bevoegdelijk optreedt; g. cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; h. gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders/verzorgers, inwonende kinderen of andere huisgenoten; i. logeerbaar maken: toegankelijk maken van de woonruimte en toegankelijk en bruikbaar maken van maximaal één woonkamer, één slaapkamer, één toilet en één douche; j. mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; k.
melding: verzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet, om onderzoek naar de behoefte van maatschappelijke ondersteuning; l. ondersteuningsplan: de weergave van de adviezen, verwijzingen en afspraken die in samenspraak met de cliënt en zijn mantelzorger zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding, alsmede de beoogde resultaten en de evaluatie daarvan; m. pgb vertegenwoordiger: een door de cliënt gemachtigde natuurlijke persoon of rechtspersoon dan wel een door de rechter benoemde wettelijk vertegenwoordiger die de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken op zich neemt; n. ritbijdrage: een door het college vast te stellen bedrag dat een persoon met beperkingen bijdraagt aan het gebruik van het Aanvullend Openbaar Vervoer; o. uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; p. verblijf: onderdak, in elk geval met een slaapplaats, al dan niet inclusief voeding, douche en eventueel andere diensten of faciliteiten; q. verslag: een weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet; r. voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee een vergelijkbaar adequaat resultaat wordt bereikt als met een voorziening op grond van de wet; s. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Artikel 1.2 Doelgroep van de verordening 1. Deze verordening richt zich op personen: a. die hun woonplaats hebben in Amsterdam; b. die hun zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie willen behouden of verbeteren; c. daar ondersteuning bij nodig hebben; d. die, al dan niet woonachtig in Amsterdam, als mantelzorger ondersteuning aan een Amsterdammer bieden.
2
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid richt de verordening zich wat betreft de maatwerkvoorzieningen opvang en beschermd wonen op ingezetenen van Nederland die in Amsterdam ondersteuning zoeken. 3. Wanneer de doelgroep te maken heeft met meervoudige domein overstijgende problematiek op het terrein van de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Participatiewet draagt het college zorg voor een goede afstemming van de ondersteuning.
2. Toegang Artikel 2.1 Melding en onderzoek 1. Een melding van een ondersteuningsbehoefte kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch worden gedaan. 2. Het college bevordert optimale toegankelijkheid voor alle ingezetenen die een melding willen doen van een ondersteuningsbehoefte. 3. De medewerker die de melding ontvangt, registreert en bevestigt de ontvangst van de melding en informeert de cliënt over de gang van zaken na de melding, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. De medewerker wijst de melder erop dat hij een persoonlijk plan kan inbrengen in het onderzoek. 4. De medewerker wijst degenen die zich met een ondersteuningsvraag melden erop dat zij zich bij het onderzoek desgewenst kunnen laten bijstaan door een cliëntondersteuner. 5. De medewerker zal naar aanleiding van de melding onderzoeken waar de behoefte aan ondersteuning van de cliënt en diens mantelzorger uit bestaat. 6. Als een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet nodig is, verschaft de cliënt of zijn vertegenwoordiger alle gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 7. Indien de cliënt en de ondersteuningsvraag genoegzaam bekend zijn kan de medewerker, in afwijking van het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een onderzoek. 8.
Bij het onderzoek wordt de cliënt geïnformeerd over de verschillende mogelijkheden van een maatwerkvoorziening: a. de keuze tussen een voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget en de gevolgen daarvan; b. de mogelijkheid om een voorziening in natura voor een hulpmiddel in bruikleen of eigendom te krijgen; c. de mogelijkheid van een financiële tegemoetkoming. 9. Het college kan de mogelijkheid instellen van een herbeoordeling van de melding als bedoeld in het vijfde lid door een andere medewerker voor de gevallen dat de cliënt en de medewerker niet tot overeenstemming komen. 10. Het college kan bij het onderzoek naar de ondersteuningsvraag van de cliënt een casemanager betrekken indien vanwege GGZ-problematiek of complexe meervoudige fysieke kwesties bij de cliënt ondersteuning nodig is tijdens het onderzoek of het vanwege de medische situatie van de cliënt nodig is om een uitgebreider beeld te vormen van de situatie van de cliënt.
3
Artikel 2.2 Inhoud onderzoek De behandelend medewerker bespreekt met de cliënt na de melding zo spoedig mogelijk, met inachtneming van diens persoonlijk plan indien aanwezig, de volgende onderwerpen in samenhang met elkaar: a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk of met behulp van vrijwillige inzet te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; f.
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en met partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; g. informatie over bijdragen in de kosten die de cliënt verschuldigd zal zijn; h. de mogelijkheid bestaat om casemanagement te bieden.
Artikel 2.3 Verslag onderzoek 1. De cliënt kan een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek opvragen. Indien er een ondersteuningsplan wordt opgesteld geldt dat als verslag van het onderzoek. 2. Bij opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt over dit verslag wordt een nieuw verslag opgesteld.
Artikel 2.4 Aanvraag maatwerkvoorziening 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door een cliënt schriftelijk ingediend nadat het onderzoek is uitgevoerd, of na verloop van de onderzoeksperiode. Het college kan bepalen dat een aanvraag ook digitaal of mondeling kan worden gedaan. 2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviseur om advies vragen gedurende de behandeling van de aanvraag.
4
Artikel 2.5 Aanvraag persoonsgebonden budget In aanvulling op artikel 2.4 omvat een aanvraag voor een persoonsgebonden budget in elk geval: a. de te treffen maatwerkvoorziening en het beoogde doel; b. de voorgenomen uitvoering en uitvoerder daarvan; c. de kwalificaties van de uitvoering; en d. een motivering waarom een persoonsgebonden budget gewenst is. Artikel 2.6 Aanvraag financiële tegemoetkoming meerkosten Een aanvraag voor een financiële tegemoetkoming meerkosten wordt door een cliënt schriftelijk of digitaal ingediend. Artikel 2.7 Inhoud beschikking 1.
2.
3. 4.
