2. Ambtelijk Handboek - Zwemmen & zomerrecreatie.pdf
Tekst van het document
Ambtelijk handboek
Zwemmen & zomerrecreatie aan het water
versie 1.0 maart 2022 1
1
Inleiding ........................................................................................................................................... 3 Onderzoek naar de behoefte van Amsterdammers .................................................................. 4
2
Zwemmen in open water: hoe werkt het?......................................................................................... 6 Type zwemplekken .................................................................................................................. 6 Juridisch kader...........................................................................................................................7 De organisatie .......................................................................................................................... 9 Uitgangspunten voor de uitvoering .........................................................................................10 Gemeentelijke communicatie ..................................................................................................12
3
Welke ruimtelijke keuzes moeten gemaakt worden?.......................................................................14 Zwemmen en scheepvaart ......................................................................................................14 Zwemmen en watersport ........................................................................................................14 Zwemmen en ecologie ............................................................................................................ 15
4
Wat is er nodig voor een officiële zwemlocatie? ..............................................................................16 Proces .....................................................................................................................................16 Waterkwaliteit.........................................................................................................................16 Inrichting en veiligheid ............................................................................................................ 17 Toezicht op zwemmers ...........................................................................................................18 Informatievoorziening .............................................................................................................19 Beheer.....................................................................................................................................19
5
Waar moet een goede wildzwemplek aan voldoen? ........................................................................19 Proces .....................................................................................................................................19 Waterkwaliteit.........................................................................................................................21 Inrichting en veiligheid ........................................................................................................... 22 Toezicht op zwemmers ...........................................................................................................23 Informatievoorziening .............................................................................................................23 Beheer .................................................................................................................................... 24
6
Welke maatregelen kunnen genomen worden om zwemmen te beperken? ................................... 25 Omgang met zwemverboden ................................................................................................. 25 Zwemmen ontmoedigen ........................................................................................................ 26
7
Welke maatregelen kunnen genomen worden om overlast te beperken? ....................................... 28 Voldoende voorzieningen....................................................................................................... 28 Communicatie ........................................................................................................................ 28 Fysieke ingrepen om verblijf (op bepaalde tijdstippen) te ontmoedigen ................................. 29 Regelgeving ........................................................................................................................... 29 Handhaving .............................................................................................................................30
8
Bijlagen ...........................................................................................................................................32 Zwemverbod zoals opgenomen in het Bpr ..............................................................................32 Organisatie en rolverdeling, huidige situatie ...........................................................................32 Kernboodschap communicatie ................................................................................................ 35 2
Communicatiekalender ........................................................................................................... 37 Huisstijliconen zwemwater ..................................................................................................... 40 Advies van de GGD inzake Zwemmen in open water ...............................................................41 Maatregelen ten behoeve van de veiligheid en gezondheid .................................................... 42 Kaart met de waterkwaliteitsbeheerders ................................................................................ 44 Bevoegde autoriteit conform het Bpr ..................................................................................... 45 Juridische verdieping: overlap tussen het begrip badinrichting en aangewezen zwemlocatie ..47
Leeswijzer Dit handboek is een richtinggevend document voor iedereen binnen de Gemeente Amsterdam die in de praktijk van het werk te maken krijgt met zwemmen in open water: projectleiders van (her)inrichtingsprojecten, beheerders, ontwerpers, gebiedsmakelaars, communicatieadviseurs, etc. Hoofdstuk 1 en 2 bieden inzicht in de typen zwemlocaties, het juridisch kader, de organisatie en de communicatie. Hoofdstuk 3 heeft betrekking op ruimtelijke keuzes. In hoofdstuk 4 vind je praktische richtlijnen voor officiële zwemlocaties. In hoofdstuk 5 vind je praktische richtlijnen voor wildzwemplekken. Hoofdstuk 6 gaat in op de mogelijke maatregelen om zwemmen te beperken indien daar aanleiding toe is. Hoofdstuk 7 heeft betrekking op mogelijke maatregelen om eventuele overlast van zwemmen en zomerrecreatie te voorkomen of te beperken
3
1 Inleiding Het succes van Amsterdam als aantrekkelijke stad om te wonen en te werken is voor een groot deel te danken aan haar relatie met het water. Die relatie ontwikkelt zich door de jaren heen en past zich aan de behoeftes van de stad en haar inwoners aan. In 2016 stelde de gemeenteraad de Watervisie 2040 vast. Die visie geeft een goed beeld van de veelheid aan functies en relaties die het water in Amsterdam heeft en hoe er naar water en het gebruik gekeken wordt. Dit Ambtelijk Handboek heeft betrekking op een deelonderwerp uit de Watervisie, namelijk de ambitie om te komen tot meer openbaar zwemwater. Deze ambitie is ook opgenomen in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 ‘Een menselijke metropool’, die door de gemeenteraad is vastgesteld op 8 juli 2021. Dit willen we als stad realiseren, waarbij we oog hebben voor randvoorwaarden als veiligheid en leefbaarheid. Tijdens warme zomerperiodes hebben we afgelopen jaren het gebruik van recreatieplekken aan het water sterk zien toenemen. Denk aan het Sloterstrand, de Bogortuin, Marineterrein, Park Somerlust, strand Diemerpark en strand IJburg. Op deze locaties wordt niet alleen gerecreëerd áán het water (barbecueën, picknicken, zonnen, etc.), er wordt ook gezwommen. Het water en de oevers zijn onmisbaar als plek om te ontspannen en af te koelen.
Toch brengt dit ook dilemma’s met zich mee, bijvoorbeeld omdat er sprake is van onveiligheid of overlast. Dit handboek biedt praktische handvatten om per locatie de juiste afwegingen te maken en bijbehorende maatregelen te treffen. Het Ambtelijk Handboek is daarmee een directe uitwerking van de Omgevingsvisie en de Watervisie, maar heeft op zichzelf geen bestuurlijke status; het is bedoeld als hulpmiddel voor de ambtelijke organisatie. Uiteindelijk wordt per locatie een bestuurlijke keuze gemaakt over het gebruik en de inrichting. Dit handboek is een richtinggevend document voor iedereen binnen de Gemeente Amsterdam die in de praktijk van het werk te maken krijgt met zwemmen in open water: projectleiders van (her)inrichtingsprojecten, beheerders, ontwerpers, gebiedsmakelaars, communicatieadviseurs, etc. In hoofdstuk 2.3 komen de organisatie en de rolverdeling omtrent zwemmen in open water aan bod.
Onderzoek naar de behoefte van Amsterdammers Onderzoek, Informatie en Statistiek heeft in 2016 in opdracht van de wethouder Water onderzoek gedaan naar het gebruik van het water als recreatiemogelijkheid, zowel binnen als buiten de stad, maar ook naar de behoefte onder Amsterdammers om in, op of aan het water te recreëren. Uit dat onderzoek onder circa 1.250 Amsterdammers kwam met betrekking tot zwemmen in open water het volgende naar voren: 62% van de Amsterdammers gebruikt het water om op of naast te recreëren; De Amstel en het IJ zijn de meest bezochte plekken op waterrecreatie gebied. Bijna de helft van de Amsterdammers gaat er wel eens naar toe. Eén op de vijf Amsterdammers zwemt er. De Sloterplas en Nieuwe Meer zijn andere plekken waar veel gezwommen wordt. Jongeren doen dat vaker dan anderen; Weinig mensen (5%) zwemmen in de gracht. Volgens 4 op de 10 Amsterdammers is de zwemwaterkwaliteit in Amsterdam over het algemeen goed. Eén op de vijf zoekt weleens informatie op over de waterkwaliteit. 90% doet dat via internet. Nog één vijfde heeft wel behoefte aan die informatie, maar weet niet waar hij of zij deze kan vinden; Vies water is de voornaamste reden om ergens niet te gaan zwemmen.
