CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Bijlage 1. Amsterdamse Armoedemonitor 2020

Raadscommissie Werk Inkomen en Onderwijs 12 januari 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Amsterdamse Armoedemonitor 2020 en Schuldenmonitor AmsterdamNr. VN2021-03476220.048 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

--

Amsterdamse armoedemonitor 2020 Onderzoek, Informatie en Statistiek

1

In opdracht van: Werk, Participatie & Inkomen Projectnummer:21006 Auteurs: Soufyan Ahamiane, Renske Hoedemaker, Laure Michon & Daan Schmitz E-mailadres: l.michon@amsterdam.nl Bezoekadres: Weesperstraat 113-117 Telefoon: 020 251 0333 Postbus 658, 1000 AR Amsterdam data.amsterdam.nl Amsterdam, oktober 2021 Foto voorzijde: MBO College Buikslotermeerplein, fotograaf: Edwin van Eis (7 juni 2013).

2

Inhoud

Samenvatting en conclusie

5

Inleiding

8

1 Ontwikkelingen in 2020

10

1.1 Grens laag inkomen in 2020 1.2 Aantal minimahuishoudens gedaald in 2019 maar met 10% gestegen in 2020 1.3 Impact coronacrisis in 2020 en daarna

10 11 11

Deel I

15

2 Amsterdam in vergelijkend perspectief

15

2.1 Veel lage inkomens in Amsterdam maar relatief sterke daling 2.2 Veel langdurige armoede in Amsterdam, stijging relatief beperkt 2.3 Steeds minder kinderen in huishoudens met laag inkomen 2.4 Aandeel ouderen met laag inkomen stabiel in Amsterdam

3 Minimahuishoudens 3.1 Een vijfde van de Amsterdamse huishoudens heeft een laag inkomen 3.2 Ruim de helft van de Amsterdamse huishoudens heeft een laag vermogen 3.3 Zestien procent minimahuishoudens in Amsterdam 3.4 Vermogen lage inkomens hangt samen met bron van inkomen 3.5 Huishoudens met kinderen en laag vermogen vaak minima 3.6 Hoog armoedepercentage onder huishoudens met een uitkering 3.7 Eenoudergezinnen en alleenstaanden relatief vaak minima 3.8 Tachtig procent van de minimahuishoudens ontvangt huurtoeslag 3.9 Grootste groep minimahuishoudens in West en Nieuw-West

4 Personen in minimahuishoudens 4.1 Zestien procent Amsterdammers leeft in huishouden met een laag inkomen 4.2 Aandeel Amsterdammers in minimahuishoudens opnieuw gedaald 4.3 Armoedepercentage onder kinderen en ouderen hoger dan gemiddeld 4.4 Hoogste aandeel minimakinderen (0-17 jaar) in stadsdeel Zuidoost 4.5 Armoede onder 66-plussers hoogst in West en Zuidoost 4.6 Oudere minima en minima-eenoudergezinnen zijn vaker vrouwen 4.7 Veel minima onder Amsterdammers met Midden-Oosterse of Afrikaanse migratieachtergrond

15 16 16 17

19 20 21 21 22 24 24 26 28 29

31 32 33 33 36 38 40 40

3

5 Dynamiek armoedepopulatie 5.1 Twee derde is langdurig minima 5.2 Vooral ouderen vaak langdurig arm 5.3 Minima met inkomen uit werk minder vaak langdurig arm 5.4 Alleenstaanden en personen in eenoudergezinnen vaak langdurig minima 5.5 Grootste groep langdurige minima in Nieuw-West, hoogst aandeel in Zuidoost 5.6 Meer uitstroom dan instroom uit groep minima, instroom neemt af 5.7 In- of uitstroom meestal het gevolg van een inkomensverandering 5.8 Inkomen voor instroom en na uitstroom vaak net boven armoedegrens 5.9 Kans op in- of uitstroom verschilt naar huishoudtype en inkomstenbron

43 43 44 45 46 47 47 48 49 50

Deel II

53

6 Toekenningen en bereik minimaregelingen

53

6.1 Berekening bereik minimaregelingen 6.2 Stadspas 6.3 Collectieve zorgverzekering 6.4 Gratis OV voor oudere minima en Tegemoetkoming Aanvullend Openbaar Vervoer 6.5 Scholierenvergoeding 6.6 Kindtegoed 6.7 Verzamelbereik kindvoorzieningen 6.8 Totaalbereik minimahuishoudens 6.9 In- en uitstroom totaalbereik

Bijlage

Verantwoording data

53 56 59 62 65 68 70 71 72

75

4

Samenvatting en conclusie

De jaarlijkse Amsterdamse armoedemonitor dient twee doelen. Ten eerste beschrijft de monitor de minimapopulatie. Hiermee worden ontwikkelingen en nieuwe risico’s in kaart gebracht. Ten tweede biedt de monitor een overzicht van het bereik van de gemeentelijke minimaregelingen. De monitor is gebaseerd op gegevens uit het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV) van het CBS. Voor deze editie is gebruik gemaakt van de IIV-gegevens over de periode 2011-2018 en de meest recent beschikbare gegevens: de voorlopige gegevens over 2019. Dat betekent dat deze editie van de Armoedemonitor de Amsterdamse situatie beschrijft vóór de coronacrisis. De IIV-cijfers over 2020 zullen eind 2021 beschikbaar zijn voor analyse. Het is duidelijk dat de coronacrisis een grote impact heeft gehad op het land en op Amsterdam, en dat de situatie die beschreven wordt in de huidige monitor er inmiddels anders uitziet. Om deze reden wordt er ook aandacht besteed aan gegevens en indicaties die recenter zijn dan 2019, zodat de uitkomsten van de huidige monitor meer context krijgen.

Verdere daling aantal minimahuishoudens in 2019; stijging verwacht in 2020 In 2019 behoort 16% van de Amsterdamse huishoudens tot de minima. In 2019 is het aantal (en percentage) minimahuishoudens in de stad gedaald ten opzichte van het jaar ervoor. Deze daling is een voorzetting van de daling die vanaf 2015 is ingezet. Ook het aantal en aandeel kinderen in minimahuishoudens daalt sinds 2015. Waar we in de huidige monitor nog een verdere daling zien van het aantal minimahuishoudens ten opzichte van het jaar ervoor (66.684 in 2019 en 67.253 in 2018), wordt er verwacht dat de minimapopulatie als gevolg van de coronacrisis in 2020 met 10% is gestegen naar ruim 74.000 minimahuishoudens. Deze schatting is gebaseerd op de instroom in de bijstand in 2020, gegevens over de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo), en enquêtegegevens over zelfgerapporteerd inkomen tot 120% van het sociaal minimum. Inmiddels zijn er duidelijke tekenen van herstel van de Amsterdamse economie. Het aantal vacatures stijgt, de werkloosheid daalt weer en de instroom in de bijstand is gestabiliseerd. Daarmee lijkt het erop dat de coronacrisis een tijdelijke – zij het ingrijpende – verstoring vormt van eerdere, langdurende trends die in deze monitor worden beschreven. Toch betekent het niet dat we op gegeven moment teruggaan naar de situatie van vóór de pandemie.

Sommige groepen blijken blijvend hard te zijn getroffen door de crisis. Want al daalt de werkloosheid, de instroom in de WW blijft hoger dan vóór de crisis. Daarnaast verstrekt de Voedselbank nog steeds veel meer pakketten dan voorheen. In de volgende editie van de Armoedemonitor zullen we de eerste conclusies kunnen trekken wat betreft de effecten op armoede in stad, en vooruitblikken op de langdurige impact van de coronacrisis.

5

Aantal minimahuishoudens in Amsterdam 2011-2019 en verwachte ontwikkeling in 2020 90.000 80.000 70.00066.538

69.202

72.902

73.917

70.782

70.111

68.421

67.253

66.684

2015

2016

2017

2018

2019

+10% (73.800) +10% (73.700)

60.000 50.000

40.000 30.000 20.000 10.000 0 2011

2012

2013

2014

2020

minimahuishoudens schatting op basis van instroom bijstand en Tozo schatting op basis van zelfgerapporteerd inkomen

bron: OIS; CBS/ bewerking OIS

Armoede stijgt onder kwetsbare groepen; nieuwe risicogroepen door coronacrisis In de huidige monitor zien we dat het armoedepercentage hoger is onder bepaalde groepen en dat dit onder kwetsbare groepen de afgelopen jaren juist stijgt. Ten eerste zien we dat relatief veel ouderen tot de minima behoren (21% ten opzichte van 14% gemiddeld). Ook is het aantal oudere minima gestegen, van 14.700 in 2011 naar 20.400 in 2019. Zij hebben in de meeste gevallen geen zicht op verbetering van hun inkomenspositie. Daarnaast zien we ook dat alleenstaanden met en zonder kinderen –zij hebben per definitie één inkomen – vaker tot de minima behoren dan gemiddeld in Amsterdam. In het geval van eenoudergezinnen is dit zelfs twee keer zo vaak als gemiddeld. Daarbij komt dat hoe meer kinderen een eenoudergezin telt, hoe hoger het armoedepercentage. Eenoudergezinnen met drie of meer kinderen behoren bijna drieënhalf keer zo vaak tot de minimahuishoudens als gemiddeld. Vrijwel alle alleenstaande ouders zijn vrouwen en ook onder oudere minima zien we relatief veel vrouwen. Kijken we naar de samenstelling van de totale groep minimahuishoudens, dan bestaat deze voor het grootste gedeelte uit alleenstaanden. Hun aandeel onder de minima stijgt: van 63% in 2011 naar 69% in 2019. Verder zien we dat het aandeel langdurige minima is tegenomen.