Bij het treffen van een maatwerkvoorziening in natura of als financiële tegemoetkoming wordt in de beschikking in elk geval vastgelegd: a. welke de te treffen voorziening is; b. wat de duur van de verstrekking is, voor zover dit door het college wordt bepaald; c. hoe de voorziening wordt verstrekt; en d. welke verplichtingen zijn verbonden aan het verstrekken van de maatwerkvoorziening. Bij het treffen van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in elk geval vastgelegd: a. voor welke maatwerkoplossing het persoonsgebonden budget kan worden aangewend; b. wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is; c. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het persoonsgebonden budget is bedoeld, voor zover dit door het college wordt bepaald; d. welke verplichtingen zijn verbonden aan het persoonsgebonden budget; en e. welke regels gelden ten aanzien van facturering en verantwoording van het persoonsgebonden budget. Als er sprake is van een te betalen bijdrage in de kosten wordt dit in de beschikking opgenomen. Bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming meerkosten wordt in de beschikking vastgelegd: a. welke vergoeding wordt toegekend; b. wat de duur van de toekenning is; c. welke verplichtingen zijn verbonden aan de toekenning.
5
3. Algemene voorzieningen
Artikel 3.1 Algemeen 1. Een algemene voorziening kan ingericht zijn voor alle inwoners van Amsterdam of voor een specifieke doelgroep, en is rechtstreeks toegankelijk voor mensen die maatschappelijke ondersteuning behoeven en tot de doelgroep van de voorziening behoren. 2. Het college bevordert en treft de algemene voorzieningen die na e ar zijn oordeel bijdragen aan de zelf- en samenredzaamheid en de participatie van ingezetenen en aan de ondersteuning van mantelzorg en vrijwilligerswerk daarvoor, waaronder in elk geval de in dit hoofdstuk vermelde voorzieningen. 3. Het college kan nadere regels stellen.
Artikel 3.2 Voorzieningen sociale basis De voorzieningen op gebiedsniveau sluiten zoveel als mogelijk aan op eigen initiatieven van bewoners en omvatten in elk geval: a. informatie en advies; b. verstrekking van de vrijwillige inzet en informele netwerken; c. mantelzorgondersteuning; d. activering, participatie en talentontwikkeling; e. collectieve ondersteuning.
1.1.1 Artikel 3.3 Dienstverlening door het buurtteam De dienstverlening door het buurtteam omvat: a. informatie en advies en waar nodig vraagverheldering; b. het voeren van regie over de vraagverheldering en ondersteuning en waar nodig het daartoe opstellen en evalueren van een ondersteuningsplan; c. het afwegen hoe de cliënt het meest passend ondersteund kan worden. Het buurtteam leidt de inwoner waar nodig naar een algemene of maatwerkvoorziening zoals bedoeld in deze verordening; d. het bieden van ondersteuning en activering op sociale levensdomeinen, zoals problemen rond werk, zorg en schulden in samenwerking met de sociale basis, veiligheid, werk, participatie, inkomen en wonen.
Artikel 3.4 Woningaanpassing Het college draagt zorg voor het aanbrengen van kleine, enkelvoudige woningaanpassingen. 6
Artikel 3.5 Kortdurende opvang en noodopvang 1. Het college draagt zorg voor kortdurende opvang voor personen die dakloos zijn, zonder verblijfsalternatief en die zich niet op eigen kracht of met voorliggende hulp kunnen handhaven in de samenleving en kunnen voorzien in eigen onderdak. De kortdurende opvang is tijdelijk en gericht op het bepalen van de ondersteuningsbehoefte, het uitstroomperspectief en het vinden van alternatieve huisvesting. Het college beoordeelt de binding met Amsterdam conform het convenant landelijke toegankelijkheid. 2. Het college draagt zorg voor kortdurende opvang gericht op het bepalen van uitstroomperspectief van kwetsbare EU-burgers en ongedocumenteerde personen zonder verblijfsalternatief. 3. Het college draagt zorg voor kortdurende noodopvang, tijdelijke huisvesting en ondersteuning dan wel begeleiding van personen, met aantoonbare binding met Amsterdam, die dakloos zijn en enkel niet zelfredzaam zijn op het gebied van huisvesting. Het gaat hierbij zowel om volwassen alleenstaande personen als gezinnen met minderjarige kinderen met aantoonbare binding met Amsterdam.
Artikel 3.6 Waardering mantelzorgers Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor mantelzorgers.
4. Maatwerkvoorzieningen
Artikel 4.1 Criteria maatwerkvoorziening algemeen 1. Bij het beoordelen van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening neemt het college het verslag van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3 als uitgangspunt. 2. Alle mogelijkheden van de cliënt om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te regelen dat hij geen behoefte meer heeft aan maatwerkvoorzieningen, worden in het onderzoek beoordeeld. 3. Bij de beoordeling van de aanvraag hanteert het college in aanvulling op de voorgaande leden en met inachtneming van het beleidsplan op grond van artikel 2.1.2 van de wet in ieder geval de volgende criteria: a. een aanspraak op een adequate andere voorziening op grond van een andere regeling is voorliggend op een aanspraak op een maatwerkvoorziening; b. er is sprake van een noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang; c. er is geen sprake van normale maatschappelijke kosten of van een algemeen gebruikelijke voorziening; d. er is geen sprake van voorzienbaarheid, waaronder begrepen kosten die de cliënt reeds voor het indienen van de aanvraag heeft gemaakt; e. het college kent in beginsel de goedkoopst adequate voorziening toe; f.
het college vergoedt of verstrekt geen voorziening als de normale afschrijvingstermijn van de eerder vergoede of verstrekte gelijkwaardige 7
voorziening nog niet is verstreken of deze technisch nog niet is afgeschreven, tenzij deze voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen. 4. Het college kan nadere regels stellen inzake de aard, inhoud en omvang van de te verstrekken maatwerkvoorzieningen en de toegang daartoe als bedoeld in dit hoofdstuk. Artikel 4.2 Aanvullende criteria persoonsgebonden budget 1. Het college kent in aanvulling op artikel 4.1 een persoonsgebonden budget toe als naar het oordeel van het college is vastgesteld dat: a. cliënt, al dan niet met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel zijn Pgb vertegenwoordiger, in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel in staat is te achten om de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren; b. is gemotiveerd dat een cliënt een persoonsgebonden budget wenst; en c. is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woonruimteaanpassingen en andere maatregelen die met het persoonsgebonden budget betaald moeten worden veilig, doeltreffend en cliëntgericht zijn. 2. Het college kan met in achtneming van artikel 2.3.6 Wmo een persoonsgebonden budget weigeren indien: a. in de drie jaren, voorafgaand aan de datum van het onderzoek, toepassing is gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d, en e van de wet; b.