Op plekken waar borden ‘verboden te zwemmen’ staan doet 3% dat toch; Drie van de 10 Amsterdammers hebben suggesties om iets aan waterrecreatie in Amsterdam te verbeteren, waarbij meer mogelijkheden om te zwemmen en te varen geregeld worden genoemd. 4
Uit het Grote Groenonderzoek 2018 blijkt ook dat Amsterdammers niet alleen het ‘groen’, maar ook het ‘blauw’ gebruiken om te recreëren. In de parken gaf 4% van de bezoekers aan daar te komen om te zwemmen, in het groen in de woonomgeving 6% en in recreatiegebieden 15%. Die behoefte aan het zwemmen en waterkantrecreatie lijkt de afgelopen jaren te zijn toegenomen. Om de huidige behoefte te peilen, is in de zomer van 2021 opnieuw onderzoek gedaan onder gebruikers van niet-officiële zwemplekken; de zogenaamde ‘wildzwemplekken’ (zie §2.1). De zomer van 2021 viel qua warme zonnige dagen tegen, waardoor het aantal respondenten in eerste instantie ook tegenviel. Uiteindelijk zijn toch bij 345 bezoekers van twaalf verschillende wildzwemplekken vragenlijsten afgenomen. Hieruit kwam het volgende naar voren: Zwemmen, zonnen en samen zijn worden als voornaamste reden genoemd voor een bezoek aan één van de twaalf locaties; Recreanten kiezen voor een plek omdat deze in de buurt is, maar ook vanwege de rust en goed zwemwater; 40% van de recreanten denkt niet dat de omwonenden overlast ervaren.
43% van de recreanten kan zich wel voorstellen dat geluid, drukte en afval overlast veroorzaken bij bewoners; 73% geeft aan de risico’s te kennen van een niet-officiële zwemplek, 81% verwacht niet –met de kennis van de risico’s- minder vaak op de locatie te gaan zwemmen; 83% ziet zwemmen op een niet-officiële zwemplek niet als een probleem; 61% geeft aan dat er niet voldoende zwemplekken zijn in Amsterdam; Ongeveer de helft van de zwemmers (52%) vindt dat er niet voldoende informatie beschikbaar is over de risico’s. Naast gebruikers van de wildzwemplekken zijn ook omwonenden van deze plekken bevraagd. 764 omwonenden hebben een online vragenlijst ingevuld. De belangrijkste uitkomsten hiervan zijn: Vrijwel alle bewoners geven aan dat in hun omgeving gerecreëerd wordt (zwemmen, zonnen, picknicken).
Sommige bewoners vinden dit gezellig, anderen vinden het (te) druk; Meer dan 50% geeft aan zelf wel eens te zwemmen in de buurt; Van de zwemmende bewoners kent 69% de risico’s van zwemmen op een niet-officiële zwemplek; 77% ziet zwemmen op een niet-officiële zwemplek niet als een probleem; 83% verwacht niet - met kennis van de risico’s- minder vaak op de locatie te gaan zwemmen; 59% geeft aan dat er niet voldoende zwemplekken zijn in Amsterdam; 58% van de zwemmende bewoners vindt dat er voldoende informatie over risico’s beschikbaar is, 25% vindt dat er onvoldoende informatie is. Driekwart van de bewoners ervaart overlast van recreanten bij mooi weer. Eén op de drie bewoners heeft altijd of vaak overlast. Naarmate bewoners ouder zijn, ervaren ze meer overlast. Wanneer bewoners zelf zwemmen, ervaren ze minder overlast De bewoners hebben het meeste last van afval en geluid. Maar ook wildplassen, fietsen parkeren en drug/alcoholgebruik geven overlast. Wanneer bewoners overlast ervaren, heeft dit bij meer dan de helft invloed op het woongenot. Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de behoefte aan zwemmen en waterrecreatie groot is in Amsterdam. Circa 60% van de ondervraagden, zowel bezoekers als omwonenden van plekken waar gezwommen wordt, geven aan dat er te weinig zwemplekken zijn in Amsterdam.
Amsterdammers lijken zich niet te laten leiden door de risico’s van zwemmen. Met kennis van de risico’s van wildzwemmen geeft ruim 80% aan zijn of haar gedrag niet aan te passen en niet naar een andere locatie te gaan. Wel is bij een meerderheid behoefte aan meer informatie over de risico’s.
5
2 Zwemmen in open water: hoe werkt het? Type zwemplekken Amsterdam kent tientallen locaties waar gezwommen kán worden, maar niet overal mág gezwommen worden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie typen locaties waar gezwommen wordt: officiële zwemlocaties, wildzwemplekken, plekken met een zwemverbod. Het vervolg van deze paragraaf geeft hierop een toelichting.
2.1.1
Officiële zwemlocaties
We spreken over een officiële zwemlocatie wanneer de provincie (bevoegde autoriteit) een plek heeft aangewezen als officiële zwemlocatie. Er zijn 11 officiële zwemlocaties in en rondom Amsterdam, waaronder het Sloterstrand, Strand IJburg, de Ouderkerkerplas en de Gaasperplas1. De actuele waterkwaliteit is te vinden op www.zwemwater.nl. Om een plek als officiële zwemlocatie te kunnen aanwijzen moet aan criteria voldaan worden op het vlak van onder meer waterkwaliteit, bodemgesteldheid, fysieke veiligheid, nautische veiligheid en voorzieningen op de wal (zie H4). 2.1.2
Wildzwemplekken
Wildzwemplekken zijn plekken waar gezwommen wordt maar die niet zijn aangewezen als ‘officiële zwemlocatie’. Meestal voldoen ze ook niet aan alle daarvoor geldende eisen (zie §2.2.1). Dat betekent dat er op deze locaties risico’s kunnen zijn met betrekking tot onder meer de waterkwaliteit en de bodemgesteldheid. Uit een inventarisatie uit 2021 blijkt dat op zo’n 90 locaties in Amsterdam sprake is van regelmatig wildzwemmen. 2.1.3
Plekken waar een zwemverbod geldt
In de Algemene plaatselijke verordening (APV) en/of de Verordening op het Binnenwater (Vob) kan specifiek worden aangewezen waar zwemmen verboden is. De Amsterdamse APV en Vob kennen momenteel geen dergelijke bepaling. Dat betekent dat we in Amsterdam het Binnenvaartpolitiereglement (Bpr) volgen, waarin in algemene zin geformuleerd is op welk type locaties zwemmen is verboden. Samenvattend leidt het Bpr ertoe dat in Amsterdam een zwemverbod geldt op vaarroutes, bij aanmeergelegenheden (waaronder steigers), rondom bruggen en sluizen en in- en nabij havens. Zie voor het betreffende artikel van het Bpr bijlage 8.1. Een zwemverbod kan ook door de provincie worden opgelegd op grond van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden.
1 Zie https://maps.amsterdam.nl/zwemwater/
6
Juridisch kader Naast het Binnenvaartpolitieregelement, waarin is opgenomen op welk type locaties een zwemverbod geldt vanuit nautische overwegingen, is op het zwemmen in open water de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (verder: Whvbz) van toepassing. Hierin zijn regels opgenomen voor badinrichtingen en zwemlocaties. Onder badinrichtingen verstaat de Whvbz: “een voor het publiek of voor personen, behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën, toegankelijke plaats, welke is ingericht om te worden gebruikt voor het zwemmen of baden, tezamen met de daarbij behorende terreinen, gebouwen, getimmerten en uitrustingen” (artikel 1, eerste lid Whvbz). De Whvbz bevat ook regels voor het aanwijzen van zwemlocaties. Dit tweede deel is later toegevoegd aan de wet en betreft de implementatie van de Europese zwemwaterrichtlijn (richtlijn 2006/7/EG). Die richtlijn stelt bepalingen vast voor controle en indeling van zwemwaterkwaliteit, beheer van zwemwaterkwaliteit en het verstrekken van informatie over zwemwaterkwaliteit aan het publiek (artikel 1, eerste lid van de richtlijn).