In 2013 was ruim de helft van de minima langdurig arm, in 2019 geldt dit voor twee derde van de minima. Alleenstaanden en eenoudergezinnen zijn het vaakst langdurig arm. Naast de ontwikkelingen van de armoedepopulatie t/m 2019 en kwetsbare positie van bepaalde groepen die in de huidige monitor laat zien, is ook al duidelijk dat door de coronacrisis ook nieuwe groepen zijn ingestroomd in de groep minima. Zo was bijvoorbeeld de instroom van jongeren in de WW in de eerste helft van 2020 vier keer zo hoog als begin 2020. Naast jongeren zijn ook laag- en middelbaar opgeleiden harder getroffen. Zo is het aantal personen met een WW-uitkering relatief het sterkst gestegen onder laag- en middelbaaropgeleiden. Verder ondervinden ook veel ondernemers en met name zzp’ers grote gevolgen van de coronacrisis. Amsterdam telt relatief veel ondernemers en zzp’ers in sectoren die hard zijn getroffen door de 6

crisis (denk aan horeca en cultuur). Van al deze groepen kan worden verwacht dat zij vaker tot de minima behoren in 2020.

Bereik van minimaregelingen blijft stabiel Het bereik van gemeentelijke minimaregelingen is in 2020 vrijwel stabiel gebleven vergeleken met 2019. Voor een aantal regelingen (Scholierenvergoeding, Stadspas, Collectieve Zorgverzekering) geldt dit stabiele bereik al enkele jaren. Het bereik van het Gratis OV voor oudere minima en van het Kindtegoed is tot 2019 gestegen en in 2020 gestabiliseerd. Toekenningen in het jaar 2020 worden getoetst aan het inkomen in 2019. De stijging van de armoede in Amsterdam in 2020 zal daarom in 2021 doorwerken in het bereik van voorzieningen. Met andere woorden: omdat het aantal minimahuishoudens in 2020 is gestegen zal de doelgroep voor gemeentelijke minimaregelingen groeien in 2021. Het is de vraag of deze nieuwe groep behoefte heeft aan de voorzieningen. Dat hangt deels af van hoe snel een deel na een jaar weer uitstroomt uit de groep minima. Uit analyses van de in- en uitstroom van de groep bereikte huishoudens blijkt dat huishoudens die kort tot de minima behoren vaak geen voorzieningen aanvragen. Vanwege de combinatie van deze twee effecten (een grotere doelgroep in 2021, en mogelijk een deel daarvan dat geen voorzieningen aanvraag) lijkt het waarschijnlijk dat het bereik van minimaregelingen in 2021 niet verder zal stijgen en mogelijk kan dalen. Bereik minimaregelingen, 2014-2019 (procenten) 100

% Verzamelbereik kindregelingen

88

Kindbonnen/ Kindtegoed 81

80

Stadspas

72 71

70

60

Scholierenvergoeding po/vo Gratis OV 65+ en/of TAOV

52

Collectieve Zorgverzekering

40

20

0 2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

bron:WPI / bewerking OIS

7

Inleiding

De Amsterdamse armoedemonitor verschijnt jaarlijks – dit jaar voor de 23e keer – in opdracht van WPI. Deze publicatie heeft twee doelen: (1) het in kaart brengen van de minimapopulatie en ontwikkelingen daarin, en (2) het berekenen van het bereik van gemeentelijke minimaregelingen.

Situatie 2020 nog niet systematisch in beeld Net als in voorgaande jaren is de armoedemonitor gebaseerd op CBS-gegevens over inkomen en vermogen. De meest recent beschikbare gegevens waarmee we de minimapopulatie in kaart kunnen brengen zijn voorlopige cijfers over 2019. Dat betekent dat we in deze editie nog niet systematisch in kaart kunnen brengen wat de impact is van de coronacrisis. Wel maken we gebruik van enkele aanvullende, deels nieuwe, bronnen om toch inzicht te geven in de ontwikkelingen in 2020. Daarmee wijken we, vanwege de huidige crisis, in deze editie af van de reguliere opzet van de armoedemonitor. Voor een uitgebreide analyse van de minimapopulatie in 2020 zullen we echter de CBS-cijfers over 2020 moeten afwachten. Die zullen begin 2022 worden geanalyseerd. De waarde van de huidige editie ligt in het monitoren van trends over een langere periode. We kijken in de monitor daarom vaak naar de ontwikkeling sinds 2011. Daarmee zien we welke groepen al kwetsbaar waren vóór de crisis en dit ook blijven. Het laat ook zien wat de dynamiek is van de minimapopulatie. Dat is relevante kennis voor de vooruitzichten van groepen die in 2020 minima zijn geworden. Zo identificeren we groepen met een relatief grote kans op snelle uitstroom en groepen met juist een verhoogd risico op langdurige armoede.

Minimagrens Amsterdam: 120% van het Wettelijk Minimum Loon en weinig vermogen De grens voor een laag inkomen ligt in Amsterdam op 120% van het Wettelijk Minimum Loon (WML). Minimahuishoudens hebben behalve een laag inkomen ook weinig vermogen: tot de vermogensgrens voor de bijstand. In de armoedemonitor gebruiken we CBS-data over inkomen en vermogen waarin het WML niet beschikbaar is. Wel beschikbaar zijn gegevens over de grens van 120% het sociaal minimum (SM), die de gemeentelijke inkomensgrens het best benadert. Verder moet worden opgemerkt dat, zoals eerder genoemd, de gegevens voor 2019 voorlopige cijfers zijn en de cijfers over de periode 2011-2018 definitieve cijfers. De cijfers voor 2018 die in deze editie worden gepresenteerd kunnen daarom licht afwijken van de voorlopige cijfers over 2018 zoals gepubliceerd in de Armoedemonitor 2019.

8

Leeswijzer De armoedemonitor is gebaseerd op de Integrale Inkomens- en Vermogensbestanden (IIV) van CBS. In hoofdstuk 1 van deze editie schetsen we eerst de ontwikkelingen in 2020 aan de hand van een aantal aanvullende bronnen. Daaruit blijkt dat de minimapopulatie in 2020 naar schatting met 10% is gegroeid. Vervolgens gaan we in Deel I over op de IIV-cijfers van CBS die standaard in de armoedemonitor worden gebruikt. Eerst worden daarmee de Amsterdamse cijfers vergeleken met die van andere Nederlandse grote steden, de MRA en Nederland (hoofdstuk 2). Vervolgens worden de kenmerken van huishoudens met een laag inkomen en minimahuishoudens in kaart gebracht (hoofdstuk 3) en van personen in deze huishoudens (hoofdstuk 4). In de hoofdstukken 3 en 4 beschrijven wij de samenstelling van de groep minima (bijvoorbeeld: het percentage alleenstaanden onder alle minima) en kijken wij naar het armoedepercentage. Dat laatste is het percentage minima onder de groep met hetzelfde kenmerk (bijvoorbeeld: het percentage minima onder alle kinderen). Hoofdstuk 5 beschrijft de dynamiek van de minimapopulatie: langdurige armoede en in- en uitstroom uit de minimapopulatie tussen 2018 en 2019. In Deel II ligt de focus op gemeentelijke minimaregelingen waarvan het bereik berekend kan worden.

Hiervoor koppelt OIS bestanden van ontvangers van minimaregelingen (afkomstig van de directie Inkomen) aan de CBS-bestanden. Daarmee kunnen de ontvangers van regelingen worden afgezet tegen de doelgroep en kan van gebruikers een profiel worden geschetst. In hoofdstuk 6 kijken we naar de ontwikkelingen in de tijd en verschillen tussen groepen in het bereik.

9

1 Ontwikkelingen in 2020

De coronacrisis heeft wereldwijd grote impact op de samenleving. Amsterdam merkt net als de rest van de wereld de effecten hiervan op tal van gebieden. Al vroeg in 2020 kwamen signalen dat armoede toenam in de stad en dit kan met een aantal bronnen worden bevestigd. Helaas is het niet mogelijk de groei van de minimapopulatie in 2020 te documenteren met de bronnen die daarvoor in de Armoedemonitor worden gebruikt. Inkomens- en vermogenscijfers over 2020 zullen pas eind 2021 beschikbaar zijn voor analyse. In dit hoofdstuk gebruiken we andere bronnen om de impact van de coronacrisis op armoede in Amsterdam in beeld te brengen.

