CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. 2026 02 Voortgangsrapportage RvdS 2024-2025

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 4 februari 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Voortgangsrapportage Ruimte voor de Stad 2024-2025 (VN2025-018843)13.103 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Voortgangsrapportage Ruimte voor de Stad 2024-2025

Voormalig schoolgebouw met jongerenwoningen voorzieningen in de plint in Nieuw-West

Inhoud 1 Inleiding. .................................................................................................. 4 1.1 Opdracht en organisatie 1.2 Voortgangsrapportage 1.3 Inhoudelijke achtergrond 1.4 Leeswijzer

4 4 4 5

2 De grote lijn: de verhalen van de stad..................................................... 6 2.1 De grote lijn 2.2 Stad met vele harten: Versterking van stedelijke kernen anders dan het centrum 2.3 Vitale Buurten van de toekomst: Balans tussen groei en kwaliteit 2.4 De stad blijft werken en gezellig: Vitale systemen en duurzame groei 2.5 Conclusies en vervolgstappen

6 7 10 15 18

3 Voortgang per product............................................................................ 20 3.1 Regionale verkenningen 3.2 Gebiedsgerichte verkenningen 3.3 Principenota’s en besluiten 3.4 Thematische verkenningen

20 22 24 26

4 Monitoring................................................................................................ 28 4.1 Monitoring Bovenplanse opgaven

28

5 Continuering werkzaamheden 2026. ...................................................... 34 5.1 Ingrediënten werkprogramma 2026 5.2 Ontwikkelopgave Programma Ruimte voor de Stad

34 36

3

1 Inleiding

1.1

Opdracht en organisatie

Ruimte voor de Stad is een programma dat uitvoering geeft aan de ontwikkelstrategie 2035 “Amsterdam: bouwen aan buurten van de toekomst”. Bij vaststelling van de Ontwikkelstrategie heeft het College door middel van de Bestuursopdracht Ruimte voor de Stad (voorjaar 2024) opdracht gegeven tot het gecoördineerd en in samenhang uitvoeren van de uit de Ontwikkelstrategie voortkomende werkzaamheden. Bestuurlijk opdrachtgever is de wethouder Ruimtelijke Ordening. Ambtelijk opdrachtgever is het Hoofd Strategie van Ruimte en Duurzaamheid. Doel van het programma is het zorgdragen voor tijdige aanvulling van de planvoorraad die de stad in staat stelt om ook op de middellange termijn te voldoen aan de ambitie van het bouwen van 7500 woningen per jaar én om meer grip te hebben op de samenhang van deze ontwikkelingen in relatie tot de aan deze ontwikkeling gerelateerde bovenplanse opgaven. Ook heeft het programma tot doel ruimtelijke kansen te identificeren, en de ambitie van ‘verantwoorde groei’ te monitoren. In de praktijk doet het programma dat door in drie productcategorieën producten te maken: • Ruimtelijke verkenningen gericht op het verkennen en verder uitwerken van mogelijkheden voor ontwikkeling op middellange termijn. Zowel op stedelijke als regionale schaal.

• Principenota’s en -besluiten, gericht op het opstarten van nieuwe plannen en aanvullen van de planvoorraad • Thematische verkenningen, gericht op het verdiepen van projectoverstijgende vraagstukken zoals op het gebied van verdichting van bestaande buurten. De monitoring van ‘verantwoorde groei’ vindt plaats door middel van de Balans bovenplans (en voorheen integrale opgavenkaarten). Deze (GIS) 4

Gemeente Amsterdam

kaart/database is gericht op het monitoren van ruimtevragers en bovenplanse opgaven en deze voor verschillende stakeholders inzichtelijk te maken.

1.2

Voortgangsrapportage

Onderdeel van Ruimte voor de Stad is het jaarlijks bestuurlijk rapporteren op planning en inhoud van het programma. Met de start van Ruimte voor de Stad medio 2024 is 2025 het eerste volledige jaar waarin over de uitvoering van de Ontwikkelstrategie 2035 kan worden gerapporteerd. Daarmee is dit de eerste voortgangsrapportage van het programma.

1.3

Inhoudelijke achtergrond

“Amsterdam: bouwen aan buurten van de toekomst” is de ruimtelijke ontwikkelstrategie voor Amsterdam voor de periode tot 2035. Deze ontwikkelstrategie maakt de Omgevingsvisie 2050 concreet voor de middellange termijn in de gebiedsontwikkeling. Inzet van de ontwikkelstrategie is om de ontwikkeling van 7500 woningen per jaar mogelijk te maken met realistische voorstellen voor ontwikkellocaties, met een zo groot mogelijke meerwaarde voor de stad en inzichtelijk te maken wat hierbij de randvoorwaarden zijn. Hiermee maakt het College de ambitie voor ”verantwoorde groei” uit het coalitieakkoord concreet. Amsterdam heeft in de Ontwikkelstrategie gekozen voor locaties die het meerkernige karakter van de stad versterken en voor het verbeteren van kwetsbare buurten in de omgeving van deze kernen. Door (met uitzondering van Haven-Stad) terughoudender te zijn dan in de voorgaande jaren met het opstarten van transformatielocaties, zorgen we ook voor behoud van ruimte voor bedrijvigheid en stadsverzorgende functies voor de stad. Het betekent dat de gemeente meer in de bestaande stad aan de slag gaat met gebiedsont-

Voortgangsrapportage Ruimte voor de Stad 2024-2025

Covers van de Ontwikkelstrategie 2035 (boven) en de Omgevingsvisie Amsterdam (rechts)

wikkeling en samen stad maken, en dat nieuwe (financiële) instrumenten nog belangrijker worden. Meerkernige ontwikkeling vraagt erom dat plannen nog nadrukkelijker dan voorheen in een stedelijke en regionale context worden bezien. Met de groei van de stad heeft het college gevraagd (n.a.v motie nummer 635, 2024) om bovenplanse sturing en monitoring op bredere stedelijke doelen. We denken op deze manier de groeispurt van de stad, de noodzakelijke transities, het samen stad maken en het groeien binnen grenzen zo goed mogelijk te kunnen faciliteren.

1.4

Leeswijzer

De voortgangsrapportage is als volgt opgebouwd: • In hoofdstuk 2 gaan we in op de grote lijn, het verhaal van de stad. Welke grote lijnen zien we 1,5 jaar na vaststelling van de Ontwikkelstrategie uit de uitwerking naar voren komen? • In hoofdstuk 3 wordt aan de hand van de productcategorieën gerapporteerd over de voortgang van de binnen het programma uitgevoerde werkzaamheden. We geven daarbij aan welke werkzaamheden zijn afgerond en opgestart. In de voortgangsrapportage is geen stand van zaken voor de Gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s (GOP’s) opgenomen. Sturing hierop loopt buiten het programma Ruimte voor de stad. • In hoofdstuk 4 gaan we in op monitoring. Hoe wordt het programma gemonitord, en hoe geven we inzicht in de stand van zaken wat betreft de bovenplanse opgaven, zoals door de raad gevraagd? • Hoofstuk 5 tenslotte kijkt vooruit: welke opgaven en werkzaamheden dienen zich aan. Dit is input voor keuzes die te maken zijn in het meerjarenkader Ruimtelijke Ordening van R&D. Gedurende 2026 kunnen de prioriteiten van een nieuw college aanleiding zijn daar nog in te schuiven.