De Europese zwemwaterrichtlijn is van toepassing op ‘elk oppervlaktewater waar naar verwachting van de bevoegde autoriteit, een groot aantal mensen zal zwemmen en waar zwemmen niet permanent verboden is of waarvoor geen permanent negatief zwemadvies bestaat’ (artikel 1, derde lid van de richtlijn). Dit is ook de definitie die de Whvbz hanteert voor een (zwem)locatie (artikel 1, eerste lid Whvbz). Artikel 10b van de Whvbz bepaalt dat Gedeputeerde Staten jaarlijks aan de minister(s) de locaties bekend maken waar naar hun oordeel door een groot aantal personen wordt gezwommen. Wat “een groot aantal” is, is niet in wet of regelgeving gespecificeerd. In Amsterdam hanteren we in overleg met de Provincie Noord-Holland een vuistregel van “50 zwemmers tegelijkertijd in het water op zomerse dagen”, maar het oordeel is uiteindelijk locatie specifiek en is aan de Gedeputeerde Staten (GS). GS nemen bij aanwijzing in aanmerking de ontwikkelingen met betrekking tot het aantal zwemmende personen, de infrastructuur of faciliteiten en de ter bevordering van het zwemmen getroffen maatregelen. Vervolgens wijzen GS de op basis van hun inventarisatie aangemerkte locaties aan als zwemlocatie, indien daarvan de functie in een waterplan of beheerplan is vastgelegd. Dit betreft dus het aanwijzen van de ‘officiële zwemlocaties’ zoals omschreven in §2.1.1.
Artikel 11 van de Whvbz geeft GS ook de bevoegdheid ten aanzien van een plaats die wordt gebruikt voor het zwemmen een zwemverbod in te stellen of een negatief zwemadvies te geven, indien omstandigheden daartoe uit oogpunt van hygiëne of veiligheid van de bezoekers aanleiding geven. Dit betreft dus niet enkel badinrichtingen of de aangewezen officiële zwemlocaties, maar ook wildzwemplekken. In de praktijk blijkt echter dat het opleggen van een zwemverbod of een permanent negatief zwemadvies op wildzwemplekken slechts zeer beperkt gebeurt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (AmvB) kunnen regels gesteld worden aan badinrichtingen en zwemgelegenheden. De AmvB waar in de Whvbz naar verwezen wordt is het Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (verder: het Besluit).
In het Besluit worden regels gegeven voor: badinrichtingen, ingericht voor het zwemmen of baden anders dan in oppervlaktewater en waarvan ten minste 1 bassin een wateroppervlakte van 2 m2 of meer heeft en dieper is dan 0,50 meter (hoofdstuk 2); badinrichtingen, ingericht voor het zwemmen of baden anders dan in oppervlaktewater en waarvan ten minste 1 bassin een wateroppervlakte van 2 m2 of meer heeft en geen van de bassins dieper is dan 0,50 meter (hoofdstuk 3); badinrichtingen, ingericht voor het zwemmen of baden in oppervlaktewater (hoofdstuk 4); aangewezen locaties (hoofdstuk 5). 7
De regels uit hoofdstuk 2 zijn het meest uitgebreid en zien op vele aspecten van veiligheid en hygiëne in badinrichtingen (zwembaden). De regels uit hoofdstuk 3 zijn beperkter en/of algemener. Dit hoofdstuk gaat kort gezegd over peuterbaden en kan zodoende voor de gemeente wel van belang zijn. De regels uit hoofdstuk 4 zijn ook beperkter en/of algemener dan die in hoofdstuk 2, maar bepalen bijvoorbeeld wel dat er in voldoende mate toezicht wordt uitgeoefend. De regels uit hoofdstuk 5 met betrekking tot aangewezen locaties (ofwel: officiële zwemlocaties) zien enkel op de kwaliteit van het zwemwater en eventuele verontreiniging, maar niet op aspecten van veiligheid. Zo is niet bepaald dat er toezicht moet worden uitgeoefend op aangewezen zwemlocaties. De regels voor aangewezen locaties gelden gedurende het badseizoen. Zie verder H4. Waar de regels voor badinrichtingen zich richten tot de houder van de badinrichting, richten de regels voor (aangewezen) zwemlocaties zich tot het bevoegde bestuursorgaan (de minister of het waterschap) of tot GS. Het lijkt er daarmee op dat er voor de gemeente geen specifieke verplichtingen uit de wet volgen ten aanzien van door GS aangewezen zwemlocaties binnen de gemeente Amsterdam, hoewel de gemeente vaak wel beheerder is van het betreffende terrein.
De komst van de Omgevingswet Het juridisch kader (§2.2) gaat uit van de huidige juridische situatie. Op 1 juli 2022 wordt de in werking treding van de Omgevingswet verwacht. Dit zal gevolgen hebben voor de wet- en regelgeving omtrent zwemwater. Zodra deze gevolgen inzichtelijk zijn wordt het Handboek hierop aangepast.
2.2.1
Kan een officiële zwemlocatie gezien worden als badinrichting?
Wat opvalt in de wetgeving is de ruime definitie van het begrip badinrichting die gehanteerd wordt: een voor publiek toegankelijke plaats (behorende tot bij AmvB aangewezen categorieën) welke is ingericht om te worden gebruikt voor het zwemmen of baden. Eén van de bij AmvB aangewezen categorieën betreft de badinrichting ingericht voor het zwemmen of baden in oppervlaktewater. De wet en de AmvB houden er op verschillende plekken ook rekening mee dat een door GS aangewezen zwemlocatie tevens een badinrichting is. Bij zo’n samenloop gelden de regels voor aangewezen locaties, maar óók die voor badinrichtingen in oppervlaktewater. Dat is onder meer van belang voor het gegeven dat bij zo’n badinrichting in voldoende mate toezicht moet worden uitgeoefend, terwijl dat vereiste voor een aangewezen zwemlocatie niet geldt. Dat roept de vraag op of aangewezen zwemlocaties in Amsterdam tevens een badinrichting zijn en zo ja, wie dan als de houder kan worden aangemerkt op wie verplichtingen rusten zoals het uitoefenen van toezicht. Kijkend naar hierover verschenen notities, de huidige en voormalige wetgeving, de memorie van toelichting bij het ontwerp van deze wetgeving en de jurisprudentie wordt geconstateerd dat bedrijfsmatige exploitatie gericht op het zwemmen het sleutelbegrip lijkt te zijn.
Oftewel: als er géén sprake is van bedrijfsmatige exploitatie gericht op zwemmen, is er géén sprake van een badinrichting. Voor nadere toelichting, zie bijlage 8.10. Op basis van bovenstaande wordt aangenomen dat de thans aangewezen zwemlocaties in Amsterdam niet tevens een badinrichting zijn, ingericht voor het zwemmen in oppervlaktewater, omdat daar geen bedrijfsmatige exploitatie plaatsvindt. De eisen omtrent toezicht die voor badinrichtingen zoals zwembaden gelden, gelden dan niet voor deze zwemlocaties. Het uiteindelijk oordeel hierover is overigens aan de GS van de provincie.
8
De organisatie Zwemmen in open water raakt aan veel werkvelden binnen de gemeentelijke organisatie; beheer van de openbare ruimte, nautisch beheer, toezicht en handhaving, sport, veiligheid, gezondheid, etc. Dat betekent dat veel organisatieonderdelen een rol hebben om het zwemmen zo goed en veilig mogelijk te faciliteren. Het betreft onder meer Sport & Bos, V&OR, R&D, Programma Varen, het Havenbedrijf, Stadswerken, THOR en de GGD. In bijlage 8.2 is een overzicht te zien van de meest voorkomende activiteiten en verantwoordelijkheden rondom zwemmen in open water en de rolverdeling. De overkoepelende coördinatie van het zwemwaterdossier binnen de gemeentelijke organisatie is op dit moment belegd bij V&OR, afdeling Kennis & Kaders. Dat betekent dat V&OR het eerste aanspreekpunt is bij actualiteiten en bestuurlijke vragen. Zij dragen ook de verantwoordelijkheid voor het actueel houden van dit handboek en de stadsbrede communicatie over zwemmen in open water. Waar nodig verwijst zij door naar de andere directies en hun werkvelden (ruimtelijke ordening, gebiedsontwikkeling, gezondheid, dagelijks beheer, sport, etc.). Ook andere overheden hebben een rol in het Amsterdamse zwemwaterdossier, te beginnen met het Rijk. Het Rijk heeft een aantal vaarwegen aangewezen als van nationaal belang waarvan het Rijk zelf de vaarwegbeheerder is.
