1. Bijlage 1. Amsterdamse Armoedemonitor 2020
Tekst van het document
leeftijd
vermogen), naar geslacht, per leeftijdsgroep en huishoudsamenstelling, 2019
0-17
52
48
18-65
47
53
43
57
alleenstaand
51
49
paar zonder kinderen
51
49
paar met kinderen
50
50
eenoudergezin
36
totaal
huishoudsamenstelling
66+
64 47
0
20
53 40 mannen
60 vrouwen
% 80
100
bron: CBS/ bewerking OIS
4.7 Veel minima onder Amsterdammers met Midden-Oosterse of Afrikaanse migratieachtergrond Amsterdammers met een migratieachtergrond hebben in veel gevallen (veel) meer kans om tot de minima te behoren dan Amsterdammers zonder migratieachtergrond. Alleen onder mensen met een achtergrond in de westelijke EU-lidstaten is het armoedepercentage gelijk aan dat van mensen zonder migratieachtergrond. Onder Amsterdammers met een Midden-Oosterse of Afrikaanse migratieachtergrond komt armoede het vaakst voor: bijna een derde (32%) behoort 40
tot de minima. Van de Amsterdammers met een Turkse of Marokkaanse achtergrond is dit ruim een kwart (26%). Voor alle herkomstgroepen daalt het armoedepercentage de laatste jaren; de sterkste daling zien we onder de groep van Oost-Europese herkomst. Onder mensen met een West-Europese herkomst en zonder migratieachtergrond (de groepen met het laagste armoedepercentage) is de afname het kleinst. Verder zijn de verhoudingen tussen de verschillen de herkomstgroepen door de jaren heen redelijk stabiel. Figuur 4.16 Percentage Amsterdammers in huishoudens met een inkomen tot 120% SM en weinig vermogen naar migratieachtergrond, 2019 Midden-Oosten en Afrika
32
Marokko, Turkije
26
Indonesie, Suriname, Antillen
18
Oost-EU
14
Amerika, Azie, Oceanie en overig Europa
12
West-EU
7
geen migratieachtergrond
7
totaal
14 0
20
40
60
80
% 100
bron: CBS/ bewerking OIS
Het aandeel Amsterdammers dat tot de minima behoort verschilt sterk per herkomstland. Figuur 4.17 toont het aandeel minima voor herkomstlanden met een bovengemiddeld armoedepercentage. De zes herkomstlanden met het hoogste aandeel minima in Amsterdam zijn ook herkomstlanden van veel Amsterdamse statushouders. Statushouders leven relatief vaak van een bijstandsuitkering (OIS, 2020: Vluchtelingenmonitor 2020).
41
Figuur 4.17 Herkomstlanden* van Amsterdammers met een bovengemiddeld percentage personen in minimahuishoudens, 2019 (procenten)
100
%
90 80
70 60 50 40 30 20
0
Eritrea Syrië Somalië Soedan Ethiopië Irak Dominicaanse Rep. Afghanistan Nigeria Iran Egypte Algerije Marokko Pakistan Tunesië Ghana Turkije Bulgarije Ned. Antillen (vm.) Ecuador Nepal Guyana Suriname Colombia Libanon China Chili Kaapverdië Joegoslavië (vm.)
10
percentage pers. in huishouden met inkomen <120% SM en vermogen onder de bijstandsnorm gemiddelde: 14%
bron: CBS/ bewerking OIS * met minimaal 500 Amsterdammers in de doelpopulatie
42
5 Dynamiek armoedepopulatie
In dit hoofdstuk komen twee aspecten van de dynamiek van de armoedepopulatie aan de orde: ten eerste langdurige armoede en ten tweede in- en uitstroom uit de groep minima. Personen die drie jaar of langer deel uitmaken van een minimahuishouden zijn gedefinieerd als langdurige minima. We kijken naar de ontwikkeling in de tijd van de groep langdurige minima en de verdeling naar leeftijd, bron van het huishoudinkomen, huishoudsamenstelling en verdeling over de stad. Bij in- en uitstroom uit de groep minima gaat het om de ontwikkeling tussen 2018 en 2019 en daarbij de reden voor in- dan wel uitstroom, in- en uitstroom naar belangrijkste inkomensbron en naar huishoudsamenstelling.
5.1 Twee derde is langdurig minima Van de personen die in 2019 tot de minima behoorden is gekeken hoeveel aaneengesloten jaren zij deel uitmaken van de groep minima. Op basis van de beschikbare inkomens- en vermogensgegevens kunnen we hiervoor terugkijken tot en met 2011. Dan zien we dat een vijfde alleen in 2019 minima was en 12% ook in het jaar daarvoor. Twee derde (65%) maakt drie jaar of langer deel uit van een minimahuishouden: deze groep definiëren we als langdurig minima. Dit wijkt af van de landelijke definitie van vier jaar (gebruikt in hoofdstuk 2) maar sluit aan bij de definitie die de gemeente gebruikt. Onder die groep is er een groot aantal personen dat negen jaar of langer minima is: bijna 29.000, ruim een kwart van alle minima. Tabel 5.1 Amsterdammers in een minimahuishouden naar aantal aaneengesloten jaren in groep minima, 2019 abs.
%
1 jaar
23.780
22
2 jaar
13.256
12
3 jaar
9.962
9
4 jaar
8.056
8
5 jaar
6.869
6
6 jaar
5.929
6
7 jaar
5.437
5
8 jaar
4.643
4
9 jaar of langer
28.700
27
totaal
106.632
100
bron: CBS/bewerking OIS
Wanneer we kijken naar de ontwikkeling in de tijd, dan zien we dat een steeds groter aandeel van de groep minima langdurig arm is: in 2013 was 57% van de minima langdurig arm, in 2019 is dit percentage gestegen naar 65%. Dat is wel gelijk aan 2018. In aantallen wordt de groep minima steeds kleiner. Daarmee is het aantal langdurige minima in 2019 (69.596) vrijwel gelijk aan het aantal langdurige minima in 2013 (70.071). 43
Figuur 5.2 Samenstelling Amsterdammers in een minimahuishouden naar duur (procenten), 2013-2018
2013 (n=123.148)
43
57
2014 (n=124.307)
42
58
2015 (n=117.077)
39
61
2016 (n=114.997)
38
62
2017 (n=111.010)
36
64
2018 (n=107.832)
35
65
2019 (n=106.632)
35
65
0
20
40
korter dan 3 jaar minima
60
%
80
100
minimaal 3 jaar aaneengesloten minima bron: CBS/bewerking OIS
5.2 Vooral ouderen vaak langdurig arm De grootste verschillen in het percentage langdurige minima zien we wanneer we kijken naar leeftijd. In paragraaf 4.3 hebben we laten zien dat het armoedepercentage hoger is voor jongeren en ouderen. Ditzelfde patroon zien we terug bij de verdeling van langdurige minima: Kinderen tussen de 5 en 17 jaar en 55-plussers in minimahuishoudens behoren vaker dan gemiddeld tot de groep langdurige minima. Pieken zien we bij jongeren van 13 en 14 jaar (drie kwart is langdurig minima) en tussen 81 en 84 jaar (90% is langdurig minima). Met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd verandert de inkomensgrens om tot de minima te behoren en verandert vaak ook het huishoudinkomen. Het inkomen daalt meestal iets terwijl de inkomensgrens hoger ligt. Daarmee stromen rond deze leeftijd meer mensen in tot de minimagroep; dat doorbreekt de langdurigheid van armoede. Oftewel: deze twee effecten samen leiden ertoe dat (schijnbaar) een kleiner percentage van de minima rond deze leeftijd langdurig arm is. Aangezien onduidelijk is welk deel van deze daling reëel is en welk deel een gevolg van statistische artefacten, laten we deze groep in de figuur buiten beschouwing.
44
Figuur 5.3 Percentage langdurige minima (drie jaar of langer) ten opzichte van alle minima, naar leeftijd*, 2018 (procenten)
% 100 90 minimaal 3 jaar aaneengesloten minima
80 70
gemiddeld 65%
60 50 40 30 20 10 0
0
5 10 15 20 25 30 35 40 45 50 55 60 65 70 75 80 85 90+
* exclusief Amsterdammers rond de pensioengerechtigde leeftijd
bron: CBS/ bewerking OIS
5.3 Minima met inkomen uit werk minder vaak langdurig arm Figuur 5.4 Samenstelling Amsterdammers in een minimahuishouden naar duur in groep minima, naar belangrijkste bron van het inkomen, 2019 (procenten)
pensioen (n=23.884)
20
bijstand (n=42.397)
80
26
74
loondienst (n=13.725)
62
eigen bedrijf (n=9.374)
38 70
totaal (n=106.632)
30
35
65 %
0
20 korter dan 3 jaar minima
40
60
80
100
minimaal 3 jaar aaneengesloten minima bron: CBS/bewerking OIS
45
Naast leeftijd vormt bron van inkomen en belangrijk onderscheid binnen de groep langdurige minima. Van de personen in huishoudens met werk in loondienst of een eigen bedrijf als belangrijkste inkomensbron is respectievelijk 38% en 30% langdurig minima, oftewel veel minder dan gemiddeld. Personen in huishoudens die leven van een pensioen of een bijstandsuitkering zijn juist relatief vaak langdurig arm.
