1. Zorgen voor dakloze gezinnen in Amsterdam - OMA.pdf
Tekst van het document
5.7 De belangen van kinderen worden nog niet altijd goed meegewogen Professionals die zich met dak- en thuisloze gezinnen bezighouden worstelen met het vraagstuk hoe om te gaan met kinderen die dak- of thuisloos zijn en daarmee in hun ontwikkeling worden bedreigd. Door dat preventie nog niet op orde is, door schaarste op de woningmarkt en het gebrek aan mogelijkheden voor tijdelijke huisvesting, is de enige optie om deze economisch dakloze gezinnen uiteindelijk naar de noodopvang te geleiden, ingeval zij binding hebben met Amsterdam. Is dat niet het geval dan zijn er nog minder oplossingen. Deze wijze van beoordelen sluit niet aan op de werkelijkheid waarin dak- en thuisloze gezinnen verkeren. Een professional: “Met name de ‘verwijtbaarheid’ is een heikel punt. Moeders met kinderen die volgens instanties ‘onvoorbereid’ naar Nederland komen en daarmee ‘verkeerde keuzes’ maken. Er wordt afgewezen op regiobinding, maar aan de belangen van kinderen komen we eigenlijk niet toe. Door het schaarsteargument, maar ook omdat er geen deskundigen betrokken zijn die zo'n afweging op vastgestelde criteria kunnen maken.“
72
Gefingeerde namen.
47
De GGD stelt dat er bij de toegang oog is voor de situatie van kinderen en opvoedvaardigheden van ouders. Bijvoorbeeld doordat overlegd wordt met Veilig Thuis en geprobeerd wordt met (oudere) kinderen te spreken. Maar ook hier ontstaat een dilemma op het moment dat er geen binding is. Bovendien is er vaak onduidelijkheid (ook vanuit de kant van ouders of omdat er in het voortraject nog onvoldoende onderzoek is gedaan) over het al dan niet aanwezige netwerk. Daardoor zien we dat in de dagelijkse uitvoeringspraktijk (nog) onvoldoende gedegen en zorgvuldig onderzoek gedaan naar wat voor de kinderen bij (dreigende) dakloosheid de beste oplossing is, in plaats van de vraag waar ouders belang bij hebben. Ook de rechtspraak is hier kritisch op, zoals onderstaande uitspraak73 laat zien: “(..) Om die gebreken te herstellen, moet het college alsnog de onderzoeken (laten) uitvoeren naar de zelfredzaamheid van eiseres, zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015, de belangen van de kinderen en die van het gezin als geheel. Daarbij zal – conform het bepaalde in artikel 12 van het IVRK – ook passend belang moeten worden gehecht aan de mening van de kinderen.
De rechtbank noemt daarover nog – in aanvulling op hetgeen ter zitting is besproken – dat zij het college in overweging geeft om het nog uit te voeren onderzoek naar de belangen van de kinderen in deze situatie uit te voeren of te laten uitvoeren aan de hand van de door de Kinderombudsman daartoe ontwikkelde handreiking, aangezien het gaat om een complexe situatie waarin, gelet op de te beantwoorden vragen naar het oordeel van de rechtbank specifieke deskundigheid vereist is en een specifiek deskundig advies niet kan ontbreken.” In de gesprekken met professionals over de problematiek van (dreigende) dak- en thuisloosheid en de toegang tot de opvang, komt steevast een aantal knelpunten terug dat te maken heeft met het wegen van het belang van het kind. Allereerst valt op dat de tool van de Nationale Kinderombudsman, het beste besluit voor het kind, niet (goed) wordt toegepast, ondanks dat wordt aangegeven dat altijd wordt gekeken naar hoe het met de kinderen gaat.74 Terwijl het voor langere tijd verblijven in de noodopvang verblijven negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van een kind. Gevolgen die onomkeerbaar en ernstig kunnen zijn. In het volgende hoofdstuk wordt daar nader op ingegaan. 5.8 Rechtsbescherming staat onder druk De GGD die belast is met de toeleiding naar de noodopvang, start na de melding een ‘onderzoek’, waarop een verslag zou moeten volgen.
Alleen dan kan een aanvraag gedaan worden, of het verslag met de afwijzing kan dienen als besluit. Het is van dus van belang dat gezinnen een schriftelijk stuk ontvangen waartegen zij bezwaar kunnen maken. De advocaat of belangenbehartiger kan het verhaal van een gezin onderschrijven en waar nodig aanvullen. Op die manier wordt hun kans op een betere en volledigere intake vergroot. De GGD verstrekt dit soort besluiten alleen als gezinnen hier expliciet om vragen. Dit heeft te maken met de hoeveelheid aanvragen/meldingen in combinatie met beperkte capaciteit. Naast het feit dat dit soms ten koste gaat van de kwaliteit van de intake, kan een gezin aan de hand van een mondelinge afwijzing geen bezwaar en beroep aantekenen. Dat zorgt niet alleen voor een gebrek 73
ECLI:NL:RBDHA:2023:3130. Het beste besluit voor het kind is (mede) gebaseerd op artikel 3 IVRK en heeft rechtstreekse werking. Bij alle maatregelen die kinderen aangaan vormen de belangen van het kind de eerste overweging maar dat betekent niet dat het belang van het kind altijd voorrang heeft boven andere belangen. Wel dat bij een conflict van belangen, het belang van het kind de doorslag geeft. 74
48
aan rechtsbescherming, maar leidt ook tot ruis omdat het voor gezinnen niet altijd duidelijk is waarom zij niet in aanmerking komen voor noodopvang en welke opties er zijn om wél aan onderdak te komen. 5.9 Resumerend Het voorkomen van dakloosheid verdient uiteraard altijd de voorkeur boven (nood)opvang. Toch blijft opvang noodzakelijk voor gezinnen die daadwerkelijk op straat terechtkomen. Door de aanhoudende wooncrisis is de vraag naar opvang groter dan het beschikbare aanbod. In combinatie met een beperkt gemeentelijk budget leidt dit tot strikte toelatingscriteria voor de noodopvang. Zo moet een gezin minimaal vier jaar ingeschreven staan, acuut dakloos zijn én geen opvangmogelijkheden hebben binnen het eigen netwerk. Het idee van schaarste en aanzuigende werking zorgt ervoor dat maatwerk, bijvoorbeeld in schrijnende situaties, voor professionals in de praktijk lastig toe te passen is. Want waarom het ene gezin wel en het andere niet? Andere vragen die een rol spelen zijn: hoe verhoudt ‘zelfredzaamheid’ zich tot dakloosheid? Wie heeft de expertise om het belang van kinderen af te wegen? Wanneer is een netwerk ‘onveilig’ en wie toetst dat? Bij betrokken partijen ontbreekt soms expertise en kennis op bepaalde terreinen, ook is er onduidelijkheid over rollen, taken en verantwoordelijkheden.
Voorts blijken rechten en belangen van kinderen soms onder te sneeuwen bij de beoordeling en het onderzoek, omdat de focus nadrukkelijk ligt op de positie van hun ouders en hetgeen zij hebben gedaan of nagelaten. Tot slot is van belang dat gezinnen een beschikking ontvangen, ook als zij een melding doen. Dit is niet alleen in het belang in het kader van de rechtsbescherming, maar zorgt ook voor meer duidelijkheid over hun rechten en plichten.
