2. Amsterdamse Armoedemonitor 2021.pdf
Tekst van het document
80 70
gemiddeld 65% 60 50 40
30 20 10
0
0
5 10 15 20 25 30 35 40 45 50 55 60 65 70 75 80 85 90+
* exclusief Amsterdammers rond de pensioengerechtigde leeftijd bron: CBS/ bewerking O&S
5.3 Bij inkomen uit werk relatief minder langdurige armoede Ook als we kijken naar de bron van inkomen zien we verschillen in langdurige armoede tussen groepen. Personen die leven van een pensioen of bijstandsuitkering zijn relatief vaak minimaal drie jaar aaneengesloten minima (respectievelijk 81% en 73%). Daartegenover zien we dat personen in loondienst of met een eigen bedrijf juist relatief minder vaak langdurig arm zijn. Het aandeel onder deze laatste groep is tussen 2019 en 2020 ook flink gedaald; in 2019 was ruim 30% van de minima met een eigen bedrijf langdurig arm tegenover een kwart in 2020. Bij deze daling dient opgemerkt te worden dat deze groep in aantal sterk is afgenomen. Het lijkt erop dat een aanzienlijk deel van de Amsterdammers met een eigen onderneming en een precaire inkomenssituatie tijdens (of door) corona tot een andere inkomensgroep zijn gaan behoren. In paragraaf 3.5 zagen we immers dat het aantal huishoudens met een eigen bedrijf als voornaamste inkomensbron afneemt en de groep huishoudens die een uitkering anders dan de bijstand ontvangen in hetzelfde jaar juist groeide.
43
Figuur 5.4 Percentage minima die drie jaar op langer in een minimahuishouden leven naar belangrijkste inkomstenbron en aantal minimahuishoudens naar belangrijkste inkomstenbron en duur op het minimum, 2020 totaal
65
eigen bedrijf
korter dan 3 jaar minima
25
loondienst
minimaal 3 jaar aaneengesloten minima
36
bijstand
73
pensioen
81 % 0
20
40
60
80
x 1.000 0
100
20
40
60
80
100
120
bron: CBS/bewerking O&S
5.4 Paren met kinderen minder vaak langdurig minima Op basis van huishoudsamenstelling zijn er minder grote verschillen in het percentage langdurige minima dan naar belangrijkste inkomstenbron. Wel zijn paren met kinderen iets minder vaak dan gemiddeld langdurig arm. Figuur 5.5 Percentage minima die drie jaar op langer in een minimahuishouden leven naar huishoudsamenstelling en aantal minimahuishoudens naar huishoudsamenstelling en duur op het minimum, 2020 totaal
65
paar met kinderen
60
eenoudergezin
66
paar zonder kinderen
67
alleenstaande
68
korter dan 3 jaar minima
minimaal 3 jaar aaneengesloten minima
% 0
20
40
60
80
100
x 1.000 0
20
40
60
80
100
120
bron: CBS/bewerking O&S
Verder zien we ook dat vrouwelijke hoofdkostwinners iets vaker langdurig arm zijn dan mannelijke hoofdkostwinners (69% tegenover 66%). Het grootste verschil zien we voor de groep alleenstaanden. Hoewel het percentage langdurige minima onder eenoudergezinnen gelijk is onder mannen en vrouwen, zijn in absolute zin veel meer alleenstaande moeders dan alleenstaande vaders en dus ook meer vrouwelijke alleenstaande minima-ouders.
44
Figuur 5.6 Langdurig arme (drie jaar of langer) hoofdkostwinners naar geslacht en huishoudsamenstelling, 2020 69
totaal
man
66
vrouw
69
eenoudergezin
66 71
alleenstaande
66
58
overig
67
0
20
40
60
80
100
%
x 1.000 0
10
20
30
40
50
60
bron: CBS/bewerking O&S
5.5 Grootste groep langdurige minima in Nieuw-West, hoogste aandeel in Zuidoost In absolute zin wonen de grootste groepen langdurige minima in Nieuw-West en West, gevolgd door Oost. Wanneer we kijken naar het aandeel langdurige minima ten opzichte van alle minima in het stadsdeel ligt dit percentage het hoogst in West (67%). Van alle stadsdelen telt Centrum in absolute en relatieve zin de kleinste groep minima die langdurig arm is. Zetten we de groep minima die langdurig arm is af tegen de totale bevolking, dan heeft Zuidoost met 12% het hoogste percentage langdurige minima onder de bevolking. Tabel 5.7 Aantal en percentage langdurige (drie jaar of langer) minima per stadsdeel en stadsgebied Weesp, 2020 abs.
% van totaal minima
% van totale bevolking
Centrum
4.356
62
6
West
12.576
67
9
Nieuw-West
14.092
64
10
Zuid
7.588
65
6
Oost
10.305
66
8
Noord
9.480
65
10
Zuidoost
9.741
64
12
816
66
4
68.962
65
8
Weesp Amsterdam
bron: CBS/bewerking O&S
Ook bij langdurige armoede zien we grote verschillen tussen wijken. In de wijken Centrale Markt (West) en Tuindorp Buiksloot (Noord) is het aandeel langdurige minima veel hoger dan gemiddeld. Het aandeel langdurige minima is juist veel lager dan gemiddeld in de wijken Grachtengordel-West en Grachtengordel-Oost (Centrum), het Museumkwartier en de Apollobuurt (Zuid) en Omval/Overamstel (Oost).
45
Figuur 5.8 Percentage langdurige minima naar wijk*, t.o.v. het stedelijke gemiddelde (8,6%), 2020
* Geen gegevens beschikbaar voor wijken met minder dan 100 doelgroephuishoudens bron: CBS/ bewerking O&S
5.6 Instroom in groep minima voor het eerst sinds 2013 weer gestegen Ruim 25.300 minima in 2020 waren in 2019 nog geen minima. Zij zijn van 2019 op 2020 ingestroomd. Daartegenover staat dat ruim 24.900 minima zijn uitgestroomd tussen 2019 en 2020. Zij waren in 2019 nog minima, maar leven in 2020 niet meer in een minimahuishouden. De afgelopen jaren zagen we dat de groep die uitstroomt groter is dan de groep die instroomt (figuur 5.9). Het laatste jaar zien we echter het omgekeerde; de totale groep minima neemt per saldo licht toe.
46
Figuur 5.9 In- en uitstroom van Amsterdammers in minimahuishoudens, 2011-2020 aantal minima (personen) per jaar minima 2011
114.254
minima 2012
118.340
minima 2013
123.148
minima 2014
124.307
minima 2015
117.077
minima 2016
114.997
minima 2017
111.010
minima 2018
107.832
minima 2019
104.517
minima2020
106.144
instroom/uitstroom
+33.948 +35.709
+33.957 +29.630 +28.367 +26.959 +25.086 +23.175
0
50.000
100.000
+25.280
-29.862 -30.901 -32.798 -36.860 -30.447
-29.964 -28.281 -26.490 -24.877
150.000
bron: CBS/ bewerking O&S
5.7 Inkomensverandering grootste reden voor in- of uitstroom Instroom is in bijna de helft van de gevallen het gevolg van een inkomensdaling. Een inkomensdaling kan bijvoorbeeld ontstaan door baanverlies, minder uren kunnen werken of na een echtscheiding. Uitstroom wordt juist vaak veroorzaakt door een inkomensstijging: 57% stroomt uit als gevolg van een inkomensstijging. Het aantal dat uitstroomt door een vermogensstijging is groter dan het aantal dat instroomt door een vermogensdaling. Verder behoorde 19% van de instroom 2019 nog niet tot de doelpopulatie (bijvoorbeeld een huishouden waarvan het inkomen niet het hele jaar bekend was) en 17% van de uitstroom in 2020 niet meer. Daarnaast is 14% ingestroomd als gevolg van immigratie of geboorte en is 7% uitgestroomd als gevolg van emigratie of overlijden. Figuur 5.10 geeft een overzicht van de redenen dat men van 2019 op 2020 is in- of uitgestroomd ten opzichte van de minimagroep.
