CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Amsterdamse Armoedemonitor 2021.pdf

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 14 december 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Amsterdamse Armoedemonitor 2021 en Brede monitor armoederegelingen (VN2022-040750)18.775 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Amsterdamse Armoedemonitor 2021 Onderzoek, Informatie en Statistiek

1

In opdracht van: Werk, Participatie & Inkomen Projectnummer:22006 Auteurs: Soufyan Ahamiane, Renske Hoedemaker, Marloes de Hoon, Laure Michon & Jeroen Slot E-mailadres: l.michon@amsterdam.nl Bezoekadres: Weesperstraat 113-117 Telefoon: 020 251 0333 Postbus 658, 1000 AR Amsterdam http://onderzoek.amsterdam.nl Amsterdam, oktober 2022 Foto voorzijde: Weggeefkastje met vooral boeken, fotograaf: Edwin van Eis (16 augustus 2022).

2

Inhoud

Samenvatting en conclusie

5

2020 kantelpunt, meer minimahuishoudens verwacht in 2021 Armoede concentreert zich steeds sterker onder ouderen en alleenstaanden Bereik Scholierenvergoeding en Kindtegoed gestegen, andere regelingen stabiel

5 6 7

Inleiding

8

Deel I

10

1 Ontwikkelingen in 2021

10

1.1 Lichte groei minimapopulatie in 2020, verdere groei verwacht in 2021 1.2 Lage inkomens hebben bij huidige inflatie betalingsproblemen

2 Amsterdam in vergelijkend perspectief 2.1 Aandeel huishoudens met laag inkomen procentueel gestabiliseerd 2.2 Lichte toename huishoudens in langdurige armoede 2.3 Aandeel kinderen in armoede blijft dalen 2.4 Veel arme huishoudens met oudere hoofdkostwinner in Amsterdam

3 Minimahuishoudens 3.1 Een op vijf Amsterdamse huishoudens heeft een laag inkomen 3.2 Zestien procent minimahuishoudens in Amsterdam 3.3 Vermogen lage inkomens hangt samen met bron van inkomen 3.4 Huishoudens zonder kinderen relatief vaak vermogen boven de bijstandsnorm 3.5 Toename minimahuishoudens met andere uitkering dan bijstand 3.6 Eenoudergezinnen twee keer vaker minima dan gemiddeld 3.7 Vier van de vijf minimahuishoudens ontvangen huurtoeslag 3.8 West en Nieuw-West tellen meeste minimahuishoudens

4 Personen in minimahuishoudens 4.1 Zestien procent Amsterdammers leeft in huishouden met een laag inkomen 4.2 Aantal Amsterdammers in minimahuishoudens licht gestegen 4.3 Armoedepercentage onder ouderen is relatief hoog, aantal stijgt 4.4 Kinderen in Zuidoost en Noord relatief vaak minima 4.5 Minimapercentage onder ouderen het hoogst in West, Zuidoost en Oost 4.6 Oudere minima en minima-eenoudergezinnen zijn vaker vrouwen 4.7 Aandeel minima hoger onder eerste generatie migranten

5 Dynamiek minimapopulatie

10 11

13 13 14 14 15

17 18 19 20 22 23 24 27 28

30 31 32 32 34 36 38 38

41 3

5.1 Twee derde minima langdurig arm 5.2 Vooral ouderen vaak langdurig minima 5.3 Bij inkomen uit werk relatief minder langdurige armoede 5.4 Paren met kinderen minder vaak langdurig minima 5.5 Grootste groep langdurige minima in Nieuw-West, hoogste aandeel in Zuidoost 5.6 Instroom in groep minima voor het eerst sinds 2013 weer gestegen 5.7 Inkomensverandering grootste reden voor in- of uitstroom 5.8 Inkomen voor instroom en na uitstroom vaak net boven armoedegrens 5.9 Risico op instroom hoog voor eenoudergezinnen en huishoudens met een uitkering 5.10 Uitstroom relatief hoog voor paren met kinderen en bij inkomen uit werk

41 42 43 44 45 46 47 48 49 50

Deel II

52

6 Toekenningen en bereik minimaregelingen

52

6.1 Berekening bereik minimaregelingen 6.1.1 Doelgroep gemeentelijke minimaregelingen 6.1.2 Methodiek bereikberekeningen 6.2 Stadspas en kindtegoed 6.2.1 Verstrekkingen Stadspas en kindtegoed 6.2.2 Bereik Stadspas 6.2.3 Bereik Stadspas met Kindtegoed 6.3 Collectieve zorgverzekering 6.3.1 Verstrekkingen Collectieve Zorgverzekering 6.3.2 Bereik Collectieve Zorgverzekering 6.4 Gratis OV voor oudere minima en Tegemoetkoming Aanvullend Openbaar Vervoer 6.4.1 Gratis OV voor oudere minima 6.4.2 Tegemoetkoming Aanvullend Openbaar Vervoer 6.4.3 Bereik Gratis OV en/of TAOV 6.5 Scholierenvergoeding 6.5.1 Verstrekkingen Scholierenvergoeding 6.5.2 Bereik Scholierenvergoeding 6.6 Verzamelbereik kindvoorzieningen 6.7 Totaalbereik minimahuishoudens 6.8 Dynamiek totaalbereik 6.8.1 Instroom in groep bereikte huishoudens 6.8.2 Uitstroom uit groep bereikte huishoudens

Bijlage: verantwoording data Bron: Integrale Inkomens- en Vermogensonderzoek Doelpopulatie Uitval bij bereikberekeningen

52 52 54 55 55 56 59 61 61 61 64 64 64 65 67 67 68 71 72 73 73 74

77 77 77 78

4

Samenvatting en conclusie

De jaarlijkse Amsterdamse Armoedemonitor dient twee doelen. Ten eerste beschrijft de monitor de minimapopulatie. Hiermee worden ontwikkelingen en nieuwe risico’s op het gebied van armoede in de stad in kaart gebracht. Ten tweede biedt de monitor een overzicht van het bereik van de gemeentelijke minimaregelingen. De monitor is gebaseerd op gegevens uit het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV) van het CBS over de periode 2011-2020. De gegevens over 2020 zijn voorlopig. Dit geeft een beeld van de impact van het eerste jaar van de coronacrisis. Daarnaast kijken we in het eerste hoofdstuk naar ontwikkelingen in 2021, met een raming van het percentage minimahuishoudens in 2021 en de doorvertaling voor Amsterdam van de betaalbaarheidsproblemen die het CPB in kaart heeft gebracht.

2020 kantelpunt, meer minimahuishoudens verwacht in 2021 Voor het eerst sinds 2014 is het aantal minimahuishoudens in 2020 gestegen ten opzichte van het jaar ervoor. Het gaat tussen 2019 en 2020 nog om een relatief beperkte stijging van ongeveer 1.500 huishoudens. Omdat de totale bevolking meer is gegroeid zien we procentueel een stabilisatie. De verwachting is echter dat het aantal minimahuishoudens in 2021 verder is gestegen en ook het percentage: van 15,6% in 2020 naar 16,6% in 2021. Daarmee vormt 2020 een kantelpunt. Figuur 1 Werkloosheidspercentage (2011-2021), percentage minimahuishoudens in Amsterdam (2011-2020) en raming minimahuishoudens voor 2021 (procenten) % 50

40

30

20

10

0 2013

2014

2015

minimahuishoudens

2016

2017 werkloosheid

2018

2019

2020

2021

raming minimahuishoudens

bron: CBS/ bewerking O&S

5

Op dit moment is er veel aandacht voor de kosten van levensonderhoud. Door de hoge inflatie komen huishoudens niet meer rond met hun inkomen. Zoals de stresstest van het CPB laat zien (CPB, 2022, Stresstest kosten van levensonderhoud) ondervinden vooral lage inkomens problemen om hun vaste en noodzakelijke lasten te betalen, en worden zij ook op termijn het hardst getroffen door deze problemen. Dit betekent niet dat er door de inflatie meer minimahuishoudens bij komen. Bij de bepaling van wie minima zijn wordt gekeken naar inkomen en vermogen, niet naar vaste lasten. Toch zullen juist door de stijging van hun vaste lasten meer mensen te maken krijgen met armoede en schulden. Dit toont aan dat inkomen en vermogen alleen niet het gehele beeld geven van armoede in de stad. Ook huishoudens met een hoger inkomen kunnen door hun vaste lasten in financiële problemen komen en het is belangrijk om armoede op verschillende manieren in kaart te brengen. De focus in de armoedemonitor ligt echter op de groep met een laag inkomen en weinig vermogen.