49
50
6.1 Inleiding Gezinnen die net in de noodopvang zijn opgenomen, staan vaak (nog) in de overlevingsstand. De periode van daarvoor met onzekerheid over huisvesting, bijkomende problematiek en het overleven in het netwerk heeft grote impact. Op het moment dat gezinnen zich melden bij de noodopvang is er vaak meer aan de hand dan een woonprobleem. Dan staat hun bestaanszekerheid zó onder druk dat er per definitie hulp nodig is: er is gebrek aan werk en inkomen, geen adresregistratie en er zijn vaak schulden, psychische en/of medische problemen, relationele problemen en trauma’s. Ook is sprake van stress en zorgen over de (woon)situatie en het welzijn van de kinderen. Dit alles heeft invloed op het doenvermogen van ouders.75 In dit hoofdstuk worden knelpunten tijdens het verblijf in, en de uitstroom uit de noodopvang nader beschreven. Het gaat om knelpunten waar de hulpverlening tegenaan loopt, redenen waarom de uitstroom stagneert, en belemmeringen om maatwerk te leveren. Aan het einde van het hoofdstuk wordt een aantal suggesties gedaan voor mogelijke oplossingsrichtingen. 6.2 Begeleiding in de noodopvang Wanneer een gezin wordt toegelaten tot de noodopvang krijgt het in principe een periode van drie maanden de tijd om voor alternatieve huisvesting te zorgen. Samen met de begeleiding van de zorginstantie stelt het gezin een plan met doelen op.
Hierbij wordt vooral ingezet op het reageren op verschillende woningsites buiten Amsterdam.76 Zo’n plan wordt na drie maanden geëvalueerd. Daarnaast worden doelen gesteld die liggen op het gebied van het stabiliseren van financiën of op het gebied van opvoedvaardigheden. Gezinnen krijgen op basis van subsidie van de gemeente in principe drie uur begeleiding per week. Daarbinnen moeten ook uitkeringen en toeslagen worden aangevraagd of aangepast.77 Begeleiding in de opvang Professionals in de noodopvang stellen dat drie uur begeleiding te weinig is om gezinnen goed te begeleiden. Onder deze drie uur vallen ook de contacten met andere instanties, hetgeen ook veel tijd en energie kost. Zo vertelt een professional dat begeleiders vaak veel tijd kwijt zijn aan contact leggen met buurtteammedewerkers die noodzakelijke voorzieningen moeten aanvragen. Maar dat is soms lastig, omdat ook daar niet altijd voldoende tijd is, en het steeds wisselende medewerkers zijn. Professionals hebben behoefte aan een vast contactpersoon bij het buurtteam, zodat de lijntjes kort zijn:
75
Omdat direct bij binnenkomst veel geregeld worden op administratief gebied en voor de kinderen is dat beperkte doenvermogen van ouders problematisch. 76 De toegangseisen en voorwaarden voor een verblijf in de noodopvang van de Gemeente zijn vastgelegd in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015, die verder is uitgewerkt in de zogenoemde ‘Nadere Regels’. Hierin staan de voorwaarden voor verblijf in de noodopvang uitgewerkt. Zo moet een gezin meewerken aan een traject dat gericht is op uitstroom; moet een gezin zich inschrijven in Woningnet; schrijft een gezien zich ook in bij minimaal drie woning-zoek-sites in zogeheten krimpregio’s; betaalt een gezin een eigen bijdrage; et cetera. 77 Wat gezinnen zich niet altijd realiseren is dat er voor de noodopvang een eigen bijdrage van €400 per maand verschuldigd is. Om te voorkomen dat gezinnen bij binnenkomst in de noodopvang al direct in financiële problemen terechtkomen, is het zaak dat sociale voorzieningen tijdig aangevraagd worden. Gezinnen kunnen hiervoor terecht bij hun begeleiding, het buurtteam en het loket op de Jan van Galenstraat.
51
“Vroeger hadden we een buurtteammedeweker hier zitten die wekelijk spreekuur hield. Dat werkte heel goed. Gezinnen wisten haar te vinden. Maar toen zij bij het buurtteam vertrok, hield ook het spreekuur op.” Deze buurtmedewerkers zijn op hun beurt, voor het aanvragen van een uitkering of een andere voorziening, weer afhankelijk van de reactie(termijn) van de gemeente of Belastingdienst. Hoewel gezinnen aan het begin van deze periode vaak even mogen ‘landen’, vinden begeleiders over het algemeen dat er in deze periode te weinig ruimte is om aan andere bestaanscondities en bijkomende problematiek te werken. Daarbij constateert de Kinderombudsman dat de rol van begeleiders per opvang verschilt. Zo wordt er bij sommige zorgaanbieders bij ouders vanaf het begin strikt gestuurd op het zoeken buiten Amsterdam. Ook met het oog op de driemaandelijkse evaluatie, waar ook de GGD aansluit. Gezinnen stromen hier over het algemeen sneller uit. Aan de andere kant is er soms te weinig oog voor bijzondere omstandigheden die maatwerk vereisen. In andere opvanginstellingen staan begeleiders meer ‘naast’ de cliënt en werken meer vraaggericht. Dat maakt dat gezinnen die daar verblijven zich minder snel neerleggen bij negatieve beslissingen op een urgentie aanvraag of een afwijzing voor de maatschappelijke opvang.
Zij verblijven daardoor soms langer in de opvang dan wanneer ze breder zouden reageren buiten Amsterdam. Omstandigheden ouders Wanneer ouders de noodopvang in komen, hebben zij vaak een lang traject achter de rug van instabiel of onveilig wonen in een netwerk of een huiselijk geweldsituatie. Door stress en trauma is hun doenvermogen aangetast. En ook binnen de opvang zijn de omstandigheden voor een gezin verre van ideaal. Zo is de dagelijkse routine, denk aan het brengen en halen van kinderen naar school; de verzorging van de kinderen; het op elkaars lip zitten in één ruimte; het alleen op gezette tijden kunnen koken; én het delen van voorzieningen voor de vaak eenoudergezinnen stressvol. Tijd en ruimte voor het zoeken of behouden van een baan is er nauwelijks. Bovendien is bij deze groep ouders en kinderen vaak sprake van psychische klachten, zoals trauma of depressie. Een ouder verwoordde het als volgt: “Ik kwam uit een gewelddadige relatie en moest na verblijf in mijn netwerk, vechten voor een plekje voor mij en mijn zoon in de noodopvang. Ik sta in overlevingsstand en probeer mijn baan te behouden. Tegelijkertijd moet ik mijn zoontje naar school en sportclubjes brengen, die nog aan de andere kant van de stad zijn. Door mijn onregelmatige werktijden, en het feit dat mijn zoon op tijd naar bed moet, is koken in de gezamenlijke keuken niet te plannen.
Ik merk dat ik niet de moeder ben die ik voor hem wil zijn.” Het systeem lijkt er nu soms zelfs toe te leiden dat mensen minder zelfstandig uit de opvang komen dan ze erin gingen. Verblijf in de opvang hospitaliseert: mensen worden juist meer afhankelijk van zorg. Het helpt dan niet dat mensen met een primaire woonvraag in de
52
noodopvang samen worden ondergebracht met gezinnen die op de wachtlijst staan voor BT/BV en vaak kampen met complexe psychiatrie.78 6.3 Kinderen in de noodopvang De omstandigheden in een opvang zijn voor kinderen niet optimaal. Er is weinig privacy, geen aparte ruimte om je terug te trekken, laat staan om vriendjes te ontvangen, faciliteiten zoals de keuken (soms is er in het gehaal geen kookgelegenheid), de wc's en de badkamer moeten worden gedeeld, ouders ervaren stress, medebewoners die kampen met psychiatrie en weinig structuur, bovendien is er vaak veel onzekerheid over de toekomst. Dit geldt met name voor hotels, waar gezinnen noodgedwongen maanden, soms jaren samen op één kamer verblijven, zonder extra ruimte. Zorgorganisaties proberen, met alle beperkingen die er zijn, de opvang zo geschikt mogelijk te maken voor kinderen.79 Tegelijkertijd erkennen zij dat verblijf in een opvangsetting al na zes maanden schadelijke gevolgen kan hebben voor kinderen. Een professional: “Ik zie de stress bij moeders en zou het liefst meer tijd aan de kinderen besteden. Het is goed dat er nu meer contact is met het OKT maar ik zie dat zij in praktijk ook weinig kunnen doen.” Ook kinderen komen geregeld ‘met bagage’ de opvang in: zij hebben vaak langere tijd van plek naar plek moeten verhuizen of zijn dakloos geworden als gevolg van huiselijk geweld.