5

2 De grote lijn: de verhalen van de stad

2.1

De grote lijn

De Omgevingsvisie 2050 ‘Een menselijke metropool’ is binnen de gemeente het document dat het verst vooruit kijkt en over het hoogste schaalniveau gaat. Het bevat strategische keuzes voor de ontwikkeling van de stad. De Ontwikkelstrategie 2035 schetst hoe we deze strategische keuzes op de middellange termijn (2035) invullen en beschrijft hoe we werken aan de doorontwikkeling van Amsterdam en daarmee de vraag naar meer en betere woningen, werkplekken, voorzieningen en verbindingen willen beantwoorden. Van Amsterdam een stad maken die groeit maar ook verbindt en vernieuwt, met ruimte voor versterking van stedelijke kernen, verbetering van de buurten daaromheen, en duurzame ontwikkeling in het algemeen. De afgelopen decennia (tot en met de vorige ‘omgevingsvisie’ de ‘structuurvisie 2040’) is er bij de ontwikkeling van Amsterdam veel aandacht gegeven aan de uitrol van het centrummilieu en daarmee het ontwikkelen van radialen tot stadsstraten én de transformatie en verdichting van monofunctionele stukken stad in met name de ringzone en aan het IJ. Met de Omgevingsvisie 2050 en de Ontwikkelstrategie 2035 gaan we een nieuwe fase in waarin de focus verschuift naar de kernen buiten de binnenstad en de buurten daaromheen. Minder dan

Omgevingsvisie Lange termijn 2050

in de buurten in de ringzone is het leven hier niet op de binnenstad gericht maar op de voorzieningen in de directe omgeving. Woningbouw blijft belangrijk maar de ontwikkeling van complete stadskernen en vitale buurten komt centraler te staan. Onderdeel hiervan is het ruimte bieden aan verduurzaming en klimaatadaptatie. Drie verhaallijnen -Stad met vele harten (2.2); De stad blijft functioneren – en gezellig (2.4); en Buurten van de toekomst (2.3)- vormen een rode draad in de keuzes die we nu maken. Meer aandacht voor kwaliteit, compleetheid en verbondenheid van kernen, buurten en verbindingen. Het programma Ruimte voor de Stad geeft uitvoering aan de ontwikkelstrategie. De verkenningen die in dat programma zijn uitgevoerd bieden nu al waardevolle inzichten in hoe we deze ambities het beste kunnen realiseren. In dit kopverhaal bij de voortgangsrapportage Ruimte voor de Stad 2024-2025 geven we aan de hand van die verhaallijnen inzicht in hoe dat gaat.

Ontwikkelstrategie Middellange termijn 2035

Verkenningen

Principenota’s

6

Gemeente Amsterdam

Voortgangsrapportage Ruimte voor de Stad 2024-2025

Rechts: Conceptuele weergave van de inzet op meerkernige ontwikkeling. Door versterking van centra en stationskwartieren buiten de binnenstad worden de tangentiale verbindingen in het fiets-, openbaar vervoer- en groennetwerk belangrijker.

2.2 Stad met vele harten: Versterking van stedelijke kernen anders dan het centrum 2.2.1 Introductie De omgevingsvisie stelt dat we van een mono-centrische stad gaan naar een meerkernige stad en metropool. Allereerst doordat als gevolg van de groei de leefbaarheid in de centrale delen van de stad onder druk komt te staan, maar vooral ook omdat dit kansen biedt om de kernen buiten de binnenstad te versterken. Daarmee wordt Amsterdam op meer plekken geschikt voor samenkomen, ontmoeten en uitwisselen. Grootstedelijke voorzieningen komen voor bewoners buiten de ring dichterbij en diversiteit tussen centra zal toenemen zodat er wat te kiezen valt. De bestaande nieuwe kernen zijn bijna allemaal opgezet met één hoofdfunctie: Zuidas als Central Business District; ArenA voor leisure; Osdorp en Buikslotermeer als bovenwijkse winkelcentra; etc. (zie kader pagina 8). Hoewel in veel val deze kernen al aan diversifiëring is gewerkt vraagt ‘Stad met vele harten’ dat dit volwaardige stadscentra worden met alles erop en eraan. 2.2.2 Identiteit van kernen Het gaat bij volwaardige kernen in essentie om plekken die goed bereikbaar zijn en waar veel voorzieningen zitten die mensen uit andere delen van de stad, de regio en soms de hele wereld trekken.

Plekken dus die niet alleen als enclave zelfvoorzienend zijn maar ook een onderscheidende bijdrage leveren aan de diversiteit van belevingen en voorzieningen, en daarmee vitaliteit van de stad. Dat kunnen winkelgebieden zijn maar ook werkgebieden, universiteitscampussen, of hotspots in de kunst en cultuur. De ontwikkelstrategie geeft deze plekken een belangrijke rol in de ontwikkeling van de stad door hun stedelijke functie uit te bouwen, bereikbaarheid verder te versterken én hier te verdichten met woningen: een stad met vele harten.

Een belangrijk aandachtspunt is dat de centra hun eigen identiteit behouden of versterken. Die identiteit komt voor een belangrijk deel uit de programmatische invulling (welke dingen kan je er doen) van zo’n kern, en van de activiteiten van bewoners en gebruikers. Keuzes hierover kunnen vergaande gevolgen hebben: waar landt welke functie (denk aan de OBA next)? Daarbij gaat het niet alleen om commerciële voorzieningen zoals winkels en horeca maar ook om culturele functies, kenniscentra en urban-sports voorzieningen.

2.2.3 Verbindingen tussen kernen: tangenten Versterking van kernen anders dan het centrum vraagt dus om uitbreiding van voorzieningen, verdichting en versterking van de bereikbaarheid. Dat laatste vooral tússen de kernen onderling (de tangenten). Het netwerk van stadslanen /-straten gaat dus veranderen van allemaal op de binnenstad gericht (radialen) naar meer onderling verbindend. Het netwerk van verbindingen op stedelijk niveau tussen kernen en tussen buurten en kernen kan completer en beter. Ook bieden de tangenten kansen voor verdichting: het aanvullen van gewenste voorzieningen en woningen. Dat gaat op die plekken vaak makkelijker dan in de bestaande, omliggende buurten. In veel gevallen gaat het om het omvormen van pure verkeersinfrastructuur tot verbindende en geprogrammeerde stadsstraten. De eerste verkenningen naar waar en hoe dit kan zijn gemaakt (bijvoorbeeld de verkenning Oostertocht-Westerticht) maar er liggen ook nog vraagstukken open. Door de ontwikkeling van Amsterdam als stad met stedelijke lobben en groene scheggen is de nadruk op radialen de afgelopen eeuw een logische keuze geweest. Het determineren én vormgeven van tangentialen is daarom logischerwijs redelijk onontgonnen terrein. Verkenning naar tangentialen is opgenomen in het mogelijk werkprogramma voor 2026.

7

Historisch perspectief op meerkernigheid

Rond 1260 werd een dam aangelegd in de Amstel, precies op de plek waar tegenwoordig de Dam ligt. De aanleg van de dam markeert daarmee de oorsprong van Amsterdam als handelsplaats. Rond de nederzetting Amsterdam ontstond een netwerk van kleinere nederzettingen in het omliggende veenlandschap. Er vormden zich kleinere nederzettingen ten zuiden van de stad, die de ontginningsstructuur van het land volgden. Langgerekte lintdorpen zoals Ouderkerk aan de Amstel, Amstelveen, en Sloten. Deze dorpen leverden turf, bouwmateriaal en voedsel aan de stad, en waren op hun beurt afhankelijk van Amsterdam als markt en overslagpunt. Deze kernen waren destijds nog ongeveer even groot. Ook ten noorden van het IJ ontwikkelden zich nederzettingen die nauw verbonden waren met Amsterdam. Rond 1300 werd de Waterlandse Zeedijk aangelegd, een belangrijke verdedigingslinie tegen de Zuiderzee. Langs deze dijk ontstonden dijkdorpen zoals Buiksloot, Nieuwendam en Schellingwoude, waar mensen zich vestigden in lintbebouwing. Dorpen als Ouderkerk, Amstelveen, Buiksloot en Nieuwendam hadden eigen functies, infrastructuur en economische specialisaties, maar waren via waterwegen, dijken en markten nauw verweven met het dorp Amsterdam. Het was een netwerk van dorpen. In de zestiende eeuw begon Amsterdam aan een periode van snelle groei, gedreven door twee belangrijke migratiegolven.

De sterke bevolkingsgroei en economische bloei leidden tot grote ruimtelijke druk binnen de bestaande stadsmuren, begrensd door de Singelgracht. Tussen 1550 en 1700 vonden daarom vier grootschalige stadsuitbreidingen plaats. Tegelijkertijd groeide Amsterdam ook verder buiten de stadsmuren. Het landschap ten oosten van de stad kreeg de functie van buitenverblijf. Rijke Amsterdammers zochten in de zeventiende eeuw rust buiten de drukke stad en lieten buitenplaatsen bouwen in de 8

Gemeente Amsterdam

omliggende polders. In de Watergraafsmeer verschenen tientallen buitenhuizen langs wegen en paden zoals de Middenweg. Ook aan de noordzijde van het IJ vonden ontwikkelingen plaats zoals het galgenveld, het graven van de Buikslotertrekvaart en het ontstaan van het Tolhuis. Deze ontwikkelingen laten zien dat Amsterdam zich in de vroegmoderne tijd concentreerde rond een groeiend stedelijk centrum, maar dat er tegelijkertijd sprake was van spreiding en opkomst van andere kernen rondom de stad die buiten directe controle van het stadsbestuur vielen maar wel nauw in verbinding stonden met Amsterdam. In de loop van de 19e eeuw veranderde Amsterdam ingrijpend onder invloed van de industriële revolutie. De opkomst van industrie en mechanisering trok grote groepen arbeiders naar de stad, op zoek naar werk in de fabrieken. Om deze groei op te vangen, begon Amsterdam aan nieuwe

Kaart 1: De Sloterpolder met het dorp Sloten aan het begin van de Sloterweg in ca. 1610. Aan de weg aanduidingen van verschillende soorten activiteit. Onderaan de Nieuwe Meer. Rechtsboven de nog kleine stad Amsterdam. Bron: Van Berckenrode, 1610.

