1. Ontwerp-Omgevingsvisie Amsterdam 2050.pdf
Tekst van het document
OV
In de omgevingsvisie is een startpakket opgenomen van circa 100 reserveringen. Dit zijn enerzijds reserveringen uit de Structuurvisie Amsterdam 2040. Deze reserveringen zijn geactualiseerd en onverminderd relevant voor de ontwikkeling van de stad. Daarnaast zijn er reserveringen vanuit Amsterdamse mobiliteitsplannen toegevoegd. De mobiliteitsplan-
140
Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool
26
OV
Verschuiven metrostation Henk Sneevlietweg
Nieuw-West
27
OV
Busstation noordzijde Station Sloterdijk – Piarcoplein
Nieuw-West
28
OV
Metrostation Sixhaven
Noord
29
OV
Railverbinding Zaanstad – Johan van Hasseltweg
Noord
30
OV
Overstaphub Coentunnelcircuit – Melkweg
Noord
31
OV
Oost-west HOV-busverbinding Sloterdijk – Noord – Schellingwouderbrug
Noord
32
OV
IJmeer-metroverbinding incl. twee stations op IJburg
Oost
33
OV
Verlenging IJtram
Oost
34
OV
Noordoosttangent
Oost
35
OV
Vertramming Noordoosttangent
Oost
36
OV
Verlengen van tramlijn 1, 3 en/of 14 naar Zeeburgereiland
Oost
Deel II | Waar
141
Reserveringsnummer Startpakket
Cluster
Reserveringsnummer Titel Reservering
Gebied
Startpakket
OV
Cluster
Titel Reservering
Gebied
Fiets
37
OV
Definitieve IJtramstalling
Oost
70
Fiets
Uitbreiding fietsenstallingen Amsterdam Centraal Station
Centrum
38
OV
Completeren van de metro ring (Kleine Ring)
Stedelijk
71
Fiets
Fietsenstalling noordzijde Station Sloterdijk
Nieuw-West
39
OV
Oost/Westmetrolijn
Stedelijk
72
Fiets
Fietsenstalling zuidwestzijde Station Sloterdijk
Nieuw-West
40
OV
Doortrekken Noord/Zuidlijn naar Schiphol
Stedelijk
73
Fiets
Fietsverbinding Zuidas-Oeverlanden
Nieuw-West
41
OV
Tramverbinding (lijn 5) Marnixstraat – Houthavens – Coen- en Vlothaven
Stedelijk
74
Fiets
Fietsbrug Schinkel Sloterweg – Laan der Hesperiden
Nieuw-West
42
OV
Aiportsprinter verbinding Schiphol – Amsterdam Centraal
Stedelijk
75
Fiets
Noord-zuidfietsverbinding Ringspoorzone
Nieuw-West
43
OV
Tramverbinding IJ – Johan van Hasseltweg – Azartplein
Stedelijk
76
Fiets
Fietsenstalling Buikslotermeerplein
Noord
44
OV
Tramverbinding IJ Pontsteiger of Haparandaweg – NDSM – Klaprozenweg
Stedelijk
77
Fiets
Fietsparkeren metrostation Noorderpark
Noord
45
OV
Tramreservering Contactweg
West
78
Fiets
Fietsparkeren Buiksloterveer in Noord
Noord
46
OV
Vertrammen van buslijn 15
Zuid
79
Fiets
Fietsparkeren IJpleinveer in Noord
Noord
47
OV
HOV-busverbinding IJburg-Zuidoost
Zuidoost
80
Fiets
Uitbreiding fietsenstallingen treinstation Amstel
Oost
48
OV
HOV-busverbinding Bijlmer-Arena – Haarlem-Noord via Holterbergweg – A10 – Amsterdam Zuid
Zuidoost
81
Fiets
Uitbreiding fietsenstalling treinstation Muiderpoort
Oost
49
OV
Uitbreiding busstation Bijlmer ArenA
Zuidoost
82
Fiets
Uitbreiding fietsenstallingen treinstation Zuid
Zuid
50
OV
Opstelterrein Oostlijn - Geintak
Zuidoost
83
Fiets
Uitbreiding fietsenstallingen treinstation RAI
Zuid
51
OV
Opstelterrein Gaasperplastak
Zuidoost
84
Fiets
Uitbreiding fietsenstalling Europaplein
Zuid
85
Fiets
Fietsenstalling ArenA-evenementengebied
Zuidoost
Weg
Hubs
52
Weg
Parkstad aansluiting Westrandweg: nieuwe op- en afrit A5 ten zuiden van Osdorperweg
Nieuw-West
53
Weg
Wegverbreding A4
Nieuw-West
86
Hubs
Mobiliteitshub Oude Haagseweg
Nieuw-West
54
Weg
Bongerdtunnel (mogelijk te vervallen)
Noord
87
Hubs
Mobiliteitshub Ookmeerweg
Nieuw-West
55
Weg
Opwaardering A10-Noord
Noord
88
Hubs
Mobiliteitshub treinstation Halfweg
Nieuw-West
56
Weg
Aanpassing op- en afrit A10 – S118: Verlengde Stellingweg – Molenaarsweg
Noord
89
Hubs
Mobiliteitshub kruising A5 – S102
Nieuw-West
57
Weg
Aanpassing op- en afrit A10 – S117: IJdoornlaan – Vorticellaweg
Noord
90
Hubs
Mobiliteitshub kruising A5 – Osdorperweg
Nieuw-West
58
Weg
Aanpassing op- en afrit A10 – S116: N247
Noord
91
Hubs
Mobiliteitshub metrostation Noord – Buikslotermeerplein
Noord
59
Weg
Aanpassing op- en afrit A10 – S115: IJdoornlaan
Noord
92
Hubs
Mobiliteitshub Zeeburgereiland
Oost
60
Weg
IJ-boulevard Amsterdam CS – A10-Oost – IJburg
Oost
93
Hubs
Mobiliteitshub metrostation Gaasperplas
Zuidoost
61
Weg
Inpassing A2 Overamstel: nieuwe A2 Entree
Oost
94
Hubs
Mobiliteitshub treinstation Holendrecht
Zuidoost
62
Weg
Tram ongelijksvloers oprit A10 (westzijde) – S114: IJburglaan
Oost
63
Weg
Opwaardering op- en afrit S114: IJburglaan
Oost
95
IJ
Brug over het IJ oostzijde incl. aanlanding
Stedelijk
64
Weg
Behoud mogelijkheid tot aanpassen A10-West binnen contour Structuurvisie
Stedelijk
96
IJ
Brug over het IJ westzijde incl. aanlanding
Stedelijk
65
Weg
Opwaardering Nieuwe Hemweg tussen Contactweg en aansluiting A10
Westpoort
97
IJ
Voetgangerstunnel CS - Noord
Stedelijk
66
Weg
Verbinding tussen Lemelerbergweg en Snijdersweg
Zuidoost
67
Weg
Aanpassing op- en afrit A2 – Burgemeester Stramanweg
Zuidoost
68
Weg
Aanpassen op- en afrit: A9 – Muntbergweg incl. kruispunten Muntbergweg-Laarderhoogtweg &
Zuidoost
IJ
Hessenbergweg 69
Weg
Aanpassing op- en afritten: A2 & A9 – Tafelbergweg
142
Zuidoost
Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool
Deel II | Waar
143
144
Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool
Deel I | Visie
145
Deel III Wat • Een beleidsagenda richting 2050 • Inclusieve stad • Duurzame stad • Vitale stad • Gezonde stad • Leefbare stad • Compacte stad
“We zouden baat hebben bij leuke horeca, dan gaan we ook minder het stadsdeel uit en kunnen we hier echt leven”
Om de vijf strategische keuzes uit de visie uit te voeren is veel van het bestaande Amsterdamse beleid voor de fysieke leefomgeving al op orde. Maar op sommige punten is ook bijstelling nodig. In dit deel van de omgevingsvisie geven we een overzicht van dat Amsterdamse beleid. Je vindt hier een samenvatting van het bestaande beleid en we geven de nieuwe richtingen aan die nodig zijn om de visie uit te voeren. We hebben dit hoofdstuk ingedeeld op basis van zes ambities voor de leefomgeving, die gebaseerd zijn op de twaalf waarden die we de komende jaren zullen gebruiken om de doorwerking van het beleid te beoordelen.