47
Figuur 5.10 In- en uitstroom van Amsterdammers in de groep minimahuishoudens naar reden, 2019-2020
12.274
-14.071 1.496
-1.683
1.380
-1.233
4.715
-4.251
3.643
-1.855
1.337
-1.086
435
-698
25.280
-24.877
bron: CBS/ bewerking O&S
5.8 Inkomen voor instroom en na uitstroom vaak net boven armoedegrens Voor de Amsterdammers die zijn ingestroomd of uitgestroomd als gevolg van een inkomensverandering (al dan niet in combinatie met vermogensverandering) is gekeken naar het huishoudinkomen voor de in- of uitstroom. Van de groep die is ingestroomd had ruim een kwart (27%) in 2019 al een inkomen net boven de armoedegrens (van 120% tot 130% SM). Voor de groep die is uitgestroomd heeft een vergelijkbaar deel (29%) in 2020 een inkomen net boven de armoedegrens. Verder zien we in beide gevallen een aanzienlijke daling of stijging van het inkomen. Van de groep die is ingestroomd had ruim één op de vijf in 2019 nog een inkomen van 200% SM of meer en is 16% uitgestroomd naar een inkomen van 200% SM of meer.
48
Figuur 5.11 Inkomen van het huishouden (in % SM) van Amsterdammers die instroomden door inkomensdaling tussen 2019 en 2020 (links) en van Amsterdammers die uitstroomden door inkomensstijging tussen 2019 en 2020 (rechts) inkomen 2019 vóór instroom
inkomen 2020 na uitstroom
(n=13.654)
(n=15.304)
16%
21%
27%
29%
120% - 129% SM 130% - 139% SM 140% - 149% SM
24%
150% - 199% SM
14%
27%
19% 11%
200% SM of meer
12% bron: CBS/ bewerking O&S
5.9 Risico op instroom hoog voor eenoudergezinnen en huishoudens met een uitkering In 2019 telde Amsterdam 700.184 personen in de doelpopulatie die niet tot de minima behoorden. Van 2018 op 2019 werden 15.150 van hen minima als gevolg van een inkomensen/of vermogensdaling. De kans om in te stromen is hiermee gemiddeld 2,2%. Sommige groepen hebben echter een groter risico op instroom dan anderen (zie figuur 5.12). De kans om in te stromen is meer dan twee keer zo groot voor eenoudergezinnen dan voor tweeoudergezinnen. Voor huishoudens met een uitkering (anders dan bijstand) is de kans op instromen ook relatief groot (8%).
49
Figuur 5.12 Percentage Amsterdammers dat is ingestroomd tussen 2019 en 2020, naar huishoudsamenstelling en belangrijkste inkomstenbron van het huishouden in 2019 (procenten)
25
%
20 15 10
2
gemiddelde: 2,2%
pensioen
uitkering (geen bijstand)
2
eigen bedrijf
paar met kinderen
huishoudsamenstelling 2019
1
loondienst
2
eenoudergezin
1
paar zonder kinderen
0
2
alleenstaande
5
8 5
belangrijkste inkomensbron van het huishouden 2019
bron: CBS/ bewerking O&S
5.10 Uitstroom relatief hoog voor paren met kinderen en bij inkomen uit werk Van de 105.741 personen in minimahuishoudens in 2019 stroomden er in 2020 in totaal 16.987 uit als gevolg van een inkomens- en/of vermogensstijging. Het uitstroompercentage ligt hiermee op 16,1%. Ook hier zien we verschillen tussen groepen als we kijken naar huishoudsamenstelling en belangrijkste inkomstenbron (zie figuur 5.13). Voor minima in huishoudens die in 2019 een inkomen hadden uit werk, vooral met een eigen bedrijf, is de kans op uitstroom hoger dan gemiddeld. Verder stromen ook paren met kinderen relatief vaak uit.
50
Figuur 5.13 Percentage Amsterdammers dat tussen 2019 en 2020 is uitgestroomd, naar belangrijkste inkomstenbron van het huishouden in 2019 (procenten)
%
43
40
34
30
23 17
16
12
huishoudsamenstelling 2019
eigen bedrijf
loondienst
eenoudergezin
paar met kinderen
paar zonder kinderen
alleenstaande
10 0
gemiddelde: 16,1%
10
8
pensioen
12
andere uitkering
20
bijstand
50
belangrijkste inkomensbron van het huishouden 2019
bron: CBS/ bewerking O&S
51
Deel II 6 Toekenningen en bereik minimaregelingen
In hoeverre maken minimahuishoudens gebruik van de voorzieningen waar zij recht op hebben? Dit is de centrale vraag van dit hoofdstuk waarin we de bereikcijfers van een aantal minimaregelingen presenteren. Het gaat om de regelingen waarvoor met de beschikbare gegevens het bereik berekend kan worden: de Stadspas, de Collectieve Zorgverzekering, het Gratis OV voor oudere minima samen met de Tegemoetkoming aanvullend openbaar vervoer (TAOV) en de Scholierenvergoeding. Verder presenteren we het verzamelbereik van de kindregelingen (Stadspas, Scholierenvergoeding basis- en middelbaar onderwijs en de Gratis Laptop of Tablet) en het totaalbereik van alle genoemde regelingen plus de tegemoetkoming OV voor minimamantelzorgers (TOVM). De bereikcijfers tot en met het jaar 2020 betreffen definitieve gegevens, voor 2021 gaat het om voorlopige cijfers.
6.1 Berekening bereik minimaregelingen Het bereik is het percentage toekenningen op de totale doelgroep van de betreffende regeling. Deze definitie kan als volgt schematisch worden weergegeven: Bereik=
aantal huishoudens dat voorziening kreeg toegekend aantal rechthebbende huishoudens (=doelgroep)
De teller, ontvangers van minimaregelingen, zijn huishoudens die in een bepaald kalenderjaar een toekenning hebben gekregen in het kader van een regeling. Dit aantal wordt gedeeld door de noemer: alle huishoudens in de doelgroep van de regeling.
6.1.1 Doelgroep gemeentelijke minimaregelingen De gemeentelijke definitie van de doelgroep van minimaregelingen komt niet exact overeen met de CBS-definitie van minima. Er zijn minimahuishoudens die wel recht hebben op minimaregelingen, maar die niet vallen onder de groep minimahuishoudens die we met de CBSgegevens kunnen vaststellen. De doelgroep van de gemeentelijke minimaregelingen is hierdoor groter dan de minimapopulatie zoals in Deel I is gepresenteerd. Dat betekent dat we de eerder gepresenteerde aantallen niet gebruiken als noemer in bovengenoemde formule in de berekening van het bereik van minimaregelingen. Bij het bepalen van de doelgroep voor gemeentelijke minimaregelingen nemen we de CBSgegevens over inkomen en vermogen als uitgangspunt, en houden daarnaast rekening met de gemeentelijke toekenningsregels. Een deel van het verschil tussen de CBS-definitie van minima 52
en de gemeentelijke definitie van de doelgroep van minimaregelingen kunnen we daarom corrigeren. Zo gaan we uit van het maximale vermogen waarbij men nog in aanmerking komt voor bijstand, vermeerderd met een door de gemeente vastgestelde marge die per gezinstype verschilt. Verder wordt de doelgroep bepaald op basis van het inkomen van het jaar voorafgaand aan de toekenning. Met andere woorden: toekenningen in het jaar 2021 worden getoetst aan het inkomen in 2020. Hiermee sluiten we aan bij de uitvoeringspraktijk: recht op gemeentelijke voorzieningen wordt bepaald op basis van de inkomenssituatie in het voorgaande jaar. Met deze aanpassingen zorgen wij ervoor dat de doelgroep (de noemer) beter aansluit bij de daadwerkelijke doelgroep van gemeentelijke regelingen dan alleen de minima op basis van de CBS-definitie. Op sommige punten zijn aanpassingen echter niet mogelijk. Dit zorgt voor ‘uitval’ van huishoudens uit de teller van bovengenoemde bereikformule: huishoudens die een regeling hebben ontvangen maar die wij op basis van de CBS-gegevens niet tot de doelgroep kunnen rekenen. Dat betekent dat we een deel van de toekenningen niet kunnen meenemen in de bereikberekeningen. Het gaat onder andere om huishoudens buiten de doelpopulatie (bijvoorbeeld omdat hun inkomen niet over een heel jaar bekend is).