5.4 Alleenstaanden en personen in eenoudergezinnen vaak langdurig minima Op basis van huishoudsamenstelling zijn er minder grote verschillen in het percentage langdurige minima. Wel zijn alleenstaanden en eenoudergezinnen iets vaker dan gemiddeld langdurig arm. Figuur 5.5 Samenstelling Amsterdammers in een minimahuishouden naar duur in groep minima, naar huishoudsamenstelling, 2019 (procenten)
alleenstaande (n=46.000)
32
68
eenoudergezin (n=21.276)
33
67
paar zonder kinderen (n=13.012)
34
66
paar met kinderen (n=20.124)
39
61
totaal (n=106.632)
35
65 %
0
20
40
60
korter dan 3 jaar minima
80
100
minimaal 3 jaar aaneengesloten minima bron: CBS/bewerking OIS
Kijken we naar het armoedepercentage onder verschillende huishoudtypes in relatie tot geslacht van de hoofdkostwinner, dan zien we dat vrouwelijke hoofdkostwinners iets vaker langdurig arm zijn (69%) dan mannelijke hoofdkostwinners (66%). Vooral vrouwen die alleenstaand zijn, zijn relatief vaak langdurig arm. Onder eenoudergezinnen is het percentage langdurige minima gelijk onder mannen en vrouwen, maar er zijn in absolute zin veel meer alleenstaande moeders dan alleenstaande vaders. Tabel 5.6 Aantal en percentage langdurig arme (drie jaar of langer) hoofdkostwinners naar geslacht en huishoudsamenstelling, 2019 man abs. alleenstaande eenoudergezin
man % van alle minima
vrouw abs.
vrouw % van alle minima
15.299
66
16.196
71
292
70
4.927
70
overig
5.974
67
2.511
58
totaal
21.565
66
23.634
69
bron: CBS/bewerking OIS
46
5.5 Grootste groep langdurige minima in Nieuw-West, hoogst aandeel in Zuidoost In absolute zin wonen de grootste groepen langdurige minima in Nieuw-West en West, gevolgd door Oost. Centrum telt de kleinste groep langdurige minima. Wanneer we kijken naar het aandeel langdurige minima ten opzichte van alle minima in het stadsdeel ligt dit percentage het hoogst in West (68%) en Noord (67%). Centrum telt in absolute en relatieve zin de kleinste groep minima die langdurig arm is. Zetten we de groep minima die langdurig arm is af tegen de totale bevolking, dan heeft Zuidoost met 12% het hoogste percentage langdurige minima onder de bevolking. Tabel 5.7 Aantal en percentage langdurige (drie jaar of langer) minima per stadsdeel, 2018 % van % van abs. totaal minima totale bevolking Centrum
4.468
61
6
West
13.030
68
10
Nieuw-West
14.011
63
10
Zuid
7.747
65
6
Oost
10.587
66
8
Noord
9.773
67
11
Zuidoost
9.960
66
12
Amsterdam
69.596
65
9 bron: CBS/bewerking OIS
5.6 Meer uitstroom dan instroom uit groep minima, instroom neemt af In 2019 behoren 106.632 Amsterdammers tot de groep minima. Ruim 24.000 van hen waren in 2018 nog geen minima: zij vormen de instroom in de armoede in 2019. Daarentegen staat dat ruim 25.000 Amsterdammers die in 2018 in een minimahuishouden leefden in 2019 niet meer tot de minima behoren. Zij vormen de uitstroom. Omdat de groep die uitstroomt in 2019 iets groter is dan de groep die instroomt neemt de totale groep minima per saldo licht af. Dat zagen in voorgaande jaren ook, maar met een groter verschil tussen uitstroom en instroom. Figuur 5.8 laat zien dat de afname van het aantal minima sinds 2014 vooral te maken heeft met een verminderde instroom.
47
Figuur 5.8 In- en uitstroom van Amsterdammers in minimahuishoudens, 2011-2019
bron: CBS/ bewerking OIS
5.7 In- of uitstroom meestal het gevolg van een inkomensverandering Voor ruim de helft van de personen die instromen in de groep minima in 2019 is deze verandering te wijten aan een inkomensdaling (bijna 11.500 personen), al dan niet in combinatie met een vermogensdaling (1.314 personen). Samen vormt deze groep 53% van de personen die instroom in de armoede in 2019. Een inkomensdaling kan bijvoorbeeld ontstaan door baanverlies, minder uren kunnen werken of na echtscheiding (dan daalt het huishoudinkomen). Twintig procent van de instroom behoorde in 2018 nog niet tot de doelpopulatie: zij behoorden tot een huishouden waarvan het inkomen niet het hele jaar bekend is, tot een studentenhuishouden of waren instituutbewoner. Nog eens twintig procent stroomde in als gevolg van een binnenlandse verhuizing naar Amsterdam, immigratie of geboorte. Figuur 5.9 geeft een overzicht van de redenen voor in- of uitstroom tussen 2018 en 2019. Deze figuur laat ook zien dat een ruime meerderheid van de personen die is uitgestroomd uit de groep minima te maken heeft gehad met stijging van het inkomen (56% van de uitstroom), in enkele gevallen in combinatie met stijging van het vermogen (5% van de uitstroom). Verder behoort 18% niet meer tot de doelpopulatie in 2019. Overlijden, emigratie of verhuizing zijn in veel minder gevallen reden voor uitstroom uit de Amsterdamse groep minima.
48
Figuur 5.9 In- en uitstroom van Amsterdammers in de groep minimahuishoudens* naar reden, 2018-2019
bron: CBS/ bewerking OIS
5.8 Inkomen voor instroom en na uitstroom vaak net boven armoedegrens Voor de Amsterdammers die van 2018 op 2019 instroomden als gevolg van een inkomensdaling (al dan niet in combinatie met een daling in het vermogen) is gekeken naar het huishoudinkomen vóór de instroom (figuur 5.10, links). Dat is in te delen in vier vrijwel gelijke delen. Ruim een kwart van de ingestroomde groep had in 2017 een inkomen net boven de inkomensgrens: meer dan 120% SM tot 130% SM. Een kwart had een huishoudinkomen van 130% SM tot 150% SM en nog eens ruim een kwart van 150% SM tot 200% SM. Ruim een vijfde maakte een vrij grote inkomensdaling mee: zij hadden in 2018 nog een huishouden inkomen van 200% SM of meer. Ter vergelijking: volgens eerdere berekeningen staat het gemiddeld netto besteedbaar inkomen van Amsterdamse huishoudens gelijk aan ongeveer 230% SM. Dit patroon blijkt stabiel als we kijken naar de situatie in voorgaande jaren: ook eerder zagen we dat ruim de helft van de personen die instromen in de groep minima vóór instroom een inkomen tussen 120 en 150% SM had. Wel zien we dat de groep die vóór instroom in de hoogste inkomensgroep zat iets groter is geworden (was 20% in 2018).
49
Figuur 5.10 Inkomen van het huishouden (% SM) van Amsterdammers die instroomden door inkomensdaling tussen 2018 en 2019 (links) en van Amsterdammers die uitstroomden door inkomensstijging tussen 2018 en 2019 (rechts)
bron: CBS/ bewerking OIS
Voor de groep die van 2018 op 2019 is uitgestroomd als gevolg van een inkomensstijging (al dan niet in combinatie met een vermogensstijging) tonen we het inkomen in 2019 (figuur 5.10, rechts). Een derde had ook na uitstroom uit de armoede een relatief laag inkomen: meer dan 120% SM maar minder dan 130% SM. Verder had 29% na uitstroom een huishoudinkomen uitstroom van de 130% tot 150% SM en 24% van 150% SM tot 200% SM. Dertien procent zag een aanzienlijke stijging in het huishoudinkomen: zij hadden in 2019 een inkomen van 200% SM of meer. In voorgaande jaren zagen we een vergelijkbare verdeling van inkomens na uitstroom. De groep in de hoogste inkomensgroep na uitstroom is wel iets kleiner geworden (was 15% in 2018), terwijl de groep met een inkomen net boven de inkomensgrens iets groter is geworden (was 32%, nu 34%).
5.9 Kans op in- of uitstroom verschilt naar huishoudtype en inkomstenbron In 2018 telde Amsterdam 670.177 personen in de doelpopulatie die niet tot de minima behoorden. Van 2018 op 2019 werden 14.574 van hen minima als gevolg van een inkomensen/of vermogensdaling. De kans om in te stromen is hiermee gemiddeld 2,2%. Sommige groepen hebben echter een groter risico op instroom dan anderen (zie figuur 5.11). Zo wordt 5% van de personen die in 2018 deel uitmaken van een eenoudergezin in 2019 minima. Daarnaast wordt Amsterdammers in huishoudens met een uitkering (anders dan bijstand) als belangrijkste inkomensbron vaker minima (8%) dan personen in huishoudens met een inkomen uit werk of pensioen.
