CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1 Omgevingsplan Amsterdam_Basisregeling_Regels_versie 14 september 2022.docx

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 11 januari 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van bijgevoegde raadsinformatiebrief inzake de voorontwerpwijziging Omgevingsplan Amsterdam (Omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling) en participatie. (VN2022-037824)41.913 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Omgevingsplan Amsterdam Basisregeling Definitieve participatieversie (14 september 2022)

1

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN ...........................................................................................7 HOOFDSTUK 2 ALGEMENE REGELS OVER HET GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN .............8 AFDELING 2.1 ALGEMEEN .................................................................................................................................8 AFDELING 2.2 TOEGESTAAN RUIMTELIJK GEBRUIK .................................................................................................8 AFDELING 2.3 OVERGANGSBEPALINGEN MET BETREKKING TOT AFWIJKMOGELIJKHEDEN, WIJZIGINGSBEVOEGDHEDEN EN UITWERKINGSPLICHTEN OPGENOMEN IN HET TIJDELIJK DEEL OMGEVINGSPLAN .........................................................10 AFDELING 2.4 ALGEMENE REGELS VAN RUIMTELIJKE AARD OVER GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN .................11 Paragraaf 2.4.1 Algemeen .......................................................................................................................11 Paragraaf 2.4.2 Inrichten en gebruik van bij een hoofdgebouw behorend erf en erfbebouwing .....................11 Paragraaf 2.4.3 Parkeernormen voor auto’s, scooters en fietsen bij gebruik van gronden en bouwwerken ....11 Subparagraaf 2.4.3.1 Parkeernormering auto's .....................................................................................................11 Subparagraaf 2.4.3.2

Normering fietsstalling [gereserveerd]................................................................................13

Paragraaf 2.4.4 Ondergeschikte en additionele vormen van gebruik ..........................................................13 Paragraaf 2.4.5 Vergunningplicht voor wijziging van het gebruik als niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw............................................................................................................14 Paragraaf 2.4.6 Beperkingen voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico ..............................................................................................................................16 Paragraaf 2.4.7 Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied vuurwerk (gereserveerd) ......................................18 Paragraaf 2.4.8 Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied ontplofbare stoffen (gereserveerd) .......................18 AFDELING 2.5 OVERIGE ALGEMENE REGELS OVER HET GEBRUIK VAN BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN (VOORHEEN GESTELD DOOR HET RIJK) ...............................................................................................................18 Paragraaf 2.5.1 Algemeen

.......................................................................................................................18 Paragraaf 2.5.2 Gebruik van bouwwerken ................................................................................................18 Paragraaf 2.5.3 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen (heel par. 22.2.5 BS) ................20 HOOFDSTUK 3 RUIMTELIJKE REGELS OVER HET GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN .........22 AFDELING 3.1 ALGEMEEN ................................................................................................................................22 AFDELING 3.2 GEBRUIKSDOELEN VAN LOCATIES, TOEGESTAAN GEBRUIK EN REGELS OVER DAT GEBRUIK ......................22 Paragraaf 3.2.1 Wonen............................................................................................................................22 Subparagraaf 3.2.1.1 Algemene regels over wonen ..............................................................................................22 Subparagraaf 3.2.1.2. Regels over specifieke woonvormen en doelgroepen .........................................................24 Subparagraaf 3.2.1.3 Regels over activiteiten waarvoor een vergunningplicht op grond van de Huisvestingsverordening geldt.............................................................................................................................24

Paragraaf 3.2.2 Maatschappelijke dienstverlening ....................................................................................25 Subparagraaf 3.2.2.1 Algemene regels over maatschappelijke dienstverlening ....................................................25 Subparagraaf 3.2.2.2 Regels over specifieke vormen van maatschappelijke dienstverlening ................................25 Subparagraaf 3.2.2.3 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van maatschappelijke dienstverlening zijn toegestaan...........................................................................................................................................................26

Paragraaf 3.2.3 Zakelijke en administratieve dienstverlening (kantoor) ......................................................27 Paragraaf 3.2.4 Detailhandel en consumentgerichte dienstverlening.........................................................28 Subparagraaf 3.2.4.1 Algemene regels over detailhandel en consumentgerichte dienstverlening ........................28 Subparagraaf 3.2.4.2 Vormen van detailhandel en consumentgerichte dienstverlening die uitsluitend zijn toegestaan op aangewezen locaties.....................................................................................................................29 Subparagraaf 3.2.4.3 Regels over supermarkten ..................................................................................................29 Subparagraaf 3.2.4.4 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van detailhandel zijn toegestaan....................30 Subparagraaf 3.2.4.5 Gebiedsspecifieke beperkingen met betrekking tot detailhandel en consumentgerichte dienstverlening [gereserveerd] .............................................................................................................................31

Paragraaf 3.2.5 Bedrijf (Industrie, ambacht, groothandel, opslag en transport) ..........................................31 Subparagraaf 3.2.5.1 Algemene regels over bedrijven...........................................................................................31 Subparagraaf 3.2.5.2 Vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bedrijf in verband met milieuhinder ....31

2

Subparagraaf 3.2.5.3 Vormen van bedrijf die uitsluitend zijn toegestaan op aangewezen locaties ........................33 Subparagraaf 3.2.5.4 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van bedrijven zijn toegestaan.........................34