er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet; c. het een voorziening voor opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld, collectief vervoer, een auto, een autobus of gesloten buitenwagen, hulp bij het huishouden OGGZ of bijzondere schoonmaak, beschermd verblijf, inloop dagbesteding of meewerkenplus betreft; of d. het persoonsgebonden budget bestemd is voor besteding in het buitenland, tenzij voldaan is aan door het college te stellen nadere voorwaarden. 3. Het persoonsgebonden budget dient besteed te worden aan het inkopen van zorg of ondersteuning conform de indicatie en mag niet aangewend worden voor de betaling van tussenpersonen, belangenbehartigers, bemiddelings- en coördinatietaken alsmede ondersteunings- of administratiekosten in verband met het Pgb. Er is geen verantwoordingsvrij bedrag. 4. Voor een zorgovereenkomst die de cliënt sluit met een professionele zorgaanbieder is de mogelijkheid van periodieke maandbetalingen uitgesloten. In die situatie is slechts een zorgovereenkomst waarbij op declaratiebasis wordt gefactureerd, mogelijk. 5. De tarieven van het persoonsgebonden budget zijn: a. voor aanvullende individuele ondersteuning € 53,26 per uur; b. voor dagbesteding € 45,28 per dagdeel, met een maximum van zes dagdelen tenzij de noodzaak voor meer dagdelen voldoende is gemotiveerd in het pgbplan; c.
voor begeleid thuis € 53,26 per uur; d. voor logeeropvang € 132,17 per etmaal; e. voor woonvoorzieningen geldt het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte; f. voor hulp bij huishouden € 5,43 per punt (een punt komt overeen met een kwartier);
8
g. voor vervoersvoorzieningen en rolstoelen het bedrag ter hoogte van de goedkoopst adequate voorziening. Het bedrag kan worden verhoogd met een bedrag voor onderhoud of verzekering; 6. Het tarief begeleid thuis kan worden aangevuld met een toeslag van € 5517,32 voor een gezamenlijk wooninitiatief. 7. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor niet-professionele ondersteuning bedraagt, voor zover deze afwijkt van het bepaalde in het vijfde lid, voor aanvullende individuele ondersteuning en begeleid thuis € 23,62 per uur; 8. Een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woonruimteaanpassingen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk: a. als de dienst zorg omvat waarvoor krachtens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, beschikt de persoon over de desbetreffende kwalificatie; b. deze persoon heeft niet aangegeven dat de ondersteuning aan de cliënt hem te zwaar valt; en c. de persoon uit het sociaal netwerk van wie de dienst wordt betrokken zal niet het budget beheren, behalve met toestemming van het college vanwege bijzondere omstandigheden;
Artikel 4.3 Aanvullende criteria voor aanvullende individuele ondersteuning In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor aanvullende individuele ondersteuning als: a. de cliënt zelfstandig woont; en b. uit de afweging door het buurtteam als bepaald in artikel 3.3 lid 4 blijkt dat ondersteuning door het buurtteam niet toereikend is, omdat: i. er ondersteuning nodig is waarvoor een professional met specifieke (specialistische) expertise nodig is; en ii. er ondersteuning nodig is die (tijds)intensief is.
Artikel 4.4 Aanvullende criteria voor dagbesteding In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor dagbesteding als: a. de cliënt als gevolg van een beperking of een specifieke omstandigheid onvoldoende in staat is om zelf of met behulp van zijn netwerk zinvolle tijdsinvulling met sociale contacten of deelname aan het maatschappelijk verkeer te organiseren; b. er sprake is van een beperking of specifieke omstandigheid, waardoor gedurende de dagbesteding deskundigheid vereist is; of c. overbelasting van mantelzorgers daardoor wordt voorkomen.
9
Artikel 4.5 Aanvullende criteria voor begeleid thuis, beschermd verblijf en opvang en ondersteuning voor slachtoffers van huiselijk geweld 1. In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor begeleid thuis als hij: a. als gevolg van meervoudige complexe problematiek op het gebied van psychiatrie, psychosociaal, verslaving, een (licht) verstandelijke beperking of een forensische achtergrond beperkt zelfredzaam is; b. een hulpvraag kan stellen en deze hulpvraag kan uitstellen of een hulpvraag heeft waarvoor het voldoende is als er gedurende het etmaal passende begeleiding beschikbaar is die op afroep in 30 minuten beschikbaar kan zijn; en c. zelfstandig kan wonen met begeleiding en deze begeleiding accepteert. 2. In aanvulling op het eerste lid kan het college de maatwerkvoorziening Begeleid Thuis met wooncomponent toekennen als de cliënt dakloos is en niet in staat is om met eigen regie de dakloosheid op te lossen en hij zich begeleidbaar opstelt en kan worden verwacht dat hij zich als een goed huurder zal gedragen. 3. In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor beschermd verblijf als: a. er sprake is van psychosociale problematiek, psychiatrische problematiek, verslavingsproblematiek of een licht verstandelijke beperking, dan wel een combinatie van deze problemen en hij als gevolg van deze problematiek beperkt zelfredzaam is; b.
er sprake is van noodzaak tot bescherming van de cliënt of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de problematiek zoals genoemd in onderdeel a; c. hij geen hulpvraag kan stellen of een hulpvraag niet kan uitstellen; en d. hij niet zelfstandig kan wonen en er een noodzaak is tot 24 uurs toezicht en ondersteuning. 4. In aanvulling op artikel 4.1 kan: a. Een slachtoffer van huiselijk geweld in aanmerking komen voor opvang inclusief bescherming en bijbehorende ondersteuning als deze i. slachtoffer is van geweld in huiselijke kring, en vanwege aspecten van veiligheid de woonsituatie moet verlaten; ii. 18 jaar of ouder is, al dan niet met kinderen; en iii. geen mogelijkheden heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige woonsituatie te creëren. b. Een slachtoffer van huiselijk geweld, waartoe ook alle leden van het gezin met hun onderlinge gezinsrelaties en patronen behoren, in aanmerking komen voor ambulante hulpverlening als: i. het slachtoffer of de ouder met gezag of verzorger 18 jaar of ouder is; en ii. het slachtoffer en de leden van het gezin niet in staat zijn om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige situatie te creëren, en opvang niet of niet meer nodig is.
10
5. Het college kan nadere regels stellen inzake toelating naar aanleiding van afspraken met andere gemeentes over wederzijdse overdracht van cliënten en inzake prioritering van doelgroepen bij de toegang tot de opvang en beschermd wonen.