Dit gaat met name om de vaargeul in het IJ en het Amsterdam-Rijnkanaal. Zie voor nadere toelichting bijlage 8.9. Over diverse onderwerpen zijn daarbinnen werkafspraken gemaakt met Haven Amsterdam. Voor het beheer van de buitendijkse wateren rond IJburg is er een samenwerkingsovereenkomst tussen Rijkswaterstaat en Amsterdam. Er bestaat soms onduidelijkheid over waar exact de grens loopt tussen het beheergebied van Rijkswaterstaat en Amsterdam, vooral in de Zijkanalen. Daarnaast is er een rol voor de Provincie Noord-Holland, als bevoegde autoriteit voor het aanwijzen van officiële zwemlocaties en alles wat daar uit voortvloeit. De Provincie Noord-Holland is ook de vaarwegbeheerder voor vaarwegen die van provinciaal belang zijn. Zie voor nadere toelichting bijlage 8.9. Ook de verschillende waterschappen die binnen de Amsterdamse gemeentegrenzen actief zijn hebben uiteraard een rol. Het betreft Waterschap Amstel Gooi en Vecht, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en Hoogheemraadschap van Rijnland. Zij zijn verantwoordelijk voor waterkwaliteit (waaronder rioolwaterzuivering) en waterkwantiteit. De waterschappen zijn soms door de provincie aangewezen als vaarwegbeheerder van vaarwateren van provinciaal belang.
De vier waterkwaliteitsbeheerders in Amsterdam (zie ook de kaart in bijlage 8.8) Binnen de gemeente Amsterdam zijn er vier waterkwaliteitsbeheerders (zie ook kaart hieronder): Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier: beheert een deel van het water in Amsterdam Noord. Rijkswaterstaat (twee districten): waterbeheerder van het IJ, IJmeer en het Noordzeekanaal en al het water dat daarmee in open verbinding staat. Hoogheemraadschap van Rijnland: waterbeheerder van De Nieuwe Meer en het Amsterdamse Bos. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV): waterbeheerder in groot deel van Amsterdam, incl. Amstel en grachtenstelsel . Tot slot is Waternet een belangrijke partij binnen Amsterdam. Waternet is een gezamenlijke uitvoeringsorganisatie van de gemeente Amsterdam en het waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Namens Amsterdam is Waternet belast met onder andere alle rioleringstaken en het gemeentelijke vaarwegbeheer. Waternet voert in Amsterdam ook baggerwerkzaamheden uit voor verschillende opdrachtgevers vanuit verschillende rollen. Ook bovengenoemde externe partijen zijn opgenomen in het overzicht in bijlage 8.2.
9
Uitgangspunten voor de uitvoering Ten aanzien van zwemmen in open water is de gemeentelijke lijn dat we zwemmen mogelijk maken waar dat veilig kan, maar grenzen stellen op locaties waar het zwemmen onaanvaardbare risico’s kent op het vlak van (nautische) veiligheid, gezondheid en/of leefbaarheid. Dat betekent in de praktijk het volgende: We stimuleren via informatie en communicatie het zwemmen op de officiële zwemlocaties; dit is het meest veilig, al zijn aan zwemmen in open water altijd risico’s verbonden. We informeren Amsterdammers en bezoekers over wat in algemene zin de risico’s zijn van zwemmen in open water en wildzwemmen in het bijzonder. Het is de verantwoordelijkheid van de zwemmer zich goed te informeren. Wildzwemmen kan in goede banen geleid worden met maatregelen gericht op het vervullen van de zorgplicht vanuit de gemeente, mits aan randvoorwaarden voldaan wordt met betrekking tot veiligheid en gezondheid (zie H5), er geen conflicten zijn met andere functies (zie H5) en de leefbaarheid niet in het gedrang komt (zie H7). Wildzwemmen wordt zo nodig actief ontmoedigd op locaties waar bekend is dat de risico’s te groot zijn (zie H6). Handhaving op zwemverboden is gericht op excessen en vindt in principe alleen plaats op locaties waarbij sprake is van onaanvaardbare veiligheidsrisico’s (zie §6.1.).
Op officiële zwemlocaties is de situatie duidelijk: die zijn bedoeld om te zwemmen en daar faciliteren we dit zo optimaal mogelijk (zie verder H4). Met betrekking tot wildzwemmen moet per locatie een afweging gemaakt worden. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen plekken in de bestaande stad waar wordt wildgezwommen en locaties die ontwikkeld worden als onderdeel van de nieuwe stad. De volgende alinea’s schetsen welke afweging per locatie gemaakt moet worden. 2.4.1
De bestaande stad
Op steeds meer plekken in de stedelijke omgeving zien we dat er gezwommen wordt. Deze wildzwemplekken ontstaan vaak spontaan rondom kades, steigers of glooiende oevers. Uitgangspunt is dat we dit wildzwemmen als gemeente niet actief tegengaan, mits er geen onacceptabele veiligheidsrisico’s bekend zijn die niet weggenomen kunnen worden, er geen sprake is van conflicten met andere functies en de leefbaarheid niet in ernstige mate bedreigt wordt door het zwemmen. In de bestaande stad is de afweging op wildzwemplekken daarmee als volgt:
10
2.4.2
De nieuwe stad
Bij grootschalige herinrichtingen langs het water of bij het ontwikkelen van nieuwe stukken stad aan het water dient altijd rekening gehouden te worden met de behoefte van Amsterdammers om te zwemmen. Conform de Watervisie willen we dat zo goed mogelijk faciliteren. Met name in gebiedsontwikkelingen, waar vaak ook grondwerk en rioleringswerk verzet wordt, zijn er kansen om zwemmen en recreëren optimaal te faciliteren. Het biedt kansen om de bodem te egaliseren of te saneren, een zandstrand aan te leggen en te borgen dat er geen riooloverstorten zijn nabij plekken waar gezwommen kan gaan worden. Daarmee is een gebiedsontwikkeling of grootschalige herinrichting de ideale gelegenheid om een officiële zwemlocatie in te richten. Geadviseerd wordt dan ook om bij waterrijke gebiedsontwikkelingen altijd in te zetten op de realisatie van tenminste één officiële zwemlocatie waar het zwemmen optimaal gefaciliteerd wordt. Bij het ontwerpen van openbare ruimte rondom het water moeten we ook niet naïef zijn: overal in Amsterdam zien we dat mensen bij mooi weer het water in gaan in gebieden die grenzen aan plassen, grachten, rivieren of kanalen. De behoefte is groot en mensen laten zich moeilijk tegenhouden; faciliteren waar dat veilig kan, bij voorkeur met een officiële zwemlocatie, en daarmee ook het spreiden van de drukte is dus het devies.
Als zwemmen met het oog op veiligheid, leefbaarheid of andere functies (ecologie, scheepvaart, etc.) onwenselijk of zelfs verboden is moeten al in het ontwerp keuzes gemaakt worden om zwemmen te ontmoedigen om daarmee problemen in de beheer- en gebruiksfase te voorkomen. Dat betekent bijvoorbeeld: geen strandjes, geen aflopende trappen naar het water en geen vlonders of steigers, tenzij deze daadwerkelijk gebruikt worden om boten aan te leggen (zie verder §6.2.3). 11
In de nieuwe stad wordt rondom het water daarom altijd onderstaande afweging gemaakt.
