CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. ANONIEM Nota van beantwoording Inspraak Omgevingsplan Basisregeling Definitief 23 juni 2023

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 27 september 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief inzake de uitkomsten van de participatie op de het voorontwerp van de eerste wijziging van het omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling (VN2023-016005)37.456 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

15.2 Natuurbescherming en zorgplicht De Stichting komt met een betoog over een zorgplicht voor de provincie ter bescherming van de natuur, en op maatregelen die zijn uitgevaardigd ter bescherming van broedende vogels. Beantwoording Er wordt geen met het naar voren gebrachte verband houdende vraag of opmerking geplaatst. Aangenomen wordt dat beoogt wordt aan te geven dat daarmee bij het houden van evenementen rekening moet worden gehouden. Bij vergunningen om af te wijken van het bestemmingsplan, en straks het omgevingsplan, zal rekening moeten worden gehouden met aanwezige natuurwaarden en geldende maatregelen.

15.3 Voorschriften De Stichting komt met een betoog over de handhaving van vergunningvoorschriften. Gesteld wordt dat het gedogen van het niet naleven van voorschriften een permanent kenmerk is van overheidsbeleid betreffende het milieu.

51

Definitieve versie

23 juni 2023

Beantwoording Er wordt geen met het naar voren gebrachte verband houdende vraag of opmerking geplaatst. Voor zover bedoeld wordt dat voorschriften van verleende vergunningen niet worden nageleefd, dan wordt erop gewezen dat de Stichting kan verzoeken om handhaving daarvan.

16. Houthoff Buruma 16.1 Vergunningvrij bouwen a. De vergunningvrije bouwactiviteiten zijn op verschillende plekken in de basisregeling Omgevingsplan opgenomen. Artikel 4.12 (participatieversie) bevat de gevallen die nu zijn opgenomen in artikel 3 van bijlage 2 van het Bor. Artikel 5.8 (participatieversie) bevat de gevallen die nu zijn neergelegd in artikel 2 van bijlage 2 van het Bor. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat ook vergunningvrije gevallen (artikel 2.29 van het Bbl) en bepaalt (ook) welke omgevingsplanactiviteiten voor bouwwerken vergunningvrij zijn. Daarmee zijn de vergunningvrije gevallen versnipperd geraakt. Dat draagt niet bij aan de overzichtelijkheid van de vergunningvrije gevallen. b. Daarnaast merkt artikel 4.12 de in artikel 5.8 genoemde bouwwerken (welke in beginsel zijn toegestaan) niet expliciet aan als vergunningvrij. Daardoor is mogelijk in veel meer situaties dan op dit moment het geval is, een omgevingsvergunning voor bouwen vereist. In overweging wordt gegeven om de lijst in artikel 4.12 participatieversie uit te breiden met de in artikel 5.8 participatieversie genoemde bouwwerken. c. Daarnaast verdient het aanbeveling om de koppeling met artikel 2.29 Bbl tot uitdrukking te laten komen in artikel 4.7 dan wel artikel 4.12 van het Voorontwerp basisregeling Omgevingsplan.

Ter overweging geven wij mee om in de Toelichting inzicht te verschaffen in hoe de gemeente Amsterdam de samenhang tussen de vergunningvrije gevallen, waaronder die in het Bbl, ziet om deze zo toegankelijk mogelijk te maken voor de praktijk. Beantwoording Ad. a: Met de regels in artikel 4.12 en 5.8 worden verschillende aspecten geregeld. Artikel 4.12 bepaalt, in navolging van artikel 22.27 bruidsschat, dat de vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet van toepassing is op de daarbij aangegeven gevallen. Om die reden is dit artikel geplaatst in hoofdstuk 4, vlak na het artikel dat de betreffende vergunningplicht bevat (artikel 4.7). Artikel 4.12 is daarmee de opvolger van het huidig artikel 3, bijlage II Bor. Er geldt geen vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, maar er moet nog wel worden voldaan aan de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals gesteld in hoofdstuk 5 of het nog geldende bestemmingsplan. Artikel 5.8 bepaalt, in navolging van artikel 22.36 bruidsschat, dat de daarbij aangegeven bouwwerken ruimtelijk zijn toegestaan. Dit artikel is de opvolger van het huidig artikel 2, bijlage II Bor. Hoofdstuk 5 bevat locatiegerichte ruimtelijke regels over bouwwerken waarbinnen ze in beginsel zijn toegestaan. Artikel 5.8 doet het zelfde voor de aangegeven bouwwerken, alleen dan niet locatiegericht, maar generiek.

Dat een bouwwerk ruimtelijk is toegestaan, betekent nog niet dat er geen (aanvullende) vergunningplicht hoeft te gelden. Die vergunningplicht kan nodig zijn om bijvoorbeeld te toetsen op wat nu nog wordt genoemd redelijke eisen van welstand. Daarover gaat hoofdstuk 4. Hoewel de insteek van de systematiek gelijk is aan het huidig stelsel, is de opbouw anders, en dat vraagt gewenning. Extra complex is het dat ook het Rijk zelf regels stelt over de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Daarop hebben gemeenten geen invloed. In artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt een aantal bouwwerken opgesomd waarvoor geldt dat die ongeacht wat het omgevingsplan bepaalt, zijn toegestaan. Ook deze bouwwerken zijn onder huidig recht opgenomen in artikel 2, bijlage II Bor. Artikel 2.30 Bbl bevat daarop weer een uitzondering. In die gevallen worden de bouwwerken weer wel gereguleerd door het omgevingsplan. 52

Definitieve versie

Ad. b:

Ad. c:

23 juni 2023

In de algemene toelichting zal deze systematiek ten opzichte van het voorontwerp veel meer uitgebreid worden toegelicht. Daarnaast zullen vragenbomen in de praktijk initiatiefnemers moeten helpen om duidelijkheid te krijgen over de vraag of wel of geen vergunning nodig is. Dat is ook nu reeds het geval. Artikel 4.12 omvat vooralsnog de gevallen in artikel 5.8. Het is echter goed denkbaar dat artikel 5.8 wordt uitgebreid met meet meer categorieën van bouwwerken die generiek kunnen worden toegestaan, maar waarvoor geldt dat wel een welstandstoets is vereist. Die extra bouwwerken kunnen dan wel aan artikel 5.8 worden toegevoegd, maar blijven buiten artikel 4.12. De vergunningplicht met bijbehorende welstandstoets blijft dan van toepassing. Gemeenten gaan in beginsel niet over de bouwwerken die in artikel 2.29 Bbl zijn aangewezen. Dat ze vergunnignvrij zijn, én zijn toegestaan, volgt rechtstreeks uit artikel 2.29 Bbl. Het leggen van een koppeling in artikel 4.7 is dan ook niet aan de orde. Wel geldt er een uitzondering voor gevallen, aangewezen in artikel 2.30 Bbl. Dan is artikel 2.29 Bbl niet van toepassing, en is het wel het omgevingsplan dat regels kan stellen over de gevallen, bedoeld in artikel 2.29 Bbl. Die vallen dan automatisch onder de vergunningplicht van artikel 4.7.

Bij strijd met de ruimtelijke regels in hoofdstuk 5 (of een nog geldend bestemmingsplan) wordt voorzien in een binnenplanse afwijkmogelijkheid (artikel 4.26). De systematiek, zoals uitgelegd in paragraaf 10.5.3 van de Algemene toelichting, zal verder worden verduidelijkt.

16.2 Kruimelgevallen en binnenplanse bouwafwijkingen a. In het omgevingsplan wordt voorzien in een binnenplanse mogelijkheid om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken. Hierin zijn beperkingen aangebracht op de huidige kruimelgevallenregeling uit het Bor. Zo wordt het veelgebruikte onderdeel 1 ‘bijbehorend bouwwerk’ ook binnen de bebouwde kom qua vergunbare omvang behoorlijk ingeperkt. In vaste jurisprudentie van de bestuursrechter is de (ruime) toepassing van het kruimelgeval ‘bijbehorend bouwwerk’ bij een toegestaan hoofdgebouw omarmd. Verder ontbreken de eveneens in de praktijk veelgebruikte onderdelen ‘functiewijziging’ (onderdeel 9) en ‘tijdelijke afwijking voor maximaal 11 jaar’ (onderdeel 11). b. Wat betreft artikel 4.26 onder j tot en met o van het Voorontwerp basisregeling Omgevingsplan – de algemene bouwafwijkingen uit bestemmingsplannen– wordt nog opgemerkt dat specifieke metrages zijn opgenomen (bijvoorbeeld overschrijdingen van 1 of 3 meter), terwijl in veel bestemmingsplannen op dit moment met percentages wordt gewerkt om (beperkte) afwijkingen mogelijk te maken (bijvoorbeeld 10%). Het werken met een percentage in plaats van specifieke metrages geeft meer flexibiliteit om, afhankelijk van de omvang van het bouwwerk, ook bijbehorende afwijking toe te staan.