De bijlage bevat een overzicht van redenen waardoor huishoudens wel recht kunnen hebben op gemeentelijke voorzieningen, maar in onze analyse niet als zodanig worden aangemerkt. Onderstaande figuur geeft schematisch weer (zonder rekening te houden met de verhoudingen) over welke doelgroep het bereik kan worden berekend (de blauwe vlakken) en welk deel van de doelgroep niet kan worden meegenomen in de bereikberekeningen (het grijze vlak). Tot slot kan het voorkomen dat mensen die op basis van de CBS-gegevens tot de minimagroep behoren in Amsterdam toch geen recht hebben op minimavoorzieningen. Zo komen huishoudens met jongeren t/m 17 jaar die geen onderwijs volgen niet aanmerking voor de scholierenvergoeding. Figuur 6.1 Schets minimahuishoudens en doelgroep gemeentelijke regelingen op basis van CBS-gegevens, en totale doelgroep gemeentelijke regelingen
53
6.1.2 Methodiek bereikberekeningen O&S ontvangt van WPI ten behoeve van de Armoedemonitor bestanden met de personen die een voorziening kregen toegekend. De bestanden voor de jaren 2012 t/m 2021 zijn gekoppeld aan het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV) van het CBS van 2011 t/m 2020 om inkomensgegevens en achtergrondkenmerken enerzijds en gegevens over regelingen anderzijds te kunnen combineren en analyseren. Het is mogelijk om het bereik te berekenen van regelingen die voor alle minima gelden: de Stadspas en de Collectieve Zorgverzekering. Ook is het mogelijk om het bereik te berekenen voor doelgroepen die met CBS-gegevens gedefinieerd kunnen worden. In de praktijk gaat het hierbij om leeftijdsgrenzen die gelden voor de kindregelingen (de Scholierenvergoeding en de Gratis Laptop of Tablet) en voor pensioengerechtigden (het Gratis OV voor oudere minima en de Tegemoetkoming aanvullend openbaar vervoer). Voor andere regelingen gelden voorwaarden waarvan de kenmerken niet zijn geregistreerd in de CBS-gegevens. Dit geldt bijvoorbeeld voor de Regeling Tegemoetkoming Meerkosten (RTM), een regeling voor extra geld voor chronisch zieken of gehandicapten. Er bestaat geen registratie van chronische zieken en mensen met een beperking: het is daarom niet mogelijk om de doelgroep van deze regeling te identificeren.
Het voorzieningenbereik wordt berekend voor Amsterdammers exclusief de inwoners van Weesp. Dit deel van de monitor wijkt hierin af van Deel I, waarin de minimapopulatie wordt beschreven inclusief inwoners van Weesp. In de huidige monitor analyseren we het bereik van voorzieningen toegekend in 2021. Per 1 januari 2022 is de (registratie van) toekenning van voorzieningen aan Weespers volledig samengevoegd met die aan Amsterdammers. Vanaf de Armoedemonitor 2022 (verwacht in 2023) zal worden gerapporteerd over het voorzieningenbereik inclusief Weesp.
54
6.2 Stadspas en kindtegoed Doel
Gebruik stimuleren van culturele, sportieve en recreatieve voorzieningen. Pashouders krijgen korting of kunnen gratis deelnemen aan activiteiten bij circa 400 instellingen en bedrijven. Kinderen van 0 t/m 14 jaar krijgen elk schooljaar het kindtegoed op hun Stadspas. Hiermee kunnen ouders o.a. kleding, schoenen, een tas en schoolspullen kopen voor hun kind.
Doelgroep
Alle Amsterdamse minima
Methode
De Stadspas wordt jaarlijks automatisch verstrekt aan alle bij WPI bekende minimahuishoudens (inkomen bekend bij WPI). Huidige Stadspashouders van wie het inkomen niet bij WPI bekend is kunnen de Stadspas jaarlijks opnieuw aanvragen. Zij krijgen een verkort aanvraagformulier toegestuurd dat ze kunnen ondertekenen en kosteloos naar de gemeente terugsturen. Nieuwe gebruikers kunnen de Stadspas aanvragen via een online formulier of papieren aanvraagformulier. Advertenties voor de Stadspas worden onder andere geplaatst in lokale kranten, de krant van Amsterdam, AT5 en sociale media om zo de bekendheid te vergroten. Bij kinderen van 0 t/m 14 jaar staat het kindtegoed automatisch op de Stadspas. De hoogte van het kindtegoed is afhankelijk van de leeftijd van het kind. In schooljaar 2021-2022 is eenmalig een extra tegoed verstrekt. De hoogte van het kindtegoed in dit jaar is: 0 t/m 3 jaar: €25 + €25 extra 4 t/m 9 jaar: €75 + €35 extra 10 t/m 11 jaar: €200 + €35 extra 12 t/m 14 jaar: €150 + €35 extra
Partners
Stadspas: Circa 400 bedrijven en instellingen, WPI, afdeling Belastingen, andere gemeentelijke diensten, gemeenten Diemen, Oostzaan, Amstel en Landsmeer. Kindtegoed: Aktiesport, Bristol, Bruna, H&M, Monki, Intertoys, Perry Sport, Primera, WE Fashion
6.2.1 Verstrekkingen Stadspas en kindtegoed De Stadspas is er in twee vormen: een minima-Stadspas (met groene stip), voor Amsterdammers met een laag inkomen en weinig vermogen (ongeacht leeftijd) en een Stadspas voor pensioengerechtigde Amsterdammers die niet tot de minima behoren (met blauwe ruit). De Stadspas voor minima geeft recht op meer kortingen dan de Stadspas voor pensioengerechtigden. In deze rapportage hebben we het alleen over het bereik van de minimaStadspas. Van 2018 tot en met 2020 steeg het aantal verstrekkingen van minima-Stadspassen jaarlijks. In 2021 was het aantal verstrekkingen weer wat lager dan in het voorgaande jaar.
55
Tabel 6.2 Verstrekkingen Stadspas aan personen, 2012-2021* minima
pensioengerechtigde niet-minima
totaal
2012
141.279
2013
144.732
2014
185.815
2015
103.187
80.841
184.028
2016
116.122
79.608
195.730
2017
120.052
80.505
200.557
2018
118.747
79.368
198.115
2019
120.760
79.559
200.319
2020
122.588
81.321
203.909
2021
120.983
82.545
203.528
* voor de jaren 2012 t/m 2014 is het niet mogelijk om de uitsplitsing te maken tussen minima en niet-minima vanwege aanpassingen in de gegevenslevering bron: WPI/ bewerking OIS
Sinds 2020 wordt het Kindtegoed elk schooljaar automatisch op de Stadspas van kinderen van 0 t/m 14 jaar gezet. Het aantal verstrekkingen en het bereik van het Kindtegoed zijn dus gelijk aan het aantal verstrekkingen en bereik van de Stadspas onder kinderen van 0 t/m 14 jaar. Het Kindtegoed vervangt de Kindbonnen. Van 2014 tot 2019 werden bonnen voor kleding, activiteiten, speelgoed, boeken en babyspullen verstrekt aan (ouders van) kinderen met een Stadspas. Vanwege de veranderde werkwijze is het aantal verstrekkingen van het Kindtegoed niet direct vergelijkbaar met de aantallen toekenningen van de Kindbonnen tot en met 2019. Tabel 6.3 Toekenningen Kindbonnen/Kindtegoed, 2014 t/m 2021 totaal 2014
4.499
2015
19.943
2016
26.062
2017
27.380
2018
26.074
2019
27.418
2020
28.369
2021* 25.334 * voorlopig aantal toekenningen tot en met december 2021; het stadspasjaar loopt van 1 augustus 2021 t/m 1 augustus 2022. Het totale aantal toekenningen voor dit jaar kan dus nog wijzigen. bron: WPI/ bewerking OIS
6.2.2 Bereik Stadspas Tussen 2015 en 2017 is het bereik van de Stadspas relatief sterk gestegen van 62% naar 70%. Sindsdien is de stijging afgevlakt naar ongeveer 1 procentpunt per jaar. Op basis van de voorlopige cijfers over 2021 is het bereik dit jaar gelijk aan dat van 2020.