Gemeentelijke communicatie 2.5.1
De doelgroep
Veel Amsterdammers maken graag gebruik van het water in de stad om te zwemmen en recreëren, en veelal in de buurt van hun eigen woning. Uit recent onderzoek (2021, zie §1.1) blijkt dat de meeste zwemmers en recreanten zich bewust zijn van de risico’s die gepaard gaan met zwemmen op een wildzwemplek. Het merendeel van hen geeft echter aan ondanks de kennis over deze risico’s, niet te zullen kiezen voor een andere zwemplek. Toch is er een behoefte aan informatie. Want zwemmers, en dan met name jongeren, geven aan dat er onvoldoende informatie beschikbaar is over de risico’s op wildzwemplekken. Dit geldt in mindere mate voor zwemmers die zelf aan open water wonen en in hun eigen woonomgeving zwemmen. Uit de enquête (zie §1.1) blijkt dat bezoekers van populaire wildzwemplekken informatievoorziening via informatieborden op de zwemplek wenselijk vinden. Evenals online informatie op de gemeentewebsite en sociale media.
12
2.5.2
Doelen: informeren en bewustmaken
Het strategisch uitgangspunt van de communicatie is daarom om Amsterdammers te informeren over de risico’s die gelden op wildzwemplekken in de stad. Het doel is hierbij niet om hen ervan te overtuigen om niet meer te zwemmen, maar om ervoor te zorgen dat zij zich bewust zijn van de risico’s áls zij gaan zwemmen. En om hen daarnaast te wijzen op de mogelijkheden voor zwemmen veilig zwemmen op officiële zwemplekken (zie kernboodschap, bijlage 8.3). Om zoveel mogelijk Amsterdammers te bereiken, vindt communicatie zowel plaats op de plekken waar intensief gezwommen wordt, als via de online kanalen van de gemeente. Op deze manier stelt de gemeente zwemmers en recreanten in staat om goed geïnformeerd gebruik te maken van het water in de stad. Bovendien moet informatie op intensief gebruikte wildzwemplekken ter plaatsen zorgen voor meer oplettendheid bij zwemmers, op het moment dat zij daadwerkelijk het water ingaan. In de communicatie is gekozen voor een positief frame, met een focus op waar en hoe Amsterdammers op een veilige manier kunnen genieten van het water. De tone of voice is hierbij belangrijk: niet verbiedend of belerend, maar informerend. De nadruk ligt daarmee niet op het ontmoedigen van zwemmen op wildzwemplekken, maar op bewustwording van de risico’s en het bekender maken van de officiële zwemlocaties.
Zo worden Amsterdammers in staat gesteld om zelf een verantwoorde keuze te maken als het gaat om veilig zwemmen. 2.5.3
Kanalen
Communicatie verloopt via verschillende kanalen op verschillende contactmomenten: Belangrijk is dat er gedurende het hele jaar online informatie beschikbaar is over veilig zwemmen. Zodat Amsterdammers die uit eigen beweging zoeken naar informatie, altijd de juiste berichtgeving hierover terugvinden. Om de consistentie hierin te waarborgen is de online informatie op de gemeentewebsite, de GGD website en de zwemwater kaart in 2021 herzien in lijn met de kernboodschap (zie bijlage 8.3). Ook Amsterdammers die niet zelf actief op zoek gaan naar informatie, moeten over dit thema worden geïnformeerd. Op piekmomenten, zoals aan de start van het zwemseizoen of bij extra warme zomerdagen, communiceert de gemeente daarom additief over veilig zwemmen in de stad. Dit gebeurt via gemeentekanalen zoals social media en nieuwsberichten op de website. Social media posts zorgen ervoor dat ook de jongere doelgroep wordt geïnformeerd. In de communicatiekalender (zie bijlage 8.4) zijn voorbeeldenboodschappen opgenomen voor op verschillende piekmomenten. Gemeentelijke webredacties kunnen op basis van de kernboodschap zelf nieuwsberichten plaatsen rondom dezelfde piekmomenten. Tot slot kan communicatie ter plaatsen wenselijk zijn op plekken waar intensief wordt wildgezwommen (zie §5.5).
Met informatieborden kunnen zwemmers worden gewezen op de risico’s waarmee zij rekening moeten houden voordat zij het water ingaan. Zo worden zij aangemoedigd om een weloverwogen keuze te maken en met enige voorzichtigheid te zwemmen. 2.5.4
Valkuilen die je moet vermijden in de communicatie
Schrijf nooit “een verfrissende duik” (of woorden van gelijke strekking). Duiken vanaf de kant in open water is erg gevaarlijk en in onze communicatie dragen we uit dat je dat niet moet doen. Schrijf nooit “spring in het diepe” (of woorden van gelijke strekking). Springen in open water vanaf een kade of bouwwerk kan gevaarlijk zijn en in onze communicatie dragen we uit dat je dat niet moet doen. Springen vanaf bruggen is gevaarlijk en bij wet verboden. Let op dat “zwemplekken” niet synoniem is voor “plekken waar gezwommen wordt”. Veel plekken waar mensen zwemmen zijn géén officiële zwemlocaties. Soms geldt er zelfs een zwemverbod. Wees dus helder in je taalgebruik. We hebben in Amsterdam een aantal officiële zwemlocaties, die staan op https://maps.amsterdam.nl/zwemwater/. De rest zijn “plekken waar gezwommen wordt”.
13
3 Welke ruimtelijke keuzes moeten gemaakt worden? Met het oog op de verschillende ruimteclaims op en rondom het water is het van belang keuzes te maken omtrent de ruimte die we als stad ter beschikking willen stellen aan zwemmen en waterkantrecreatie. In de zoektocht naar nieuwe zwemlocaties wordt daarom een afweging gemaakt van de ruimtelijke belangen die gelden rondom het water, waaronder varen, watersport en ecologie. In dit hoofdstuk worden de verschillende belangen en de te maken keuzes geschetst.
Zwemmen en scheepvaart De ruimteclaims vanuit de scheepvaart - binnen de gemeente vertegenwoordigd door Programma Varen en het Havenbedrijf - gaan niet alleen om varen zelf, maar ook over ligplaatsen, oplaadmogelijkheden voor alle soorten vaartuigen, op- en afstaplocaties, laad- en loslocaties en (semi)exclusieve locaties zoals de rederij van sommige rondvaartrederijen. Daarbij is ‘scheepvaart’ een breed begrip: het gaat om de grote binnenvaartschepen, binnenstedelijk transport over water en rondvaartboten. Maar ook over sloepjes, roeiboten, kano’s, SUP’ers, etc. (zie ook §3.2). Hoe groot de risico’s zijn van vaartuigen in relatie tot zwemmers, en hoe complex het is dit risico weg te nemen, hangt af van het type vaartuig. De scheepvaart heeft vanzelfsprekend ruimte nodig in de vaargeul en rondom aanmeervoorzieningen. De verwachting is daarbij dat transport over water zal groeien. Het is een complexe taak om hiervoor ruimte te bieden, in combinatie met de wens om veilige ruimte te bieden aan zwemmen. De plekken die geschikt zijn voor de belangen vanuit varen zijn veelal ook dezelfde plekken die geschikt zijn om te zwemmen; goed bereikbare oevers in een woonomgeving. Op een aantal plekken waar niet gevaren mag worden (Noorder IJplas) of waar genoeg ruimte is (Sloterplas) is er geen conflict tussen zwemmen en varen.
Waar deze claims wel met elkaar conflicteren wordt er vanuit het perspectief van de scheepvaart vooral gewezen op het belang van een goede inrichting, waarbij de zwemmers en de vaartuigen helder van elkaar gescheiden zijn. Het Marineterrein is bijvoorbeeld bereikbaar voor boten, maar is goed in te richten om zowel zwemmen als overslag van goederen te faciliteren. Om alle belangen rondom het water een plek te geven in de stad moeten we soms op zoek naar creatieve oplossingen. Er kan bijvoorbeeld gewerkt worden met verschillende tijdsloten. Zo kan op de Borneokade een rivierschip van 65 meter aanmeren. Echter, in de periode dat hier geen schip ligt kan er gezwommen worden. Op- en afstappen speelt voornamelijk een rol in het centrum en een paar bijzondere plekken daarbuiten. Zie voor meer maatregelen omtrent het oplossen van conflicterend gebruik de tabel in bijlage 8.7.