Aanbevolen wordt om artikel 4.26 onder j tot en met o (de algemene bouwafwijkingen aan te passen door percentages (bijvoorbeeld 10%) op te nemen, om daarmee meer flexibiliteit te creëren c. Initiatiefnemers zijn als een (bouw)plan niet valt onder de binnenplanse afwijkmogelijkheid aangewezen op het verkrijgen van toestemming voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Hoewel voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse én binnenplanse omgevingsplanactiviteiten onder de Omgevingswet (in de meeste gevallen) het gebruik van de reguliere procedure de standaardprocedure zal worden, zijn toch belangrijke verschillen te noemen: a. voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten gelden de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving met meer beoordelingsruimte dan nu is opgenomen bij de binnenplanse afwijkmogelijkheid; b. ook gelden (deels) andere vereisten voor de in te dienen aanvraag en onderzoeken; c. eventueel zou ook advies van de gemeenteraad benodigd (kunnen) zijn (als de buitenplanse omgevingsplanactiviteit als zodanig is aangewezen). d. Het opnemen van binnenplanse afwijkingsmogelijkheden wordt toegejuicht omdat verwacht wordt dat daarmee de vergunningverlening van (bouw)plannen eenvoudiger en sneller kan worden doorlopen. Er lijkt geen aanleiding om activiteiten met minder impact op de fysieke leefomgeving een 53

Definitieve versie

23 juni 2023

procedureel en vermoedelijk ook inhoudelijk zwaarder traject te laten volgen dan nu het geval is. In overweging wordt gegeven de binnenplanse afwijkmogelijkheden alsnog uit te breiden in overeenstemming met de kruimelgevallenregeling in het Bor Beantwoording Ad. a: In de beantwoording onder A.5 wordt ingegaan op de keuzes die zijn gemaakt met betrekking tot opname van de huidige kruimelgevallen als binnenplanse afwijkmogelijkheid. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen. Dat in de jurisprudentie een ruime uitleg van ‘bijbehorend bouwwerk’ wordt gehanteerd, maakt die keuze niet anders. Die jurisprudentie heeft immers betrekking op de afbakening van gevallen die onder huidig recht onder de buitenplanse afwijkmogelijkheid vallen, waarvoor onverkort het vereiste van een goede ruimtelijke ordening geldt. De keuze om voor deze gevallen een binnenplanse afwijkmogelijkheid te bieden, met een beperkt beoordelingskader, maakt de situatie een andere. Dat vergt een beperking in toepassingsbereik. Ad. b: In bestemmingsplannen worden op heel veel onderwerpen verschillende wijzen van regeling toegepast. In het omgevingsplan wordt dit geharmonieerd, waarbij gekozen wordt voor de meest voor de hand liggende wijze van regeling. Dat geldt ook voor de bedoelde afwijkmogelijkheden. Het betreft aangewezen gevallen waarbij het bouwvlak of de maximum bouwhoogte worden overschreden.

In de basisregeling zijn die overschrijdingen gemaximeerd in een absolute norm. Voorgesteld wordt dit te vervangen door een relatieve norm, een percentage. Dat zou betekenen dat naarmate het bouwvlak groter is, de overschrijding die met een binnenplanse afwijkmogelijkheid kan worden toegestaan, ook groter zou zijn. Zo ook voor de bouwhoogte. Dat is ongewenst. Wanneer afwijking binnenplans niet mogelijk is, kan eventueel met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit medewerking worden verleend. Ad. c: Deze constatering is juist. En die gevolgen zijn juist beoogd. Het betreft gevallen van een omvang, aard of (mogelijke) impact die een bredere afweging noodzakelijk maken, dan waarin voorzien is voor de binnenplanse afwijkmogelijkheid. Voor gevallen waarvoor op grond van de wet de uitgebreide procedure geldt, is opname als binnenplanse afwijkmogelijkheid sowieso ongewenst. Hetzelfde geldt voor gevallen die de gemeenteraad heeft aangewezen als gevallen waarop het adviesrecht van toepassing moet zijn. Ad. d: Van een procedureel langer traject is geen sprake. Voor zover een zwaardere beoordeling aan de orde is, dan is dat ook beoogd.

16.3 Beoordelingscriteria omgevingsplanactiviteit bouwwerken (windhinder) a. Bij laagbouw dient de omgevingsvergunning bouwwerken te worden geweigerd in het geval van een redelijk vermoeden op onaanvaardbare windhinder (een dwingende weigeringsgrond). Voor hoogbouw geldt dat in een onderzoek rekening dient te worden gehouden met ‘te verwachten hoogbouw’, ook al is nog geen aanvraag ingediend. b. De beoordelingsregels rond windhinder leiden voor initiatiefnemers naar verwachting tot behoorlijke onderzoekslasten nu het er op lijkt dat in nagenoeg alle gevallen een (uitgebreid) windhinder onderzoek benodigd zal zijn (al is het maar om te onderbouwen dat niet van onaanvaardbare windhinder sprake is). Er wordt niet gedifferentieerd per gebied in Amsterdam. c. Aanbevolen wordt om de beoordelingsregels windhinder, specifiek die voor laagbouw, te heroverwegen met het oog op een waarschijnlijke verzwaring in onderzoekslasten voor initiatiefnemers. Beantwoording Ad. a: De constatering is juist. Voor zowel hoogbouw (vanaf 30 meter) als laagbouw (tot 30 meter) wordt voorzien in een beoordelingsregel die van toepassing is op aanvragen om een omgevingsvergunning

54

Definitieve versie

Ad. b:

Ad. c:

23 juni 2023

bouwwerken. Doel is onaanvaardbare windhinder of windgevaar te voorkomen. De finale beoordeling kan het best plaatsvinden aan de hand van het concrete gebouwontwerp. Voor hoogbouw houdt de beoordelingsregel in dat de vergunning wordt geweigerd indien sprake is van onaanvaardbare windhinder of windgevaar. Dat wordt beoordeeld aan de hand van onderzoek. Daarbij wordt bebouwing die in de omgeving van het initiatief is gerealiseerd of waarvoor een vergunning is aangevraagd, betrokken. Wanneer er ontwikkelingen zijn te verwachten waarvoor nog geen vergunning is aangevraagd, dan kan het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift stellen dat ook die worden betrokken. Dat is allemaal bedoeld om onaanvaardbare situaties te voorkomen. Daar waar bij hoogbouw altijd een windhinderonderzoek nodig is, is dat bij laagbouw juist niet het geval. Onderzoek vormt daar de uitzondering. De beoordelingsregel voorziet erin dat de vergunning wordt geweigerd bij een redelijk vermoeden van onaanvaardbare windhinder of windgevaar. Dat redelijk vermoeden moet wel worden geconcretiseerd. Daartoe is bepaald dat het bevoegd gezag zich daarbij baseert op: a. de kenmerken en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de omvang van de voorgenomen bebouwing en de omgeving ter plaatse; en b.

eerdere windhinderonderzoeken op of in de nabijheid van de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft, of de feitelijk bekende windhindersituatie ter plaatse. Heeft het bevoegd gezag geen redelijk vermoeden van onaanvaardbare windhinder of windgevaar, dan kan onderzoek achterwege blijven. Heeft het bevoegd gezag wel dit redelijk vermoedelijk, dan wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld dit vermoeden weg te nemen door middel van onderzoek. Die systematiek leidt ertoe dat alleen onderzoek wordt gevraagd, wanneer daar daadwerkelijk aanleiding toe bestaat. Het is niet mogelijk is per gebied te differentiëren. Of en in welke mate windhinder optreedt, is hoofdzakelijk afhankelijk van nieuwbouw in relatie tot reeds bestaande bebouwing. Daarbij komt dat dit in belangrijke mate afhankelijk is van de daadwerkelijke gebouwontwerp. Dat is, zoals in de toelichting aangegeven, ook de reden dat de finale beoordeling wordt gekoppeld aan de aanvraag om bouwvergunning. Daarbij is tevens aangegeven waarom ook bij laagbouw een beoordeling moet kunnen plaatsvinden als dat nodig is. Ook bij laagbouw kan zich onaanvaardbare windhinder of windgevaar voordoen. Het doel is dat te voorkomen. De systematiek is zo opgebouwd dat onderzoek alleen nodig is, als er sprake is van redelijk vermoeden van onaanvaardbare windhinder of windgevaar.