Ravenna Burgzorg | Stadsdeel Zuidoost
146
Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool
Deel III II | | Waar Wat
147
11 Een beleidsagenda richting 2050 In Deel I VISIE is uiteengezet hoe Amsterdam de groei van de stad en de metropoolregio wil aanwenden om een betere stad te worden en richting te geven aan transities en deze waar mogelijk te versnellen. De keuzes voor Meerkernige ontwikkeling, Groeien binnen grenzen, Duurzaam en gezond bewegen, Rigoureus vergroenen en Samen stadmaken vragen deels om nieuwe richtingen in het Amsterdamse beleid voor de fysieke leefomgeving. Dit deel biedt een overzicht van al het Amsterdamse beleid voor de fysieke leefomgeving en bevat voorstellen voor uitwerking en aanpassing daarvan. Daarmee vormt dit deel van de omgevingsvisie een samenhangende agenda voor vernieuwing en uitwerking. Het is geen vervanging van het bestaande beleid. Het Amsterdamse beleid voor de fysieke leefomgeving is grotendeels op orde en actueel. Sinds het vaststellen van de Structuurvisie Amsterdam 2040 is veel beleid in overeenstemming gebracht met het bouwen aan een intensief bebouwde en gemengde, compacte stad. Een voorbeeld is de inzet van verkeer en vervoer op autoluw, waarmee de wens om in de openbare ruimte meer ruimte voor actief verkeer en groen te creëren goed samenvalt. Een ander voorbeeld is de nieuwe richting die met Ruimte voor de economie van morgen is ingeslagen.
Deze visie past naadloos op de ambitie om op meer plekken in de stad monofunctionele werkgebieden om te vormen tot gemengde woon-werkmilieus.
er nieuwe inzichten zijn, bijvoorbeeld over kansengelijkheid en ruimtelijke segregatie, die doorwerken in verschillende beleidsthema’s. Deze ontwikkelingen vragen om uitwerking en aanpassing van beleid vanuit een integraal perspectief, maar ook om ruimtelijke keuzes op stedelijk niveau. In het Deel II WAAR wordt al een aantal keuzes op stedelijk niveau toegelicht en uitgewerkt in een ruimtelijk-programmatische basisstructuur.
Veel beleid is dus al op elkaar afgestemd. Toch ontstaan er steeds weer spanningen en kansen tussen de verschillende beleidsthema’s. Een reden daarvoor is de doorgaande groei van de stad en de oplopende druk op de ruimte. Daarnaast vragen relatief nieuwe opgaven, zoals de energietransitie en circulaire economie, om een meer integrale benadering, die vaak lastig past bij de bestaande sectorale indeling in beleidsthema’s. Wat ook meespeelt, is dat
148
Een beleidsagenda aan de hand van zes ambities Om recht te doen aan een meer integrale benadering van het beleid, is deze beleidsagenda gestructureerd aan de hand van zes ambities. Deze ambities zijn gelinkt aan de twaalf kernwaarden die we gebruiken om de komende jaren de doorwerking van de omgevingsvisie te beoordelen. Zie hiervoor ook het beoordelingskader dat onderdeel is van het omgevingseffectrapport (OER). Bij de indeling van beleidsthema’s onder zes ambities zijn pragmatische keuzes gemaakt. Onder Inclusieve stad is het beleid voor Kansengelijkheid, Onderwijs & cultuur, Maatschappelijke voorzieningen en Wonen beschreven. Onder Duurzame stad is het beleid voor Klimaatneutraal, Klimaatbestendig, Energie en Circulair beschreven. Onder Vitale stad is het beleid voor Economie, Mobiliteit en ruimte, Luchthaven en Zeehaven beschreven. Onder Gezonde stad is het beleid voor Volksgezondheid, Sport, spel & bewegen, Voedsel & stadslandbouw, Omgevingsveiligheid, Luchtkwaliteit en Geluid beschreven. Onder Leefbare stad is het beleid voor Openbare ruimte, Water, Groen, Volkstuinen & begraafplaatsen, Landschap, recreatie & landbouw, Dierenwelzijn en ecologie beschreven. Onder Compacte stad is het beleid voor Welstand & ruimtelijke kwaliteit, Cultuurhistorie & archeologie, Hoogbouw, Daken en de Ondergrond beschreven.
De zes ambities gekoppeld aan 12 kernwaarden • Inclusieve stad: inclusief • Duurzame stad: klimaatneutraal, klimaatbestendig en circulair • Vitale stad: economisch vitaal en bereikbaar • Gezonde stad: gezond, veilig en milieukwaliteit • Leefbare stad: leefbaar en natuurlijk • Compacte stad: ruimtelijke kwaliteit
“Een stad die zich beschermt tegen de grote macht van het kapitaal en zorgt dat woningen betaalbaar blijven voor nieuwe en oude bewoners” Dineke Stam | Stadsdeel Oost
Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool
Deel III | Wat
150 157 169 185 192 206
149
12 Inclusieve stad Amsterdam wil een inclusieve stad zijn. Een stad waar Amsterdammers en nieuwkomers zich kunnen thuis voelen en die kansen biedt om je te ontwikkelen. Een inclusieve stad is ook een ongedeelde stad. Dat betekent dat kansen om je te ontwikkelen overal in de stad even groot zijn. Het betekent ook dat we grote verschillen in ervaren kwaliteit van leven en concentraties van achterstanden en maatschappelijke problemen tegengaan. Ruimtelijke ordening alleen kan inclusiviteit niet waarborgen. Veel andere zaken, zoals onderwijs en openbare orde en veiligheid, zijn ook van groot belang. Maar de fysieke omgeving doet er toe. Amsterdam streeft in de hele stad naar een veilige en toegankelijke openbare ruimte, betaalbare woningen, toegang tot veel verschillende soorten werk, laagdrempelig vervoer, voldoende plek en draagvlak voor maatschappelijke voorzieningen, veel verschillende ontmoetingsplekken en kansen voor ondernemerschap. De digitale omgeving wordt hierbij steeds belangrijker. Ook die moet inclusief zijn, want steeds meer van onze activiteiten vinden deels online plaats.
Kansengelijkheid Groei moet leiden tot een betere stad voor alle Amsterdammers, met meer banen, voorzieningen en ontmoetingsmogelijkheden. Maar het succes van de stad heeft ook een keerzijde: de strijd om de ruimte leidt zonder ingrijpen tot een uitsortering van lagere en middeninkomens en minder rendabele functies richting randen van de stad en regiogemeenten. Er ontstaat een tweedeling. Delen van de stad en regiogemeenten worden sociale en economische monoculturen. De stad wordt minder inclusief. En het inclusieve karakter van Amsterdam staat al onder druk. Omdat prijzen zo hoog worden dat de middenklasse de stad uit trekt, terwijl wachttijden voor sociale huur steeds langer worden,
150
omdat de verschillen tussen binnen en buiten de Ring te groot worden, omdat er in steeds meer delen van de stad nauwelijks nog vrije ruimte te vinden is, omdat kleine maakbedrijfjes in de stad geen plek meer kunnen vinden, omdat er op sommige plekken vervoersarmoede optreedt, omdat er voor burgerinitiatief weinig ruimte over blijft. Het tegengaan van kansenongelijkheid is daarom een belangrijk doel. Deze omgevingsvisie wil daar ruimtelijk aan bijdragen. Het Deel IV HOE gaat hier ook uitgebreid op in. Kansengelijkheid is overal Gemeentelijk ruimtelijk beleid kan inclusiviteit en kansengelijkheid niet rechtstreeks waarborgen. Daarvoor is het ook een te breed begrip. Die waarborging verloopt via tientallen vormen van sectoraal beleid, zoals onderwijsbeleid, woonbeleid dat sociale huur in alle stadsdelen beschermt, beleid voor de openbare ruimte, economisch beleid dat ruimte reserveert voor maakbedrijven en werk voor alle opleidingsniveaus, of sportbeleid dat regelt dat in de hele stad kan worden gesport. Deze en andere vormen van inclusief beleid zijn in deze omgevingsvisie terug te vinden in de betreffende hoofdstukken. Inclusieve doelstellingen worden vrijwel allemaal overgenomen in deze omgevingsvisie en hier en daar zelfs van een extra accent voorzien.
Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool
Nieuwe richtingen Tegengaan segregatie Een manier om kansenongelijkheid tegen te gaan, is het tegengaan van segregatie, dus zorgen voor gemengde wijken. Segregatie is niet de hoofdoorzaak van kansenongelijkheid, maar versterkt deze wel. Dat gaat via buurteffecten (gebrek aan rolmodellen, grotere kans op probleemgedrag, leefbaarheidsproblemen) en schooleffecten (lagere leerprestaties, lagere sociale cohesie). In Amsterdam is woonsegregatie naar sociaal-economische-status (SES-index) in internationaal opzicht laag, maar sinds 2014 neemt het wel toe. De SES-index geeft weer in hoeverre bevolkingsgroepen gescheiden wonen. Een score van 0 betekent complete menging, een score van 100 betekent complete segregatie. Momenteel is deze score 27,29. Wij willen segregatie op stedelijk niveau tegengaan. Dat kan gevolgen hebben voor de financiële uitgangspunten van gebiedsontwikkeling of voor afspraken met woningcorporaties over gebruik en verkoop van de sociale huurvoorraad. Segregatie manifesteert zich nadrukkelijk op buurt- en wijkniveau. Nu heeft ongeveer een kwart van de inwoners van Amsterdam een lage SES-score. Hoe meer dat per wijk verschilt, hoe meer segregatie er is. De verschillen per wijk mogen dus niet te groot worden en groeien liefst toe naar het stedelijk gemiddelde.