Paragraaf 3.2.6 Culturele voorzieningen ...................................................................................................34 Paragraaf 3.2.7 Hotels .............................................................................................................................35 Paragraaf 3.2.8 Sportvoorzieningen .........................................................................................................36 Paragraaf 3.2.9 Faciliteiten op het gebied van ontspanning en vermaak.....................................................37 Paragraaf 3.2.10 Seks en erotiek ..............................................................................................................38 Subparagraaf 3.2.10.1 Prostitutiebedrijven...........................................................................................................38 Subparagraaf 2.3.10.2 Seksinrichtingen ...............................................................................................................39

Paragraaf 3.2.11 Agrarische bedrijven ......................................................................................................39 Subparagraaf 3.2.11.1 Veehouderijen en paardenfokkerijen .................................................................................39 Subparagraaf 3.2.11.2 Het telen van gewassen in de open lucht ...........................................................................40 Subparagraaf 3.2.11.3 Het telen van gewassen in een gebouw..............................................................................41

Paragraaf 3.2.12 Water ...........................................................................................................................41 Paragraaf 3.2.13 Verkeer .........................................................................................................................42 Subparagraaf 3.2.13.1 Algemene regels over het gebruiksdoel verkeer ................................................................42 Subparagraaf 3.2.13.2 Aanvullende regels over waar wegen en spoorwegen zijn toegestaan ...............................42 Subparagraaf 3.2.13.3 Aanvullende regels over publiektoegankelijke parkeervoorzieningen en fietsstalling.........43

Paragraaf 3.2.14 Groen............................................................................................................................43 Paragraaf 3.2.15 Hoogspanningsverbindingen..........................................................................................44 Paragraaf 3.2.16 Buisleidingen met gevaarlijke stoffen .............................................................................45 Paragraaf 3.2.17 Ambulante handel, anders dan venten ...........................................................................46 Paragraaf 3.2.18 Volkstuinparken ............................................................................................................47 Paragraaf 3.2.19 Darkstores [gereserveerd]..............................................................................................48 Paragraaf 3.2.20 Locaties bedoeld voor het houden van evenementen [gereserveerd]................................48 Paragraaf 3.2.21 Kampeerterreinen en vakantieparken [gereserveerd] ......................................................48 Paragraaf 3.2.22 Horeca [gereserveerd] ...................................................................................................48 Paragraaf 3.2.23 Bos [gereserveerd].........................................................................................................48 Paragraaf 3.2.24 Natuur [gereserveerd]

...................................................................................................48 Paragraaf 3.2.25 Vergader- en congresfaciliteiten [gereserveerd] ..............................................................48 HOOFDSTUK 4 ALGEMENE REGELS OVER ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN .....48 AFDELING 4.1 ALGEMEEN ...............................................................................................................................48 AFDELING 4.2 VERGUNNINGPLICHT VOOR HET BOUWEN, IN STAND HOUDEN EN GEBRUIKEN VAN BOUWWERKEN ...........49 Paragraaf 4.2.1 Algemeen .......................................................................................................................49 Paragraaf 4.2.2 Binnenplanse vergunningplicht voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk ...............................................................................................................................................50 Paragraaf 4.2.3 Vergunningvrije bouwactiviteiten.....................................................................................50 Paragraaf 4.2.4 Beoordelingsregels en vergunningvoorschriften................................................................52 Subparagraaf 4.2.4.1 Algemeen ...........................................................................................................................52

Subparagraaf 4.2.4.2 Beoordeling aan ruimtelijke regels over bouwwerken .........................................................53 Subparagraaf 4.2.4.3 Uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk .........................................................................57 Subparagraaf 4.2.4.4 Normering autoparkeerplaatsen en fietsstalling .................................................................58 Subparagraaf 4.2.4.5 Bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie..............................................58 Subparagraaf 4.2.4.6 Windhinder en windgevaar.................................................................................................60 Subparagraaf 4.2.4.7 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden ....................................................61 Subparagraaf 4.2.4.8 (Grond)watereffecten bij ondergrondse bouwwerken (in bewerking) .................................64 Subparagraaf 4.2.4.9 Beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico................65 Subparagraaf 4.2.4.10 Zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied vuurwerk (gereserveerd) ......................................................................................................................................65 Subparagraaf 4.2.4.11 Zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen in een

beperkingengebied ontplofbare stoffen (gereserveerd) ......................................................................................................................65 Subparagraaf 4.2.4.11a Bouwen ter plaatse van de aanduiding ‘beschermingszone stads- of dorpsgezicht’ .........65 Subparagraaf 4.2.4.12 Overige vergunningvoorschriften .....................................................................................66

3

Paragraaf 4.2.5 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken ...........................................................................................................................................66 AFDELING 4.2A VERGUNNINGPLICHTIGE SLOOPACTIVITEITEN TER PLAATSE VAN BESCHERMD STADS- OF DORPSGEZICHT 69 AFDELING 4.3 OVERIGE REGELS OVER BOUWWERKEN EN ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN ................70 Paragraaf 4.3.1 Algemeen........................................................................................................................70 Paragraaf 4.3.2 Verrichten van bouwwerkzaamheden...............................................................................70 Paragraaf 4.3.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken...................................................................70 Paragraaf 4.3.4 Hemelwaterafvoer bij bouwwerken ..................................................................................74 HOOFDSTUK 5 RUIMTELIJKE REGELS OVER BOUWWERKEN.............................................................75 AFDELING 5.1 ALGEMEEN ................................................................................................................................75 AFDELING 5.2 RUIMTELIJKE REGELS OVER BOUWWERKEN .....................................................................................76