Voor zover dat in die gevallen een extra onderzoekslast meebrengt, is dat gerechtvaardigd vanuit de noodzaak om te kunnen beoordelen of geen onaanvaardbare windhinder of windgevaar ontstaat.

16.4 Parkeren (auto en fiets) a. De verbodsbepaling over ‘feitelijke beschikbare’ parkeerplaatsen leidt naar verwachting tot uitvoeringsproblemen voor de praktijk. Voor bestaand vastgoed dat al enige tijd geleden is gerealiseerd, is vaak lastig te herleiden wat de geïnventariseerde parkeerbehoefte was ten tijde van de oprichting van het vastgoed, welke parkeernormering daaraan is toegekend en hoeveel parkeerplaatsen feitelijk op eigen terrein zijn gerealiseerd en/of in stand zijn gehouden. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met complexiteiten als dubbelgebruik en de allocatie van parkeerplaatsen wanneer sprake is van verschillende vormen van gebruik. Verzocht wordt voornoemde regeling te heroverwegen. Denkbaar is dat het gebruik van het begrip ‘feitelijke beschikbaarheid’ wordt verlaten en in plaats daarvan aansluiting wordt gezocht bij de vergunde situatie welke op basis van objectieve gegevens is vast te stellen en daaraan (indien dat noodzakelijk wordt geacht) een instandhoudingsverplichting te verbinden. Verder zou een overgangsbepaling gewenst zijn gelet op de gedateerdheid van veel vastgoed waarbij de parkeersituatie niet herleidbaar is.

55

Definitieve versie

23 juni 2023

b. De verplichting daarnaast om de parkeervoorzieningen als bedoeld in artikel 3.139 lid 2 en artikel 3.140 lid 1 participatieversie te realiseren is een vergaand middel voor het verzekeren van voldoende parkeergelegenheid, terwijl de basisregeling al voorziet in diverse bepalingen welke leiden tot het realiseren en in stand houden van parkeervoorzieningen. Beantwoording Ad. a: De reactie heeft betrekking op subparagraaf 2.4.3.1 participatieversie, waarin voor bestaande situaties regels over parkeernormering zijn opgenomen. Als uitgangspunt voor de regeling is genomen dat er bij een bestaande situatie altijd sprake is van een aantal parkeerplaatsen dat feitelijk beschikbaar is. Dat feitelijk aantal beschikbare plaatsen is, als het goed is, in overeenstemming met in het verleden genomen besluiten. Vervolgens zijn het wijzigingen in die bestaande situatie, waarover regels zijn gesteld. Het is het wijzigen van het aantal parkeerplaatsen en het (binnenplans) wijzigen van gebruik, waarvoor geldt dat dat alleen is toegestaan wanneer de nieuwe situatie in overeenstemming is met de geldende normen, dan wel daarmee meer in overeenstemming wordt gebracht. Daarbij hoeft in het geheel niet gekeken te worden naar wat ooit is vergund. Niet valt in te zien waarom de geschetste problemen zich zouden voordoen.

Voor zover de bestaande, feitelijke situatie rechtmatig is, ontstaat er geen enkele verplichting tot aanpassing. De regeling houdt niet in dat de feitelijk bestaande situatie in overeenstemming gebracht moet worden met de parkeernomen, zoals opgenomen in het omgevingsplan. Een overgangsbepaling is dan ook niet nodig. Aan het artikel dat het toepassingsbereik van de supparagraaf bepaalt, wordt een lid toegevoegd dat dit duidelijk maakt. Ad. b: Voor wat betreft de genoemde artikelen 3.139 en 3.140 wordt opgemerkt dat paragraaf 3.2.1.3.3 ziet op publiektoegankelijke parkeervoorzieningen en fietsstalling binnen het gebruiksdoel ‘Verkeer’. Een publiektoegankelijke parkeervoorziening of fietsstalling strekt ten behoeve van het publiek gebruik en niet exclusief ten behoeve van een bepaald gebruiksdoel. Het is ook mogelijk dat slechts een deel van een parkeervoorziening publiektoegankelijk dient te zijn. Publiektoegankelijke parkeervoorzieningen en fietsstalling (als dan niet gedeeltelijk) zijn op heel veel plekken te vinden. Het is van belang dat de betreffende parkeervoorziening, als die publiektoegankelijk is beoogd, ook daadwerkelijk publiektoegankelijk wordt en blijft. Met de betreffende artikelen kan dit worden geborgd. De verplichting geldt uitsluitend waar dit blijkens de locatie-aanduiding is beoogd.

16.5 Gebruiksdoelen / flexibiliteit functies In de basisregeling wordt tot op detailniveau gereguleerd welke functies op welke locatie zijn toegestaan. Met de Omgevingswet wordt beoogd om uitnodigingsplanologie te bereiken in plaats van toelatingsplanologie. Meer deregulering was daarbij het devies. Opgemerkt wordt dat door het op detailniveau voorzien in gebruiksdoelen, flexibiliteit van functies lastig wordt en bij initiatieven in veel gevallen toestemming voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig zal zijn. Verzocht wordt de wijze waarop aan de gebruiksdoelen invulling is gegeven te heroverwegen en een nadere onderbouwing te verzorgen in het algemene deel van de toelichting “Algemene Toelichting” waarom beperkingen vanuit het oogpunt van een fysieke leefomgeving aangewezen is. Beantwoording De Omgevingswet gaat over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Over ruimte bieden waar dat mogelijk is, en beperkingen stellen waar dat nodig is. Deregulering is daarbij geen doel op zich. Het moet mogelijk zijn, en het moet wenselijk zijn. De tijd waarin de Omgevingswet tot stand is gekomen, was een tijd van crisis en herstel. Inmiddels is de druk op de fysieke leefomgeving niet verder afgenomen, maar toegenomen. Dat vraagt om regulering. Geconstateerd is dat het nodig blijft om te bepalen waar welke vormen van ruimtelijk gebruik wel of niet zijn toegestaan.

Een omgevingsplan dat in zijn algemeenheid bijvoorbeeld detailhandel, wonen en bedrijf toelaat, 56

Definitieve versie

23 juni 2023

maar zonder beperkingen over waar dat mag, of in welke omvang dat mag, biedt onvoldoende mogelijkheden om te sturen op het voorkomen van ongewenste situatie. Daarmee zou ook niet worden voldaan aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, en de instructieregels uit het Bkl en de provinciale omgevingsverordening. Er zal gestuurd moeten worden op waar een geluidgevoelig gebouw mag komen, en waar geluidbelastende industrie. Uit andere reacties blijkt ook die behoefte aan sturing. Overigens biedt de gekozen systematiek alle ruimte voor flexibiliteit waar dat kan en wenselijk is. Met hoofdstuk 3 wordt een groot aantal te onderscheiden gebruiksdoelen gedefinieerd, en wordt bepaald waar die zijn toegestaan. Waar meerdere vormen van gebruik gewenst zijn, kunnen meerdere gebruiksdoelen aan een locatie worden toegekend. Daarbij zin per gebruiksdoel artikelen opgenomen met beperkingen met betrekking tot bijvoorbeeld omvang en situering. Daar waar dat nodig is, kunnen die beperkingen worden gesteld. Waar dat niet nodig is, kunnen die beperkingen achterwege blijven. In de toelichting is aangegeven waarom verschillende gebruiksdoelen van elkaar zijn onderscheiden, en met het oog waarop bepaalde beperkingen zijn gesteld.