Artikel 4.6 Aanvullende criteria voor logeeropvang 1. In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor logeeropvang: a. als er zonder de inzet hiervan overbelasting van de mantelzorger dreigt of in onverwachte situaties; b. de cliënt langdurig is aangewezen op meer dan gebruikelijke hulp; c. door het buurtteam ingezette ondersteuning, dagbesteding, aanvullende individuele ondersteuning en begeleid thuis niet voldoende oplossing bieden; en d. de cliënt geen aanspraak kan maken op de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg om de overbelasting te voorkomen. 2. Het college kent aan een cliënt maximaal 36 etmalen per jaar logeeropvang toe, terugkerend met een maximum van drie etmalen per week of aaneengesloten. Artikel 4.7 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen 1. In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor een woonvoorziening als hij: a. aantoonbare beperkingen heeft bij het normaal gebruik van zijn woning; en b. alles heeft gedaan om een geschikte woning te bewonen; of c. een op basis van aantoonbare beperkingen aanwezige gedragsstoornis heeft met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon met beperkingen tot rust kan komen. 2.
Een cliënt kan alleen voor een woonruimteaanpassing in aanmerking komen wanneer deze langdurig noodzakelijk is en verhuizing niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is. 3. Een persoon met beperkingen kan alleen voor een woonvoorziening in aanmerking komen als hij rechtmatig een woonruimte bewoont, geen tijdelijke huurovereenkomst heeft en de ondervonden beperkingen in de woonruimte niet voortvloeien uit de aard van de in de woonruimte gebruikte materialen of uit de slechte staat van onderhoud van de woonruimte. 4. Een woonvoorziening wordt slechts verstrekt als de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen, dan wel voor het logeerbaar maken van een andere woonruimte dan waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft, als het hoofdverblijf van de cliënt een erkende zorginstelling is. 5. Een woonvoorziening wordt alleen toegekend indien deze de woonruimte bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar maakt voor de cliënt, door het wegnemen of aanzienlijk verminderen van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning. 6. Het college voorziet in de kosten voor onderhoud, keuring en reparatie van voorzieningen die zijn toegekend op grond van dit artikel.
11
Artikel 4.8 Aanvullende criteria voor hulp bij het huishouden In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden ingeval: a. aantoonbare beperkingen bij het voeren van een huishouden; en b. problemen die zich voordoen bij gebruikelijke hulp en mantelzorg.
Artikel 4.9 Aanvullende criteria voor vervoersvoorziening 1. In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor collectief vervoer als cliënt niet of onvoldoende gebruik kan maken van het openbaar vervoer en voorliggende vervoersvoorzieningen. 2. In aanvulling op artikel 4.1 en het voorgaande lid kan een cliënt eerst in aanmerking komen voor een individuele vervoersvoorziening als deze langdurig noodzakelijk is en het collectief vervoer niet afdoende is. 3. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving en in elk geval binnen Amsterdam in het kader van het leven van alledag. 4. In afwijking van het derde lid kan een vervoersvoorziening worden verstrekt als zich een situatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de persoon met beperkingen zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de persoon met beperkingen noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen. 5. De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie door middel van lokale verplaatsingen met een omvang per jaar van 1.500 kilometer mogelijk maken.
Artikel 4.10 Aanvullende criteria voor rolstoelvoorziening In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor een rolstoelvoorziening als het voor hem medisch noodzakelijk is om zich regelmatig zittend te verplaatsen.
5. Tegemoetkomingen Artikel 5.1 Financiële tegemoetkoming Het college kan ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie op aanvraag een financiële tegemoetkoming verstrekken.
Artikel 5.2 Financiële tegemoetkoming meerkosten 1. Het college kan ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie op aanvraag een financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.1.7 van de wet 12
verstrekken aan ingezetenen die als gevolg van een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen aannemelijke meerkosten hebben. 2. De financiële tegemoetkoming meerkosten kan in ieder geval worden verstrekt voor de meerkosten voor een voorziening, dan wel een aanpassing aan een voorziening, voor sportbeoefening. 3. Het college stelt nadere regels over de gevallen waarin een tegemoetkoming meerkosten kan worden verstrekt, de berekening van de hoogte en de wijze van verstrekking van de tegemoetkoming. 4. De tegemoetkoming meerkosten kan inkomensafhankelijk zijn.
6. Bijdragen
6.1 Algemeen Artikel 6.1.1 Bijdrageplicht 1. De cliënt is een bijdrage verschuldigd voor de volgende algemene voorzieningen a. kortdurende opvang; b. passantenpension; c. noodopvang dakloze gezinnen. 2. De cliënt is een bijdrage verschuldigd voor alle maatwerkvoorzieningen met uitzondering van aanvullende individuele ondersteuning als bedoeld in artikel 4.3, dagbesteding als bedoeld in artikel 4.4, begeleid thuis als bedoeld in artikel 4.5 en de financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel 5.1. 3. In afwijking van het tweede lid is de cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd bij de tegemoetkoming voor gebruik (rolstoel) taxi of vervoer door derden, gebruik (rolstoel) taxi of vervoer door derden naast fiets, scootmobiel of (elektrische) rolstoel. Artikel 6.1.2 Compensatie gebruikskosten 1. De aanbieder van een algemene of maatwerkvoorziening kan aan de cliënt een compensatie vragen voor de kosten die de aanbieder maakt voor diensten die aanvullend op de voorziening worden aangeboden en waarvan de cliënt gebruik maakt. Het gaat hierbij in elk geval om kosten: a. voor het gebruik van consumpties en maaltijden bij de kortdurende opvang en het passantenpension; en b. voor het doen van een was. 2. De compensatie, bedoeld in het vorige lid, geldt niet als bijdrage als bedoeld in de wet en is maximaal de hoogte van de kosten als bedoeld in het eerste lid. 3.
De aanbieder maakt de verschuldigdheid en hoogte van de kosten als hiervoor bedoeld zichtbaar voor de cliënten die de voorziening van hem betrekken.