56
Tabel 6.4 Bereik Stadspas in 2012 t/m 2021 (procenten) jaar
bereik
2012
54
2013
53
2014
*
2015
62
2016
67
2017
70
2018
71
2019
72
2020
73
2021
73
* niet beschikbaar vanwege afwijkende gegevenslevering bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
Het bereik van de Stadspas verschilt als we kijken naar huishoudtype, leeftijdsgroep van de hoofdkostwinner, belangrijkste bron van het huishoudinkomen en hoogte van het inkomen. Huishoudens met kinderen worden beter bereikt dan huishoudens zonder kinderen, met name onder eenoudergezinnen is het bereik hoger dan gemiddeld. (zie tabel 6.5). Ouderen vanaf 66 worden beter bereikt dan volwassenen tot de pensioengerechtigde leeftijd. Vrijwel alle huishoudens met bijstand als belangrijkste inkomensbron en recht op de Stadspas ontvangen deze voorziening. Dit vloeit voort uit het beleid van de gemeente: de Stadspas wordt ambtshalve vertrekt aan personen van wie bekend is dat ze er recht op hebben en dat geldt per definitie voor bijstandsgerechtigden. Rechthebbende huishoudens met andere inkomensbronnen worden minder goed bereikt, met name onder werkenden is het Stadspasbereik laag. Huishoudens met een eigen bedrijf als belangrijkste inkomstenbron worden het minst vaak bereikt en het voorlopige bereikpercentage is in 2021 ook lager dan in voorgaande jaren.
57
Tabel 6.5 Bereik Stadspas naar huishoudtype, leeftijdsgroep, bron en hoogte van het inkomen, 2019-2021 (procenten) soort huishouden
2019
2020
2021
alleenstaand
69
70
70
eenoudergezin met minderjarige kinderen
88
88
88
paar zonder kinderen
71
71
71
paar met minderjarige kinderen
79
80
81
18 tot 66 jaar
65
65
65
66 jaar en ouder
75
77
76
bijstand
97
98
97
loondienst
31
33
33
eigen bedrijf
13
12
9
andere uitkering
63
65
59
pensioen
76
78
77
0-79% SM
35
34
36
80-109% SM
81
82
81
110-119% SM
50
51
49
totaal huishoudens
72
73
73
leeftijdsgroep
bron van inkomen
hoogte van het inkomen
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
In Centrum en Zuid, stadsdelen met relatief weinig minimahuishoudens, ligt het bereik van de Stadspas lager dan in de andere Stadsdelen. Op de Zuidas is het bereik het laagst (15%). In de overige wijken varieert het Stadspasbereik tussen de 24% en 81%. De wijken met de hoogste bereikpercentages zijn Ijplein/Vogelbuurt (81%) in Noord, Betondorp (81%), Indische Buurt-Oost (80%) in Oost en Zuid-Pijp (80%) in Zuid.
58
Figuur 6.6 Bereik Stadspas per wijk* vergeleken met het stedelijk gemiddelde (73%), 2021
* Geen gegevens afgebeeld voor wijken met minder dan 100 huishoudens in de doelgroep
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
6.2.3 Bereik Stadspas met Kindtegoed Vanaf 2020 wordt het Kindtegoed elk schooljaar automatisch bijgeschreven op de Stadspas van kinderen tot en met 14 jaar oud. Om het bereik van het Kindtegoed te berekenen kijken we daarom naar het bereik van de Stadspas onder 0- tot en met 14-jarigen. Tot en met 2019 werd het Kindtegoed verstrekt als een aparte voorziening (de Kindbonnen). De bereikcijfers van het Kindtegoed vanaf 2020 zijn daarom niet direct vergelijkbaar met het bereik van de Kindbonnen in eerdere jaren. Tabel 6.7 Bereik Kindtegoed (2014-2019: Kindbonnen) in 2014 t/m 2021 (procenten) jaar
bereik
2014
71
2015
69
2016
76
2017
78
2018
76
2019
82
2020*
84
2021*
85
* berekend als het bereik van de Stadspas onder kinderen tot en met 14 jaar bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
Onder kinderen tot en met 14 jaar oud is het bereik van de Stadspas (85%) hoger dan gemiddeld onder rechthebbende Amsterdammers (73%). Met name oudere kinderen, vanaf 10 jaar, worden 59
goed bereikt met de Stadspas en daarmee ook met het Kindtegoed. Onder 1- tot 3-jarigen is het bereik lager dan onder oudere kinderen, maar ook voor deze groep ligt het bereik hoger dan gemiddeld onder alle rechthebbende Amsterdammers. (Kinderen jonger dan één jaar, ofwel geboren in het jaar van toekenning, kunnen niet worden meegenomen in de bereikberekening omdat de groep rechthebbende huishoudens/personen wordt bepaald op basis van de situatie in het jaar voorafgaand aan het toekenningsjaar.) Tabel 6.8 Bereik Stadspas naar leeftijd voor kinderen met Kindtegoed op de Stadspas, naar leeftijdscategorie, 2021 (procenten) 2021 1-3 jaar
76
4-9 jaar
85
10-11 jaar
88
12-14 jaar
88
totaal 0-14 jaar
85
60
6.3 Collectieve zorgverzekering Doel
Alle minima een goede zorgverzekering bieden tegen een aantrekkelijk tarief.
Doelgroep
Alle Amsterdamse minima vanaf 18 jaar.
Methode
Mailing naar alle klanten van Werk, Participatie en Inkomen (WPI) en bekende minimahuishoudens. Daarnaast worden in een jaarlijkse campagne nieuwe klanten geworven. Zilveren Kruis, WPI.
Partners
6.3.1 Verstrekkingen Collectieve Zorgverzekering De gemeente Amsterdam biedt Amsterdamse minima de mogelijkheid om een contract af te sluiten in het kader van een Collectieve Zorgverzekering. De Collectieve Zorgverzekering bestaat uit een basisverzekering en een aanvullend pakket. Daarnaast mogen de klanten het eigen risico maandelijks gespreid betalen. Het aantal huishoudens dat gebruik maakt van de Collectieve Zorgverzekering is de laatste jaren stabiel. Tabel 6.9 Huishoudens met Collectieve Zorgverzekering voor Amsterdamse minima, 2004-2021 abs. 2013
59.083
2014
56.645
2015*
42.413
2016
49.330
2017
51.737
2018
52.364
2019
51.845
2020
51.188
2021
51.689
*sinds 2015 wordt het aantal huishoudens vastgesteld op basis van de koppeling met CBS-gegevens. bron: WPI, CBS/ bewerking OIS
6.3.2 Bereik Collectieve Zorgverzekering Tabel 6.10 Bereik Collectieve Zorg in 2013 t/m 2020 (procenten) jaar
bereik
2013
50
2014
48
2015
42
2016
49
2017
52
2018
53
2019
53
2020
53
2021
53 bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
61
Het bereik van de Collectieve Zorgverzekering wordt berekend onder alle Amsterdamse minimahuishoudens. De laatste jaren ligt het bereik van deze voorziening stabiel op 53%. Het bereik van de Collectieve Zorgverzekering is relatief hoog onder ouderen en huishoudens met bijstand of pensioen als belangrijkste bron van inkomen. Onder huishoudens met een eigen bedrijf als belangrijkste inkomensbron is het bereik zeer laag. Paren en huishoudens met kinderen worden iets beter bereikt dan alleenstaanden. Deze patronen zijn de laatste jaren niet veranderd. Tabel 6.11 Bereik Collectieve Zorgverzekering naar huishoudsamenstelling, leeftijdsgroep, bron en hoogte van het inkomen, 2019-2021 (procenten) soort huishouden
2019
2020
2021
alleenstaand
51
51
50
eenoudergezin met minderjarige kinderen
61
60
59
paar zonder kinderen
56
56
56
paar met minderjarige kinderen
59
59
59
18 tot 66 jaar
50
50
49
66 jaar en ouder
61
62
61
bijstand
70
70
69
loondienst
19
20
20
leeftijdsgroep
bron van inkomen
eigen bedrijf
5
5
4
andere uitkering
44
45
40
pensioen
61
62
61
0-79% SM
22
21
24
80-109% SM
61
61
59
110-119% SM
35
35
34
totaal huishoudens
53
53
53
hoogte van het inkomen
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
Op wijkniveau varieert het bereik van de Collectieve Zorgverzekering tussen de 9% (Omval/Overamstel in stadsdeel Oost) en 61% (Overtoomse Veld, Dapperbuurt, Indische BuurtOost en Tuindorp Nieuwendam). Met name in de stadsdelen Oost en West liggen veel wijken met een hoog bereikpercentage.