Armoede concentreert zich steeds sterker onder ouderen en alleenstaanden In eerdere edities signaleerden we al dat er relatief veel minima zijn onder specifieke groepen en dat dit effect in de loop der jaren toeneemt. Dit zien we ook in deze editie, vooral als het gaat om ouderen. De Amsterdamse minimapopulatie vergrijst: 66-plussers vormden 13% van de minima in 2011; in 2020 is dit percentage gestegen naar 20%. Ook in absolute zin is het aantal oudere minima de afgelopen jaren blijven stijgen: er waren ruim 14.700 minima van 66 jaar en ouder in 2011; in 2020 ruim 21.300. De totale bevolking vergrijst overigens ook, maar in mindere mate. Daarbij komt dat oudere minima geen perspectief hebben op verbetering van hun inkomenspositie, langdurige armoede komt onder deze groep dan ook veel vaker voor (83% is drie jaar of langer minima) dan gemiddeld onder alle minima (65%). Oudere minima wonen ongelijk verspreid over de stad: in delen van West, Oost en Zuidoost zien we hoge armoedepercentages voor deze groep. Verder zien we dat ouderen die in het buitenland zijn geboren (de eerste generatie migranten) veel vaker minima zijn (43%) dan gemiddeld (13%). Armoede concentreert zich ook onder andere groepen in steeds sterkere mate. Minima zijn steeds vaker alleenstaand: in 2011 vormden zijn 63% van alle minimahuishoudens, in 2020 70%.

Alleenstaanden hebben per definitie één inkomen en hebben daarmee minder uitzicht op verbetering van hun inkomenspositie dan paren. Verder zien we dat bijstandsgerechtigden ook in een kwetsbare positie zitten: zij zijn vaker dan gemiddeld langdurig arm en het percentage langdurige minima onder hen stijgt, al is het langzaam. Uitstroom en ook duurzame uitstroom wordt steeds lastiger naarmate mensen langer tot de minima behoren. Eenoudergezinnen komen naar voren als een groep met een zeer hoog armoedepercentage: 32%, twee keer zo veel als gemiddeld. Bij een hoger aantal kinderen in een eenoudergezin stijgt bovendien het armoedepercentage. Toch zien we dat deze groep in aantal wel afneemt met de jaren, en dat zij niet vaker langdurig minima zijn dan gemiddeld. De situatie van kinderen laat een gunstigere trend zien. Er zijn steeds minder kinderen die opgroeien in minimahuishoudens en ook het percentage is de afgelopen jaren gedaald. Belangrijk wordt om te monitoren of deze daling aanhoudt in 2021, wanneer de verwachte instroom van nieuwe minima realiteit wordt. Dan is het belangrijk om te bekijken welke groepen tot deze nieuwe minima behoren en of zich nieuwe risicogroepen aftekenen. 6

Bereik Scholierenvergoeding en Kindtegoed gestegen, andere regelingen stabiel Met een stijging van het aantal minimahuishoudens is ook de doelgroep van de gemeentelijke minimaregelingen groter geworden. Tegelijkertijd is het bereik van de meeste regelingen stabiel: dat betekent dat meer huishoudens een toekenningen hebben gekregen. Voor de Scholierenvergoeding is sprake van een groter bereik. Dit kan het gevolg zijn van een toegenomen vraag tijdens de coronacrisis (het bereik van het Kindtegoed is ook tegenomen, maar dit heeft waarschijnlijk te maken met de veranderde manier van toekennen). Door acute problemen hebben meer huishoudens aangeklopt bij de gemeente, bijvoorbeeld voor een laptop zodat kinderen online onderwijs konden volgen. Eenmaal in beeld krijgen huishoudens ook informatie over andere regelingen. Ook de verstrekking van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) door de gemeente heeft wellicht geleid tot meer bekendheid van de hulp die de gemeente biedt en daardoor tot meer toekenningen. Hierdoor kon het bereik van de meeste regelingen stabiel blijven en in het geval van de Scholierenvergoeding stijgen. Figuur 2 Bereik van de Stadspas, Collectieve Zorgverzekering, Gratis OV 65+/ TAOV, Kindbonnen/Kindtegoed*, Scholierenvergoeding en verzamelbereik van de kindregeling, 2014-2021 (procenten) 100

%

80

60

Verzamelbereik kindregelingen

40

Kindbonnen/ Kindtegoed* Stadspas 20

Scholierenvergoeding po/vo Gratis OV 65+ en/of TAOV Collectieve Zorgverzekering

0 2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

*Vanaf 2020 berekend als het bereik van de Stadspas onder kinderen tot en met 14 jaar.

7

Inleiding

De Amsterdamse Armoedemonitor verschijnt elk jaar in opdracht van WPI en heeft twee doelen: ten eerste het in kaart brengen van de minimapopulatie en ontwikkelingen daarin, en ten tweede het berekenen van het bereik van gemeentelijke minimaregelingen. Dit is de 24e editie van de Amsterdamse Armoedemonitor. De Armoedemonitor is gebaseerd op CBS-gegevens over inkomen en vermogen van alle Amsterdamse huishoudens tussen 2011 en 2020. Eerder dit jaar zijn al kerncijfers over 2020 gepubliceerd (O&S, 2022, Minima in Amsterdam, Kerncijfers 2020) omdat het belangrijk was om de impact van het eerste jaar van de coronacrisis snel in beeld te brengen. In deze Armoedemonitor presenteren we andere cijfers omdat Weesp inmiddels – met ingang van 24 maart 2022 – is gefuseerd met Amsterdam. In deze monitor is de Weesper bevolking meegenomen. De meest recente beschikbare cijfers van het CBS gaan over het jaar 2020 en dit zijn voorlopige cijfers. De cijfers over de periode 2011 t/m 2019 zijn definitief. Daarom kunnen cijfers in de vorige editie van de Armoedemonitor (met voorlopige cijfers over 2019) licht afwijken van de definitieve cijfers die hier worden gepresenteerd.

Armoedegrens Amsterdam: 120% van het Wettelijk Minimum Loon en weinig vermogen De gemeente Amsterdam heeft de grens voor een laag inkomen gesteld op 120% van het Wettelijk Minimum Loon (WML) voor een gezin. De hoogte van de grens verschilt naar huishoudtype en leeftijd van de hoofdkostwinner. Voor andere huishoudtypes dan gezinnen wordt de inkomensgrens naar rato berekend. In tabel 1 staan de bedragen op jaarbasis voor de verschillende typen huishoudens. Tabel 3 Normbedragen belastbaar jaarloon 2020 van de lage inkomensgrens gemeente Amsterdam, naar leeftijd en type huishouden, voor recht op minimaregelingen in 2021 (€) 21 jaar tot pensioengerechtigde leeftijd

vanaf pensioengerechtigde leeftijd

gezin (met of zonder kinderen)

26.128

26.481

eenoudergezin

25.688

24.311

alleenstaande

20.551

19.294 bron: WPI

Daarnaast wordt bij hulp aan huishoudens met weinig geld ook gekeken naar het vermogen. Minimahuishoudens hebben een laag inkomen en een vermogen tot de grens voor de bijstand. Op 1 januari 2021 is het maximaal toegestane vermogen € 6.295 voor een alleenstaande en € 12.590 voor paren en alleenstaande ouders. Daarnaast mag de overwaarde van een eigen woning maximaal € 53.100 zijn.

8

In de Armoedemonitor gebruiken we CBS-microdata over inkomen en vermogen (het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek, IIV) waarin het WML niet beschikbaar is. We gebruiken daarom gegevens over de grens van 120% het sociaal minimum (SM), die de gemeentelijke inkomensgrens het best benadert.

Leeswijzer In Deel I brengen we de minimapopulatie en ontwikkelingen daarin in beeld. In hoofdstuk 1 bespreken we de verwachte ontwikkelingen in 2021. In hoofdstuk 2 worden de Amsterdamse cijfers tot en met 2020 vergeleken met die van andere Nederlandse grote steden, de MRA en Nederland in het geheel. Vervolgens worden de kenmerken van huishoudens met een laag inkomen en minimahuishoudens in kaart gebracht (hoofdstuk 3) en zo ook van personen in deze huishoudens (hoofdstuk 4). In de hoofdstukken 3 en 4 beschrijven wij de samenstelling van de groep minima (bijvoorbeeld: het percentage alleenstaanden onder alle minima) en kijken wij naar het armoedepercentage. Dat laatste is het percentage minima onder de groep met hetzelfde kenmerk (bijvoorbeeld: het percentage minima onder alle kinderen). Hoofdstuk 5 beschrijft de dynamiek van de minimapopulatie: langdurige armoede en in- en uitstroom uit de minimapopulatie tussen 2019 en 2020. In Deel II ligt de focus op gemeentelijke minimaregelingen waarvan het bereik berekend kan worden. Hiervoor koppelt O&S bestanden van ontvangers van minimaregelingen (afkomstig van de directie Inkomen) aan de CBS-bestanden. Daarmee kunnen de ontvangers van regelingen worden afgezet tegen de doelgroep en kan van gebruikers een profiel worden geschetst. In hoofdstuk 6 kijken we naar de ontwikkelingen in de tijd en verschillen tussen groepen in het bereik.