16.6 Kwalificatie milieubelastende activiteiten Hoofdstuk 10 van het Voorontwerp basisregeling Omgevingsplan geeft de regels voor 'milieubelastende activiteiten'. Hiermee kan bij de gebruiker de indruk worden gewekt dat het hier om milieubelastende activiteiten gaat die onder het toepassingsbereik van het Besluit activiteiten leefomgeving vallen. Adressant geeft in overweging mee om de kwalificatie van milieubelastende activiteiten te laten behouden voor die onder het toepassingsbereik van het Besluit activiteiten leefomgeving vallen en op omgevingsplan een ander begrip, bijvoorbeeld ‘omgevingsplan-mba’ te gebruiken. Beantwoording Hoofdstuk 10 gaat over alle milieubelastende activiteiten, en dus ook over milieubelastende activiteiten die onder het Besluit activiteiten leefomgeving vallen. De meeste regels in het omgevingsplan betreffen milieuaspecten die het Besluit activiteiten leefomgeving niet regelt, zoals geluid, geur en trillingen. Deze milieuregels zijn aanvullend op het Besluit activiteiten leefomgeving en gelden dus zowel voor activiteiten die onder het Besluit activiteiten leefomgeving vallen en voor activiteiten die daar niet onder vallen. Een onderscheid tussen milieubelastende activiteiten (die onder het Besluit activiteiten leefomgeving vallen) en ‘omgevingsplan- milieubelastende activiteiten’ is niet zinvol.

Er is slechts een zeer beperkt aantal regels dat alleen van toepassing is op activiteiten die niet onder het Besluit activiteiten leefomgeving vallen. Een apart begrip voor deze kleine groep is niet nodig.

16.7 Melding overdracht activiteit (milieubelastende activiteiten) De wijziging in de zeggenschap moet vooraf gemeld worden (artikel 1.6 participatieversie). De formulering sluit goeddeels aan bij artikel 5.37 Omgevingswet, waarin hetzelfde voor (omgevings)vergunninghouders is opgenomen. Artikel 1.6, onder b , participatieversie lijkt dan ook met name te zijn gericht tot nietvergunninghouders. Het is de vraag of de vermoedelijk geringe milieubelasting van nietvergunningplichtige activiteiten rechtvaardigt dat een dergelijke melding moet worden gedaan. In de praktijk bestaat best wel wat discussie over de omstandigheden waaronder moet worden gemeld, bijvoorbeeld bij een aandelentransactie van een bedrijf. Bevoegde gezagen gaan er in de praktijk soms verschillend mee om. De introductie van een nieuwe meldingsplicht vergroot het risico op uiteenlopende toepassingen van de melding wijziging zeggenschap. In overweging wordt gegeven om geen melding wijziging zeggenschap op te nemen. Mocht een dergelijke bepaling toch gewenst zijn, dan is het wenselijk de normadressaat en formulering uit de Omgevingswet te handhaven en naar artikel 5.37 Omgevingswet te verwijzen.

57

Definitieve versie

23 juni 2023

Beantwoording Artikel 1.6 participatieversie is overgenomen uit de bruidsschat. Alle omgevingsplannen bevatten dus dit artikel op 1 januari 2024. Het betreft een nieuwe verplichting ten opzichte van het huidige recht. Dit artikel heeft inderdaad alleen toegevoegde waarde voor zover artikel 5.37 Omgevingswet dan wel artikel 2.19 Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing is. Onder het huidige recht is het gebruikelijk dat openbare gegevens (zoals die van Kamer van Koophandel) worden gecontroleerd. Die werkwijze kan worden doorgezet. Daarom kan dit artikel conform verzoek geschrapt worden.

16.8 Integrale beoordeling milieueffecten Een van de doelstellingen van de Omgevingswet is de integratie van de onderdelen van de fysieke leefomgeving. De gemeente Amsterdam lijkt ervoor te kiezen om het ruimtelijke gebruik en de milieubelasting niet geïntegreerd te beoordelen. Het is de vraag in hoeverre die opzet tot potentiële tegenstrijdigheid of dubbellingen kan leiden. In dit verband wordt gewezen op de vergunningplicht voor een 'omgevingsplanactiviteit bedrijf in verband met milieuhinder' (subparagraaf 3.2.5.2). Voor een bedrijf om een dergelijke vergunning te verkrijgen mag kort gezegd geen sprake zijn van de toename van geluid, geur en stof. Aannemende dat deze 'stand-still' verplichting niet tot een overschrijding kan leiden van de normen die gelden voor (omgevingsplan) milieubelastende activiteiten uit hoofdstuk 10 van het Voorontwerp basisregeling Omgevingsplan (of eventuele overgangsrechtelijke normen), lijkt dit inhoudelijk goed te gaan, maar dat zou meer op detailniveau moeten worden bekeken. Op onderzoeksniveau lijkt er minder afstemming, de voor het ruimtelijk gebruik gevraagde gegevens zijn anders en dienen een ander doel (zie artikel 3.65) dan de gegevens die worden verlangd in het kader van (gebruik met) milieubelasting (artikel 10.17).

Aanbevolen wordt na te gaan welke aanvullingen in het omgevingsplan kunnen worden gedaan om inhoudelijke en procedurele integratie ruimtelijk gebruik enerzijds en (gebruik met) milieubelasting anderzijds, te bevorderen. Zeker omdat in veel gevallen een initiatiefnemer meerdere activiteiten tegelijkertijd zal aanvragen en het niet de bedoeling kan zijn dat deze bijvoorbeeld twee geluidsonderzoeken zal overleggen. Beantwoording Bij het opstellen van de basisregeling zijn voor de structurering van regels verschillende varianten onderzocht. Daarbij is ook gekeken naar een integratie van de regels van hoofdstuk 2, 3 en 10. Het volledig met elkaar integreren maakt echter de regelopbouw onnodig ingewikkeld en onoverzichtelijk. Hoofdstuk 10 gaat uit van ‘losse’ milieubelastende activiteiten die niet een-op-een te koppelen zijn aan ruimtelijke gebruiksvormen. Bereiden van voedingsmiddelen kan bijvoorbeeld plaats vinden bij horeca, in de kantines van bedrijven of kantoren. Het houden van dieren komt niet alleen voor bij agrarische activiteiten, maar ook bij functies in de stad, zoals dierentuin, kinderboerderij of manege. Een inhoudelijke integratie van regels bleek dan ook niet mogelijk of doelmatig. Dat neemt niet weg dat een goede afstemming van hoofdstukken nodig is om dubbele regeling of tegenstrijdigheden te voorkomen.

Bij het opstellen van de basisregeling en toekomstige wijzigingen wordt hiermee rekening gehouden. Een procedurele integratie lijkt evenmin aan de orde. Hiermee wordt aangesloten bij het uitgangspunt van de Omgevingswet dat het aan initiatiefnemer is om te bepalen welke vergunningen in welke volgorde hij of zij aanvraagt. Het criterium van onlosmakelijkheid bij samenhangende activiteiten uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt onder de Omgevingswet, en zo ook in het omgevingsplan losgelaten. De gemeente zal bevorderen dat initiatiefnemer voldoende kennis heeft op de regels die van toepassing zijn op de voorgenomen activiteit. Het ontbreken van procedurele integratie betekent uiteraard niet dat de gemeente onderzoeken dubbel kan vereisen. Dat zou in strijd zijn met artikel 16.55, vijfde lid Omgevingswet (informatie hoeft niet te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die informatie beschikt) dan wel met het vereiste van redelijkheid als onderdeel van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 58

Definitieve versie

23 juni 2023

16.9 Aansluitingen distributienet De artikelen 4.132 tot en met 4.134 van het Voorontwerp basisregeling Omgevingsplan hebben betrekking op ‘aansluiting op distributienetten’ voor respectievelijk elektriciteit, gas en warmte. Deze artikelen zijn identiek aan de bepalingen uit de Bruidsschat, te weten: de artikelen 22.8 tot en met 22.10. In lijn met de Bruidsschat heeft de Gemeente alleen voor de aansluiting op het distributienet voor warmte (artikel 4.134), in lid 2 opgenomen op welke manier de gelijkwaardigheid van een andere maatregel moet worden getoetst. De Gemeente laat de invulling van de gelijkwaardigheid van een maatregel voor de aansluiting op het distributienet voor elektriciteit en gas open. De praktijk kan voor bepaalde situaties erg geholpen zijn met een nadere inkadering van gelijkwaardigheid. Verzocht wordt na te denken over eventuele mogelijkheden en voor- en nadelen om ook voor elektriciteit en gas een nadere inkadering van gelijkwaardigheid op te nemen, om zodoende alternatieve invullingen voor aansluitingen voor alle betrokken stakeholders te vergemakkelijken. Het verdient aanbeveling de ratio achter de bepalingen toe te lichten. Uit de inhoud van de bepalingen blijkt alleen dat het gaat om ‘het waarborgen van de veiligheid’.