Vaak spelen meerdere problemen zoals armoede, schuldenproblematiek of onveiligheid. “De kinderen van nu, zijn mijn cliënten van de toekomst.” Daarbij komt dat de begeleiding van de kinderen ook in diezelfde drie uur per week moet plaatsvinden. Het aantal uren is bovendien voor elk gezin gelijk: onafhankelijk of het gaat om een gezin met één baby, of met vier grotere kinderen. Zo hanteert HVO Querido de methode ‘Veerkracht’ die ervoor moet zorgen dat de bestaanscondities voor kinderen in de opvang verbeteren. Maar ondanks de goede intenties is er weinig tijd om die goed toe te passen. Begeleiders zijn te druk om de basale condities op orde te brengen. De opvang zou daarnaast meer ruimte en tijd willen hebben voor activiteiten voor kinderen, bijvoorbeeld door een activiteitenbegeleider in te zetten. Maar daar zijn geen middelen voor. Gezinnen die in de noodopvang wachten op een plek in de maatschappelijke opvang, krijgen ook maar drie uur begeleiding. Terwijl de problematiek fors is. Volgens professionals is het lastig uit te leggen dat een gezin de eerste 1,5 jaar, maar drie uur per week begeleid wordt, terwijl de begeleiding daarna wél wordt opgeschroefd naar 5 tot 6 uur per week. In theorie is aan elke opvanginstelling een OKT gekoppeld. Maar ook hier missen professionals een vast contactpersoon. Begeleiders of bewoners moeten er zelf achteraan.
Dat maakt dat er minder goed zicht is op de kinderen. Ouders in de opvang zitten in een overlevingsmodus en melden zich niet zo snel bij het OKT. Bovendien is de hulp die het OKT naar eigen zeggen kan leveren, 78 79
Zie verder in 6.3. waarin deze situatie ook voor problemen zorgt als het gaat om het uitstromen. Zo is er vaak een speelruimte en worden er soms activiteiten georganiseerd.
53
lang niet toereikend. Kinderen in de opvang zouden veel beter begeleid en ondersteund moeten worden, maar die hulp is wegbezuinigd vanuit de gedachte dat verblijf in de noodopvang tijdelijk is. De praktijk is echter dat de meeste gezinnen er langer dan zes maanden verblijven. Hierdoor is er te weinig aandacht voor het kind als individu en dat is zorgelijk. En Veilig Thuis is pas aan zet als de situatie geëscaleerd is. Een professional: “Behalve meer uren voor de begeleiding, zou in sommige situaties meer bemoeizorg in het voortraject moeten komen, zodat voorkomen wordt dat situaties escaleren.” 6.4 Vastgedraaid in de jeugdketen Professionals in de keten zien met enige regelmaat ouders en kinderen waar meer aan de hand is maar bij wie het moeilijk ‘aan te sluiten’ is. Ze lopen er tegenaan dat als zij zwaardere hulp inzetten het risico bestaat dat een verzorgende ouder minder in actie komt en mijdend gedrag vertoont. Tegelijkertijd gaat het om kinderen voor wie (langdurig) verblijf in de noodopvang veel impact heeft. Die kinderen hebben hulp en begeleiding nodig. Zij vragen zich af op welke wijze zij iets voor die kinderen kunnen betekenen en tegelijkertijd een statement kunnen maken tegen ouders. Een hulpverlener: “We zien dat er meer aan de hand is met moeder, maar ze houdt elke vorm van hulp en begeleiding af.
Steeds als we denken dat we een stapje verder zijn, gooit ze uit wantrouwen de deur weer dicht. In het verleden waren er zorgen over de kinderen. Die lijken het nu op het eerste gezicht goed te doen, maar tegelijkertijd kunnen we er niet goed de vinger op leggen.” Begeleiding en monitoring van kinderen in de opvang is voor verbetering vatbaar, vinden professionals. Volgens Veilig Thuis wordt er na een melding alleen een terughoudende check gedaan en is er weinig zicht op de situatie als geheel. Dat is onwenselijk, aldus een medewerker van Veilig Thuis: “Het is eigenlijk bizar dat wij als Veilig Thuis geen zicht hebben op kinderen die langer dan zes maanden in de opvang zitten. Dat moet beter.” Veilig Thuis beoordeelt de situatie op basis van een momentopname. Vervolgens wordt ‘afgeschaald’ naar het OKT, maar dat heeft niet altijd ‘genoeg in huis’ om kinderen in deze kwetsbare situatie goed te ondersteunen. Het gevolg is dat de problematiek rondom het gezin complexer wordt en uiteindelijk ‘vastdraait’. Professionals hebben daarbij niet altijd een gezamenlijk gedragen visie op wat ‘goed of slecht ouderschap’ inhoudt. Of er wordt verschillend gedacht over de vraag in hoeverre een ouder ‘alles heeft gedaan wat in de gegeven omstandigheden in zijn of haar vermogen ligt’. Een medewerker van het OKT zegt hierover: “Mensen doen rare dingen onder stress.
Het is vaak niet relevant wie er 'schuld’ heeft. De vraag is: wat is hier helpend voor de kinderen?”
54
Het gevolg is dat, ondanks dat gezinnen vaak bij meer instanties bekend zijn, er net als in de voorfase, een compleet beeld over het gezin ontbreekt. Het is onvoldoende duidelijk wie regie voert. Hierdoor verloopt de samenwerking nog wel eens stroef. Gelukkig zijn er voorbeelden waar het wél goed gaat: De HAB-methode waarin HVO Querido, I-Hub (o.a. Altra) en Blijf Groep samenwerken, richt zich op het versterken van een veilig leef- en opvoedklimaat bij gezinnen die wonen binnen de opvang van HVO-Querido. Zodat kinderen in deze gezinnen zich veilig kunnen ontwikkelen en de kans op intergenerationele overdracht van problemen, zoals armoede, huiselijk geweld, kindermishandeling en schulden, afneemt. Daartoe wordt gewerkt aan vroegsignalering van vragen en problemen van gezinnen op het gebied van opvoeding en veiligheid; integrale hulp geboden met aandacht voor samenhang tussen problemen op verschillende leefgebieden en een gezamenlijk plan van aanpak van problemen met aandacht voor volgordelijkheid; en is er een laagdrempelig en outreachend aanbod van specialistische interventies gericht op versterking van een veilig en ontwikkelingsgericht pedagogisch klimaat in het gezin.80 Bovenstaande methode wordt nog niet gebruikt in de noodopvanglocaties. Terwijl zij in veel gevallen dezelfde soort problematiek kennen. Hier zou dit soort integrale begeleiding wenselijk zijn.
