CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1a_RRP 2025-2028 - Verdieping versie 6.0.pdf

RAAD 2 april 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Geen zienswijze indienen ten aanzien van Regionaal Risicoprofiel 2025-2028, Beleidsplan 2025-2028 en Dekkingsplan 2025-2028 van Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland (VN2025-003309)44.326 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

Aan de andere kant vormt perceptie van plaagvorming bij mensen, zoals de schrik die men heeft van een rat, een

21

Regionaal Risicoprofiel 2025-2028

factor die ervoor kan zorgen dat er een grote gemeenschappelijk gevoel van ongerustheid ontstaat en er actie van overheden verlangd wordt. Conclusie Het crisistype plagen vormt vanwege de kans binnen de kaders van het risicoprofiel voor VrAA geen direct risico waaraan nadrukkelijk aandacht aan moet worden besteed. Het incidenttype wordt dan ook niet meegenomen in de risicoanalyse.

3.2.6

Dierziekten

Het crisistype dierziekten heeft één incidenttype: • Ziektegolf De afgelopen jaren hebben zich in Nederland een aantal uitbraken van dierziekten voorgedaan. Dit waren onder andere blauwtong, vogelgriep en Q-koorts. De laatste jaren is nationaal en internationaal de aandacht voor dierziekten toegenomen. De genoemde dierziekten verspreiden zich over heel Nederland en concentreren zich met name in gebieden met een hoge frequentie veehouderijen. De impact van een dierziekte neemt toe als sprake is van een zoönose, een dierziekte overdraagbaar op mensen. Gekozen is om zoönose verder uit te werken onder het crisistype bedreiging volksgezondheid. Echter, ook dierziekten die alleen overdraagbaar zijn op dieren, kunnen grote (economische en maatschappelijke) impact hebben. Denk aan veehouderijen die ontruimd moeten worden. VrAA heeft een relatief laag aantal veehouderijen in verhouding tot andere veiligheidsregio’s. Waarschijnlijkheid en impact van dit incidenttype is beperkt. Toekomstige ontwikkelingen, zoals genetische ontwikkelingen, klimaatverandering en globalisering kunnen tot effect hebben dat de waarschijnlijkheid op dierziekten toeneemt. Op korte termijn is dierziekten geen risico waar VrAA extra op anticipeert. Conclusie Omdat in de regio een relatief laag aantal veehouderijen is, wordt het incidenttype dierziekten niet meegenomen in de risicoanalyse.

3.3 Gebouwde omgeving 3.3.1

Branden in kwetsbare objecten

Het crisistype branden in kwetsbare objecten is uitgesplitst in zes incidenttypen: • Grote brand in gebouwen met niet of verminderd zelfredzame personen • Grote brand in gebouwen met een grootschalige publieksfunctie • Grote brand in bijzonder hoge gebouwen • Grote brand in ondergrondse bebouwingen • Brand in dichte binnensteden • Grote brand in een object met gevolgen voor cultureel erfgoed (VrAA) Aangezien het incidenttype grote brand in bijzonder hoge gebouwen of ondergrondse bebouwingen twee incidenttype beschrijft die qua soorten effecten en qua ontwikkeling in de tijd onderscheidend van elkaar zijn, zijn deze incidenten uitgesplitst. Branden in gebouwen met niet of verminderd zelfredzame personen, zoals verzorgingstehuizen, ziekenhuizen en gevangenissen zijn waarschijnlijk. Voor sommige objecten zijn extra preventieve voorzieningen vereist, opgelegd vanuit het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit en moet er een goede interne (BHV-)organisatie aanwezig zijn. Tevens blijven ouderen steeds langer thuis wonen, vaak in gebouwen die vroeger als zorginstellingen ingericht waren. Onder de huidige wetgeving zijn daarom aanvullende maatregelen niet meer

22

Regionaal Risicoprofiel 2025-2028

nodig, waardoor belangrijke voorzieningen voor de brandveiligheid ontbreken. Branden kunnen daardoor sneller escaleren en hulpverlening komt later op gang. Dit kan leiden tot een hoge impact van brand. Een inventarisatie van de verschillende gemeenten in de regio laat zien dat op sommige plekken gasten verblijven in gebouwen die daarvoor niet geschikt zijn, bijvoorbeeld toeristen in oneigenlijke hotelfuncties (AirBnb) en vluchtelingen in leegstaande kantoorgebouwen of opvangboten. Dit kan leiden tot een grotere impact van brand in dergelijke situaties. In VrAA staat een groot aantal gebouwen met een grootschalige bezoekers/medewerkers aantal, zoals de Bloemenveiling (Aalsmeer), diverse winkelcentra (Amsterdam en Amstelveen), Beurs van Berlage, Concertgebouw, RAI, Ziggo Dome, Johan Cruijff ArenA, Universiteit van Amsterdam, Vrije Universiteit, World Trade Center en IKEA (Amsterdam). Door de bestaande regelgeving en interne (BHV-/ brandweer)organisatie is een grote brand minder waarschijnlijk. De impact kan wel groot zijn bij een grote brand. Bij het samenkomen van grote groepen mensen zijn het vooral de snelheid en de juistheid van de reactie van de aanwezigen die de zelfredzaamheid bepalen. Op het samenkomen wordt door onder andere de brandweer en gemeente via vergunningverlening dan ook op toegezien.

VrAA kent veel hoge (> 70 meter) gebouwen voornamelijk geconcentreerd op de Zuidas, bij het Amstelstation, Sloterdijk en langs het IJ. Bijvoorbeeld de Rembrandtoren (135 m), het kantoor van ABN-AMRO (105 m) en de Mondriaantoren (123 m). In de nabije toekomst zal er in Amsterdam nog een aantal bijzonder hoge gebouwen bijkomen, door stadsverdichting en gebiedsontwikkeling in de Sluisbuurt nabij IJburg, de Arenapoort en De nieuwe Kern. De regio kent ook veel ondergrondse bebouwing, zoals het ondergrondse metronetwerk, ondergrondse stations, tunnels (deze risico’s worden apart uitgewerkt in incidenten in tunnels) en steeds meer (automatische) parkeergarages. Doordat het bestrijden van branden in hoge gebouwen en ondergrondse bebouwing zeer complex is, kan de impact van een dergelijk incident groot zijn. De toenemende toepassing van hout en andere biobased materialen voor gevels en constructies kunnen leiden tot snellere branduitbreiding en meer benodigd bluswater. Tevens is geen specifieke regelgeving ontwikkeld voor hoge en ondergrondse gebouwen. In het Bouwbesluit worden slechts generieke eisen gesteld en geen specifieke eisen voor deze bebouwing. Daarnaast wordt in toenemende mate multifunctioneel gebouwd, waarbij hoogte, diepte en kwetsbare functies worden gecombineerd. Het NHOW RAI hotel in Amsterdam-Zuid of het gebied van het Rokin is hier een goed voorbeeld van.

In Amsterdam-Amstelland zijn veel objecten te vinden die behoren tot cultureel erfgoed. Zo staat de grachtengordel op de werelderfgoedlijst van UNESCO. Daarnaast kent de regio veel grote en kleine musea met belangrijke culturele topstukken. De impact van een brand waarbij kunst en culturele uitingen verloren gaat is groot, zeker als het gaat om internationale en nationale topstukken. De stukken zijn immers onvervangbaar. Om die reden wordt bij de grote musea aandacht besteed aan brandveiligheid en is men verenigd in een netwerk brandveiligheid cultureel erfgoed. Van de zes incidenttypen is binnen VrAA brand in dichte binnensteden het meest waarschijnlijk. De dichte bebouwing van de grachtengordel is kenmerkend voor Amsterdam. Brandweer Amsterdam-Amstelland is echter goed voorbereid op dit incidenttype. Bij branden in de binnenstad van Amsterdam komt de brandweer sneller ter plaatse en er is een grote slagkracht snel voor handen. Hierdoor is de impact van dergelijke branden relatief klein. Conclusie Gezien impact en waarschijnlijkheid van de verschillende incidenttypen binnen het crisistype branden in kwetsbare objecten worden de volgende incidenttypen meegenomen in de risicoanalyse: • Grote brand in gebouwen met niet of verminderd zelfredzame (kwetsbare) personen • Grote brand in bijzonder hoge gebouwen • Grote brand in ondergrondse bebouwing