Kennelijk wordt het aansluiten van (een voorziening in) een (te bouwen) bouwwerk op een distributienet geacht die veiligheid te waarborgen. Welke veiligheid het betreft, waarom die wordt gewaarborgd door aan te sluiten op een distributienet, waarom deze bepaling (bij elektriciteit en gas) niet geldt voor ‘het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk’, en hoe diezelfde veiligheid moet worden gewaarborgd als er geen nabijgelegen distributienet aanwezig is, is niet duidelijk. De terminologie in de bepalingen sluit verder niet aan op die in de Elektriciteitswet 1998, de Gaswet en de Warmtewet. De begrippen “voorziening [voor het afnemen en gebruiken van energie]” en “distributienet” komen daar niet in voor. Het verdient aanbeveling aan te sluiten bij de terminologie in de betreffende sectorspecifieke wet, ook om te verduidelijken wat precies wordt bedoeld met ‘voorziening’ en ‘distributienet’. De bepalingen zijn onduidelijk. Beantwoording Zoals in de reactie zelf al vermeld, is sprake van bestaande regels die op rijksniveau vervallen, maar die bij wijze van bruidsschat automatisch onderdeel worden van hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van rechtswege. In de consultatieversie van de basisregeling waren de betreffende regels, die nu nog worden gesteld in het Bouwbesluit, en die betrekking hebben op bouwwerken, verplaatst naar hoofdstuk 4.

Met die verplaatsing naar hoofdstuk 4 was geen enkele inhoudelijke wijziging beoogd anders dan de regels over gebruik bij elkaar te plaatsen. Op dit moment is er geen aanleiding tot inhoudelijke aanpassing. Besloten is de betreffende regels vooralsnog in hoofdstuk 22 te laten staan.

16.10 Klimaat(adaptatie) a. Amsterdam heeft grote ambities op het gebied van klimaat. De basisregeling kent een beperkt aantal regels dat die ambities adresseert, bijvoorbeeld op het gebied van hemelwaterafvoer bij bouwwerken en energiebesparing. Onderwerpen zoals hittestress, het vergroenen van bedrijventerreinen of het stimuleren van elektrisch rijden, al dan niet middels bepaalde omgevingswaarden, zijn vooralsnog niet opgenomen. In de toelichting wordt geen aandacht besteed aan klimaat en nauwelijks aan duurzaamheid. b. Ook is het voorkomen van klimaatverandering of het beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering nergens als doel in het plan opgenomen. De paragrafen 9.5.7. (Groen- en natuurbeleid) en 9.5.8 (Duurzaamheidsbeleid) moeten nog worden ingevuld. c. Tegelijkertijd is de ervaring in de praktijk dat de zogenaamde (civielrechtelijke) bouwenvelop tussen de Gemeente en een initiatiefnemer in toenemende mate afspraken op het gebied van klimaat worden gemaakt. Mede omwille van het creëren van rechtszekerheid en een gelijk speelveld is het, los van 59

Definitieve versie

23 juni 2023

ambitie, wenselijk dat ‘klimaatstandaarden’ publiekrechtelijk in het omgevingsplan worden vastgelegd. d. Voor het vervolgtraject wordt de wensgesproken uit dat het onderwerp klimaat met voorrang nader wordt uitgewerkt en bij de invulling hiervan ook marktpartijen actief worden betrokken. Beantwoording Ad. a: Het beleid op het gebied van duurzaamheid is reeds vastgelegd in de gemeentelijke Omgevingsvisie Amsterdam 205o. Dit beleid krijgt een verdere concretisering in sectorale of gebiedsgerichte programma’s. Daarbij zal ook worden gekeken naar de wijze waarop de beleidsdoelen kunnen worden bereikt. Niet alle doelen zijn uitsluitend te bereiken door het stellen van regels. In veel gevallen werken voorlichting of stimuleringsmaatregelen net zo goed of zelfs beter. En ook het borgen van afspraken in een bouwenvelop werkt in de praktijk. Voor zover beleidsrealisatie vraagt om regels in het omgevingsplan, dan kunnen deze te zijner tijd worden opgenomen. Ad. b:

De toelichting van het omgevingsplan is bedoeld om uitleg en onderbouwing te geven aan de regeling. Voor zover het omgevingsplan reeds regels bevat, is daaraan in de toelichting aandacht besteed. Het betreft bijvoorbeeld het onderdeel over hemelwaterafvoer. Wanneer beleidsrealisatie vraagt om aanvullende regels, dan zal de toelichting op dat moment worden aangevuld. Zie ook onder A.2.

Ad. c:

In de praktijk wordt inderdaad gewerkt met bouwenveloppen waarin ook afspraken op het gebied van duurzaamheid worden vastgelegd. De afspraken volgen over het algemeen uit bestuurlijk vastgestelde kaders.

Ad. d:

Binnen Amsterdam wordt op vele beleidsterreinen tegelijkertijd gewerkt. Bij de totstandkoming van beleid wordt bepaald op welke wijze betrokkenheid wordt georganiseerd. Zodra beleid op het gebied van duurzaamheid gereed is en om vertaling naar regels vraagt, zal het omgevingsplan worden aangevuld.

16.11 Zelfstandige leesbaarheid Verzocht wordt aandacht te hebben voor de zelfstandige en zo eenvoudig mogelijke leesbaarheid van het omgevingsplan, juist ook omdat dit plan op decentraal niveau voor burgers en bedrijven het belangrijkste instrument vormt. Veel meer dan op dit moment bij bestemmingsplannen het geval is, wordt in de basisregeling terugverwezen naar bepalingen uit de Omgevingswet en/of de onderliggende regelgeving. Deze regelmatig voorkomende (terug)verwijzingen maken dat het omgevingsplan in de context van het wettelijk kader moet worden gelezen en veel minder zelfstandig leesbaar en toepasbaar is. In sommige gevallen is het wellicht mogelijk om de verwijzing naar een wetsartikel kwalitatief te omschrijven (eventueel met het betreffende artikel erachter) of ter verduidelijking de titel van het betreffende artikel direct daarachter op te nemen. In elk geval lijkt het onontbeerlijk dat het hele omgevingsplan digitaal wordt ‘doorgelinkt’, in die zin dat verwijzingen – zowel binnen het omgevingsplan als daarbuiten binnen het bredere wettelijke Omgevingswetkader – digitaal aanklikbaar zijn, waardoor het achterliggende artikel eenvoudig kan worden geraadpleegd. Beantwoording Het omgevingsplan bevat inderdaad de nodige kruisverwijzingen. Dat gewerkt wordt met interne kruisverwijzingen is onontkoombaar.

Het omgevingsplan bevat ook kruisverwijzingen naar hogere wet- en regelgeving. Daarmee worden bijvoorbeeld artikelen of tabellen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing verklaard. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat het omgevingsplan en die hogere wet- en regelgeving inhoudelijk uit elkaar gaan lopen. In een aantal gevallen kunnen deze externe kruisverwijzingen 60

Definitieve versie

23 juni 2023

beter worden vervangen door integratie van de regel of tabel waarnaar nu nog verwezen wordt. Zo kunnen de verwijzingen naar tabellen met geluidsnormen in het Besluit kwaliteit leefomgeving worden vervangen door opname van de betreffend tabellen in de regels zelf. Dat komt de leesbaarheid en begrijpelijkheid van de regeling ten goede. De regeling zal hierop nog worden doorlopen en aangepast. Het voorstel om een verwijzing naar een wetsartikel kwalitatief te omschrijven (eventueel met het betreffende artikel erachter) of ter verduidelijking de titel van het betreffende artikel direct daarachter op te nemen wordt niet overgenomen. Dat draagt niet bij aan de leesbaarheid van de afzonderlijke regels. De regeltekst wordt onnodig veel langer, en teksten tussen haakjes maken de regeltekst onoverzichtelijk. De oplossing die in het omgevingsplan is gevonden is te vinden in de artikelgewijze toelichting. Daarin wordt tekst en uitleg gegeven bij alle regels in het omgevingsplan. Waar nodig wordt daarbij tevens de relatie met hogere regelgeving toegelicht. Een mogelijkheid om te werken met links naar rijksregels zou zeer wenselijk zijn. Dit is in het verleden ook ambtelijk aan het Rijk meegegeven. Dan zou bijvoorbeeld ook een link naar begripsbepalingen in de Omgevingswet en de amvb’s kunnen worden opgenomen. Helaas is hierin met de digitale standaarden niet voorzien.