Daarvoor ontwikkelen we per wijk streefcijfers, met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen die we (en andere partijen in de wijken, zoals corporaties) hierin hebben. Als ordeningsprincipe helpt het streven naar “homogene straten in heterogene buurten”. Dat zijn dus diverse buurten met daarbinnen straten waarin mensen wonen met ongeveer dezelfde sociaal-economische status. Met dit niveau van menging wordt het negatieve buurteffect geminimaliseerd. Vrije ruimte Amsterdam kent al vele jaren broedplaatsen. Ze zijn, zoals de naam al zegt, gericht op beginnende maatschappelijke, economische, culturele of kunstzinnige groeperingen die het in het spel van vrije krachten nog niet redden. Via de gemeente krijgen ze onderdak of andersoortige hulp om op te starten en te groeien tot een hopelijk succesvolle formule. Broedplaat-
Deel III | Wat
sen dragen op deze wijze bij aan een diverse, inclusieve stad met kansen voor groot én klein initiatief. Deze omgevingsvisie onderstreept het belang van het broedplaatsenbeleid. Het is daarbij belangrijk dat broedplaatsen in alle stadsdelen zijn te vinden en ook een plek krijgen in nieuwe gebiedsontwikkelingen. Onder de naam Expeditie Vrije Ruimte introduceren we ook een breder programma voor broedplaatsen. Verspreid door de stad zijn talloze bijzondere culturele, sociale en groene plekken te vinden die zijn vormgegeven en worden beheerd door burgers en maatschappelijke organisaties: van Ruigoord, tot buurtcentrum Ru Paré, en (tijdelijk) stadslandbouwproject Noordoogst. Deze vrije ruimtes hebben vele verschijningsvormen, maar hebben gemeenschappelijk dat ze van onderop zijn ontstaan en collectief zijn vormgegeven. Het zijn plekken waar mensen elkaar ontmoeten, waar ze reflecteren en waar ze kunnen experimenteren. De kracht van deze vorm van ruimtegebruik is dat het initiatief bij burgers ligt, in de luwte van marktwerking en overheidsbeleid. We willen bestaande vrije ruimte beschermen en nieuwe vrije ruimte beschikbaar stellen voor Amsterdammers, zowel in gebouwvorm als in de openbare ruimte.
Deze Vrije Ruimte maakt initiatieven mogelijk op allerlei terreinen: (nacht)cultuur, duurzaamheid, ecologie, bewegen, voedselproductie, experimentele woon- en werkvormen - of nog iets heel anders. Het kan gaan om initiatieven met verschillende duur: voor een nacht, een weekend, een seizoen, een aantal jaar of permanent. Vrije ruimte moet op deze manier een belangrijk onderdeel van de stedelijke leefomgeving worden en deze op allerlei manieren levendiger, schoner, kleurrijker en socialer maken. Aan de randen, maar ook binnen de stad. Juist in een verdichtende en zorgvuldig geplande stad zoals Amsterdam, geeft het ‘onbestemde’ en soms rommelige karakter van vrije ruimte adem- en leefruimte. Van nature heeft vrije ruimte – als initiatief vanuit onderop – een ongereguleerd karakter. Dit staat haaks op de actieve rol die
151
wij als gemeente nemen in het beschermen en beschikbaar maken hiervan. De essentie van vrije ruimte is echter dat dit samen opgaat: de gemeente speelt vrij, de initiatiefnemers vullen in. Het huidige landschap van vrije ruimte in Amsterdam weerspiegelt nog niet voldoende de diversiteit van Amsterdam en zijn bewoners. We willen vrije ruimte beschikbaar en toegankelijk maken voor een bredere groep Amsterdammers. Bij de toewijzing van ruimte moet er dus extra oog zijn voor initiatieven die aanvullend zijn op het huidige aanbod. Er komt nog een pakket aan maatregelen en initiatieven voor vrije ruimte. Onderdeel hiervan is het voornemen om in Amsterdam ruimte te maken voor een grote experimentele woon-werkgemeenschap. Digitale omgeving Amsterdam heeft in 2019 een Agenda Digitale Stad opgesteld, met daarin drie ambities. De eerste is een vrije digitale stad: technologie moet de vrijheid van meningsuiting koesteren. Een vrije en eerlijke toegang tot de digitale omgeving moet worden gegarandeerd. Ten tweede de inclusieve digitale stad: hier staat voorop dat de digitale omgeving alle Amsterdammers helpt om zich te ontwikkelen. Toegang tot informatie en educatie is hierbij cruciaal. De derde ambitie is de creatieve digitale stad: hier leggen we de verbinding met kunst en cultuur.
Creativiteit moet in de stad de ruimte krijgen, en kunnen bijdragen aan oplossingen voor maatschappelijke problemen, inclusief die van de technologie zelf. Digitalisering is een van de grootste transities van deze tijd. De i-Amsterdammer gedraagt zich heel anders dan de Amsterdammer van weleer, met steeds meer gevolgen voor de fysieke stad: in de detailhandel, in de openbare ruimte, bij bibliotheken, het onderwijs, in de mobiliteit, de manier waarop we werken enzovoorts. Al die effecten, positief en negatief, zijn direct en indirect terug te vinden in vele hoofdstukken van deze omgevingsvisie, maar kunnen ook vaak nog niet goed op waarde worden geschat. Daarom is het des te belangrijker dat het maatschappelijk debat daarover de komende jaren blijft worden gevoerd.
152
Maatschappelijke voorzieningen Maatschappelijke voorzieningen worden in de regel niet door de markt gerealiseerd en beheerd. De zorg voor maatschappelijke voorzieningen is deels een wettelijke taak, zoals bij onderwijshuisvesting, bibliotheken en verplichtingen die volgen uit Wet maatschappelijke ondersteuning en Jeugdwet. Maar Amsterdam heeft ook zelf de ambitie een complete stad te zijn, in bestaande en nieuwe buurten. Daar horen voorzieningen bij als scholen, en jeugd-, zorg-, opvang-, buurt-, wijk-, cultuur-, sporten speelvoorzieningen, in bestaande en nieuwe buurten. Naast kleine voorzieningen in buurten en wijken kent Amsterdam veel grootstedelijke voorzieningen, zoals voor middelbaar en hoger onderwijs, geestelijke gezondheidszorg, topsport en cultuur. Zij hebben een functie voor de hele stad, het land en soms zelfs mondiaal. Daarmee bepalen ze mede de aantrekkelijkheid van Amsterdam en de metropoolregio als geheel. Voorzieningen voor sport en spel komen verderop in de beleidsagenda uitgebreider aan bod in het hoofdstuk Gezonde stad. Thuis voelen in een groeiende stad Een groot deel van de stadsgroei in de komende decennia vindt plaats in nieuwe stadsbuurten.
Ook in deze nieuwe buurten zal generatie na generatie Amsterdammers wonen, opgroeien, onderwijs genieten, spelen en sporten, buurtfeesten houden, gezinnen stichten, maar ook ouder worden, partners kwijtraken, zorg nodig hebben of met een beperking leven. Amsterdam wil een inclusieve, ongedeelde samenleving zijn, met gelijke kansen voor iedereen, ook voor kwetsbare Amsterdammers. Om dit mogelijk te maken, dienen alle buurten en wijken van Amsterdam, nieuw en oud, te voorzien in de juiste randvoorwaarden hiervoor. Onderdeel daarvan is ruimte voor maatschappelijke activiteiten. Een complete stad kent een laagdrempelig en fijnmazig netwerk van voorzieningen, waarin bewoners elkaar tegenkomen en letterlijk ruimte krijgen voor zelforganisatie. Waar mensen zich thuis voelen en ‘omzien naar elkaar’ een eerste alternatief is voor professionele hulp of dienstverlening.
Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool
Referentienormen De zorg voor maatschappelijke voorzieningen is verankerd in beleid voor onderwijs, sport, zorg, kunst en cultuur, en basisvoorzieningen. De meeste ruimtelijke consequenties voor de groei van de stad zijn vastgelegd in de in 2018 vastgestelde Referentienormen voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen. Doel is de groei van de stad gelijk op te laten gaan met een voldoende, gespreid en fijnmazig maatschappelijk programma, zowel binnen- als buitenvoorzieningen. De referentienormen zijn gekoppeld aan financiering en blijven van kracht. Daarnaast biedt een scala aan beleid kaders voor maat voor maatschappelijke voorzieningen van de 21e eeuw. Van de Sportvisie 2025, het Actieplan Age Friendly City tot de Amsterdamse Impuls Schoolpleinen. Nieuwe richtingen Woningen en voorzieningen gaan samen We bouwen niet enkel woningen, maar we maken stad. Dat betekent dat we sturen op de totale functiemix, in plaats van woningen programmeren en de benodigde voorzieningen er pas daarna uit afleiden. Maatschappelijke voorzieningen staan centraal. Ook moeten we die mix vaker bezien op het niveau van de wijk en de stad als geheel, in plaats van programmeren in losse projecten. Het uitgangspunt voor stadsontwikkeling wordt daarmee scherper: indien de complete voorzieningenstructuur niet kan worden gerealiseerd, dan kunnen ook de woningen niet worden gebouwd.
Wij constateren dat huisartsenposten zich vanwege stijgende huren moeilijker in verschillende Amsterdamse buurten kunnen vestigen of handhaven. Als gemeente willen we dat deze voorzieningen, ook al vallen ze onder marktregels, voor alle buurten behouden blijven. We zoeken naar manieren om dit mogelijk te maken. In Deel II Waar van deze omgevingsvisie worden verscheidene nieuwe typen stadsmilieus voorgesteld, die afhankelijk van locatie, ontsluiting, dichtheid en mate van functiemenging een eigen programma aan maatschappelijke voorzieningen vergen. De referentienormen zullen worden gespecificeerd naar deze beoogde stadsmilieus. In de dichtheid van de milieutypologieën in deze omgevingsvisie is daar ruimtelijk
Deel III | Wat
al rekening mee gehouden. Vooralsnog komen de financiële lasten van een compleet voorzieningenniveau vooral terecht bij de gemeente. We gaan onderzoeken of deze lasten gelijkmatiger verdeeld kunnen worden over ontwikkelende partijen, zowel ruimtelijk als financieel. Naoorlogse wijken In met name Nieuw-West, Zuidoost en delen van Noord kunnen de ruimtelijke randvoorwaarden voor een inclusieve stad nog aanmerkelijk worden verbeterd. Door onder andere een eenzijdige sociale woningvoorraad is er ruimtelijke segregatie naar sociaal-economische status en congregatie naar herkomst. Lage woningdichtheden, dalende huishoudensgroottes en vergrijzende inwoners veroorzaken een uitholling van het draagvlak voor voorzieningen en wijkeconomie. Het ontbreken van een rijke voorzieningenmix ondergraaft de aantrekkelijkheid van buurten en zorgt voor een toenemend isolement van mensen. In deze wijken blijft investeren in wat er al is belangrijk: mensen, voorzieningen, ruimte voor lokale initiatieven. Maar we moeten ook bouwen aan meer draagvlak voor een zo breed mogelijk scala aan voorzieningen, met verdichting, meer en diversere woningen voor middengroepen, meer ruimte voor werkfuncties, met aantrekkelijke, verbindende stadsstraten met ruimte en kansen voor lokaal ondernemerschap.
Soms kan ook de vestiging van grootstedelijke voorzieningen hieraan bijdragen, omdat de rest van de stad vaker naar de buurt komt. De vestiging van grootstedelijke voorzieningen op centrale plekken buiten het centrum wordt daarom een belangrijk uitgangspunt, als onderdeel van de strategische keuze voor meerkernige ontwikkeling. Overigens blijft ruimte voor cultuurvormen op buurtniveau net zo belangrijk, in alle wijken van de stad. Vergrijzing De vergrijzing vereist de komende jaren meer aandacht. Er komen 80.000 oudere Amsterdammers bij tot 2050. Het beleid om ouderen zo lang mogelijk zelfstandig te laten wonen, betekent dat in steeds meer bestaande buurten aanpassingen nodig zijn aan woningen en in de openbare ruimte. Ouderen zijn meer dan gemiddeld aangewezen op zorg aan
153
huis en voorzieningen in de buurt. Dat vraagt om fijnmazige spreiding van maatschappelijke voorzieningen, openbaar vervoer en winkels over de stad. Daar hebben ook andere kwetsbare groepen, zoals mensen met een lichamelijke beperking, baat bij. Sportmogelijkheden dienen de komende jaren specifiekere aandacht te hebben voor ouderen. Tot slot moet er meer aandacht komen voor woonzorgconcepten, in allerlei tussenvormen tussen zelfstandig en onzelfstandig. Zie ook de paragraaf over Wonen verderop in dit hoofdstuk. Zelforganisatie en eigenaarschap Het zijn vooral gevestigde professionele partijen die maatschappelijke voorzieningen realiseren en exploiteren. Tegelijkertijd groeit de vraag vanuit bewoners voor meer zeggenschap over hun eigen leefomgeving, inclusief voorzieningen. Die wensen moeten de ruimte krijgen. Voor een deel kan dat in broedplaatsen en vrije ruimtes, maar ook in het voorzieningenbeleid zelf moet meer ruimte komen voor nadere invulling door cocreatie en lokale initiatieven. Ook al is dat in planvorming vaak moeilijk, gebiedsontwikkelingen zouden niet op voorhand volledig moeten worden dicht gepland. Zie ook Agenda voor Samen stadmaken in Deel IV HOE. Uit ervaring blijkt dat sterke, enkelvoudige functies de beste kansen bieden op goed gebruik en een sterk gevoel van eigenaarschap bij gebruikers.
Dat betekent dus geen grote diversiteit aan functies onder één dak en achter één voordeur, maar juist eigen ingangen en zelfstandig beheer. De ligging van maatschappelijke voorzieningen in de buurt past bij de functie. Dat betekent dat scholen en voorzieningen voor sommige kwetsbare groepen in de luwte liggen, terwijl meer publieke functies juist heel goed op drukke plekken als stadsstraten en plekken met een stedelijke betekenis passen, waar ze bijdragen aan levendigheid in de openbare ruimte en draagvlak voor ondernemers.
Wonen Algemeen Steden als Amsterdam zijn populair. De druk op de ruimte vertaalt zich bij woningen in lange wachttijden voor sociale huur, een
154
groot gebrek aan middeldure woningen en sterk gestegen prijzen in de vrije sector. Woningzoekenden vinden tegenwoordig alleen met lang wachten en veel geld of geluk nog een woning in Amsterdam. Ook op regionaal niveau is er schaarste, maar niet overal even veel. Het is niet aannemelijk dat op lange termijn de druk op de stad minder groot wordt. Daarmee blijft er ook grote vraag naar woningen. Segregatie, de scheiding van bevolkingsgroepen naar buurt, neemt in Amsterdam en de regio toe. Amsterdam is naar internationale maatstaven niet sterk gesegregeerd, mede door het vele, goed over de stad verspreide corporatiebezit, maar verschillen binnen de stad nemen in sommige opzichten toch toe. Aangezien segregatie, bijvoorbeeld via schooleffecten en leefbaarheid, invloed heeft op kansengelijkheid, willen we dit tegengaan. Voor het contact tussen mensen van verschillende achtergronden moet de woningvoorraad in de stad gemengd, betaalbaar en kwalitatief goed zijn en blijven, juist ook op het schaalniveau van de buurt. Dat betekent dat er bij ontwikkelingen in buurten met een eenzijdige woningvoorraad meer ruimte komt voor woningcategorieën die er nog weinig zijn. Toegang tot de stad, betaalbaarheid, omgaan met schaarste, tegengaan van segregatie, woningkwaliteit: woonbeleid is en blijft een belangrijk instrument voor het behalen van veel doelen in deze omgevingsvisie.