6.5 Wanneer de uitstroom stagneert Hoewel gezinnen er begeleid en ondersteund worden, is het doel van de noodopvang hen zo snel mogelijk te laten uitstromen naar een woonruimte binnen of buiten de gemeente. Maar de woningcrisis is op een zodanig niveau dat, ook als een gezin consequent op de juiste manier reageert op woningsites buiten Amsterdam, het gemiddeld een jaar duurt voordat er een woning buiten de regio gevonden wordt. In de praktijk duurt uitstroom uit de noodopvang dus veel langer dan drie maanden en hierop is de noodopvang niet ingericht.81 De helft van de gezinnen zit zelfs langer dan een jaar in de noodopvang. Vaak spelen er nog andere factoren mee die de uitstroom belemmeren.82 In de noodopvang verblijven óók gezinnen die op de wachtlijst staan voor BT/BV met wooncomponent. Deze groep krijgt na verblijf in de (maatschappelijke)opvang onder voorwaarden een urgentieverklaring in het kader van de zogenoemde omslagroute. De deelnemers moeten ambulante ondersteuning door een zorgaanbieder accepteren. Binnen een intensief traject kan er, na gemiddeld 2 jaar, wanneer de woondoelen zijn behaald, alsnog een urgentie worden verstrekt en komt het contract op naam van het gezin. Voor de groep economisch daklozen bestaat een dergelijk traject niet. Een deel van de groep wil echter graag in 80
Methode omschrijving en onderbouwing HAB, Max Huber, Sanne Kraak, Jessie Gemmel en Maaike van Vugt, zie: https://hvoquerido.nl/wp-content/uploads/2023/10/Methodebeschrijving-onderbouwing-HAB-.pdf Methodebeschrijving-onderbouwing-HAB-.pdf. 81 Uit cijfers van de gemeente Amsterdam blijkt dat er in mei 2024 60 gezinnen meer dan 700 dagen in de opvang zaten. Bron: rapport ’Dakloze Gezinnen', juni 2025. 82 Bijvoorbeeld doordat de hulpvraag complexer is dan aanvankelijk gedacht en er eigenlijk meer nodig is dan de beperkte begeleiding die de noodopvang kan bieden. Er moet dan alsnog of opnieuw een screening plaatsvinden voor de BT/VT. Het maken van uitzondering of het aanpassen van een traject is niet altijd even makkelijk voor de GGD.
55
Amsterdam blijven, bijvoorbeeld omdat de kinderen er naar school gaan; of omdat zij zich in Amsterdam thuis voelt vanwege de aanwezigheid van de eigen gemeenschap, ook is er grote onbekendheid met andere plekken in het land. Soms voelen zij de noodzaak sterker omdat er toch een (fragiel) netwerk is waar deze – vaak alleenstaande moeders - op steunen of kinderen ontvangen specialistische hulp die niet zomaar elders te krijgen is.83 Professionals signaleren dat gezinnen die deze route ingeslagen zijn, vaak niet meer verder kunnen kijken of willen kijken, en dus niet reageren op woningen buiten Amsterdam. Elise84 woont sinds 7 jaar in Amsterdam in bij haar vriend Tom, die ernstige psychoses ontwikkelt. Op een gegeven moment, als het bij Tom niet meer veilig is, vlucht Elise met haar twee jonge kinderen de woning uit. Bij het ontbreken van een netwerk vraagt ze zowel noodopvang als een urgentie aan. Beide aanvragen worden in eerste instantie afgewezen. Tegen Elise werd gezegd dat zij de woning had moeten opeisen om urgentie te verkrijgen. Maar Elise kon die woning helemaal niet betalen. Bovendien stond het huurcontract op naam van Tom. Tom is weliswaar de vader van haar kinderen maar Elise is niet met hem getrouwd. Ze hebben ook geen geregistreerd partnerschap. Elise kan met haar kinderen wel in de noodopvang terecht.
Maar omdat zij een urgentie wil dient Elise, met behulp van haar advocaat, een bezwaarschrift en vervolgens beroep in. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State wijst het beroep uiteindelijk af. Al die tijd verblijven Elise en haar twee kinderen in de noodopvang. Als het Doorbraakteam bij de zaak wordt betrokken en zich hard maakt voor het feit dat Elise nooit de woning had gekregen, ook niet als ze die had opgeëist, wordt alsnog een urgentieverklaring afgegeven. Elise en haar kinderen hebben dan drie jaar in de noodopvang gezeten. Bovenstaande casus laat zien dat als op een eerder moment maatwerk was geleverd, deze schrijnende situatie waarschijnlijk niet was ontstaan. Omdat beelden en aannames een rol van betekenis spelen, is er voor partijen geen ruimte om verder te kijken dan ‘de juridische weg’. Vanwege de eerder benoemde dilemma's rondom regie, rollen en taken en expertise bestaat het risico dat partijen langs elkaar werken en er geen duidelijk beeld van de casus is. Uiteindelijk kan het niet meewerken van ouders leiden tot een ontruimingsprocedure uit de noodopvang, zoals ook in de casus van Jacqueline het geval was.85 6.6 Formele vereisten staan maatwerk in de weg De criteria voor urgentieverklaring voor dakloze gezinnen zijn streng. Dat is logisch, want de woning schaarste in Amsterdam is groot en er zijn veel schrijnende situaties.
Er komen jaarlijks zo'n 12.000 telefoontjes binnen die de gemeente niet allemaal ‘i ntegraal’ kan beoordelen. De gemeente toetst urgentieaanvragen eerst op procedurele eisen , de weigeringsgronden uit de Huisvestingsverordening. Hier vallen zaken als ‘voorzienbaarheid’, ‘verwijtbaarheid’ of ‘binding’ onder.
83
Deze gezinnen gaan de strijd aan en voeren (soms langslepende) procedures op het gebied van toegang tot een Wmomaatwerkvoorziening of een urgentieverklaring. In dit soort zaken gejuridiseerde zaken staan partijen vaak lijnrecht tegenover elkaar. 84 Gefingeerde namen. 85 Zie de casusbeschrijving aan het begin van dit rapport.
56
Het criterium ‘voorzienbaarheid’ vormt in de praktijk een groot struikelblok, omdat het aangaan van een tijdelijk huurcontract, inwonen of (illegaal) onderhuren in principe leiden tot een afwijzing van een urgentieverklaring. Dat is enerzijds begrijpelijk, want het kan leiden tot een prikkel om zo van instabiele woonruimte naar een vaste woonruimte door te stromen. Aan de andere kant hebben gezinnen, in de huidige woningcrisis met een enorm tekort aan betaalbare woonruimte, vaak geen andere keus dan hiervoor te kiezen. Ook ‘binding’ vormt een obstakel nu veel gezinnen bijna per definitie een onbetrouwbare inschrijfhistorie hebben en daarom niet altijd vier jaar aaneengesloten in Amsterdam hebben gewoond. Is er sprake van een van deze weigeringsgronden, dan wordt er in principe inhoudelijk niet meer getoetst, mits het gaat om levensbedreigende omstandigheden. Een belangenbehartiger vertelde: “Tegen een moeder werd gezegd dat het haar eigen schuld is dat ze in onderhuur zit en daardoor straks geen woning meer heeft. Maar deze moeder was alleen bezig geweest met het koste wat het kost onderdak zoeken voor haar en haar kinderen.” De meest schrijnende verhalen leiden niet per definitie leiden tot een urgentieverklaring.