50
Figuur 5.11 Percentage Amsterdammers dat is ingestroomd tussen 2018 en 2019, naar huishoudsamenstelling en belangrijkste inkomstenbron van het huishouden in 2018 (procenten)
25
%
20 15 10 3
gemiddelde: 2,2%
pensioen
2
uitkering (geen bijstand)
eigen bedrijf
paar met kinderen
huishoudsamenstelling 2018
1
loondienst
2
eenoudergezin
1
paar zonder kinderen
0
2
alleenstaande
5
8 5
belangrijkste inkomensbron van het huishouden 2018 bron: CBS/ bewerking OIS
Van de 107.832 personen in minimahuishoudens in 2018 stroomden er in 2019 in totaal 17.092 uit als gevolg van een inkomens- en/of vermogensstijging. Het uitstroompercentage ligt hiermee op 15,9%. Voor minima in huishoudens die in 2018 werk in loondienst of een eigen bedrijf als belangrijkste inkomensbron hadden liggen de uitstroompercentages veel hoger dan dit gemiddelde. Minima die leven van een bijstandsuitkering of een pensioen hebben juist een lager uitstroompercentage (zie figuur 5.12). We zien veel kleinere verschillen in uitstroomkans als het gaat om huishoudsamenstelling, maar paren met kinderen stromen relatief vaker uit dan andere huishoudens.
51
Figuur 5.12 Percentage Amsterdammers dat tussen 2018 en 2019 is uitgestroomd, naar belangrijkste inkomstenbron van het huishouden in 2018 (procenten)
50
%
40
36 31
30 21 16 11
8
huishoudsamenstelling 2018
andere uitkering
bijstand
eigen bedrijf
loondienst
eenoudergezin
0
paar met kinderen
10
gemiddelde: 15,9%
pensioen
11
paar zonder kinderen
16
12
alleenstaande
20
belangrijkste inkomensbron van het huishouden 2018 bron: CBS/ bewerking OIS
52
Deel II 6 Toekenningen en bereik minimaregelingen
In dit hoofdstuk presenteren wij bereikcijfers voor een aantal minimaregelingen. Het gaat om de regelingen waarvoor het bereik berekend kan worden met de beschikbare gegevens: de Stadspas, de Collectieve Zorgverzekering, het Gratis OV voor oudere minima samen met de Tegemoetkoming aanvullend openbaar vervoer, de Scholierenvergoeding en de Kindbonnen. Verder presenteren we het verzamelbereik van de kindregelingen en het totaalbereik minimahuishoudens. Hoe we bereik en verzamelbereik berekenen leggen we hieronder uit. De bereikcijfers tot en met het jaar 2019 betreffen definitieve gegevens, voor 2020 gaat het om voorlopige cijfers.
6.1 Berekening bereik minimaregelingen Het bereik is het percentage toekenningen op de totale doelgroep van de betreffende regeling. Deze definitie kan als volgt schematisch worden weergegeven:
De teller, ontvangers van minimaregelingen, zijn huishoudens die in een bepaald kalenderjaar een toekenning of betaling hebben gekregen in het kader van een regeling. Dit aantal wordt gedeeld door de noemer, gevormd door de doelgroep. Voor de kindregelingen (Stadspas, Kindbonnen, Scholierenvergoeding basis- en middelbaar onderwijs en de Gratis Laptop of Tablet) wordt een verzamelbereik berekend. Het gaat hierbij om het aandeel minimahuishoudens met kinderen van 4 t/m 17 jaar met minstens één van de kindregelingen. Het totaalbereik minimahuishoudens is het aandeel van de huishoudens met recht op voorzieningen dat ten minste één van de volgende voorzieningen ontvangt: Stadspas, Collectieve Zorgverzekering, kindregelingen, TAOV/Gratis OV 65+ en (vanaf 2018) TOVM (tegemoetkoming OV minima mantelzorgers). De groep rechthebbende huishoudens bepalen we op basis van inkomen en vermogen; voor het totaalbereik wordt geen rekening gehouden met voorwaarden die voor slechts een deel van de voorzieningen gelden, zoals leeftijd of de aanwezigheid van kinderen in het huishouden.
53
6.1.1 Doelgroep gemeentelijke minimaregelingen De doelgroep van de gemeentelijke minimaregelingen is groter dan de minimapopulatie zoals in Deel I is gepresenteerd. Er zijn minima(huishoudens) die wel recht hebben op minimaregelingen, maar die niet vallen onder de totalen van minimahuishoudens en personen in minimahuishoudens die we met de CBS-gegevens kunnen vaststellen (in de hoofdstukken 3 en 4). Dat betekent dat we de eerder gepresenteerde aantallen niet gebruiken als noemer in bovengenoemde formule in de berekening van het bereik van minimaregelingen. We gebruiken de CBS-gegevens over inkomen en vermogen om de doelgroep te bepalen, en houden daarnaast rekening met de gemeentelijke toekenningsregels. Een deel van het verschil tussen de CBS-definitie van minima en de gemeentelijke definitie van de doelgroep van minimaregelingen kunnen we daarom corrigeren. Zo gaan we uit van het maximale vermogen waarbij men nog in aanmerking komt voor bijstand, vermeerderd met een door de gemeente vastgestelde marge die per gezinstype verschilt. Daarnaast wordt de doelgroep bepaald op basis van het inkomen van het jaar voorafgaand aan de toekenning. Met andere woorden: toekenningen in het jaar 2020 worden getoetst aan het inkomen in 2019. Daarmee sluiten we aan bij de uitvoeringspraktijk.
Met deze aanpassingen zorgen wij ervoor dat de doelgroep (de noemer) beter aansluit bij de daadwerkelijke doelgroep van gemeentelijke regelingen dan alleen de minimadefinitie van CBS. Op sommige punten zijn aanpassingen echter niet mogelijk. Dit zorgt voor uitval van huishoudens bij de bereikberekeningen bij de teller van bovengenoemde formule. Het gaat hierbij om huishoudens die een regeling hebben ontvangen maar die wij op basis van de CBSgegevens niet tot de doelgroep kunnen rekenen. Dat betekent dat we een deel van de toekenningen niet kunnen meenemen in de bereikberekeningen. Het gaat onder andere om huishoudens en personen buiten de doelpopulatie (bijvoorbeeld omdat hun inkomen niet over een heel jaar bekend is). De bijlage bevat een overzicht van redenen waardoor huishoudens wél recht kunnen hebben op gemeentelijke voorzieningen, maar in onze analyse niet als zodanig worden aangemerkt. Onderstaande figuur geeft schematisch weer (zonder rekening te houden met de verhoudingen) over welke doelgroep het bereik kan worden berekend (de blauwe vlakken). In de bereikberekeningen wordt een deel van de doelgroep van de gemeentelijke regelingen dus niet meegenomen (het grijze vlak). Daarnaast kan het voorkomen dat mensen die op basis van de CBS-gegevens tot de minimagroep behoren in Amsterdam toch geen recht hebben op minimavoorzieningen.
Minima met een schuld bij de vorige zorgverzekering zijn bijvoorbeeld uitgesloten van de Collectieve Zorgverzekering. Een ander voorbeeld betreft huishoudens met jongeren t/m 17 jaar die geen onderwijs volgen: zij komen niet aanmerking voor de scholierenvergoeding.
54
Figuur 6.1 Schets minimahuishoudens en doelgroep gemeentelijke regelingen op basis van CBS-gegevens, en totale doelgroep gemeentelijke regelingen
6.1.2 Methodiek bereikberekeningen OIS ontvangt ten behoeve van de Armoedemonitor bestanden met het aantal huishoudens dat de voorziening kreeg toegekend van WPI. De bestanden voor de jaren 2012 t/m 2020 zijn gekoppeld aan het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV) van het CBS van 2011 t/m 2019 om inkomensgegevens en achtergrondkenmerken enerzijds en gegevens over regelingen anderzijds te kunnen combineren en analyseren. Het is mogelijk om het bereik te berekenen van regelingen die voor alle minima gelden: de Stadspas en de Collectieve Zorgverzekering. Ook is het mogelijk om het bereik te berekenen voor doelgroepen die met CBS-gegevens gedefinieerd kunnen worden. In de praktijk gaat het hierbij om leeftijdsgrenzen die gelden voor de kindregelingen (de Scholierenvergoeding en de Kindbonnen) en voor pensioengerechtigden (het Gratis OV voor oudere minima en de Tegemoetkoming aanvullend openbaar vervoer). Voor andere regelingen gelden voorwaarden waarvan de kenmerken niet zijn geregistreerd in de CBS-gegevens. Dit geldt bijvoorbeeld voor de Regeling Tegemoetkoming Meerkosten (RTM), een regeling voor extra geld voor chronisch zieken of gehandicapten. Er bestaat geen registratie van chronische zieken en mensen met een beperking: het is daarom niet mogelijk om de doelgroep van deze regeling te identificeren.