1.1 Grens laag inkomen in 2020 We beginnen met de definitie: wat wordt met armoede bedoeld? De gemeente Amsterdam gebruikt een inkomensgrens om te bepalen of huishoudens (en personen in die huishoudens) een laag inkomen hebben. De hoogte van de grens verschilt naar huishoudtype en leeftijd van de hoofdkostwinner. De inkomensgrens die de gemeente Amsterdam hanteert is 120% van het Wettelijk Minimum Loon (WML) voor een gezin. Voor andere huishoudtypes wordt de inkomensgrens naar rato berekend. In tabel 1.1 staan de bedragen op jaarbasis voor de verschillende typen huishoudens. Tabel 1.1 Normbedragen belastbaar jaarloon 2019 van de lage inkomensgrens* Amsterdam, naar leeftijd en type huishouden, voor recht op minimaregelingen in 2020 21 jaar tot pensioengerechtigde leeftijd

vanaf pensioengerechtigde leeftijd

gezin (met of zonder kinderen)

€ 25.436,88

€ 25.740,29

eenoudergezin

€ 24.766,48

€ 23.554,37

alleenstaande

€ 19.813,18

€ 18.693,94

*Voor een gezin komt de norm overeen met 120% van het WML. Voor andere huishoudtypes wordt de norm naar rato berekend.

bron: WPI

Van de Amsterdamse huishoudens heeft 19,9% in 2019 een laag inkomen volgens deze definitie. Dit percentage is gedaald tussen 2014 (het was 22,9%) en 2019. Cijfers over 2020 zijn nog niet bekend. Huishoudens met een laag inkomen die een vermogen hebben tot de grens voor recht op bijstand worden gedefinieerd als minima. Op 1 januari 2020 is het maximaal toegestane vermogen €6.225 voor een alleenstaande en €12.450 voor paren en alleenstaande ouders. Daarnaast mag de overwaarde van een eigen woning maximaal €52.500 zijn. Ook de minimapopulatie is teruggelopen tussen 2014 en 2019, zowel in aantal als in percentage van de totale bevolking (zie hoofdstuk 3).

10

1.2 Aantal minimahuishoudens gedaald in 2019 maar met 10% gestegen in 2020 Al snel na het uitbreken van de coronacrisis werd duidelijk dat deze leidde tot financiële problemen voor grote groepen Amsterdammers. Uit verschillende bronnen bleek dat de minimapopulatie in 2020 voor het eerst sinds 2014 zou groeien. Om deze groei zo veel mogelijk te kwantificeren heeft OIS een schatting gemaakt van de ontwikkeling van de minimapopulatie in jaar 2020 (OIS, 2021: Ontwikkeling armoede in coronatijd). Deze schatting is gedaan op basis van de volgende gegevens:  het aantal huishoudens dat is ingestroomd in de bijstand en het aantal huishoudens met weinig vermogen dat een groot deel van 2020 gebruik maakt van de Tozo-regeling;  de ontwikkeling van het aandeel huishoudens met een zelfgerapporteerd inkomen tot 120% van het sociaal minimum. Beide schattingen komen uit op een stijging van tien procent van de minimapopulatie in 2020, van 66.684 minimahuishoudens in 2019 naar bijna 74.000. Figuur 1.2 Aantal minimahuishoudens in Amsterdam 2011-2019 en verwachte ontwikkeling in 2020 90.000 80.000 70.00066.538

69.202

72.902

73.917

70.782

70.111

68.421

67.253

66.684

2015

2016

2017

2018

2019

+10% (73.800) +10% (73.700)

60.000 50.000

40.000 30.000 20.000 10.000 0 2011

2012

2013

2014

2020

minimahuishoudens schatting op basis van instroom bijstand en Tozo schatting op basis van zelfgerapporteerd inkomen

bron: OIS; CBS/ bewerking OIS

1.3 Impact coronacrisis in 2020 en daarna 1.3.1 Nieuwe groepen minima door coronacrisis Uit de schatting die voor 2020 is gemaakt komt naar voren dat een aantal groepen harder is getroffen door de economische gevolgen van de coronacrisis dan anderen. Dat gaat met name om jongeren en laag- en middelbaar opgeleiden. Zo was de instroom van jongeren in WW in de eerste helft van 2020 vier keer zo hoog als begin 2020. Daarna is aantal jongeren in WW relatief snel weer gedaald. Een deel van de jongeren die aanspraak doen op de WW stroomt door naar 11

de bijstand. Dit heeft geleid tot een toename van 23% van het aantal bijstandsuitkeringen van jongeren tussen februari en december 2020 (OIS, 2021: Monitor Jeugdwerkloosheid 2020). Daarnaast is tijdens de coronacrisis het aantal personen met een WW-uitkering relatief het sterkst gestegen onder laag- en middelbaaropgeleiden. Vergeleken met hoogopgeleiden stromen zij minder vaak vanuit de WW terug naar werk (OIS: Gevolgen corona voor Amsterdam). Een andere groep waarvan snel duidelijk was dat deze financieel hard getroffen werden door de coronacrisis is ondernemers en met name zzp’ers. Daarbij spelen twee zaken een rol: Amsterdam telt relatief veel zzp’ers en relatief veel ondernemers (waaronder zzp’ers) in sectoren die hard getroffen zijn door de crisis (denk aan horeca en cultuur). De aanvragen voor de Tozo-regeling laten zien hoe groot de groep Amsterdamse ondernemers is waarvan het inkomen aangevuld moest worden tot het sociaal minimum. Voor Tozo 1 gold nog geen partnertoets, voor Tozo 2 wel. De Tozo-regeling kent echter geen vermogenstoets. Uit aanvullende analyses blijkt dat circa 5.000 huishoudens die een groot deel van 2020 gebruik maken van Tozo en weinig vermogen hebben naar verwachting tot de minima in 2020 behoren. Het gaat hierbij relatief vaak om jongeren en laag- en middelbaar opgeleide personen (OIS, 2021: Ontwikkeling armoede in coronatijd).

Figuur 1.3 Aantal personen met een toekenning Tozo levensonderhoud, Tozo 1, 2 en 3 Tozo 1 (maart - mei 2020)

36.935

Tozo 2 (juni - september 2020)

20.795

Tozo 3 (oktober 2020 - maart 2021)

21.794 0

10.000

20.000

30.000

40.000

bron: WPI

Jongeren, laag- en middelbaar opgeleiden en ondernemers verwachten we dan ook terug te vinden in de nadere analyse van de minimapopulatie in 2020, in de volgende editie van de Armoedemonitor. Daarnaast kunnen ook andere groepen zijn ingestroomd die nu nog niet in beeld zijn omdat zij geen gebruik maken van bijstand of Tozo. Het kan gaan om huishoudens met een laag vermogen van personen die zijn ingestroomd in de WW of werkenden die in 2020 minder uren zijn gaan werken en daarom onder de lage inkomensgrens zijn uitgekomen. Om welke groepen het gaat en hoe groot deze zijn is nu nog moeilijk te zeggen maar zullen we met de inkomens- en vermogensgegevens over 2020 wel in kaart kunnen brengen in de Armoedemonitor 2021.

1.3.2 Deel instroom mogelijk kortdurend, maar ook risico’s voor langdurig effect Een andere belangrijke vraag die naar aanleiding van de groei van armoede in 2020 rijst is hoe het (nieuwe) minima na 2020 vergaat. We weten al veel over de dynamiek van de minimapopulatie, zoals ook deze Armoedemonitor laat zien, en over welke groepen risico lopen om langdurig in armoede te leven. Alleenstaanden met en zonder kinderen, ouderen, 50-plussers 12

die in de bijstand terechtkomen: zij kunnen hun inkomenspositie meestal niet makkelijk verbeteren. Van jongeren en werkenden weten we juist dat ze relatief snel weer uitstromen. Voor veel ondernemers is 2021 een cruciaal jaar: overheidshulp wordt afgebouwd en bedrijven moeten zich aanpassen aan de nieuwe situatie. Het aantal faillissementen was in 2020 laag dankzij de diverse steunmaatregelen. Inmiddels trekt de economie weer aan, zoals ook het aantal vacatures laat zien. In juli 2021 waren er net zo veel vacatures als vóór maart 2020 (OIS: Gevolgen corona voor Amsterdam). Amsterdam blijft op economisch vlak wel wat achter op de landelijke ontwikkelingen vanwege de kenmerken van de arbeidsmarkt. Zo ligt de werkloosheid landelijk in het tweede kwartaal van 2021 weer op hetzelfde niveau als vóór de crisis, maar is deze in Amsterdam nog niet volledig hersteld. Met veel ondernemingen en banen in de toeristische sector (en de rol van Schiphol), de horeca en de culturele sector is Amsterdam hard getroffen en in deze sectoren is herstel vanwege de coronamaatregelen nog steeds lastig. Het is daarom belangrijk om de trends op de arbeidsmarkt te volgen om de impact van de coronacrisis op armoede in de stad ook op langere termijn in beeld te brengen. Een deel van de potentiële instroom van werkenden in de armoede wordt eerst opgevangen door de WW.