Uit het onderzoek van de gemeente Amsterdam bleek dat van de urgentieverklaringen, die jaarlijks worden afgegeven, maar een relatief klein aantal naar gezinnen gaat. 86 Vermoedelijk heeft dit zijn grondslag in het feit dat deze aanvragen al in een voorstadium stranden op de weigeringsgronden. Een kinderrechtentoets wordt niet toegepast, terwijl het hebben van stabiele huisvesting voor kinderen een basisbehoefte is. In sommige gevallen heeft juist het kind een zorgvraag en is die zorg elders in het land niet beschikbaar of zijn er lange wachtlijsten voor. Geen zorg-woonindicaties voor gezinnen Er zijn zowel binnen de Wmo, het urgentie- of het jeugdbeleid, geen indicaties die zien op huisvesting van gezinnen naar aanleiding van de problematiek van kinderen. Ook binnen het systeem van urgentieverlening zal een gezin vermoedelijk tegen een aantal procedurele drempels aanlopen waardoor de gemeente niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling. Gezinnen hebben, ook als ze geen binding hebben, niet altijd de mogelijkheid om dezelfde zorg elders in Nederland te ontvangen. Omdat deze niet bestaat, ofwel omdat de plekken schaars zijn. De gemeente Amsterdam constateert dit probleem eerder in haar rapport, en ook de Kinderombudsman heeft de afgelopen jaren regelmatig van doen gehad met situaties waarin kinderen bijvoorbeeld het ziekenhuis niet konden verlaten omdat er geen woonruimte was.
Dit probleem speelt niet alleen in Amsterdam. Tot nu toe worden dergelijke situaties via de ingewikkelde maatwerkroute opgelost, maar dat kost professionals veel tijd en energie.
86
Het Programma ‘huisvesting voor kwetsbare groepen’ (PHKG) laat zien dat de woningen die vanuit urgentie worden gekoppeld nagenoeg allemaal naar alleenstaanden gaan. Met name in de categorieën ‘sociaal-medische urgentie’ en ‘maatschappelijke opvang gezinnen’ gaan er woningen naar gezinnen. In 2023 zijn met urgentie 1969 woningen toegekend aan huishoudens PHKG , waarvan 370 naar gezinnen met 1 kind of meer. Dat is slechts 19%.
57
6.7 Wonen buiten Amsterdam Het zoeken van een woning buiten de regio is een van de weinige oplossingsrichtingen voor dakloze gezinnen in Amsterdam. Om voor zo'n woning in aanmerking te komen moeten gezinnen zich op een groot aantal betaalde en onbetaalde sites inschrijven. 87 Best practice: Stedelijk Team economisch daklozen en Wonen buiten Amsterdam Een steeds grotere groep dakloze gezinnen zoekt vanwege de enorme wachttijden naar woningen buiten Amsterdam. Een deel van hen heeft echter niet vaardigheden, het netwerk of de taalbeheersing om zelf woonruimte te vinden. Binnen het STED bij de Regenbooggr oep helpen maatschappelijk werkers gezinnen zoeken met woningen door heel Nederland. De maatschappelijk werkers weten van elke provincie waar er mogelijkheden liggen voor tijdelijke of vaste woonruimte. Op deze manier hebben zij in 2024 35 gezinnen aan vas te woonruimte geholpen. STED kan hen bovendien assisteren met het aanvragen van de noodzakelijke voorzieningen. Hierin kan het project Wonen buiten Amsterdam ook een belangrijke rol spelen. Wanneer een woning gevonden wordt, kan er binnen het project Wonen buiten Amsterdam geholpen worden om mensen succesvol te laten landen. Zo wordt er in 97% van de gevallen financiële ondersteuning geboden, zoals de eerste huur, borg of inrichtingskosten. Daarnaast wordt er in de nieuwe regio gekeken naar school of werk.
Op deze manier is een aantal gezinnen aan stabiele huisvesting gekomen.88 Ondanks het feit dat het steeds lastiger wordt om woningen te vinden, groeit het aantal gezinnen dat succesvol verhuist naar woningen buiten Amsterdam ieder jaar.89 Professionals signaleren echter dat, hoewel er binnen Nederland ‘vrijheid van vestiging’ bestaat, veel gemeenten de poort dichthouden. Die gemeenten zitten niet te wachten op ‘kwetsbare’ daklozen uit de Randstad. Kwetsbaren die mogelijk een beroep doen op hun sociale voorzieningen. Een professional: “In praktijk worden mensen afgewezen voor een huurwoning waar ze op nummer 1 stonden zodra corporaties hun briefadres op de Jan van Galenstraat 90 zien. Gezinnen krijgen te horen dat ze, voordat ze op woningen mogen reageren, eerst een intakegesprek met de corporatie moeten voeren, maar in werkelijkheid blijven de deuren dicht.” 91 Een ander knelpunt vormt de tijd die nodig is om gezinnen te laten wennen aan het idee dat zij op woningen buiten Amsterdam moeten reageren. Mensen zijn hier vaak geworteld en het ‘elders wonen’ is dan niet het eerste waar het buurtteam op wijst als mensen in instabiele woonsituaties om hulp vragen. Ze hebben geen beeld van plekken buiten Amsterdam en met name gezinnen met een migratieachtergrond voelen zich niet altijd 87
Als gezinnen dit zelf niet kunnen bekostigen kunnen zij hiervoor bijzondere bijstand krijgen. Tot en met 30 juni 2025 zijn er via dit project alleen al uit de noodopvang 109 gezinnen aan stabiele huisvesting gekomen. 89 In 2024 konden er 100 gezinnen gehuisvest worden. In de periode tot en met augustus zijn dat er al 89. 90 Briefadres van de gemeente Amsterdam. 91 Het project Wonen buiten Amsterdam heeft hier inmiddels een work -around voor gevonden. 88
58
overal welkom. Hun gemeenschap is hier en het moeten reageren buiten Amsterdam vraagt om een omschakeling. Het kost tijd om aan het idee te wennen. Daarom is het zo belangrijk om gezinnen hier direct op voor te bereiden, zodat ze weten dat in Amsterdam wonen geen optie is. Daarnaast is het aanbod van woningsites binnen Nederland groot en onoverzichtelijk. Gezinnen weten niet ‘niet waar te beginnen’. Onder meer het Stedelijk Team Economisch Daklozen van de Regenbooggroep helpt gezinnen met het zoeken naar woonruimte buiten Amsterdam. Dit team weet goed aan te sluiten bij de problematiek en belevingswereld van deze gezinnen en heeft veel expertise op het gebied van creatieve woonoplossingen in heel Nederland. Hulpverleners kijken niet alleen naar een woning, maar ook naar de mogelijkheden voor het betreffende gezin in een bepaalde gemeente, zodat gezinnen ook op andere vlakken ‘landen'. De wachtlijsten zijn echter lang waardoor zij soms weken moeten wachten voordat er begonnen kan worden met de zoektocht. 6.8 Bouwen, bouwen, bouwen? In Amsterdam is, ondanks de plannen voor meer woningbouw, sprake van een enorm woningtekort. Het bouwen en plannen van nieuwe wijken kost decennia. Daarnaast zijn er diverse groepen mensen die (terecht) hun plek in de stad opeisen.