23

Regionaal Risicoprofiel 2025-2028

3.3.2

Instortingen in grote gebouwen en kunstwerken

Het crisistype branden in kwetsbare objecten uitgesplitst in twee incidenttypen: • Instorting door explosie • Instorting door gebreken constructie of fundering In principe moet een gebouw zodanig gebouwd zijn, dat de draagconstructie bij een explosie blijft staan, ook als de ramen, gevels en dergelijke eruit geblazen worden. Zodoende stort het gebouw niet in. Een instortingscenario is dan ook klein, maar niet ondenkbaar. De aanleiding voor dergelijke explosies zijn bijvoorbeeld gasexplosies die voor veel schade kunnen zorgen. In de afgelopen jaren heeft VrAA geleerd dat de gevolgen van mogelijk instortingsgevaar kunnen leiden tot een grote vraag tot nazorg omdat bewoners en ondernemers enige tijd niet terug kunnen naar hun huizen en bedrijven. Gebouwen worden ontworpen met een verwachte levensduur van 50 jaar. In deze periode vindt er door natuurlijke fysische en chemische processen veroudering plaats. Na deze periode moet er ingrijpend worden gerenoveerd. Dit kan in de vorm van sloop, hergebruik of nieuwbouw plaatsvinden. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de huidige situatie rondom de kades en bruggen in Amsterdam, waar op 1 september 2020 een deel van een kade instorten. De Staalmeestersbrug, ring A10, Muntplein, Entrepotdok en Lijnbaansgracht zijn getroffen door verzakkingen. Dit is voor zowel de samenleving, als de hulpdiensten een risico is.

Naast deze natuurlijke veroudering is er ook een trend om sneller, lichter, duurzamer en ook goedkoper te bouwen. Hierbij wordt bij voorkeur ontworpen met vernieuwende grensverleggende architectuur die net past binnen de bestaande wet- en regelgeving. Omdat er ook gebruik wordt gemaakt van nieuwe materialen en combinaties hiervan worden de grenzen opgezocht van de constructieve rekenmodellen. Het proces waarbinnen een gebouw wordt gerealiseerd kenmerkt zich door veel stakeholders met veel overdracht momenten en een onduidelijke verantwoordelijkheidsverdeling. De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft in een aantal rapporten 16 onderzoek gedaan naar de oorzaken van constructief falen. Als belangrijkste oorzaken worden genoemd, naast de ‘normale’ veroudering: 1. Constructiefouten (AZ-stadion 2019); 2. Extreme omstandigheden die niet in het ontwerp zijn meegenomen, zoals extreme neerslag (sneeuw) of wind, brand of (gas)explosie (meerdere voorbeelden in 2022: Oldenzaal, Bilthoven, Zutphen); 3. Andere oorzaken, zoals achterstallig onderhoud (brug Genua 2018) of invloeden vanuit de omgeving (hijsongeval Alphen aan den Rijn 2016). Vaak zal een instorting niet het gevolg zijn van een enkele oorzaak maar zal het een combinatie zijn van factoren waardoor een fout in het ontwerp pas na vele jaren bijvoorbeeld door een extreme neerslag aan het licht komt.

Omdat er talloze oorzaken kunnen zijn van instortingen en gelet op het grote aantal voorbeelden dat het nieuws haalt is het vrijwel zeker dat onze regio te maken krijgt met instortingen. Het gerapporteerde aantal slachtoffers ten gevolge van instortingen in Nederland is echter laag. Conclusie Gezien de waarschijnlijkheid en impact van de verschillende scenario’s wordt het incidenttype ‘instorting/verzakking door een explosie’ meegenomen in de risicoanalyse.

16

Bouwen aan constructieve veiligheid, Onderzoeksraad voor Veiligheid 2018

24

Regionaal Risicoprofiel 2025-2028

3.4 Technologische omgeving 3.4.1 Incidenten met brandbare/explosieve stoffen Het crisistype branden in kwetsbare objecten is uitgesplitst in acht incidenttypen: • Incidenten vervoer weg • Incidenten vervoer water • Incident spoorvervoer • Incident transport buisleidingen • Incident stationaire inrichting • Incident met vuurwerkopslag/verkoop munitie Brand in grote opslagruimtes • Broei (of brand) in bulk-opslag Incident vervoer weg De zware industrie in VrAA concentreert zich in het Westelijk Havengebied van de gemeente Amsterdam. De haven van Amsterdam kenmerkt zich door op- en overslag van benzine, kolen en cacao, maar in toenemende mate ook meer duurzame stoffen. Het risico op incidenten bij op- en overslag is echter kleiner dan bij productie. Productie van brandbare/explosieve stoffen vindt op kleine schaal ook plaats binnen VrAA. Het vervoer van brandbare vloeistoffen en gassen binnen VrAA betreft voornamelijk doorgaand transport van en naar het Westelijk Havengebied. Zowel op rijkswegen, provinciale wegen als gemeentelijke wegen vindt vervoer van brandbare vloeistoffen en gassen plaats. Op bepaalde rijkswegen zijn hieraan restricties gesteld. Op provinciale wegen daarentegen gelden geen restricties en mag onbeperkt vervoer plaats vinden.

Op dit moment hebben alleen Amsterdam, Diemen en Aalsmeer een verplichte (gemeentelijke) routering voor gevaarlijke stoffen over de weg vastgesteld. Het vervoer van brandbare vloeistoffen en gassen door tunnels brengt extra risico’s met zich mee. Voor alle tunnels in de VrAA is (een deel van) dit vervoer toegestaan. Van de modaliteiten transport is de waarschijnlijkheid van een incident bij vervoer over de weg het grootst. In vergelijking met het vervoer over water en spoor worden beperkte hoeveelheden brandbare vloeistoffen en gassen vervoerd en is de impact beperkter. De impact is afhankelijk van de locatie van het incident. Het vervoer over de weg loopt ook door dichtbevolkte gebieden, de impact van een incident is hier groot. Incident vervoer water Over het Noordzeekanaal, het Amsterdam-Rijnkanaal en over het IJ vindt vervoer van brandbare vloeistoffen en gassen plaats. Jaarlijks vervoeren tot 20.000 schepen brandbare stoffen en enkele honderden schepen brandbare gassen. Voor de regio Amsterdam-Amstelland gaat het om een totale afstand van circa 25 km aan kanaal. De haven van Amsterdam is de grootste benzine haven ter wereld, waarbij de brandstoffen over het water aangevoerd worden via zeeschepen. De waarschijnlijkheid van een incident met brandbare vloeistoffen en gassen op het water is, in vergelijk met hetzelfde incidenttype op de weg, klein.

De impact kan groot zijn als de explosie of brand leidt tot een economisch kostbare stremming van het Noordzee- of Amsterdam-Rijnkanaal. Daarnaast wordt in de komende jaren in Amsterdam-West, Noord en Oost dicht aan de oever gebouwd, waardoor een incident met brandbare vloeistoffen en gassen op het water ook op deze objecten betrekking kan hebben. De impact van een incident met vervoer van brandbare/explosieve stoffen op het water wordt daarmee groter. Incident spoorvervoer Over een aantal spoortrajecten binnen VrAA worden brandbare vloeistoffen en gassen vervoerd. Wat betreft waarschijnlijkheid zit het incidenttype incident spoorvervoer tussen vervoer weg en vervoer water in. In vergelijking met deze incidenttypen is de impact van incident spoorvervoer, afhankelijk van de locatie, het grootst. Het vervoer van brandbare vloeistoffen en gassen over het spoor loopt langs dichtbevolkte gebieden en ook langs station Sloterdijk en Amsterdam Centraal. De impact is groot, omdat via het spoor grote hoeveelheden brandbare vloeistoffen en gassen vervoerd worden (ten opzichte van vervoer weg) en het

25

Regionaal Risicoprofiel 2025-2028

bestrijden van een dergelijk incident complex is, vanwege de slechte bereikbaarheid van sommige delen van het spoor. Incident transport buisleidingen In volume gemeten is het buisleidingennet de grootste transportmodaliteit. Hier zijn de incidenten echter schaars. Binnen dit incidenttype wordt een onderscheid gemaakt tussen: Aardgasleidingen Incidenten met aardgasleidingen zijn in twee vormen te onderscheiden, namelijk een lekkage en een leidingbreuk. De waarschijnlijkheid van lekken van buisleidingen is groter dan de waarschijnlijkheid van leidingbreuk. De impact van lekken is echter beperkt. De impact van een leidingbreuk is afhankelijk van de druk op de leiding en de diameter van de leiding. Deze leidingbreuken zijn voornamelijk het gevolg van graafwerkzaamheden door derden. Voor de inventarisatie van aardgasleidingen zijn uitsluitend hogedruk (16 bar of meer) leidingen meegenomen. Door de gehele regio loopt in totaal voor circa 158 km aan dergelijke leidingen. De druk op deze leidingen varieert van 40 tot 66,2 bar en de diameter van de leidingen varieert van 4 inch (10 cm) tot 30 inch (76 cm). In een worst case scenario kan ontsteking van het vrijgekomen gas leiden tot 100% letaliteitsafstanden variërend van 30 tot 160 meter. Gasunie is beheerder van het leidingnet. Tweewekelijks vliegt Gasunie over of rijdt langs het tracé op zoek naar leidingbedreigende activiteiten.