55
6.2 Stadspas Doel Doelgroep Methode
Partners
Gebruik stimuleren van culturele, sportieve en recreatieve voorzieningen. Pashouders krijgen korting of kunnen gratis deelnemen aan activiteiten bij circa 400 instellingen en bedrijven. Alle Amsterdamse minima (excl. studenten). Mailing naar alle klanten van Werk, Participatie en Inkomen (WPI) en bekende minimahuishoudens. De Stadspas wordt aangevraagd door een toegestuurd verkort aanvraagformulier te ondertekenen en kosteloos naar de gemeente terug te sturen. In de volgende jaren krijgt men (indien nog steeds rechthebbend) automatisch een Stadspas toegestuurd. De Stadspas kan ook actief worden aangevraagd via het reguliere papieren of online aanvraagformulier. Advertenties voor de Stadspas worden onder andere geplaatst in lokale kranten, de krant van Amsterdam, AT5 en sociale media om zo de bekendheid te vergroten. Circa 400 bedrijven en instellingen, WPI, afdeling Belastingen, andere gemeentelijke diensten, gemeenten Diemen, Oostzaan, Amstel en Landsmeer.
6.2.1 Verstrekkingen Stadspas De Stadspas is er in twee vormen: een minima-Stadspas, voor Amsterdammers met een laag inkomen en weinig vermogen (ongeacht leeftijd) en een Stadspas voor pensioengerechtigde Amsterdammers die niet tot de minima behoren. De Stadspas voor minima geeft recht op meer kortingen dan de Stadspas voor pensioengerechtigden. In deze rapportage hebben we het alleen over het bereik van de minima-Stadspas. Het aantal verstrekkingen van minima-Stadspassen is de afgelopen twee jaar gestegen. In 2020 zijn meer minima-Stadspassen verstrekt dan in de jaren ervoor. Ook het aantal Stadpassen voor oudere niet-minima is in 2020 gestegen tot een hoger niveau dan in voorgaande jaren. Tabel 6.2 Verstrekkingen Stadspas aan personen, 2012-2020* minima
pensioengerechtigde niet-minima
totaal
2012
141.279
2013
144.732
2014
185.815
2015
103.187
80.841
184.028
2016
116.122
79.608
195.730
2017
120.052
80.505
200.557
2018
118.747
79.368
198.115
2019
120.760
79.559
200.319
2020
122.588
81.321
203.909
* voor de jaren 2012 t/m 2014 is het niet mogelijk om de uitsplitsing te maken tussen minima en niet-minima vanwege aanpassingen in de gegevenslevering.
bron: WPI/ bewerking OIS
56
6.2.2 Bereik Stadspas Tussen 2015 en 2017 is het bereik van de Stadspas relatief sterk gestegen van 62% naar 70%. Sindsdien stijgt het bereik van de Stadspas jaarlijks met 1 procentpunt. Op basis van de voorlopige cijfers over 2020 is het bereik in dit jaar gelijk aan dat van 2019. Tabel 6.3 Bereik Stadspas in 2012 t/m 2020 (procenten) jaar
bereik
2012
54
2013
53
2014
*
2015
62
2016
67
2017
70
2018
71
2019
72
2020
72
* niet beschikbaar vanwege afwijkende gegevenslevering
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
Het bereik van de Stadspas verschilt als we kijken naar huishoudtype, leeftijdsgroep van de hoofdkostwinner, belangrijkste bron van het huishoudinkomen en hoogte van het inkomen. Tabel 6.4 Bereik Stadspas naar huishoudtype, leeftijdsgroep, bron en hoogte van het inkomen, 2018-2020 (procenten) soort huishouden
2018
2019
2020
alleenstaand
68
69
69
eenoudergezin met minderjarige kinderen
86
88
87
twee of meer volwassenen zonder kinderen
69
71
70
twee of meer volwassenen met minderjarige kinderen
76
79
78
18 tot 66 jaar
63
65
64
66 jaar en ouder
74
75
77
bijstand
97
97
98
loondienst
30
31
33
eigen bedrijf
10
13
11
andere uitkering
60
63
65
pensioen
75
76
77
0-79% SM
33
35
31
80-109% SM
80
81
82
110-119% SM
49
50
51
totaal huishoudens
71
72
72
leeftijdsgroep
bron van inkomen
hoogte van het inkomen
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
57
Tabel 6.4 laat zien dat vrijwel alle huishoudens met bijstand als belangrijkste inkomensbron en recht op de Stadspas deze voorziening ontvangen. Dat vloeit voort uit het beleid van de gemeente: de Stadspas wordt ambtshalve vertrekt aan personen van wie bekend is dat ze er recht op hebben. Dat geldt per definitie voor bijstandsgerechtigden. Rechthebbende huishoudens met andere inkomensbronnen worden minder goed bereikt, met name onder werkenden is het Stadspasbereik laag. Huishoudens met kinderen worden beter bereikt dan alleenstaanden en paren zonder kinderen, vooral onder eenoudergezinnen is het bereik relatief hoog. Onder ouderen steeg het bereik de laatste jaren, van 74% in 2018 naar 77% in 2020. Onder volwassenen tot 66 jaar is het bereik in deze periode stabiel. Het bereik van de Stadspas is het laagst in Omval/Overamstel in Oost (30%) gevolgd door een aantal wijken in stadsdeel Centrum, waaronder Grachtengordel-West (31%), GrachtengordelZuid (31%) en Burgwallen-Nieuwe Zijde (32%). In de wijken met het hoogste percentage Stadspasgebruikers ligt het bereik op 80%, dit zijn Centrale Markt in West, Betondorp in Oost en Ijplein/Vogelbuurt in Noord. Figuur 6.5 Bereik Stadspas per wijk* vergeleken met het stedelijk gemiddelde (72%), 2020
* Geen gegevens afgebeeld voor wijken met minder dan 100 huishoudens in de doelgroep
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
58
6.3 Collectieve zorgverzekering Doel
Alle minima een goede zorgverzekering bieden tegen een aantrekkelijk tarief.
Doelgroep
Alle Amsterdamse minima vanaf 18 jaar.
Methode
Mailing naar alle klanten van Werk, Participatie en Inkomen (WPI) en bekende minimahuishoudens. Daarnaast worden in een jaarlijkse campagne nieuwe klanten geworven. Zilveren Kruis, WPI.
Partners
6.3.1 Verstrekkingen Collectieve Zorgverzekering De gemeente Amsterdam biedt Amsterdamse minima de mogelijkheid om een contract af te sluiten in het kader van een Collectieve Zorgverzekering. De Collectieve Zorgverzekering bestaat uit een basisverzekering en een aanvullend pakket. Daarnaast mogen de klanten het eigen risico maandelijks gespreid betalen. Tabel 6.6 Huishoudens met Collectieve Zorgverzekering voor Amsterdamse minima, 2004-2020 2013
abs. 59.083
2014
56.645
2015*
42.413
2016
49.330
2017
51.737
2018
52.364
2019
51.845
2020
51.188
* sinds 2015 wordt het aantal huishoudens vastgesteld op basis van de koppeling met CBS-gegevens. bron: WPI, CBS/ bewerking OIS
6.3.2 Bereik Collectieve Zorgverzekering Tabel 6.7 Bereik Collectieve Zorg in 2013 t/m 2020 (procenten) jaar 2013
bereik
2014
48
2015
42
2016
49
2017
52
2018
53
2019
53
2020
52
50
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
Het bereik van de Collectieve Zorgverzekering wordt berekend onder alle Amsterdamse minimahuishoudens. Personen met een schuld bij de vorige verzekering komen echter niet in aanmerking voor de Collectieve Zorgverzekering van de gemeente, maar kunnen wij met CBSgegevens niet buiten de doelgroep laten. Daarmee wordt het bereik van de Collectieve 59
Zorgverzekering mogelijk onderschat. De laatste jaren ligt het bereik van deze voorziening stabiel op 52%-53%. Het bereik van de Collectieve Zorg is relatief hoog onder ouderen en huishoudens met bijstand of pensioen als belangrijkste bron van inkomen. Onder huishoudens met een eigen bedrijf als belangrijkste inkomensbron is het bereik zeer laag. Deze verschillen in het bereik naar achtergrondkenmerken zijn de laatste jaren in stand gebleven. Tabel 6.8 Bereik Collectieve Zorgverzekering naar soort huishouden, leeftijdsgroep, bron en hoogte van het inkomen, 2018-2020 (procenten) soort huishouden
2018
2019
2020
alleenstaand
51
51
50
eenoudergezin met minderjarige kinderen
60
61
59
twee of meer volwassenen zonder kinderen
56
56
55
twee of meer volwassenen met minderjarige kinderen
58
59
58
18 tot 66 jaar
50
50
49
66 jaar en ouder
63
61
62
bijstand
71
70
70
loondienst
19
19
20
eigen bedrijf
5
5
5
andere uitkering
43
44
45
pensioen
62
61
61
0-79% SM
23
22
19
80-109% SM
61
61
60
110-119% SM
35
35
35
totaal huishoudens
53
53
52
leeftijdsgroep
bron van inkomen
hoogte van het inkomen
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
In meerdere wijken ligt het bereik van de Collectieve Zorgverzekering onder de 30%, waaronder Burgwallen-Nieuwe Zijden (17%), Grachtengordel-West (17%) en Grachtengordel-Zuid (19%) in Centrum, Omval/Overamstel (18%) in Oost en Museumkwartier (29%) in Zuid. Het hoogste bereik zien we in de Indische Buurt-Oost in Oost en in Elzenhagen in Noord (beide 62%).
