CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

09012f978054b50a

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 7 september 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kinderrechtenscan; vervolgonderzoek (On)beperkt opgroeien in Amsterdam? Nr. VN2022-02257219.014 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Een laatste punt over school en onderwijs: helaas zijn er ook kinderen die vanwege hun beperkingen niet naar het speciaal onderwijs kunnen, zij zijn kort gezegd te beperkt. Voor deze kinderen zijn er Kinderdagcentra, o.a. van Cordaan. Deze Kinderdagcentra zijn zoveel mogelijk gevestigd in panden die ook gebruikt worden door het speciaal onderwijs, waardoor deze kinderen voor hun eigen gevoel (en dat van hun ouders) ook naar school gaan. Door de groei van

het speciaal onderwijs raken de scholen steeds voller en worden de Kinderdagcentra verplaatst. De ervaren band met de school waar wordt ingewoond wordt daardoor verbroken. De vraag is of dat niet op een andere manier opgelost kan worden. Waar de gemeente een taak heeft bij de huisvesting van zowel scholen als Kinderdagcentra wordt daarvoor nadrukkelijk aandacht gevraagd.

c. Vervoer Veel kinderen op het speciaal onderwijs maken gebruik van leerlingen­ vervoer. Zowel ouders als kinderen zijn daar redelijk tevreden over. Opvallend is wel dat kinderen zich niet vrij voelen om de vervoerder aan te spreken op zaken die in de praktijk minder goed gaan, zoals het wel/niet meenemen in het busje van een looprek.

‘De loopkar moet mee naar school maar omdat er nog een meisje is met een loopkar was er ruzie. Het andere meisje mag hem altijd mee.

‘Als we met elkaar op school zitten leren we om

‘Het zijn kwesties van regeltjes en geld. Wij zeiden

met elkaar om te gaan. En beperkingen

ook geef ons dan budget, dan betalen we de rest

te accepteren.’ (kind)

zelf wel. Kon niet. Er moet meer flexibiliteit komen.’ (ouder)

‘Waar ik heel erg tegenaan liep was leerlingen­ vervoer. Of ze kwamen te laat waardoor mijn dag­ ritme niet meer klopte. Of ze kwamen te vroeg waar­door ik nog niet klaar was.’ (kind)

Minder bekend is dat leerlingenvervoer ook gebruikt kan worden door kinderen die, ondanks hun beperking, naar regulier onderwijs willen en kunnen.

Oneerlijk.’ (kind) ‘Zijn hersens hadden meer nodig dan speciaal onder­wijs. Maar leerlingenvervoer vertikt het om Het busje is voor de kinderen een verlengstuk van het schoolleven en als ze een leuk busje hebben met een leuke chauffeur zijn ze bereid andere ongemakken voor lief te nemen.

hem op te halen. Ik moet hem steeds halen en

Alle kinderen noemen dat het vervelend is dat ze door het busjes­ vervoer niet de mogelijkheid hebben om na school met iemand af te spreken. Je kan immers niet zomaar in een ander busje stappen. Ook is het (nog) niet mogelijk om leerlingenvervoer te gebruiken om naar een andere bestemming te komen, zoals fysio of sport. Het is te hopen dat met de komende aanbestedingen per augustus 2022 van zowel leerlingenvervoer als aanvullend openbaar vervoer dat beter afgestemd kan worden.

verzonnen worden.’ (ouder)

brengen. Ik kan niets doen want ik moet me steeds

Er bestaat een procedure om kinderen uit groep 8 van het speciaal onderwijs te begeleiden naar een brugklas op het regulier onderwijs. In verband met de loting en matching voor alle brugklassen in Amsterdam zijn daarvoor speciale afspraken nodig, buiten de lotingen matchingprocedure om. Indien een kind met die procedure op een reguliere VO-school wordt geplaatst zou het leerlingenvervoer geen probleem behoren te zijn. Dat lijkt echter zowel bij SO-scholen als bij reguliere scholen onvoldoende bekend.