Voor alle (graaf)werkzaamheden in de buurt van de leiding is een zogenaamde KLIC-melding verplicht. Gasunie bepaalt of de werkzaamheden doorgang kunnen vinden. Daarnaast zijn medewerkers van Gasunie bij de werkzaamheden aanwezig voor het bewaken van de integriteit van de buisleiding. Gasunie geeft aan dat de waarschijnlijkheid van een incident transport buisleidingen klein is. De impact van een dergelijk incident kan groot zijn, omdat een deel van de buisleidingen door dichtbevolkt gebied loopt (onder andere AmsterdamOost, Amsterdam Zuidoost en Amstelveen). Het gasleidingnet voor de lokale regionale distributie is opgenomen bij het thema vitale infrastructuur en voorzieningen. Leidingen voor olieproducten Tussen EVOS Oost (voorheen Oiltanking), in het Westelijk Havengebied en Schiphol loopt de Amsterdam Schiphol Pijpleiding (ASP). Deze leiding heeft een lengte van 16,1 km en door de leiding wordt kerosine verpompt naar Schiphol. Deze leiding wordt beheerd door Aircraft Fuel Supply (AFS) op Schiphol. Lekken van deze leidingen kunnen leiden tot bodemverontreiniging. Daarnaast eindigt bij EVOS Oost een buisleiding waardoor ruwe olie wordt vervoerd vanaf verschillende olieplatforms in de Noordzee. De lengte van de leiding is in totaal 89 km, maar slechts een beperkt deel van de leiding loopt door VrAA. Gasunie is verantwoordelijk voor het beheer van deze leiding.

Gasunie treft identieke preventieve maatregelen voor deze leiding als voor de aardgasleidingen. De impact van een breuk van een leiding die olieproducten transporteert is klein in vergelijking met de impact van een breuk van een aardgasleiding. De effectafstanden blijven beperkt tot tientallen meters, terwijl de effecten van een breuk van een aardgasleiding zich tot honderden meters kunnen uitstrekken. Waterstofleidingen Waterstof is in opkomst als energiedrager in het kader van de energietransitie. In de Omgevingsvisie 2050 van Amsterdam is Westpoort aangewezen als duurzame energiehub. Een belangrijk aandachtspunt daarbij zijn de veiligheidsrisico’s die hiermee samenhangen, want sommige duurzame energiedragers, zoals waterstof en ammoniak, vragen om veel risicoruimte.17 Waterstof zal via een buisleiding in Westpoort aankomen en/of daar geproduceerd gaan worden. Naar verwachting wordt in de komende jaren gestart met de bouw van het eerste tracé. Er zijn twee mogelijke routes voor de waterstofleiding: via het Westelijk havengebied (noordelijk tracé), waar het kan aansluiten op 17

Omgevingsvisie Amsterdam 2050 via Volg het beleid: omgevingsvisie - Gemeente Amsterdam

26

Regionaal Risicoprofiel 2025-2028

een nog te bouwen waterstofcentrale en via de Sloterdijken (zuidelijk tracé). In dit gebied vinden ook veel stedelijke ontwikkelingen plaats gericht op wonen en werken. In Sloterdijk is reeds een overschrijding van het groepsrisico. De keuze voor het te volgen tracé is nog niet gemaakt. De precieze gevolgen van een incident met een waterstofbuisleiding zijn nog niet volledig duidelijk. Dat heeft te maken met waar waterstof zal ontsteken na een eventuele lekkage: in de directie nabijheid van de leiding of verderop als de waterstof zich eerst verspreidt voordat die tot ontsteking komt. Hier wordt nog verder onderzoek naar gedaan. Incident stationaire inrichting In VrAA bevinden zich in totaal 64 bedrijven waar dit incidenttype zich volgens het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) kan voordoen. Ook bevinden zich 19 Seveso-inrichtingen (voorheen BRZO-bedrijven) in de regio. Een (ondergrondse) opslagtank bij een LPG tankstation bevat circa 20-70 m3 LPG. Er is een aantal terminals dat meer dan 1 miljoen ton aan olieproducten (onder andere benzine en kerosine) opslaat. Verder wordt circa 10.000 m3 aan brandbare gassen (propaan/butaan) opgeslagen bij dergelijke terminals. Opslagtanks tot een inhoud van 53.000 m3 aan benzine zijn aanwezig in de haven van Amsterdam. Daarnaast is er binnen de regio een onbekend aantal kleinere opslagtanks, waarin propaan opgeslagen wordt.

Tevens zijn er enkele tientallen gasreduceerstations aanwezig waarvoor een veiligheidsafstand geldt. Ook zijn er overig bedrijven met kleinere hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Naar schatting gaat het in totaal om circa 90 bedrijven. Gezien de grote hoeveelheden van brandbare vloeistoffen en gassen in het Westelijk Havengebied kan de impact bij een stationaire inrichting groot zijn. Door de aanwezigheid van preventieve voorzieningen en een interne noodorganisatie (BHV en bedrijfsbrandweer) blijft de impact meestal beperkt. Door snellere inzet en specialistische kennis van industriële brandbestrijding levert ook de Gezamenlijke Brandweer Amsterdam (GBA) in het havengebied een belangrijke bijdrage. Door de afgelegen ligging van de inrichtingen blijft het effect (bijvoorbeeld aantal doden en gewonden) beperkt. De afgelopen jaren is het aantal grootschalige stationaire inrichtingen in het Westelijk Havengebied toegenomen. Dit zal zich in de toekomst met de energietransitie verder ontwikkelen. Daarbij bepalen twee sporen de risico’s. Enerzijds de ontwikkeling van Havenstad op de plek waar nu industrie en overslag plaats vindt, waardoor meer bewoners dichter bij de haven komen te wonen. Anderzijds zullen er bedrijven verdwijnen of worden verplaatst. Incident met vuurwerkopslag/verkoop munitie In VrAA bevinden zich 32 vuurwerkverkooppunten18.

Daarnaast zijn binnen de regio enkele locaties waar munitie opgeslagen wordt. Afhankelijk van de opgeslagen hoeveelheid vuurwerk/ munitie kan een incident grote impact hebben. Voor opslag, vervoer en handel in vuurwerk gelden strenge regels sinds de vuurwerkramp in Enschede in 2000. Zo moet een opslag voor vuurwerk voldoen aan bepaalde veiligheidsvoorschriften en hebben ondernemers een vergunning nodig om vuurwerk te verkopen. Door dergelijke preventieve maatregelen blijft de impact beperkt. Brand in grote opslagruimtes Opslag in grote ruimtes wordt verschillend geïnterpreteerd. Bijvoorbeeld grote loodsen met stuk of bulkgoederen, maar ook bouwmarkten en opslagruimtes als Citybox en Shurgard. Een actueel overzicht van het aantal grote opslagruimtes in de regio ontbreekt. Op dergelijke locaties liggen veel verschillende artikelen opgeslagen. De opslagruimtes hebben vaak een groot oppervlakte.