Voortgangsrapportage Ruimte voor de Stad 2024-2025

stadsuitbreidingen. De zogeheten 19e-eeuwse gordel, met wijken als de Staatsliedenbuurt, de Dapperbuurt en De Pijp. Een belangrijk moment in deze periode was de aanleg van het Centraal Station. De beslissing om het station aan het IJ te plaatsen (en niet ten zuiden van de stad) markeerde een binnenstad-gerichte ontwikkeling die het ruimtelijke beleid lang zou blijven beïnvloeden. Tegelijkertijd veranderden de functies langs bijvoorbeeld de Sloterweg van een puur agrarische nederzetting in een meer gemengd gebied (met een bakker, een drogisterij en een politiestation, het laatstgenoemde was in gebruik tot 2015). In de twintigste eeuw zette de stedelijke groei van Amsterdam zich voort. Na de annexatie van delen van Nieuwer-Amstel voor de aanleg van Plan Zuid (vanaf 1917), breidde Amsterdam zich in de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog verder uit. Gemeenten als Sloten, Sloterdijk en Watergraafsmeer werden geannexeerd. Deze dorpskernen kwamen binnen de gemeentegrenzen te liggen, maar werden zelden als vanzelfsprekende centra van de nieuwe uitbreidingswijken beschouwd. In plaats daarvan werden ze opgeslokt in de uitdijende stad. De modernistische stedenbouw, en niet de bestaande ruimtelijke structuren, bepaalde in sterke mate hoe deze uitbreidingen werden vormgegeven.

Er ontstonden grootschalige winkelcentra op aangewezen locaties zoals het Osdorpplein of het Buikslotermeerplein. Terwijl aan de randen van Amsterdam onder leiding van het modernisme grootschalige uitbreidingen plaatsvonden met nieuwe stedenbouwkundige structuren, voltrok zich in de binnenstad ook een nieuwe ontwikkeling. De stad liep leeg: de middenklasse trok naar groeikernen of moderne stadswijken, terwijl de armere bewoners en een nieuwe lichting studenten achterbleven. Veel buurten in de binnenstad en de 19e-eeuwse gordel raakten vervallen: gebouwen stonden leeg en verkrotten. Het stadsbestuur zette daarom in op cityvorming: de grachtengordel moest kantorenhuisvesting worden, liefst ontsloten via stadssnelwegen en een nieuwe metro. Deze visie leidde in de jaren 70 tot stevige conflicten. De Nieuwmarktrellen vormden een keerpunt: de stadssnelweg naar het Centraal Station werd afgeblazen, maar de metro kwam er wel. Grote delen van de 19e-eeuwse gordel bleven gespaard. Vanaf de jaren 80 veranderde het beleid. Het idee van ‘Manhattan aan het IJ’ ontstond, waarbij de zuidelijke IJ-oever werd aangewezen als toekomstig kantorengebied. Toch vestigde ABN AMRO zich op de Zuidas, vanwege de nabijheid

van Schiphol en de A10. Boomtown Amsterdam focuste vanaf eind jaren 80 grootschalige projecten langs het spoor: Centraal, Sloterdijk, Lelylaan, Zuid, RAI, Bijlmer en Amstel. Elk gebied kreeg een eigen functie binnen een netwerk van sub-centra: computerbedrijven in de Bijlmer, hoogwaardige kantoren op de Zuidas, uitbreiding van de RAI, verzekeraars bij Amstel, confectie bij Lelylaan, en telecommunicatie bij Sloterdijk. Het ArenA-gebied combineerde kantoren, winkels en leisure. Deze ontwikkelingen betekenden een verschuiving: de binnenstad was niet langer het enige zwaartepunt voor werkgelegenheid. Er werd ingezet op een polycentrisch stedelijk patroon. In de jaren ’80 en ’90 verplaatsten diverse functies uit de binnenstad: het AMC naar Zuidoost, de VU en VUmc naar Zuid, delen van de UvA naar het Science Park, en Ajax van sportpark De Meer naar het ArenA-gebied. Financiële instellingen trokken naar de Zuidas, die uitgroeide tot het belangrijkste zakelijke district van Amsterdam. Veel sub-centra groeiden niet uit tot levendige plekken met een eigen karakter. Mono functionaliteit, gebrek aan sociale diversiteit en het ontbreken van een historisch weefsel zorgden ervoor dat deze gebieden ’s avonds stil en leeg aanvoelden. Pas vanaf het begin van de 21e eeuw groeide het besef dat eenzijdige functies leiden tot eenzijdig gebruik.

Veel van deze plekken waren overdag druk en ’s avonds verlaten, wat bijdroeg aan een onprettige stedelijke ervaring. Ook op het gebied van mobiliteit had deze ontwikkeling gevolgen. Zowel auto-infrastructuur als openbaar vervoer werden afgestemd op piekbelasting, wat leidde tot onderbenutting buiten de spits en inefficiënt ruimtegebruik. Voor echte stedelijke dynamiek bleef men aangewezen op de historische binnenstad. Dit maakte dat de binnenstad nog altijd het onbetwiste centrum van de metropool is, met ook alle ongewenste gevolgen van dien. Recenter wordt geprobeerd deze nieuwe kernen meer te mengen en stedelijker te maken, daarmee wordt een aanzet gegeven tot echte meerkernige ontwikkeling.

9

2.2.4 Verdichten in kernen In veel van de nieuwe stedelijke kernen wórdt al gediversifieerd en verdicht. Denk aan het Osdorpplein, ArenApoort, CAN gebied, en Zuidas. De plannen voor deze locaties zijn daarom geen onderdeel van deze voortgangsrapportage. Het zou interessant zijn om bijvoobeeld de functiemix en de verbindingen met omliggende wijken van deze centrum gebieden te bekijken om te kijken welke stappen er nog gezet kunnen worden. Een voorstel voor zo’n verkenning is onderdeel van het mogelijk werkprogramma 2026. Een kern waar wel potentie zit, maar die we nog aan het verkennen zijn is Amstelstation en omgeving. Die verkenning laat zien dat een balans vinden tussen verdichting op een plek die zich daar goed voor leent en het behoud van gewaardeerde bestaande kwaliteiten een uitdaging is. Ook de verkenning(en) van Buitenveldert levert handvatten op voor mogelijke verdichting daar. Naast de kernen zelf kijken we nog naar twee mogelijke type plekken voor verdichting: de buurten om de kernen heen en transformatie gebieden. In de buurten om de kernen heen blijkt uit de gebiedsgerichte verkenningen dat 1) het complex is zonder grootschalige sloop-nieuwbouw grote aantallen woningen toe te voegen, en 2) dat de aantallen mogelijk toe te voegen woningen vaak afhankelijk zijn van investeringen in de infrastructuur en andere randvoorwaarden voor verdichting.

Investeren in bijvoorbeeld het transformeren van grote auto ontsluitingswegen naar meer stedelijke stadslanen/-straten biedt wél kansen voor het toevoegen van substantiële aantallen woningen. Meer daarover in paragraaf verhaallijn 2 Vitale buurten van de toekomst. In de transformatiegebieden (bijvoorbeeld Sloterdijken, Havenstad, Amstel III, Gaasperdammertunnelzone) liggen mogelijkheden om substantiele aantallen woningen toe te voegen. Het heeft

vanuit de ontwikkelstrategie in principe niet de voorkeur om deze gebieden méér te prioriteren, maar misschien versterken de woningaantal cijfers uit de gebiedsgerichte verkenningen wél de noodzaak om concrete stappen te gaan zetten in de ontwikkeling van delen van Havenstad.