Het Amsterdamse woonbeleid omvat onder andere de in 2017 vastgestelde Woonagenda 2025, de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020, de Doelgroepenverordening Woningbouw Amsterdam, de Actualisatie Bestuursopdracht Ontwikkelbuurten 2019-2022 en Samenwerkingsafspraken 2020-2023 met de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties en de Amsterdamse huurderskoepels. Het samen werken aan een ongedeelde stad doen we met enig realisme: de grote druk die wordt uitgeoefend op de Amsterdamse woningvoorraad door nieuwkomers, het toerisme, de platformeconomie, speculanten en andere factoren vragen om scherpe beleidskeuzes. Iedere twee jaar wordt onderzoek gedaan naar de leefbaarheid in Amsterdamse buurten
Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool
(WiA). De indicatoren zijn buurttevredenheid, ervaren overlast, schoon en heel, veiligheid en prettig samenleven. Sociale cohesie in een buurt speelt een belangrijke rol bij het prettig samenleven, maar voor de leefbaarheid is veiligheid en het onderhoud van de openbare ruimte ook belangrijk. De jaarlijkse rapportcijfers voor de woonomgeving spreken duidelijke taal: waarderingen van 7 of 8 in een ruim centrumgebied en lagere waarderingen in de naoorlogse wijken. De opgave voor de toekomst is om die verschillen te verkleinen. Nieuwe richtingen Een meer regionale blik Deze omgevingsvisie hanteert nadrukkelijk een regionaal perspectief, ook als het gaat om wonen. De metropoolregio biedt een rijk palet aan leefmilieus en woningtypen en Amsterdam levert daar een bijdrage aan. We ondersteunen de regio bij het bouwen aan meer stedelijkheid in de regiokernen, zodat deze in een deel van de vraag naar stedelijk wonen kunnen voorzien. Daarom kiezen we voor meerkernige ontwikkeling: de stedelijke kwaliteiten van kansrijke gebieden, ook buiten de gemeente Amsterdam, kunnen daarmee omhoog worden gebracht: verdichting met hoge kwaliteit, meer menging met andere functies, meer verblijfkwaliteit in de openbare ruimte. Met betere ov- en fietsverbindingen en een regionaal werkende huursector. De Woondeal tussen Rijk en Metropoolregio Amsterdam uit 2019 vormt hiertoe een begin.
We groeien toe naar een evenwichtiger regio met fysiek en sociaal gemengde wijken, zodat meer mensen een passende(r) woning kunnen vinden in het woonmilieu van hun keuze. Vitale buurten Met deze omgevingsvisie wil Amsterdam een betere stad worden voor alle inwoners. In veel buurten moet er een nieuwe balans komen tussen wonen, werken en recreëren. Uitgangspunt daarbij zijn complete buurten, dus gemengde, stedelijke wijken als sociaal veilige leefgemeenschappen, met maatschappelijke functies, werkfuncties, winkels, cultuur, mogelijkheden voor kinderen om er fijn op te groeien. Bewoners kunnen voor veel in hun eigen buurt terecht. Ze voelen zich eigenaar van hun buurt en dragen ook zelf bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. We
Deel III | Wat
hebben hiermee eigenlijk geen woningbouwopgave, maar een opgave voor stadmaken. Prettige woningen Het uitgangspunt dat een woning is om in te wonen wordt de komende jaren hersteld. Meer regulering moet de uitwassen van onder meer speculatie, verkamering en vakantieverhuur verminderen. Alleen dan kunnen buurten vitaal worden en blijven. Verder verdienen bouwkundige staat en binnenklimaat van Amsterdamse woningen de komende jaren meer aandacht, zoals voldoende oppervlak, flexibiliteit in de indeling, buitenruimte, daglicht en doorluchting. Daarvoor zijn drie redenen. Ten eerste verandert het klimaat, kansen op extreme hitte, wateroverlast en droogte nemen toe. Dat vereist steeds meer aanpassingen aan daken, afwatering, zonweringen, funderingen enzovoorts. Zie ook de paragraaf Klimaatbestendig in het hoofdstuk Duurzame stad. Ten tweede maakt de populariteit van Amsterdam dat ook slechte woningen goed verhuurbaar zijn. Goed onderhoud, het wegwerken van achterstallig onderhoud en verhuurderschap moeten dan vaker worden afgedwongen. De Amsterdamse woningcorporaties en particuliere verhuurders zijn hierin belangrijke partners. Tot slot heeft de corona-epidemie extra duidelijk gemaakt dat de tendens tot meer thuiswerken gevolgen kan hebben voor basiseisen die we stellen aan woningen.
Details en sturingsmogelijkheden zijn nog niet helder, maar er zijn zeker redenen voor meer beleidsmatige aandacht voor dit punt in de toekomst. Eigen zeggenschap en verantwoordelijkheid geven vaak de beste beheerresultaten. Daarom vormen wooncoöperaties in verschillende varianten belangrijke concepten voor de toekomst. Zie ook het hoofdstuk Agenda voor Samen stadmaken in Deel IV HOE. Deze vorm van ontwikkeling biedt vooral in de naoorlogse wijken een mogelijkheid om met verdichting blijvend betaalbare huurwoningen voor middeninkomens toe te voegen. De aard van deze ontwikkelvorm versterkt betrokkenheid bij de eigen woning en woonomgeving. Prioritaire doelgroepen We bouwen in Amsterdam voor alle doelgroepen naar inkomens, huishoudtype en leef-
155
tijd. Enkele doelgroepen hebben daarbij extra woonaandacht: ouderen, vitale beroepsgroepen, kwetsbaren, jongeren en omwonenden. De Amsterdamse bevolking vergrijst. Het hedendaagse uitgangspunt is dat ouderen tot op hoge leeftijd zelfstandig blijven wonen. Daar moeten meer geschikte woonvormen voor komen, bijvoorbeeld geclusterd wonen voor contact, onderlinge hulp en zorg op maat. Ook de openbare ruimte in buurten moet meer op ouderen worden toegesneden dan we tot nu toe gewend zijn, met veilige looproutes, bankjes en fijnmazige voorzieningen om de hoek. Moderne combinaties van wonen en zorg worden de komende tijd uitgewerkt in een specifieke woon-zorgvisie. Beroepsgroepen die belangrijk zijn voor het goed functioneren van de stad, zoals leraren, politieagenten of zorgmedewerkers, moeten behouden blijven voor de stad. Vanwege de grote druk op Amsterdam is het bieden van woonvoorrang voor deze groepen in sommige gevallen geoorloofd. Daarnaast hebben specifieke kwetsbare groepen passende huisvesting en aandacht nodig: sociaal-medisch urgenten, versnelde uitstromers uit maatschappelijke opvang of beschermd wonen, statushouders. Huisvesting geschiedt verspreid over de stad en steeds vaker in bijzondere woonconcepten met gemengde groepen en beheervarianten.
Tot slot zijn er twee groepen waar extra aandacht nog voor is of kan komen: jongeren en omwonenden van nieuwe gebiedsontwikkelingen. Voor jongeren loopt een programma met extra inspanningen. Het is een diverse doelgroep: praktisch of theoretisch opgeleid, werkend of studerend, Amsterdams of van buiten de stad. Studenten vormen een subgroep hiervan. Voor omwonenden van nieuwe gebiedsontwikkelingen denken we na over het kunnen bieden van woonvoorrang voor een deel van de nieuwe huurwoningen. Een bepaalde woonvoorrang voor omwonenden kan bijdragen aan een inclusieve stad, draagvlak voor verdichting en samen stadmaken. Zie ook ‘Samen stadmaken’ elders in deze omgevingsvisie.
156
Ontwikkelbuurten In buurten waar verschillende uitdagingen tegelijk aan de orde zijn, werkt de gemeente samen met corporaties, bewoners en overige betrokkenen aan kwaliteitsverbetering van woningen, woonomgeving en gebouwde voorzieningen. Ook verbetering van de leefbaarheid en van de sociaal-economische positie van de huidige bewoners zijn een belangrijk doel. De 32 ontwikkelbuurten liggen in Noord, NieuwWest en Zuidoost en worden verdicht met extra woningen in verschillende woonsegmenten en voorzieningen en ruimte voor lokaal ondernemerschap. De komende jaren zetten wij dit beleid versterkt voort met een scherp oog voor de positie van de huidige bewoners, die per saldo baat moeten hebben bij verdichting. Wederkerigheid tussen oude en nieuwe bewoners en belangen staat centraal. Zie hiervoor ook de strategische keuze Meerkernige ontwikkeling in Deel I VISIE en de ruimtelijke en programmatische basisstructuur in Deel II WAAR. Duurzaamheid en inclusiviteit Vrijwel alle Amsterdamse woningen krijgen te maken met de energietransitie. Gemeente en corporaties hebben gezamenlijk de ambitie om in 2050 een CO2-neutrale woningvoorraad te hebben, zie de paragraaf Klimaatneutraal in het hoofdstuk Duurzame stad. De gevolgen zijn echter niet voor iedereen gelijk. Sommige inwoners of buurten zijn kwetsbaarder of profiteren minder van de kansen die de energietransitie biedt.