62
Figuur 6.12 Bereik Collectieve Zorgverzekering per wijk* vergeleken met het stedelijk gemiddelde (53%), 2021
*Geen gegevens afgebeeld voor wijken met minder dan 100 huishoudens in de doelgroep
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
63
6.4 Gratis OV voor oudere minima en Tegemoetkoming Aanvullend Openbaar Vervoer 6.4.1 Gratis OV voor oudere minima Doel Doelgroep Methode Partners
Oudere minima de mogelijkheid geven om gratis met trams, bussen en metro’s van het GVB, Connexxion en EBS in Amsterdam te reizen (nachtbus uitgezonderd). Amsterdamse minima met de AOW-gerechtigde leeftijd. Rechthebbenden worden zoveel mogelijk aangeschreven door Werk, Participatie en Inkomen (WPI). Wie niet is aangeschreven, kan zelf een aanvraag indienen. GVB, Connexxion, EBS en WPI.
Sinds 2013 biedt de gemeente gratis openbaar vervoer aan voor oudere minima. Deze regeling bestaat uit een abonnement op een persoonlijke OV-chipkaart. Het aantal verstrekkingen Gratis OV (abonnementhouders) voor oudere minima stijgt jaarlijks. Het aantal ritten met het OV waarbij gebruik wordt gemaakt van deze voorzieningen is in 2020 sterk gedaald: vanwege de coronapandemie maakte men veel minder gebruik van het openbaar vervoer. In 2021 is het aantal gemaakte ritten weer iets hoger dan in 2020, maar ook dit jaar golden er nog coronamaatregelen en is het aantal ritten nog niet terug op het niveau van voor de pandemie. Tabel 6.13 Individuele verstrekkingen Gratis OV en aantal gemaakte ritten, 2013-2021 verstrekkingen
ritten
2013
7.330
niet bekend
2014
9.790
2.619.042
2015
12.890
3.283.153
2016
14.180
4.126.851
2017
15.086
4.457.271
2018
15.390
4.973.985
2019
16.426
5.326.591
2020
17.119
3.528.410
2021
19.173
3.630.614 bron: WPI/ bewerking OIS
6.4.2 Tegemoetkoming Aanvullend Openbaar Vervoer Doel Doelgroep Methode
Partners
Oudere minima die het aanvullend openbaar vervoer gebruiken een tegemoetkoming aanbieden voor de kosten. Amsterdamse minima met de AOW-gerechtigde leeftijd en een pas voor aanvullend openbaar vervoer. Jaarlijks voert WPI een ambtshalve toekenningsronde uit onder rechthebbenden die bij de gemeente bekend zijn. Wie niet is aangeschreven, kan zelf een aanvraag indienen via een papieren of online aanvraagformulier. RMC, Transvision, OJZ en WPI.
64
Eind 2014 is de gemeente Amsterdam gestart met de Tegemoetkoming Aanvullend Openbaar Vervoer (TAOV). In 2021 konden oudere minima die gebruik maken van het aanvullend openbaar vervoer met deze regeling €120 ontvangen. Sinds de start in 2015 daalt het aantal verstrekkingen elk jaar licht. Tabel 6.14 Verstrekkingen TAOV, 2015-2021 abs. 2015
4.248
2016
3.748
2017
3.306
2018
3.097
2019
2.883
2020
2.849
2021
2.543 bron: WPI/ bewerking OIS
6.4.3 Bereik Gratis OV en/of TAOV Oudere minima maken een keuze tussen Gratis OV en TAOV, afhankelijk van hun behoeften. Voor TAOV afzonderlijk wordt geen bereik berekend vanwege de overlap in de doelgroep, het feit dat bij de start het mogelijk was om beide regelingen tegelijk te ontvangen en het kleine aantal verstrekkingen. Onderstaande tabellen presenteren het bereik van het Gratis OV en TAOV samen. Sinds de invoering van deze voorzieningen steeg het gezamenlijke bereik van het Gratis OV en TAOV van 54% in 2014 naar 71% in 2019. In 2021 zien we opnieuw een stijging; het bereik ligt nu op 72%. Tabel 6.15 Bereik Gratis OV en/of TAOV in 2013 t/m 2021 (procenten) jaar
bereik
2013*
38
2014
54
2015
57
2016
64
2017
66
2018
68
2019
71
2020
71
2021
72
* alleen gratis OV, TAOV bestond nog niet
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
Het bereik van het Gratis OV en TAOV onder alle groepen ouderen ongeveer even sterk gestegen, behalve onder 66-plussers met een inkomen tussen de 110% en 119% SM. Voor deze groep is het bereik in 2021 iets gedaald ten opzichte van 2021.
65
Tabel 6.16 Bereik Gratis OV en/of TAOV naar huishoudtype, hoogte van het inkomen en migratieachtergrond, 2018-2021 (procenten) huishoudtype
2019
2020
2021
alleenstaand
70
69
71
paar zonder kinderen
77
75
77
0-79% SM
53
49
54
80-109% SM
79
78
80
110-119% SM
40
42
41
migratieachtergrond
78
76
78
geen migratieachtergrond
59
59
60
totaal huishoudens
71
71
72
hoogte van het inkomen
migratieachtergrond
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
Op wijkniveau varieert het bereikpercentage van het Gratis OV/TAOV tussen de 47% (Apollobuurt in Zuid en Grachtergordel-West in Centrum) en 84% (Overtoomse Veld in NieuwWest). In Zuid, Noord en Centrum liggen een aantal wijken met een laag bereikpercentage. Oost, West en Nieuw-West tellen veel wijken met een hoog bereik. Figuur 6.17 Bereik Gratis OV en/of TAOV per wijk* vergeleken met het stedelijk gemiddelde (72%), 2021
*Geen gegevens afgebeeld voor wijken met minder dan 100 huishoudens in de doelgroep
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
66
6.5 Scholierenvergoeding Doel Doelgroep Methode
Partners
Investeren in de toekomst van jongeren door een deel van de kosten voor school-, sport- of cultuurdeelname of kosten voor vervoer naar scholing te vergoeden. Minimahuishoudens, met schoolgaande kinderen die op 30 september van het refertejaar nog geen 18 jaar zijn en in Amsterdam wonen. Rechthebbenden die bij WPI bekend zijn ontvangen automatisch bericht van Werk, Participatie en Inkomen (WPI). Wie niet is aangeschreven, maar wel in aanmerking denkt te komen, kan zelf een aanvraag indienen. De tegemoetkoming in de kosten wordt toegekend in de vorm van een zogenaamd virtueel ‘kluisje’ waaruit gedeclareerd kan worden. In dat kluisje staat het toegekende bedrag gedurende een schooljaar gereserveerd. In het schooljaar 2020/2021 gelden de volgende bedragen: € 250 per jaar per kind op een door de gemeente erkende voorschool € 116 per jaar per kind op de basisschool € 325 per jaar per kind op de middelbare school € 325 per jaar per kind op mbo-bol of mbo-bbl met een onbetaalde stage. Per huishouden is er één kluisje voor alle schoolgaande kinderen. WPI
Minima met schoolgaande kinderen komen in aanmerking voor de Scholierenvergoeding. Ouders en verzorgers kunnen kosten voor leermiddelen, sport- en cultuurdeelname declareren, bijvoorbeeld huiswerkbegeleiding, theaterbezoek of dansles. Ieder schooljaar kan de voorziening van juni tot en met mei worden aangevraagd.