2.2.5 Relatie met de regio Naast het versterken van de stedelijke kernen zijn er uiteraard ook nog relaties met kernen in de regio: de volgende schaalsprong in meerkernige ontwikkeling. In het programma Ruimte voor de Stad zijn daarom drie regionale verkenningen gedaan. De regionale verkenningen leveren niet zozeer nieuwe woningbouwlocaties op, maar wel aandachtspunten wat betreft groen, OV, en andere bovenplanse investeringen. De regionale verkenningen versterken de ambtelijke samenwerking op dit schaalniveau, en voeden de agenda maar vragen in het vervolg wellicht ook bestuurlijke borging op het moment dat het leidt tot het opstarten van concrete projecten en daaruit voortkomende investeringen.

2.3 Vitale Buurten van de toekomst: Balans tussen groei en kwaliteit 2.3.1 Introductie In de verhaallijn Buurten van de toekomst gaat het over een doorontwikkelde vorm van stedelijke vernieuwing. Minder gericht op puur woningbouw en woningverbetering (hoewel woningen passend maken en passende woningen maken een speerpunt blijft) maar meer op verduurzaming en het versterken van stedelijkheid. Essentie is dat we na jaren van functiescheiding terug moeten naar meer functiemenging op buurtniveau. Daarbij speelt een groot aantal vragen: Hoe brengen we werk terug in de buurten of behouden

Diagram radialen en tangenten

10

Gemeente Amsterdam

nten nge Ta

Radialen

Voortgangsrapportage Ruimte voor de Stad 2024-2025

we dit in transformatiegebieden? Welke zorg- en onderwijsvoorzieningen zijn in de buurt beschikbaar of gewenst? Hoe vergroenen we buurten? Hoe landt de energietransitie? En de buurthubs die nodig zijn voor de mobiliteitstransitie? Wat betekent het om ook buiten de ring een 15 minutenstad te zijn? Wat heb je dan in de buurt en wat kun je ook lenen van de buurten in de nabijheid? Uit de balans bovenplans (hoofdstuk 4) zien we dat nog een groot aantal functies een plek zoeken in de stad die voor meer diversiteit kunnen zorgen op plekken waar dat gewenst is.

2.3.2 Wat is vitaliteit? De vitale buurten van de toekomst zijn plekken waar mensen graag wonen met ruimte voor sociale ontmoeting, werkgelegenheid en voorzieningen. Buurten die je voor je dagelijkse behoeften niet hoeft te verlaten en waar je bij wijze van spreken een leven lang kan blijven wonen. Daarmee zijn buurten met alléén een woonfunctie minder vitaal. Dat geldt niet alleen voor economisch kwetsbare maar ook voor economisch sterkere buurten. Niet elke buurt hoeft het complete pakket aan voorzieningen en soorten werkgelegenheid in huis te hebben. Voor bepaalde zaken op bezoek gaan bij de naastgelegen buurt, en dus diversiteit en onderscheidenheid tussen buurten, vergroot de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met bewoners op zoek gaan naar aanvullingen en het compleet maken van het palet aan voorzieningen in hun buurten is de opgave. Dat geldt ook voor soorten woningen: groot of juist klein, leeftijdsbestendig etc. 2.3.3 De rol van verdichting in vitale buurten De stelling van de ontwikkelstrategie is dat verdichten in bestaande buurten zowel goed kan zijn voor de vitaliteit van die buurt, als ook kan bijdragen aan de stedelijke woningbouwopgave.

Verdichting in bestaande buurten heeft een aantal voordelen ten opzichte van het transformeren van gebieden of nieuwe uitleg: • er zijn minder grootschalige OV investeringen nodig, • er zijn minder nieuwe maatschappelijke voorzieningen nodig maar er ontstaat wel ruimte om bestaande voorzieningen op te knappen, • koppelkansen kunnen worden benut door aan te sluiten bij de investeringsagenda’s van externe partners (bijvoorbeeld woningcorporaties), • en verdichting kan bijdragen aan de bredere sociaal-maatschappelijke opgave van een wijk. Daarmee is ruimte creëren voor méér bewoners (verdichten) een wenselijk en soms voorwaarde-

lijk middel, geen doel op zich. Verdichting binnen bestaande buurten kan op verschillende manieren. Vaak zijn kleinschaligere ingrepen als optoppen, onderkelderen of pandsgewijze herontwikkeling de meest passende optie, maar ook sloop-nieuwbouw is als het echt bijdraagt of technisch noodzakelijk is mogelijk. Daarbij staat kwaliteit en niet kwantiteit voorop. Dit zijn allemaal ingrepen die wel vragen om een andere omgang met, en begrip voor, overlastbeperking tijdens de bouw en welstand. Zowel door kaderstelling door gemeente als coulance van bewoners.

2.3.4 Conclusies verkenningen De eerste gebiedsgerichte verkenningen en principebesluiten die uitgevoerd zijn onder het programma Ruimte voor de Stad laten zien hoe verdichting kan bijdragen aan de vitaliteit en duurzaamheid van een buurt. In Hoptille bijvoorbeeld is de scope van de vernieuwingsagenda aangepast op de verduurzamingsagenda van de grootste corporatie, en in Buitenveldert kunnen bestaande sportvoorzieningen door intensivering de sportbehoefte van de verdichting opvangen. De verkenningen laten ook zien dat verdichting in de bestaande stad niet alleen in buurten mogelijk is maar dat ook de plekken en gebieden tússen verschillende buurten in vaak kansen bieden voor verdichting. Vaak gaat dit om stroken en zones langs gebiedsontsluitingswegen (die dan ook verkeerstechnisch getransformeerd zouden moeten worden). Verdichting op deze plekken biedt kansen voor het beter verbinden van verschillend wijken met elkaar. Verdichting en het autoluwer maken van de stad kunnen elkaar hier versterken. Kansen voor verdichting rond gebiedsontsluitingswegen zijn in verschillende verkenningen naar voren gekomen zoals bijvoorbeeld de Cornelis Douwesweg in Noord, de Foppingadreef in Zuidoost, en de Buitenveldertselaan en Europaboulevard in Buitenveldert.

Dit vraagt om investeringen in de infrastructuur die niet gekoppeld zijn aan het verbeteren van de bereikbaarheid maar aan het verbeteren van de leefbaarheid en het creëren van ruimte voor verdichting. Tegelijkertijd zien we uit de monitoring van de balans bovenplans (hoofdstuk 4) dat voor verdichting noodzakelijke mobiliteitsinvesteringen moeilijk van de grond komen en dus bovenplans worden. Dit zien we in alle windrichtingen terugkomen. We zien verder in veel verkenningen dat de ambitie om stevig te verdichten en bij te dragen aan het oplossen van het woningtekort dilemma’s oproept. Bijvoorbeeld over het behoud van cultuurhistorische waarden, sociale netwerken 11

Complete stad in het verleden: Een kleine geschiedenis van functiemenging In de middeleeuwen tot en met de 17e eeuw was functiemenging vanzelfsprekend. Werkplaatsen, winkels en woningen waren vaak in één gebouw gevestigd: een winkel of werkplaats op de begane grond, woningen erboven, en opslag op zolder. Grote industriële functies zoals de bierbrouwerijen aan de Brouwersgracht of de scheepswerven op Kattenburg zaten midden in de stad. Overlast van bedrijvigheid werd als onvermijdelijk geaccepteerd, hoewel overlast gevende functies soms werden verbannen naar armere delen van de stad. Deze organische menging ontstond uit praktische noodzaak en ruimtegebrek, zonder dat daar stedelijk beleid achter zat. Met de industriële revolutie veranderde dit patroon. De stad groeide snel, fabrieken veroorzaakten meer overlast en werden naar de stadsranden verplaatst. Tegelijkertijd ontstonden nieuwe arbeiderswijken zoals De Pijp, waar de sociale dynamiek ervoor zorgde dat er een algemene mix van functies ontstond. De invoering van de Woningwet in 1901 markeerde een omslagpunt: de overheid begon actief de

De Heineken brouwerij midden in de Pijp, z.d. (OnsAmsterdam.nl).