Uitgangspunt is daarom dat de individuele woonlasten voor huishoudens met lage en middeninkomens niet stijgen als gevolg van de overgang van fossiele naar duurzame huisverwarmingen. De grootste en meest ingewikkelde opgave van de energietransitie ligt in de bestaande woningvoorraad. Vaak zijn dit kleine en slecht geïsoleerde woningen. Besluitvorming over investeringen is lastig in de vele kleine vve’s en in gemengde vve’s met zowel corporaties als eigenaar-bewoners of andere verhuurders. Welke keuzes daar ook uit volgen, een klimaatbestendige woning voor iedereen is een leidend principe.
Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool
13 Duurzame stad Amsterdam neemt met een ambitieuze inzet op klimaatneutraliteit, duurzame energie en een circulaire stad zijn verantwoordelijkheid in het tegengaan van klimaatverandering. Tegelijk dwingt onze kwetsbare ligging ons tot een stevige inzet op klimaatadaptatie. De gevolgen van klimaatverandering zijn nu al merkbaar, met pieken in hitte en droogte, extremere neerslag en op termijn ook zeespiegelstijging. Het klimaatbestendig maken van de bestaande stad vraagt om meer ruimte voor bijvoorbeeld waterberging en verkoelend groen. Wat betreft de energietransitie heeft het stadsbestuur stevige ambities geformuleerd. We streven naar een vermindering van de CO2uitstoot in Amsterdam met 55% in 2030, en 95% in 2050. Voor 2040 moet de stad aardgasvrij zijn en over 10 jaar mag er alleen nog uitstootvrij vervoer over de weg en over het water. Bijdragen aan een duurzame wereld betekent ook een transitie naar circulaire processen. Oftewel van lineaire ketens van productie, consumptie en afval, naar een circulaire omgang met grondstoffen en materialen. Het gedachtegoed van de donut-economie van Kate Raworth speelt hierbij een centrale rol: Amsterdam als stad waar geleefd en gewerkt wordt binnen planetaire en sociale grenzen.
Klimaatneutraal Amsterdam neemt zijn verantwoordelijkheid en levert een maximale bijdrage aan het behalen van de doelen van het Klimaatakkoord van Parijs. We werken hierin samen met veel partijen. De gemeente neemt de regie. In de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 staan de langetermijnvisie op de Amsterdamse energietransitie, de strategie en acties voor de korte termijn. Er worden vier transitiepaden beschreven: Gebouwde omgeving, Mobiliteit, Elektriciteit en Haven en industrie. In onder andere de Transitievisie warmte en de Regionale Energiestrategie (RES) krijgen deze activiteiten
Deel III | Wat
nader vorm. Ook de Strategie Amsterdam Circulair is hierbij van belang. Amsterdams en landelijk beleid De Amsterdamse CO2-uitstoot mag in 2030 nog maar 1.710 kiloton zijn. Dat is 3.290 kiloton minder dan de huidige uitstoot van 5.000 kiloton. Deze scherp dalende lijn moet na 2030 worden voortgezet, zodat in 2050 klimaatneutraliteit wordt bereikt. Dat betekent dus ook na 2030 meer energiebesparing, meer windenergie, meer zonne-energie, verdere elektrificatie, meer CO2-opslag en -hergebruik, meer waterstof. De Amsterdamse besparingsopgave tot 2030 van 3.290 kiloton wordt voor meer dan de helft (1.850 kiloton) bereikt door een landelijke vergroening van de elektriciteitsvoorziening, waarvan een flink deel via windmolens op zee. Hieruit blijkt hoe het Amsterdamse en landelijke beleid onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. De landelijke toename van duurzame elektriciteit is alleen zinvol als warmte en mobiliteit ook worden geëlektrificeerd. Andersom is elektrificatie van warmte en mobiliteit alleen zinvol als meer elektriciteitsopwek duurzaam wordt. Routekaart naar een klimaatneutrale stad Het Amsterdamse klimaatbeleid bestaat in hoofdlijnen uit de volgende elementen:
157
•
•
•
•
Bij de gebouwde omgeving een verschuiving van aardgas naar duurzame warmte en elektriciteit. In 2040 moet Amsterdam aardgasvrij zijn. De wijkaanpak en het programma aardgasvrij leveren een flinke bijdrage: 300 kiloton minder CO2. Bij mobiliteit een verschuiving van fossiele brandstoffen naar elektriciteit en invoering milieuzones: 660 kiloton minder CO2. Bij industrie volgen we de nationale trend, en maken we het Afval Energie Bedrijf (AEB) duurzamer. Het AEB zet in op carbon capture storage (CCS) of usage (CCU). Dat betekent dat de CO2 uit de schoorsteen wordt afgevangen en getransporteerd voor ondergrondse opslag of hergebruikt voor chemie en tuinbouw. Besparing: 500 kiloton CO2. Opwek van duurzame energie. Amsterdam doet een bijdrage met 127 megawatt windenergie in 2030; 550 MW zon in 2030 en 1.100 MW zon (= 640 hectare) in 2050. Samen levert dat 600 kiloton CO2-besparing op.
Het elektriciteitsgebruik gaat de komende decennia fors omhoog. Die toename moet worden beperkt door energiebesparing en efficiëntere technieken. Gevolgen voor de Amsterdamse omgeving
•
•
158
Bronnen Alle duurzame bronnen van energie vragen veel ruimte: De opwek van zonne- en windenergie vraagt het meeste nieuwe oppervlak; zie de zoekgebieden wind en zon in de paragraaf Regionale Energiestrategie. Duurzame opwek van warmte zal in de toekomst meer decentraal en op verschillende locaties plaatsvinden (zie verder in dit hoofdstuk over WKO, geothermie en aquathermie). De opwek van duurzame warmte gebeurt nu nog op twee plekken, namelijk het AEB en de Diemercentrale. Het westelijk havengebied heeft een belangrijk rol in de energietransitie. Hier ontstaat een duurzame energiehub. Een belangrijk aandachtspunt daarbij zijn de veiligheidsrisico’s die hiermee
samenhangen, want sommige duurzame energiedragers, zoals waterstof en ammoniak, vragen om veel risicoruimte. Zie ook thema omgevingsveiligheid. De gemeente Amsterdam heeft in de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 een ‘nee, tenzij-beleid’ ten aanzien van de verbranding van biomassa geformuleerd.
•
•
• Infrastructuur De elektriciteitsinfrastructuur zal sterk moeten groeien, vanwege de toenemende elektriciteitsvraag als gevolg van datagebruik en elektrificatie van warmte en mobiliteit. Bovendien beïnvloeden keuzes elkaar. Een groter warmtenetwerk reduceert bijvoorbeeld de elektriciteitsvraag en dus de vorm van het elektriciteitsnet. Elektriciteitsnetwerken zijn in de stad redelijk inpasbaar, maar leiden bij onderstations soms wel tot lastige ruimtelijke keuzes in woonwijken. Warmtenetten vragen echter beduidend meer ruimte. Daarnaast wordt de ondergrondse infrastructuur voor waterstof, stoom en CO2 uitgebreid, vooral in en van/naar energiehub Westpoort. Wat betreft elektriciteit en warmte gaat het om de volgende opgaven:
• •
•
Elektriciteit Meer ondergrondse hoofdtracés voor elektra. 7 extra onderstations (van 2.000 tot 5.000 m2 per stuk), van 25 nu naar 32 in 2030, en daarna verder. Verdubbeling van het aantal middenspanningsruimtes (van 6 tot 10 m2 per stuk). Amsterdam telt er nu 2.300. Nu zijn er gemiddeld voor 1 wijk van 3.600 woningen met bedrijven 9 nodig. Dat aantal zal ongeveer moeten verdubbelen, afhankelijk van de wijze waarop de warmte en mobiliteit worden verduurzaamd. Voor elke wijkbewoner wordt dat merkbaar. Uitgangspunt bij positionering is dat kinderen tot 15 jaar niet langdurig aan elektromagnetische velden van meer dan 0,4 microtesla worden blootgesteld. Zie ook het hoofdstuk Gezonde stad.
Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool
•
Warmte Ondergrondse ruimte in de bestaande stad, omdat het gasnet grotendeels wordt vervangen door een warmtenet (zie ook Transitievisie warmte). Hulpwarmtecentrales (variërend in grootte van 30 x 15 meter tot 60 x 40 meter): een groei van acht in 2020 naar waarschijnlijk tien in 2040. Warmte-overdrachtsstations (circa 30 x 15 meter), een groei van de huidige twee naar mogelijk vier. Regelkamers (ook wel ‘kleine WOS’ genoemd; één per 300 tot 400 woningen; grootte: 5 x 3 meter), een groei van omstreeks 800 tot 2040, een vervijfvoudiging ten opzichte van nu.