Paragraaf 5.2.1 Bouwwerken die in beginsel overal zijn toegestaan ...........................................................76 Paragraaf 5.2.2 Gebruik van bouwwerken ................................................................................................79 Paragraaf 5.2.3 Gebouwen ......................................................................................................................79 Paragraaf 5.2.4 Vervallen ........................................................................................................................81 Paragraaf 5.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde................................................................................81 Paragraaf 5.2.6 Specifieke bouwwerken ...................................................................................................82 Paragraaf 5.2.7 Specifieke regels over bouwwerken ter plaatse van specifieke bouwaanduidingen ..............83 HOOFDSTUK 6 AANLEGACTIVITEITEN (HET UITVOEREN VAN WERKEN, GEEN BOUWWERK ZIJNDE, OF VAN WERKZAAMHEDEN) ...........................................................................................................85 AFDELING 6.1 VERGUNNINGPLICHTIGE AANLEGACTIVITEITEN TER PLAATSE VAN DE AANDUIDING 'BESCHERMINGSZONE

ARCHEOLOGIE'...............................................................................................................................................85 AFDELING 6.2 VERGUNNINGPLICHTIGE AANLEGACTIVITEITEN TER PLAATSE VAN DE AANDUIDING ‘BESCHERMINGSZONE BOVENGRONDSE HOOGSPANNINGSVERBINDINGEN’ .............................................................................................86 AFDELING 6.3 VERGUNNINGPLICHTIGE AANLEGACTIVITEITEN TER PLAATSE VAN DE AANDUIDING ‘BESCHERMINGSZONE ONDERGRONDSE HOOGSPANNINGSVERBINDINGEN’ .............................................................................................87 AFDELING 6.4 VERGUNNINGPLICHTIGE AANLEGACTIVITEITEN TER PLAATSE VAN DE AANDUIDING ‘BESCHERMINGSZONE BUISLEIDING MET GEVAARLIJKE STOFFEN’...........................................................................................................89 AFDELING 6.5 VERGUNNINGPLICHTIGE AANLEGACTIVITEITEN TER PLAATSE VAN DE AANDUIDING ‘BESCHERMD STADS- OF DORPSGEZICHT’ .............................................................................................................................................90 AFDELING 6.6 REGELS VAN TOEPASSING OP AANLEGVERGUNNINGPLICHTEN OPGENOMEN IN EEN RUIMTELIJK PLAN TIJDELIJK DEEL OMGEVINGSPLAN ......................................................................................................................91 HOOFDSTUK 7 HET

AANLEGGEN OF WIJZIGEN VAN EEN GEMEENTEWEG, WATERSCHAPSWEG OF LOKALE SPOORWEG, OF HET WIJZIGEN VAN GEBRUIK VAN EEN LOKALE SPOORWEG.....................93 HOOFDSTUK 8 VANWEGE INSTRUCTIEREGELS AANGEWEZEN GEBIEDEN EN LOCATIES ..................93 HOOFDSTUK 9 KOSTENVERHAAL....................................................................................................93 AFDELING 9.1 ALGEMEEN................................................................................................................................93 AFDELING 9.2 KOSTENVERHAALSGEBIEDEN MET EEN TIJDVAK [GERESERVEERD] ......................................................94 AFDELING 9.3 KOSTENVERHAALSGEBIEDEN ZONDER TIJDVAK [GERESERVEERD] .......................................................94 HOOFDSTUK 10 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN ........................................................................94 AFDELING 10.1 ALGEMENE BEPALINGEN ............................................................................................................94 AFDELING 10.2 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN ANDERS DAN LOZINGEN .............................................................96 Paragraaf 10.2.1 Algemene bepalingen ....................................................................................................96 Paragraaf 10.2.2 Activiteit-overstijgende milieuaspecten

..........................................................................97 Subparagraaf 10.2.2.1 Energiebesparing ..............................................................................................................97 Subparagraaf 10.2.2.2 Zwerfafval ........................................................................................................................98 Subparagraaf 10.2.2.3 Geluid ...............................................................................................................................98 Subsubparagraaf 10.2.2.3.1 Algemene bepalingen ..........................................................................................98 Subsubparagraaf 10.2.2.3.2 Geluidregels ter bescherming van geluidgevoelige gebouwen............................100

4

Subparagraaf 10.2.2.4 Trillingen.........................................................................................................................105 Subparagraaf 10.2.2.5 Geur ................................................................................................................................107 Subsubparagraaf 10.2.2.5.1 Algemene geurregels ter bescherming van geurgevoelige gebouwen.................107 Subsubparagraaf 10.2.2.5.2 Geurregels ter beheersing van geuremissie ........................................................108