6.5.1 Verstrekkingen Scholierenvergoeding De Scholierenvergoeding wordt per schooljaar verstrekt. In de volgende tabel is het aantal toekenningen aan huishoudens opgenomen en het aantal leerlingen. Hierbij maken we onderscheid tussen de Scholierenvergoeding voor primair en voortgezet onderwijs (PO/VO) en de in december 2017 geïntroduceerde regeling voor ouders met kinderen op een door de gemeente erkende voorschool. Het aantal huishoudens en scholieren dat gebruik maakt van de scholierenvergoeding neemt de laatste jaren iets af.
67
Tabel 6.18 Toekenningen Scholierenvergoeding aan huishoudens en leerlingen, schooljaren 2012 t/m 2022 schooljaar
doelgroep
huishoudens
leerlingen
2012/2013 2013/2014
PO/VO
12.887
22.618
PO/VO
11.888
21.028
2014/2015
PO/VO
11.843
20.499
2015/2016
PO/VO
12.734
21.907
2016/2017
PO/VO
15.153
26.219
2017/2018
PO/VO
15.399
26.317
2018/2019
PO/VO
14.473
25.060
2019/2020 2020/2021
voorschool
1.594
1.680
PO/VO
14.097
23.782
voorschool
1.498
1.600
PO/VO
13.908
23.475
voorschool 2021/2022 (t/m december) PO/VO voorschool
1.478
1.594
13.245
22.324
1.265
1.324 bron: WPI/ bewerking OIS
6.5.2 Bereik Scholierenvergoeding Het bereik van de scholierenvergoeding voor primair en voorgezet onderwijs wordt berekend over het aantal doelgroephuishoudens met kinderen van 4 t/m 17 jaar. Dit komt niet strikt overeen met de daadwerkelijke doelgroep ‘huishoudens met schoolgaande kinderen.’ Huishoudens met kinderen van 18 jaar in het voortgezet onderwijs (en geen jongere kinderen) worden namelijk niet tot de doelgroep gerekend. Dit is echter de best mogelijke benadering op basis van de beschikbare gegevens. Het bereik van de scholierenvergoeding voor de voorschool wordt berekend over alle doelgroephuishoudens met kinderen van 2 of 3 jaar. In de praktijk kunnen huishoudens echter alleen aanspraak maken op de regeling als hun kinderen naar een door de gemeente erkende voorschool gaan. Voor dit onderzoek zijn geen gegevens over voorschoolbezoek beschikbaar, het bereik van de scholierenvergoeding voor kinderen op de voorschool wordt hierdoor waarschijnlijk onderschat. Het bereik van de scholierenvergoeding voor primair en voortgezet onderwijs ligt de afgelopen jaren stabiel op 72%. In 2021 is het bereik gestegen naar 76%. Dat is opvallend omdat het aantal verstrekkingen iets is afgenomen en de doelgroep licht is gekrompen. Het bereik van de scholierenvergoeding voor de voorschool stijgt sinds 2019 en ligt in 2021 op 19%.
68
Tabel 6.19 Bereik Scholierenvergoeding in 2013 t/m 2021 (procenten) jaar
bereik voorschool
bereik PO/VO
2013
n.v.t.
64
2014
n.v.t.
66
2015
n.v.t.
65
2016
n.v.t.
71
2017
n.v.t.
72
2018
18
72
2019
15
72
2020
17
72
2021
19
76 bron: WPI/ bewerking OIS
Het bereik van de scholierenvergoeding voor primair en voortgezet onderwijs ligt hoger dan gemiddeld onder eenoudergezinnen en huishoudens met bijstand en/of een inkomen rond het bijstandsniveau. Met name onder deze laatste groep is het bereik in 2021 gestegen ten opzichte van het voorgaande jaar. Huishoudens met werk als belangrijkste inkomensbron (loondienst en zelfstandigen) worden minder goed bereikt dan andere huishoudens, maar huishoudens met een inkomen uit loon zijn in 2021 beter bereikt dan in voorgaande jaren. Het bereik onder zelfstandigen was in voorgaande jaren al laag en is in 2021 verder gedaald. Hierbij is wel relevant dat de groep huishoudens met recht op de Scholierenvergoeding en een eigen bedrijf als belangrijkste inkomensbron relatief klein is en dat de voorlopige cijfers over 2021 enigszins kunnen schommelen ten opzichte van de definitieve gegevens. Tabel 6.20 Bereik Scholierenvergoeding basis- en middelbare school naar huishoudtype, bron en hoogte van het inkomen, 2018-2021 (procenten) huishoudtype
2019
2020
2021
eenoudergezin
75
74
78
paar met kinderen
68
69
73
bijstand
83
83
88
loondienst
57
59
61
eigen bedrijf
23
25
15
andere uitkering
70
69
70
0-79% SM
34
33
31
80-109% SM
77
76
81
110-119% SM
65
66
66
totaal
72
72
76
belangrijkste inkomstenbron
hoogte van het inkomen
bron: WPI/ bewerking OIS
In Stadsdeel Centrum ligt het bereik van de Scholierenvergoeding lager dan gemiddeld (62%). Huishoudens in Noord (81%) en Zuidoost (79%) worden juist goed bereikt. Het hoogste bereikpercentage zien we in de wijken Oostzanerwerf (85%) en Waterlandpleinbuurt (84%),
69
beiden in Noord. De wijken met het laagste bereik zijn Sloter-/Riekerpolder (50%) in Nieuw-West en de Schinkelbuurt (55%) in Zuid. Figuur 6.21 Bereik Scholierenvergoeding PO/VO per wijk* vergeleken met het stedelijk gemiddelde (76%), 2021
* Geen gegevens afgebeeld voor wijken met minder dan 100 huishoudens in de doelgroep bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
70
6.6 Verzamelbereik kindvoorzieningen Het ondersteunen van minimakinderen is een belangrijke doelstelling van de gemeente Amsterdam. Daarom kijken we hier naar het gezamenlijke bereik van verschillende kindvoorzieningen. Om dit te berekenen zetten we het aantal huishoudens met kinderen van 4 t/m 17 jaar en een of meer kindregelingen af tegen het totale aantal minimahuishoudens in de doelgroep van de kindvoorzieningen. Het gaat om de volgende kindregelingen: Stadspas, Scholierenvergoeding voor kinderen in basis- of voortgezet onderwijs en/of een Gratis Laptop of Tablet. Op de regeling voor een laptop of tablet hebben kinderen alleen recht als zij in de afgelopen vier schooljaren geen laptop of computer hebben ontvangen van de gemeente (middelbare school: eenmalig per kind per vijf schooljaren, basisschool: eenmalig per huishouden per vijf schooljaren). Bij deze regeling is daarom teruggekeken in de tijd: ieder huishouden dat een laptop of tablet verstrekt kreeg in de vier jaar voorafgaand aan het verstrekkingsjaar telt mee voor het bereikpercentage. Het verzamelbereik van de kindvoorzieningen is sinds 2016 stabiel. In 2019 zagen we een kleine toename van 87% naar 89%. Op basis van de voorlopige cijfers is het bereik in 2021 gelijk aan dat in 2020 en in 2019. Tabel 6.22 Bereik Kindvoorzieningen in 2014 t/m 2021 (procenten) jaar
bereik
2014
84
2015
81
2016
87
2017
87
2018
87
2019
89
2020
89
2021
89 bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
Zoals we eerder zagen voor de afzonderlijke kindvoorzieningen worden eenoudergezinnen en huishoudens met bijstand en/of een inkomen rond het bijstandsniveau goed bereikt. Er is waarschijnlijk veel overlap tussen deze achtergrondkenmerken. Huishoudens met een eigen bedrijf als belangrijkste inkomensbron worden het minst goed bereikt, slechts 33% van zelfstandigen met recht op één of meer kindvoorzieningen maakt hier ook gebruik van. In absolute zin is deze groep wel veel kleiner dan de groep rechthebbende met een inkomen uit loondienst, bijstand of een andere uitkering. Ook zijn onder de rechthebbende huishoudens veel meer eenoudergezinnen dan paren met kinderen.