‘In de bus heb je weinig plek voor rolstoelen. Die plekken zijn voor mensen in een rolstoel; ouderen; zwangere vrouwen; kinderwagens en dat allemaal op één plek. Dat werkt natuurlijk niet.’ (kind)

aan die schooltijden houden. Daar moet iets op

Als probleem wordt genoemd dat leerlingenvervoer alleen te regelen is voor vervoer naar de dichtstbijzijnde passende school. Maar dat is de hoofdregel en de Amsterdamse verordening biedt de mogelijkheid om daar uitzonderingen op te maken. Dat is in de praktijk wel heel lastig te regelen.

24

Het gewone openbaar vervoer is voor kinderen met een beperking vaak geen optie, zeker niet als zij alleen willen/moeten reizen. Kinderen met een beperking kunnen op grond van de Wmo wel een pas krijgen voor aanvullend openbaar vervoer (AOV-pas). Dit AOV kunnen ze gebruiken voor sociale bezoeken. Dus ook om bijvoorbeeld na school eens bij een klasgenoot te gaan spelen. Opvallend is dat van de ouders en kinderen die wij spraken slechts een enkele daarvan op de hoogte was.

De OV-coach is een aantal jaren geleden opgezet om mensen (en dus ook kinderen) met een beperking te leren gebruik te maken van het reguliere OV. Daarnaast kunnen zij fiets- en/of looproutes aanleren. Met de overgang van dit project naar de Vervoerregio lijkt het minder bekend te zijn geworden, terwijl het voor veel kinderen een uitkomst kan zijn. De ouders en kinderen die wij spraken kenden geen van allen deze OV-coach, terwijl daar wel behoefte aan is.

‘Mijn zoon heeft een indicatie voor een rolstoelhuis

‘Vader en ik zijn uit elkaar en het is onmogelijk om

van 2014. Maar we kunnen daar geen huis voor

twee huizen te krijgen waar zij in kan. Dus zitten

vinden. Mijn zoon slaapt in de woonkamer en ik

noodgedwongen met elkaar in een huis.’ (ouder)

Concluderend kan gesteld worden dat er veel verschillende vervoers­ mogelijkheden zijn, maar dat die onvoldoende op elkaar aansluiten en bovendien onvoldoende bekend zijn. Daar valt winst te behalen.

stukgemaakt. Toen heb ik er een scherm/plaatje

ook. En mijn dochter in de slaapkamer. En als hij slaapt mogen we niets doen. We mogen niets drinken naast hem. Hij heeft ook al twee tv’s omheen laten zetten. Want hij maakt alles stuk. Hij slaapt dus in de woonkamer.’ (ouder)

d. Huisvesting De kinderen die wij spraken woonden over het algemeen naar tevreden­heid, hadden een eigen kamer etc. Hun ouders zijn vaak door de gemeente geholpen met het vinden van een passende woning. De ombudsman weet dat de gemeente actief bezig is om meer woningen beschikbaar te krijgen voor mensen met een beperking. Ouders waren minder positief over hun woonsituatie. Daarbij vielen twee dingen op. In de eerste plaats dat de woning vaak voldoende toegankelijk was voor hun beperkte kind, maar dat de rest van het gezin daar wel de dupe van was. Alle andere kinderen op één kamer, bijvoorbeeld. Woonproblemen kunnen zelfs aanleiding zijn tot extra medicatie.

‘Mijn zoon heeft slaapproblemen, soms wordt hij wakker om 3 uur en soms om 6 uur. De buren klagen ook, we hebben een klein huis. Nu krijgt hij een slaapmiddel.’ (ouder)

Kinderen zijn daar niet altijd blij mee, zij weten dat ze de reden zijn dat hun ouders niet voor zichzelf kunnen kiezen. Door het grote woningtekort in Amsterdam zal dat waarschijnlijk niet op korte termijn kunnen veranderen. Maar dat betekent wel dat niet altijd gekozen kan worden voor de woonsituatie die voor het betrokken kind het beste is. Voorzieningen in de woning zoals een tillift of een aangepaste bad­kamer is bij de kinderen die wij spraken allemaal geregeld. Veel ouders zijn bij het aanvragen daarvan geholpen door een casemanager van Reade. Wat opvalt is dat veel ouders al heel blij zijn met wat ze hebben en ervoor terugdeinzen om meer te vragen.