Paragraaf 10.2.3 Regels voor specifieke activiteiten ................................................................................108 Subparagraaf 10.2.3.1 Specifieke geurregels voor aangewezen agrarische activiteiten.......................................108 Subsubparagraaf 10.2.3.1.1 Algemene bepalingen.........................................................................................108 Subsubparagraaf 10.2.3.1.2 Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf .........................................................................................................................109 Subsubparagraaf 10.2.3.1.3 Geur door andere aangewezen agrarische activiteiten ........................................112 Subparagraaf 10.2.3.2 Milieuregels bij houden van dieren en telen van gewassen, anders dan geur ....................115 Subsubparagraaf 10.2.3.2.1 Opslaan van vaste mest ......................................................................................115 Subsubparagraaf 10.2.3.2.2 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen ...............................................116 Subsubparagraaf 10.2.3.2.3 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of

vogels.............................................................................................................................................................117 Subparagraaf 10.2.3.3 Activiteiten m.b.t. voedingsmiddelen ..............................................................................118 Subsubparagraaf 10.2.3.3.1 Niet-industriële voedselbereiding .......................................................................118 Subsubparagraaf 10.2.3.3.2 Voedingsmiddelenindustrie ................................................................................119 Subsubparagraaf 10.2.3.3.3 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen ................................................................................................................................................120 Subparagraaf 10.2.3.4 Opwekken van elektriciteit met een windturbine ............................................................122 Subsubparagraaf 10.2.3.4.1 Geluid door windturbines en windparken ...........................................................122 Subsubparagraaf 10.2.3.4.2 Slagschaduw en lichtschittering door een windturbine .......................................123 Subparagraaf 10.2.3.5 Exploiteren van zuiveringtechnische werken ...................................................................125 Subparagraaf 10.2.3.6

Overige activiteiten .........................................................................................................127 Subsubparagraaf 10.2.3.6.1 In werking hebben van een acculader..................................................................127 Subsubparagraaf 10.2.3.6.2 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht ............127 Subsubparagraaf 10.2.3.6.3 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage........................................128 Subparagraaf 10.2.3.7 Overige vergunningplichtige activiteiten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels .......129 Subparagraaf 10.2.3.8 Overige meldingsplichtige activiteiten ............................................................................132

AFDELING 10.3 LOZEN OP HET RIOOL EN OP OF IN DE BODEM ...............................................................................133 Paragraaf 10.3.1 Lozen bij wonen ...........................................................................................................133 Paragraaf 10.3.2 Lozen anders dan bij wonen .........................................................................................134 Subparagraaf 10.3.2.1 Algemene bepalingen......................................................................................................134 Subparagraaf 10.3.2.2 Lozen van huishoudelijk afvalwater .................................................................................135 Subparagraaf 10.3.2.3 Lozen van grondwater bij ontwatering ............................................................................136 Subparagraaf 10.3.2.4 Lozen van grondwater bij sanering ..................................................................................137 Subparagraaf 10.3.2.5 Lozen van afvloeiend hemelwater niet afkomstig van een bodembeschermende voorziening ........................................................................................................................................................139 Subparagraaf 10.3.2.6 Lozen bij reinigen van bouwwerken.................................................................................140

Subparagraaf 10.3.2.7 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen ..................................................................140 Subparagraaf 10.3.2.8 Lozen bij schoonmaken van drinkwaterleidingen ............................................................141 Subparagraaf 10.3.2.9 Lozen bij calamiteitenoefeningen ...................................................................................142 Subparagraaf 10.3.2.10 Lozen van koelwater......................................................................................................142 Subparagraaf 10.3.2.11 Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater ...........................................................................................................................................................................142 Subparagraaf 10.3.2.12 Lozen van afvalwater bij het maken van betonmortel ....................................................143 Subparagraaf 10.3.2.13 Lozen van afvalwater bij het uitwassen van beton..........................................................144 Subparagraaf 10.3.2.14 Lozen bij het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal ...............................144 Subparagraaf 10.3.2.15 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen ...........................................145 Subparagraaf 10.3.2.16 Lozen bij opslaan

van vaste mest...................................................................................146 Subparagraaf 10.3.2.17 Lozen bij opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen.............................................147 Subparagraaf 10.3.2.18 Lozen bij fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels ...........................................................................................................................................................................148 Subparagraaf 10.3.2.19 Lozen bij niet-industriële voedselbereiding....................................................................148 Subparagraaf 10.3.2.20 Lozen bij slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen ...........................................................................................................................................149 Subparagraaf 10.3.2.21 Lozen bij het wassen van motorvoertuigen ....................................................................150

5

AFDELING 10.4 BODEMACTIVITEITEN [GERESERVEERD] ......................................................................................150 HOOFDSTUK 11 MONUMENTEN EN ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT MONUMENTEN .............150 AFDELING 11.1 GEMEENTELIJKE MONUMENTEN ................................................................................................150 AFDELING 11.2 PROVINCIALE MONUMENTEN: REGELS OPGENOMEN VANWEGE INSTRUCTIEREGELS PROVINCIALE OMGEVINGSVERORDENING.............................................................................................................................156 HOOFDSTUK 12 .............................................................................................................................159 HOOFDSTUK 13 .............................................................................................................................159 HOOFDSTUK 14 .............................................................................................................................159 HOOFDSTUK 15 .............................................................................................................................159 HOOFDSTUK 16 .............................................................................................................................159 HOOFDSTUK 17

.............................................................................................................................159 HOOFDSTUK 18.............................................................................................................................159 HOOFDSTUK 19 .............................................................................................................................159 HOOFDSTUK 20 .............................................................................................................................159 HOOFDSTUK 21 .............................................................................................................................159 HOOFDSTUK 22 .............................................................................................................................159 HOOFDSTUK 23 OVERGANGSRECHT ..............................................................................................159 HOOFDSTUK 24 SLOTBEPALINGEN................................................................................................162 BIJLAGEN ......................................................................................................................................163 BIJLAGE I BEGRIPSBEPALINGEN .......................................................................................................................163

6

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.

Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.

2.

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn ook van toepassing op dit omgevingsplan, tenzij bijlage I bij dit omgevingsplan een andere begripsomschrijving bevat.

3.

Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.

Artikel 1.2 Oogmerk van de regels De regels in dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op de maatschappelijke doelen, bepaald in artikel 1.3 van de Omgevingswet, tenzij uit de regels van dit omgevingsplan volgt dat het oogmerk is beperkt. Artikel 1.3 Geografisch werkingsgebied van de regels 1.

De regels in dit omgevingsplan gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Amsterdam, tenzij in de regels is bepaald of uit de regels volgt dat het geografisch werkingsgebied is beperkt.

2.

Bijlage VI bij dit omgevingsplan bevat een overzicht van informatieobjecten.

Artikel 1.4 Normadressaat Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, wordt aan de regels over activiteiten in dit omgevingsplan voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 1.5 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, worden die ondertekend en voorzien van: a.

de aanduiding van de activiteit;

b.

de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

c.

het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

d.

de dagtekening.

Artikel 1.6 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat Voor zover gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 1.5 zijn verstrekt met het oog op de uitoefening van een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 10, worden: a.

voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 1.5, wijzigen, de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag;

b.

ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 1.7 Algemene meet- en rekenbepalingen 1.

Op het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte is NEN 2580 van toepassing.

2.

Als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een aanduiding, geldt de betreffende norm per afzonderlijk aanduidingsvlak. 7

3.

Op het bepalen van de geluidsbelasting op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.

Hoofdstuk 2 Algemene regels over het gebruik van gronden en bouwwerken Afdeling 2.1 Algemeen Artikel 2.1 Toepassingsbereik De regels in dit hoofdstuk hebben betrekking op het gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 2.2 Vervallen Artikel 2.3 Specifieke meet- en rekenbepalingen tijdelijk deel omgevingsplan Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over gebruik in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.

Afdeling 2.2 Toegestaan ruimtelijk gebruik Artikel 2.4 Toegestaan gebruik 1.

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in afdeling 3.2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in afdeling 2.3 en afdeling 2.4.

2.

Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming en de daarop betrekking hebbende regels over gebruik, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in afdeling 2.3 en afdeling 2.4.

3.

Tot een gebruik dat in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel behoren in elk geval het inrichten en/of gebruiken van gronden en bouwwerken voor: a.

groenvoorzieningen en waterpartijen;

b.

nutsvoorzieningen;

c.

ontsluitingsinfrastructuur ten behoeve van het gebruiksdoel.

Artikel 2.5 Waar bepaalde vormen van planologisch gebruik zijn toegestaan 1.

Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn de hierna volgende leden niet van toepassing. Daar bepalen de regels over gebruik zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan waar welke vormen van planologisch gebruik zijn toegestaan.

2.

Wonen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen'. Paragraaf 3.2.1 is op deze vorm van planologisch gebruik van toepassing.

3.

Het bieden van maatschappelijke dienstverlening is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening'. Paragraaf 3.2.2 is op deze vorm van planologisch gebruik van toepassing. 8

4.

De uitoefening van zakelijke en administratieve dienstverlening is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening'. Paragraaf 3.2.3 is op deze vorm van planologisch gebruik van toepassing.

5.

Zelfstandige detailhandel en consumentgerichte dienstverlening is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: detailhandel en consumentgerichte dienstverlening'. Paragraaf 3.2.4 is op deze vorm van planologisch gebruik van toepassing.

6.

De uitoefening van een bedrijf, gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, verwerken, herstellen, opslaan van goederen en de distributie en groothandel van goederen, is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf'. Paragraaf 3.2.5 is op deze vorm van planologisch gebruik van toepassing.

7.

Een culturele voorziening is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening'. Paragraaf 3.2.6 is op deze vorm van planologisch gebruik van toepassing.

8.

Een hotel is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel'. Paragraaf 3.2.7 is op deze vorm van planologisch gebruik van toepassing.

9.

Een sportvoorziening is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening'. Paragraaf 3.2.8 is op deze vorm van planologisch gebruik van toepassing.

10. Een faciliteit op het gebied van ontspanning en vermaak is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ontspanning en vermaak'. Paragraaf 3.2.9 is op deze vorm van planologisch gebruik van toepassing. 11. Een prostitutiebedrijf is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: prostitutiebedrijf'. Subparagraaf 3.2.10.1 is op deze vorm van planologisch gebruik van toepassing. 12. Een seksinrichting is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: seksinrichting. Subparagraaf 3.2.10.2 is op deze vorm van planologisch gebruik van toepassing. 13. Een agrarisch bedrijf in de vorm van een veehouderij of paardenfokkerij is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij'. Subparagraaf 3.2.11.1 is op deze vorm van planologisch gebruik van toepassing. 14. Een agrarisch bedrijf gericht op het telen van gewassen in de open lucht is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht'. Subparagraaf 3.2.11.2 is op deze vorm van planologisch gebruik van toepassing. 15. Een agrarisch bedrijf in de vorm van glastuinbouw en andere vormen van het telen van gewassen in een gebouw is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in een gebouw'.