9

Deel I 1 Ontwikkelingen in 2021

1.1 Lichte groei minimapopulatie in 2020, verdere groei verwacht in 2021 Het aantal minimahuishoudens is gegroeid van 65.608 in 2019 (exclusief Weesp) tot 67.132 in 2020 (inclusief Weesp). In percentage is de groep ongeveer gelijk gebleven: 15,7% van de Amsterdamse huishoudens behoorde tot de minima in 2019, dit is 15,6% in 2020. Voor een raming van de situatie in 2021 kijken we naar de ontwikkeling van het werkloosheidspercentage (figuur 1.1). In eerdere jaren zagen we dat het aandeel minimahuishoudens de trend van de werkloosheid in Amsterdam met enige vertraging en in afgezwakte vorm volgt. De cijfers in deze raming zijn aangepaste ten opzichte van de eerder gepubliceerde raming omdat inmiddels de werkloosheidscijfers voor heel 2021 beschikbaar zijn. Daarnaast rekenen we vanaf 2020 met de Amsterdamse bevolking inclusief Weesp. Volgens deze nieuwe raming is de verwachting dat de minimapopulatie in Amsterdam in 2021 is gegroeid met een procentpunt, naar 16,6%. Figuur 1.1 Minimahuishoudens (2011-2020), werkloosheidspercentage (2011-2021) en raming minimahuishoudens (2021), Amsterdam (procenten) % 50

40

30

20

10

0 2013

2014

2015

minimahuishoudens

2016

2017 werkloosheid

2018

2019

2020

2021

raming minimahuishoudens

bron: CBS/ bewerking O&S

10

We beschikken niet over gegevens om iets over de situatie in 2022 te kunnen zeggen. Het SCP en het CPB hebben ramingen gemaakt voor de periode 2021-2023, maar op basis van een andere inkomensgrens en voor Nederland als geheel, niet op gemeenteniveau. Volgens die ramingen zou de armoede in 2021 op hetzelfde niveau blijven als in 2020, om in 2022 duidelijk te stijgen. De aangekondigde koopkrachtmaatregelen zouden zorgen voor een daling van armoede in 2023 zorgen (SCP, 2022, Armoede ramingen september 2022). Het minimumloon gaat omhoog, en daarmee ook de gemeentelijke lage-inkomensgrens (die wordt afgeleid van het minimumloon). Hierdoor zullen meer huishoudens in Amsterdam tot de minima behoren, ook als hun inkomen gelijk blijft. Daarbij komt dat de Gemeente Amsterdam heeft besloten om de inkomensnorm voor minimaregelingen te verhogen van 120% naar 130%. Ook dat zal ervoor zorgen dat meer huishoudens tot de groep minima zullen horen in 2023.

1.2 Lage inkomens hebben bij huidige inflatie betalingsproblemen In een recente studie heeft het CPB laten zien hoeveel Nederlandse huishoudens een betaalbaarheidsprobleem hebben bij de prijzen van januari 2021, en hoeveel huishoudens bij aanhoudende inflatie het risico lopen om vaste en noodzakelijke kosten (energie, brandstof en voedsel) niet te kunnen bekostigen. Hierbij is gewerkt met twee scenario’s, een waarbij de energieprijzen verdrievoudigen (basisscenario) en een waarbij de energieprijzen zeven keer hoger zijn (donkere scenario). Deze landelijke stresstest heeft O&S vertaald naar Amsterdam. Daaruit blijkt dat bij het prijsniveau van januari 2021 ongeveer 58.000 Amsterdamse huishoudens een betaalbaarheidsprobleem hebben, 12% van alle huishoudens. Dat is meer dan landelijk (7%). In het basisscenario komen daar nog eens 17.000 huishoudens bij (3%), in het donkere scenario 47.000 (10%). Figuur 1.2 Huishoudens met betaalbaarheidsrisico volgens CPB scenario’s, Amsterdam en Nederland, percentages Amsterdam (doorrekening O&S)

12

inkomensniveau

Nederland (stresstest CPB)

3

10

7 2 6

tot 120% sociaal minimum

45

120% sociaal minimum - modaal

8

4

11

28

12

1x-1,5x modaal 1,5x-2x modaal 2x-3x modaal >3x modaal %

0

20

40

60

80

100

betaalbaarheidsrisico met prijzen januari 2021 betaalbaarheidsrisico door gestegen prijzen basisscenario betaalbaarheidsrisico door gestegen prijzen donkere scenario geen betaalbaarheidsrisico

Bron: CPB/ O&S

11

Vooral huishoudens met een laag inkomen worden getroffen door betaalbaarheidsproblemen: 45% van deze huishoudens heeft bij de prijzen van januari 2021 onvoldoende inkomen om vaste en noodzakelijke kosten te bekostigen. Ook op termijn loopt vooral deze groep grote risico’s: in het donkere scenario heeft uiteindelijk 85% van de huishoudens met een laag inkomen betalingsproblemen. Dat geldt ook voor een kwart van de groep met een inkomen tussen 120% SM en een modaal inkomen. Bij een hoger inkomen komt het zelden voor dat het inkomen ontoereikend is of zal zijn bij de hogere energiekosten en de gestegen prijzen.

12

2 Amsterdam in vergelijkend perspectief

In dit hoofdstuk komen de Amsterdamse cijfers aan bod in vergelijking met andere steden en Nederland als geheel. We kijken hierbij naar de drie andere grote steden (Rotterdam, Den Haag en Utrecht) en de metropoolregio Amsterdam (MRA). De MRA bestaat uit 32 gemeenten in de provincies Noord-Holland en Flevoland. We vergelijken de ontwikkeling van het percentage huishoudens met een inkomen tot 120% SM, het percentage huishoudens die langdurig een laag inkomen hebben, en kinderen en ouderen in huishoudens met een laag inkomen. Voor deze vergelijking beschikken we alleen over gegevens over het inkomen en niet over het vermogen van huishoudens. We kunnen daarom wel de groep met een laag inkomen vergelijken, maar niet de minimapopulatie.

2.1 Aandeel huishoudens met laag inkomen procentueel gestabiliseerd Net als Rotterdam en Den Haag telt Amsterdam relatief veel huishoudens met een laag inkomen, vergeleken met heel Nederland, maar ook vergeleken met Utrecht en de MRA. In 2020 is het percentage huishoudens met een laag inkomen overal gestabiliseerd, na de daling sinds 2013. De daling was het sterkst in Amsterdam: 3,7 procentpunt tussen 2013 en 2020, tegenover 3 procentpunt in Rotterdam en 1,3 procentpunt in heel Nederland. Tussen 2019 en 2020 is de daling in Utrecht met 0,2 procentpunt iets groter dan in Amsterdam en Rotterdam. Figuur 2.1 Percentage huishoudens met een inkomen tot 120% SM in de G4, de MRA en Nederland, 20112019, en voorlopige cijfers voor 2020 (procenten) % 35 30 25

Rotterdam Amsterdam

20

Den Haag MRA

15

Utrecht 10

Nederland

5 0 2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

bron: CBS Statline/ bewerking OIS

13

2.2 Lichte toename huishoudens in langdurige armoede Het CBS definieert langdurige armoede onder huishoudens op basis van een laag inkomen over een periode van minstens vier jaar en zet deze groep af tegen het totaal aantal huishoudens. In hoofdstuk 5 wijken we hier voor Amsterdam van af: we kijken naar personen (i.p.v. huishoudens) die drie jaar of langer (i.p.v. vier) minima zijn (met een laag inkomen en weinig vermogen). Volgens de definitie van het CBS heeft 13,6% van de Amsterdamse huishoudens een langdurig laag inkomen. Dat is minder dan in Rotterdam, maar meer dan in Den Haag, Utrecht, de MRA en heel Nederland. De cijfers over langdurige armoede laten een lichte stijging zien sinds 2014, behalve in Amsterdam, waar het stabiel is. In Amsterdam had 13,7% van de huishoudens langdurig een laag inkomen in 2014, dit is gestegen naar 13,9% in 2017 en weer gedaald naar 13,6% in 2020. In dezelfde periode is dit percentage in Den Haag relatief het meest gestegen, met 1 procentpunt tussen 2014 en 2020. Figuur 2.2 Percentage huishoudens met vier jaar of langer een inkomen tot 120% SM in de G4, de MRA en Nederland, 2014, 2017 en voorlopige cijfers voor 2020 (procenten) % 35 2014 30

2017 2020

25 20 15,8 15

13,6

12,9 9,2

10

8,8

8,3

Utrecht

Nederland

5 0

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

MRA

bron: CBS Statline/ bewerking OIS

2.3 Aandeel kinderen in armoede blijft dalen Er groeien steeds minder kinderen op in gezinnen met een laag inkomen. Dat zien we op landelijk niveau, in de G4 en in de MRA. Deze daling is in Amsterdam vanaf 2011 te zien, elders zet deze later in. Wel zien we dat het aandeel kinderen dat deel uitmaakt van een huishouden met een laag inkomen in Amsterdam en Rotterdam nog steeds veel hoger ligt dan elders: (bijna) twee keer zo hoog als landelijk.