12

Gemeente Amsterdam

stad te plannen, met aandacht voor betere woonomstandigheden. Voorbeelden hiervan zijn de tuindorpen in Amsterdam-Noord en Plan Zuid van Berlage. In deze wijken werd een mix van functies gepland en ontstond zij niet meer organisch zoals eerder. Er werden plekken aangewezen voor wonen, werken en recreëren, maar die functies werden nog niet actief van elkaar gescheiden. Vanaf de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw kreeg het modernistische gedachtegoed steeds meer invloed op de stedenbouw in Nederland. Deze stroming, (o.a. Le Corbusier), ging uit van een rationele en ordelijke inrichting van de stad. De kern van deze visie was de scheiding van functies: wonen, werken, verkeer en recreatie kregen ieder een eigen, zorgvuldig afgebakende plek. Dit gedachtegoed was aan de ene kant een afrekening met de vieze en ongezonde industriestad van de 19e eeuw, en kwam anderzijds voort uit het geloof in vooruitgang en wetenschap: stedenbouw als rationeel wetenschappelijk proces. Voorbeelden in Amsterdam zijn de Westelijke Tuinsteden, Buitenveldert, en de Bijlmermeer. De auto in het algemeen, en autobereikbaarheid van de stad werd erg belangrijk gevonden. Naar mate het aantal auto’s in de stad toenam werden de verschillende verkeersstromen uit elkaar getrokken. In verschillende delen van de stad werd grote uitsluitend op de auto gerichte infrastructuur gepland of gebouwd.

Daardoor worden nu in grote delen van de stad wijken doorsneden door moeilijk oversteekbare wegen zonder veel functies in de straatwanden. Deze zorgen ook nu nog voor isolatie van bepaalde wijken en ‘s avonds onveiligere routes. Vanaf de jaren zeventig klonk de kritiek op het modernisme steeds luider. Bewoners protesteerden tegen de geplande sloop van historische wijken in de 19e -eeuwse gordel. In plaats van grootschalige nieuwbouw ontstond er een pleidooi voor kleinschalige stadsvernieuwing. Er

Voortgangsrapportage Ruimte voor de Stad 2024-2025

ontstond een hernieuwde waardering voor de kwaliteiten van de historische stad: kleinschaligheid, menging van functies en informele levendigheid (o.a. gebaseerd op de ideeën van Jane Jacobs). Ook milieueisen speelden een rol. Doordat industrie en bedrijvigheid in de loop der jaren schoner en veiliger werden, kwam het opnieuw binnen bereik om wonen en werken te combineren in één buurt. Vanaf de jaren negentig werd functiemenging expliciet beleid in Amsterdam, onder het concept van de ‘compacte stad’. Leegstaande industriële gebouwen kregen nieuwe functies, zoals het Westergasterrein en de NDSM-werf. Dit stimuleerde stedelijke vitaliteit, en bracht gentrificatie met zich mee: in populaire wijken kwam de betaalbaarheid onder druk te staan en verschenen andere functies. In de binnenstad is inmiddels een sterke terugkeer van kleinschalige bedrijvigheid te zien. Waar eerder grote banken en verzekeraars domineerden, vestigen zich nu creatieve en ambachtelijke ondernemers in historische panden. Denk aan grafisch ontwerpers, architecten, kleine tech-bedrijven en mensen die traditionele ambachten uitvoeren, maar ook werkplaatsen, koffiebranderijen, en stadsbrouwerijen, en initiatieven zoals co-working spaces. De stad is op sommige plekken (weer) een dynamische mix van functies waar kleinschalige bedrijvigheid floreert.

Cornelis Lelylaan met het viaduct over de Johan Huizingalaan met tram van lijn 17. Op de achtergrond de hoogbouw van het Sloterhof. (Stadsarchief Amsterdam)

13

en lokale identiteit. Het zou kunnen dat als de (bestuurlijke) nadruk meer op het laatste komt te liggen het aantal woningen dat in deze buurten kan worden toegevoegd beperkter is. Deze spanning tussen wat de buurt nodig heeft en aankan en de stedelijke (woningbouw)ambities komt overal naar voren. Hoe hiermee om te gaan vraagt politieke keuzes: laten we de streefaantallen te bouwen woningen los, gaan we op andere plekken (bijvoorbeeld toch transformatiegebieden) meer woningen bouwen, of stellen we toch duidelijke woningaantal ambities per buurt voor? Via in principenota’s benoemde uitgangspunten en/of onderzoeksvragen worden deze afwegingen per project aan het bestuur voorgelegd. Ook werpt deze spanning de vraag op hoe we de gewenste kwalitatieve verbeteringen gaan financieren, aangezien het bouwen van met name woningen (grondproductie) normaliter de manier is gewenste voorzieningen te bekostigen. (In project-grexen bekostigen we groen en de verbetering van de openbare ruimte vanuit erfpachtopbrengsten van woningen en andere gebouwen of door middel van anterieure overeenkomsten met ontwikkelaars). Dit vraagstuk heeft brede aandacht in vele steden en staat ook op de agenda van Ruimte voor de Stad.

Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat bij het bouwen van grote aantallen woningen het juist weer lastiger is om alle benodigde voorzieningen ruimtelijk in te passen (denk aan sportvelden). Met Balans bovenplans is hiervoor een monitoringsinstrument ingericht (zie hoofdstuk 4). Daaruit blijkt dat het vinden van ruimte voor met name georganiseerde buitensport lastig blijft. Doordat het vinden van ruimte voor sport een knelpunt is in huidige gbiedsontwikkelingsprojecten wordt de druk op toekomstige projecten groter.

Uit afgeronde en lopende verkenningen komt ook een grote verscheidenheid aan thema’s en behoeften naar voren. Soms is er behoefte aan een kader biedend lokaal raamwerk (De Kleine Wereld in Noord), soms aan een op samenhang in uitvoering gericht principebesluit (Calandlaan), een aanjager, en soms aan een mix van producten. Dit zorgt er echter ook voor dat het planproces voor verdichting in bestaande buurten minder voorspelbaar (d.w.z. alleen de stappen van het plaberum volgend) verloopt: vaak zijn tussenstappen nodig of zijn andere processen beter geschikt de opgaven op te pakken. Een minder voorspelbaar planproces is ook iets wat bij grote transformatieprojecten steeds vaker voorkomt. Verwachting is dat het aangepaste plaberum, dat binnenkort aan het college wordt voorgelegd, ook voor deze minder klassieke projecten procesgang en besluitvorming adequaat kunnen faciliteren. Bij verdichting in bestaande buurten spelen een aantal thema’s die in meerdere buurten terugkomen. De thematische verkenningen richten zich op deze stadsbrede vraagstukken, zoals de rol van pleinen in buurten, stadsranden, en de gezinsvriendelijke stad. De resultaten van deze verkenningen vragen soms om scherpe keuzes.

De verkenning gezinsvriendelijke stad laat bijvoorbeeld zien dat het vinden van passende en betaalbare huisvesting binnen Amsterdam voor gezinnen zó lastig is dat dit waarschijnlijk een van de grootste drivers is van gezinnen om uit de stad te vertrekken. Daar echt wat aan doen kan zeer ingrijpend zijn. De uitkomsten van deze verkenning worden gebundeld in een Essay gezinsvriendelijke stad met daarbij een handrijking voor projecten en beleidsaanbevelingen en begin 2026 aan het college aangeboden. Maar ook keuzes over

Boven links: Schematische weergave van hoe verdichting kan zorgen voor meer doorstroming en verbetering van woonkwaliteit in de bestaande woningvoorraad. Boven rechts: Schematische weergave van het principe waarbij verdichting leidt tot meer draagvlak voor winkels en maatschappelijke voorzieningen.

14

Gemeente Amsterdam

Voortgangsrapportage Ruimte voor de Stad 2024-2025

wat we wel en niet willen in de stadsranden kunnen bepalend zijn voor wat er in de stad zelf moet worden opgelost. Ook de verkenning stadsranden wordt in 2026 afgerond.

Samen stadmaken Samen stadmaken speelt in bestaande buurten een grote rol. Dit is ook logisch gezien de grote betrokkenheid van bewoners bij hun eigen woonomgeving. In Hoptille bijvoorbeeld heeft de verkenning aanleiding gegeven tot een herstart van het proces waarbij stedelijke en lokale ambities bij elkaar komen. In de verkenning Buitenveldert is eerst het narratief van de bestaande wijk in beeld gebracht voordat er over verdichting werd gesproken. 2.3.5 Dichterbij de buren De focus op buurten rondom de nieuwe kernen zorgt ervoor dat we meer te maken hebben met onze buurgemeenten, dit soort buurten liggen immers vaak dicht bij de gemeentegrens. Afstemming met buurgemeenten is niet alleen het onderwerp geweest van de regionale verkenningen, maar ook een aandachtspunt in de gebiedsgerichte verkenningen. Zo is in Buitenveldert bijvoorbeeld de locatie van een nieuwe langzaamverkeerverbinding afgestemd met Amstelveen.