In juli 2020 was het aantal WW-uitkeringen op het hoogste niveau ten opzichte van de afgelopen vier jaar. Daarna nam het aantal uitkeringen weer iets af. In juli 2021 lag het aantal WW-uitkeringen 28% lager dan een jaar eerder, maar ten opzichte van twee jaar geleden is het aantal WW-uitkeringen wel met 16% toegenomen (OIS: Gevolgen corona voor Amsterdam). Met andere woorden: de impact van de crisis is nog niet weggeëbd. Omdat een groot deel van de instroom in de WW uit jongeren bestaat kunnen we op dit punt voorzichtig optimistisch zijn: zij vinden over het algemeen makkelijker een baan dan de groep WW’ers van vóór de crisis, zeker in een aantrekkende economie (OIS, 2021: Ontwikkeling armoede in coronatijd). Vóór de crisis stroomde 7,1% van de Amsterdammers vanuit WW door naar de bijstand (UWV, 2019: Van WW naar bijstand). In april en mei 2020 steeg het aantal bijstandsuitkeringen snel, met meer dan 500 bijstandsuitkeringen per maand. Dit vormt de sterkste stijging in de afgelopen jaren. In maart 2021 is het hoogste aantal bijstandsuitkeringen verstrekt sinds 2018, maar sinds april 2021 daalt het aantal bijstandsuitkeringen weer elke maand. Inmiddels is de maandelijkse instroom in de bijstand gestabiliseerd tot ongeveer het niveau van vóór de crisis en ook het aantal bijstandsuitkeringen is terug naar het niveau van begin 2020 (OIS: Gevolgen corona voor Amsterdam).

Toch kunnen we er niet van uitgaan dat het effect van de crisis hiermee is opgevangen. Zolang de WW-cijfers relatief hoog blijven, kan de instroom in de bijstand, met een vertraging, nog stijgen. Een ander teken dat het effect van de crisis deels lijkt opgevangen, maar toch nog steeds leidt tot meer armoede in de stad is het aantal voedselpakketten dat wordt vertrekt. De Voedselbank Amsterdam verstrekte vóór de coronacrisis rond de 1.200 voedselpakketten per maand. In december 2020 waren dat er 1.888 en in maart 2021 bijna 2.000. Voor huishoudens die afhankelijk zijn van deze hulp heeft de crisis met andere woorden ook na ruim een jaar nog een grote impact. Al met al zien we weliswaar tekenen van herstel in Amsterdam maar ook risico’s voor langdurige effecten van de coronacrisis. De ergste klap lijkt achter de rug en de economie trekt aan. Wat betreft het aantal vacatures en de instroom in de bijstand lijkt het alsof de situatie is 13

genormaliseerd en ook de werkloosheid in de stad daalt. Toch is ook duidelijk dat sommige groepen blijvend hard zijn getroffen. De instroom in de WW blijft hoger en de Voedselbank verstrekt nog steeds veel meer pakketten dan vóór de crisis. In de volgende editie van de Amsterdamse armoedemonitor zullen we de toename van de minimapopulatie in 2020 verder kunnen toelichten. Daarbij zullen we beter dan nu mogelijk is kunnen specificeren welke Amsterdammers zijn ingestroomd in de groep minima. Op basis van die kenmerken, van de bestaande kennis over de dynamiek van de armoedepopulatie en van ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in de economie zullen we ook vooruitblikken op de langdurige impact van de coronacrisis.

14

Deel I 2 Amsterdam in vergelijkend perspectief

In dit hoofdstuk vergelijken wij Amsterdam met de drie andere grote steden (Rotterdam, Den Haag en Utrecht), de 32 gemeenten van de metropoolregio Amsterdam (MRA, zie https://www.metropoolregioamsterdam.nl/over-mra/) en Nederland als geheel. De ontwikkeling van het percentage huishoudens met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum (SM) sinds 2011 komt aan de orde, als ook het percentage huishoudens met langdurig een laag inkomen en kinderen en ouderen in huishoudens met een laag inkomen.

2.1 Veel lage inkomens in Amsterdam maar relatief sterke daling Het percentage huishoudens met een laag inkomen is in Rotterdam (22,4%) en Amsterdam (20,2%) relatief hoog vergeleken met de andere G4-steden, de MRA en heel Nederland. Tegelijk is in deze twee steden de daling van dit percentage het sterkst tussen 2013 (het hoogste punt) en 2019, namelijk met respectievelijk 2,7 en 2,9 procentpunten. In heel Nederland is het aandeel huishoudens met een laag inkomen gedaald van 14,3% naar 13,2%. Figuur 2.1 Percentage huishoudens met een inkomen tot 120% SM in de G4, de MRA en Nederland, 20112019* % 35 30 25

Rotterdam

Amsterdam

20

Den Haag MRA

15

Utrecht 10

Nederland

5 0 2011

2012

2013

* cijfers 2019 zijn voorlopig

2014

2015

2016

2017

2018

2019*

bron: CBS Statline/ bewerking OIS

15

2.2 Veel langdurige armoede in Amsterdam, stijging relatief beperkt Het CBS definieert langdurige armoede op basis van een laag huishoudinkomen over een periode van minstens vier jaar. Volgens deze definitie heeft 13,9% van de Amsterdamse huishoudens een langdurig laag inkomen. Dat meer dan in Den Haag, Utrecht, de MRA en heel Nederland. Alleen in Rotterdam is dit percentage hoger (16%). Langdurige armoede neemt in de loop der jaren licht toe. In Amsterdam is deze stijging met 0,2 procentpunt tussen 2014 en 2019 het minst sterk. In Den Haag is het percentage huishoudens met een langdurig laag inkomen het meest gestegen, van 11,9% in 2014 naar 13% in 2018. Figuur 2.2 Percentage huishoudens met vier jaar of langer een inkomen tot 120% SM in de G4, de MRA en Nederland, 2014-2019* % 35

30 25 20 15,4

16,0 13,7

15

13,9 11,9

13,0 9,2

8,9

10

8,9

8,3

7,7

8,3

5 0

Rotterdam

Amsterdam 2014

* cijfers 2019 zijn voorlopig

Den Haag 2015

2016

MRA 2017

2018

Utrecht

Nederland

2019*

bron: CBS Statline/ bewerking OIS

2.3 Steeds minder kinderen in huishoudens met laag inkomen Zoals we in paragraaf 4.3 verder zullen laten zien daalt de armoede onder kinderen in Amsterdam. Dit zien we ook in figuur 2.3 met de ontwikkeling van het percentage kinderen (0 t/m 17 jaar) in huishoudens met een inkomen tot 120% SM. Deze daling was in Amsterdam eerder te zien (vanaf 2011) dan in andere G4-steden en de MRA (vanaf 2013) en landelijk (vanaf 2015). Tussen 2011 en 2018 is het percentage in de hoofdstad gedaald van 24,5% naar 18,8%. Dit is vergeleken met de andere G4-steden, de MRA en landelijk de sterkste daling. Het percentage blijft wel bijna twee keer zo hoog als landelijk (10%).

16

Figuur 2.3 Percentage kinderen in huishoudens met een inkomen tot 120% SM in de G4, de MRA en Nederland, 2011-2019* % 35 30 25

Rotterdam

Amsterdam

20

Den Haag MRA

15

Utrecht 10

Nederland

5 0 2011

2012

2013

* cijfers 2019 zijn voorlopig

2014

2015

2016

2017

2018

2019*

bron: CBS Statline/ bewerking OIS

In april 2020 is landelijk de doelstelling vastgelegd om kinderarmoede te halveren tussen 2015 en 2030. Oftewel: het percentage kinderen dat opgroeit in een huishouden met een inkomen tot de lage-inkomensgrens moet dalen van 9,2% in 2015 naar 4,6% in 2030 (zie Kamerbrief nadere uitwerking ambities, 2020).Vertalen we dat naar de grens van 120% SM in Amsterdam, dan betekent dit dat kinderarmoede moet dalen van 21,7% in 2015 naar 10,9% in 2030. In 2019 zou dat percentage volgens de doelstelling 18,8% moeten zijn: dit komt overeen met de voorlopige cijfers voor 2019.

2.4 Aandeel ouderen met laag inkomen stabiel in Amsterdam Vergeleken met de andere G4-steden, de MRA en landelijk hebben Amsterdam (met 32,5%) en Rotterdam (met 32,4%) een hoog percentage lage inkomens onder huishoudens met een hoofdkostwinner van 65 jaar of meer. Dit aandeel fluctueert door de jaren heen, maar is in de hoofdstad sinds 2013 stabiel. Ook in de andere G4-steden en de MRA blijft dit percentage redelijk stabiel. Landelijk zien we een daarentegen een daling tussen 2013 (18,6%) en 2019 (17,1%). In hoofdstuk 4 beschrijven we de groep pensioengerechtigde minima verder.

17

Figuur 2.4 Percentage huishoudens met een inkomen tot 120% SM onder huishoudens met een hoofdkostwinner van 65 jaar of ouder in de G4, de MRA en Nederland, 2011-2019* % 35 30 25

Rotterdam Amsterdam

20

Den Haag MRA

15

Utrecht Nederland

10 5 0 2011

2012

2013

* cijfers 2019 zijn voorlopig

2014

2015

2016

2017

2018

2019*

bron: CBS Statline/ bewerking OIS

18

3 Minimahuishoudens

Dit hoofdstuk gaat over de inkomens- en vermogenspositie van Amsterdamse huishoudens. Een huishouden behoort tot de minima als het huishoudinkomen lager is dan 120% van het sociaal minimum (SM) en het huishoudvermogen lager is dan de bijstandsnorm. Met deze definitie wijken we iets af van de gemeentelijke minimadefinitie (zie bijlage), maar met de beschikbare gegevens is dit de best mogelijke benadering van de gemeentelijke doelgroep. We beginnen met een overzicht van de Amsterdamse huishoudens naar inkomen en vermogen. Vervolgens bespreken we de groep minimahuishoudens aan de hand van een aantal kenmerken, waaronder huishoudsamenstelling, belangrijkste bron van het inkomen en de verdeling over de stad. De in dit hoofdstuk beschreven uitkomsten hebben betrekking op de zogenaamde doelpopulatie. Deze bestaat uit particuliere huishoudens van wie het inkomen het hele jaar bekend is, exclusief studentenhuishoudens en instituutbewoners. In 2019 omvat de doelpopulatie 87% van alle Amsterdamse huishoudens. Wanneer in de rapportage absolute aantallen worden gepresenteerd, moet er dus rekening mee worden gehouden dat het gaat om aantallen/aandelen binnen de doelpopulatie. Figuur 3.1 geeft een overzicht van de verhoudingen tussen de verschillende groepen huishoudens die in de Armoedemonitor aan bod komen.