14

Figuur 2.3 Percentage kinderen in huishoudens met een inkomen tot 120% SM in de G4, de MRA en Nederland, 2011-2019 en voorlopige cijfers voor 2020 (procenten) % 35 30 25

Rotterdam Amsterdam

20

Den Haag MRA

15

Utrecht 10

Nederland

5 0 2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

bron: CBS Statline/ bewerking OIS

In april 2020 heeft de overheid de doelstelling vastgelegd om kinderarmoede te halveren tussen 2015 en 2030. Dat betekent dat het percentage kinderen in Nederland dat opgroeit in een huishouden met een inkomen tot de lage-inkomensgrens moet dalen van 9,2% in 2015 naar 4,6% in 2030 (zie Ministerie SZW, 2020, Kamerbrief nadere uitwerking ambities kinderarmoede). Vertalen we dat naar de grens van 120% SM in Amsterdam, dan betekent dit dat kinderarmoede moet dalen van 21,7% in 2015 naar 10,9% in 2030. In 2020 zou dat percentage volgens de doelstelling 18,1% moeten zijn. De voorlopige cijfers voor 2020 komen met 17,4% onder dit percentage uit. Wanneer deze daling op dezelfde wijze doorzet tot 2030, dan zou de doelstelling kunnen worden behaald.

2.4 Veel arme huishoudens met oudere hoofdkostwinner in Amsterdam Van de huishoudens met een hoofdkostwinner van 65 jaar of ouder heeft 32,4% in Amsterdam een laag inkomen. In Rotterdam is dit 32,7%. Dit zijn veel hogere percentages dan in Den Haag, Utrecht, de MRA en dan in heel Nederland. In de MRA en Nederland daalt het aandeel minima onder ouderen; in de vier grote steden is sprake van lichte schommelingen. In hoofdstuk 4 komt de groep pensioengerechtigde minima uitgebreider aan bod.

15

Figuur 2.4 Percentage huishoudens met een inkomen tot 120% SM onder huishoudens met een hoofdkostwinner van 65 jaar of ouder in de G4, de MRA en Nederland, 2011-2019 en voorlopige cijfers voor 2020 (procenten) % 35 Rotterdam 30

Amsterdam Den Haag

25

Utrecht MRA

20

Nederland 15 10

5 0 2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

bron: CBS Statline/ bewerking OIS

16

3 Minimahuishoudens

Dit hoofdstuk gaat over de inkomens- en vermogenspositie van Amsterdamse huishoudens die tot de minima worden gerekend. Een huishouden behoort hiertoe wanneer het huishoudinkomen tot 120% van het sociaal minimum (SM) bedraagt en het totale huishoudvermogen lager is dan de grens voor de bijstand. Deze definitie wijkt iets af van de gemeentelijke minimadefinitie (zie bijlage ‘verantwoording data’), maar vormt gegeven de beperkingen aan beschikbare data de meest accurate benadering van de doelgroep. Allereerst presenteren we een overzicht van de Amsterdamse huishoudens naar inkomen en vermogen over de gehele breedte van het inkomensspectrum. Daarna bestuderen we de groep minimahuishoudens aan de hand van een aantal sociaaleconomische kenmerken zoals huishoudsamenstelling, belangrijkste bron van het inkomen en de verdeling over de stad. Omdat niet voor alle huishoudens het inkomen over het betreffende jaar bekend is, laten we sommige huishoudens buiten beschouwing. Daarnaast worden huishoudens die exclusief uit studenten of instituut bewoners bestaan in deze monitor achterwege gelaten. De resterende populatie, de doelpopulatie, vormt net als in het voorgaande jaar 87% van alle Amsterdamse huishoudens in 2020. De gepresenteerde aantallen en percentages in dit hoofdstuk hebben dus altijd betrekking op deze doelpopulatie bestaande uit 430.836 huishoudens.

Figuur 3.1 is een grafische weergave van de verhoudingen tussen de verschillende groepen huishoudens die in de Armoedemonitor aan bod komen. Figuur 3.1 Amsterdamse huishoudens, huishoudens in de doelpopulatie, huishoudens met een laag inkomen en minimahuishoudens, 2020, inclusief Weesp

totaal huishoudens Amsterdam

494.155

huishoudens doelpopulatie heel jaar inkomen bekend,

430.836

excl. studentenhuishoudens excl. instituutbewoners

laag inkomen tot 120% SM

minimahuishoudens inkomen tot 120% SM

83.360

en weinig vermogen

67.132 bron: CBS/ bewerking O&S

17

3.1 Een op vijf Amsterdamse huishoudens heeft een laag inkomen Van de Amsterdamse huishoudens heeft 19,3% een inkomen tot 120% SM. Bijna één op de tien heeft een inkomen onder het sociaal minimum (100% SM). De laagste categorie (0-79% SM) is tussen 2019 en 2020 geslonken in relatieve en absolute zin (ruim 2.000 minder in 2020). Alle overige categorieën tot 130% zijn in relatieve zin even groot gebleven of licht gegroeid. Tabel 3.2 Amsterdamse huishoudens naar inkomensgroep als percentage van het sociaal minimum, 2020 abs.

%

0% - 79% SM

9.871

2

80% - 99% SM

26.615

6

100% - 109% SM

33.682

8

110% - 119% SM

13.192

3

120% - 129% SM

11.729

3

130% SM of meer

335.747

78

totaal

430.836

100

bron: CBS/ bewerking O&S

Figuur 3.3 toont de verdeling van Amsterdamse huishoudens over verschillende categorieën van besteedbaar huishoudinkomen, als percentage van het SM. Het percentage huishoudens met een laag inkomen in Amsterdam is vanaf 2014 gedaald maar in de afgelopen jaren is deze trend afgevlakt. De positie van huishoudens met een laag inkomen staat niet op zichzelf, maar moet worden bekeken ten opzichte van andere inkomensgroepen. Wanneer we alle inkomensgroepen in één kader bekijken springt vooral de groeiende groep hoge inkomens in het oog. Het aandeel huishoudens met inkomsten die 300% of meer van het SM bedragen, ligt in de laatste jaren duidelijk hoger dan in de voorafgaande periode. Dit is een toename met 9 procentpunt ten opzichte van 2011, die vooral samengaat met een krimp van de lagere middeninkomens in de stad (130% tot 200% SM).

18

Figuur 3.3 Amsterdamse huishoudens naar besteedbaar huishoudinkomen als percentage van het sociaal minimum (SM), 2011-2020

bron: CBS/ bewerking O&S

3.2 Zestien procent minimahuishoudens in Amsterdam Huishoudens met een laag inkomen en een vermogen onder de bijstandsnorm komen in aanmerking voor de gemeentelijke minimavoorzieningen. Zoals in paragraaf 1.1 al aangestipt behoorde op basis van deze criteria afgerond 16% van de Amsterdamse huishoudens in 2020 tot de minima. Het percentage minimahuishoudens was in dat jaar bij benadering gelijk aan het voorgaande jaar (zie figuur 3.4). In absolute zin is er sprake van een lichte groei welke deels vanuit Weesp komt, maar niet uitsluitend. De dalende trend die vanaf 2015 is ingezet komt hiermee tot stilstand.

19

Figuur 3.4 Aantal en percentage Amsterdamse minimahuishoudens (inkomen tot 120% SM en een vermogen tot de bijstandsnorm), 2011-2020

bron: CBS/ bewerking O&S

3.3 Vermogen lage inkomens hangt samen met bron van inkomen Van alle Amsterdamse huishoudens met een inkomen tot 120% SM heeft 19% teveel vermogen om in aanmerking te komen voor minimavoorzieningen. Dit aandeel varieert als we kijken naar de hoogte van het huishoudinkomen (zie figuur 3.5). Huishoudens met een inkomen tussen 90 en 105% van het SM hebben zelden een vermogen boven de bijstandsgrens. De huishoudens in deze inkomenscategorie behoren het vaakst tot de minima, op basis van inkomen (100% SM) en vermogen komen zij in aanmerking voor de bijstand. In zowel de lagere (tot 75% SM) als de hogere-inkomensgroepen (vanaf 120% SM) hebben huishoudens juist vaker een vermogen boven de bijstandsnorm. Voor de eerstgenoemde groep: huishoudens met een zeer laag inkomen (<75% SM) heeft dit tot gevolg dat zij ondanks hun lage inkomen relatief gezien minder vaak tot de minima zullen behoren. De vermogensverschillen zijn in 2020 groter dan in 2011, getuige de steilere lijn voor 2020 ten opzichte van 2011 (figuur 3.5). Bij de hogere inkomens (>200% SM) ligt het vermogen in 2020 vaker boven de bijstandsgrens dan voorheen. Bijna acht op de tien huishoudens met een inkomen van tenminste drie keer het SM, heeft in 2020 een vermogen boven de bijstandsnorm. In 2011 bedroeg dit aandeel nog minder dan zeven op de tien.