Ook in Amsterdam wordt nagedacht over het beter benutten van bestaande bebouwing, onder meer via het transformeren en optoppen van gebouwen en het beschikbaar maken van bestaande woningen voor meer mensen. Transformeren en optoppen gebouwen Toch liggen er kansen op het gebied van transformatie van bestaande bebouwing, wat meestal goedkoper (mits efficiënt ingezet), levensloopbestendig en duurzamer is. Er staat zo’n 990.000m2 kantoorruimte leeg, waarvan een deel langdurig. 92 Dit bedraagt 15,5% van de bestaande kantoorbouw. Hetzelfde geldt voor het optoppen van bestaande woningbouw.93 Het transformeren van bestaande bebouwing is echter een politieke keuze. Er zal moeten worden nagedacht over wat dit bijvoorbeeld betekent voor het afwijken van bestaande parkeernormen. Bestaande woningen voor meer mensen beschikbaar maken Een deel van de Amsterdammers, met name in bepaalde delen van de stad, woont relatief ruim. Daar waar relatief veel gezinswoningen gebouwd zijn en de kinderen inmiddels het huis uit zijn, staan kamers leeg. Dat de regels omtrent het delen van woningen onlangs soepeler zijn geworden is een pluspunt. Maar er liggen meer kansen. De gemeente Amsterdam heeft in kaart gebracht waar mogelijke verhuisketens 94 zich bevinden. In NieuwWest blijkt ten opzichte van de hele stad, de grootste groep bewoners in aanmerking te
92
Leegstand toplocaties Amsterdam historisch la... | PropertyNL Bij het optoppen van woningen worden er etages toegevoegd bovenop bestaande woningcomplexen. Zie: Ruimte voor 4500 extra woningen op daken in Amsterdam-Centrum: ‘Er liggen kansen in de historische binnenstad’ | Het Parool. 94 Daar waar een, in dit geval te grote, woning wordt achter gelaten door de een ontstaat een (beter) passende woning voor een ander. 93
59
komen voor de regeling Van Groot naar Beter.95 De gebiedsgerichte aanpak met doorstroomhulp aldaar, werpt zijn vruchten af waar het gaat om het bekendmaken en faciliteren van de bestaande verhuisregelingen. 96 Deze aanpak biedt ook kansen voor woningdelen en voor een uitrol naar andere delen van de stad, waar mensen relatief ruim wonen. Hetzelfde geldt voor het mogelijk maken van woningruil: nu nog een intensief en tijdrovend proces dat onvoldoende door de gemeente en woningcorporaties wordt gefaciliteerd. 6.9 Resumerend Professionals in de noodopvang constateren dat de problematiek van economisch dakloze gezinnen wanneer ze in de noodopvang terechtkomen, steeds zwaarder wordt. Vermoedelijk heeft dit te maken met de steeds langere weg die gezinnen in het netwerk (moeten) afleggen voordat ze zich melden ofwel in aanmerking komen voor noodopvang. Voordat zij in de opvang terechtkwamen hebben kinderen vaak al veel meegemaakt en hun ouders hebben te kampen met stress en een beperkt ‘doenvermogen’. Zij hebben daardoor minder ruimte en aandacht voor hun kinderen. Uit onderzoek is bekend dat langdurig verblijf in een opvangsetting als de noodopvang schadelijk is voor het welzijn van kinderen. Passende hulp en ondersteuning voor kinderen is hard nodig maar daarop is juist de afgelopen jaren bezuinigd. Dit, vanwege de aanname dat verblijf in de noodopvang tijdelijk is.
In de praktijk blijkt echter dat kinderen soms maanden en zelfs jaren in de noodopvang verblijven omdat het gezin niet kan uitstromen. Dat zorgt voor dilemma's bij professionals bijvoorbeeld rondom de veiligheid van kinderen. Ook hier geldt dat de verschillende opdrachtformuleringen van de ketenpartners, het gebrek aan regie en samenwerking en de terughoudendheid om maatwerk toe te passen, in de weg staan om als keten te ‘doen wat nodig is'. Het helpt daarbij niet dat de groep economisch dakloze gezinnen die in de kern een woonprobleem (had) daar samen verblijft met gezinnen die niet-zelfredzaam zijn en bovendien een andere intensieve route volgen voor uitstroom. Daarom is het noodzakelijk dat er intensief wordt ingezet op passende (ook tijdelijke) woonoplossingen binnen of buiten de regio. In uiterste gevallen moet urgentie een oplossing kunnen zijn, waarbij de inhoud leidend is in plaats van procedurele vereisten.
95 96
Passend_wonen_nieuw_west_20231115.pdf Doorstroomhulp in Nieuw-West: Asmae en Saida maken het verschil - Samen Nieuw-West
60
61
7.1 Inleiding Huisvestingsproblemen worden nog te vaak gezien als een praktisch vraagstuk voor volwassenen die het zelf moeten oplossen, maar in de praktijk is dat voor veel ouders in deze woningcrisis te veel gevraagd. Met alle gevolgen van dien voor hun kinderen. Kinderen die opgroeien in onveilige, instabiele of overvolle woonomstandigheden lopen namelijk ernstige ontwikkel- en gezondheidsrisico’s. Zij verdienen hulp, óók als de situatie (mede) is ontstaan door onhandige keuzes van hun ouders. Hoewel Amsterdam, vergeleken met andere gemeenten, veel doet door op eigen kosten noodopvang te organiseren en een breed scala aan preventiemaatregelen te nemen, is het probleem rondom dak- en thuisloze gezinnen te groot en komt het nog steeds veelvuldig voor. Het precieze aantal kinderen dat hiermee te maken heeft is echter niet bekend. Hierdoor kunnen gegevens moeilijk bij elkaar worden gevoegd of met elkaar worden vergeleken. Het ontwikkelen van effectief beleid op dit vraagstuk blijft daarmee een uitdaging. Er wordt daarom uitgekeken naar de zogeheten ETHOS-tellingen, die dit najaar verschijnen. Naar verwachting bieden deze meer inzicht in de exacte cijfers van dak- en thuisloosheid. Ondanks dat dak- en thuisloosheid onder gezinnen de laatste tijd veel aandacht heeft én er diverse stappen worden gezet om de problematiek aan te pakken, ziet de Kinderombudsman deze niet afnemen.
Integendeel. Zij constateert een (toenemend) aantal knelpunten waar betrokken gezinnen én professionals in de praktijk tegenaanlopen. Samen met betrokken partijen wil zij bekijken hoe deze knelpunten het beste kunnen worden opgepakt. Niet alleen op gemeentelijk maar ook op landelijk niveau. Met dit rapport vraagt de Kinderombudsman aandacht voor de belangen van kinderen bij (dreigende) dakloosheid en roept zij op tot actie. 7.2 Gebrek aan preventie leidt tot escalatie De woningcrisis zorgt voor een toename van het aantal dakloze gezinnen. Omdat gezinnen zichzelf vaak niet tijdig melden en vroegsignalering niet goed van de grond komt, komen gezinnen te laat in beeld. De problematiek is dan vaak al verergerd en de instrumenten - om die problematiek het hoofd te bieden - zijn beperkter. Woonproblemen escaleren al snel tot zorg- of veiligheidsvraagstukken. Bovendien maken de verschillende rollen, opdrachten en expertise, het idee van schaarste en het gebrek aan regie van de organisaties in de keten, dat een compleet beeld van de situatie van een gezin mist en dat de keten niet kan doen ‘wat nodig is’. Gezinnen doen vaker een beroep op de noodopvang: een voorziening die niet alleen heel duur is, maar - bij lang verblijf - ook schadelijk voor kinderen.