Subparagraaf 3.2.11.3 is op deze vorm van planologisch gebruik van toepassing. 16. Een tracé van bovengrondse hoogspanningsverbindingen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding'. Paragraaf 3.2.15 is op deze vorm van planologisch gebruik van toepassing. 17. Een buisleiding met gevaarlijke stoffen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'buisleiding met gevaarlijke stoffen'. Paragraaf 3.2.16 is op deze vorm van planologisch gebruik van toepassing. 18. Ambulante handel, anders dan venten, is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel’. Paragraaf 3.2.17 is op deze vorm van planologisch gebruik van toepassing. 19. Een volkstuinpark is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark’. Paragraaf 3.2.18 is op deze vorm van planologisch gebruik van toepassing.

9

Afdeling 2.3 Overgangsbepalingen met betrekking tot afwijkmogelijkheden, wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten opgenomen in het tijdelijk deel omgevingsplan Artikel 2.6 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking tijdelijk deel omgevingsplan 1.

Dit artikel geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'.

2.

Als in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan voor een in dat plan aangegeven locatie is bepaald dat voor een activiteit met betrekking tot gebruik van gronden of bouwwerken bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om op die locatie de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.

3.

Op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid zijn van toepassing de daarop betrekking hebbende beoordelingsregels zoals opgenomen in de 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'.

4.

Als in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan de mogelijkheid is opgenomen om bij omgevingsvergunning af te wijken van regels in dat tijdelijke deel, en die regels de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.

5.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het tweede lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.

het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;

b.

een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1.

de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

2.

de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

3.

de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; en

4.

de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing.

Artikel 2.7 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning afwijking tijdelijk deel omgevingsplan, bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.

Dit artikel geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen.

2.

Voor zover een activiteit met betrekking tot gebruik van gronden en bouwwerken in strijd is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen regels over het gebruik van gronden en bouwwerken, kan omgevingsvergunning worden verleend voor het verrichten van die activiteit als de activiteit niet in strijd is met in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan gestelde regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel.

3.

Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het tweede lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:

4.

a.

artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

b.

artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

c.

artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het tweede lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 10

a.

het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;

b.

een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1.

de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

2.

de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

3.

de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; en

4.

de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing.

Afdeling 2.4 Algemene regels van ruimtelijke aard over gebruik van gronden en bouwwerken Paragraaf 2.4.1 Algemeen Artikel 2.8 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 2.9 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' blijven de regels in deze afdeling buiten toepassing voor zover deze regels in strijd zijn met regels die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.

Paragraaf 2.4.2 Inrichten en gebruik van bij een hoofdgebouw behorend erf en erfbebouwing Artikel 2.10 Inrichting en gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf, erfbebouwing 1.

Het gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf is in overeenstemming met een in afdeling 3.2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel.

2.

Onder het gebruik van een bij een hoofdgebouw behorend erf dat in overeenstemming is met een in afdeling 3.2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel wordt verstaan een inrichting en gebruik op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik van het bijbehorende erf wordt beschouwd.

3.

Ter plaatse van de aanduiding 'tuin' geldt, in afwijking van het tweede lid, dat een bedrijfsmatig gebruik van het bijbehorend erf niet is toegestaan.

4.

Onder bedrijfsmatig gebruik wordt in ieder geval begrepen het gebruik voor opslag.

Paragraaf 2.4.3 Parkeernormen voor auto’s, scooters en fietsen bij gebruik van gronden en bouwwerken Subparagraaf 2.4.3.1 Parkeernormering auto's Artikel 2.11 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het aantal parkeerplaatsen voor auto’s dat bij het gebruik van gronden en bouwwerken feitelijk op eigen terrein beschikbaar moet zijn ten behoeve van dat gebruik.

11

Artikel 2.12 Van toepassing zijnde parkeernormen 1.

Voor de toepassing van deze subparagraaf zijn de geldende parkeernormen de normen zoals opgenomen in bijlage V.

2.

Ter plaatse van de aanduiding ‘A-locatie’ gelden de in bijlage V aangegeven normen voor een A-locatie.

3.

Ter plaatse van de aanduiding ‘B-locatie’ gelden de in bijlage V aangegeven normen voor een B-locatie.

4.

Ter plaatse van de aanduiding ‘C-locatie’ gelden de in bijlage V aangegeven normen voor een C-locatie.

Artikel 2.13 Regels bij het binnenplans wijzigen van bestaand gebruik 1.

In aanvulling op artikel 2.4 is het verboden het bestaand gebruik te wijzigen naar een andere vorm van gebruik, wanneer het aantal feitelijk beschikbare parkeerplaatsen op eigen terrein niet in overeenstemming is of wordt gebracht met de voor het nieuwe gebruik geldende parkeernorm.

2.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen voor zover het gaat om een van de volgende wijzigingen: a.

een wijziging van wonen naar een ander gebruik dan wonen;

b.

een wijziging van zakelijke en administratieve dienstverlening naar een ander gebruik dan zakelijke en administratieve dienstverlening;

c.

een wijziging van een vorm van gebruik, niet zijnde wonen of zakelijke en administratieve dienstverlening, naar wonen of zakelijke en administratieve dienstverlening.