6.2 Algemene voorzieningen Artikel 6.2.1 Bijdrageplicht algemene voorzieningen 1. De ritbijdrage voor het beschermd vervoer is gelijk aan het tarief voor het openbaar vervoer voor volwassenen (voltarief) dat door het dagelijks bestuur van de 13
Vervoerregio Amsterdam wordt vastgesteld. Een cliënt die tussen 18.00 uur en 01.00 uur reist krijgt 10% korting op de ritbijdrage. 2. De bijdrage in de kosten voor kortdurende opvang bedraagt: a. € 5,- per nacht; b. € 0,- voor personen zonder inkomen. 3. In afwijking van het vorige lid bedraagt de bijdrage in de kosten voor kortdurende opvang voor jongeren van 18 tot en met 22 jaar: a. € 3,50 per nacht; b. € 0,- voor jongeren zonder inkomen. 4. De bijdrage in de kosten voor verblijf in het passantenpension bedraagt per persoon per nacht: a. € 15,00 voor een eenpersoonskamer; b. € 11,25 voor een tweepersoonskamer; c. € 8,50 voor een vierpersoonskamer. 5. De bijdrage voor verblijf in de noodopvang dakloze gezinnen bedraagt € 400,00 per maand.
6.3 Maatwerkvoorzieningen Artikel 6.3.1 Bijdrageplicht maatwerkvoorzieningen 1. De bijdrage voor maatwerkvoorzieningen of pgb, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 21,00 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 2. De kostprijs voor een maatwerkvoorziening wordt berekend op basis van: a. voor woon- en vervoersvoorzieningen, de laagste kostprijs die de gemeente betaalt voor de voorziening; b. voor overige gevallen per periode en op basis van de vergoeding die de gemeente voor de dienstverlening over die periode verschuldigd is; c. voor een persoonsgebonden budget voor bijdrageplichtige diensten en woonen vervoersvoorzieningen: op basis van het door de cliënt bestede bedrag. 3. Het college brengt de bijdrage voor de volgende periode in rekening: a. voor dienstverlening: zolang de toekenning voor de dienstverlening niet is ingetrokken en er in een periode ondersteuning is geboden; b. voor een voorziening in natura, anders dan onder a: zolang de cliënt gebruik maakt van of in het bezit is van de voorziening, en waar van toepassing tot maximaal de kostprijs van een eenmalig verstrekte voorziening; c.
bij een periodieke verstrekking van een persoonsgebonden budget: over iedere periode waarover een persoonsgebonden budget is verstrekt; d. voor logeeropvang: het aantal etmalen dat de cliënt gebruik heeft gemaakt van de voorziening. 4. Als een persoon over een periode voor meerdere voorzieningen een bijdrage is verschuldigd, dan komt de betaalde bijdrage allereerst ten goede aan de voorziening die eenmalig is verstrekt en waarvoor het college geen huur verschuldigd is. 5. Wanneer meerdere personen gebruik maken van één voorziening, wordt de bijdrage berekend over de kosten gedeeld door het aantal bijdrageplichtige gebruikers. 6. In afwijking van het voorgaande geldt voor collectief vervoer een ritbijdrage die gelijk is aan het tarief voor het openbaar vervoer voor volwassenen (voltarief) dat door het
14
dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam wordt vastgesteld. Een cliënt die tussen 18.00 uur en 01.00 uur reist krijgt 10% korting op de ritbijdrage. Artikel 6.3.2 Bijdrageplicht beschermd verblijf en opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld 1. Een cliënt is voor verblijf in een opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld of beschermd verblijf een bijdrage verschuldigd. 2. De bijdrage is gelijk aan de kostprijs voor het verblijf in een opvang of beschermd verblijf, met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 3.11 van het uitvoeringsbesluit. 3. De bijdrageplicht geldt ook gedurende tijdelijke afwezigheid uit de opvang of het beschermd verblijf. 4. Een cliënt is geen bijdrage verschuldigd indien hij aan een instelling een vergoeding betaalt voor het wonen en de daarbij horende ondersteuning. 5. Een cliënt is geen bijdrage verschuldigd als hij tijdens zijn verblijf woonkosten is verschuldigd als hoofdbewoner voor de woning die hij heeft verlaten in verband met risico’s voor de veiligheid in verband met huiselijk geweld. 6. Het college stelt de bijdrage voor opvang vast alsmede de wijze van innen van de bijdrage.
7. Toezicht en handhaving
Artikel 7.1 Maatregelen onterechte toekenning voorzieningen 1. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet is een cliënt die een aanvraag heeft ingediend of
aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt, verplicht zo spoedig mogelijk en schriftelijk aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening. 2. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a. niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening; b. beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen; c. de cliënt niet langer op de voorziening is aangewezen; d. de voorziening niet meer toereikend is te achten; e. de cliënt de voorziening niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor hij is verstrekt; f. de client langer dan twee weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wlz of de Zvw. 3. Een besluit tot verlening van een persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming kan worden ingetrokken als blijkt dat het budget binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
15
4. Als het recht op een voorziening is ingetrokken kan op basis daarvan een reeds
uitbetaald persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming worden teruggevorderd met terugwerkende kracht tot uiterlijk de datum dat het recht is ingetrokken.
Artikel 7.2 Maatregelen bij misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen 1. Ingeval het recht op verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening dan
wel de geldwaarde van de toegekende voorziening worden teruggevorderd als de voorziening is verleend op basis van onjuist verstrekte gegevens. 2. Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken kan deze voorziening worden teruggehaald. 3. Bij herhaald en ernstig wangedrag bij het ontvangen van diensten dan wel herhaalde onzorgvuldige omgang met verstrekte voorzieningen, kan het college al dan niet tijdelijke maatregelen ten aanzien van de cliënt treffen ter bescherming van de medewerker van een aanbieder dan wel voorkomen van (verdere) schade.
8. Kwaliteit en klachten
Artikel 8.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Het college neemt in de contracten en subsidieafspraken met aanbieders op aan welke kwaliteitseisen de maatschappelijke ondersteuning moet voldoen. Hierbij sluit het college zoveel als mogelijk aan bij artikel 3.1 van de wet en de kwaliteits- en deskundigheidseisen die in de desbetreffende branche gelden. 2. Als en voor zover geen kwaliteits- en deskundigheidseisen gedefinieerd en vastgesteld zijn stelt het college in aanvulling of afwijking daarvan nadere eisen vast met betrekking tot de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning. Hierbij neemt het college minimaal de volgende eisen mee: a. de voorzieningen worden afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. de voorzieningen worden afgestemd met andere vormen van zorg en welzijn; c. beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 3. Onverminderd de bestuursrechtelijke en civielrechtelijke handhavingsbevoegdheden handhaaft het college deze nadere regels door periodieke overleggen met de aanbieder(s) en de cliëntenra(a)den, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 8.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Het college stelt voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet, vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het op basis daarvan aangaan van een overeenkomst met de derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor:
16
2.