2.4 De stad blijft werken en gezellig: Vitale systemen en duurzame groei 2.4.1 Lelijke en overlast gevende functies de stad uit? Er zijn veel systemen die een stad nodig heeft om te kunnen functioneren: elektriciteit, schoon drinkwater, en stadslogistiek bijvoorbeeld. Dit soort functies zijn niet mooi en geven vaak overlast. Jarenlang hebben we daarom dit soort functies de stad uit geduwd: Rioolwaterzuivering en afval verbranding naar het westelijkhavengebied; logistiek en stadsverzorgende bedrijven naar steeds verder weg gelegen bedrijventerreinen; energieopwekking naar de Diemerscheg. Dit gebeurt nog steeds. Woonbuurten vinden het over het algemeen niet prettig om minder mooie en overlast gevende functies in hun buurt te hebben. Daarom worden dit soort functies vaak ook buiten de gebiedsontwikkeling gehouden, hoewel er ook plekken zijn waar inpassing wel lukt. Eerdere thematische verkenningen hebben laten zien dat de druk op vitale systemen toeneemt naarmate de stad groeit. Om de logistiek goed te regelen heb je niet alleen een grote loods in de Flevopolder nodig maar ook overslag voor de last-mile aan de rand van de stad. Energieopwekking gebeurt allang niet meer alleen op een paar centrale plekken maar ook gewoon in de buurt op daken, in plassen, bij datacenters en door windmolens. Met het oog op circulaire economie gebeurt dit ook met afvalstromen (lokaal hergebruik).

Allerlei netwerken worden fijnmaziger en decentraler. Het functioneren van de stad krijgt dus naast de grootschalige functies aan de rand van de stad óók een decentraler karakter. Dit vraagt

Boven: Schematische weergave van de ruimte voor vitale functies in de stad. In iedere windrichting is, vaak gecombineerd met bedrijvigheid of andere functies, ruimte voor zaken als logistiek en nutsvoorzieningen. Deze terreinen vormen schakels tussen nationale, regionale en lokale netwerken.

15

Een historisch perspectief op de vitale systemen van Amsterdam

Tot aan ver in de 19e eeuw was er in Amsterdam geen centrale waterzuivering, afvalverwerking of riolering. Huishoudelijk afval en menselijke uitwerpselen werden vaak direct in de grachten geloosd, wat leidde tot ernstige vervuiling en gezondheidsproblemen. Na de cholera-epidemie van 1837 introduceerde Samuel Sarphati een systeem waarbij afval en ontlasting werd ingezameld en hergebruikt als mest, een vroege vorm van recycling. In de tweede helft van de 19de eeuw vonden enkele technische en wetenschappelijke ontwikkelingen plaats die van grote invloed waren op de volksgezondheid. In 1853 kwam Jacob van Lennep met een baanbrekend idee: drinkwater uit de duinen bij Zandvoort naar Amsterdam transporteren. Dit leidde tot de oprichting van de Amsterdamsche Duinwater Maatschappij en de aanleg van de eerste waterleiding. Parallel hieraan werd in 1871 de eerste vorm van riolering aangelegd, aanvankelijk alleen in een deel van het centrum. In 1902 werd de zogenaamde ‘smeerpijp’ aangelegd die afvalwater en ontlasting naar de Zuiderzee leidde. Dit systeem, dat gebruik maakte van zwaartekracht om het afval af te voeren, beteken-

Bewoners in Jordaan brachten hun ontlasting in emmers naar de ophaalwagen. (De digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren, z.d.)

16

Gemeente Amsterdam

de een meer grootschalige en gecentraliseerde aanpak van afvalwaterbeheer. Tussen 1924 en 1939 werden daarom vier rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) gebouwd, verspreid over de stad. Deze RWZI’s zuiverde het vervuilde water en loosde het gezuiverde water vervolgens in sloten en vaarten in West, Zuid en de Watergraafsmeer. De ontwikkeling van de RWZI’s in verschillende delen van de stad paste in het bredere patroon van de welvaartsstaat, waarin grootschalige publieke infrastructuur werd ontwikkeld om de volksgezondheid en het welzijn te verbeteren. Voor de komst van steenkoolgas was Amsterdam afhankelijk van kaarsen, olielampen en houtverbranding voor verlichting en warmte. In 1883 werd de eerste gasfabriek van Amsterdam, de Westergasfabriek, gebouwd onder leiding van de Imperial Continental Gas Association, een Brits bedrijf. Ongeveer 15 jaar later werd de gasfabriek overgenomen door de gemeente, waardoor Amsterdam zelf geld kon verdienen door de verkoop van gas. In het oosten van de stad stond de Oostergastfabriek. Beide gasfabrieken had een strategische locatie aan de rand van de stad, zodat steenkool eenvoudig via waterwegen en spoor kon worden aangevoerd. Deze gasfabrieken leverden aanvankelijk gas voor straatverlichting, maar later ook voor huishoudens en bedrijven.

De gasinfrastructuur groeide met de Zuidergasfabriek (1906) en Noordergasfabriek (1913), maar deze fabrieken sloten al snel weer de deuren. Vanwege de Eerste Wereldoorlog ontstonden er namelijk tekorten aan steenkool. Dit versnelde de overstap naar elektriciteit, zodat de afhankelijkheid van steenkool voor energie minder werd. Al in 1892 bouwde de firma Electra de eerste grote elektriciteitscentrale van Amsterdam op de Haarlemmerweg. In 1903 opende de gemeente haar eerste elektriciteitscentrale op de Hoogte Kadijk en in 1918 aan de papaverweg. Op beide plekken staan nu elektriciteitsstations voor de verdeling van stroom. In 1941 werden de gemeente-

Voortgangsrapportage Ruimte voor de Stad 2024-2025

Het terrein van de Westergasfabriek van de Imperial Continental Gas-Association kort na de voltooiing in 1885 (Stadsarchief Amsterdam)

lijke gasfabrieken en elektriciteitswerken samengevoegd. De vondst van aardgas in Groningen in 1959 en de overstap naar elektriciteit leidden ertoe dat de Amsterdamse gasfabrieken uiteindelijk hun deuren sloten. De Westergasfabriek stopten met productie in 1967, waarna het terrein werd gezuiverd van vervuilde grond. De sluiting van de Amsterdamse gasfabrieken betekende echter niet dat de stad vanaf toen volledig gasvrij was. Elektriciteit werd weliswaar steeds dominanter, maar nu nog steeds wordt gas gebruikt voor een groot deel van de stad. Al lange tijd is er dus sprake van een transitiefase waarin er zowel gebruik wordt gemaakt van gas als elektriciteit. Het doel is om in 2040 volledig van het gas af te zijn. Na de oorlog werd er begonnen aan de bouw van een grootschalige energiecentrale in het Westelijk Havengebied. Deze centrale is meerdere keren verder opgeschaald en was tot 2019 in gebruik. Om niet meer afhankelijk te zijn van fossiele brandstoffen zal de energiecentrale plaats maken voor een energie hub deze hub gaat hernieuwbare elektriciteit, waterstof en warmte produceren. Op het terrein komen ook opslagmogelijkheden voor windenergie en warmte. Vanaf eind jaren 90 werden de nutsbedrijven geprivatiseerd. In 2006 werd Waternet opgericht om de volledige waterkringloop te beheren, van drinkwater tot rioolzuivering.