60
Figuur 6.9 Bereik Collectieve Zorgverzekering per wijk* vergeleken met het stedelijk gemiddelde (52%), 2020
*Geen gegevens afgebeeld voor wijken met minder dan 100 huishoudens in de doelgroep
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
61
6.4 Gratis OV voor oudere minima en Tegemoetkoming Aanvullend Openbaar Vervoer 6.4.1 Gratis OV voor oudere minima Doel Doelgroep Methode Partners
Oudere minima de mogelijkheid geven om gratis met trams, bussen en metro’s van het GVB, Connexxion en EBS in Amsterdam te reizen (nachtbus uitgezonderd). Amsterdamse minima met de AOW-gerechtigde leeftijd. Rechthebbenden worden zoveel mogelijk aangeschreven door Werk, Participatie en Inkomen (WPI). Wie niet is aangeschreven, kan zelf een aanvraag indienen. GVB, Connexxion, EBS en WPI.
In september 2013 is de gemeente gestart met het aanbieden van gratis openbaar vervoer voor oudere minima. Deze regeling bestaat uit een abonnement op een persoonlijke OV-chipkaart. Het aantal verstrekkingen is in 2020 gestegen vergeleken met voorgaande jaren. Het aantal ritten met het OV waarbij gebruik wordt gemaakt van deze voorzieningen is sterk gedaald: in 2020 konden mensen veel minder gebruik maken van het openbaar vervoer vanwege de coronamaatregelen. Tabel 6.10 Individuele verstrekkingen Gratis OV en aantal gemaakte ritten, 2013-2020 verstrekkingen 7.330
niet bekend
2014
9.790
2.619.042
2015
12.890
3.283.153
2016
14.180
4.126.851
2017
15.588
4.457.271
2018
16.932
4.732.621
2019
16.426
5.128.292
2020
17.119
3.527.850
2013
ritten
bron: WPI/ bewerking OIS
6.4.2 Tegemoetkoming Aanvullend Openbaar Vervoer Doel Doelgroep Methode
Partners
Oudere minima die het aanvullend openbaar vervoer gebruiken een tegemoetkoming aanbieden voor de kosten. Amsterdamse minima met de AOW-gerechtigde leeftijd en een pas voor aanvullend openbaar vervoer. Jaarlijks voert WPI een ambtshalve toekenningsronde uit onder rechthebbenden die bij de gemeente bekend zijn. Wie niet is aangeschreven, kan zelf een aanvraag indienen via een papieren of online aanvraagformulier. RMC, Transvision, OJZ en WPI.
Eind 2014 is de gemeente Amsterdam gestart met de Tegemoetkoming Aanvullend Openbaar Vervoer (TAOV). In 2020 konden oudere minima die gebruik maken van het aanvullend openbaar
62
vervoer met deze regeling € 120 ontvangen. Sinds de start in 2015 en tot 2019 daalde het aantal verstrekkingen elk jaar licht, in 2020 is het vrijwel gelijk gebleven vergeleken met een jaar eerder. Tabel 6.11 Verstrekkingen TAOV, 2015-2020 abs. 2015
4.248
2016
3.748
2017
3.299
2018
3.097
2019
2.883
2020
2.849 bron: WPI/ bewerking OIS
6.4.3 Bereik Gratis OV en/of TAOV Oudere minima maken een keuze tussen Gratis OV en TAOV, afhankelijk van hun behoeften. Gelet op de overlap in de doelgroep, het feit dat bij de start het mogelijk was om beide regelingen tegelijk te ontvangen en het kleine aantal verstrekkingen wordt geen bereik berekend voor de TAOV afzonderlijk, maar het bereik voor Gratis OV en TAOV samen. Sinds de invoering van deze voorzieningen steeg het gezamenlijke bereik van het Gratis OV en TAOV van 54% in 2014 naar 71% in 2019. In 2020 is het bereik van de regeling met 70% stabiel ten opzichte van het voorgaande jaar. Tabel 6.12 Bereik Gratis OV en/of TAOV in 2013 t/m 2020 (procenten) jaar
bereik
2013*
38
2014
54
2015
57
2016
64
2017
66
2018
68
2019
71
2020
70
* alleen gratis OV, TAOV bestond nog niet
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
Rechthebbende ouderen die samenleven worden beter bereikt dan alleenstaanden; en ouderen met een migratieachtergrond beter dan ouderen zonder migratieachtergrond. Daarnaast is het bereik relatief hoog onder huishoudens met een inkomen rond het bijstandsniveau. Onder huishoudens met een inkomen van 110% SM of hoger is het bereik de laatste jaren wel toegenomen.
63
Tabel 6.13 Bereik Gratis OV en/of TAOV naar huishoudtype, hoogte van het inkomen en migratieachtergrond, 2018-2020 (procenten) huishoudtype
2018
2019
2020
alleenstaand
67
70
69
twee of meer volwassenen zonder kinderen
74
77
75
0-79% SM
53
53
49
80-109% SM
75
79
78
110-119% SM
38
40
42
migratieachtergrond
75
78
76
geen migratieachtergrond
57
59
59
totaal huishoudens
68
71
70
hoogte van het inkomen
migratieachtergrond
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
Met name in stadsdeel Zuid zijn er een aantal wijken met een zeer laag bereikpercentage van het Gratis OV en/of TAOV, waaronder de Hoofddorppleinbuurt (59%), Buitenveldert-Oost (60%) en Buitenveldert-West (61%). De hoogste bereikpercentages zien we in Overtoomse Veld (84%) in Nieuw-West en in De Kolenkit (79%) in West. Figuur 6.14 Bereik Gratis OV en/of TAOV per wijk* vergeleken met het stedelijk gemiddelde (70%), 2020
*Geen gegevens afgebeeld voor wijken met minder dan 100 huishoudens in de doelgroep
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
64
6.5 Scholierenvergoeding Doel Doelgroep
Methode
Partners
Investeren in de toekomst van jongeren door een deel van de kosten voor school-, sport- of cultuurdeelname of kosten voor vervoer naar scholing te vergoeden. Ouder(s) of verzorger(s) die een laag inkomen hebben en een vermogen onder de vermogenstoets voor de bijstand, met schoolgaande kinderen die op 30 september van het refertejaar nog geen 18 jaar zijn en in Amsterdam wonen. Rechthebbenden die bij WPI bekend zijn ontvangen automatisch bericht van Werk, Participatie en Inkomen (WPI). Wie niet is aangeschreven, maar wel in aanmerking denkt te komen, kan zelf een aanvraag indienen. De tegemoetkoming in de kosten wordt toegekend in de vorm van een zogenaamd virtueel ‘kluisje’ waaruit gedeclareerd kan worden. In dat kluisje staat het toegekende bedrag gedurende een schooljaar gereserveerd. In het schooljaar 2020/2021 gelden de volgende bedragen: € 250 per jaar per kind op een door de gemeente erkende voorschool € 166 per jaar per kind op de basisschool € 325 per jaar per kind op de middelbare school € 325 per jaar per kind op mbo-bol of mbo-bbl met een onbetaalde stage. Per huishouden is er één kluisje voor alle schoolgaande kinderen. WPI
Minima met schoolgaande kinderen komen in aanmerking voor de Scholierenvergoeding. Ouders en verzorgers kunnen kosten voor leermiddelen, sport- en cultuurdeelname declareren, bijvoorbeeld huiswerkbegeleiding, theaterbezoek of dansles. Ieder schooljaar kan de voorziening van juni tot en met mei worden aangevraagd.