Zwemmen en watersport De openbare ruimte wordt steeds meer gebruikt voor sport, ook op het water. Hierbij wordt vooral gedacht aan een toename in watersporten zoals kanoën en suppen. Deze watersporten zijn niet altijd verenigbaar met zwemmen. Roeiers en zeilers wil je van zwemplekken weghouden, aangezien deze in conflict kunnen komen. Op sommige plekken waar zwemmen niet mogelijk is, bijvoorbeeld door bodemverontreiniging, kunnen sporten als kanoën, zeilen of suppen waarbij de bodem niet wordt aangeraakt mogelijk wel een plekje krijgen. Waar deze ruimteclaims van zwemmen en andere watersporten wél samenkomen en dreigen te conflicteren is het belangrijk om te werken met tijdsloten of een goede zonering aan te brengen. Zoals bij de officiële zwemlocatie op IJburg, waar zwemmers door middel van zonering een andere plek hebben dan surfers. Daarbij kan er gekeken worden of faciliteiten voor de ene watersportfunctie (WC’s, douches, etc.) op meerdere manieren gebruikt kunnen worden, om ook de zwemfunctie te dienen. 14
Zwemmen en ecologie Vanuit ecologisch perspectief is er potentie om het zwemmen in open water uit te breiden. Specifieke ambities vanuit Ecologie rondom het water zijn het uitbreiden van zachte natuurvriendelijke oevers. Het is hierbij belangrijk deze ecologisch en natuurinclusief in te richten. Hierbij kan ook ruimte zijn voor zwemplekken. Vanuit ecologie is er de wens om zoveel mogelijk te kijken naar waar ecologie en zwemmen verenigbaar zijn. Op sommige plekken is het belang van ecologie hoog en is daarom baat bij het behouden van rust. Een goede zonering tussen rustige en drukkere plekken is daarom belangrijk. Op andere plekken is dit andersom. De balans tussen zwemmen en ecologie is kortom heel locatieafhankelijk en daarmee maatwerk, waarbij in de Ecologische Structuur het uitgangspunt uiteraard is dat de ecologische waarden prevaleren boven recreatie2. Uiteraard speelt voor de inpasbaarheid van een zwemplek ook de aanwezige fauna daarbij een rol. Sommige diersoorten kunnen zich goed aanpassen aan mensen (fuut en meerkoet) maar anderen minder (lepelaar). Dat is van tevoren goed in te schatten door stadsecologen in het proces te betrekken. Zwemmen moet niet verstorend werken, vooral in het broedseizoen. Er zouden maatregelen getroffen kunnen worden die het onmogelijk maken om tijdens het broedseizoen te zwemmen/recreëren.
Verschillende vogels zitten tijdens het broedseizoen in de zone van riet en oever. Daar moet de vegetatie hoog genoeg zijn. Om zwemmen en ecologie te kunnen verenigen is het daarmee belangrijk dat er zones zijn met rietkragen en een kleine open toegang tot het water. Met begroeiing als bloemrijk gras, kruiden en heesters hoeft recreatie de ecologie niet te verstoren. In ecologisch kwetsbare gebieden is het daarnaast van belang dat er door recreanten niet gebarbecued wordt, dus dat een barbecueverbod wordt ingesteld en gehandhaafd. Ook zijn goede voorzieningen als toiletten en afvalbakken belangrijk om de ecologie te beschermen tegen zwerfvuil, wildplassen en andere verstoringen. Op leefregelborden kan aandacht gevraagd worden voor het respecteren van de natuur en het niet verstoren van dieren.
2 Zie: https://maps.amsterdam.nl/ecopassages/?LANG=nl
15
4 Wat is er nodig voor een officiële zwemlocatie? Proces Op grond van artikel 10b van de Whvbz stellen de provincies jaarlijks een lijst op van zwemlocaties. De provincies zijn verantwoordelijk voor de aanwijzing van alle locaties in zowel regionale wateren, de rijkswateren als die aan de Noordzeekust. Bij het proces van aanwijzing zijn daarnaast tenminste Rijkswaterstaat, de waterschappen en de locatiebeheerders/ initiatiefnemers betrokken. Ieder van deze partijen is verantwoordelijk voor een deel van de uitvoering van het proces van aanwijzen. Het ‘Protocol Aanwijzen en afvoeren van zwemlocaties’ wordt gebruikt om te waarborgen dat er een goede onderbouwing is voor het uiteindelijke besluit een zwemlocatie aan te wijzen dan wel af te voeren. Dit protocol is een handreiking die het mogelijk moet maken het proces van aanwijzen en afvoeren van zwemlocaties landelijk eenduidig, praktisch en conform de Europese en Nederlandse wet- en regelgeving en beleid, uit te voeren. Het protocol is op 15 oktober 2009 vastgesteld door het Directeuren Water Overleg (DWO) namens het Nationaal Water Overleg (NWO). Het protocol kort samengevat De volgende vragen spelen een rol bij de beoordeling omtrent het aanwijzen van zwemlocaties. 1. voldoet de zwemlocatie aan de definitie van zwemwater (art. 1 lid 3 EU zwemwaterrichtlijn); 2. conflicteert de functie zwemwater niet met andere functies; 3.
is de zwemlocatie voldoende veilig; 4. is de bereikbaarheid/ infrastructuur van de locatie voldoende (te maken); 5. is op de locatie onderhoud en beheer in redelijke mate gewaarborgd; 6. kan de zwemlocatie (eventueel na het treffen van maatregelen) structureel voldoen aan de zwemwaternormen; 7. zijn op de zwemlocatie (eventueel na het treffen van maatregelen) geen problemen te verwachten als gevolg van proliferatie van blauwalgen, macroalgen en/of marien fytoplankton. Door het stappenplan te volgen kan gedurende het proces van aanwijzen van nieuwe zwemlocaties, bepaald worden of deze locaties veilig zijn, of aanwijzing als zwemwater conflicteert met andere functies, of de locaties voldoende bereikbaar zijn en of de potentiële locaties, al dan niet na het nemen van maatregelen, structureel kunnen voldoen aan de zwemwaternormen. Een besluit om een nieuwe zwemlocatie aan te wijzen is op deze wijze gedegen onderbouwd. Door het stappenplan ook gedurende het proces van afvoeren te gebruiken wordt een gedegen onderbouwing verkregen voor het besluit een zwemlocatie af te voeren van de lijst van zwemwateren. Alle mogelijke redenen om een zwemlocatie af te voeren worden bij gebruik van het stappenplan onderzocht.
Dat geldt ook voor de voorwaarden die gelden om een permanent zwemverbod in te stellen of een permanent negatief zwemadvies uit te brengen, voordat een locatie vijf opeenvolgende jaren als ‘slecht’ is ingedeeld. In dat geval moet namelijk worden aangetoond dat de verwezenlijking van de kwaliteit ‘aanvaardbaar’, niet uitvoerbaar of onevenredig kostbaar is.
Waterkwaliteit De waterkwaliteit van een officiële zwemlocatie moet zodanig zijn dat je er niet ziek van wordt, op korte termijn of lange termijn. Ziekmakers kunnen bacteriën, virussen, parasieten en blauwalgen zijn, maar ook chemische verontreinigingen. In de praktijk komt dit er op neer dat wordt gemeten of bepaalde bacteriën of blauwalgen voorkomen:
16
Volgens de Wereld Gezondheidsraad geven metingen van de bacteriën Escherichia coli (E-coli) en Intestiale enterococcen voldoende houvast om het risico voor de gezondheid vast te stellen. Deze parameters zijn daarom in de Zwemwaterrichtlijn opgenomen. Voor het bepalen van blauwalgenoverlast wordt het Blauwalgprotocol 2020 gehanteerd. In eerste instantie wordt naar de hoeveelheid cyanochlorofyl in het water gekeken wordt nader onderzoek ingesteld.