18

Bron: Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied; vuurwerkverkooppunten in VrAA in 2022

27

Regionaal Risicoprofiel 2025-2028

Branden op dergelijke locaties hebben vaak een enorme rookontwikkeling en zijn lastig te bestrijden door de brandweer. De impact beperkt zich voornamelijk tot economische schade. Het aantal slachtoffers zal beperkt blijven, mits de ruimtes tijdig ontruimd kunnen worden. Broei (of brand) in bulk-opslag In het Westelijk Havengebied worden grote hoeveelheden bulk opgeslagen. Het betreft onder andere de opslag van cacao, steenkool en hout, maar ook van afval en schroot. Broei dat leidt tot brand in bijvoorbeeld cacao kan voor langdurige overlast en milieuverontreiniging zorgen. De impact kan daarom groot worden. Het vroegtijdig bestrijden van de broei is belangrijk, maar ook complex. In het Westelijk Havengebied ligt in totaal 500.000 m2 cacao, verspreid over drie bedrijven (met meerdere vestigingen). In het Westelijk Havengebied zijn vier grote opslagen van steenkool en één middelgrote opslag. In de regio wordt ook hout in groot verband opgeslagen. Met een toenemende mate van opslag en verwerking van afval en schroot is de waarschijnlijkheid op een incident bij een dergelijke opslag groter geworden. Dergelijke branden zijn meestal langdurig, leveren meestal geen slachtoffers op als gevolg van de brand, maar kunnen wel voor veel rook- en stank overlast zorgen.

Naast dat in opslagen met afval/schroot broei kan ontstaan, kan er ook brand ontstaan door een thermal runaway van een Li-ion accu. Broei ontstaat door langzame temperatuurstijgingen in de opslag. Een thermal runaway van een Li-ion accu komt veelal doordat kranen schroot verplaatsen en daarbij accu’s beschadigen. Een beschadigde accu zal sneller tot een thermal runaway leiden, wat weer een brand tot gevolg zal hebben. De effecten blijven meestal beperkt tot rookontwikkeling en stankoverlast. Conclusie Op basis van bovenstaande worden de volgende incidenttype meegenomen in de risicoanalyse: • Incident brandbare/explosieve stoffen vervoer water; • Incident brandbare/explosieve stoffen spoorvervoer; • Incident brandbare/explosieve stoffen stationaire inrichting; • Broei (of brand) in bulk-opslag.

3.4.2

Incidenten met giftige stof in open lucht

Het crisistype incidenten met giftige stof in open lucht is uitgesplitst in vijf incidenttypen: • Incident vervoer weg • Incident vervoer water • Incident spoorvervoer • Incident transport buisleidingen • Incident stationaire inrichting In tegenstelling tot brandbare vloeistoffen en gassen worden nauwelijks giftige stoffen opgeslagen in VrAA. Grootschalige opslag vindt plaats bij Sonneborn (Westelijk Havengebied). Sonneborn beschikt over een eigen productielijn voor zwaveltrioxide (SO3) waardoor er minder vervoer over de weg en opslag nodig is. Echter blijft er wel een hoeveelheid aan opslag aanwezig bij dit bedrijf. In vergelijking met brandbare vloeistoffen en gassen is de waarschijnlijkheid van een incident met giftige stoffen klein. Daarentegen kan de impact van een dergelijk incident groot zijn. Een incident waarbij een toxische wolk vrijkomt kan een effectgebied van vele kilometers veroorzaken. Incident vervoer weg Zowel op rijkswegen, provinciale wegen als gemeentelijke wegen vindt vervoer van giftige stoffen plaats. Op bepaalde rijkswegen zijn hieraan restricties gesteld. Op provinciale wegen daarentegen gelden geen restricties en mag onbeperkt vervoer plaats vinden. Op dit moment hebben alleen Amsterdam, Diemen en Aalsmeer een verplichte (gemeentelijke) routering voor gevaarlijke stoffen over de weg vastgesteld.

Van de modaliteiten transport is de waarschijnlijkheid van een incident vervoer weg het grootst. Ondanks dat in vergelijking met het vervoer over water en spoor, beperkte hoeveelheden giftige stoffen vervoerd worden

28

Regionaal Risicoprofiel 2025-2028

kan de impact toch groot zijn. De impact is afhankelijk van de locatie van het incident. Het vervoer over de weg loopt ook door dichtbevolkte gebieden, de impact van een incident binnen een dichtbevolkt gebied is groot. Incidenten vervoer water Over het water vindt in vergelijking met het vervoer over spoor en weg nauwelijks transport van giftige stoffen plaats. Het gaat om enkele tientallen schepen per jaar, die via het traject Noordzeekanaal – IJ – AmsterdamRijnkanaal giftige stoffen vervoeren. De waarschijnlijkheid van een incident met giftige stoffen op het water is, in vergelijking met de andere incidenttypen, klein De impact kan groot zijn, als de explosie of brand leidt tot een economisch kostbare stremming van het Noordzee- of Amsterdam-Rijnkanaal of grote schade aan het milieu. Daarnaast wordt in de komende jaren in Amsterdam-West, -Noord en -Oost dicht aan de oever gebouwd, waardoor een incident ook op deze objecten betrekking kan hebben. De impact van een incident met vervoer van brandbare/explosieve stoffen op het water wordt daarom groter. Incident spoorvervoer Over een aantal spoortrajecten binnen VrAA worden giftige stoffen vervoerd. Wat betreft waarschijnlijkheid zit het incidenttype incident spoorvervoer tussen vervoer weg en vervoer water in. In vergelijking met deze incidenttypen is de impact van incident spoorvervoer, afhankelijk van de locatie het grootst.

Het vervoer van giftige stoffen over het spoor loopt langs dichtbevolkte gebieden, en ook langs station Sloterdijk en Amsterdam Centraal. De impact is groot, omdat via het spoor grote hoeveelheden giftige stoffen vervoerd (ten opzichte van vervoer weg) worden en het bestrijden van een dergelijk incident complex is, vanwege de slechte bereikbaarheid van sommige delen van het spoor. Incident transport buisleidingen In volume gemeten is het buisleidingnet de grootste transportmodaliteit in Nederland. Incidenten hierbij zijn schaars. De impact van een leidingbreuk is afhankelijk van de druk op de leiding en de diameter van de leiding. De risicobepalende leidingbreuken zijn voornamelijk het gevolg van graafwerkzaamheden door derden. Slechts weinig transport in buisleiding betreft giftige stoffen. In Amsterdam-Amstelland is de voornaamste transportbuisleiding een CO2-leiding met een diameter van 67 mm en een maximale druk van 22 bar. Deze loopt door stadsdeel West, bij volkstuinencomplex de Grote Braak. Pipeline Control is beheerder van het leidingnetwerk. Het leidingtracé wordt op reguliere basis gecontroleerd. Daar waar activiteiten plaatsvinden wordt er permanent of dagelijks gecontroleerd. Incident stationaire inrichting In VrAA bevinden zich in totaal 31 bedrijven waar dit incidenttype zich volgens het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) kan voordoen.

Daarnaast zijn er nog circa 50 kleinere opslagen van giftige stoffen, te denken valt aan de opslag van chemicaliën bij zwembaden. Het aantal inrichtingen waar grootschalige opslag van giftige stoffen plaats vindt is beperkt binnen VrAA. Door de aanwezigheid van preventieve voorzieningen en een interne noodorganisatie (BHV en bedrijfsbrandweer) blijft de impact meestal beperkt. Als een dergelijk incident zich echter voordoet nabij een dichtbevolkt gebied kan de impact groot zijn. Daarnaast ligt VrAA voor een deel in de overheersende windrichting van Tata Steel (Veiligheidsregio Kennemerland). Conclusie Op basis van bovenstaande worden de volgende incidenttypen meegenomen in de risicoanalyse: • Incident giftige stof vervoer weg • Incident giftige stof stationaire inrichting

3.4.3

Kernincidenten

Het crisistype kernincidenten is uitgesplitst in acht incidenttypen: • Incident A-objecten: centrales

29

Regionaal Risicoprofiel 2025-2028

• • • •

• •

•

•

Niet relevant voor VrAA. De dichtstbijzijnde centrale ligt op meer dan 15 km van VrAA. Incident A-objecten: nabij centrales grensoverschrijdend Niet relevant voor VrAA. De dichtstbijzijnde centrale ligt op meer dan 15 km van VrAA. Incident A-objecten: scheepvaart met kernenergie en nucleair defensiemateriaal Niet relevant voor VrAA. Incident B-objecten: vervoer grote eenheden radioactief materiaal Er vindt vervoer van afgewerkte staven door VrAA (over de A9) plaats, ten behoeve van opwerking in Frankrijk, België en Groot-Brittannië. Echter de containers waarin deze staven vervoer worden zijn bestendig tegen mechanische impact en brand. Incident B-objecten: overige nucleaire faciliteiten brandklasse i. Niet relevant voor VrAA. Incident B-objecten: nucleaire faciliteiten brandklasse ii Onder deze klasse vallen medische en technische bronnen in onder andere laboratoria. Locaties in de VrAA zijn de ziekenhuizen Amsterdam UMC (locatie VU MC heeft een eigen deeltjesversneller t.b.v. isotopen productie) en locatie AMC. De bronnen worden in speciale verpakkingen vervoerd (omhulling van lood en staal) en zijn zodoende bestand tegen hitte, maar bij een uitgebreide brand bestaat de mogelijkheid dat deze verpakkingen hier niet tegen bestand zijn. Incident B-objecten: overig vervoer en gebruik nucleaire materialen Bijvoorbeeld medische en technische bronnen in onder andere laboratoria.