Volgens professionals is er onvoldoende zicht op het welzijn en de veiligheid van kinderen, onder meer doordat de jeugdketen onvoldoende is aangehaakt. Daarnaast is ondersteuning en begeleiding van kinderen in de opvang beperkt, terwijl deze ondersteuning juist nodig is omdat de ouders ‘er (tijdelijk) onvoldoende’ voor hun kinderen kunnen zijn. Om de instroom in de noodopvang te beperken, stelt de gemeente hier begrijpelijkerwijs strenge voorwaarden aan. Amsterdam kan nu eenmaal niet álle gezinnen opvangen. Maar de Kinderombudsman signaleert dat de geldende criteria soms wel erg strikt worden toegepast. Hierdoor vallen dak- en thuisloze gezinnen buiten de boot en verblijven noodgedwongen in onveilige netwerken, soms op straat of in een kelderbox. Hun kinderen lopen kans op ernstige schade aan hun welzijn en verdere ontwikkeling.
62
De Kinderombudsman vindt met name dat de gemeente moet inzetten op vroegsignalering en preventie, zodat dakloosheid voorkomen wordt. Daarnaast is een sluitende ketenaanpak noodzakelijk, waarbij een integraal team met experts op het gebied van zorg, wonen, jeugd en veiligheid samen kijken wat er nodig is en waar maatwerk geleverd kan worden. Tevens moet de overheid ervoor zorgen dat het bij elkaar inwonen loont in plaats dat mensen hiervoor worden gestraft én dat tijdelijke woonoplossingen ook moeten kunnen gelden voor gezinnen, zodat zij in alle rust verder kunnen zoeken naar stabiele huisvesting. De Kinderombudsman benadrukt dat het creëren van meer opvangplekken in Amsterdam niet dé oplossing voor het probleem is. Al moeten kinderen die dat nodig hebben opgevangen worden, al dan niet op basis van maatwerk. Bovenal moet de rijksoverheid ervoor moet zorgen dat gezinnen die slachtoffer zijn van de woningcrisis in Nederland evenredig worden opgevangen op basis van solidariteit tussen gemeenten. 7.3 Het afwegen van de belangen van kinderen Het verhaal van Lina (9 jaar):97 “Papa en mama konden de huur niet betalen en daarom moesten we ons huis verlaten. Sinds een paar weken logeren we af en toe bij opa en oma, of bij vrienden van papa en mama of bij anderen. Dan slapen we op luchtbedden in de woonkamer of op de bank. Papa en mama werken heel erg hard.
Papa heeft verschillende baantjes en werkt ook 's avonds en 's nachts. Mama past op en maakt schoon bij andere mensen. Zij is ook vaak niet thuis. We worden niet opgehaald van school. Daarom loop ik samen met mijn broertje van school naar de plek waar we op dat moment logeren. ’s Avonds smeer ik een boterham voor ons beiden. Papa en mama zijn dan nog niet thuis en ik kan nog niet koken. Ook breng ik mijn broertje naar bed. Soms vind ik het eng waar we logeren en dan probeer ik wakker te blijven, totdat papa of mama thuiskomen. Ik ben erg verdrietig. Ik kan niet met vriendinnetjes spelen. En omdat ik erg moe ben, val ik ook vaak in slaap op school. Soms doen andere kinderen uit mijn klas daar gemeen over. Ze pesten mij als ik vergeten ben om eten en drinken mee te nemen. Dan heb ik eigenlijk wel honger. Gelukkig krijg ik meestal wat brood van de juf. Ik durf dit niet te vertellen aan papa en mama, want die zijn de laatste tijd snel boos. Ik hoop dat we terug kunnen naar ons eigen huis.” Ouders dragen primair de verantwoordelijkheid voor hun kinderen, maar de overheid moet ingrijpen als ouders dat niet (meer) kunnen. Dat is vastgelegd in het Kinderrechtenverdrag, een internationaal verdrag dat Nederland heeft ondertekend en in 1995 heeft geratificeerd. Gemeenten hebben, net als het rijk, de verplichting om kinderrechten te beschermen en te verwezenlijken.
Dat betekent dat gezinnen die dak- of thuisloos zijn, of dreigen te worden, adequaat geholpen moeten worden. En niet pas als de situatie onhoudbaar is geworden, omdat het netwerk is uitgeput of dat het ouders - door alle zorgen en stress – boven het hoofd is gegroeid. Helaas zijn de kinderrechtelijke verplichtingen uit dat verdrag nauwelijks verankerd in (lokale) regelgeving; er wordt zowel in uitvoering als beleid nog onvoldoende onderzoek gedaan naar de belangen van kinderen en professionals vinden het moeilijk om deze belangen af te
97
Het verhaal van Lina staat symbool voor de ervaringen van kinderen in zaken door de jaren heen.
63
wegen. In beleid en bij besluiten rond dakloze gezinnen wordt niet expliciet meegenomen of en hoe bepaalde maatregelen de belangen van kinderen raken. Overheden kijken bij dak- en thuisloosheid nog te veel naar ‘het systeem’ in plaats van naar ‘wat nodig is.’ Dit alles heeft te maken met schaarste op de woningmarkt en de (onterechte) aanname dat een dergelijke toets automatisch leidt tot toewijzing van een woning in Amsterdam, terwijl er veel 'breder' gekeken kan worden. Ook het gebrek aan expertise en het ontbreken van een eenduidige opdrachtformulering in de keten vormt een belemmering. Geen enkele organisatie is verantwoordelijk of voelt zich geëquipeerd om een dergelijk toets uit te voeren. ‘Het beste besluit voor het kind’ – een instrument van de Nationale Kinderombudsman – wordt in de dagelijkse uitvoeringspraktijk nog weinig toegepast. Professionals vinden de belangenafweging in praktijk ingewikkeld. Een gemiste kans, want als volgens dit instrument wordt gehandeld kan veel leed worden voorkomen. Interpretatieruimte in beleid creëert onduidelijkheid in de uitvoering. Met als gevolg dat we voor het verwezenlijken van kinderrechten afhankelijk zijn van de expertise, inzet en het kennisniveau van individuele professionals. Kinderen komen hierdoor in de knel en verblijven in onveilige netwerken of hoppen van bank naar bank, soms gescheiden van hun ouders.
Zonder plek om huiswerk te maken of te kunnen spelen en met emotioneel afwezige ouders die in de overlevingsstand staan. Kinderen kunnen zonder ‘thuis’ geen kind zijn. Zaken die indruisen tegen de bepalingen opgesteld in het IVRK. Deze bepalingen zijn er niet voor niets, want de gevolgen voor kinderen op korte en lange termijn zijn groot: van uithuisplaatsingen tot verslaving, mentale problemen zoals depressie of trauma tot dakloosheid op latere leeftijd. 7.5 Tijd voor actie! Het is nu tijd om actie te ondernemen. Maak rechten van kinderen met woonproblematiek zichtbaar en zet hun belangen voorop. Zet alles op alles om te voorkomen dat kinderen dak- en thuisloos raken. En zorg ervoor dat kinderen niet alleen een dak boven hun hoofd hebben maar ook veilig kunnen wonen. 7.6 Wat moet er gebeuren? Er gaat al veel goed dankzij hardwerkende professionals, maar dak- en thuisloosheid is een complex probleem in een versnipperd stelsel, waar door schaarste het soms lastig is om ‘te doen wat nodig is’. Helaas zijn er bij deze materie geen simpele oplossingen. Dat er meer woningen gebouwd moeten worden staat vast, maar het gaat ook om het beter verdelen en benutten van de bestaande woningvoorraad.
Door kinderrechten altijd centraal te stellen, preventieve maatregelen uit te breiden, drempels weg te nemen en regie te organiseren, kan de gemeente ervoor zorgen dat kinderen veilig opgroeien en een stabiele toekomst tegemoet gaan.