3.
4.
5.
i. een inschrijving en het op basis daarvan aangaan van een overeenkomst met de derde; en ii. de vaste prijs als bedoeld in onderdeel a. De vaste prijs of de reële prijs voor een dienst is ten minste gebaseerd op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis- en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; en f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aan- bieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het college kan bij het verlenen van de opdracht voor te leveren diensten rekening houden met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel. Het college houdt bij het verlenen van de opdracht voor te leveren overige voorzieningen, rekening met: a. de marktprijs van de voorziening; b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: i.
aanmeten, levering en plaatsing van de voorziening; ii. instructie over het gebruik van de voorziening; iii. onderhoud van de voorziening. Het college kan nadere regels stellen ter zake en met inachtneming van het voorgaande.
Artikel 8.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college draagt aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten op iedere calamiteit en vorm van geweld die bij het verlenen van maatschappelijke ondersteuning heeft plaatsgevonden, onverwijld te melden, onverminderd de verantwoordelijkheid van de aanbieder om passende maatregelen te treffen ter zake van de melding en van het voorkomen van meldingen in de toekomst. 2. Het college kan nadere regels stellen ter zake en met inachtneming van het voorgaande.
17
Artikel 8.4 Klachtregeling en medezeggenschap 1. Het college neemt in de contracten en subsidieafspraken met aanbieders op dat de aanbieders een effectieve en laagdrempelige klachtregeling moeten hebben voor de behandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een cliënt. 2. Het college neemt in de afspraken met aanbieders van een maatwerkvoorziening op dat de aanbieders een regeling voor medezeggenschap moeten hebben, waarvan de uitgangspunten aansluiten bij de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen. De medezeggenschap ziet in ieder geval toe op voorgenomen besluiten die voor de cliënten van belang zijn. 3. Onverminderd de bestuursrechtelijke en civielrechtelijke handhavingsbevoegdheden handhaaft het college deze nadere regels door periodieke overleggen met de aanbieder(s) en de cliëntenra(a)den, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. 4. Het college kan besluiten één of meerdere van de in dit artikel genoemde eisen niet of anders aan de aanbieder te stellen, indien deze niet proportioneel is in relatie tot de omvang van de organisatie van de aanbieder of de aard of omvang van de opdracht. 5. Het college kan nadere regels stellen ter zake en met inachtneming van het voorgaande.
9. Beleidsparticipatie
Artikel 9.1 Beleidsparticipatie 1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente en in de gemeente een belanghebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning. 2. Het college stelt een adviescommissie in op de wijze voorzien in artikel 84 Gemeentewet, die belast wordt met de taak gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordening en beleidsvoorstellen, bij de instelling waarvan wordt voorzien in de benodigde ondersteuning om haar taken uit te voeren. 3. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de verplichtingen genoemd in de voorgaande leden.
10. Slotbepalingen
Artikel 10.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt met een vastgestelde ondersteuningsbehoefte afwijken van de bepalingen van deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
18
Artikel 10.2 Indexering Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en door het college vastgestelde bedragen verhogen of verlagen. Het college kan per voorziening bepalen welke prijsindex hierbij wordt gehanteerd.
Artikel 10.3 Overgangsbepalingen Een cliënt die woont in een instelling zonder behandeling, die valt onder de Wet langdurige zorg, houdt recht op een roerende woonvoorziening of individuele vervoersvoorziening verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarmee het recht wordt ingetrokken vanwege de wijziging in de Wet langdurige zorg. Een cliënt die krachtens de Verordening geldend tot 1 januari 2022 recht heeft op beschermd vervoer, behoudt dit recht, met inachtneming van de kilometerbeperking ingevolge art. 4.9, lid 6 van deze Verordening, evenals de verplichting om hiervoor de eigen bijdrage te betalen ingevolge art. 6.3.1, lid 10 van deze Verordening. Een cliënt met een lopende Pgb beschikking voor Beschermd Wonen op 1 juli 2023, behoudt de voorziening tot er een herindicatie heeft plaatsgevonden. Daarnaast behoudt de cliënt tot uiterlijk 1 juli 2026, het recht op het bijbehorende rekentarief. Het rekentarief is gebaseerd op (de voor 1 juli 2023) geïndiceerde onderdelen van de GGZ-C Zorgzwaartepakketten (ZZP) 3 tot en met 5 conform de AWBZ 2014. Het behoudt van het recht op de voorziening en het rekentarief geldt zolang wordt voldaan aan de voorwaarden voor een pgb, begeleid thuis en de eventuele bijbehorende maatwerkvoorzieningen (Dagbesteding en Hulp bij het Huishouden).
Artikel 10.4 Intrekking oude verordening De Verordening Maatschappelijke ondersteuning 2015, versie januari 2024 wordt ingetrokken.
Artikel 10.5 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2025.
Artikel 10.6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2025.
2 Toelichting op de Verordening 19
2.1 Aanleiding De Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam is gebaseerd op de “Wet van 9 juli 2014, houdende regels inzake de gemeentelijke ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015)”. Deze wet is gepubliceerd in het Staatsblad onder nummer 2014, 280. Onder de Wmo 2015 hangen het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (Stb. 2014, 420) en de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 (Stc. 2014, 36807). Ook deze regelgeving heeft invloed op de Amsterdamse verordening, onder andere op het gebied van de eigen bijdrage en administratieve voorwaarden. De wetgever stimuleert burgers eigen verantwoordelijkheid te dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven, en verwacht van burgers dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan. De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) wil de rechten en plichten van de burger meer met elkaar in evenwicht te brengen. Burgers die zelf dan wel samen met personen in hun naaste omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, kunnen een beroep doen op door de overheid georganiseerde ondersteuning. De wet bevat de regeling op basis waarvan de gemeente Amsterdam verantwoordelijk is voor de maatschappelijke ondersteuning van haar inwoners.