Duurzaam energiesysteem Wind en zon in Amsterdam In het nationale Klimaatakkoord hebben de lokale overheden en de partners van het Rijk afgesproken dat dertig energieregio’s in Nederland een Regionale Energiestrategie (RES) opstellen. Overheden, netbeheerders, het bedrijfsleven en waar mogelijk bewoners maken regionaal gedragen keuzes voor duurzame opwek van 35 terawattuur aan elektriciteit. Ook de warmtetransitie en de daarvoor benodigde infrastructuur hoort daarbij. Alles wordt vertaald naar gebieden en projecten. Na vaststelling van de eerste RES door gemeenteraden, Provinciale Staten en de algemeen besturen van de waterschappen in 2021, wordt de RES om de twee jaar geactualiseerd. Amsterdam valt onder de RES-regio Noord-Holland Zuid, waarin de stad een eigen deelregio vormt en dus zelf een energiebod doet. Amsterdam biedt aan om in 2030 in totaal circa 0,65 TWh elektriciteit op te wekken door 50 megawatt (MW) wind te realiseren in 7 zoekgebieden en 400 MW zon te realiseren op grote daken en dubbelgebruik van stedelijke ruimtes. Daarnaast wordt ingezet op 135 GWh zonnepanelen op kleine daken. Mocht de ambitie voor wind niet lukken in de zoekgebieden, of mocht er een extra opgave komen vanuit het Rijk, dan heeft Amsterdam voor windmolens ‘extra
Deel III | Wat
zoekgebied’ in landelijk Noord benoemd. Ook voor zon zijn extra zoekgebieden opgenomen, aangeduid met de toevoeging “nee, tenzij”. De huidige warmtebronnen zijn op lange termijn niet voldoende en niet duurzaam genoeg. De toekomstige verdeling van warmtebronnen wordt gezamenlijk met de buurgemeenten afgestemd in de Regionale Structuur Warmte (RSW). Deze RSW maakt deel uit van de RES. Amsterdam zet daarbij in op nieuwe duurzame en betaalbare warmtebronnen zoals geothermie, restwarmte van datacenters en aquathermie. Ruimtelijke gevolgen duurzame energie Grootschalige, duurzame energieopwekking vereist maatwerk. Windmolens moeten bijvoorbeeld vanwege geluids- en veiligheidsnormen op geruime afstand staan van woningen en op gepaste afstand van infrastructuur. Zonnepanelen kunnen ook langs bestaande infrastructuur (taluds, geluidsschermen) en op tijdelijk braakliggende gronden worden gelegd. Zonnepanelen en vooral windmolens veranderen het aanzien van de omgeving. Lokaal draagvlak is dan ook een van de voorwaarden voor het ontwikkelen ervan. Bewoners moeten op gepaste manieren bij keuzes worden betrokken en moeten mogelijkheden hebben om financieel mee te profiteren van de opbrengsten. Een andere voorwaarde is dat windmolens met minstens vijftig procent lokaal eigendom moeten worden ontwikkeld. De zoekgebieden voor zonne- en windenergie staan op de kaart op bladzijde 106.
Deze zoekgebieden zijn overgenomen uit de concept-RES van voorjaar 2020 en zijn voorlopig. Er vindt rond de vaststellingsdatum van deze ontwerpOmgevingsvisie een separaat afwegingsproces met participatie plaats. Conform het besluit over de RES 1.0 zullen de zoekgebieden worden opgenomen in de Omgevingsvisie. Transitievisie warmte Iedere gemeente stelt een eigen transitievisie warmte (TVW) op. Die van Amsterdam is dit jaar vastgesteld. Deze TVW wordt verder uitgewerkt in buurtuitvoeringsplannen die vervolgens worden vastgelegd in omgevingsplannen. De doelstellingen van de TVW zijn:
159
holl and sc Noo rd
Het IJ
Amsterdam Sloterdijk
Ransdorp
W.H.Vliegenbos
Alle nieuwbouw in Amsterdam aardondergrond willen we daarbij benutten, met een gasvrij. Tot op heden ligt de nadruk op goede gemeentelijke regie. Daartoe zijn er binWest gebieden met grootschalige nieuwbouw nen Amsterdam nu zeven interferentiegebieden orperAmsterdam CentraalHet IJ nenpolder of transformatie. In de nabije toekomst zal vastgesteld; dit aantal zal worden uitgebreid. Durgerdam ook sloop/nieuwbouw van een individueel Oosterdok gebouw aardgasvrij moeten worden gereaGeothermie Centrum Buiten IJ Sloterpark Osdorp liseerd, ook als de wijk zelf nog met aardgas Er is nog weinig bekend over de potentie Remwordt gevoed. van geothermie in de Amsterdamse regio. SeisArtis Pampus brandtAMSTERDAM • Alle bestaande bouw gaat planmatig de misch onderzoek wijst naar verwachting eind Amsterdam Muiderpoort Nieuwe park Diep stap naar aardgasvrij maken, in het ritme 2021 uit of en waar de ondergrond geschikt Lelylaan Vondelpark van de TVW en met de preferente techniek is. Op basis van deze informatie zal worden Nieuw-West IJMEER A Oost Amsterdam voor de betreffende buurt. bepaald waar op welke diepte aardwarmte kan Science Park mste rd am • De energie-infrastructuur zal in alle worden gewonnen: < 500 m levert warmte tot ng -R va ijn ar Zuid t ka straten worden vernieuwd.
De ruimtena 30 °C, 500 m – 4000 m tot 120 °C, of >4000 Amsterdam al Amstel Olympisch Diemen lijke inpassing hiervan, gecombineerd m meer dan 120 °C. Dit onderzoek bepaalt stadion Sloten Diem met de andere opgaven die ruimte vragen, daarmee sterk de locatie en diepte van de ruimRAI Amsterdam Zuid vormt een grote uitdaging. Ondergronds is telijke reservering in de ondergrond. Amsterdam RAI Over-Diemen ruimte nodig voor warmtenetten, wko’s en Een aardwarmtebron kan het beste nabij VUmc Diemen Nieuwe meer Muidertrekvaart geothermie. Daarnaast is ruimte en regu- Noordpolder een warmtenet liggen. Dit bespaart kosten beoosten We Muiden Duivendrecht esper lering belangrijk om interferentie tussen Muiden en warmteverlies. Bovengrondse ruimtelijke Diemen-Zuid Nieuwe Meer n warmtebronnen te voorkomen. Zie ook de reserveringen voor geothermie zullen dus aa Bosb GemeenBloemendalerparagraaf Ondergrond. Op het maaiveld voornamelijk aan de randen van de stad komen schapsDuivendrecht polder Schipholpolder Noord Am zijn meer warmteoverdrachtstations en te liggen, nabij het warmtenet.
De bovengrondse ste l warmteregelkamers nodig.echt minimale benodigde ruimte voor geothermie in V Luchthaven de gebouwde omgeving bedraagt een half tot één Middelpolder ArenA G Schiphol aa Bijlmer ArenA sp Weesp De kaart hiernaast geeft de meest prefevoetbalveld voor boring, opslagruimte, logistiek Amsterdamse onder iphol Driemond rente techniek en veiligheidszone. Als we in 2040 voor 20% van Weesp voor aardgasvrij, en de planning Nieuwe Amstelveen Schipholin de tijd. Deze opgave wordt nog uitgewerkt. het warmteaanbod gebruik willen maken van Legenda Gaasperplas Keverdijksche Oost Bos geothermie, dan zullen er zo’n twintig boorlocapolder City Deal-buurten en particuliere initatieven Ouderkerk a/d Amstel Zuidoost De bodem als energiefabriek ties van gemiddeld 10 MW ontwikkeld moeten Gemeente Weesp All Electric: gestaag aardgasvrij tussen 2020 en 2040 AMSTELVEEN Amsterdam Holendrecht Aardgasvrij gasnet: gestaag tot 70% gasbesparing tot 2040 De Amsterdamse ondergrond heeft een worden. De komende jaren zullen er opsporingsVecht Schinkelpolder Al (bijna) volledig op het warmtenet AMC De Horn grote potentie voor het bufferen en leveren van vergunningen worden aangevraagd. Lokale bronnetten en warmtenet: gestaag aardgasvrij tussen 2020 en 2032 warmte en koude.