Figuur 3.1 Amsterdamse huishoudens, huishoudens in de doelpopulatie, huishoudens met een laag inkomen en minimahuishoudens, 2019

totaal huishoudens Amsterdam

480.047

huishoudens doelpopulatie 416.263

heel jaar inkomen bekend excl. studentenhuishoudens en instituutbewoners

inkoment tot 120% SM

minimahuishoudens inkomen tot 120% SM

82.713

en weinig vermogen 66.684

bron: CBS/ bewerking OIS

19

3.1 Een vijfde van de Amsterdamse huishoudens heeft een laag inkomen Van de Amsterdamse huishoudens heeft 19,9% een inkomen tot 120% SM. Negen procent heeft een inkomen onder het sociaal minimum (100% SM). Tabel 3.2 Amsterdamse huishoudens naar inkomensgroep als percentage van het sociaal minimum, 2019 abs.

%

0% - 79% WSM

12.093

3

80% - 99% WSM

26.200

6

100% - 109% WSM

31.931

8

110% - 119% WSM

12.489

3

120% - 129% WSM

11.138

3

130% WSM of meer

322.412

77

totaal

416.263

100

bron: CBS/ bewerking OIS

Figuur 3.3 laat zien dat de inkomensverdeling van de Amsterdamse huishoudens sinds 2011 enigszins is veranderd. Met name de stijging van het aandeel huishoudens in de hoogste inkomensgroep valt hierbij op, van 30% in 2011 naar 38% in 2019. Het aandeel huishoudens met een laag inkomen (tot 120% SM) is sinds 2013 licht geslonken, vooral de groep met een inkomen tot het sociaal minimum (tot 100% SM). Ook het aandeel huishoudens met een inkomen net boven de armoedegrens (120% tot 200% SM) is licht geslonken. Figuur 3.3 Amsterdamse huishoudens naar besteedbaar huishoudinkomen als percentage van het sociaal minimum (SM), 2011-2019 % 100 300% SM of meer

30

30

32

32

80

200%-299% SM

34

35

36

37

38

130%-199% SM 120%-129% SM

60

110%-119% SM

23

23

23

23

23

23

23

23

100%-109% SM

23 0%-99% SM

40 21

20

0

21

20

19

18

18

17

17

17 3 3 8

3 4

3 3

3 3

3 3

8

7

3 4 6

8

8

8

8

3 3 7

11

12

13

11

11

10

10

10

9

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

3 4

3 4

bron: CBS/ bewerking OIS

20

3.2 Ruim de helft van de Amsterdamse huishoudens heeft een laag vermogen Op basis van alleen hun vermogen, ongeacht hun inkomen, heeft ongeveer de helft (47%) van de Amsterdamse huishoudens een vermogen onder de bijstandsgrens. Dit aandeel is hoger voor eenoudergezinnen dan voor paren (met of zonder kinderen). Kijken we naar de bron van het inkomen, dan zien we dat huishoudens met een inkomen uit eigen bedrijf relatief minder vaak een laag vermogen hebben (29%). Huishoudens die afhankelijk zijn van de bijstand hebben bijna allemaal een laag vermogen (97%). Verder zien we dat jongeren tussen de 25 en 34 relatief vaak een laag vermogen hebben in vergelijking met de andere leeftijdsgroepen. Figuur 3.4 Amsterdamse huishoudens met een laag vermogen naar leeftijd, huishoudsamenstelling en belangrijkste inkomstenbron in 2019 (procenten) alleenstaande paar zonder kinderen paar met kinderen eenoudergezin

51 38 35 67

loondienst eigen bedrijf bijstand

45 29 97

25-34 jaar 35-44 jaar 45-54 jaar 55-65 jaar 66+

42 43 45 40

gemiddeld

47

56

0

20

40

60

80

% 100

bron: CBS/ bewerking OIS

3.3 Zestien procent minimahuishoudens in Amsterdam Alleen huishoudens met een laag inkomen (tot 120%SM) en een vermogen onder de bijstandsnorm komen in aanmerking voor de gemeentelijke minimavoorzieningen. Op basis van deze criteria behoort 16% van de Amsterdamse huishoudens tot de minima. In 2019 is het aantal en percentage minimahuishoudens in de stad gedaald ten opzichte van het jaar ervoor (zie figuur 3.5). Deze daling is een voorzetting van de daling die vanaf 2015 is ingezet.

21

Figuur 3.5 Aantal en percentage Amsterdamse minimahuishoudens (inkomen tot 120% SM en een vermogen tot de bijstandsnorm), 2011-2019

%

100.000

50

90.000 80.000 70.000 66.538

69.202

72.902 73.917 70.782

40 70.111 68.421 68.038

66.684

60.000

30

50.000 40.000

17,7

18,2

19,0

19,1

18,0

17,6

16,9

16,5

16,0

20

30.000 20.000

10

10.000 0

2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 aantal

0

percentage bron: CBS/ bewerking OIS

3.4 Vermogen lage inkomens hangt samen met bron van inkomen Van alle Amsterdamse huishoudens met een inkomen tot 120% WSM heeft 19% teveel vermogen om in aanmerking te komen voor minimavoorzieningen. Dit aandeel varieert als we kijken naar het hoogte van het huishoudinkomen (zie figuur 3.6). Huishoudens met een inkomen tussen 90 en 105% van het SM hebben zelden een vermogen boven de bijstandsgrens. Met andere woorden: de huishoudens in deze inkomenscategorie behoren het vaakst tot de minima. Dat hangt samen met het feit dat het niveau van het sociaal minimum (100% SM) gelijk staat aan de bijstand en om bijstand te ontvangen moet men voldoen aan de vermogenstoets. In de inkomensgroepen tot 75% WSM en vanaf 120% WSM hebben huishoudens juist vaker een vermogen boven de bijstandsnorm. Voor de groep huishoudens met een zeer laag inkomen (<75%SM) betekent dit, dat zij ondanks hun lage inkomen relatief vaak niet tot de minima zullen behoren. In vergelijking met 2011 zien we dat de vermogensverschillen in 2019 groter zijn geworden. Zo zien we dat, met name bij de hogere inkomens, het vermogen boven de bijstandsgrens ligt.

22

Figuur 3.6 Percentage huishoudens met vermogen boven de bijstandsnorm (% SM), 2011 en 2019 % 100 90 80 te veel vermogen 2019

70 60

te veel vermogen 2011

50 40

30 20 10 0 % SM

bron: CBS/ bewerking OIS

Figuur 3.7 toont het percentage huishoudens met een inkomen tot 120% SM naar vermogenspositie en bron van inkomen. De huishoudens met een inkomen uit een eigen bedrijf , en een laag vermogen, hebben het vaakst een vermogen dat te hoog is om in aanmerking te komen voor de bijstand (42%). Ook de groep gepensioneerden met een laag inkomen hebben relatief vaak een vermogen boven de bijstandsnorm. De huishoudens met een laag inkomen en een uitkering anders dan de bijstand hebben juist relatief vaak een vermogen onder de bijstandsnorm. Figuur 3.7 Huishoudens met een inkomen tot 120% SM naar vermogenspositie en belangrijkste bron van het inkomen, 2019 eigen bedrijf (n=9.084)

58

pensioen (n=10.298)

42 75

25

loondienst (n=25.195)

84

16

andere uitkering (n=12.158)

87

13

bijstand* (n=25.111)

98 0

20

40

vermogen onder de bijstandsnorm

2 60

80

100 %

vermogen boven de bijstandsnorm

* Als de inkomenssituatie in de loop van het jaar is veranderd, kan het gebeuren

bron: CBS/ bewerking OIS

dat een huishouden met bijstand als belangrijkste bron van inkomen over heel het jaar meer vermogen heeft dan de bijstandsnorm.