De waterkwaliteit moet voor aanwijzing als officiële zwemlocatie de afgelopen twee zwemseizoen gemeten zijn en kwalitatief tenminste aanvaardbaar zijn bevonden. Er zijn vier kwaliteitsklassen: slecht, aanvaardbaar, goed en uitstekend. Bij aanwijzing van een officiële zwemlocatie is de bedoeling dat de locatie goed of uitstekend scoort. De waterkwaliteit is geen constant gegeven, maar van verschillende zaken afhankelijk. Toch is er meestal sprake van een basiskwaliteit op het moment dat er sprake is van een normale situatie. Doorgaans zijn bij elke zwemplek de meetresultaten redelijk constant, tenzij er iets is wat deze (extreem) beïnvloedt. De belangrijkste zaken die de waterkwaliteit negatief beïnvloeden zijn: Menselijke en dierlijke ontlasting: het ontbreken van een toiletvoorziening kan er toe leiden dat mensen het water verontreinigen. Baby’s met poepluiers mogen niet in het water. Ouders moeten hierop toezien en zo nodig worden aangesproken. Andere factoren die er toe kunnen leiden dat menselijk ontlasting in het water komen zijn foutaansluitingen in het riool, storingen in rioolgemalen en toiletlozingen van beroeps- en pleziervaart. Ook ontlasting van dieren (ganzen, ratten, watervogels, honden etc.) kan plaatselijk zorgen voor een (flinke) overschrijding van de waterkwaliteitsnorm.
Op plekken waar veel dieren zijn of bijvoorbeeld honden worden uitgelaten is het dan ook niet wenselijk om zwemmen mogelijk te maken, en omgekeerd. Zwerfafval: een vervuilde openbare ruimte in en rond het water trekt ongedierte aan en daarmee ook verschillende potentiële ziektedragers. Vandaar het belang van een goede en schone openbare ruimte rondom zwemplekken. Afval moet voor het donker opgeruimd worden i.v.m. ongedierte. Regen / overstorten: na hevige regenval kunnen in sommige gevallen de rioleringen het water niet aan en stort dit overtollig water in rivieren en grachten. Dit kan ziekmakende bacteriën introduceren in het water. Ook kan vervuild water, met zaken als olieresten en hondenpoep, vanaf het wegdek het oppervlaktewater instromen. Dit is dan ook de reden dat vooral de 2 à 3 dagen na hevige regenval er een verhoogd risico is op een slechte waterkwaliteit. In de praktijk wordt geconstateerd dat daar waar het beheer wordt verwaarloosd de waterkwaliteit daalt. Daarmee ontstaat het risico dat aangewezen zwemlocaties weer van de lijst moeten worden afgevoerd. Intensief beheer is daarom een randvoorwaarde voor een officiële zwemlocatie. In bijlage 8.6 is een gedetailleerde opsomming van mogelijke oorzaken en daaruit volgende gezondheidsrisico’s te vinden, opgesteld door de GGD.
Inrichting en veiligheid Hoe een officiële zwemlocatie ingericht moet zijn, is niet in de wet vastgelegd. De provincie beoordeelt de veiligheid waarbij de Omgevingsdienst het benodigde onderzoek uitvoert. Een goede basis om te beoordelen of een locatie qua inrichting en veiligheid geschikt is, is de ‘Handreiking Fysieke Veiligheid Zwemmers in Oppervlaktewater’ (DHV, 2008). Hieronder een versimpelde weergave van de eisen met daarnaast nog een aantal zaken die niet verplicht zijn, maar wel wenselijk zijn voor een goede inrichting van een formele zwemlocatie. 4.3.1
Need to have Veilig water o Geen sterke stroming. o Veilige afstand tot de vaargeul (> 50 meter of fysieke scheiding). 17
o De zwemzone is fysiek begrensd, bijvoorbeeld met een ballenlijn. Veilige bodem o Geen steil aflopend talud tot een waterdiepte van 1,50m. o Geen zuigende werking vanuit de bodem. o Geen plotselinge diepteverschillen. o Geen afval of objecten op de bodem of deze zijn fysiek afgebakend. Toegankelijk water. Bord met informatie over de zwemlocatie en de risico’s (zie §4.5). Prullenbakken.
In bijlage 8.7 is een overzicht opgenomen van maatregelen die genomen kunnen worden om eventuele veiligheidsrisico’s weg te nemen. 4.3.2
Nice to have Voldoende bankjes / picknicktafels. Voldoende fietsparkeerplekken. Omkleedvoorzieningen en lockers. Recreatieve voorzieningen (BBQ-voorzieningen, sportvoorzieningen, speeltoestellen, etc.). Een verbod op de aanwezigheid van honden gedurende het zwemseizoen, om vervuiling van het water te beperken. Toilet en handenwasgelegenheid. NB: doel van een toilet is enerzijds het faciliteren van verblijf en het voorkomen van overlast voor de omgeving en anderzijds het op pijl houden van de waterkwaliteit. Door mensen een toilet te bieden neemt het risico op ontlasting in het water af.
Toezicht op zwemmers De gemeente is als beheerder van de zwemlocaties vrij om zelf de keuze te maken of er wel of geen toezicht wordt ingezet op zwemmers bij officiële zwemlocaties in open water. Er is geen bovenliggende wet- of regelgeving die toezicht op dit type zwemlocaties verplicht. In Amsterdam geldt als algemeen uitgangspunt dat er op het zwemmen in open water, zowel bij officiële zwemlocaties als op wildzwemplekken, géén toezicht gehouden wordt. Dat betekent dat er in principe geen sprake is van badmeesters, lifeguards of soortgelijke inzet die toezicht houdt op de zwemmers en reddingshandelingen kan uitvoeren in het water. Het is de verantwoordelijkheid van de zwemmer om zich te informeren over de risico’s van zwemmen in open water, hier op te anticiperen en zijn eigen zwemvaardigheid juist in te schatten. Binnen gezelschappen (vriendengroepen, gezinnen, schoolklassen, etc.) geldt in het bijzonder dat we van de aanwezige volwassenen verwachten dat zij elkaar en eventuele kinderen goed in de gaten houden als er gezwommen wordt. In bijzondere situaties kan wel toezicht op zwemmers ingezet worden op de officiële zwemlocaties. Het gaat dan om officiële zwemlocaties waar aanleiding is om aan te nemen dat er uitzonderlijke locatiespecifieke risico’s aanwezig zijn die door toezicht gemitigeerd kunnen worden.
Risico’s kunnen bijvoorbeeld zijn oneffenheden in de bodem, wisselend waterpeil of een sterke stroming. Ook de drukte en het gedrag van bezoekers spelen een rol in de risicoinschatting. Een mogelijke acute aanleiding voor het instellen van toezicht is bijvoorbeeld een ongeval of een serie ongevallen op dezelfde zwemplek. Het toezicht dient in principe te worden stopgezet wanneer duidelijk is dat er ofwel geen sprake is van een structureel locatiespecifiek risico ofwel het risico verholpen is. Voor het houden van toezicht op zwemmers in open water kan de Reddingsbrigade worden ingeschakeld. Op Strand IJburg is dat de huidige praktijk, deze samenwerking wordt als zeer positief ervaren. De Veiligheidsregio adviseert over de inzet van toezicht. Aan de inzet van de Reddingsbrigade
18
zijn kosten verbonden waarvoor op dit moment geen structurele dekking beschikbaar is binnen de begroting.
Informatievoorziening Op officiële zwemlocaties staan grote lichtblauwe informatieborden. Op het bord staat algemene informatie over de zwemplek: een plattegrond waarop de zwemzone is aangegeven en een overzicht van aanwezige voorzieningen en verboden die gelden. Rechtsonder op de blauwe zwemwaterborden is de kwaliteitsklasse (3, 2, 1 of 0 sterren of onbekend) aangegeven. Dit is een vierjaargemiddelde. Als de actuele waterkwaliteit onvoldoende is wordt dit op een smal bord onder het algemene informatiebord aangegeven. De borden worden geplaatst en beheerd door de provincie.
