2. Ambtelijk Handboek - Zwemmen & zomerrecreatie.pdf
Tekst van het document
Aan het opnemen van een omschrijving van het begrip in de wetstekst heeft de ondergetekende dan ook geen behoefte; in de zoeven genoemde wet is dit evenmin geschied. Er wordt dus wel een duidelijk onderscheid gemaakt tussen een feitelijk beheerder en een houder, waarbij de laatste degene is voor wiens rekening en risico de inrichting wordt gedreven, hetgeen een vorm van commerciële exploitatie lijkt te impliceren. In de memorie van toelichting gaat de staatssecretaris ook nog in op de verantwoordelijkheid van de beheerders van locaties die geen badinrichting zijn, maar waar toch gezwommen wordt: Artikel I. Met betrekking tot de opmerking van vele leden ten aanzien van het begrip „zweminrichting" merkt de ondergetekende het volgende op: Het publiek dat gaat zwemmen op plaatsen, welke niet als zweminrichting zijn ingericht, kan niet verwachten, dat het zwemt op een veilige plaats of in hygiënisch betrouwbaar water. Op dergelijke plaatsen zwemt men geheel op eigen verantwoordelijkheid. Het zou volstrekt ondoenlijk zijn om in ons waterrijke land al deze plaatsen te binden aan voorschriften met betrekking tot hygiëne en veiligheid. Afgezien daarvan zou het redelijkerwijs niet mogelijk zijn, de eigenaar of beheerder van het water in deze gevallen de verplichtingen van de houder van een zweminrichting op te leggen.
Dit zou bijvoorbeeld impliceren, dat hij, indien niet aan bepaalde eisen wordt voldaan, zou moeten tegengaan of zelfs verhinderen dat ter plaatse wordt gezwommen. Het is duidelijk dat dit van een eigenaar of beheerder van oppervlaktewater, die op geen enkele wijze heeft bevorderd dat dit als zwemgelegenheid wordt gebruikt, niet kan worden gevergd” In een uitspraak van de rechtbank Roermond (8 november 2011, ECLI:NL:RBROE:2011:BU4381) die onder meer ging over de vraag of een ‘dagstrand’ als een badinrichting moest worden aangemerkt (hetgeen de beheerder/eigenaar betwistte) overwoog de Rechtbank: 5.2. De rechtbank overweegt dat mede op basis van het verhandelde ter zitting vast staat dat eiseres, althans onderdelen van de holding, de beheerder van het gebied is en deels eigenares daarvan. Vast staat verder dat eiseres in het zwemgedeelte van de plas drijflijnen heeft aangebracht om vaartuigen te weren en het zwemgedeelte af te bakenen. Ook heeft zij het strand en de waterlijn zodanig ingericht dat het water veilig betreden kan worden door de bezoekers van de plas. Voorts staat vast dat eiseres rondom de zwemgelegenheid douches, toiletten, speeltoestellen, een fietsenstalling en verkoopruimten voor consumptieartikelen heeft ingericht en dat zij deze voorzieningen niet zou hebben getroffen als er geen zwemgelegenheid was. Eiseres onderhoudt deze voorzieningen ook zelf.
Ook is er een afgesloten parkeerplaats, waarvoor bezoekers moeten betalen om er gebruik van te maken. Ten slotte maakt eiseres reclame voor het recreatiegebied.
48
Weliswaar staat niet ter discussie dat, zoals eiseres heeft aangevoerd, eiseres het zwemgedeelte niet kan afsluiten voor het publiek en dat de getroffen voorzieningen ook gebruikt kunnen worden door mensen die geen gebruik van het zwemwater maken, maar dit doet niet af aan het uit voornoemde omstandigheden voortvloeiende feit dat eiseres bij het relevante gedeelte van de Mookerplas gelegenheid tot zwemmen geeft, dat gedeelte bedrijfsmatig exploiteert en de zwemgelegenheid, blijkens de inrichting daarvan, tot haar verantwoordelijkheid rekent. Bedrijfsmatige exploitatie gericht op het zwemmen lijkt het sleutelbegrip te zijn, ook volgens de door de rechtbank aangehaalde toelichting op het Besluit. In de uitspraak wordt overigens ook duidelijk dat verschillende provincies de regels verschillend interpreteren. Op basis van bovenstaande wordt aangenomen dat de thans aangewezen zwemlocaties in Amsterdam niet tevens een badinrichting zijn, ingericht voor het zwemmen in oppervlaktewater, omdat daar geen bedrijfsmatige exploitatie van plaatsvindt. De eisen omtrent toezicht die voor badinrichtingen zoals zwembaden gelden, gelden dan niet voor deze zwemlocaties. Het uiteindelijk oordeel hierover is overigens aan de GS van de provincie.
49
Handboek ‘Zwemmen en zomerrecreatie aan het water’ Maart 2022 Opgesteld door Verkeer & Openbare Ruimte Sport & Bos Ruimte & Duurzaamheid Contact beleid.openbareruimte@amsterdam.nl
50 In afstemming met Het Ministerie van I&W, het RIVM, de Provincie Noord-Holland, Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, Waternet, GGD, THOR, Stadswerken, Programma Varen, Stadsdeel Oost namens de 7 stadsdelen en vele anderen.