Op energiegebied leidde de liberalisering van de markt in 1994, met de opening van de energiecentrale door Vattenfall, tot een transitie van publieke naar private aanbieders. Dit bracht concurrentie en prijsfluctuaties met zich mee, maar ook onzekerheid over investeringen in duurzame energie. Dit past binnen de bredere landelijke

trend van waarin marktwerking een grotere rol kreeg in infrastructuurontwikkeling en nutsvoorzieningen niet langer exclusief publiek waren. Amsterdam richt zich inmiddels meer op lokale en duurzame energieoplossingen. Warmtenetten benutten restwarmte van industrieën, en zonneen windenergieprojecten zijn opgezet in IJburg en Westpoort. Dit sluit aan bij de bredere transitie naar een circulaire en klimaatbestendige stad, waarbij de focus weer verschuift naar een lokaal en flexibel netwerk van energie- en waterbeheer. De stad beweegt zich dus van een decentrale (lokale) energievoorziening in de 19e eeuw, naar grootschalige gecentraliseerde infrastructuur in de 20e eeuw, en nu weer terug naar een meer gedecentraliseerd en duurzaam model. Op dit moment staan diverse vitale systemen onder en druk door de groei van de stad. Netcongestie is hiervan het meeste bekende voorbeeld maar ook op het gebied van drinkwaterbeschikbaarheid, waterveiligheid, waterkwaliteit, data, afval en mobiliteit zijn er grote opgaven. Deze vitale systemen zijn afhankelijk van elkaar en staan voor veel dezelfde opgaven: bijvoorbeeld het gebrek aan ruimte (zowel boven- al ondergronds). Voor alle systemen zijn de komende decennia forse investeringen nodig vanuit verschillende partijen om alle opgaven het hoofd te kunnen bieden.

Deze vitale systemen kunnen niet los van elkaar beschouwd worden omdat de onderlinge afhankelijkheden en beïnvloeding hiervoor te groot is. Een keuze in het ene systeem werkt door in de andere systemen.

17

om keuzes en investeringen in duurzame infrastructuur en om een meer zichtbare aanwezigheid van deze voorzieningen (bijvoorbeeld middenspanningsruimtes, antennes of warmteoverdrachtstations) in het stadsbeeld. De gemeente is bovendien vaak geen eigenaar van deze vitale systemen, dit vraagt om goede afstemming en samenwerking met ketenpartners die wel eigenaar zijn van deze systemen. De systemen functioneren op een groter gebied en grotere schaal dan die van de gemeente. Dat betekent dat we niet alles meer ‘over de schutting kunnen gooien’ maar er ook in wijken en op centrale plekken in de stad ruimte voor moeten maken. Goede ruimtelijke ordening, goede inpassing en vormgeving kan helpen acceptatie te vergroten en realisatie te vergemakkelijken. De gemeente werkt samen met de ketenpartners aan het verbeteren en vergroten van de samenwerking op deze vitale systemen (‘Aanpak Vitale Systemen’). Ruimte voor maken en werken Een stad die blijft functioneren gaat ook over het beschikbaar maken en houden van ruimte voor ondernemerschap en bedrijvigheid. De verkenning Ruimte voor Bedrijvigheid heeft hiervoor aanbevelingen opgeleverd.

Rigoureus groen Een ander essentieel systeem is dat van de ecologie en het stedelijk groen. De omgevingsvisie en de ontwikkelstrategie zetten in op ‘rigoureus vergroenen’ omdat groen veel voordelen biedt voor de stad en haar inwoners. De referentienorm maatschappelijke voorzieningen geeft een indicatie aan projecten over hoeveel groen er nodig is. Maar met de druk van de stedelijke woningbouwopgave wordt dit soms een sluitstuk van de ontwikkeling. Een alternatief voor kleiner groen in projecten is groter groen buiten buurten of tussen buurten in. De verkenning Buitenveldert laat zien dat dit soort groter groen ook door bewoners zeer gewaardeerd wordt. De verkenning oostertocht/westertocht laat zien dat het mogelijk is om op zo’n plek tussen buurten in die nu nog door infrastructuur gedomineerd wordt een aantrekkelijk grootschalige groene ruimte te maken waar omliggende buurten van kunnen profiteren. Ook de verkenning Tuinen van West heeft een groot groen gebied verkend. Hier was de opgave meer te kijken hoe we kunnen voorkomen dat een in potentie waardevol groen gebied ‘dicht rommelt’ met functies die we elders niet willen plaatsen, en hoe hier kan worden geïnvesteerd in noodzakelijke stadsbrede voorzieningen.

2.5 De uitdagingen van elektrische mobiliteit Ook bereikbaarheid en verbinden (met meer aandacht voor veiligheid, comfort en beleving) is een essentieel vitaal systeem. De elektrificatie en individualisering van vervoer (Biro’s en Fatbikes, en E-bikes) leveren voor sommigen overlast op, maar geven gebruikers een grotere bewegingsvrijheid en actieradius (en dus vergroting van kansen). Daar moeten we de stad en openbare ruimte op (her)inrichten. Infrastructuur die gericht is op bereikbaarheid scheidt nog te vaak aanliggende buurten van elkaar. Deze zo vormgeven, maken en programmeren dat ze ook verbindt is een essentiële opgave en opgenomen in het mogelijk werkprogramma 2026, een samenwerking met V&OR ligt hier voor de hand. De overlast van continue werkzaamheden De energietransitie zal er de komende decennia voor zorgen dat de bestaande stad continue aan het veranderen is, en dus in verbouwing is. Beperken van overlast, bereikbaarheid borgen, en openbare ruimte aantrekkelijk houden tijdens deze verbouwing moet echt veel beter dan we nu gewend zijn. Om draagvlak te houden en/of te creëren maar ook omdat het beter kán. Ook dit is opgenomen als verkenning in het mogelijk werkprogramma 2026. 18

Gemeente Amsterdam

Conclusies en vervolgstappen

De ontwikkelstrategie markeert het begin van een transitie van een meer woningproductie gerichte naar een meer integrale aanpak. De focus is verschoven van vooral woningbouw naar het vooral creëren van een complete stad. We zitten nog aan het begin van het programma. Via de resultaten van de verkenningen hebben we nu een beeld van wat een complete stad is of kan zijn, en hebben we een beeld van hoeveel woningen we kunnen toevoegen als we op die manier werken. Tot en met 2031 zitten er genoeg woningen in de planvoorraad om aan de huidige woningbouwambitie van 7500 woningen per jaar te voldoen (zie de tabel op de volgende pagina). Binnen het programma Ruimte voor de Stad hebben we met het oog op de periode daarna en op basis van de inzet uit de Ontwikkelstrategie 2035, de mogelijkheden voor aanvulling van de planvoorraad verder verkend in gebiedsgerichte verkenningen en principenota’s. Deze eerste verkenningen leveren, in bandbreedtes, een eerste grof inzicht in de mogelijkheden voor woningbouw op deze locaties. Op de binnen Ruimte voor de Stad onderzochte locaties (zie projectenoverzicht) lijken mogelijkheden te liggen voor de toevoeging van 6000 tot 12000 woningen aan de planvoorraad. Die

Voortgangsrapportage Ruimte voor de Stad 2024-2025

verkende woningen kunnen vanaf 2030 tot start bouw leiden. In de komende periode kan door middel van Principebsluiten een deel van deze locaties ook daadwerkelijk aan de planvoorraad worden toegevoegd. Het tempo en de omvang waarin dat gebeurt zal mede afhangen van de woningbouwambities van het volgende college. We hebben hiermee de basis op orde om keuzes te kunnen gaan maken wat we waar gaan doen. De eerste resultaten van de verkenningen maken dat de vraag “Hoe financieren we kwaliteitsverbeteringen in buurten zonder grootschalige woningbouw?” steeds belangrijker wordt. Nieuwe financieringsmodellen en samenwerkingsvormen zijn mogelijk nodig om de ambities te realiseren. Een mogelijk samenwerkingsmodel is tussen de gemeente en nutspartijen. Er moet de komende jaren fors geïnvesteerd worden in verschillende vitale systemen, hier liggen wellicht koppelkansen met ingrepen die in de openbare ruimte gedaan moeten worden. Ook vraagt het wellicht om meer flexibiliteit van de gemeente. Steeds vaker zullen projecten niet netjes passen in de plaberum systematiek, ondanks de herziening van plaberum en een flexibele omgang. In de praktijk zien we drie handelingsperspectieven:

1. Actief, de gemeente start zelf projecten (plaberum); 2. Passief: de gemeente biedt kaders (bijvoorbeeld gebiedsgerichte omgevingsprogramma’s, raamwerken); met daarbinnen mogelijke toekomstige projecten met gemeentelijke betrokkenheid; 3. Geen van beide, de opties zijn verkend maar we doen even niets of koppelen de resultaten aan lopende projecten. Dit is anders dan de eerdere werkwijze die zich vooral richtte op het actief starten van projecten (nummer 1). Met deze inzichten hebben we een stevige basis gelegd om de ambities van de Ontwikkelstrategie 2035 waar te maken. De stad van de toekomst is een stad met vele harten, waar vitale systemen op orde zijn en buurten zich ontwikkelen tot plekken waar de leefkwaliteit hoog is.