23

3.5 Huishoudens met kinderen en laag vermogen vaak minima Van de huishoudens met een inkomen tot 120% SM hebben huishoudens met kinderen vaker een vermogen onder de bijstandsnorm dan huishoudens zonder kinderen (figuur 3.8). Deze huishoudens hebben, wanneer zij een laag inkomen hebben, dus ook relatief vaak weinig vermogen. Met name eenoudergezinnen, met een laag inkomen, hebben vaak een vermogen onder de bijstandsnorm. Figuur 3.8 Huishoudens met een inkomen tot 120% SM naar vermogenspositie en huishoudsamenstelling, 2019

eenoudergezin (n=8.075)

92

paar met kinderen (n=5.428)

8

84

16

alleenstaande (n=58.170)

79

21

paar zonder kinderen (n=8.118)

78

22

overig* (n=2.922)

80

20

totaal (n=82.713)

81

19

% 0

20

40

vermogen onder de bijstandsnorm *inclusief huishoudens met uitsluitend meerderjarige kinderen

60

80

100

vermogen boven de bijstandsnorm bron: CBS/ bewerking OIS

3.6 Hoog armoedepercentage onder huishoudens met een uitkering Het armoedepercentage bestaat uit het aandeel minimahuishoudens in een bepaalde groep, ten opzichte van het totale aantal huishoudens met dezelfde kenmerken. Van de Amsterdamse huishoudens met als belangrijkste inkomstenbron een uitkering anders dan bijstand behoort 40% tot de minima. Ook onder gepensioneerden ligt het percentage minimahuishoudens hoger dan gemiddeld in de stad. Huishoudens met een inkomen uit eigen bedrijf of loondienst behoren juist minder vaak dan gemiddeld tot de minimahuishoudens.

24

Figuur 3.9 Percentage minimahuishoudens (120% SM) in Amsterdam naar belangrijkste inkomstenbron, 2019 andere uitkering dan bijstand(n=26.137)

40

pensioen (n=73.027)

25

eigen bedrijf (n=54.310)

11

loondienst (n=231.758)

3

totaal (n=416.263)

16 % 0

20

40

60

80

100

bron: CBS/ bewerking OIS

Op basis van de samenstelling van de totale groep minimahuishoudens, heeft de grootste groep, namelijk 37%, een bijstandsuitkering als belangrijkst inkomensbron (figuur 3.10). Kijken we naar de ontwikkeling sinds 2011, dan vallen twee ontwikkelingen op. Het aandeel van de minimahuishoudens met een inkomen uit loondienst is gedaald, van 17% in 2011 naar 11% in 2019. In dezelfde periode is het aandeel minimahuishoudens dat leeft van een pensioen juist toegenomen, van 22% naar 28%. Figuur 3.10 Samenstelling minimahuishoudens naar belangrijkste inkomstenbron, 2011-2019 (procenten)

% 100 pensioen 22

23

16

16

24

24

24

26

26

27

28

17

17

17

16

16

16

16

80

60

40

20

0

andere uitkering bijstand eigen bedrijf loondienst

37

8

36

9

35

9

36

8

35

38

38

39

37

8

8

7

9

9

17

17

15

15

15

12

12

11

11

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

*inclusief huishoudens met uitsluitend meerderjarige kinderen

bron: CBS/ bewerking OIS

25

De samenstelling van de groep minimahuishoudens naar hoogte van het inkomen varieert enigszins per huishoudsamenstelling. Minima-eenoudergezinnen hebben meestal een inkomen tussen de 100 en 109% SM (wat overeenkomst met het bijstandsniveau), en relatief minder vaak een inkomen in de laagste categorie (<80%). Paren met kinderen uit de minimagroep hebben relatief vaak een inkomen van 110%-119% SM.

3.7 Eenoudergezinnen en alleenstaanden relatief vaak minima Eenoudergezinnen en alleenstaanden behoren vaker tot de minima dan gemiddeld in Amsterdam. In het geval van eenoudergezinnen is dit zelfs twee keer zo vaak als gemiddeld. Voor paren, met of zonder kinderen, ligt het armoedepercentage juist lager dan het gemiddeld in Amsterdam. Figuur 3.11 Percentage minimahuishoudens naar huishoudsamenstelling, 2019 eenoudergezin (n=22.886)

33

alleenstaande (n=211.556)

22

paar met kinderen (n=58.465)

8

paar zonder kinderen (n=89.489)

7

overig (n=33.867)

7

totaal (n=416.263)

16 % 0

20

40

*inclusief huishoudens met uitsluitend meerderjarige kinderen

60

80

100

bron: CBS/ bewerking OIS

Kijken we naar de samenstelling van de totale groep minimahuishoudens, dan bestaat deze voor het grootste gedeelte uit alleenstaanden (69%). Het aandeel alleenstaanden is daarnaast toegenomen, van 63% in 2011 naar 69% in 2019. Daar staat tegenover dat het aandeel eenoudergezinnen in dezelfde periode is gedaald van 15% in 2011 naar 11% in 2019. Paren met en zonder kinderen, vormen samen 16% van de groep minimahuishoudens.

26

Figuur 3.12 Samenstelling minimahuishoudens naar huishoudtype, 2011-2019 (procenten) %

100

80

4

4

5

5

15

14

14

14

9

9

8

8

9

9

9

9

3

4

4

3

4

13

12

12

12

11

8

8

7

7

7

9

9

9

9

9

60

overig* eenoudergezin

40 63

63

69

69

68

67

67

65

64

paar zonder kinderen

alleenstaande

20

0

paar met kinderen

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

*inclusief huishoudens met uitsluitend meerderjarige kinderen

bron: CBS/ bewerking OIS

Er zijn meer eenoudergezinnen die tot de minima behoren dan paren met kinderen. In de groep eenoudergezinnen zijn relatief veel gezinnen met één kind, terwijl minima-paren met kinderen vaker twee of meer kinderen hebben. Over de periode 2014 t/m 2019 zien we een grotere daling van het aantal eenoudergezinnen dan van het aantal paren met kinderen. Onder de totale bevolking zien we juist een lichte stijging van het aantal huishoudens met kinderen.

eenoudergezin

3.753

paar met kinderen

1.420

2018

paar met kinderen

2017

paar met kinderen

2016

paar met kinderen

2015

paar met kinderen

2014

eenoudergezin

paar met kinderen

2013

2019

Figuur 3.13 Aantal minimahuishoudens met kinderen* naar huishoudtype en aantal kinderen, 2011-2019

paar met kinderen

1.437

1.433

1.563 1.741 1.868 1.988

eenoudergezin

2.499

1.465

1.757 2.711

1.490

2.777

1.479

1.844 1.969

2.062

3.100

1.588

3.132

1.527

3.125

1.569

3.069

1.578

2.019

5.335 1.961

eenoudergezin

2.071

2.026

5.282 1.935

eenoudergezin

2.045

2.028

5.207 1.922 0

1.986 2000

2 kinderen 3 of meer

5.349 1.930

1 kind

1.667

4.662 1.819

eenoudergezin

2012

2.398

4.579 1.674

eenoudergezin

2011

1.407

4.244 1.583

eenoudergezin

paar met kinderen

2.294 1.624

3.931

eenoudergezin

paar met kinderen

1.528

1.993 4000

6000

*inclusief huishoudens met uitsluitend meerderjarige kinderen

8000

10000

12000

bron: CBS/ bewerking OIS

27

In figuur 3.14 zien we dat het armoedepercentage toeneemt met het aantal kinderen. Eenoudergezinnen kennen de hoogste armoedepercentages: eenoudergezinnen met 3 of meer kinderen behoren bijna drieënhalf keer zo vaak tot de minimahuishoudens dan gemiddeld in Amsterdam. Paren met kinderen met één of twee kinderen kennen de laagste armoedepercentages. De ontwikkeling tussen 2011 en 2019 laat zien dat het armoedepercentage onder alle groepen gedaald is. Figuur 3.14 Percentage minima onder huishoudens met kinderen naar huishoudtype en aantal kinderen, 2011-2019

% 100

90 80 70 60 eenoudergezin 3+ kinderen

50 40

eenoudergezin 2 kinderen

30

eenoudergezin 1 kind

20

paar met kinderen 3+ kinderen

10

paar met kinderen 2 kinderen

0 2011

paar met kinderen 1 kind

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019 bron: CBS/ bewerking OIS

3.8 Tachtig procent van de minimahuishoudens ontvangt huurtoeslag Minimahuishoudens wonen meestal in een huurwoning, waarvan het merendeel huurtoeslag ontvangt. Er zijn verschillende redenen zijn voor het feit dat een minimahuishouden in een huurwoning woont zonder huurtoeslag. Dat kan zijn omdat er geen huurtoeslag is aangevraagd of omdat het huishouden of de woning niet in aanmerking komt voor huurtoeslag. Het is alleen mogelijk om huurtoeslag aan te vragen voor een zelfstandige woonruimte, voor woningen waarvan de huur niet te hoog is en als het huishouden geen vermogen heeft boven een bepaalde grens. Een hele kleine groep van 200 minimahuishoudens heeft een koopwoning: zij vallen procentueel weg binnen de totale groep minimahuishoudens. De woonpositie van de minimahuishoudens wijkt sterk af van het Amsterdamse gemiddelde. Van alle Amsterdamse huishoudens heeft 31% een koopwoning, bijna de helft een woning zonder huurtoeslag, en een vijfde een woning met huurtoeslag. Figuur 3.15 Woonsituatie minimahuishoudens en totaal Amsterdamse huishoudens, 2018 (procenten)

28

minimahuishoudens

18

totaalhuishoudens

82

31 0

47 20

koopwoning

40 60 huurwoning zonder huurtoeslag

22 % 80 100 huurwoning met huurtoeslag

bron: CBS/ bewerking OIS

3.9 Grootste groep minimahuishoudens in West en Nieuw-West De Amsterdamse minimahuishoudens wonen ongelijk verdeeld over de stadsdelen. Zo behoort in Zuidoost bijna een kwart van de huishoudens tot de minima, in Zuid is dat een tiende. Naast Zuidoost ligt het percentage minimahuishoudens ook in Noord en Nieuw-West boven het stedelijk gemiddelde. In absolute zin wonen in de stadsdelen West en Nieuw-West de meeste minimahuishoudens. In Centrum wonen het minste minimahuishoudens: minder dan de helft van het aantal minimahuishoudens in West en Nieuw-West. Tabel 3.16 Aantal en percentage minimahuishoudens in Amsterdam naar stadsdeel, 2019 abs.