Er zijn verschillende systeLokale bronnetten: gestaag aardgasvrij tussen 2020 en 2040 Ouderkerkerplas Bovenkerk Warmtenetbuurt: gefaseerd aardgasvrij tussen 2020 en 2030 men: warmteen koudeopslagsystemen Aquathermie veldsche polder Aets- open de Meer Warmtenetbuurt: gefaseerd aardgasvrij tussen 2022 en 2032 (WKO) in watervoerende lagen, gesloten boAquathermie is een bron die de gebouwde Warmtenetbuurt: gefaseerd starten vanaf 2030 demenergiesystemen (bodemwarmtewisselaars, omgeving kan verwarmen via warmtenetten (70°, Nieuwbouw- en transformatiegebied: volgt de fasering van de gebiedsontwikkeling Hinderdam Ho Abcoude le nd Grotendeels onbebouwd Abcouderr e c ht n GBES), aquathermie en geothermie. 40°). Daarnaast kan aquathermie nieuwbouw en i Nigtevecht meer Ge Een aanzienlijk deel van warmteaansluitingen nog op kookgas utiliteitsector verwarmen én koelen via een bronPolder Waardassacker Ankeveense Abcoude Polder en Holendrecht WKO net (20°). Aquathermie bestaat uit drie typen: Polder de Rondehoep BaambruggePlassen Bovenkerker Stokkelaarsbrug oostzijde De warmtetransitie in Amsterdam. Bodemenergie is de warmte- en koudewin- • Thermische energie uit oppervlaktewater Polder ning en -opslag in de ondergrond tot 500 meter.
(TEO): warmte of koude uit oppervlakEen bodemenergiesysteem heeft een warme tewater zoals een meer of gracht wordt en koude bel van grondwater die reageert op de gebruikt voor het verwarmen of koelen van bovengrondse vraag (in de winter warmte en de gebouwde omgeving. in de zomer koude). Een bodemenergiesysteem • Thermische energie uit afvalwater (TEA): moet in balans blijven en wordt daardoor vaak warmte uit persriolen of rioolwaterzuivegeregenereerd door een bron. Amsterdam telt al ringsinstallaties wordt gebruikt voor het honderden open WKO-systemen en gesloten verwarmen van de gebouwde omgeving. energiesystemen. De komende jaren verwach• Thermische energie uit drinkwater (TED): ten wij een flinke groei in bodemenergiesystewarmte of koude uit grote drinkwaterleimen, vooral in nieuwe gebiedsontwikkelingen dingen wordt gebruikt voor het verwaren transformatiegebieden. De potentie van de men van de gebouwde omgeving.
•
Ko st
Sl o
ve
te
rlo
rp l
as
ren
va
a rt
wanenburg
Schin kel
s tel
Am
rt aa kv
tre
Wave r
Am
st
el
Gei
n
-Rijnkanaal
Amsterdam
160
Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool
Deel III | Wat
161
De potentie van aquathermie in Amsterdam is groot, vooral die uit oppervlaktewater. In de transitievisie warmte (TVW) is berekend dat voor 46 Amsterdamse wijken een bronnet het voorkeurssysteem is. Door de warmte van een aquathermie-bron op te waarderen wordt de warmte ook geschikt voor minder goed geïsoleerde woningen via een warmtenet (40° of 70°). Dit kost extra elektrische capaciteit bij de bron en is vooral bij de 40°-wijken een reële optie. Aquathermie door middel van een bronnet is lokaal zeer geschikt voor het verwarmen en koelen van nieuwbouwwoningen en utiliteit (kantoren hebben naast warmte- ook een koudevraag). Grootschalige nieuwbouw en transformatiegebieden zoals Haven-Stad, maar ook gebieden met veel kantoren, zijn zeer geschikt voor aquathermie-toepassingen. Bronnetten zijn lokaal, dus er zijn ruimteclaims te verwachten rondom de grote waterlopen en meren in de buurt van kantoorgebieden en gebiedsontwikkelingen (zie kaart hieronder). Een aquathermie-installatie bestaat uit een inlaat, uitlaat en een regelcentrale met apparatuur.
Klimaatbestendig Amsterdam en waterbeheer gaan al eeuwenlang samen. Vanaf het moment dat de dam in de Amstel werd gelegd, werden maatregelen genomen om wonen en werken in een moerasgebied mogelijk te maken: het graven van sloten en grachten, het aanleggen van dijken en polders, het ophogen van land. Klimaatverandering brengt nieuwe problemen met zich mee. De zeespiegel stijgt, het weer wordt onvoorspelbaarder, extremen worden extremer. Deze nieuwe uitdagingen zijn onderverdeeld in vier thema’s, met ieder een eigen doelstelling: 1. Wateroverlast. De laatste jaren is er een trend van steeds meer extreme buien. De regenwaterknelpuntenkaart laat zien op welke plekken in Amsterdam dat tot schade leidt. Het doel is om schade te voorkomen en tegelijkertijd regenwater te laten bijdragen aan een aantrekkelijke, comfortabele en leefbare stad. 2. Overstromingen. Overstromingen kunnen nu in Amsterdam optreden vanuit de
162
3.
4.
Noordzee (via IJmuiden), het Markermeer, de Lek en de regionale watersystemen. Voor het watersysteem komen de limieten in zicht. Het doel is om de kans op overstromingen te verkleinen en de gevolgen bij een eventuele overstroming te beperken. Hitte. Het huidige klimaat meet gemiddeld twintig zomerse dagen in de regio Amsterdam. Dit aantal gaat flink oplopen. Op tropische dagen is de stad een hitte-eiland, tot twaalf graden hoger dan het ommeland. Hittestress kan leiden tot tal van fysieke en geestelijke problemen bij de mens en kan maatschappelijk ontwrichtend zijn. Het doel is om Amsterdam beter bestand te maken tegen hitte. Droogte. Regenbuien nemen toe, maar de droogte tussen de buien door ook. Droogte kan schade veroorzaken aan stedelijk groen en funderingen. Ook veroorzaakt het veenoxidatie, slechtere (zwem)waterkwaliteit, verzilting, bodemdaling en daardoor mogelijk verzakkingen en beschadigingen aan leidingen en netwerkkabels. Het doel is om Amsterdam beter bestand te maken tegen langdurige perioden van droogte en het voorkomen en beperken van schade aan gebouwen, groen, infrastructuur, water en dijken.
Ook watermanagement vervult een sleutelrol bij klimaatadaptatie. Door goed lokaal gebruik van regenwater via onder meer infiltratie en berging kan schade door wateroverlast, hitte én droogte worden verminderd. Zie met name de paragraaf Ondergrond in het hoofdstuk Compacte stad. Rainproof Amsterdam Rainproof is een netwerkaanpak van meer dan honderd partijen in de stad. Gezamenlijk doel: Amsterdam beter bestand maken tegen hoosbuien. Rainproof gaat over de hele stad: private en publieke ruimte. Hemelwaterverordening De gemeente heeft wettelijk de zorg om afvloeiend hemelwater te verwerken. Het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam (GRPA) 2016-2021, vastgesteld in 2016, geeft hieraan invulling. Het GRPA formuleert de ambitie dat de stad, op zowel privaat als publiek terrein, in 2020 een bui van 60 mm
per uur kan verwerken zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur. Hiertoe is in de Hemelwaterverordening een verplichting ingesteld om bij nieuwe bouwwerken het hemelwater op eigen perceel te bergen. Voor alle fysieke projecten van de gemeente zelf is dit een bindende norm. De opvolger van de GRPA zal waarschijnlijk een strengere norm introduceren, met bijhorende ruimtelijke consequenties. Overstromingen De zorg voor veilige waterkeringen en zo laag mogelijke overstromingskansen ligt bij de waterbeherende partijen. De gemeente heeft hierbij de verantwoordelijkheid dat binnen ruimtelijke projecten de huidige primaire en regionale keringen niet doorsneden of verzwakt worden, en er voldoende ruimte blijft voor toekomstige versterkingen. Amsterdam maakt deel uit van een regionaal watersysteem. De belangrijkste as daarin is het Noordzeekanaal-IJ-Amsterdam-Rijn-
Nieuwe richtingen De strategie klimaatadaptatie uit 2020 zet een stip op de horizon van 2050 voor een klimaatbestendige stad en wat daarvoor nodig is. In 2021 volgt een uitvoeringsagenda. Klimaatbestendigheid is de komende jaren een prioriteit bij ruimtelijke investeringen, beheer en onderhoud. In de MRA werken we samen in het programma klimaatadaptatie aan bovenregionale opgaven van klimaatbestendige nieuwbouw en gebiedsontwikkeling en op de vitale en kwetsbare infrastructuur van de MRA. Vergroenen Veel klimaatadaptieve maatregelen houden verband met het vergroenen van de stad, omdat groen water vasthoudt en hittestress tegengaat. Niet voor niets is klimaatadaptatie een van de vier hoofdredenen om Amsterdam groener en natuurinclusiever te maken; zie ook de strategische keuze Rigoureus vergroenen in Deel I VISIE en de paragraaf Groen in het hoofdstuk Leefbare stad.
Omgevingsvisie 2050 | Een menselijke metropool
Deel III | Wat