6.5.1 Verstrekkingen Scholierenvergoeding De Scholierenvergoeding wordt per schooljaar verstrekt. In de volgende tabel is het aantal toekenningen aan huishoudens opgenomen, en het aantal kinderen voor wie het is verstrekt. Hierbij maken we onderscheid tussen de Scholierenvergoeding voor primair en voortgezet onderwijs (PO/VO) en de in 2018 geïntroduceerde regeling voor ouders met kinderen op een door de gemeente erkende voorschool. Tabel 6.15 Toekenningen Scholierenvergoeding aan huishoudens en leerlingen, schooljaren 2012 t/m 2021 schooljaar
doelgroep
huishoudens
leerlingen
2012/2013 2013/2014
PO/VO
12.887
22.618
PO/VO
11.888
21.028
2014/2015
PO/VO
11.843
20.499
2015/2016
PO/VO
12.734
21.907
2016/2017
PO/VO
15.153
26.219
2017/2018
PO/VO
15.399
26.317
2018/2019
PO/VO
14.473
25.060
2018/2019
voorschool
1.594
1.680
2019/2020
PO/VO
14.097
23.782
2020/2021 (t/m juni)
voorschool
1.498
1.600
PO/VO
13.891
23.452
voorschool
1.478
1.586
65
bron: WPI/ bewerking OIS
6.5.2 Bereik Scholierenvergoeding Het bereik van de scholierenvergoeding voor primair en voorgezet onderwijs wordt berekend over het aantal doelgroephuishoudens met kinderen van 4 t/m 17 jaar. Dit komt niet strikt overeen met de daadwerkelijke doelgroep ‘huishoudens met schoolgaande kinderen.’ Huishoudens met kinderen van 18 jaar in het voortgezet onderwijs namelijk niet tot de doelgroep gerekend. Op basis van de beschikbare gegevens is dit echter de best mogelijke benadering. Het bereik van de scholierenvergoeding voor de voorschool wordt berekend over alle doelgroephuishoudens met kinderen van 2 of 3 jaar. In de praktijk kunnen huishoudens echter alleen aanspraak maken op de regeling als hun kinderen naar een door de gemeente erkende voorschool gaan. Voor dit onderzoek zijn geen gegevens over voorschoolbezoek beschikbaar, het bereik van de scholierenvergoeding voor kinderen op de voorschool wordt hierdoor waarschijnlijk onderschat. Het bereik van de scholierenvergoeding voor primair en voortgezet onderwijs is al jaren stabiel op 71%-72%. Het bereik van de scholierenvergoeding voor de voorschool daalde van 2018 op 2019, maar is in 2020 weer iets gestegen naar 16%. Tabel 6.16 Bereik Scholierenvergoeding in 2013 t/m 2020 (procenten) jaar
bereik voorschool
bereik PO/VO
2013
n.v.t.
64
2014
n.v.t.
66
2015
n.v.t.
65
2016
n.v.t.
71
2017
n.v.t.
72
2018
18
72
2019
15
72
2020
16
71 bron: WPI/ bewerking OIS
Het bereik van de scholierenvergoeding voor primair en voortgezet onderwijs ligt hoger dan gemiddeld onder eenoudergezinnen en huishoudens met bijstand en/of een inkomen rond het bijstandsniveau. Huishoudens met werk als belangrijkste inkomensbron worden minder goed bereikt, met name onder zelfstandigen is het bereik laag. Tabel 6.17 Bereik Scholierenvergoeding basis- en middelbare school naar huishoudtype, bron en hoogte van het inkomen, 2018-2020 (procenten) huishoudtype
2018
2019
2020
eenoudergezin
75
75
74
twee of meer volwassenen met kinderen
69
68
67
bijstand
84
83
83
loondienst
57
57
57
belangrijkste inkomstenbron
66
eigen bedrijf
25
23
20
andere uitkering
69
70
69
0-79% SM
30
34
27
80-109% SM
77
77
76
110-119% SM
66
65
65
totaal
72
72
71
hoogte van het inkomen
bron: WPI/ bewerking OIS
In de Staatsliedenbuurt in West en IJburg-Zuid in Oost ligt het bereik van de scholierenvergoeding voor primair en voortgezet onderwijs veel lager dan gemiddeld: 64%. Wijken met het hoogste bereik zijn IJplein/Vogelbuurt (79%) in Noord De Kolenkit in West en Bijlmer-Centrum in Zuidoost (beiden 78%). Figuur 6.18 Bereik Scholierenvergoeding PO/VO per wijk* vergeleken met het stedelijk gemiddelde (71%), 2020
*Geen gegevens afgebeeld voor wijken met minder dan 100 huishoudens in de doelgroep
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
67
6.6 Kindtegoed Doel
Met het Kindtegoed ondersteunt de gemeente kinderen die opgroeien in een minimahuishouden. Met het tegoed op hun Stadspas kunnen kinderen of hun ouders diverse producten kopen.
Doelgroep
Voor kinderen van 0 tot en met 14 jaar staat het kindtegoed op de Stadspas van het kind.
Methode
De gemeente stelt op basis van het Stadspasbezit vast welke kinderen recht hebben op het Kindtegoed. De ouders of verzorgers van deze kinderen ontvangen automatisch bericht. Met het tegoed kunnen de volgende producten worden gekocht: babyspullen, boeken en tijdschriften, hobbyspullen, rugzakken en tassen, schoolspullen, schoenen en sportschoenen, sportkleding en sportspullen, persoonlijke verzorging en speelgoed (alleen voor kinderen geboren vanaf 01-01-2010). De leeftijd van het kind op 31 december 2019 bepaalt het tegoed: kinderen geboren tussen 01-01-2005 en 31-12-2009 ontvangen €150,- tegoed; kinderen
Partners
geboren op of na 1-1-2010 ontvangen €25,- tegoed. WPI, Aktiesport, Bristol, Bruna, H&M, Monki, Intertoys, Perry Sport, Primera, WE Fashion.
In 2014 introduceerde de gemeente Amsterdam het Kindpakket: bonnen voor kleding en activiteiten voor minimakinderen van 11 t/m 13 jaar. In 2015 is de regeling uitgebreid: de kledingbon is uitgebreid voor de groep van 10 t/m 14 jaar en er is een speelgoedbon toegevoegd voor kinderen van 3 t/m 9 jaar. De activiteitenbonnen zijn toen vervallen. In 2016 is de babybon geïntroduceerd voor Stadspasbezitters met kinderen t/m 2 jaar. In 2019 is de speelgoedbon vervangen door een boekenbon. In 2020 is deze regeling omgevormd tot het Kindtegoed: een tegoed op de Stadspas waarmee direct betaald kan worden bij negen winkelketens.