71
Tabel 6.23 Bereik Kindvoorzieningen naar soort huishouden, bron van inkomen en hoogte van het inkomen, 2017-2021 (procenten) soort huishouden
2019
2020
2021
eenoudergezin
92
92
92
paar met kinderen
85
84
85
overig
81
82
80
bijstand
99
99
99
andere uitkering
87
89
85
loondienst
75
76
77
eigen bedrijf
42
40
33
0-79% SM
56
55
51
80-109% SM
93
93
93
110-119% SM
84
85
83
totaal
89
89
89
bron van inkomen
hoogte van het inkomen
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
In stadsdelen met een hoog aandeel minimahuishoudens ligt het bereik van de kindvoorzieningen hoger dan in stadsdelen met relatief weinig minima. In Zuidoost en Noord is het bereik het hoogst (beiden 92%); in Centrum het laagst (77%). In totaal 17 wijken is het bereik van de kindvoorzieningen hoger dan 90%. De hoogste bereikpercentages meten we in Holendrecht/Reigersbos in Zuidoost en de Kolenkit in West (beiden 94%). In Sloter-/Riekerpolder (62%) in Nieuw-West en de Schinkelbuurt (66%) in Zuid is het bereik het laagst.
6.7 Totaalbereik minimahuishoudens In de onderstaande tabel is voor de jaren 2017 tot en met 2021 berekend hoeveel van de minimahuishoudens met recht op voorzieningen tenminste één van de volgende voorzieningen kregen toegekend: Stadspas, Collectieve Zorgverzekering, kindvoorzieningen en TAOV/Gratis OV 65+. Daarnaast is vanaf 2018 ook de tegemoetkoming OV voor minima mantelzorgers (TOVM) meegenomen in het totaalbereik. De groep rechthebbende huishoudens is bepaald op basis van het inkomen en vermogen van het huishouden, rekening houdend met de vermogensgrenzen van de gemeente. Er is geen rekening gehouden met voorwaarden die voor slechts een deel van de voorzieningen gelden, zoals leeftijd of aanwezigheid van kinderen in het huishouden. Het totaalbereik is de laatste jaren stabiel. In 2021 maakt 74% van de huishoudens met recht op voorzieningen hier ook gebruik van. De verschillen op basis van huishoudkenmerken komen overeen met het patroon van de afzonderlijke voorzieningen. Eenoudergezinnen en huishoudens met bijstand als belangrijkste inkomensbron worden het best bereikt (waarschijnlijk gaat het hier deels om dezelfde groep). Onder huishoudens met inkomen uit werk is het bereikt veel lager dan gemiddeld, met name zelfstandigen maken weinig gebruik van minimavoorzieningen.
72
Tabel 6.24 Totaalbereik voorzieningen naar huishoudtype en belangrijkste bron van het inkomen, 2017-2021 (procenten) huishoudtype
2017
2018
2019
2020
2021
alleenstaand
68
69
71
71
71
eenoudergezin met minderjarige kinderen
90
89
91
91
91
eenoudergezin met uitsluitend meerderjarige kinderen
77
78
78
78
82
paar zonder kinderen
68
70
72
72
71
paar met minderjarige kinderen
77
79
82
82
83
bijstand
97
98
98
98
98
loondienst
30
31
33
35
34
eigen bedrijf
12
12
15
13
10
andere uitkering
62
62
65
66
60
pensioen
77
78
79
80
79
totaal
72
73
74
74
74
bron van inkomen
bron: CBS, WPI/bewerking OIS
Met een bereikpercentage van 77% worden minimahuishoudens in Noord het best bereikt, gevolgd door Zuidoost en West (beiden 76%). Wijken met een bereikpercentage boven de 80% zijn Betondorp (84%) en Indische Buurt-Oost (81%) in Oost, Zuid-Pijp (81%) in Zuid en, Ijplein/Vogelbuurt (82%) in Noord. In stadsdeel Centrum is het voorzieningenbereik met 63% een stuk lager dan gemiddeld. Het Nibud concludeert in de Minima-effectrapportage gemeente Amsterdam 2022 (te verschijnen) dat het pakket aan gemeentelijke minimaregelingen noodzakelijk is voor minimahuishoudens om te kunnen rondkomen. Voorwaarden zijn wel dat minima alles aanvragen waar ze recht op hebben, goed kunnen omgaan met geld en geen persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben (zoals een hoge huur of de aflossing van schulden). Een hoog bereik in de context van de oplopende prijzen daarom extra belangrijk.
6.8 Dynamiek totaalbereik 6.8.1 Instroom in groep bereikte huishoudens Hoe ontwikkelt het voorzieningengebruik van individuele huishoudens zich door de jaren heen? De meeste huishoudens die gebruik maken van minimavoorzieningen doen dit meerdere jaren achter elkaar. In 2021 gebruikten circa 50.000 huishoudens tenminste één voorziening. De meerderheid van deze huishoudens maakte in 2020 ook al gebruik van voorzieningen (zie figuur 6.25). Dertien procent van de in 2021 bereikte groep had in 2020 nog geen recht op voorzieningen, bijvoorbeeld vanwege een te hoog inkomen of omdat zij nog niet in Amsterdam woonden. Zij zijn dus direct in het jaar dat zij instroomden in de doelgroep gebruik gaan maken van voorzieningen. Slechts een klein deel (2%) van de in 2021 bereikte huishoudens had in 2020 ook al recht op voorzieningen maar werd toen nog niet bereikt.
73
Circa 17.500 huishoudens hadden in 2021 wel recht op voorzieningen maar maakten hier geen gebruik van. Van deze groep werd 45% in 2020 ook niet bereikt. Zij maakten dus ten minste twee achtereenvolgende jaren geen gebruik van voorzieningen waar zij wel recht op hadden. De andere helft van de groep niet-bereikt huishoudens zijn ‘nieuwe’ rechthebbenden, zij hadden een jaar eerder (in 2020) nog geen recht op voorzieningen. ‘Nieuwe’ rechthebbende huishoudens worden beter bereikt dan huishoudens die al langer recht hebben op voorzieningen maar hier nog geen gebruik van maken. Circa 15.000 huishoudens hadden in 2020 geen recht op voorzieningen maar in 2021 wel. Van deze groep werd in 2021 42% bereikt. Onder bestaande rechthebbenden was de instroom in het voorzieningengebruik veel kleiner. Van de ca. 8.800 huishoudens die ook in 2020 al recht hadden op voorzieningen (maar hier geen gebruikt van maakten) werd slechts 10% in 2021 alsnog bereikt. Figuur 6.25 Instroom totaalbereik 2020-2021 voor huishoudens met recht op voorziening(en) in 2021 (afgeronde aantallen*)
* aantallen op basis van gemeentelijke normen voor inkomen en vermogen, daarom niet gelijk aan aantallen in deel I van de monitor. bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
6.8.2 Uitstroom uit groep bereikte huishoudens Als een huishouden eenmaal bereikt is, wat gebeurt er dan in het jaar daarop? Zoals benoemd in de vorige paragraaf maken de meeste huishoudens met voorzieningen hier meerdere jaren gebruik van. Van de 49.500 huishoudens die in 2020 gebruikt maakten van armoedevoorzieningen, deed 86% dit in 2021 ook nog (zie figuur 6.26). Ruim één op de tien (12%) in 2020 bereikte huishoudens had in 2021 geen recht meer op voorzieningen. Zij stroomden dus uit. Een veel kleinere groep (2%) stroomde uit terwijl zij nog wél recht hadden op voorzieningen. Het recht op voorzieningen wordt bepaald op basis van de situatie van het huishouden in het jaar voorafgaand aan het toekenningsjaar. De uitstroomcijfers laten echter zien dat het voorzieningengebruik sterk verband houdt met de situatie van het huishouden in het toekenningsjaar zelf. Circa 17.200 huishoudens hadden in 2020 wel recht op voorzieningen, maar werden niet bereikt. Bijna de helft van deze groep heeft in 2021 géén recht meer op voorzieningen. Dit betekent dat zij in 2020 een te hoog inkomen hadden, niet in Amsterdam woonden of om andere reden niet tot de doelgroep van behoorden.