Amsterdamse huishoudens in de hoogste inkomenscategorie zijn dus vermogender geworden. Opmerkelijk is verder het aandeel huishoudens in de laagste inkomenscategorie (0-10% SM). Van deze huishoudens had in 2011 43% een vermogen boven de bijstandsnorm. In 2020 bedraagt dit 73%. Dit zou kunnen worden verklaard door ontwikkelingen op de huizenmarkt, 20

bijvoorbeeld doordat deze groep vaker een overwaarde op het eigen huis boven de maximale toegestane grens voor de bijstand heeft. Nader onderzoek omtrent de financiële situatie van huishoudens met geen of een zeer laag inkomen maar wel vermogen (in vastgoed) kan hier meer inzicht in geven. Figuur 3.5 Percentage huishoudens met vermogen boven de bijstandsnorm naar inkomen (% SM), 2011 en 2020

bron: CBS/ bewerking O&S

De staven in figuur 3.6 laten per inkomensbron het aandeel minimahuishoudens met een vermogen onder de bijstandsnorm (donkerblauw) versus een vermogen hoger dan deze norm (lichtblauw) zien. De huishoudens die voornamelijk van de bijstand rondkomen hebben logischerwijze bijna nooit een vermogen boven de bijstandsnorm. Van de Amsterdamse minimahuishoudens die het grootste deel van hun inkomen uit een eigen bedrijf halen heeft bijna de helft (49%) een vermogen boven de bijstandsnom. Ook voor minimahuishoudens die leven van een pensioen is dit aandeel aanzienlijk: 27%.

21

Figuur 3.6 Huishoudens met een inkomen tot 120% SM naar vermogenspositie en belangrijkste bron van het inkomen, 2020

* als de inkomenssituatie in de loop van het jaar is veranderd, kan het gebeuren dat een huishouden met bijstand als belangrijkste bron van inkomen over heel het jaar meer vermogen heeft dan de bijstandsnorm. bron: CBS/ bewerking O&S

3.4 Huishoudens zonder kinderen relatief vaak vermogen boven de bijstandsnorm Uit figuur 3.7 is af te lezen dat ongeveer twee op de tien Amsterdamse huishoudens met een inkomen tot 120% SM een vermogen hebben hoger dan de bijstandsnorm. Gezinnen met kinderen hebben het minst vaak een vermogen dat boven de bijstandsnorm ligt. Huishoudens zonder kinderen, zowel koppels als alleenwonenden, hebben juist het vaakst een vermogen boven de bijstandsgrens (respectievelijk 23% en 21%). Figuur 3.7 Huishoudens met een inkomen tot 120% SM naar vermogenspositie en huishoudsamenstelling, 2020

* inclusief huishoudens met uitsluitend meerderjarige kinderen bron: CBS/ bewerking O&S

22

3.5 Toename minimahuishoudens met andere uitkering dan bijstand In figuur 3.8 is voor de verschillende groepen huishoudens op basis van de voornaamste inkomensbron het aandeel minimahuishoudens weergegeven (links). Onder huishoudens die hoofdzakelijk rondkomen van een uitkering anders dan de bijstand ligt het aandeel minima het hoogst: 37% in 2020. In 2019 lag dit aandeel nog hoger (40%). Het is van belang ook oog te hebben voor de absolute groepsgrootte (rechts). Zo nam het aantal huishoudens met als voornaamste inkomensbron een uitkering anders dan de bijstand toe van 26.137 in 2019 tot 32.419 in 2020. Hiermee is de groep minimahuishoudens met een inkomen uit een uitkering anders dan de bijstand in het eerste coronajaar in absolute zin gegroeid (+1.540 huishoudens). Van huishoudens die rondkomen van hun pensioen, behoort in 2020 (net als in het voorgaande jaar) een kwart tot de minima. Deze groep is in absolute zin het grootst en is sterk gegroeid: van 73.027 in 2019 tot 77.376 in 2020. Het aantal huishoudens dat een eigen bedrijf als voornaamste bron van inkomen heeft is juist gekrompen, van 54.310 tot minder dan 50.000 in 2020. Het aandeel van deze huishoudens dat als minima wordt geclassificeerd is tegelijkertijd sterk afgenomen (van 11 naar 7 procent).

Vermoedelijk is een deel van deze minimahuishoudens met een eigen bedrijf in 2019 een jaar later, door gebruik van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo), in de categorie ‘uitkering anders dan bijstand’ terecht gekomen. Figuur 3.8 Percentage minima onder huishoudens naar belangrijkste inkomstenbron* en aantal minimahuishoudens en overige huishoudens (bovenminima) met gelijke bron van inkomen, 2020

* excl. bijstand: huishoudens met bijstand als belangrijkste inkomstenbron behoren per definitie tot de minima. bron: CBS/ bewerking OIS

De staven in figuur 3.9 tonen andere percentages met betrekking tot inkomstenbron, namelijk de verdeling van minimahuishoudens naar belangrijkste inkomensbron tussen 2011 en 2020. Zoals in de vorige alinea reeds werd aangestipt, vinden er tussen 2019 en 2020 verschuivingen tussen categorieën plaats. De groep gepensioneerde minima neemt toe in omvang en zo ook de minimahuishoudens die rondkomen van een andere uitkering dan de bijstand. Daar staat een daling van het aandeel minimahuishoudens met een eigen bedrijf als voornaamste inkomensbron tegenover.

23

Figuur 3.9 Samenstelling minimahuishoudens naar belangrijkste inkomstenbron, 2011-2020 (procenten)

*inclusief huishoudens met uitsluitend meerderjarige kinderen bron: CBS/ bewerking OIS

3.6 Eenoudergezinnen twee keer vaker minima dan gemiddeld Van de eenoudergezinnen is een derde minima, twee keer zo veel als gemiddeld onder alle huishoudens (figuur 3.10). Ook alleenstaanden zijn relatief vaak minima. In het geval van eenoudergezinnen gaat het voornamelijk om alleenstaande moeders; onder alleenstaanden zijn er ongeveer evenveel mannen als vrouwen. Paren hebben potentieel twee inkomens en zijn aanzienlijk minder vaak minima. In absolute zin bestaat de grootste groep minima uit alleenstaanden. Ook onder de totale bevolking van Amsterdam vormen alleenstaanden verreweg de grootste groep. Figuur 3.10 Percentage minimahuishoudens naar huishoudsamenstelling, 2020

bron: CBS/ bewerking OIS

24

Het aandeel alleenstaande minima is de laatste jaren onophoudelijk gegroeid; van 63% in 2011 naar 70% in 2020 (figuur 3.11). Daar staat tegenover dat het aandeel eenoudergezinnen in dezelfde periode is gedaald met 4 procentpunt. Paren met en zonder kinderen vormen samen 16% van de groep minimahuishoudens. Het aandeel gezinnen is daarmee al vier jaren op een rij stabiel. Figuur 3.11 Samenstelling minimahuishoudens naar huishoudtype, 2011-2020 (procenten)

* inclusief huishoudens met uitsluitend meerderjarige kinderen bron: CBS/ bewerking OIS

Er zijn meer eenoudergezinnen die tot de minima behoren dan paren met kinderen. In de groep eenoudergezinnen zijn relatief veel gezinnen met één kind, terwijl minima-paren met kinderen vaker twee of meer kinderen hebben. Ten opzichte van 2019 is het aantal gezinnen met kinderen licht afgenomen. Dit geldt voor zowel een- als tweeoudergezinnen. Over de gehele periode 2014 t/m 2020 zien we een daling van zowel het aantal eenoudergezinnen als het aantal paren met kinderen onder de minima (figuur 3.12). Onder de totale bevolking zien we juist een lichte stijging van het aantal huishoudens met kinderen.

25

Figuur 3.12 Aantal minimahuishoudens met kinderen* naar huishoudtype en aantal kinderen, 2011-2019

* inclusief huishoudens met uitsluitend meerderjarige kinderen bron: CBS/ bewerking OIS

In figuur 3.13 kijken we vanuit een ander perspectief naar armoede onder huishoudens met kinderen: deze figuur toont de ontwikkeling van het percentage minima onder deze huishoudens. Zo zien we dat het armoedepercentage toeneemt met het aantal kinderen, voor zowel een- als tweeoudergezinnen. Vanaf 2015 nemen we voor alle huishoudtype een dalende trend waar in het aandeel minima. Voor de huishoudens die het vaakst tot de minima behoren eenoudergezinnen met meer dan drie kinderen – zet deze daling tussen 2019 en 2020 niet verder door. Hierdoor wordt het verschil in armoedepercentage tussen eenoudergezinnen met drie kinderen op meer en overige gezinnen met kinderen in 2020 groter dan in voorgaande jaren.