6.6.1 Toekenningen Kindbonnen/Kindtegoed Het aantal toekenningen van Kindbonnen/Kindtegoed schommelt jaarlijks tussen de 25.000 en 27.000. De Kindtegoed regeling is op 1 december 2020 van start gegaan, vanaf deze datum is er voor het eerst Kindtegoed op de Stadspas gezet. Voor 2020 is het aantal toekenningen van het Kindtegoed gebaseerd op het aantal aangevraagde Stadspassen voor kinderen met recht op het Kindtegoed. Het aantal daadwerkelijke toegekende Stadspassen met Kindtegoed wordt vanaf 2021 bekend. Tabel 6.19 Toekenningen Kindbonnen (vanaf 2020: Kindtegoed)aan kinderen, 2014 t/m 2020 totaal 2014
4.499
2015
19.943
2016
26.062
2017
27.380
2018
25.554
2019
27.148
26.125* 2020 * aantal toekenningen in 2020 is gebaseerd op het aantal aangevraagde Stadspassen voor kinderen met recht op Kindtegoed. Vanwege de veranderde werkwijze is het aantal toekenningen van het Kindtegoed in 2020 niet direct vergelijkbaar met de aantallen toekenningen van de Kindbonnen tot en met 2019. bron: WPI/ bewerking OIS
68
6.6.2 Bereik Kindbonnen/Kindtegoed Voor het berekenen van het bereik van de Kindbonnen/het Kindtegoed wordt het aantal huishoudens dat de regeling kreeg toegekend afgezet tegen het totale aantal doelgroep (bepaald op basis van inkomen en vermogen) huishoudens met kinderen tot en met 14 jaar. Hierbij wordt geen rekening gehouden met het bezit van de Stadspas. Van 2018 op 2019 steeg het bereik van de Kindbonnen relatief sterk: van 76% naar 82%. In 2020 is het bereik ongeveer gelijk gebleven aan het voorgaande jaar. Tabel 6.20 Bereik Kindbonnen (vanaf 2020: Kindtegoed) in 2014 t/m 2020 (procenten) jaar
bereik
2014
71
2015
69
2016
76
2017
78
2018
76
2019
82
2020
81 bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
Eenoudergezinnen, huishoudens met bijstand en/of een inkomen rond het bijstandsniveau worden beter bereikt dan gemiddeld. Net als bij de Scholierenvergoeding geldt dat huishoudens met werk als belangrijkste inkomensbron minder goed bereikt worden. Vooral onder huishoudens die leven van een eigen bedrijf is het bereik laag. Tabel 6.21 Bereik Kindbonnen (vanaf 2020: Kindtegoed) naar huishoudtype, bron en hoogte van het inkomen, 2018-2020 (procenten) huishoudtype
2018
2019
2020
eenoudergezin
81
86
86
twee of meer volwassenen met kinderen
71
78
75
bijstand
92
95
96
loondienst
57
65
64
eigen bedrijf
26
33
27
andere uitkering
71
80
80
0-79% SM
32
44
36
80-109% SM
82
87
87
110-119% SM
68
74
73
totaal
76
82
81
belangrijkste inkomstenbron
hoogte van het inkomen
69
6.7 Verzamelbereik kindvoorzieningen Het ondersteunen van minimakinderen is een belangrijke doelstelling van de gemeente Amsterdam. Daarom kijken we hier naar het gezamenlijke bereik van verschillende kindvoorzieningen. Om dit te berekenen zetten we het aantal huishoudens met één of meer kindregelingen af tegen het aantal minimahuishoudens met kinderen van 4 t/m 17 jaar. Het gaat om de volgende kindregelingen: Stadspas, Scholierenvergoeding voor kinderen in basis- of voortgezet onderwijs, Kindtegoed en/of een PC-regeling. Op de PC-regeling hebben kinderen alleen recht als zij in de afgelopen vier schooljaren geen laptop of computer hebben ontvangen van de gemeente. Bij de PC-regeling is daarom teruggekeken in de tijd: ieder huishouden dat een PC verstrekt kreeg in de vier jaar voorafgaand aan het verstrekkingsjaar telt mee voor het bereikpercentage. Het verzamelbereik van de kindvoorzieningen is sinds 2016 stabiel. In 2019 zagen we een kleine toename van 87% naar 89%. Op basis van de voorlopige cijfers is het bereik in 2020 ongeveer gelijk aan dat in 2019. Tabel 6.22 Bereik Kindvoorzieningen in 2014 t/m 2020 (procenten) jaar
bereik
2014
84
2015
81
2016
87
2017
87
2018
87
2019
89
2020
88 bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
Zoals we eerder zagen voor de afzonderlijke kindvoorzieningen worden eenoudergezinnen, huishoudens met bijstand en huishoudens met een inkomen rond het bijstandsniveau relatief goed bereikt. Waarschijnlijk overlappen deze achtergrondkenmerken elkaar vaak. Huishoudens met een eigen bedrijf als belangrijkste inkomensbron worden het minst goed bereikt, slechts 37% van zelfstandigen met recht op één of meer kindvoorzieningen maakt hier ook gebruik van. Hierbij is wel relevant dat de groep rechthebbende huishoudens met inkomen uit werk veel kleiner is dan de groep rechthebbenden met bijstand. Verder is relevant dat het aantal eenoudergezinnen dat aanspraak kan maken op kindvoorzieningen groter is dan de groep rechthebbende huishoudens bestaande uit een paar met kinderen.
70
Tabel 6.23 Bereik Kindvoorzieningen naar soort huishouden, bron van inkomen en hoogte van het inkomen, 2017-2020 (procenten) soort huishouden
2018
2019
2020
eenoudergezin
91
92
91
paar met kinderen
81
85
83
overig
78
81
77
bijstand
99
99
99
andere uitkering
84
87
88
loondienst
72
75
75
eigen bedrijf
34
42
37
0-79% SM
45
56
48
80-109% SM
92
93
92
110-119% SM
83
84
85
totaal
87
89
88
bron van inkomen
hoogte van het inkomen
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
Op stadsdeelniveau ligt het bereik het laagst in Centrum (74%) en Zuid (82%). Dit zijn ook de stadsdelen met het laagste aantal en percentage kinderen in minimahuishoudens. De twee wijken met het laagste bereik voor de kindvoorzieningen zijn Overtoomse Sluis in West en Sloter-/Riekerpolder in Nieuw-West. In beide wijken ontvangt 68% van de huishoudens met recht op kindvoorzieningen ook daadwerkelijk één of meer voorzieningen. In veertien wijken ligt het verzamelbereik van de kindvoorzieningen op 90% of hoger. De hoogste bereikpercentages zien we in Bijlmer-Centrum (94%) en in De Kolenkit, Volewijck en Ijplein/Vogelbuurt (allen 93%).
6.8 Totaalbereik minimahuishoudens In de onderstaande tabel is voor de jaren 2017 tot en met 2020 berekend hoeveel van de minimahuishoudens met recht op voorzieningen tenminste één van de volgende voorzieningen kregen toegekend: Stadspas, Collectieve Zorgverzekering, kindvoorzieningen en TAOV/Gratis OV 65+. Daarnaast is vanaf 2018 ook de tegemoetkoming OV voor minima mantelzorgers (TOVM) meegenomen in het totaalbereik. De groep rechthebbende huishoudens is bepaald op basis van het inkomen en vermogen van het huishouden, rekening houdend met de vermogensgrenzen van de gemeente. Er is geen rekening gehouden met voorwaarden die voor slechts een deel van de voorzieningen gelden, zoals leeftijd of aanwezigheid van kinderen in het huishouden. In 2020 maakte 73% van alle huishoudens met recht op voorzieningen gebruik van minstens een voorziening. Het totaalbereik is hiermee ongeveer gelijk aan voorgaande jaren. Net als voor de afzonderlijke voorzieningen geldt dat huishoudens met bijstand het best worden bereikt: vrijwel alle rechthebbende huishoudens in deze doelgroep gebruiken minstens één voorziening. Ook gezinnen met kinderen worden relatief goed bereikt, met name onder eenoudergezinnen is het bereikpercentage hoog (90%). Van de huishoudens met werk als belangrijkste inkomensbron 71
maakt een veel kleiner aandeel gebruik van de regelingen waar zij recht op hebben. Onder huishoudens met werk in loondienst is het bereik de laatste jaren wel gestegen, van 30% in 2017 naar 34% in 2020. Onder zelfstandigen ligt het bereik in 2020 op 12%, iets lager dan in 2019 maar gelijk aan 2017 en 2018. Tabel 6.24 Totaalbereik voorzieningen naar huishoudtype en belangrijkste bron van het inkomen, 20172020 (procenten) huishoudtype
2017
2018
2019
2020
alleenstaand
68
69
71
70
eenoudergezin met minderjarige kinderen
90
89
91
90
eenoudergezin met uitsluitend meerderjarige kinderen
77
78
78
77
twee of meer volwassenen zonder kinderen
68
70
72
70
twee of meer volwassenen met minderjarige kinderen
77
79
82
80
bijstand
97
98
98
98
loondienst
30
31
33
34
eigen bedrijf
12
12
15
12
andere uitkering
62
62
65
66
pensioen
77
78
79
80
totaal
72
73
74
73
bron van inkomen
bron: CBS, WPI/bewerking OIS
Met 77% heeft stadsdeel Zuidoost het hoogste bereikpercentage, gevolg door Noord (76%) en Oost en West (beiden 75%). Op wijkniveau loopt het totaalbereik uiteen van 14% in de Zuidas tot 83% in Betondorp. Andere wijken met een laag bereikpercentage zijn de Apollobuurt (25%), de Omval/Overamstsel (30%) en de Grachtengordel-West en- Zuid (31%). In Holendrecht/Reigersbos, Ijplein/Vogelbuurt, Ijburg-Zuid en Indische Buurt-Oost worden juist veel rechthebbende huishoudens bereikt (allen 81%).