Locaties in de VrAA zijn bijvoorbeeld de ziekenhuizen Amsterdam UMC-locatie VU MC (VU MC heeft een eigen deeltjesversneller t.b.v. isotopen productie) en locatie AMC. De bronnen worden in speciale verpakkingen vervoerd (omhulling van lood en staal) en zijn zodoende bestand tegen hitte, maar bij een uitgebreide brand bestaat de mogelijkheid dat deze verpakkingen hier niet tegen bestand zijn. Incident militair terrein en transporten nucleaire materiaal Niet relevant voor VrAA.

Het merendeel van de incidenttypes binnen het crisistype kernincidenten is niet van toepassing binnen VrAA. De oorzaken van incidenten met radioactief materiaal kunnen ongevallen zijn, bijvoorbeeld tijdens vervoer. Wanneer een dergelijke crisis zich voordoet zal dit leiden tot buitengewone omstandigheden waarbij regionaal overstijgende (nationale) crisiscoördinatie plaatsvindt. Desondanks is de waarschijnlijkheid van het crisistype kernincidenten beperkt. Conclusie Gezien de beperkte waarschijnlijkheid van kernincidenten in VrAA wordt dit incidenttype niet meegenomen in de risicoanalyse.

3.5 Vitale infrastructuur 3.5.1 Verstoringen energievoorziening Het crisistype verstoring energievoorziening is uitgesplitst in vier incidenttypen: • Uitval elektriciteitsvoorziening • Uitval gasvoorziening • Uitval olievoorziening • Uitval stadswarmte (VrAA) Impact van uitval elektriciteitsvoorziening De inrichting van het netwerk zorgt grotendeels voor het opvangen van landelijke uitvallen van de elektriciteitsvoorzieningen. Op lokaal niveau vormen overbelasting, veroudering en graafwerkzaamheden de meest voorkomende oorzaken van een stroomstoring. In 2020 hadden burgers gemiddeld 21 minuten geen stroom19 en trof elke onderbreking gemiddeld 100 burgers. Naast het beheer van het net, bewaakt TenneT de

19

https://www.netbeheernederland.nl/nieuws/energienet-in-2020-meer-dan-99-99-procent-betrouwbaar-1437

30

Regionaal Risicoprofiel 2025-2028

energiebalans, betrouwbaarheid en continuïteit van de Nederlandse elektriciteitsvoorziening. Liander is verantwoordelijk voor het regionale elektriciteitsnetwerk in de regio Amsterdam-Amstelland. Vanwege de energietransitie neemt de afhankelijkheid van elektriciteit steeds meer toe en gaan consumenten steeds meer elektriciteit zelf produceren. Het elektriciteitsnetwerk is (nog) niet volledig toegerust op deze variëteit van stromen en pieken (congestie van het netwerk) waardoor het voor de netbeheerders moeilijker is om de juiste netbalans te handhaven. Hierdoor zal de kans op stroomuitval in de toekomst toenemen. De energietransitie leidt daarnaast ook tot een toenemend aantal grondwerkzaamheden. Leidingen moeten bijvoorbeeld vernieuwd worden om de toenemende hoeveelheid elektriciteit aan te kunnen. Daarnaast is er een trend (en behoefte) dat energie gebufferd moet worden. Door wind en zon opgewekte energie die niet direct gebruikt wordt, kan worden opgeslagen in batterijen of in andere energiedragers. Zo wordt waterstof geproduceerd door elektrolyse met zonne- of windenergie geproduceerd en opgeslagen voor gebruik op een ander (piek)moment. Daarnaast wordt waterstof zelf ook meer en meer als energiebron gebruikt. Zowel voor particulieren (voertuigen) als private partijen (industrie) wordt een toename in het gebruik verwacht.

De productie, transport en opslag brengt risico’s met zich mee. Het is van belang de ontwikkelingen rondom de energietransitie nauwlettend te volgen. VrAA kan dit doen door nauw samen te werken met partners. Langdurige en grootschalige uitval van elektriciteitsvoorziening heeft een grote impact op de samenleving. Zo werd in december 2007 de Bommeler- en Tielerwaard gedurende enkele dagen getroffen door uitval van elektriciteit, waarbij ongeveer 50.000 huishoudens getroffen werden. Ook de grootschalige bovenregionale uitval van elektriciteit in Noord-Holland in maart 2015 en regionale uitval in juni 2016 en januari 2017 zijn goede voorbeelden. Doordat de verstoring relatief kort duurde bleven de effecten beperkt, maar de incidenten gaven een goed beeld van hoe een dergelijk incident doorwerkt op de maatschappij. Mogelijke effecten zijn uitval van bedrijfsvoering van bedrijven en instanties, het openbaar vervoer rijdt niet, telecommunicatie en ICT valt uit, rolluiken en beveiligingsinstallaties werken niet, hoogbouw kan niet van water worden voorzien, elektrische verwarming valt uit, koken met inductiekookplaat, magnetron en elektrische oven is niet mogelijk en medische apparatuur voor thuiszorg functioneert niet. De elektriciteitsuitval van 2015 liet zien dat ook de hulpverlening in problemen kan komen doordat mensen niet langer 112 kunnen bellen.

De samenleving wordt door een sterkere afhankelijkheid van elektriciteit ook steeds kwetsbaarder en dat betekent dat de impact ook steeds groter wordt. Impact van uitval gasvoorziening De Nederlandse gasinfrastructuur is onder te verdelen in het landelijk gastransportnet en een groot aantal lokale distributienetten. Het gastransportnet wordt beheerd door Gastransport Services, onderdeel van de Nederlandse Gasunie. De gasdistributienetten vallen in Amsterdam-Amstelland onder toezicht en beheer van Liander. De gasvoorziening is echter wel afhankelijk van elektriciteit, dus er bestaat een verbinding tussen deze twee vitale voorzieningen. Een verstoring in de gasvoorziening houdt in dat alle huizen, bedrijven, ziekenhuizen, verzorgingshuizen en overige gebouwen die aangesloten zijn op het gasnet geen gas meer krijgen. Dit betekent dat het niet mogelijk is om op gasfornuizen te koken en er geen verwarming of warm water meer is. De gevolgen van een uitval van de gasvoorziening zijn hierdoor in de winter en/of met koud weer groter dan in andere jaargetijden. Vanwege de opbouw van de gasdistributienetten leiden storingen maar zelden tot onderbrekingen van de levering. De meest voorkomende oorzaak van een storing is het uitvoeren van grondwerkzaamheden waarbij leidingen beschadigd raken.

Met het oog op de energietransitie is de verwachting dat het aantal werkzaamheden zal toenemen en daarmee ook de kans op verstoringen van de gasvoorziening. Samenwerking met partners is van groot belang bij het monitoren van deze ontwikkeling. De impact van de uitval van gasvoorziening is doorgaans kleiner dan die van uitval van elektriciteit, maar de crisis in 2014 in Velsen heeft laten zien dat het uitvallen van gaslevering in een groot gebied wel voor grote problemen kan zorgen. Door de noodzaak om in elk object de gaskraan dicht te draaien alvorens het gas er

31

Regionaal Risicoprofiel 2025-2028

weer op kan, duurt de uitval langer en wordt de impact groter. Zeker in een strenge winter in een gebied met veel gasaansluitingen kan de impact van een dergelijk incident groot zijn. Impact van uitval olievoorziening De impact en waarschijnlijkheid van uitval olievoorziening zijn beperkt voor de regio. De beïnvloedingsmogelijkheden zijn beperkt, omdat de oliesector en veel andere sectoren nationaal en internationaal georganiseerd zijn. Bij schaarste of verstoringen worden beslissingen veelal op andere niveaus genomen. Daarnaast is de oliesector vrijwel geheel in handen van private partijen. De burgemeester of voorzitter Veiligheidsregio is alleen verantwoordelijk voor aanpak van de effecten voor openbare orde en openbare veiligheid. Het decentrale openbaar bestuur zal nationale maatregelen moeten handhaven, zoals een autoloze zondag en een snelheidsbeperking. Impact uitval stadswarmte Stadswarmte is in delen van Amsterdam in gebruik voor de levering van warmte voor verwarming en warmwater. Het Afval Energie Bedrijf (AEB) in Westpoort levert middels een netwerk warmte aan voornamelijk Westpoort, Amsterdam Nieuw-West en -Noord. De Vattenfall-centrale in Diemen levert warmte aan Amsterdam-Oost, Zuidoost en Zuid. Bij uitval is het voor de aangesloten huishoudens bijvoorbeeld niet mogelijk om gebruik te maken van warm water (douchen, verwarming).