74
Figuur 6.26 Uitstroom totaalbereik 2020-2021 voor huishoudens met recht op voorziening(en) in 2020 (afgeronde aantallen*)
* aantallen op basis van gemeentelijke normen voor inkomen en vermogen, daarom niet gelijk aan aantallen in deel I van de monitor. bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
Men kan zich voorstellen dat huishoudens die kortdurend tot de minima behoren niet altijd gebruik maken van (alle) voorzieningen waar zij recht op hebben. Echter, ook huishoudens die langdurig tot de minima behoren worden niet allemaal bereikt met de gemeentelijke voorzieningen. Van alle huishoudens die in 2021 niet werden bereikt werd circa 29% (ca. 5.100 huishoudens) langdurig niet bereikt. Dit wil zeggen dat zij tenminste drie jaar tot de minima behoorden maar in deze hele periode geen gebruik maakten van voorzieningen. Een groot deel van de langdurig niet bereikt huishoudens heeft een pensioen als belangrijkste inkomensbron (41%, figuur 6.27). Oudere en gepensioneerde minima zijn een groep die relatief vaak langdurig in armoede leven. Zestien procent van de groep die langdurig niet wordt bereikt leeft van een eigen bedrijf. Deze huishoudens behoren in veel gevallen juist kortdurend tot de minima (minder dan drie jaar), wat een reden kan zijn om geen voorzieningen aan te vragen. Hier zien we echter ook dat langdurig arme zelfstandigen een substantiële groep vormen binnen alle huishoudens die meerdere opeenvolgende jaren niet wordt bereikt. Wat betreft huishoudsamenstelling bestaat de groep huishoudens die langdurig niet wordt bereikt voornamelijk uit alleenstaanden. Dit is ook de groep die het vaakst langdurig tot de minima behoort.
75
Figuur 6.27 Samenstelling van de groep huishoudens die in 2019, 2020 en 2021 recht hebben op voorzieningen maar hier geen gebruik van maken, naar bron van inkomen en huishoudsamenstelling (n = 5.100, kenmerken in 2018) en samenstelling van de totale groep minimahuishoudens in 2020 (procenten)
inkomensbron
pensioen
41
andere uitkering
29
eigen bedrijf
16
loondienst
13
huishoudsamenstelling
bijstand alleenstaande
79
paar zonder kinderen
12
paar met kinderen
3
eenoudergezin
3
overig
3 0
% 20 totaal minima 2020
40
60
80
100
tenminste 3 jaar minima en geen voorzieningen gebruikt
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
76
Bijlage: verantwoording data
Bron: Integrale Inkomens- en Vermogensonderzoek Voor deze rapportage heeft O&S eigen berekeningen gemaakt op basis van bij het CBS beschikbaar gestelde microdatabestanden. De meest gebruikte bestanden zijn onderdeel van het Integrale Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV), dat in 2018 voor het eerst beschikbaar was. Het IIV van het CBS bestand bevat inkomens- en vermogensgegevens over alle huishoudens en personen in Nederland. Het wordt samengesteld op basis van inkomensgegevens van de Belastingdienst, gegevens over studiefinanciering van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en de Basisregistratie Personen. Deze gegevens zijn beschikbaar voor de jaren 2011 t/m 2020, waarbij de gegevens voor 2020 voorlopig zijn. De cijfers in deze Armoedemonitor zijn gebaseerd op dezelfde bestanden als de vorige editie van de monitor, de gegevens zijn daarom vergelijkbaar. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met het feit dat in de Armoedemonitor 2020 gebruik is gemaakt van voorlopige gegevens over 2019. In de huidige monitor zijn de definitieve cijfers over 2019 gebruikt; deze gegevens kunnen afwijken van wat in de Armoedemonitor 2020 is gerapporteerd. De in deze monitor gerapporteerde cijfers zijn niet te vergelijken met gegevens uit edities van de Armoedemonitor vóór de Armoedemonitor 2017.
Tussen de publicatie van de Armoedemonitor 2016 en 2017 is de methodiek van het CBS bij het verzamelen en beschikbaar maken van inkomens- en vermogensgegevens gewijzigd, wat een trendbreuk tot gevolg had.
Doelpopulatie Vanuit een beleidsmatig perspectief is het inkomen van huishoudens relevant als het gaat om het vaststellen van wie een laag inkomen heeft of niet. Uitkeringen zijn namelijk afhankelijk van de samenstelling van het huishouden, net als de hoogte van uitkeringen. Ook het recht op minimavoorzieningen hangt af van het huishoudinkomen en het huishoudvermogen. Met andere woorden: bij het bepalen van wie een laag inkomen heeft of niet wordt gekeken naar de hoogte van het huishoudinkomen, en of die op of onder de grens van 120% SM (de Amsterdamse inkomensgrens) uitkomt. Personen in huishoudens waarvan het inkomen op of onder deze grens ligt, behoren tot de groep met een laag inkomen. Om een percentage huishoudens met een laag inkomen te kunnen berekenen wordt een zogenaamde doelpopulatie vastgesteld, waartegen het aantal huishoudens met een inkomen tot 120% SM wordt afgezet. Tot de doelpopulatie behoren particuliere huishoudens, studentenhuishoudens uitgezonderd, waarvan het inkomen over een heel jaar bekend is. Op 77
basis van onder andere inschrijving in het onderwijs en ontvangen van studiefinanciering wordt bepaald of een persoon een student is. Als alle personen in het huishouden studenten zijn, wordt het huishouden gerekend als studentenhuishouden en valt het buiten de doelpopulatie. Institutionele huishoudens (tehuizen, verpleeg- en verzorgingshuizen, enz.), worden ook buiten beschouwing gelaten. In 2020 behoorden 430.836 huishoudens tot de doelpopulatie.
Uitval bij bereikberekeningen Zoals benoemd in paragraaf 6.1.1 zijn er huishoudens die wel recht hebben op gemeentelijke minimavoorzieningen, maar wij op basis van de CBS-gegevens niet tot de doelgroep rekenen en niet meenemen in de bereikberekeningen. Het gaat hierbij met name om: huishoudens en personen buiten de doelpopulatie, bijvoorbeeld omdat hun inkomen niet over een heel jaar bekend is of omdat zij studentenhuishoudens zijn die recht hebben op een aantal voorzieningen; huishoudens waarvan de samenstelling in de loop van het jaar is veranderd. De gemeente maakt een nieuwe berekening van de inkomens- en vermogenspositie wanneer een aanvrager een deel van het jaar alleenstaand of alleenstaande ouder is geweest. De CBSgegevens zijn gebaseerd op de huishoudsamenstelling op 1 januari van het peiljaar. huishoudens waarin gezinsleden anders dan de hoofdkostwinner en eventuele partner zorgen voor een inkomen hoger dan 120% SM. De gemeente bepaalt het recht op regelingen op basis van het inkomen van de aanvrager en de eventuele partner. De inkomensbepaling in de CBS-gegevens is gebaseerd op alle inkomens in het huishouden. huishoudens met een inkomen hoger dan 120% SM in de schuldsanering via de WSNP of de Kredietbank en huishoudens met een inkomen uit eigen onderneming en Spaarsanering. Deze huishoudens kunnen recht hebben op minimaregelingen.
huishoudens met een verschil in vermogen tussen 1 januari (peildatum CBS) en 31 december (peildatum gemeente) van het jaar voorafgaand aan het aanvraagjaar. Daarnaast is er uitval voor regelingen met doelgroepen die door de gemeente afgebakend worden op basis van criteria die niet beschikbaar zijn in de CBS-bestanden. Het gaat hierbij om: bij het Kindtegoed huishoudens met kinderen van 0 jaar: aangezien we kijken naar de situatie van het huishoudens in het jaar voorafgaand aan de toekenning worden alleen huishoudens meegenomen die in het jaar voor toekenning kinderen hadden. bij de Scholierenvergoeding huishoudens met kinderen van 18 jaar in het voortgezet onderwijs, zonder jongere kinderen. Om de doelgroep zo goed mogelijk te benaderen is de doelgroep vastgesteld op huishoudens met kinderen van 4 t/m 17 jaar.
78