Artikel 2.14 Vervallen

Artikel 2.15 Regels over het wijzigen van het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein 1.

Het is verboden het aantal parkeerplaatsen, dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar is, te wijzigen.

2.

Het is eerste lid is niet van toepassing als:

3.

a.

het aantal parkeerplaatsen dat feitelijk beschikbaar komt op eigen terrein passend wordt of blijft binnen de voor het bestaand gebruik geldende parkeernorm;

b.

met aantal parkeerplaatsen dat feitelijk beschikbaar komt op eigen terrein meer wordt aangesloten bij de voor het bestaand gebruik geldende parkeernorm.

De uitzondering, bedoeld in het tweede lid, geldt niet ter plaatse van de aanduiding ‘aantal autoparkeerplaatsen’. Daar dient het aantal parkeerplaatsen dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar is te blijven voldoen aan de daar bepaalde waarde.

Artikel 2.16 Vervallen

Artikel 2.17 Maatwerkvoorschrift met betrekking tot het aantal parkeerplaatsen 1.

Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen waarmee kan worden afgeweken van artikel 2.13 en artikel 2.15, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag: a.

op andere wijze in voldoende mate in parkeergelegenheid wordt voorzien;

b.

sprake is van een bestaand gebouw of van bestaande gebouwde parkeervoorzieningen en het voldoen aan de parkeernorm op overwegende bezwaren stuit; of

c.

het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend: 1.

een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw;

12

2.

een te verwachten meer of minder dan gemiddeld aantal klanten of bezoekers.

2.

Aan het in het eerste lid bedoelde maatwerkvoorschrift kunnen de voorschriften worden verbonden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen te waarborgen.

3.

Bij een verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt: a.

het planologisch gebruik dat plaatsvindt en het aantal feitelijk beschikbare parkeerplaatsen dat daarbij aanwezig is;

b.

een omschrijving van de beoogde wijziging waarop verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift betrekking heeft;

c.

een motivering van het verzoek.

Subparagraaf 2.4.3.2 Normering fietsstalling [gereserveerd] Artikel 2.18 Gereserveerd Artikel 2.19 Gereserveerd Artikel 2.20 Gereserveerd Artikel 2.21 Gereserveerd Artikel 2.22 Gereserveerd Artikel 2.23 Gereserveerd Artikel 2.24 Gereserveerd

Paragraaf 2.4.4 Ondergeschikte en additionele vormen van gebruik Artikel 2.25 Ondergeschikt kantoorgebruik 1.

Het inrichten en in gebruik te nemen van bedrijfsruimte als kantoor, anders dan ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening', is toegestaan, maar uitsluitend onder de volgende voorwaarden: a.

het gaat om niet-zelfstandige kantoorruimte die ondersteunend is aan de eigen bedrijfsuitoefening; en

b.

tot een maximum van 30% kantoorvloer per bedrijf, gerekend over het totaal bruto-vloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen.

2.

Ter plaatse van de aanduiding 'afwijkend maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer' geldt, in afwijking van het eerste lid, onder b, als maximum percentage kantoorvloer per bedrijf de daar bepaalde waarde, gerekend over het totaal bruto-vloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen.

3.

Ter plaatse van de aanduiding ‘uitzondering maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer’ is het in het eerste lid, onder b, genoemde maximum percentage niet van toepassing op bedrijven die zich uitsluitend of overwegend bezighouden met opslag in de open lucht.

4.

Het percentage kantoorvloer wordt bepaald over het totaal bruto-vloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen, waarbij ruimten voor algemeen gebruik zoals gangen, toiletruimten, trappenhuizen, verblijfsruimte en dergelijke evenredig worden verdeeld over de bedrijfsruimte en de ondergeschikte kantoorruimte, waarbij de verdeling op basis van vierkante meters plaatsvindt.

13

Artikel 2.26 Ondergeschikte detailhandel 1.

2.

3.

Het uitoefenen van ondergeschikte vormen van detailhandel op een locatie waar zelfstandige detailhandel niet is toegestaan, is toegestaan als: a.

de uitoefening van ondergeschikte detailhandel plaatsvindt binnen een ambachtelijk bedrijf, consumentgerichte dienstverlening, alcoholvrije horeca of een culturele instelling;

b.

het assortiment ligt in het verlengde van de onder a bedoelde bedrijfsuitoefening; en

c.

het gaat om maximaal 20% van de bruto-vloeroppervlakte van het onder a bedoelde bedrijf, tot een maximum van 50 m2.

Het bevoegd gezag kan over het eerste lid een maatwerkvoorschrift geven en daarbij afwijken van het eerste lid, onder c, maar uitsluitend als: a.

de omvang van de niet-zelfstandige detailhandel ondergeschikt blijft aan de in het eerste lid bedoelde bedrijfsuitoefening; en

b.

het voldoen aan het bepaalde in het tweede lid door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.

De omvang van de ondergeschikte detailhandel wordt bepaald door het deel van het bruto vloeroppervlak van een gebouw dat daadwerkelijk wordt gebruikt voor verkoopdoeleinden.