In aanbouw genomen Investeringsbesluit genomen Principenbesluit genomen

Woningbouwplannen in verschillende fases van planvorming 2024-2040. De verkenningen en nog niet vastgestelde principenota’s zijn hier niet in opgenomen. Bron: https://maps.amsterdam.nl/woningbouwplannen/

19

3 Voortgang per product

Binnen het programmaplan Ruimte voor de Stad zijn drie productcategorieën gedefinieerd. In dit deel van de voortgangsrapportage wordt aan de hand van deze productcategorieën gerapporteerd over de voortgang van de binnen het programma uitgevoerde werkzaamheden. We geven daarbij aan welke werkzaamheden zijn afgerond en opgestart. Een kwalitatieve duiding van de voortgang wordt gegeven in hoofdstuk 1. NB: Dit is de stand van zaken per eind november 2025.

3.1

We verkennen thema’s en gebieden vooral om scherp te krijgen wat mogelijke vervolgstappen voor daadwerkelijke projecten en/of beleid zou moeten zijn. Daarom hebben producten vaak een ambtelijke status. Het betreft hier dus geen vastgesteld beleid of gemeentelijke plannen. Mede daarom wordt er hier ook voor gekozen om alleen op hoofdlijnen te rapporteren op de opgedane inzichten. Als er ruimtelijke besluiten (bijvoorbeeld principebesluiten) of beleid uit de verkenningen voorkomen komt dat (tkn) bij de raad langs.

Regionale verkenningen

In de Ontwikkelstrategie is geconstateerd dat met de focus op meerkernige ontwikkeling van de stad en de bijbehorende projectvoorstellen de gebiedsontwikkelingsprojecten van de stad steeds dichter tegen de gemeentegrens komen te liggen. Daarmee nemen de afhankelijkheden en potentiële synergie met ontwikkelingen in onze buurgemeenten toe. Daarom zijn een drie regionale verkenningen gestart om de inhoudelijke samenwerking binnen de agglomeratie verder te versterken. Verkenning Zaan-IJ Hier speelt de ontwikkeling van Haven-Stad en de Achtersluispolder inclusief mogelijk op te starten planvorming voor de Shipdocklocatie, maar ook de versterking van de sociaalmaatschappelijke positie van bewoners in bestaande wijken zoals Tuindorp Oostzaan, Molenwijk en Poelenburg. Van cruciaal belang hiervoor is het gezamenlijk werken aan de bereikbaarheid, met als speerpunten de Zaan-IJ-verbinding, de Westbrug over het IJ en de Dam-tot-Dam fietsroute. Als gevolg van de transformatie van bedrijventerreinen kijken we in dit gebied ook naar herhuisvesting en een intensiever gebruik van die bedrijventerreinen. De keuze om voor de periode van deze ontwikkelstrategie af te zien van transformatie van delen van het Cornelis Douwesgebied, is hierin een belangrijk element.

De recente fasering van ontwikkeling van de Achtersluispolder, biedt mogelijkheden voor bedrijven om in dit deel van de regio actief te blijven. Status: Ambtelijk. Bij bestuurlijke besluiten die hieruit volgen wordt de raad geïnformeerd. Planning: Lopend. Afronding Q1 2026

20

Gemeente Amsterdam

Voortgangsrapportage Ruimte voor de Stad 2024-2025

Projectenkaart Ontwikkelstrategie 2035met daarop de regionale verkenningen

Verkenning Amstelveenlob De Amstelveenlob is het gebied grofweg gelegen tussen A10-Zuid en de A9, van Amsterdam Zuid/Buitenveldert tot en met het noordelijke deel van Amstelveen. Met de ontwikkeling van station Zuid en omgeving tot internationale knoop ontstaat er een nieuwe dynamiek in het zuidelijke deel van de agglomeratie Amsterdam. Met het toevoegen van woningen, werkruimte, horeca en sociaal-culturele voorzieningen, onderzocht in het Gebiedsgerichte Omgevingsprogramma Buitenveldert, krijgt het gebied een extra impuls. Tegelijk verkent Amstelveen de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling in het noordelijke deel van de gemeente, bijvoorbeeld in Kronenburg/Uilenstede, maar ook langs de Beneluxbaan bij de haltes van de Amsteltram en nabij de wijkwinkelcentra. Deze ontwikkelingen hebben wederzijdse gemeentegrens overstijgende impact op de ontwikkeling van dit deel het stedelijk gebied, en in de relatie met het omliggende landschap. Samenwerking op deelopgaven en afstemming over ontwikkelingen is van toegevoegde waarde. Er liggen kansen om krachten te bundelen, bijvoorbeeld ten aanzien van verdichting, voorzieningen, klimaatadaptatie en het verbeteren van lokale verbindingen in het gebied. Status: Ambtelijk. Oktober: Samenwerkingsagenda Amstelveenlob vastgesteld Planning: Lopend.

Afronding Q1 2026 Verkenning Amsterdam-Diemen-Duivendrecht-Almere In deze regionale verkenning is Amsterdam in gesprek gegaan met de buurgemeenten Ouder-Amstel en Diemen over de kansen en uitdagingen die de ontwikkelingen in deze drie gemeenten met zich meebrengen. Het gebied waarover we het hebben is het gebied rond de reservering van de IJmeerverbinding maar juist het tussengebied is verkend, tussen en rondom de stations Duivendrecht, Venserpolder en Diemen-Zuid. De gesprekken hebben een inventarisatie van projecten en ambities en een aantal mogelijke gezamenlijke opgaven opgebracht. Status: Ambtelijk Planning: Lopend. Afronding Q1 2026

21

3.2

Gebiedsgerichte verkenningen

Een gebiedsgerichte verkenning is een integrale ruimtelijke en programmatische verkenning naar een specifiek ruimtelijk afgebakend gebied. In de verkenning wordt ontwerpend onderzocht wat er mogelijk is in een gebied wanneer we verschillende ruimtelijke opgaven tegelijk proberen op te lossen in één gebied. Welke methodes en technieken worden toegepast kan per gebied en opgave verschillen maar doorgaans worden verschillende varianten en scenario’s onderzocht. Mede op basis van een stakeholderanalyse worden vervolgstappen gedefinieerd. Buitenveldert Aan drie externe bureaus is gevraagd om, vooruitlopend op het opstellen van een GOP Buitenveldert, de mogelijkheden en randvoorwaarden voor ontwikkeling van het gebied in drie ruimtelijke modellen inzichtelijk te maken. Status: Ambtelijk. Planning: Afgerond Q2 2025 Garages Gouden Leeuw / Groenhoven Onderzocht wordt welke mogelijkheid transformatie van de locaties van deze verouderde garages in het oosten van de Bijlmermeer voor kansen kunnen bieden. In de Verkenning is onderzocht wat de benodigde parkeercapaciteit voor de garages is, wat de cultuurhistorische waarden zijn in het gebied en wat voor kansen dit biedt voor de aanpak van de parkeergarages welke nodig is in verband met de verouderde technische staat van de Garages.

Status: Ambtelijk Planning: Afgerond Q3 2025 Omgeving Amstelstation In deze verkenning is het krachtenveld in de verschillende buurten rondom Stationskwartier Amstel (buiten de al afgeronde ontwikkelingen dichtbij het station zelf) in beeld gebracht. Hieruit is geconcludeerd dat het wenselijk is om de mogelijkheden voor verdere ontwikkeling van het Stationskwartier aan de oostzijde van het station verder te verkennen en de haalbaarheid van principebesluiten in samenwerking met eigenaren in het gebied te onderzoeken. Status: Ambtelijk Planning: Afronding Q2 2026 Hoptille Hoptille ligt in de H-buurt, dicht bij Arenapoort en treinstation Bijlmer Arena. De ca. 300 woningen van Ymere zijn constructief en bouwfysisch in een slechte staat en daarom wil de woningcorporatie haar bezit in deze buurt graag vernieuwen en kijkt daarbij ook naar sloop-nieuwbouw. Onderzocht is wat een breder perspectief op deze ontwikkeling, zoals geschetst in de ontwikkelstrategie 2035 ‘Bouwen aan Buurten van de Toekomst’, kan betekenen voor Hoptille. Op basis van de resultaten van de Verkenning wordt opnieuw gekeken naar de scope van het project waarbij het doel is om de stedelijke ambities en lokale ambities dichter bij elkaar te brengen. Daarbij wordt ook gekeken naar toevoeging van nieuwe woningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16529812/1