26

Figuur 3.13 Percentage minima onder huishoudens met kinderen naar huishoudtype en aantal kinderen, 2011-2020

bron: CBS/ bewerking OIS

3.7 Vier van de vijf minimahuishoudens ontvangen huurtoeslag Vanwege de geldende overwaardes van woningen in Amsterdam hebben huishoudens met een koopwoning vrijwel automatisch te veel vermogen om tot de minima te kunnen behoren. Het aantal minimahuishoudens met een koopwoning bedraagt afgerond 0%, het gaat om ongeveer 100 huishoudens. Het overgrote deel van de minimahuishoudens huurt een woning waarvoor huurtoeslag wordt ontvangen (83%). Huurtoeslag is een bijdrage die wordt toegekend aan mensen met in laag inkomen en weinig vermogen. Bovendien mag de huur niet te hoog zijn en moet het de huur van een zelfstandige woonruimte betreffen. Van de 17% minimahuishoudens die huren zonder toeslag te ontvangen zal een deel om genoemde voorwaarden niet in aanmerking komen voor de toeslag. Het kan ook zijn dat sommige minimahuishoudens de toeslag om uiteenlopende redenen niet aanvragen. Figuur 3.14 Woonsituatie minimahuishoudens en totaal Amsterdamse huishoudens, 2020 (procenten)

bron: CBS/ bewerking OIS

27

De woonpositie van de minimahuishoudens wijkt sterk af van het Amsterdamse gemiddelde. Van alle Amsterdamse huishoudens heeft 32% een koopwoning, bijna de helft een woning zonder huurtoeslag, en minder dan een kwart (23%) een woning met huurtoeslag.

3.8 West en Nieuw-West tellen meeste minimahuishoudens De Amsterdamse minimahuishoudens wonen ongelijk verdeeld over de stadsdelen. Zo behoort in Zuidoost bijna een kwart van de huishoudens tot de minima, in Zuid is dat iets meer dan een tiende. Naast Zuidoost ligt het percentage minimahuishoudens ook in Noord en Nieuw-West boven het stedelijk gemiddelde dat 16% bedraagt. In absolute zin wonen in de stadsdelen West en Nieuw-West de meeste minimahuishoudens. In stadsgebied Weesp ligt het aantal, en het percentage minima aanzienlijk lager dan in de rest van Amsterdam. Tabel 3.15 Aantal en percentage minimahuishoudens in Amsterdam naar stadsdeel en stadsgebied Weesp, 2020 abs.

%

Centrum

5.630

12

West

12.299

16

Nieuw-West

12.171

18

Zuid

8.531

11

Oost

10.015

15

Noord

8.359

19

Zuidoost

9.375

23

Weesp

727

8

67.132

16

Amsterdam

bron: CBS/ bewerking OIS

Ook binnen stadsdelen is de verdeling van het aandeel minimahuishoudens ongelijk, zoals figuur 3.16 laat zien. Vooral in Noord, Oost en Zuidoost zijn de verschillen tussen de wijken duidelijk zichtbaar. In Noord ligt het aandeel in de wijken Oostzanerwerf, Tuindorp Oostzaan en Waterlandpleinbuurt rond het Amsterdamse gemiddelde, terwijl dit in Volewijck en Ijplein/Vogelbuurt veel hoger ligt dan gemiddeld. In de Indische Buurt-Oost ligt het aandeel aanzienlijk hoger dan in de overige wijken in Oost, zoals Zeeburgereiland/Nieuwe diep en IjburgWest waar het gemiddelde lager ligt. Binnen Zuidoost ligt het aandeel minimahuishoudens relatief laag in de wijken Nellestein en Driemond.

28

Figuur 3.16 Aandeel minimahuishoudens naar wijk*, vergeleken met het Amsterdamse gemiddelde (%), 2020

*Wijken met minder dan 100 huishoudens zijn buiten beschouwing gelaten bron: CBS/ bewerking OIS

29

4 Personen in minimahuishoudens

Alle personen die onderdeel zijn van een huishouden met een laag inkomen en weinig vermogen behoren tot de minima. In dit hoofdstuk wordt er ingezoomd op deze groep. Ten eerste wordt inzichtelijk gemaakt hoeveel Amsterdammers deel uitmaken van een huishouden met een laag inkomen en weinig vermogen. Er wordt hierbij ook gekeken naar de ontwikkeling door de jaren heen. Verder wordt het armoedepercentage bekeken voor verschillende groepen. Er wordt onder andere gekeken naar leeftijd (met name kinderen en ouderen), geslacht en migratieachtergrond. In 2020 had Amsterdam ruim 890.000 inwoners. Van deze groep behoren ongeveer 814.200 Amsterdammers (91,4%) tot de doelgroep van de monitor: het inkomen is bekend over heel 2020 en ze behoren niet tot een studenten- of institutioneel huishouden. In totaal behoort 15,8% van de doelgroep tot een huishouden met een laag inkomen en 13,0% tot een huishouden met een laag inkomen en weinig vermogen. Deze laatste groep vormt de Amsterdamse minimapopulatie. Figuur 4.1 geeft de verschillende groepen personen die in dit hoofdstuk aan bod komen grafisch weer. Figuur 4.1 Amsterdammers, Amsterdammers in de doelpopulatie, Amsterdammers in huishoudens met een laag inkomen en Amsterdammers in minimahuishoudens, 2020 inclusief Weesp

totaal personen Amsterdam

890.488

personen in doelpopulatie heel jaar inkomen bekend

814.205

excl. personen in studentenhuishoudens en instituutbewoners

inkoment tot 120% SM

personen in minimahuishoudens

128.480

inkomen tot 120% SM en weinig vermogen 106.144 bron: CBS/ bewerking O&S

30

4.1 Zestien procent Amsterdammers leeft in huishouden met een laag inkomen In 2020 leven er 128.480 Amsterdammers in een huishouden met een inkomen tot 120% SM (tabel 4.2). Dat komt neer op 16% van de Amsterdammers. Circa 9% heeft een inkomen tussen 100% en 120% SM en een iets kleinere groep (7%) heeft een inkomen tot het sociaal minimum. Tabel 4.2 Amsterdammers naar inkomensgroep, in percentage van het sociaal minimum (SM), 2020 inkomen in % van het WSM abs.

%

0-79%WSM

14.665

2

80-99% WSM

40.057

5

100-109% WSM

50.823

6

110-119% WSM

22.935

3

120-129% WSM

20.587

3

130% WSM of meer

665.138

82

totaal

814.205

100

bron: CBS/ bewerking O&S

Naast inkomen wordt er ook gekeken naar het vermogen om vast te stellen of een huishouden tot de minima behoort. Op deze manier zijn er personen die hoewel zij een laag inkomen hebben, niet tot de minima behoren. Dit is de groep met een vermogen boven de bijstandsnorm. In 2020 heeft 17% van de Amsterdammers met een laag inkomen een vermogen boven de bijstandsnorm. Amsterdammers met een zeer laag inkomen (<80% SM) of met een inkomen hoger dan 110% SM hebben relatief vaak een vermogen boven de bijstandsnorm (zie pararaaf 3.3. voor een vergelijkbare observatie op huishoudniveau). Figuur 4.3 Amsterdammers naar inkomensgroep (% SM) en vermogenspositie van hun huishouden (procenten), 2020

0-79%SM

57

43

80-99%SM

88

12

100-109%SM

88

12

110-119%SM

77

totaal tot 120% SM

23

83 0

20

40

vermogen onder de bijstandsnorm

17 60

80

% 100

vermogen boven de bijstandsnorm bron: CBS/ bewerking O&S

31

4.2 Aantal Amsterdammers in minimahuishoudens licht gestegen In 2020 behoort 13,0% van de Amsterdammers tot een minimahuishouden. Amsterdam telt hiermee 106.144 minima. Ten opzichte van de jaren ervoor zien we een daling van het percentage en absolute aantal minima. Opvallend is dat aan de daling van het aantal minima tussen 2019 en 2020 een einde komt. In die periode is het aantal minima licht gegroeid. Deze stijging wordt deels verklaard doordat Weesp in 2020 is meegenomen in de doelpopulatie. Figuur 4.4 Aantal en percentage Amsterdammers in huishoudens met een inkomen tot 120% SM en weinig vermogen (minima), 2011-2020

%

160.000

50

140.000 120.000

114.254

118.340

123.148 124.307

117.077 114.997

40 111.010

107.832

104.517 106.144

100.000

30

80.000 60.000

16,1

16,5

17,0

16,9

15,7

20 15,3

14,5

13,9

13,3

13,0

40.000

10

20.000

0

2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 aantal

0

percentage

bron: CBS/ bewerking O&S

4.3 Armoedepercentage onder ouderen is relatief hoog, aantal stijgt In de vorige paragraaf zagen we voor de gehele Amsterdamse populatie een daling van het aandeel minima. De samenstelling van de minimagroep naar leeftijd is in deze periode veranderd. Het aandeel ouderen (66-jarigen) onder de minima is tussen 2011 en 2020 gestegen (met 7 procentpunt). Het aandeel kinderen (tot 18 jaar) onder de minima is in diezelfde periode met 4 procentpunt gedaald.