De regering geeft met de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 uitwerking aan het deel van de maatregelen die in het regeerakkoord ‘Bruggen slaan’ zijn opgenomen dat betrekking heeft op de decentralisatie van de verantwoordelijkheid voor langdurige ondersteuning naar gemeenten. De wet bouwt voort op de ervaringen die zijn opgedaan met de Wmo sinds 2007 en breidt de verantwoordelijkheid van gemeenten voor maatschappelijke ondersteuning daarnaast verder uit door decentralisatie van verantwoordelijkheden die tot 1 januari 2015 in de AWBZ waren opgenomen. Amsterdam is verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelf- en samenredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen: die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Voor mensen met psychische of psychosociale problemen of voor mensen die, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten, moet Amsterdam voorzien in de behoefte aan beschermd wonen en opvang. Het streven naar participatie en zelfredzaamheid binnen de Wmo kan niet los worden gezien van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. In 2016 is door het Rijk het VN-verdrag voor mensen met een beperking geratificeerd.
Het verdrag is op 14 juli 2016 in werking getreden. Daarmee maakt dit verdrag deel uit van de wettelijke context waarbinnen overheden (en daarmee gemeenten) dienen te opereren. Het verdrag regelt dat iedereen, met of zonder een beperking, volwaardig kan deelnemen aan de samenleving. Het doel van dit verdrag is een voor ieder toegankelijke samenleving. Hoe Amsterdam dit doel gaat uitvoeren wordt door de gemeenteraad onder meer opgenomen in het periodieke beleidsplan voor de Wmo. Opdracht Wmo 2015 aan Gemeentes De Wmo 2015 draagt het gemeentebestuur op zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning van haar burgers, en voor de kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen. 20
Daartoe moet de gemeenteraad een beleidsplan opstellen (artikel 2.1.2 Wmo 2015) en een Verordening met “de regels die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van dit beleidsplan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen” (artikel 2.1.3 Wmo 2015). Verordening De verordening bevat een uitwerking van alle bepalingen die volgens de wet verplicht zijn (zie de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de wet). Daarbij is ook gebruik gemaakt van de bepalingen in de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde modelverordening. Daarnaast zijn ook aanvullende bepalingen opgenomen waar deze een meer compleet beeld geven van de rechten en plichten van Amsterdamse burgers, mede gelet op de specifieke Amsterdamse praktijk. In de verordening is het grote belang van de toegangsprocedure bevestigd door deze fase in een apart hoofdstuk op te nemen. Juist in de melding en onderzoeksfase zal immers de rol van de mantelzorger, de vrijwilliger, het sociaal netwerk en de eigen regie op de zelfredzaamheid en participatie onderzocht en waar nodig versterkt moeten worden; deze fase zal de transformatie naar een andere verhouding tussen overheid en burger moeten ondersteunen.
Daarnaast is ervoor gekozen om in hoofdstuk 3 een beeld te schetsen van de algemene voorzieningen, die zonder beschikking toegankelijk zijn en naast de dragende samenleving een ruggengraat zullen vormen van het Amsterdams Zorgstelsel. Verordening 2025 Deze Verordening is op 1 januari 2025 in werking getreden. De vorige Verordening is ingetrokken. Dit is gebeurd omdat op 1 januari 2025 ook de nieuwe Nadere regels bij de Verordening in werking zijn getreden. De Nadere regels zijn een uitwerking van deze Verordening. Voorheen bestonden de Nadere regels uit een in hoofdstukken en paragrafen ingedeelde tekst. De nieuwe Nadere regels bestaan uit artikelen. De herstructurering van de Nadere regels heeft geleid tot diverse aanpassingen in de tekst en met name in de toelichting van de Verordening. Vanwege de vele redactionele wijzigingen is de vorige Verordening ingetrokken en is een nieuwe Verordening vastgesteld. Amsterdams Zorgstelsel Het Amsterdams Zorgstelsel is opgebouwd op basis van drie lijnen: a. De sociale basis met voorzieningen die voor zoveel mogelijk Amsterdammers toegankelijk zijn en indien mogelijk worden uitgevoerd en georganiseerd door actieve Amsterdammers.
Deze voorzieningen zijn maximaal ingebed in de wijk, laten de eigen regie van Amsterdammers op hun leven intact en dragen ertoe bij dit waar nodig te ondersteunen of te versterken, en sluiten aan op het sociale netwerk en de dragende samenleving. In de sturing op de sociale basis is een belangrijke rol voor de stadsdelen weggelegd. b. Het wijkgerichte aanbod (algemene en maatwerkvoorzieningen) dat rechtstreeks toegankelijk is voor alle Amsterdammers of op basis van een toegangsbeoordeling. De dienstverlening staat open voor alle Amsterdammers. De zorgaanbieder of de buurtteamprofessionals bepalen of ondersteuning noodzakelijk is. Hier zal ook het gesprek plaatsvinden met de burger die zich meldt met een vraag om de ondersteuningsbehoefte en de eigen mogelijkheden te onderzoeken, en te bekijken 21
hoe de gemeente daar een rol in speelt of kan spelen. Als er langdurige professionele ondersteuning nodig is wordt er een ondersteuningsplan opgesteld. c. Het stedelijke aanbod van maatwerkvoorzieningen, waaronder rolstoelen en woon- en vervoersvoorzieningen. Als de noodzaak van de verstrekking van deze voorzieningen is vastgesteld, zorgt de gemeente ervoor dat ze aanwezig zijn door middel van doelmatige inkoop.
1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) en het bijbehorende Uitvoeringsbesluit staan veel definities, daarom is het aantal definities hier beperkt. Niet ieder begrip heeft toelichting nodig. a. Algemeen gebruikelijke voorziening Het verstrekken van algemeen gebruikelijke voorzieningen op grond van de Wmo past niet bij het doel van de wet. Wat algemeen gebruikelijk is, verandert. Dit wordt beïnvloed door maatschappelijke ontwikkelingen. Een voorziening die eerst niet als algemeen gebruikelijk werd gezien, kan later wel algemeen gebruikelijk worden. Wat hierbij een rol speelt is het aanbod in gewone winkels. En ook de prijzen in gewone winkels. Daarnaast speelt jurisprudentie een rol (uitspraken van rechters). b. Bijdrage Vroeger werd dit de eigen bijdrage genoemd. De Wmo noemt het de bijdrage in de kosten. De bijdrage wordt verder uitgewerkt in hoofdstuk 6 van deze Verordening. c. Gebruikelijke hulp Er is sprake van gebruikelijke hulp als er een huisgenoot is waarvan kan worden verwacht dat hij kan helpen bij de normale dagelijkse taken of bepaalde taken kan overnemen. Zoals huishoudelijk werk, administratie of financiën. Ook begeleiding bij bezoek aan familie, instanties of een arts valt onder gebruikelijke hulp.