Vooral langdurige uitval en uitval ten tijde van vorst kan veel problemen veroorzaken, maar de impact is over het algemeen beperkt. Doordat elk netwerk slechts één warmteleverancier heeft en het netwerk relatief weinig verknoopt is, is het risico op uitval voorspelbaar. Conclusie Gezien de waarschijnlijkheid en impact van de uitval van de elektriciteits- en gasvoorziening worden deze twee incidenttypen meegenomen in de risicoanalyse.

3.5.2

Verstoring drinkwatervoorziening

Het crisistype verstoring drinkwatervoorziening is uitgesplitst in drie incidenttypen: • Uitval drinkwatervoorziening • Problemen waterinname • Verontreiniging in drinkwaternet Drinkwater is een primaire levensbehoefte. Daardoor is de drinkwatervoorziening ook voor VrAA belangrijk. Waternet en PWN leveren het drinkwater in de regio. De Drinkwaterwet stelt hoge eisen aan de leveringszekerheid en de kwaliteit van het drinkwater. Hieronder zijn de risico’s voor de continuïteit van de levering en kwaliteit van het drinkwater voor Waternet beschreven en de wijze waarop Waternet daarmee omgaat. Voor PWN gelden soortelijke risico’s en maatregelen. De leidingnetten van Waternet en PWN zijn gekoppeld, zodat ze elkaar kunnen helpen bij verstoringen in de drinkwatervoorziening. Belangrijkste risico’s voor de continuïteit en kwaliteit van het drinkwater: 1. Uitval bron en transportnet Waternet heeft de beschikking over meerdere bronnen. De Rijn is de belangrijkste bron. Als die gedurende langere tijd onbruikbaar is, is een voorraad water aanwezig in de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD) en in de Waterleidingplas. De mogelijkheid bestaat om naast of in plaats van water uit de Rijn of de Bethunepolder water in te nemen uit het IJsselmeer en uit het Amsterdam-Rijnkanaal.

Ook kan – via een directe doorlevering tussen Nieuwegein en Leiduin – grondwater rechtstreeks op de zuivering worden gevoerd. Kans op leveringsproblemen door uitval van de bron zijn daardoor minimaal.

32

Regionaal Risicoprofiel 2025-2028

2.

Uitval productie / zuivering Waternet beschikt over twee productielocaties waar ‘ruw water’ wordt gezuiverd tot drinkwater. Door de bedrijfszekere opzet van de zuiveringen van Waternet is de kans op uitval van een gehele productielocatie minimaal. De meeste installaties zijn redundant uitgevoerd. Indien nodig kunnen omloopleidingen worden gemaakt of geopend langs zuiveringsstappen die in bepaalde situaties gemist kunnen worden. Noodstroomvoorzieningen zijn aanwezig. Er is een voorraad chemicaliën en diesel aanwezig waarmee de productielocaties tien dagen autonoom kunnen doordraaien. Waternet beschikt over nooddraaiboeken om aan de wettelijke eisen voor levering te blijven voldoen indien één van beide locaties uitvalt. Bij verstoringen op één van beide productielocaties is het mogelijk de andere productielocatie meer te laten produceren en de levering geheel of gedeeltelijk over te nemen. Beide productielocaties beschikken over twee drinkwaterreservoirs. De grotere pompstations in de stad beschikken eveneens over drinkwaterreservoirs waarmee een tijdelijke uitval of verstoring in de productie kan worden opgevangen. Er zijn noodkoppelpunten met andere drinkwaterbedrijven. Uitval van een zuivering zal dan ook niet gauw leiden tot leveringsuitval maar zal naar alle waarschijnlijkheid wel leiden tot drukklachten in delen van het leidingnet.

3.

Verstoring in leidingnet Voor het transport van drinkwater zijn meerdere aanvoerleidingen beschikbaar. Alle iets omvangrijker delen van het voorzieningsgebied kunnen via tenminste twee wegen worden gevoed. De belangrijkste pompstations kunnen deels elkaars distributiefunctie overnemen. Hierdoor is de impact van een leidingbreuk vrijwel altijd beperkt tot wijkniveau. Wel kan schade en overlast ontstaan door wateroverlast en sinkholes.

4.

Afwijkende waterkwaliteit De drinkwaterproductieprocessen zijn zeer robuust en zijn gebaseerd op een zogenaamde “multi-barrier”zuivering. Als ondanks dat toch een microbiologische overschrijding optreedt, kan overgegaan worden op het geven van een kookadvies of chloren van het water. In geval van een chemische verontreiniging of langdurige uitval van levering kan middels de nooddrinkwatervoorziening voorzien worden in drie liter nooddrinkwater per persoon per dag en/of het leveren van noodwater (alleen geschikt voor het doorspoelen van het toilet en evt. om te douchen). Hiervoor zijn draaiboeken beschikbaar. Dit soort maatregelen zijn ingrijpend en leiden tot overlast voor (kwetsbare) burgers, instanties en bedrijven.

5.

Beveiligingsincident Drinkwater is een vitaal proces. De beveiliging is op basis van wetgeving voor vitale A-locaties ingericht. Dit geldt voor zowel de fysieke als digitale veiligheid. Beveiliging is gezien de snelle ontwikkelingen een doorlopend aandachtspunt. Naast de toegepaste risico reducerende maatregelen voor de fysieke en digitale beveiliging kunnen alle essentiële installaties ‘op de hand’ bediend worden.

Conclusie Gezien de wettelijke eisen die gesteld worden aan de drinkwaterbedrijven en de voorbereidingen die Waternet en PWN getroffen hebben om verstoring van de drinkwatervoorziening te voorkomen is de kans op een grootschalige verstoring klein. Vanwege toenemende drukte in de ondergrond, toenemende vraag naar drinkwater en een toenemende kans op innameproblemen door klimaatverandering (droogte en bijbehorende verslechtering van de waterkwaliteit) is dit incidenttype toch opgenomen in de risicoanalyse.

3.5.3

Verstoring rioolwaterafvoer en afvalwaterzuivering

Het water dat we in huishoudens en voor industriële activiteiten gebruiken komt bijna altijd in de riolering terecht. Via – veelal ondergrondse – rioolbuizen en persleidingen komen duizenden liters afvalwater per seconde binnen op de rioolwaterzuiveringen (RWZI’s). Daar wordt het afvalwater gezuiverd. Riolering en afvalwaterzuivering zijn twee verschillende maar gekoppelde systemen met cruciale waarde voor de samenleving. Bij langdurige uitval van deze systemen ontstaat al snel een serieus probleem voor de volksgezondheid en het milieu. Waternet is binnen VrAA de belangrijkste partner voor de dagelijkse

33

Regionaal Risicoprofiel 2025-2028

rioolwaterafvoer (in opdracht van de gemeente Amsterdam) en afvalwaterzuivering (in opdracht van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht). Een aantal oorzaken kan leiden tot verstoring van de rioolwaterafvoer en afvalwaterzuivering. Deze zijn beschreven in het “Crisisbestrijdingsplan Afvalwater” van Waternet. 1. Uitval elektriciteit Installaties functionerend op elektriciteit maken de afvoer van afvalwater en rioolwater mogelijk. Bij langdurige uitval van elektriciteit kan de afvoer van afvalwater uit de stad of verwerking op de RWZI enige tijd niet plaats vinden. 2.

Schade RWZI, riolering en persleidingen Het rioleringssysteem (rioolbuizen en persleidingen) kan zijn functie verliezen door schade aan deze leidingen. Vooral bij grote schade aan het hoofdpersleidingnetwerk kan de afvoer van grote hoeveelheden afvalwater uit de stad verstoord raken. Dan komt veel afvalwater op straat of in het oppervlaktewater terecht wat schadelijk kan zijn voor volksgezondheid en milieu.