32

Figuur 4.5 Samenstelling Amsterdammers in minimahuishoudens naar leeftijdsgroepen, 2011-2020 (procenten) % 100 13

13

14

15

15

16

17

18

19

20

61

62

61

61

61

60

60

59

58

58

80

60

66+

18-65

40

0-17 20

0

26

25

24

24

24

24

23

23

22

22

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

bron: CBS/ bewerking O&S

Naast het aandeel onder de minima, daalt ook het armoedepercentage onder kinderen; van 21,4% in 2014 tot 15,8% in 2020. In deze periode is het aantal kinderen in minimahuishoudens met zo’n 7.200 afgenomen (figuur 4.6). Figuur 4.6 Aantal en percentage Amsterdamse 0 t/m 17-jarigen in minimahuishoudens, 2011-2020 % 40.000

60

aantal 30.000

29.633 30.045 30.128 30.154

50

28.039

27.090

25.556

24.311

percentage

40 23.009 22.916

20.000

30 21,6

21,8

21,6

21,4

19,7

19,0

17,9

17,0

16,2

10.000

20 15,8 10

0

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

0

bron: CBS/ bewerking O&S

Het aandeel minima onder ouderen is vanaf 2015 relatief stabiel, maar het aantal oudere minima neemt juist toe; van ongeveer 14.700 in 2011 naar ruim 21.400 in 2020.

33

Figuur 4.7 Aantal en percentage Amsterdammers van 66 jaar en ouder in minimahuishoudens, 2011-2020 % 40.000

60

aantal 50

percentage

30.000 40 19.236 17.830 18.364 17.897 18.596

20.000

19.787 20.379

21.356 30

14.715 15.256

10.000

19,5

20,0

22,4

22,3

21,2

21,0

21,3

21,3

21,3

20

21,0

10

0

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

0

2020

bron: CBS/ bewerking O&S

Als we kijken naar de verdeling naar leeftijd in leeftijdsgroepen van vijf jaar zien we dat het armoedepercentage sterk verschilt per leeftijdsgroep (figuur 4.8). Amsterdammers tussen de 25 en 35 jaar behoren het minst vaak tot een minimahuishouden (8%). Onder de 10 tot 14-jarigen en de 60-plussers zien we de hoogste minimapercentages. Figuur 4.8 Percentage Amsterdammers in minimahuishoudens naar leeftijd, 2020 (procenten) 35

%

30

25

21

20 15

17

18 14

13

10

10

10 7

11

12

13

16

18

7

5 0

0-4

5-9

10-14 15-19 20-24 25-29 30-34 35-39 40-44 45-49 50-54 55-59 60-65 minima-percentage

66+

gemiddelde: 13%

bron: CBS/ bewerking O&S

4.4 Kinderen in Zuidoost en Noord relatief vaak minima De stadsdelen Zuidoost (25%) en Noord (20%) hebben het hoogste aandeel kinderen dat opgroeit in een minimahuishouden. In de stadsdelen Zuid en Centrum en in het stadsgebied Weesp ligt het aandeel veel lager dan gemiddeld in de stad. Het aantal minimakinderen is in Nieuw-West het hoogst met ruim 5.500 kinderen.

34

Tabel 4.9 Aantal en percentage Amsterdamse 0 t/m 17-jarigen in minimahuishoudens naar stadsdeel en stadsgebied Weesp, 2020 abs.

%

669

8

West

3.435

17

Nieuw-West

5.560

18

Zuid

1.764

9

Oost

3.032

12

Noord

4.038

20

Zuidoost

4.122

25

Centrum

Weesp Amsterdam

291

7

22.916

16

bron: CBS/ bewerking O&S

In figuur 4.10 is het aandeel minimakinderen per wijk afgezet tegen het stedelijk gemiddelde. In stadsdeel Noord zijn drie wijken met een veel hoger aandeel kinderen in minimahuishoudens dan gemiddeld in Amsterdam: Volewijck, IJplein/Vogelbuurt en Buikslotermeer. Ook in Bijlmer Centrum (Zuidoost) en Van Galenbuurt (West) wonen relatief veel minimakinderen. In Grachtengordel-Zuid (Centrum), Museumkwartier en Apollobuurt (Zuid), Helmersbuurt (West), Sloter-/Riekerpolder (Nieuw-West) en Noordelijke IJ-oevers-West (Noord) is het aandeel kinderen in minimahuishoudens het laagst. Figuur 4.10 Percentage Amsterdamse 0-17 jarigen in minimahuishoudens naar wijk*, t.o.v. het stedelijke gemiddelde (15,8%), 2020

* Geen gegevens beschikbaar voor wijken met minder dan 100 doelgroephuishoudens bron: CBS/ bewerking O&S

35

In hoofdstuk 3 zagen we dat het aandeel minimahuishoudens onder eenoudergezinnen veel hoger ligt dan gemiddeld. Dit zien we ook onder het aandeel minimakinderen; kinderen in eenoudergezinnen behoren bijna vier keer zo vaak tot de minima als kinderen in tweeoudergezinnen. Figuur 4.11 Percentage en aantal Amsterdamse 0-17 jarigen in minimahuishoudens naar huishoudsamenstelling, 2020 eenoudergezin

minima

36

bovenminima paar met kinderen 9

overig

14

totaal

16 % 0

20

40

60

80

100

x 1.000

0

50

100

150

200

bron: CBS/ bewerking OIS

4.5 Minimapercentage onder ouderen het hoogst in West, Zuidoost en Oost Net als bij kinderen, zien we dat ook voor ouderen (66+) in sommige delen van de stad het minimapercentage hoger is dan gemiddeld. In stadsdelen West, Zuidoost en Oost is dit het geval. In Weesp, Centrum en Zuid is het percentage minima-ouderen het laagst. Tabel 4.12 Percentage Amsterdammers van 66 jaar en ouder in minimahuishoudens naar stadsdeel en stadsgebied Weesp, 2020 abs.

%

Centrum

1.690

14

West

3.808

30

Nieuw-West

4.060

23

Zuid

2.977

15

Oost

3.286

26

Noord

2.536

19

Zuidoost

2.716

27

Weesp

280

8

21.356

21

Amsterdam

bron: CBS/ bewerking O&S

Het aandeel 66-plussers per wijk is in figuur 4.13 afgezet tegen het stedelijk gemiddelde. Stadsdeel Oost en West tellen elk drie wijken met veel meer oudere minima dan gemiddeld in de stad: Transvaalbuurt, Indische Buurt-Oost en Indische Buurt-West in Oost en De Kolenkit en Van Galenbuurt in West. Ook in Bijlmer-Centrum (Zuidoost) is het aandeel ouderen in minimahuishoudens relatief hoog. Het armoedepercentage onder ouderen is het laagst in de 36

wijken Grachtengordel-West (Centrum), Zuidas, Apollobuurt en Prinses Irenebuurt e.o. (Zuid) en Waterland en Nieuwendammerdijk/Buiksloterdijk (Noord). Figuur 4.13 Percentage Amsterdammers van 66 jaar en ouder in minimahuishoudens naar wijk*, t.o.v. het stedelijke gemiddelde (21,0%), 2020

* Geen gegevens beschikbaar voor wijken met minder dan 100 doelgroephuishoudens bron: CBS/ bewerking O&S

Onder ouderen zien we dezelfde verschillen naar de huishoudsamenstelling als besproken voor huishoudens in hoofdstuk 3. Alleenstaande ouderen behoren vaker tot de minima dan ouderen die samen met een partner en/of anderen een huishouden vormen. Figuur 4.14 Percentage en aantal Amsterdammers van 66 jaar en ouder in minimahuishoudens naar huishoudsamenstelling, 2020 alleenstaande

minima

28

bovenminima paar zonder kinderen

15

overig 10

totaal

21 % 0

20

40

60

80

100

x 1.000

0

50

100

150

200

bron: CBS/ bewerking O&S

37

4.6 Oudere minima en minima-eenoudergezinnen zijn vaker vrouwen Vrouwen behoren vaker dan mannen tot een minimahuishouden (respectievelijk 53% en 47%). Dit verschil wordt groter als het gaat om minima die deel uitmaken van een eenoudergezin. In dat geval gaat het om 64% vrouwen tegenover 36% mannen. Als we de minderjarigen (jonger dan 18 jaar) die deel uitmaken van de huishoudens buiten beschouwing laten is zelfs 89% van de minima in eenoudergezinnen vrouw (tegen over 11% man). Onder alleenstaande minima en paren (met of zonder kinderen) is het aandeel mannen en vrouwen die tot de minima behoren gelijk. Ook naarmate de leeftijd toeneemt bestaat de groep Amsterdamse minima voor een steeds groter aandeel uit vrouwen. Van alle minima van 18 tot en met 65 jaar is 53% vrouw, onder minima van 66 jaar en ouder is dit 57%. Dit patroon is tenminste voor een deel toe te schrijven aan de hogere leeftijdsverwachting voor vrouwen: ook onder niet-arme 66-plussers zijn meer vrouwen dan mannen. Echter, ook het percentage 66-plussers dat tot de minima behoort ligt iets hoger onder vrouwen (23%) dan mannen (20%) in deze leeftijdscategorie. Figuur 4.15 Samenstelling Amsterdammers in minimahuishoudens ( inkomen tot 120% SM en weinig

totaal huishoudsamenstelling

leeftijd

vermogen), naar geslacht, per leeftijdsgroep en huishoudsamenstelling, 2020 (procenten) 0-17

52

48

18-65

47

53

66+

43

57

alleenstaand

51

49

paar zonder kinderen

50

50

paar met kinderen

50

50

eenoudergezin

36

64 47

0

20

53 40 mannen

60

% 80

100

vrouwen

bron: CBS/ bewerking O&S

4.7 Aandeel minima hoger onder eerste generatie migranten Amsterdammers met een migratieachtergrond behoren vaker tot de minima dan Amsterdammers zonder migratieachtergrond. Dit is met name het geval voor Amsterdammers die in het buitenland zijn geboren (de zogenoemde eerste generatie). Een op de vijf eerste generatie migranten behoort tot de minima (zie figuur 4.16).