%

5767

12

West

12.528

17

Nieuw-West

12.118

18

Zuid

8.683

11

Oost

10.038

16

Noord

8.221

19

Zuidoost

9.272

23

Amsterdam

66.684

16

Centrum

bron: CBS/ bewerking OIS

Ook binnen stadsdelen zien we een ongelijke verdeling van het percentage minimahuishoudens, zoals figuur 3.17 laat zien. Zo zijn er duidelijke verschillen in Zuidoost, waar het percentage minimahuishoudens uiteenloopt van 27% in Bijlmer-Centrum tot 7% in Driemond. Ook in Noord zien we een van de hoogste armoedepercentages (28% in Volewijck) en een van de laagste (2% in Nieuwendammerdijk/Buiksloterdijk). Op de kaart valt ook Westpoort op, maar het hoge percentage minimahuishoudens (29%) is gebaseerd op een klein aantal huishoudens (30).

29

Figuur 3.17 Aandeel minimahuishoudens naar wijk*, vergeleken met het Amsterdamse gemiddelde (17%), 2019

*Wijken met minder dan 100 huishoudens zijn buiten beschouwing gelaten

bron: CBS/ bewerking OIS

gelaten

30

4 Personen in minimahuishoudens

Personen in huishoudens met een laag huishoudinkomen en weinig vermogen behoren tot de minima. In dit hoofdstuk bespreken we achtergrondkenmerken van de minimapopulatie op persoonsniveau. Als eerste kijken we naar het aantal en aandeel Amsterdammers dat deel uitmaakt van een huishouden met een laag inkomen, al dan niet met een laag vermogen. Ook brengen we de ontwikkeling van het aantal en aandeel minimapersonen in kaart. Vervolgens bespreken we de persoonskenmerken van Amsterdammers in minimahuishoudens. Kenmerken die aan bod komen zijn leeftijd, geslacht en migratieachtergrond. We hebben hierbij specifiek aandacht voor kinderen (0 t/m 17 jaar) en ouderen (66 jaar en ouder) die leven in een minimahuishouden. Amsterdam heeft in 2019 ruim 862.000 inwoners. Van hen behoren ca. 785.900 (91,2%) tot de doelpopulatie van de armoedemonitor. Dit wil zeggen dat zij behoren tot een huishouden waarvan over heel 2019 het inkomen bekend is en niet tot een studenten- of institutioneel huishouden. Van de Amsterdammers in de doelpopulatie behoort 16,4% tot een huishouden met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum (SM). Ruim 106.600 personen (13,6% van de doelpopulatie) behoort tot een huishouden met een laag inkomen en weinig vermogen. Deze personen vormen de Amsterdamse minimapopulatie.

Figuur 4.1 Amsterdammers, Amsterdammers in de doelpopulatie, Amsterdammers in huishoudens met een laag inkomen en Amsterdammers in minimahuishoudens, 2019

totaal personen Amsterdam

862.159

personen in doelpopulatie heel jaar inkomen bekend

785.899

excl. personen in studentenhuishoudens en instituutbewoners

inkoment tot 120% SM

personen in minimahuishoudens

129.167

inkomen tot 120% SM en weinig vermogen 106.632 bron: CBS/ bewerking OIS

31

4.1 Zestien procent Amsterdammers leeft in huishouden met een laag inkomen In 2019 leven er 129.167 Amsterdammers in een huishouden met een inkomen tot 120% SM (tabel 4.2). Dat komt neer op 16% van de Amsterdammers. Circa 9% heeft een inkomen tussen 100% en 120% SM; een iets kleinere groep (7%) heeft een inkomen tot het sociaal minimum. Tabel 4.2 Amsterdammers naar inkomensgroep, in percentage van het sociaal minimum (SM), 2019 inkomen in % van het WSM abs.

%

0-79%WSM

18.364

2

80-99% WSM

39.966

5

100-109% WSM

49.043

6

110-119% WSM

21.794

3

120-129% WSM

19.915

3

130% WSM of meer

636.817

81

totaal

785.899

100

bron: CBS/ bewerking OIS

Om vast te stellen of een huishouden tot de minima behoort wordt naast inkomen ook gekeken naar het vermogen. Van de Amsterdammers met een huishoudinkomen tot 120% SM heeft 17% een vermogen boven de bijstandsnorm (figuur 4.3). Zij komen niet in aanmerking voor bijstand of minimavoorzieningen van de gemeente. Onder Amsterdammers met een zeer laag inkomen (<80% SM) en binnen de groep met een inkomen hoger dan 110% SM zijn er relatief meer mensen met een vermogen boven de bijstandsnorm dan gemiddeld onder Amsterdammers met een inkomen tot 120% SM. Onder Amsterdammers met een inkomen rond het sociaal minimum ligt het aandeel met een vermogen boven de bijstandsnorm juist lager dan gemiddeld. Figuur 4.3 Amsterdammers naar inkomensgroep (% SM) en vermogenspositie van hun huishouden (procenten), 2019

0-79%SM

60

40

80-99%SM

89

11

100-109%SM

88

12

110-119%SM

77

totaal tot 120% SM

23

83 0

20

40

vermogen onder de bijstandsnorm

17 60

80

% 100

vermogen boven de bijstandsnorm bron: CBS/ bewerking OIS

32

4.2 Aandeel Amsterdammers in minimahuishoudens opnieuw gedaald In 2019 behoort 13,6% van de Amsterdammers tot een huishouden met een inkomen tot 120% SM en een vermogen onder de bijstandsgrens, ofwel een minimahuishouden. Amsterdam telt hiermee 106.632 minima. Figuur 4.4 geeft een overzicht van de ontwikkeling van het aantal en het percentage minima van 2011 tot en met 2019. Tussen 2011 en 2014 steeg het aantal Amsterdammers in een minimahuishouden; in de daaropvolgende jaren was er een daling zichtbaar. Het percentage minima volgt een vergelijkbaar patroon. Figuur 4.4 Aantal en percentage Amsterdammers in huishoudens met een inkomen tot 120% SM en weinig vermogen (minima), 2011-2019

%

160.000

50

140.000 120.000

114.254

118.340

123.148

124.307 117.077

40 114.997

111.010

107.832 106.632

100.000

30

80.000 60.000

16,1

16,5

17,0

16,9

20 15,7

15,3

14,5

13,9

13,6

40.000

10

20.000 0

2011

2012

2013 aantal

2014

2015

2016

2017

2018

2019

0

percentage

bron: CBS/ bewerking OIS

4.3 Armoedepercentage onder kinderen en ouderen hoger dan gemiddeld In de afgelopen jaren is het aandeel ouderen (66 jaar of ouder) onder de groep minima gestegen, terwijl het aandeel jongeren is gedaald (figuur 4.5). In 2011 was 13% van de Amsterdammers in een minimahuishouden 66 jaar of ouder, in 2019 is dit aandeel gestegen naar 19%. Het aandeel jongeren is juist gedaald, van 26% in 2011 naar 22% in 2019. De groep tussen 18 en 65 jaar is over deze hele periode stabiel gebleven.

33

Figuur 4.5 Samenstelling Amsterdammers in minimahuishoudens naar leeftijdsgroepen, 2011-2019 (procenten)

% 100

13

13

14

15

15

16

17

18

19

61

62

61

61

61

60

60

59

59

80

60

66+ 18-65

40

0-17 20

0

26

25

24

24

24

24

23

23

22

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019 bron: CBS/ bewerking OIS

Het armoedepercentage onder kinderen tot 18 jaar daalt gestaag sinds 2014. In dat jaar behoorde nog 21,4% van de kinderen tot een minimahuishouden; in 2019 is dit gedaald tot 16,6%. Ook het aantal minimakinderen is in deze periode met zo’n 6.600 afgenomen (figuur 4.6). Het aantal oudere minima (66 jaar en ouder) neemt juist toe, van ca. 14.700 in 2011 naar ruim 20.000 in 2019. Het percentage minima-ouderen is de laatste jaren echter stabiel: 21% van de 66plussers behoort tot de minima. Dit betekent dat in deze periode niet alleen het aantal minimaouderen is toegenomen, maar ook het aantal ouderen met een inkomen en/of vermogen boven het minimum. Figuur 4.6 Aantal en percentage Amsterdammers in huishoudens met een inkomen tot 120% SM en weinig vermogen, naar leeftijd, 2011- 2019 minima kinderen (0-17 jaar)

minima ouderen (66 jaar en ouder)

bron: CBS/ bewerking OIS

34

Wanneer we de Amsterdamse populatie verdelen in leeftijdsgroepen van vijf jaar zien we dat het armoedepercentage sterk verschilt per leeftijdsgroep (figuur 4.7). Kinderen tot 18 jaar behoren vaker tot een minimahuishouden dan de gemiddelde Amsterdammer. Dit geldt met name voor 5- t/m 14-jarigen. Een verklaring voor het hogere armoedepercentage onder kinderen vanaf 5 jaar zit mogelijk in het verhuispatroon van gezinnen met jonge kinderen. Jonge gezinnen die niet tot de minima behoren verlaten vaker de stad waardoor de groep minimagezinnen met kinderen percentueel gezien toeneemt (OIS, 2019: Gezinnen in Amsterdam – Gaan ze weg of blijven ze?). Het laagste minimapercentage zien we onder Amsterdammers tussen de 25 en 29 jaar (7%). Daarna loopt het aandeel minima gestaag op met de leeftijd. Onder personen vanaf 55 jaar ligt het armoedepercentage hoger dan gemiddeld in de stad. Een volledige AOW is ongeveer gelijk aan het sociaal minimum. Gepensioneerde Amsterdammers met weinig vermogen en zonder aanvullend pensioen behoren hiermee tot de minima. Figuur 4.7 Percentage Amsterdammers in minimahuishoudens naar leeftijd, 2019 (procenten) % 35