Bij het bepalen van gebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met de leeftijd en eventuele beperking(en) van de huisgeno(o)t(en). Met huisgenoot wordt een persoon bedoeld die, of op basis van een familieband, of op basis van een bewuste keuze, een huishouden vormt met de persoon die beperkingen heeft. Er wordt niet gekeken naar geslacht, religie, cultuur, werk/inkomsten of persoonlijke opvattingen over het doen van huishoudelijke taken. Een voorbeeld van een huisgenoot is een inwonend kind. Maar ook inwonende ouders kunnen als huisgenoot worden gezien. De beoordeling hiervan gebeurt op basis van concrete feiten. d. Mantelzorg Mantelzorg is ondersteuning die mensen langdurig en onbetaald geven aan een persoon met beperkingen uit hun directe omgeving. De ondersteuning wordt gegeven omdat er een persoonlijke band is.
22
Artikel 1.2 Doelgroep van de verordening Lid 1 De verordening heeft twee doelgroepen. Ten eerste Amsterdammers die ondersteuning nodig hebben door een of meer beperkingen of door chronische psychische of psychosociale problemen. Met die ondersteuning moeten zij zo lang mogelijk in hun eigen omgeving kunnen blijven. De gebondenheid aan Amsterdam is essentieel. Uitgangspunt daarbij is de inschrijving in de gemeentelijke basisregistratie personen (BRP). Voor wie niet bij de gemeente staat ingeschreven en toch ondersteuning wil vanuit deze verordening, is het mogelijk om de gebondenheid aan Amsterdam op een andere manier vast te stellen. De tweede doelgroep bestaat uit mantelzorgers. Zij kunnen soms ook ondersteuning krijgen vanuit deze verordening. Degene voor wie zij zorgen moet ingezetene zijn van Amsterdam. Lid 2 Iedere ingezetene van Nederland kan zich in Amsterdam melden voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen of opvang. Dat staat in artikel 1.2.1, onderdeel b en c, van de Wet. De maatwerkvoorzieningenmaatschappelijke opvang en beschermd wonen wordt in Amsterdam ingevuld met begeleid thuis en beschermd verblijf en opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld. De maatwerkvoorziening begeleid thuis kan slechts worden aangemerkt als een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang, indien deze maatwerkvoorziening gepaard gaat met onderdak.
Het kan voor het succes van de ondersteuning wenselijk zijn dat iemand ergens anders in Nederland opvang krijgt. Bijvoorbeeld omdat hij daar personen kent die hem kunnen steunen of vanwege de veiligheid. In dat geval kan het college overleggen met het college van die andere gemeente om hem daar opvang te bieden. Lid 3 Als iemand behalve vanuit de Wmo ook ondersteuning krijgt vanuit de Jeugdwet of de Participatiewet, dan wordt dit op elkaar afgestemd. Dit heeft als voordeel: Dat er bij de overgang naar volwassenheid continuïteit van ondersteuning is Dat het pakket van voorzieningen op elkaar afgestemd is Dat er samenwerking is tussen zorg en welzijn, formele en informele ondersteuners en intramurale en extramurale voorzieningen.
23
2. Toegang Artikel 2.1 Melding en onderzoek In dit artikel staat de toegangsprocedure voor mensen met behoefte aan ondersteuning. De bespreking van een ondersteuningsbehoefte begint met een melding. De melding kan, door of namens de cliënt, op verschillende manieren worden gedaan. Onder andere bij de Wmo Helpdesk, de Centrale Toegang of bij Buurtteam Amsterdam. De medewerker die de melding behandelt, bespreekt samen met de melder waaruit de behoefte aan ondersteuning bestaat. Hierbij wordt nadrukkelijk ook de behoefte van de mantelzorger(s) betrokken, als die er is. Als er een ondersteuningsvraag is, wordt de melding geregistreerd en wordt er een onderzoek gestart. Zie artikel 2.3.2 van de Wmo. De melder kan zich laten bijstaan door een familielid of anderen uit zijn netwerk. Ook kan de melder gratis gebruik maken van een onafhankelijk cliëntondersteuner. Deze onafhankelijke cliëntondersteuner behartigt het belang van de cliënt.
De medewerker die de melding behandelt, geeft uitleg over dit onderzoek en geeft aan welke informatie er nodig is. De medewerker verzamelt die informatie ook, voor zover mogelijk. Daarbij is de medewerking van de melder onmisbaar. Als de melder en de medewerker het niet eens worden, dan kan er door de melder om een zogenoemde second opinion worden gevraagd. De melding wordt dan opnieuw beoordeeld door een andere medewerker. Hiermee kunnen onnodige en ingewikkelde bezwaarprocedures worden voorkomen.
Artikel 2.2 Inhoud van het onderzoek Omvang van het onderzoek Het onderzoek wordt gedaan op de manier die het meest recht doet aan de ondersteuningsvraag van de cliënt. Bij een eenvoudige ondersteuningsvraag kan het een beknopt telefonisch onderzoek zijn. Bijvoorbeeld bij een aanvraag voor een verlenging van een eerder toegekende voorziening. Bij complexere ondersteuningsvragen zal face-to-face contact het uitgangspunt zijn, op locatie of bij de cliënt thuis. Dit geldt ook als de melding in eerste instantie telefonisch is gedaan. Als de cliënt een persoonlijk plan heeft aangeleverd dan wordt dit meegenomen in het onderzoek. Inhoud van het onderzoek Eerst richt het onderzoek zich op het verduidelijken van de behoefte van de cliënt. Wat gaat er goed en wat lukt er niet meer? In sommige gevallen is het genoeg om de cliënt informatie en advies te geven, en is verdere ondersteuning niet nodig. Er is ook aandacht voor ondersteuningsvragen op domeinen buiten de Wmo (zie ook artikel 3.3). Bij het buurtteam is dit zelfs uitdrukkelijk de bedoeling. Waar nodig wordt de cliënt toegeleid naar de benodigde hulp op die terreinen. Die hulp valt niet onder de reikwijdte van deze Verordening en Nadere regels en staat daarom niet in dit artikel.