64
De Kinderombudsman doet de gemeente volgende aanbevelingen:
1. Zorg voor een Kinderrechtentoets: stel de belangen van kinderen centraal. De perverse, maar logische reactie op de enorme schaarste in de woningmarkt maakt dat professionals niet toetsen aan 'het beste besluit voor het kind’ van de Nationale Kinderombudsman. Het recht op een woning is immers een van de meest fundamentele rechten. En dat is juist waar het in praktijk knelt. De schaarste aan de ene kant en de kinderrechten aan de andere, zorgen daarmee voor een dilemma in de uitvoeringspraktijk. 'Het beste besluit voor het kind' als toetsingskader en het Best Interest of the Child assessment biedt een handreiking voor de noodzakelijke verankering van kinderrechten in de uitvoeringspraktijk. Het opleiden van hulpverleners om te toetsen aan de kinderrechtelijke principes is noodzakelijk evenals de inrichting van beleid en regelgeving op kinderrechten.
2. Zet in op preventie door (grond)oorzaken van dakloosheid te onderzoeken en aan te pakken. Onderzoek de routes naar dakloosheid, formuleer op basis van deze routes mogelijke risicosignalen. Maak deze werkwijze onderdeel van de werkwijze van de brede keten van verschillende organisaties die deze gezinnen tegenkomen. Formuleer eveneens interventies op basis van deze signalen om dak- en thuisloosheid te voorkomen. Van een aantal routes is al duidelijk waar de knelpunten liggen. Pak deze aan door: a. huisuitzettingen van gezinnen te verbieden als er geen zicht is op passende herhuisvesting;98 b. te onderzoeken of bepaalde juridische eisen, zoals het opeisen van een woning, in bepaalde situaties terzijde geschoven kunnen worden; c. ouders die overwegen vanuit het buitenland naar Nederland te verhuizen te informeren over de (on)mogelijkheden op de Nederlandse woningmarkt. Bijvoorbeeld op het moment dat zij een faciliterend Chávez-visum aanvragen in het buitenland.
98
VN-Kinderrechtencomité, General comment No. 21 (2017) on children in street situations, CRC/C/GC/21, nr. 50. En R. Wind, M. Vols & B. Roorda, 'The Child-specific Right to Adequate Housing in the Convention on the Rights of the Child', The International Journal of Children's Rights 31 (2023), p. 459-460.
65
3. Zet in op preventie door beter gebruik te maken van de bestaande woningvoorraad: a. maak inwonen lonend door de woonkostentoeslag te verruimen en zorg ervoor dat het project ‘Onder de Pannen’ ook voor gezinnen toegankelijk wordt. Pas maatwerk toe bij de kostendelersnorm en start een landelijke lobby om inwonen écht lonend te maken door de introductie van een kostendelersbonus; b. onderzoek mogelijkheden voor maatwerk op kortingen en toeslagen vanuit de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank (SVB); c. maak creatieve woonoplossingen voor alleenstaanden óók mogelijk voor gezinnen; d. bekijk of verhuiscoaches gebiedsgericht de verhuisketen op gang kunnen brengen zodat grotere woningen weer vrijkomen voor gezinnen.99
4. Herzie de ketenaanpak binnen uitvoering en beleid: a. creëer een integraal team dakloze gezinnen waarin wonen, inkomen, zorg, jeugd en veiligheid samenwerken. Dit team fungeert als expertisepunt en escalatieteam; b. richt een programma-aanpak in dat door de beleidsgebieden heen sturing geeft aan de ketenaanpak dakloze gezinnen; c. herzie de rollen, verantwoordelijkheden en samenwerkingsafspraken voor een sluitende ketenaanpak; d. maak een van deze organisatie expliciet verantwoordelijk voor het in kaart brengen van de belangen van het betrokken kind; e. organiseer een (werk)conferentie over dakloze gezinnen.
5. Houd kinderen in het vizier en zorg voor adequate begeleiding: In alle fases van dak- en thuisloosheid moet meer aandacht komen voor het welzijn en de veiligheid van kinderen. Zorg voor een adequate ‘netwerk’-check, laat kinderen niet van de radar verdwijnen en verbeter de (gespecialiseerde) begeleiding bij inwoonsituaties en binnen de opvang.
99
In Nederland wordt met een verhuisketen vaak bedoeld dat wanneer iemand verhuist (bijvoorbeeld van een huurwoning naar een koopwoning), diens oude woning vrijkomt voor een volgende bewoner. Dat zet een kettingreactie in gang: één verhuizing leidt tot meerdere doorstromingen in de woningmarkt.
66
6. Verbeter de opvangketen: a. trek ‘wonen’ en ’zorg’ uit elkaar en zorg voor een aparte opvang voor gezinnen die primair een woonprobleem hebben; b. zorg er bij de toegang tot de opvang voor dat voorzieningen in één keer geregeld kunnen worden. Bijvoorbeeld door het inzetten van een 'satelliet team’ gelinkt aan het eerdergenoemde expertise team per opvanglocatie waarin de verschillende gemeentelijke disciplines zijn ondergebracht.
7. Zet in op landelijke oplossingen voor gezinnen zonder binding Borduur voort op de scenario's die hierover eerder uitgewerkt zijn en zet in op onderlinge solidariteit tussen gemeenten.
67
Bijlage 1 Welke kinderrechten uit het Kinderrechtenverdrag staan onder druk bij (dreigende) dak- en thuisloosheid? Een overzicht. Artikel 27: Ieder kind heeft recht op een veilige woonplek Kinderen hebben recht op een adequate levensstandaard, waaronder een veilige en duurzame woonplek. Ouders dragen hiervoor de eerste verantwoordelijkheid. Wanneer zij hiertoe niet in staat zijn, rust op de overheid de plicht om ondersteuning te bieden en, zo nodig, passende maatregelen te treffen om dit recht te waarborgen. Artikel 3: Het belang van het kind hoort voorop te staan Elke beslissing die kinderen raakt, vereist een zorgvuldige belangenafweging. De belangen van het kind moeten inzichtelijk worden gemaakt en vervolgens zorgvuldig worden afgewogen tegen andere belangen die spelen. Daarbij horen de belangen van het kind een eerste overweging te zijn. Dit betekent niet dat het belang van het kind absolute voorrang boven andere belangen heeft. Wel is het zo dat "in geval van conflict van belangen, het belang van het kind als regel de doorslag behoort te geven. Dit vereist een concrete belangenafweging. Artikel 12: Kinderen hebben recht op een eigen mening Kinderen hebben het recht om hun mening te geven over zaken die hen aangaan, vóórdat er een beslissing wordt genomen. Die mening moet worden meegenomen in de belangenafweging.
Ook moet met kinderen gedeeld worden wat er met hun mening is gedaan. Dit recht is niet afhankelijk van de leeftijd van kinderen. Artikel 9 en 16: Kinderen mogen niet tegen hun wil van hun ouders gescheiden worden Kinderen hebben recht op bescherming van het gezinsleven. Armoede mag nooit de enige reden zijn om een kind van zijn ouders te scheiden. In plaats daarvan moet de overheid gezinnen die met dakloosheid te maken hebben, ondersteunen. Alleen een rechter kan bepalen dat een kind tegen de wil van de ouders wordt gescheiden en alleen als dat in het belang van het kind is. Met toestemming van de ouders kan een kind tijdelijk elders verblijven. De suggestie aan dakloze ouders om hun kind bij familie onder te brengen en zelf naar de volwassenenopvang te gaan, kan niet gezien worden als vrijwillige keuze. Deze ouders hebben geen keuze.
68
Bijlage 2 Bij de problematiek betrokken partijen. Een overzicht.
69
70