Beheer Intensief beheer is noodzakelijk om een officiële zwemlocatie op voldoende niveau te houden. Daarbij moet in het bijzonder aandacht zijn voor: Het zorgdragen voor een schone bodem, door de bodem te inspecteren voorafgaand aan het zwemseizoen en eventueel grofvuil of andere obstakels te verwijderen (voor 1 mei). Het voldoende legen van de afvalbakken tijdens het zwemseizoen (1 mei tot 1 oktober) om vervuiling in het water en het aantrekken van ratten te beperken. Indien nodig kunnen in de zomermaanden tijdelijk extra afvalbakken geplaatst worden. Het dagelijks verwijderen van zwerfvuil om het risico op rattenoverlast te beperken en het tegengaan van rattenplagen indien die zich voordoen. Het met spoed weghalen van dode dieren gedurende het zwemseizoen (1 mei tot 1 oktober) om het ontstaan van ziektes tegen te gaan. Het minimaal twee tot drie maal daags reinigen van de openbare toiletten (indien aanwezig) gedurende het zwemseizoen (1 mei tot 1 oktober). Op dit moment is dit in Amsterdam onvoldoende geborgd, waardoor bijvoorbeeld locatie Sloterstrand dusdanig slecht waterkwaliteit kent dat het risico bestaat dat deze officiële zwemlocatie verloren gaat. Het verdient dus de aanbeveling om éérst het beheer op bestaande officiële zwemlocaties op orde te brengen voordat het aantal locaties wordt uitgebreid.
5 Waar moet een goede wildzwemplek aan voldoen? Proces Wildzwemplekken kennen allerlei vormen: van zeer kleinschalig (enkele buurtbewoners die zwemmen) tot intensief (honderden recreanten op de oevers, grote aantallen zwemmers, afkomstig uit verschillende delen van de stad). Ze ontstaan vaak organisch, veelal op plekken die niet zijn aangelegd om te zwemmen maar in hun inrichting daar wel toe uitnodigen (steigers, kades, glooiende oevers). Uitgangspunt is dat op kleinschalige wildzwemplekken met een buurtfunctie (enkele tientallen zwemmers per dag op zomerse dagen) die spontaan ontstaan geen verdere maatregelen getroffen worden om zwemmen in goede banen te leiden. Als ernstige veiligheidsrisico’s bekend zijn kan zwemmen wel worden ontmoedigd of verboden.
19
Op plekken waar intensief wildgezwommen wordt kan de gemeente indien nodig maatregelen treffen om de veiligheid omtrent het zwemmen te verhogen, waarbij zwemmers ook ter plaatsen geïnformeerd worden over de risico’s van wildzwemmen. Aantal zwemmers (indicatief) Enkele tientallen per dag op zomerse dagen
Enkele tientallen (max. 50) tegelijkertijd op zomerse dagen
> 50 tegelijkertijd op zomerse dagen
Omschrijving
Maatregelen?
Kleinschalige wildzwemplek De stad kent honderden van dit soort plekken. Bezoekers zijn met name buurtbewoners. Het gaat meestal om plekken die niet expliciet zijn aangelegd met als doel “zwemmen”, maar spontaan ontstaan.
In principe geen maatregelen en ook geen informatieborden plaatsen. Zeer kleine aanpassingen gericht op leefbaarheid en veiligheid, zoals het (ver)plaatsen van een drenkelingentrap, zijn bij wijze van maatwerk wel mogelijk.
Intensieve wildzwemplek De stad kent enkele tientallen van dit soort plekken. Variërend van steigers waar ruimte is voor enkele tientallen bezoekers tot grasvelden en kades met honderden bezoekers op de kant. De plek heeft een aantrekkingskracht op bezoekers uit de wijde omgeving. Potentiële officiële zwemlocatie De stad kent slechts een paar van deze plekken. Deze plekken trekken bezoekers uit omliggende stadsdelen en hebben soms zelfs een stedelijke functie.
Indien ernstige veiligheidsrisico’s en/of gezondheidsrisico’s bekend zijn die niet kunnen worden weggenomen, wildzwemmen ontmoedigen of verbieden. Maatregelen treffen om grootschalig wildzwemmen in goede banen te leiden en de veiligheid te verhogen, indien nodig. Zie bijlage 8.7. Informeren over risico’s van wildzwemmen met informatieborden. Indien ernstige veiligheidsrisico’s en/of gezondheidsrisico’s bekend zijn die niet kunnen worden weggenomen, wildzwemmen ontmoedigen of verbieden. Traject starten richting officiële zwemlocatie (zie H4). Indien de status van officiële zwemlocatie niet haalbaar is, behandelen als intensieve wildzwemplek, tenzij vanuit de provincie een zwemverbod wordt opgelegd.
NB: de Whvbz bepaalt dat Gedeputeerde Staten jaarlijks aan de minister(s) de locaties bekend maken waar naar hun oordeel door een groot aantal personen wordt gezwommen en die daarmee in aanmerking komen voor het aanwijzen als officiële zwemlocatie. In Amsterdam hanteren we in overleg met de Provincie NoordHolland een vuistregel van “50 zwemmers tegelijkertijd in het water op zomerse dagen” als zijnde “een groot aantal” . Dit is als zodanig opgenomen in bovenstaande tabel, maar het oordeel is uiteindelijk locatiespecifiek en is aan de Gedeputeerde Staten. Zie verder H4 over officiële zwemlocaties. Ook plekken waar een zwemverbod geldt op grond van het Bpr (zie §2.1.3) kunnen met de juiste maatregelen worden omgevormd tot een wildzwemplek waar géén zwemverbod geldt (zie H5) of tot officiële zwemlocaties (zie H4). Daartoe moeten dan de conflicten waar de Bpr op toeziet worden weggenomen. Bijvoorbeeld het conflict tussen zwemmers en scheepvaart, waar artikel 8.08 van het Bpr onder ad 2b op slaat (“Zwemmen, watersport zonder gebruik te maken van een schip en onderwatersport zijn verboden (..) in gedeelten van de vaarweg bestemd voor de doorgaande scheepvaart”). Het wegnemen van dit conflict kan middels fysieke ingrepen of regelgeving, zie bijlage 8.7.
Sommige conflicten met het Bpr zijn niet weg te nemen met fysieke maatregelen, zoals het gegeven dat het Bpr zwemmen in havenwater verbiedt (Bpr artikel 8.08 ad 2d). In dat geval moet een aanwijzingsbesluit genomen worden om het zwemverbod op te heffen. Dat kan uiteraard alleen als de situatie voldoende veilig (gemaakt) is.
20
Waterkwaliteit In hoofdstuk 4.2 is ingegaan op de waterkwaliteit bij officiële zwemlocaties en de aandachtspunten hierbij. Voor de wildzwemplekken zijn die uiteraard ook relevant. De waterkwaliteit in de Amstel en de grachten is een groot deel van het zomerhalfjaar voldoende van kwaliteit om te zwemmen. Meestal is dat zo als er genoeg doorstroming is. Indicatoren voor mogelijk slechte waterkwaliteit zijn: stilstaand water, water met blauwalg, water met dode dieren en water met grote groepen vogels. De bacteriologische zwemwaterkwaliteit is tijdelijk slechter als er overstorten uit het gemengde, gemeentelijke rioolstelsel plaatsvinden. Dit gebeurt gemiddeld vijf keer per zomerhalfjaar bij hevige regenval. De waterkwaliteit herstelt zich daarna weer na enkele dagen. Per zomerhalfjaar zijn er gemiddeld 155 dagen (van de 180) waarop de waterkwaliteit gemiddeld genomen voldoende is om te zwemmen. Er is op hoofdlijnen verschil in waterkwaliteit zichtbaar tussen de volgende delen van het Amsterdamse open water: Water van IJ, Amsterdam-Rijnkanaal en open zijarmen is door de goede doorstroming doorgaans van goede zwemkwaliteit (maar vanwege de scheepvaart gevaarlijker om in te zwemmen). Waterkwaliteit in de Amstelboezem (Amstel, (zij)grachten in Centrum, Oost en Zuid), de boezem van de Haarlemmermeer (o.a.