16.12 Beschikbaarheid plankaart en bijlagen (o.a. bijlage IV) Het is van belang dat de gebruiker inzicht krijgt in hoe de regels uit de basisregeling voor de eigen situatie uitpakken. Het opstellen van een omgevingsplan gebeurt in fases. De plankaart en bijlagen die de regels nader uitwerken en/of toepassen komen wellicht pas in een volgende fase beschikbaar. Het betreft echter onderdelen van het omgevingsplan die voor gebruikers wezenlijk zijn. Zonder de plankaart en in sommige gevallen ook zonder de bijlagen is het moeilijk voor gebruikers om over sommige onderdelen van de basisregeling zorgvuldig een mening te vormen. Bijvoorbeeld de inhoud van Bijlage IV (Lijst van bedrijfsactiviteiten) is bepalend voor de vraag welke bedrijven op welke locatie(s) zijn toegestaan. Omwille van de rechtszekerheid en het bieden van zorgvuldige inspraak wordt het zinvol geacht de (digitale) plankaart en bijlagen tevens informeel worden gedeeld, en niet pas voor het eerst als onderdeel van een ontwerpversie. Dit stelt gebruikers in staat om voorafgaand aan de formele procedure de gevolgen voor haar positie inzichtelijk te krijgen, daarop via een informele weg en mogelijk met meer ruimte voor inspraak een reactie te geven en daarmee tevens te voorkomen dat het in de formele procedure eventueel aanvullend tot heel veel reacties leidt.

Dit voorkomt tevens dat een gemeentelijke reactie daarop pas voor het eerst in een beroepsprocedure ter discussie staat. In de beoogde informele route zou dat nog in de bestuurlijke fase worden afgedaan. Dat lijkt ons de juiste plek en bovendien meer proces efficiënt. Beantwoording Voor wat betreft het verzoek om voorafgaand aan de formele procedure de (digitale) plankaart te delen, wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording onder A.3. Voor wat betreft het verzoek om voorafgaand aan de formele procedure de nu nog ontbrekende bijlage te delen, wordt opgemerkt dat die bijlagen betrekking hebben op regels die pas in werking gaan treden nadat met latere besluiten het nog geldende bestemmingsplan is vervangen. Dat gebeurt met afzonderlijke wijzigingsbesluiten, die een eigen procedure doorlopen, zie meer uitgebreid de beantwoording onder A.1. Er is geen aanleiding voor een hernieuwde terinzagelegging.

C. Beantwoording binnengekomen bestuurlijk overlegreacties 17. Waternet 17.1 Ontwateringsnorm in het omgevingsplan In het Omgevingsprogramma Riolering (OPR) is voor de openbare ruimte een norm voor de ontwateringsdiepte van 90 cm opgenomen. Met de juiste maatregelen kan met deze norm een duurzame 61

Definitieve versie

23 juni 2023

maaiveldhoogte gerealiseerd worden. Om de stad nog robuuster en klimaatbestendiger te maken zou er ook een ontwateringsnorm voor private terreinen moeten komen. Die is er nu nog niet. Naast een ontoereikende ontwatering op de private terreinen, zou dit ook het neveneffect kunnen hebben dat de ontwateringsnorm in de openbare ruimte niet gehaald wordt. Het realiseren van een robuuste ontwateringsdiepte is voornamelijk complex in de stadsdelen Zuidoost en Noord en in diepe polders, maar daarom is het juist belangrijk om maatregelen hier te kunnen afdwingen. Verzocht wordt een ontwateringsnorm voor private terreinen in het Omgevingsplan vast te stellen. Beantwoording In het Omgevingsprogramma Riolering (OPR) is voor de openbare ruimte een norm voor de ontwateringsdiepte van 90 cm opgenomen. Als op de private terreinen onvoldoende ontwatering plaatsvindt, kan dat een effect hebben op de ontwatering in de openbare ruimte, waardoor de ontwateringsnorm ook in de openbare ruimte niet gehaald wordt. Waternet noemt met name de stadsdelen Zuidoost en Noord. In de Omgevingswet is in artikel 2.16 de grondwaterzorgplicht van de gemeente uit artikel 3.6 van de Waterwet overgenomen. Van belang hier is met name dat de gemeente de zorgplicht heeft om maatregelen te treffen om nadelige grondwaterstandgevolgen te voorkomen in openbaar gebied.

Daarom is in het Omgevingsprogramma Riolering (OPR) een norm voor de ontwateringsdiepte opgenomen voor openbaar gebied. Voor de gewenste ontwateringsdiepte, dus de afstand tussen maaiveld en grondwaterstand, wordt een maat van 0,90 m gehanteerd bij de ontwikkeling van nieuwe (binnendijkse) gebieden. Grondeigenaren van private percelen zijn zelf verantwoordelijk voor de grondwaterstand op hun perceel. De vraag van Waternet is om in het Omgevingsplan regels te stellen voor ontwatering op private terreinen, omdat ontoereikende maatregelen voor ontwatering op private terreinen effect kunnen hebben op de ontwatering in openbaar gebied. Op dit moment is er te weinig informatie voorhanden om hier een concreet antwoord op te geven. Er moet goed gemotiveerd kunnen worden dat het opnemen van een norm over de ontwateringsdiepte nodig is, en of een dergelijk norm past binnen het toepassingsbereik van het omgevingsplan. De gemeente zal hierover met Waternet in overleg gaan.

17.2 Beoordelingsregels (grond)watereffecten bij ondergrondse bouwwerken In deze versie van het Omgevingsplan zitten nog niet de nieuwe beoordelingsregels die zijn afgeleid van het parapluplan Grondwaterneutrale kelders. Deze zijn in januari 2023 door de projectgroep definitief gemaakt. Graag zien wij die terug in de volgende versie van het omgevingsplan. Beantwoording De participatieversie van de basisregeling dateert van voor januari 2023. De aanpassingen die nadien met betrekking tot het parapluplan zijn doorgevoerd, worden één op één vertaald naar het ontwerp wijzigingsbesluit basisregeling.

17.3 Vereisten hemelwaterberging Artikel 4.143 ‘Vereisten hemelwaterberging’: a. in de artikelsgewijze toelichting graag aandacht voor het feit dat lozing in het riool of oppervlaktewater ook nodig is indien er bij infiltratie van hemelwater in de bodem grondwateroverlast zal optreden. b. in het zesde lid is opgenomen dat indien infiltratie van hemelwater in de bodem niet mogelijk is, dit in het openbare riool mag worden geloosd. Dit wekt de indruk dat er ook in een vuilwaterriool (DWA) mag worden geloosd. Hier wordt bedoeld dat lozing plaatsvindt in een hemelwaterriool of, bij afwezigheid van een gescheiden stelsel, lozing in een gemengd stelsel.

62

Definitieve versie

23 juni 2023

Beantwoording a. De toelichting wordt overeenkomstig het verzoek aangepast. b. De toelichting wordt aangevuld met een tekst over de wijze waarop hemelwater in het riool wordt geloosd.