30 25 20 15

18

21

19 14

14

10

10

7

8

10

11

13

14

16

19

5 0

0-4

5-9

10-14 15-19 20-24 25-29 30-34 35-39 40-44 45-49 50-54 55-59 60-65 minima-percentage

66+

gemiddelde: 14%

bron: CBS/ bewerking OIS

Zoals genoemd daalt het aantal minimakinderen in Amsterdam sinds 2014. Dit geldt ook voor het aantal kinderen in afzonderlijke leeftijdscategorieën (zie figuur 4.8). Binnen de groep kinderen van 4 tot en met 9 jaar is het aantal kinderen in minimahuishouden de laatste jaren het hardst gedaald. Ook het armoedepercentage daalt sinds 2014 in alle leeftijdscategorieën. Wanneer we kijken naar het aantal en percentage minimahuishoudens met kinderen in deze leeftijdscategorieën zien we door de jaren heen ongeveer hetzelfde patroon als wanneer we kijken naar personen.

35

Figuur 4.8 Ontwikkeling aantal (links) en percentage (rechts) kinderen (0-17 jaar) in minimahuishoudens naar leeftijdscategorie, 2011-2019 %

aantal 12.000

30

10.000

25

8.000

20

15 t/m 17 jaar 12 t/m 14 jaar 10 t/m 11 jaar 6.000

4 t/m 9 jaar

15

2 t/m 3 jaar

15 t/m 17 jaar

0 t/m 1 jaar

12 t/m 14 jaar 10 10 t/m 11 jaar

4.000

4 t/m 9 jaar 2 t/m 3 jaar 5 0 t/m 1 jaar

2.000

0 2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

0 2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

bron: CBS/ bewerking OIS

4.4 Hoogste aandeel minimakinderen (0-17 jaar) in stadsdeel Zuidoost Het aandeel kinderen dat opgroeit in een minimahuishouden ligt het hoogst in stadsdeel Zuidoost (25%; zie tabel 4.9), gevolgd door Noord (21%). In de stadsdelen Zuid en Centrum ligt het aandeel minimakinderen met respectievelijk 9% en 8% veel lager dan gemiddeld in de stad. In absolute zin telt stadsdeel Nieuw-West de meeste minimakinderen: 5.800. Tabel 4.9 Aantal en percentage Amsterdamse 0 t/m 17-jarigen in minimahuishoudens naar stadsdeel, 2019 abs. % Centrum

723

8

West

3.655

18

Nieuw-West

5.800

19

Zuid

1.793

9

Oost

3.337

13

Noord

4.115

21

Zuidoost

4.120

25

Amsterdam

23.546

17

bron: CBS/ bewerking OIS

In figuur 4.10 is het aandeel minimakinderen per wijk afgezet tegen het stedelijk gemiddelde. In stadsdeel Noord zijn drie wijken met een veel hoger aandeel kinderen in minimahuishoudens dan gemiddeld in Amsterdam: Volewijck, IJplein/Vogelbuurt en Buikslotermeer. Ook in Bijlmer Centrum (Zuidoost) en Van Galenbuurt (West) wonen relatief veel minimakinderen. In Grachtengordel-West (Centrum), Museumkwartier (Zuid) en Elzenhagen (Noord) is het aandeel kinderen in minimahuishoudens het laagst.

36

Figuur 4.10 Percentage Amsterdamse 0-17 jarigen in minimahuishoudens naar wijk*, t.o.v. het stedelijke gemiddelde (16,6%), 2019

* Geen gegevens beschikbaar voor wijken met minder dan 100 doelgroephuishoudens

bron: CBS/ bewerking OIS

Zoals beschreven in hoofdstuk 3 ligt het aandeel minimahuishoudens onder eenoudergezinnen veel hoger dan gemiddeld. Dit zien we terug in het aandeel minimakinderen per huishoudtype. Kinderen in eenoudergezinnen behoren bijna vier keer zo vaak tot de minima als kinderen in huishoudens die bestaan uit een paar met kinderen (figuur 4.11). Figuur 4.11 Percentage Amsterdamse 0-17 jarigen in minimahuishoudens naar huishoudsamenstelling, 2019

eenoudergezin (n=35.205)

37

paar met kinderen (n=103.882)

10

overig (n=2.913)

15

totaal (n=142.000)

17

0

20

%

40

60

80

100

bron: CBS/ bewerking OIS

37

4.5 Armoede onder 66-plussers hoogst in West en Zuidoost Ook het percentage minima-ouderen is ongelijkmatig verdeeld over de stad. In de stadsdelen West, Zuidoost en Oost ligt het aandeel ouderen dat tot de minima behoort (veel) hoger dan gemiddeld in de stad. In Centrum en Zuid is het percentage minima-ouderen het laagst. Tabel 4.12 Percentage Amsterdammers van 66 jaar en ouder in minimahuishoudens naar stadsdeel, 2019 abs. % Centrum

1.641

14

West

3.693

30

Nieuw-West

3.854

22

Zuid

2.926

15

Oost

3.211

26

Noord

2.472

19

Zuidoost

2.622

28

Amsterdam

20.424

21

bron: CBS/ bewerking OIS

Het aandeel 66-plussers per wijk is figuur 4.13 afgezet tegen het stedelijk gemiddelde. Stadsdeel Oost en West tellen elk drie wijken met veel meer oudere minima dan gemiddeld in de stad: Transvaalbuurt, Indische Buurt-Oost en Indische Buurt-West in Oost en De Kolenkit, Van Galenbuurt en Hoofdweg e.o. in West. Ook in Bijlmer-Centrum (Zuidoost) is het aandeel ouderen in minimahuishoudens relatief hoog. Het armoedepercentage onder ouderen is het laagst in de wijk Apollobuurt (Zuid) en Waterland (Noord).

38

Figuur 4.13 Percentage Amsterdamse 66-plussers in minimahuishoudens naar wijk*, t.o.v. het stedelijke gemiddelde (21,3%), 2018

* Geen gegevens beschikbaar voor wijken met minder dan 100 doelgroephuishoudens

bron: CBS/ bewerking OIS

Alleenstaande ouderen behoren vaker tot de minima dan ouderen die samen met een partner en/of anderen een huishouden vormen (figuur 4.13). Voor Amsterdammers van alle leeftijden geldt ook dat alleenstaanden vaker arm zijn dan paren (zie hoofdstuk 3). Onder ouderen zien we dus hetzelfde patroon. Figuur 4.14 Percentage Amsterdammers van 66 jaar en ouder in minimahuishoudens naar huishoudsamenstelling, 2019

alleenstaande (n=47.597)

28

paar zonder kinderen (n=38.484)

16

overig (n=9.698)

10

totaal (n=95.779)

21

0

20

%

40

60

80

100

bron: CBS/ bewerking OIS

39

4.6 Oudere minima en minima-eenoudergezinnen zijn vaker vrouwen De groep Amsterdamse minima bestaat uit iets meer vrouwen (53%) dan mannen (47%, figuur 4.15). Onder alleenstaande minima en paren (met of zonder kinderen) is het aandeel mannen en vrouwen gelijk, maar minima die deel uitmaken van een eenoudergezin zijn veel vaker vrouwen dan mannen. Dit komt met name door verschillen in het geslacht van de hoofdkostwinner van eenoudergezinnen: er zijn veel meer alleenstaande moeders dan alleenstaande vaders. Ook naarmate de leeftijd toeneemt bestaat de groep Amsterdamse minima voor een steeds groter aandeel uit vrouwen. Van alle minima van 18 tot en met 65 jaar is 53% vrouw, onder minima van 66 jaar en ouder is dit 57%. Dit patroon is tenminste voor een deel toe te schrijven aan de hogere leeftijdsverwachting voor vrouwen: ook onder niet-arme 66-plussers zijn meer vrouwen dan mannen. Echter, ook het percentage 66-plussers dat tot de minima behoort ligt iets hoger onder vrouwen (23%) dan mannen (20%) in deze leeftijdscategorie. Figuur 4.15 Samenstelling Amsterdammers in minimahuishoudens ( inkomen tot 120% SM en weinig

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10992529/1