3.

Hoosbuien Ten gevolge van klimaatverandering zullen hoosbuien steeds vaker voorkomen. De infrastructuur (riolering, wegen en kolken) kan deze hoeveelheden neerslag onvoldoende verwerken. Hierbij bestaat de kans dat kelders, souterrains en andere ruimtes al dan niet met vitale functies onder water komen te staan. Ook hoofdroutes voor het verkeer (met name tunnels daarin) kunnen minder goed begaanbaar worden.

4.

Falen installaties biogas Op twee RWZI’s van Waternet in het gebied van VrAA wordt met biogas gewerkt. Op de RWZI Amstelveen wordt biogas verwerkt in een warmtekrachtinstallatie. Op de RWZI-West in het havengebied van Amsterdam wordt biogas tot aardgaskwaliteit verwerkt en in het openbare gasnetwerk verpompt. Bij deze RWZI’s zijn buffers voor dit biogas aanwezig. Alle biogasinstallaties worden door Waternet (volgens ATEXrichtlijnen) streng bewaakt met betrekking tot de gasveiligheid.

5.

Lozing gevaarlijke stoffen Denk hierbij aan drugsafval, een tankauto-ongeluk, of (onbedoelde) activiteiten van bedrijven. Via het rioleringsnetwerk kunnen deze stoffen zich in een wijk verspreiden en in geval van slechte binnenhuisriolering kunnen gassen ook inpandig vrijkomen. Bij kleinere RWZI’s kunnen deze stoffen het zuiveringsproces sterk beïnvloeden waardoor er impact op het milieu kan ontstaan.

6.

Uitval kantoor- en/of procesautomatisering Rioolgemalen en RWZI’s worden aangestuurd met kantoor- en procesautomatisering (scada-systemen). Deze systemen kunnen deels uitvallen door verstoringen in de telemetrie (telefoon/GPRS) of in de software (o.a. cyberveiligheid). De afvoer van grote hoeveelheden afvalwater en de verwerking ervan kan hierdoor worden verstoord.

7.

Verstikking/ vergiftiging Bij het transport en de verwerking van afvalwater ontstaan gassen en andere schadelijke stoffen. Het ‘rioolgas’ waterstofsulfide (H2S) is de meest voorkomende stof hierbij.

Conclusie De belangrijkste oorzaken van het crisistype ‘verstoring rioolwaterafvoer en afvalwaterzuivering’ zijn extreme neerslag en uitval elektriciteitsvoorziening. Deze oorzaken zijn zelfstandige incidenttypen in dit regionaal risicoprofiel. Daarom is ervoor gekozen de verstoring van rioolwaterafvoer en afvalwaterzuivering onder deze incidenttypen mee te nemen.

3.5.4

Verstoring telecommunicatie en ICT

Het crisistype verstoring telecommunicatie en ICT heeft één incidenttype:

34

Regionaal Risicoprofiel 2025-2028

• (opzettelijke) verstoring, uitval of misbruik van een gedigitaliseerd proces, (informatie)systeem of informatiedienst De rol van telecommunicatie en ICT wordt steeds belangrijker in onze samenleving. Waar vroeger veel bedrijfsprocessen autonoom georganiseerd werden, worden deze zaken steeds vaker centraal georganiseerd via telecommunicatie, datanetwerken en het Internet. De opkomst van ‘Internet of Things’- apparaten die via een (Inter)netnetwerk aangestuurd worden, zoals rookmelders, sensors en koelkasten neemt de laatste jaren een vlucht. Een verstoring van telecommunicatie, maar voornamelijk Internet heeft dan ook een steeds grotere impact, op meerdere vitale sectoren. Zo zijn vitale sectoren als telecommunicatiediensten, radarcommunicatie, navigatie en aansturing van spoor, lucht en scheepvaart, satellietcommunicatie, bevoorradingsbedrijven en zorgleveranciers in hoge mate afhankelijk van de beschikbaarheid van digitale diensten, processen en systemen. De uitval van dergelijke vitale voorzieningen leiden vervolgens tot maatschappelijke dominoeffecten, waarbij veel bedrijven niet langer kunnen opereren, bijvoorbeeld omdat financiële systemen wegvallen en beveiliging niet langer mogelijk is. Een uitval van een vitale digitale dienst, proces of systeem voor langere tijd heeft daarmee een grote impact op de samenleving.

De eerdergenoemde toename van de afhankelijkheden maakt dat de impact in de komende jaren alleen maar groter wordt. Ook hulpverleners hebben last van zo’n uitval of verstoring. Zo heeft recente casuïstiek laten zien dat onderlinge communicatie via P2000, mobiele telefonie en het crisissysteem LCMS niet ongevoelig zijn voor de uitval van spraak- en datacommunicatie. Het vormen van een goed beeld en daarmee crisisbesluitvorming wordt daardoor bemoeilijkt. Daarnaast was in juni 2019 sprake van een landelijke storing bij KPN met uitval van 112. Uitval of verstoring van een digitale dienst, proces of systeem kan het gevolg zijn van een verstoring in de elektriciteitsvoorziening, maar er zijn ook andere oorzaken. Zo werd de uitval van ICT-diensten in Amsterdam in 2012 door een ‘simpele’ kabelbreuk veroorzaakt en was een langdurige verstoring van mobiele telefonie in Rotterdam bij Vodafone in 2012 het gevolg van een grote brand in een naastgelegen bedrijfspand. Daarnaast zijn er steeds meer voorbeelden van cybercrime waarbij datacommunicatie moedwillig wordt stilgelegd of gehinderd voor financieel gewin (ransomware) of verstoring van de maatschappij. Conclusie Een gehele of gedeeltelijke uitval van een digitale dienst, proces of systeem is waarschijnlijk en reeds meermaals voorgekomen.

In de meeste gevallen is dit niet opzettelijk, maar het gevolg van een fout in het netwerk of grootschalige uitval van elektriciteitsvoorziening. Wereldwijd zijn er echter steeds meer voorbeelden van cybercrime waarbij financieel gewin of verstoring het doel is. De toename van de afhankelijkheid van het Internet maakt dat de impact groot is en in de nabije toekomst verder zal toenemen. Het incidenttype uitval of verstoring van een digitale dienst, proces of systeem wordt daarom meegenomen in de risicoanalyse.

3.5.5

Verstoring afvalverwerking

Het crisistype verstoring afvalverwerking is uitgesplitst in twee incidenttypen: • Uitval afvalverwerking • Uitval afvalinzameling Het scenario Uitval afvalverwerking leidt niet tot ernstige of risicovolle (regionale) situaties in VrAA. Er zijn namelijk voldoende uitwijkmogelijkheden voor afvalverwerking. Nederland kent twaalf grote verbrandingsovens en één daarvan is het Afval Energie Bedrijf (AEB) in Amsterdam. De verbrandingsovens in Nederland werken samen, bij uitval van AEB kan uitgeweken worden naar een andere verbrandingsoven. Dit is echter geen reguliere taak en vergt de nodige afstemming over capaciteit en uitwijkmogelijkheden. Een dergelijk scenario leidt tot hogere kosten en vertraging van de afvalverwerking en heeft effect op de warmteleverantie aan het warmtenet. Ook zorgt het voor een opstapeling van afval dat het risico van broei met zich meebrengt. Een grootschaliger effect is wanneer twee (grote) afvalverwerkers gelijktijdig uitvallen,

35

Regionaal Risicoprofiel 2025-2028

bijvoorbeeld wanneer naast het stilvallen van AVR Rotterdam door brand (september 2023) ook AEB zou uitvallen. Een scenario dat waarschijnlijker is, is uitval van de afvalinzameling. Een langdurige uitval van de afvalinzameling kan tot de volgende problemen leiden: • Stankoverlast • Ongedierteplaag • Maatschappelijke onrust • Ontstaan besmettingsbronnen als gevolg van rottingsprocessen. Indien de impact van een dergelijk scenario te groot dreigt te worden, moeten alternatieve wijzen van afvalinzameling georganiseerd worden (bijvoorbeeld inhuur gespecialiseerde bedrijven). Conclusie Gezien de beperkte impact van beide scenario’s onder het crisistype verstoring afvalverwerking, worden beide incidenttypen niet meegenomen in de risicoanalyse.