17.4 Hemelwaterafvoer bij bouwwerken Paragraaf 4.3.4 (Hemelwaterafvoer bij bouwwerken) bevat de regels uit de huidige hemelwaterverordening. Daarnaast bevat subparagraaf 10.3.2.5 (Lozen van afvloeiend hemelwater niet afkomstig van een bodembeschermende voorziening) regels over lozen van hemelwater die afkomstig zijn uit de bruidsschat. Beide paragrafen gaan over hetzelfde onderwerp, dus integratie ligt voor de hand. In ieder geval moet worden voorzien in een duidelijk afbakening, want zowel in de artikelen als in de toelichting wordt nu niet uitgelegd hoe beide paragrafen zich tot elkaar verhouden. Daarnaast verdient het aanbeveling om in artikel 4.136 over de aansluitleidingen voor hemelwater (of in de toelichting daarbij) ook het verband met de lozingsregels voor hemelwater te leggen. Beantwoording In het omgevingsplan worden regels gestructureerd aan de hand van (hoofd)activiteiten als gebruik, bouwen en milieubelastende activiteiten. Deze keuze heeft inderdaad tot gevolg dat een bepaald thema in meerdere hoofdstukken aan de orde komt. Zo speelt geluid een rol bij regels over het bouwen van een geluidgevoelig gebouw (hoofdstuk 4), maar ook bij regels over het aanleggen van een weg (hoofdstuk 7). Hetzelfde geldt voor het thema hemelwater. De regels omtrent hemelwaterberging hebben betrekking op een vertraagde hemelwaterafvoer.

De regels worden met betrekking tot nieuw te bouwen gebouwen gesteld. Daarom hebben deze een plek in hoofdstuk 4 gekregen. De regels in subparagraaf 10.3.2.5 (Lozen van afvloeiend hemelwater niet afkomstig van een bodembeschermende voorziening) hebben een heel andere doel en hebben ook betrekking op heel andere activiteiten. Dat blijkt uit het toepassingsbereik. Die subparagraaf is van toepassing op milieubelastende activiteiten, en geldt voor alle terreinen, los van bebouwing erop. Aan de andere kant geldt het niet bij wonen.

17.5 Onzorgvuldig begrippengebruik afvalwater In het Omgevingsplan komen meerdere definities/begripsbepalingen voor als het gaat om een hemelwaterriool, hemelwaterstelsel of openbaar riool. Deze definities worden soms door elkaar gebruikt. Verzocht wordt hier eenduidig mee om te gaan en deze toe te voegen aan de begripsbepalingen. Beantwoording Anders dan Waternet aangeeft, wordt het begrip hemelwaterriool in het Omgevingsplan niet gehanteerd. Wel de volgende begrippen, die allen een eigen betekenis hebben: -

Openbaar hemelwaterstelsel: voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

-

Openbaar ontwateringsstelsel: voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van grondwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

-

Schoonwaterriool: dit kan zowel een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel zijn (vaak zijn ze gecombineerd als allebei aanwezig);

-

Vuilwaterriool (wat ook gemengd stelsel bevat, maar er worden geen regels gesteld voor ‘echte’ vuilwaterriool dat apart ligt van schoonwater);

-

Openbaar riool: overkoepelend term voor schoonwaterriool en vuilwaterriool. 63

Definitieve versie

23 juni 2023

Deze begrippen worden gebruikt op een wijze die in lijn is met hogere wetgeving. Omdat de begrippen zijn gedefinieerd in hogere wetgeving, is afgezien van opname in bijlage I van het omgevingsplan. De begripsbepalingen uit de Omgevingswet zijn van rechtswege van toepassing (artikel 1.1, eerste lid, Omgevingswet). Op grond van artikel 1.1 van het omgevingsplan zijn de begripsbepalingen uit onderliggende algemene maatregelen van bestuur en ministeriele regeling eveneens van toepassing, tenzij expliciet anders is bepaald.

17.6 Aansluitplicht riolering in buitengebieden Aansluitplicht riolering in buitengebieden verandert voor gemeenten. Er is geen ontheffing vanuit de provincie meer nodig om hiervan of te wijken door gemeenten. Klopt deze aanname? En zo ja, waar in het Omgevingsplan is dit opgenomen? Beantwoording Onder het huidige recht moet de gemeente voor haar hele grondgebied zorgdragen voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater (zie artikel 10.33 van de Wet milieubeheer). Die zorgplicht betekent dat de gemeente een rioolstelsel aanlegt of andere systemen voor behandeling van afvalwater (zoals IBA’s). De gemeente kan van de provincie ontheffing krijgen van de zorgplicht van de inzameling van stedelijk afvalwater. Met name in het buitengebied kunnen de kosten voor aanleg van riolering aanzienlijk zijn. Er kunnen locatie-specifiek omstandigheden zijn waarom aansluiting op de riolering in voorkomende gevallen niet mogelijk is. De Omgevingswet (zie artikel 2.16) kent ook een zorgtaak voor gemeenten om stedelijk afvalwater in te zamelen. In het buitengebied geldt die taak alleen voor zover dit doelmatig kan worden uitgevoerd door middel van een openbaar vuilwaterriool. Als de aanleg van een vuilwaterriool niet doelmatig is, dan hoeft de gemeente deze taak niet in te vullen.

Hierbij heeft de provincie geen rol; de ontheffing uit de Wet milieubeheer komt in de Omgevingswet niet terug, zoals Waternet aangeeft. In de Memorie van Toelichting bij de Invoeringswet Omgevingswet is hierover het volgende opgemerkt: “Vanuit de principes waarmee het wetsvoorstel is opgebouwd en in lijn met het Bestuursakkoord Water 2011, is ervoor gekozen om de ontheffing van een verplichting door een hoger bestuursorgaan te laten vervallen”(Tweede Kamer, vergaderjaar 2017– 2018, 34 986, nr. 3, p. 404). De zorgtaak van de gemeente is in de Omgevingswet geregeld. Dat de provincie geen ontheffingsmogelijkheid meer heeft, hoeft in het omgevingsplan niet geregeld te worden (en kan ook niet). Overigens wijst de Omgevingswet het gemeentelijk rioleringsprogramma aan om invulling te geven aan de gemeentelijke watertaken.

17.7 Drinkwater Artikel 4.135 ‘Aansluiting op distributienet voor drinkwater’; dit artikel gaat over aansluitafstanden. Deze paragraaf mag worden verwijderd, omdat de genoemde voorwaarde en maatvoering niet voldoen aan de aansluitvoorwaarden voor drinkwater. Op de Waternet-site staan de actuele aansluitvoorwaarden vermeld. Beantwoording Het betreffende artikel is bij wijze van bruidsschat als artikel 22.11 in enigszins geredactioneerde vorm overgekomen uit het Bouwbesluit (art. 6.14). Het is dus bestaand recht. Overigens is er voor gekozen het betreffende artikel ongewijzigd in hoofdstuk 22 te laten staan. Zoals de artikelgewijze toelichting aangeeft regelt dit artikel in welke gevallen de drinkwatervoorziening moet zijn aangesloten op het openbare distributienet voor drinkwater. De wijze waarop de in dit artikel bedoelde afstanden moeten worden gemeten volgt uit de begripsbepaling van aansluitafstand opgenomen in dit omgevingsplan. Overigens houdt de aansluitplicht niet in dat het drinkwaterbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is of dat de aangeslotene tot het afnemen van drinkwater verplicht is. De aansluitplicht 64

Definitieve versie

23 juni 2023

houdt slechts de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of drinkwater wordt geleverd, is afhankelijk van een met het drinkwaterbedrijf te sluiten contract. Een aansluiting op het distributienet is niet verplicht wanneer door toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater is toegestaan.

17.8 Opname beleidsomschrijving Hoofdstuk 9 van de algemene toelichting gaat over het geldende beleid. Hiervan is alleen nog de inhoudsopgave ingevuld. In de inhoudsopgave is een plek gereserveerd voor het rijksbeleid en het provinciale beleid, maar niet voor het waterschapsbeleid. Gelet op art. 2.2 Omgevingswet is dat wel nodig. Beantwoording Artikel 2.2 van de Omgevingswet bepaalt dat bestuursorganen bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet rekening houdt met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en zo nodig met deze andere bestuursorganen afstemt. Dat artikel houdt geen verplichting in tot het opnemen van allerlei beleid in de toelichting. Uit de motivering bij wijzigingsbesluiten moet zo nodig blijken op welke wijze aan artikel 2.2 gevolg is gegeven. Zie meer uitgebreid beantwoording onder A.2.