Artikel 2.27 Ondergeschikte horeca-activiteiten [gereserveerd] Artikel 2.28 Gereserveerd Artikel 2.29 Gereserveerd Artikel 2.30 Gereserveerd Artikel 2.31 Gereserveerd Artikel 2.32 Gereserveerd

Paragraaf 2.4.5 Vergunningplicht voor wijziging van het gebruik als niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw Artikel 2.33 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik, uitsluitend voor zover de activiteit bestaat uit het wijzigen van het gebruik van een niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw.

2.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

Artikel 2.34 Waar waarden gelden De waarden voor het geluid gelden: a.

als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;

b.

in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en

c.

als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

14

Artikel 2.35 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik het gebruik van een gebouw te wijzigen, voor zover de activiteit bestaat uit het wijzigen van het gebruik van een nietgeluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw. Artikel 2.36 Uitzondering op vergunningplicht omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik 1.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.35, geldt niet als het gebouw waarvan het gebruik wordt gewijzigd zich geheel buiten een geluidaandachtsgebied bevindt.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.35, geldt niet voor zover het gebruik als geluidgevoelig gebouw reeds betrokken is bij een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als bedoeld in artikel 4.7.

Artikel 2.37 Uitzondering op vergunningplicht wijziging gebruik als het gebruik in overeenstemming is met het tijdelijk deel omgevingsplan Het verbod, bedoeld in artikel 2.35, geldt niet voor zover de activiteit plaatsvindt ter plaatse van de aanduiding ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen, en het gebruik als geluidgevoelig gebouw in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen regels over gebruik. Artikel 2.38 Beoordelingsregels wijziging gebruik als niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.35 wordt alleen verleend als: a.

het met de wijziging beoogde gebruik als geluidsgevoelig gebouw niet in strijd is met artikel 2.4; en

b.

de mate van geluidbelasting op het geluidgevoelige gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.

Artikel 2.39 Wijziging gebruik aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde 1.

Van een aanvaardbare geluidsbelasting als bedoeld in artikel 2.38 is in elk geval sprake als het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

2.

Artikel 5.78t, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.40 Overschrijding van de standaardwaarde 1.

Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 2.39 bedoelde standaardwaarde, kan de geluidbelasting aanvaardbaar zijn als: a.

geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen;

b.

de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk is of wordt beperkt; en

c.

het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

2.

Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

3.

Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen, gelet op het bepaalde in het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, is sprake van een aanvaardbare 15

geluidbelasting als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 2.39, is berekend. 4.

5.

Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het bepaalde in het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn en niet elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 2.39, is berekend, kan sprake zijn van een aanvaardbare geluidbelasting als: a.

elke afzonderlijke woning beschikt over een bijna-geluidluwe gevel; en

b.

zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.

Artikel 5.78u, tweede en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.40a Overschrijding grenswaarde bij functiewijziging Zie artikel 5.78w Bkl. Moet nog verwerkt. Artikel 2.41 Belang van een geluidluwe gevel Bij de toepassing van artikel 2.40 wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken. Artikel 2.42 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid 1.

Bij de toepassing van artikel 2.40 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.

2.

Als het gecumuleerde geluid ten hoogste 3dB hoger is dan de hoogstberekende geluidbelasting per geluidbronsoort, is het gecumuleerde geluid aanvaardbaar.

3.

Artikel 3.38, derde en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.43 Bepalen van gezamenlijk geluid Bij de toepassing van artikel 2.40 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.35, vastgelegd. Artikel 2.44 Vergunningvoorschriften 1.

Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.35, worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidbelasting.

2.

Voor zover de in het eerste lid bedoelde voorschriften betrekking hebben op het nemen van bouwkundige maatregelen, waarvoor op grond van hoofdstuk 4 een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken geldt, is hoofdstuk 4 op het verrichten van die omgevingsplanactiviteit bouwwerken onverkort van toepassing.

Artikel 2.45 Aanvraagvereisten PM

Paragraaf 2.4.6 Beperkingen voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico Artikel 2.46 Werkingsgebied en oogmerk 1.

Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’. 16

2.

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op een wijziging van gebruik voor zover de met de wijziging beoogde vorm van gebruik in overeenstemming is met artikel 2.4.

3.

De regels in deze paragraaf zijn gesteld om kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare gebouwen te beschermen.

Artikel 2.47 Verbod gebruik kwetsbaar gebouw 1.

Het is verboden om een gebouw te gebruiken als een kwetsbaar gebouw.

2.

Het verbod geldt niet voor kwetsbare gebouwen die functionele binding hebben met de activiteit waarvoor de aanduiding ‘beperkingengebied externe veiligheid’ is opgenomen.

Artikel 2.48 Vergunningplicht wijziging naar beperkt kwetsbaar gebouw 1.

2.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a.

het wijzigen van het gebruik van een gebouw dat geen kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw is naar een gebruik als beperkt kwetsbaar gebouw;

b.

het wijzigen van het gebruik van een beperkt kwetsbaar gebouw naar een andere beperkt kwetsbare gebruiksfunctie waardoor het aantal aanwezige personen toeneemt.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een beperkt kwetsbaar gebouw dat functionele binding heeft met de activiteit waarvoor de aanduiding ‘beperkingengebied externe veiligheid’ is opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12187350/1