3.5.6

Verstoring voedselvoorziening

Het crisistype verstoring voedselvoorziening omvat één incidenttype • Uitval distributie Een ernstige uitval van voedselvoorziening waarbij alleen VrAA getroffen wordt is ondenkbaar. Het is aannemelijker dat dit incidenttype zich als (inter-)nationale crisis zal voordoen. Wanneer een dergelijke crisis zich voordoet zal dit leiden tot buitengewone omstandigheden waarbij (nationale) crisiscoördinatie plaatsvindt. Het treffen van maatregelen op het gebied van de voedselvoorziening is in beginsel dan ook belegd bij de nationale overheid en de Europese Unie. De Veiligheidsregio vervult daarbij slechts een uitvoerende taak. Kleinschaliger incidenten in de voedselvoorziening die zich in de regio voordoen zullen niet van lange duur zijn. Door marktwerking zal de distributie snel vanuit elders op gang komen. Conclusie Gezien de schaalgrootte van een internationale voedselcrisis enerzijds, en anderzijds de beperkte impact van een regionale verstoring van de voedselvoorziening, wordt het incidenttype verstoring voedselvoorziening niet meegenomen in de risicoanalyse.

3.6 Verkeer en vervoer 3.6.1

Luchtvaartincidenten

Het crisistype luchtvaartincidenten is uitgesplitst in twee incidenttypen: • Incident bij start of landing op of om een luchtvaartterrein • Incident vliegtoestel bij vliegshows (niet van toepassing voor VrAA) VrAA heeft zelf geen luchtvaartterrein. Luchthaven Schiphol, in Veiligheidsregio Kennemerland (VrK) ligt tegen de grens van VrAA aan. Schiphol krijgt een vergunning voor ongeveer 440.000 vliegbewegingen per jaar. Totdat dit aantal wettelijk is vastgelegd, zal dit aantal variëren. Een aanzienlijk deel van deze vliegbewegingen gaat, afhankelijk van de windrichting, over VrAA, doordat een aantal belangrijke aan- en uitvliegroutes van Schiphol over de regio loopt. Bovendien is op grotere hoogte doorgaand vliegverkeer. De kans op een vliegtuigongeval is het grootst bij het opstijgen en het landen. In verband met de verstedelijking van het grondgebied is de kans op een hoge impact groter. Dit hangt natuurlijk ook af van het de locatie van het incident. In 1992 stortte een vliegtuig neer in de woonwijk Bijlmermeer. De impact van een

36

Regionaal Risicoprofiel 2025-2028

dergelijk incident is veel groter dan dat van het vliegtuig dat in 2009 in de polder langs de A9 neerstortte. Het risicogebied beslaat naast VrAA en VrK, ook Veiligheidsregio Noord-Holland Noord, Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland, Veiligheidsregio Utrecht en Veiligheidsregio Hollands-Midden. De impact van een vliegtuigongeval is groter als er kwetsbare objecten of vitale infrastructuur bij betrokken is. Binnen een straal van 10 km van Schiphol bevinden zich de volgende kwetsbare objecten. Binnen dezelfde straal van de luchthaven vindt in algemene zin 10% van de luchtvaartongevallen plaats. Tabel 3 - Kwetsbare objecten binnen een straal van 10 km van Schiphol in de regio AA

Risicofactor Infrastructuur Verstedelijking Hoogbouw Opslag gevaarlijke stoffen Procesindustrie

Definitie / Voorbeeld Snelwegen A4, A5, A9, A10 >20% gebied met > 240 inwoners/per hectare Amsterdam 33 hoge gebouw aanwezig tussen 150m - 75m Tankpark met > 107 m3/km2 Oiltanking, BP Aanwezigheid basischemie of complexe fijn chemie Westelijk Havengebied, Amsteldijk

Conclusie Gezien de incidenten in de afgelopen jaren, de grote impact, de aanwezigheid van kwetsbare objecten binnen een straal van 10 km van de landingsbaan wordt het incidenttype incident bij start of landing op of om een luchtvaartterrein meegenomen in de risicoanalyse.

3.6.2

Incidenten op of onder water

Het crisistype incidenten op of onder water is uitgesplitst in vier incidenttypen: • Incident waterrecreatie en pleziervaart • Incident beroepsvaart (anders dan met gevaarlijke stoffen) • Incident op ruim water • Grootschalig duikincident De regio bestaat voor een groot deel uit wateroppervlakte en daar zijn de volgende voorbeelden een greep uit een nog veel langere lijst. De belangrijkste vaarwegen voor de beroepsvaart in VrAA zijn het Noordzeekanaal, het Amsterdam-Rijnkanaal, het IJ, het IJ-meer en de Amstel. In de regio is tevens een aantal recreatieplassen, namelijk de Sloterplas, de Gaasperplas, de Poel, de Nieuwe Meer, de Ouderkerkerplas en de Westeinderplassen. Daarnaast heeft Amsterdam haar grachtengordel die veel bekijks trekken. De risico’s met betrekking tot ongevallen op het water worden grotendeels bepaald door de activiteiten op het Noordzeekanaal. De risico’s betreffen zowel incidenten met gevaarlijke stoffen (dit incidenttype wordt uitgewerkt onder het crisistype incidenten met brandbare/explosieve respectievelijk giftige stof in open lucht) als incidenten met passagiersboten (rondvaartboten en rivier- en zee cruiseschepen). Ten aanzien van grote passagiersboten en de kleine scheepvaart geldt dat de waarschijnlijkheid en impact klein zijn; de kans op slachtoffers en schade is klein.

Incidenten op de kleine scheepvaart met enkele slachtoffers worden afgehandeld conform de procedure waterongevallen. Deze procedure geldt niet voor de middelgrote passagiersvaart, zoals rondvaartboten, veerboten en partyboten. Voor de grote scheepvaart gelden veiligheidsmaatregelen, waaronder de aanwezigheid van een veiligheidsorganisatie. Hieronder vallen bijvoorbeeld de cruiseschepen die Amsterdam aan doen. Deze ‘varende steden’ hebben eigen hulpverleningscapaciteiten. Voor de middelgrote passagiersvaart zijn dergelijke maatregelen niet van toepassing. De impact van een incident met middelgrote passagiersvaart zal daarom groter zijn dan de impact van een incident met grote passagiersboten en met kleine pleziervaart.

37

Regionaal Risicoprofiel 2025-2028

Een klein deel van het IJ-meer en Markermeer valt binnen de grenzen van VrAA. Hoewel de waarschijnlijkheid van incidenten op de hoofdvaarroute groter is dan in de randmeren, wordt incidenttype incident op ruim water niet meegenomen in de risicoanalyse. Omdat beide meren slechts voor een klein deel binnen VrAA vallen, is de waarschijnlijkheid van het incidenttype incident op ruim water beperkt. Conclusie Het incidenttype incident met middelgrote (passagiers)vaart wordt meegenomen in de risicoanalyse.

3.6.3

Verkeersincidenten op land

Het crisistype verkeersincidenten op land is uitgesplitst in twee incidenttypen: • Incident wegverkeer • Incident treinverkeer VrAA is zowel een knooppunt van wegverkeer als spoorverkeer. • Rijkswegen: A1 (Amsterdam-Amersfoort), A2 (Amsterdam-Utrecht), A4 (Amsterdam-Den Haag), A5 (Amsterdam-Hoofddorp), A8 (Amsterdam-Zaandam), A10 (Amsterdam-Zaanstad) en A200 (AmsterdamHaarlem). • Spoor: traject Amsterdam-Utrecht, traject Amsterdam-Den Haag/Leiden, traject Amsterdam- Haarlem en traject Amsterdam-Alkmaar Na een daling van het aantal verkeersongvallen tijdens Corona is het aantal verkeersongevallen al dan niet met gewonden of doden weer toe 20.We zien met name een toename van verkeersongevallen met e-bikes, het aantal jongeren dat door een verkeersongeval met een elektrische fiets op de SEH is terechtgekomen voor ernstig letsel is in de periode 2018-2022 verviervoudigd. In 2022 vonden onder 12-17 jarigen tenminste 500 SEH-bezoeken plaats voor ernstig letsel na een ongeval met een elektrische fiets. Dat is tien procent van het totaal van alle SEH-bezoeken voor ernstig letsel door een fietsongeval in deze leeftijdsgroep. In vergelijking met het aantal ongevallen op de weg vinden nauwelijks ongevallen op het spoor plaats. Het gaat om enkele ongevallen per jaar. De waarschijnlijkheid van spoorwegongevallen is klein ten opzichte van ongevallen op de weg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15309767/1