6.9 In- en uitstroom totaalbereik In 2020 hadden circa 67.800 Amsterdamse huishoudens recht op minimavoorzieningen. In totaal 49.600 (73%) van hen ontvingen in dat jaar daadwerkelijk één of meerdere voorzieningen. Het merendeel (87%) van deze in 2020 bereikte huishoudens maakte ook een jaar eerder, in 2019, gebruik van minimavoorzieningen (zie figuur 6.25). In totaal 14% maakte in 2019 nog geen gebruik van minimavoorzieningen: zij zijn in 2020 ingestroomd in de bereikte groep. Van deze ingestroomde groep hadden de meeste huishoudens in 2019 nog geen recht op voorzieningen maar in 2020 wel. Slechts 2% had ook in 2019 recht op voorzieningen maar werd in dat jaar nog niet bereikt. Zo’n 18.100 huishoudens hadden in 2020 wel recht op voorzieningen maar maakten hier geen gebruik van. De meeste van hen maakten in 2019 ook al geen gebruik van voorzieningen, omdat ze hier geen recht op hadden (47%) maar ook als ze daar wel aanspraak op konden maken (46%). Een klein aandeel (7%), werd in 2019 wel bereikt maar in 2020 niet meer, hoewel zij in dat jaar nog steeds recht op voorzieningen hebben. 72
Van de totaal 9.200 huishoudens die in 2019 wel recht hadden op voorzieningen, maar niet werden bereikt is 9% in 2020 ingestroomd in de bereikte groep. Van de 14.300 huishoudens die in 2019 geen recht op voorzieningen hadden maar in 2020 wel, is 40% ingestroomd in de bereikte groep. ‘Nieuwe’ rechthebbenden worden dus beter bereikt dan huishoudens die al langer aanspraak zouden kunnen maken op voorzieningen, maar dit niet doen. Figuur 6.25 Instroom totaalbereik 2019-2020 voor huishoudens met recht op voorziening(en) in 2020 (afgeronde aantallen*)
*aantallen op basis van gemeentelijke normen voor inkomen en vermogen, daarom niet gelijk aan aantallen in deel I van de monitor. bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
Van de 50.700 huishoudens die in 2019 werden bereikt maakt de meerderheid (85%) in 2020 ook gebruik van één of meer minimavoorzieningen. De overige 15% is uitgestroomd: zij maken in 2020 geen gebruik meer van voorzieningen. De meeste van deze huishoudens hebben ook geen recht meer op voorzieningen (op basis van hun inkomen, vermogen en/of woongemeente, of omdat zij niet langer tot de doelgroep van de armoedemonitor behoren en daarom niet tot de groep rechthebbenden kunnen worden gerekend). Een kleine groep van 1.200 huishoudens zou nog wel aanspraak kunnen maken op voorzieningen maar doet dit niet (zie figuur 6.26). Figuur 6.26 Uitstroom totaalbereik 2019-2020 voor huishoudens met recht op voorziening(en) in 2019 (afgeronde aantallen)
bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
Van de huishoudens die in 2019 niet werden bereikt heeft bijna de helft (48%) in 2020 geen recht meer op voorzieningen. Dit betekent dat zij al in 2019 een inkomen en/of vermogen boven de gemeentelijke norm hebben, niet meer in Amsterdam wonen of niet meer tot de doelgroep van de armoedemonitor behoren. Het recht op voorzieningen wordt bepaald op basis van de situatie van het huishouden in het jaar voorafgaand aan het toekenningsjaar, maar deze cijfers laten zien 73
dat het voorzieningengebruik sterk verband houdt met de situatie van het huishouden in het toekenningsjaar zelf. Bovenstaande figuren tonen de dynamiek rondom het voorzieningengebruik. Er is echter ook een groep van circa 5.400 huishoudens die langdurig (drie opeenvolgende jaren, in 2018, 2019 en 2020) wél recht hebben op voorzieningen, maar hier geen gebruik van maken. De meeste huishoudens in deze langdurig niet-bereikte groep bestaan uit alleenstaanden (78%), gevolgd door paren zonder kinderen (12%). Dit zijn de huishoudtypes die ook wanneer we kijken naar afzonderlijke jaren minder goed worden bereikt dan huishoudens met kinderen. Bijna vier op de tien langdurig niet-bereikte huishoudens heeft een pensioen als belangrijkste inkomensbron. Huishoudens die leven van een pensioen zijn ook relatief vaak langdurig arm (zie figuur 5.4). Ruim een vijfde van de groep die langdurig niet wordt bereikt bestaat uit huishoudens met een eigen bedrijf. Deze huishoudens behoren in veel gevallen juist kortdurend tot de minima (minder dan 3 jaar), dat kan een reden zijn om geen voorzieningen aan te vragen. Hier zien we echter ook dat langdurig arme zelfstandigen een substantiële groep vormen van alle huishoudens die meerdere opeenvolgende jaren niet wordt bereikt.
Figuur 6.26 Samenstelling van de groep huishoudens die in 2018, 2019 en 2020 recht hebben op voorzieningen maar hier geen gebruik van maken, naar huishoudsamenstelling en bron van inkomen (n = 5.400, procenten, kenmerken in 2017) Huishoudtype
Bron van inkomen
3% 3%
13%
4%
0% pensioen
alleenstaande
12%
38%
paar zonder kinderen paar met kinderen
21%
eigen bedrijf loondienst
eenoudergezin 78%
overig
andere uitkering/overig
bijstand 28% bron: CBS, WPI/ bewerking OIS
74
Bijlage Verantwoording data
Bron: Integrale Inkomens- en Vermogensonderzoek Voor deze rapportage heeft OIS eigen berekeningen gemaakt op basis van bij het CBS beschikbaar gestelde microdatabestanden. De meest gebruikte bestanden zijn onderdeel van het Integrale Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV), dat in 2018 voor het eerst beschikbaar was. Het IIV van het CBS bestand bevat inkomens- en vermogensgegevens over alle huishoudens en personen in Nederland. Het wordt samengesteld op basis van inkomensgegevens van de Belastingdienst, gegevens over studiefinanciering van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en de Basisregistratie Personen. Deze gegevens zijn beschikbaar voor de jaren 2011-2018. Voor 2019 zijn voorlopige gegevens beschikbaar. De cijfers in deze Armoedemonitor zijn gebaseerd op dezelfde bestanden als de vorige editie van de Armoedemonitor, de gegevens zijn daarom vergelijkbaar. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met het feit dat in de Armoedemonitor 2019 gebruik is gemaakt van voorlopige gegevens over 2018. In de huidige monitor zijn de definitieve cijfers over 2018 gebruikt; deze gegevens kunnen iets afwijken van wat in de Armoedemonitor 2019 is gerapporteerd. De in deze monitor gerapporteerde cijfers zijn niet te vergelijken met gegevens uit edities van de Armoedemonitor vóór de Armoedemonitor 2017.
Tussen de publicatie van de Armoedemonitor 2016 en 2017 is de methodiek van het CBS bij het verzamelen en beschikbaar maken van inkomens- en vermogensgegevens gewijzigd, wat een trendbreuk tot gevolg had.
Doelpopulatie Vanuit een beleidsmatig perspectief is het inkomen van huishoudens relevant als het gaat om het vaststellen van wie een laag inkomen heeft of niet. Uitkeringen zijn namelijk afhankelijk van de samenstelling van het huishouden, net als de hoogte van uitkeringen. Ook het recht op minimavoorzieningen hangt af van het huishoudinkomen en het huishoudvermogen. Met andere woorden: bij het bepalen van wie een laag inkomen heeft of niet wordt gekeken naar de hoogte van het huishoudinkomen, en of die op of onder de grens van 120% SM (de Amsterdamse inkomensgrens) uitkomt. Personen in huishoudens waarvan het inkomen op of onder deze grens ligt, behoren tot de groep met een laag inkomen. Om een percentage huishoudens met een laag inkomen te kunnen berekenen wordt een zogenaamde doelpopulatie vastgesteld, waartegen het aantal huishoudens met een inkomen tot 120% SM wordt afgezet. Tot de doelpopulatie behoren particuliere huishoudens, studentenhuishoudens uitgezonderd, waarvan het inkomen over een heel jaar bekend is. Op 75
basis van onder andere inschrijving in het onderwijs en ontvangen van studiefinanciering wordt bepaald of een persoon een student is. Als alle personen in het huishouden studenten zijn, wordt het huishouden gerekend als studentenhuishouden en valt het buiten de doelpopulatie. Institutionele huishoudens (tehuizen, verpleeg- en verzorgingshuizen, enz.), worden ook buiten beschouwing gelaten. In 2019 behoorden 416.263 huishoudens tot de Amsterdamse doelpopulatie.
Uitval bij bereikberekeningen Zoals benoemd in paragraaf 6.1.1 zijn er huishoudens die wel recht hebben op gemeentelijke minimavoorzieningen, maar wij op basis van de CBS-gegevens niet tot de doelgroep rekenen en niet meenemen in de bereikberekeningen. Het gaat hierbij met name om: huishoudens en personen buiten de doelpopulatie, bijvoorbeeld omdat hun inkomen niet over een heel jaar bekend is of omdat zij studentenhuishoudens zijn (buiten beschouwing gelaten in Deel I) die recht hebben op een aantal voorzieningen; huishoudens waarvan de samenstelling in de loop van het jaar is veranderd. De gemeente maakt een nieuwe berekening van de inkomens- en vermogenspositie wanneer een aanvrager een deel van het jaar alleenstaand of alleenstaande ouder is geweest. De CBSgegevens zijn gebaseerd op de huishoudsamenstelling op 1 januari van het peiljaar. huishoudens waarin gezinsleden anders dan de hoofdkostwinner en eventuele partner zorgen voor een inkomen hoger dan 120% SM. De gemeente bepaalt het recht op regelingen op basis van het inkomen van de aanvrager en de eventuele partner. De inkomensbepaling in de CBS-gegevens is gebaseerd op alle inkomens in het huishouden. huishoudens met een inkomen hoger dan 120% SM in de schuldsanering via de WSNP of de Kredietbank en huishoudens met een inkomen uit eigen onderneming en Spaarsanering.
Deze huishoudens kunnen recht hebben op minimaregelingen. huishoudens met een verschil in vermogen tussen 1 januari (peildatum CBS) en 31 december (peildatum gemeente) van het jaar voorafgaand aan het aanvraagjaar.
76