17.9 Gebruiksdoel water Artikel 3.132 ‘Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding gebruiksdoel water’; onder dit artikel is de term ‘groenvoorzieningen’ aangegeven. Worden hier ook natuurvriendelijke oevers mee bedoeld? Beantwoording Het gaat hier om groenvoorzieningen van ondergeschikte omvang binnen het gebruiksdoel water. Natuurvriendelijke oevers vallen zeker binnen deze categorie. Bij de aanleg en inrichting van deze oevers wordt extra nadruk gelegd op een flauwe overgang van wal naar water om daarmee meer ruimte te bieden aan oeverplanten en dieren en daarmee is het als een groenvoorziening aan te merken. Deze voorziening is ondergeschikt van omvang. Daarnaast ondersteunt een natuurvriendelijke oever het gebruiksdoel water. Deze oevers zijn stabieler dan steile oevers en dragen dus bij aan het in stand houden van waterpartijen. Bovendien dragen de oeverplanten bij aan verbetering van de waterkwaliteit.

17.10 Relatie omgevingsplan – waterschapsverordening Het verzoek om in de toelichting te vermelden dat het waterschap ook regels stelt over activiteiten met betrekking tot het `Gebruiksdoel water’ en dat deze regels strenger kunnen zijn dan regels in het Omgevingsplan. Voor specifieke onderwerpen (plaatsen steigers) of gebieden (hoogwaterbemalingsgebied) is een goede onderlinge afstemming nodig. Beantwoording Aan de toelichting zal in hoofdstuk 4 een alinea worden toegevoegd waarin wordt ingegaan op de relatie met de waterschapsverordening. Daarbij zal worden aangegeven dat op grond van de waterschapsverordening ook regels van toepassing zijn, die een beperking voor specifieke activiteiten kunnen inhouden. Dat geldt overigens niet alleen voor gronden waaraan in het omgevingsplan het gebruiksdoel water is toegekend, maar kan ook gelden voor bijvoorbeeld gronden met gebruiksdoel verkeer of groen, als het een secundaire waterkering betreft. Uiteindelijk moet vooral het Digitale Stelsel Omgevingswet, dat zorg moet dragen voor een integrale ontsluiting van alle regelingen die op een locatie van toepassing zijn, met inbegrip van de waterschapsverordening, ertoe leiden dat voor initiatiefnemers duidelijk is dat er meer regels zijn dan alleen die in het omgevingsplan staan. In het omgevingsplan wordt voorzien in regels over bouwwerken, waaronder steigers.

Deze regels komen in hoofdstuk 5. Het betreft regels die pas in werking gaan voor een gebied als het nog geldende bestemmingsplan

65

Definitieve versie

23 juni 2023

is vervangen. Dat vervangen gebeurt bij afzonderlijke wijzigingsbesluiten. In dat kader vindt bestuurlijk overleg plaats. Voor wat betreft hoogwaterbemalingsgebied het volgende. Voor zover de waterschapsverordening, met het oog op de belangen waarop die verordening betrekking heeft, beperkingen bevat voor nieuwe (bouw)werken, dan ligt voor de hand dat bij het gebiedsgewijs vervangen van de bestemmingsplannen die beperkingen, waar dit aan de orde is, worden overgenomen.

17.11 Regels ter bescherming van de primaire en regionale waterkeringen In vigerende bestemmingsplannen is ter plaatse van primaire en regionale waterkeringen in beheer bij het Rijk en de waterschappen de dubbelbestemming “Waterstaat – Waterkering” opgenomen. In de basisregeling komt nog geen vergelijkbare functie of gebruiksdoel terug. Op grond van art. 5.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het wel verplicht om in het omgevingsplan te waarborgen dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of de versterking van de primaire waterkering. Wij verzoeken u regels ter bescherming van de primaire en regionale waterkeringen toe te voegen aan de basisregeling, zodat deze geborgd zijn in het Omgevingsplan. Beantwoording Instructieregels van rijk en provincie dragen gemeenten op om bepaalde waarborgen op te nemen ten aanzien van de betreffende waterkeringen. Aan de instructieregels wordt uitvoering gegeven. In hoofdstuk 9 van de algemene toelichting zal worden beschreven op welke wijze aan de instructieregels van rijk en provincie met betrekking tot respectievelijk de primaire en regionale waterkeringen wordt omgegaan.

17.12 Lozen bij ontwatering van bouwputten of (grondwater)saneringen Lozen bij ontwatering van bouwputten of (grondwater)saneringen kunnen een groot effect hebben op de waterkwaliteit. Waterschap AGV gaat gebiedsspecifieke regels voor lozingen van grondwater opstellen in gebieden waarin het grondwater meer dan 6 mg/I ammonium bevat. Dit is in afwijking van de bruidsschatregels. Deze gebiedsspecifieke aanpassing heeft alleen het gewenste effect als de lozingen van grondwater in het gescheiden rioolstelsel op dezelfde wijze worden aangepakt. Dat grondwater komt immers ongezuiverd in het oppervlaktewater terecht. Beantwoording In deze basisregeling zijn de bestaande regels voor lozing van grondwater beleidsneutraal vertaald naar het omgevingsplan. Deze regels bevatten geen gebiedsspecifieke regels. Uiteraard gaan we graag in gesprek over een gebiedsspecifieke aanpassing.

18. Veiligheidsregio Amsterdam-Amsterdam In de basisregeling wordt er afwisselend verwezen naar advies van de ‘Regionale brandweer’ (artikel 4.61) en advies van de ‘Veiligheidsregio’ (artikel 2.49 en artikel 4.57). Deze verschillen in benaming leidt mogelijk tot verwarring bij de gebruikers van de regels. Om dit te voorkomen zien we graag dat er voor één benaming van de Veiligheidsregio gekozen wordt. De voorkeur gaat uit naar ‘Veiligheidsregio AmsterdamAmstelland’. Beantwoording De voorgestelde terminologie wordt overgenomen over in de basisregeling.

66

Definitieve versie

23 juni 2023

19. Provincie Noord-Holland 19.1 Beleidsneutraal De kernboodschap van het college is dat de basisregeling beleidsneutraal direct een groot deel van het ‘tijdelijk deel omgevingsplan’ vervangt. Het vormt het kader van waaruit later de bestemmingsplannen worden vervangen. Om die reden gaat de provincie ervan uit dat de voorliggende basisregeling nu geen fundamentele wijzigingen mogelijk maakt, die mogelijk niet overeenstemming zijn met onze regels van de omgevingsverordening. Beantwoording In de stukken is aangegeven dat de basisregeling over allerlei onderwerpen regels bevat, waarbij uitgangspunt is geweest deze zo veel mogelijk beleidsneutraal vanuit huidige regelingen te vertalen. Daarbij is ook gewezen op een aantal betekenisvolle wijzigingen ten opzichte van het huidige stelsel. De gemeente Amsterdam is van mening dat de regels zoals opgenomen in de basisregeling, in overeenstemming zijn met onder meer de provinciale verordening. Uiteindelijk is het aan de provincie om daarover zelf een oordeel te vellen.

19.2 Uitgangspunten vervangen bestemmingsplannen De basisregeling biedt een goed uitgangspunt om binnen de gegeven instructieregels het grootste deel bestemmingsplannen te vervangen. Hierbij wel de aantekening dat zonder het DSO nog niet goed is in te schatten hoe welke regels waar hun uitwerking krijgen. Beantwoording In de basisregeling kan een onderscheid worden gemaakt tussen regels die direct overal gaan gelden, en regels die pas ergens gaan gelden nadat die met een later wijzigingsbesluit ergens van toepassing zijn geworden. In hoofdstuk 6 en 7 van de algemene toelichting wordt dit uitgebreid toegelicht. Voor de regels die direct overal gaan voegt het DSO (een viewer) weinig toe: de regels gaan overal gelden. Het omgevingsplan is voor die onderdelen vergelijkbaar met een gewone gemeentelijke verordening. Voor andere regels geldt juist dat ze vooralsnog nergens gaan gelden. Het betreft de locatiegerichte regels, die pas bij latere wijzigingsbesluiten ergens gaan gelden. Dit wordt meer uitgebreid toegelicht onder de Algemene reacties, onder A.1 en A.2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13145875/2