38

Figuur 4.16 Percentage en aantal Amsterdammers in minimahuishoudens naar generatie, 2020 geen migratieachtergrond

15

eerste generatie

20

minima

bovenminima

tweede generatie 7 totaal

13 % 0

20

40

60

80

100

x 1.000

0

150

300

450

600

750

900

bron: CBS/ bewerking O&S

Alleen onder mensen met een achtergrond in de westelijke EU-lidstaten is het armoedepercentage vergelijkbaar met dat van mensen zonder migratieachtergrond (voor zowel de eerste generatie als tweede generatie). Onder Amsterdammers met een Midden-Oosterse of Afrikaanse migratieachtergrond komt armoede het vaakst voor: 35% van de eerste generatie en 26% van de tweede generatie behoort tot de minima. Voor alle herkomstgroepen daalt het armoedepercentage de laatste jaren; de sterkste daling zien we onder de groep van OostEuropese herkomst. Onder mensen met een West-Europese herkomst en zonder migratieachtergrond (de groepen met het laagste armoedepercentage) is de afname het kleinst. Verder zijn de verhoudingen tussen de verschillende herkomstgroepen door de jaren heen redelijk stabiel. Eerste generatie migranten behoren vaker tot de minima dan de tweede generatie. Dit verschil zien we terug voor alle leeftijdsgroepen, maar is duidelijk het grootst onder 66-plussers; 43% van de eerste generatie migranten ouder dan 65 behoort tot de minima tegenover 13% van de tweede generatie. Pensioengerechtigden die in het buitenland zijn geboren behoren dus ruim drie keer vaker tot de minima dan ouderen die tot de tweede generatie behoren.

Dit is waarschijnlijk grotendeels toe te schrijven aan een zogenaamd AOW-gat bestaande uit alle jaren waarin een persoon niet in Nederland woonachtig en/of werkzaam was.

39

Figuur 4.17 Percentage Amsterdammers in huishoudens met een inkomen tot 120% SM en weinig vermogen naar generatie, per leeftijdsgroep en migratieachtergrond, 2020

migratieachtergrond

leeftijd

0-17 18-65

11

66+

13

17

23 21 43

Midden-Oosten en Afrika

26

Marokko, Turkije

19

Indonesie, Suriname, Antillen Oost-EU Amerika, Azie, Oceanie en overig Europa West-EU

9 7 8

geen migratieachtergrond

7

totaal

13 13 12 12

35

31

23

13

0

20

%

40

eerste generatie

60

80

100

tweede generatie

bron: CBS/ bewerking O&S

Het aandeel Amsterdammers dat tot de minima behoort verschilt sterk per herkomstland. Figuur 4.18 toont het aandeel minima voor herkomstlanden met een bovengemiddeld armoedepercentage. De herkomstlanden met het hoogste aandeel minima in Amsterdam zijn ook vaak herkomstlanden van veel Amsterdamse statushouders. Statushouders leven relatief vaak van een bijstandsuitkering (O&S, 2020: Vluchtelingenmonitor 2020). Figuur 4.18 Herkomstlanden* van Amsterdammers met een bovengemiddeld percentage personen in minimahuishoudens, 2020 (procenten) 100 % 80 60 40

0

Eritrea Syrië Somalië Soedan Ethiopië Gazastrook en West. Jordaanoever Irak Jemen Guinee Uganda Myanmar Sierra Leone Dominicaanse Republiek Libië Afghanistan Koeweit Nigeria Liberia Algerije Iran Egypte Sri Lanka Burundi Trinidad en Tobago Saoedi-Arabië Frans Guyana Bangladesh Ghana Marokko Rwanda Ivoorkust Pakistan Congo (DR) Haïti Togo Angola Congo Tunesië Kameroen Guyana Verenigde Arabische Emiraten Jamaica Bolivia

20

percentage personen in minimahuishouden

gemiddelde: 13%

* met minimaal 500 Amsterdammers in de doelpopulatie bron: CBS/ bewerking O&S

40

5 Dynamiek minimapopulatie

In dit hoofdstuk worden twee aspecten van de dynamiek van de armoedepopulatie besproken. Ten eerste komt de groep langdurige minima aan de orde. Dit zijn personen die ten minste drie jaar aaneengesloten deel uitmaken van een minimahuishouden. We kijken naar de ontwikkeling in de tijd van de groep langdurige minima en de verdeling naar leeftijd, bron van het huishoudinkomen, huishoudsamenstelling en verdeling over de stad. Ten tweede wordt er gekeken naar de in- en uitstroom. Hierbij wordt er gekeken naar de groep die in 2019 nog niet tot de minima behoorde, maar in 2020 wel (instroom). Ook wordt er gekeken naar de groep die in 2019 juist wel tot de minima behoorde, maar in 2020 niet meer (uitstroom). Aan bod komt de reden voor in- dan wel uitstroom, in- en uitstroom naar belangrijkste inkomensbron en naar huishoudsamenstelling.

5.1 Twee derde minima langdurig arm Op basis van de beschikbare inkomens- en vermogensgegevens kan voor de personen die in 2020 tot de minima behoorden worden vastgesteld hoeveel aaneengesloten jaren zij deel uitmaken van de groep minima. Ongeveer een kwart van de alle minima was alleen in 2020 minima en nog eens een kwart is 10 jaar of langer minima. Twee derde (65%) behoort drie jaar of langer tot de minima; deze groep definiëren we als langdurig minima. Hiermee wijkt de definitie af van de landelijke definitie van huishoudens die vier jaar of langer een laag inkomen hebben (zie hoofdstuk 2), maar het sluit wel aan bij de definitie die de gemeente gebruikt. Tabel 5.1 Amsterdammers in een minimahuishouden naar aantal aaneengesloten jaren in groep minima, 2020 abs.

%

1 jaar

24.708

23

2 jaar

12.474

12

3 jaar

9.366

9

4 jaar

7.806

7

5 jaar

6.582

6

6 jaar

5.782

5

7 jaar

5.141

5

8 jaar

4.683

4

9 jaar

4.108

4

10 jaar of langer

25.494

24

totaal

106.144

100

bron: CBS/bewerking O&S

Het aandeel langdurige minima onder de totale groep minima is door de jaren heen gestegen; in 2013 zat 57% van de minima langdurig in deze positie, in 2020 is dit percentage gestegen naar 65%. Hoewel het percentage het afgelopen jaar met 1 procentpunt is gedaald (van 66% naar 41

65%), is het aantal langdurige minima in absolute zin gestegen; van 68.981 in 2019 naar 69.277 in 2020. Net zoals besproken in paragraaf 4.2 kan deze stijging verklaard worden doordat Weesp in 2020 is meegenomen in de cijfers. Figuur 5.2 Samenstelling Amsterdammers in een minimahuishouden naar duur (procenten), 2013-2020

2013 (n=123.148)

43

57

2014 (n=124.307)

42

58

2015 (n=117.077)

39

61

2016 (n=114.997)

38

62

2017 (n=111.010)

36

64

2018 (n=107.832)

35

65

2019 (n=104.517)

34

66

2020 (n=106.144)

35

65

0

20 korter dan 3 jaar minima

40

60

%

80

100

minimaal 3 jaar aaneengesloten minima bron: CBS/bewerking O&S

5.2 Vooral ouderen vaak langdurig minima In paragraaf 4.3 hebben we laten zien dat het armoedepercentage hoger is voor jongeren en ouderen dan voor Amsterdammers van middelbare leeftijd. Bij langdurige minima zien we hetzelfde patroon terug: Kinderen tussen de 5 en 17 jaar en 55-plussers in minimahuishoudens behoren vaker dan gemiddeld tot de groep langdurige minima. Pieken zien we bij jongeren van 10 en 11 jaar (73% kwart is langdurig minima) en tussen 79 en 87 jaar (ongeveer 88% is langdurig minima). In de onderstaande figuur laten we de groep rondom de pensioengerechtigde leeftijd buiten beschouwing. Rond deze leeftijd veranderd namelijk de inkomensgrens om tot de minima te behoren. Daarnaast daalt ook het inkomen. Dit heeft als gevolg dat (schijnbaar) een kleiner percentage van de minima rond deze leeftijd langdurig arm is dan in werkelijkheid.

42

Figuur 5.3 Percentage langdurige minima (drie jaar of langer) ten opzichte van alle minima, naar leeftijd*, 2020 (procenten) % 100 90 minimaal 3 jaar aaneengesloten minima

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12129752/1