‘Ik heb een wondje op mijn stuitje, waardoor ik de hele dag in bed moet blijven. Het bed gaat niet langs de deuren waardoor moeilijk het hele huis

Daarnaast wordt als probleem ervaren dat geholpen wordt bij het vinden van één geschikte woning voor het gezin. Als de ouders uit elkaar zijn of gaan is co-ouderschap vaak niet mogelijk omdat de andere ouder geen geschikte woning kan krijgen. Sommige ouders blijven noodgedwongen lang samen in één woning wonen, zodat ze de zorg voor en het gezelschap van hun kind kunnen delen.

25

door kan. Bed is te groot en kan niet in de woon­ kamer. Dus ik ben de hele dag in mijn bed op mijn eigen kamer. Daarvoor zouden nog wel aanpassingen moeten zijn.’ (kind)

‘Het zou makkelijker zijn als de rails door zou lopen, door het huis. De rails gaat nu van bed naar

zouden kunnen aanvragen. Het is te hopen dat de buurtteams hier uitkomst gaan bieden.

badkamer, thats it. Maar als de rails door zou

‘En dus zeiden ze bij de gemeente: je kind heeft al recht op een auto om naar school te gaan, dus je kind krijgt geen aangepaste fiets. Maar de moeder

kunnen lopen naar de woonkamer, dat hij wat

‘Er zijn heel veel glijbanen waar je heel moeilijk op

wil ook een keer gaan fietsen met haar kind en die

gezelliger zou kunnen doen op de bank bijv., zou

kan komen. Hoe moeilijk is het nou om daarbij ook

krijgt ze dan niet.’ (ouder)

dat fijn zijn.’ (ouder)

een trapje met leuningen neer te zetten? Ouders kunnen helpen en een kind kan ook op die glijbaan komen. Dat soort dingen waar vaak niet over wordt

De vraag kan gesteld worden of daar een taak ligt voor de casemanagers en onafhankelijke cliëntondersteuners.

nagedacht. Huilend in de speeltuin, waarom kunnen andere kinderen wel en wij niet.’ (ouder)

e. Spelen en sporten Alle kinderen die wij spraken noemden de speeltuintjes in de eigen woonbuurt. Toen ze heel klein waren konden ze met hulp nog wel gebruik maken van bijvoorbeeld schommels en wipkippen. Maar al snel werden ze te groot en waren er in de buurtspeeltuinen voor hen geen dingen om mee te spelen. Dit terwijl samen spelen voor kinderen de beste manier is om elkaar en elkaars beperkingen te leren kennen.

‘We hebben hier een speelplein. Daar hebben ze alleen gedacht aan normale kinderen. We hebben zo vaak gevraagd om een schommel met een hekje. Maar nee…’ (kind)

‘Kijk, bij de speeltuin begint het dat ze zich normaal voelen, dat het niet twee werelden zijn.’ (ouder)

De gemeente is wel bezig met speelvoorzieningen, zie maps.amsterdam.nl/toegankelijk_spelen, een kaart waarop de toegankelijke speelplekken zijn aangegeven. Waardoor meteen duidelijk is dat er nog een hoop moet gebeuren voordat alle kinderen met een beperking in de eigen buurt buiten kunnen spelen. Ouders vertellen ons dat ze niet weten hoe ze aangepaste speelvoorzieningen

Veel kinderen sporten bij sportclub Only Friends in Amsterdam Noord, waar je 29 verschillende sporten kan doen. Only Friends is speciaal opgericht voor kinderen met een beperking en wordt grotendeels betaald met sponsorgeld, maar voelt zich ook gesteund door de gemeente. Bijvoorbeeld doordat het in de praktijk vaak mogelijk is om vervoer te regelen als ouders dat niet zelf kunnen verzorgen. Naast Only Friends kunnen kinderen met een beperking soms ook sporten in een G-team, vooral bij voetbal-en hockeyclubs. Ze lopen dan in kleedkamers en clubhuis wel andere kinderen tegen het lijf, maar echt samen sporten is het niet.

‘Ik vind dat kinderen met een beperking meer Voor veel kinderen is een aangepaste fiets/driewieler/tandem belangrijk om in beweging te blijven. Dit naast bijvoorbeeld leerlingen­vervoer of een leenauto, die nodig is om naar school te gaan. Zo’n fiets is een Wmo-voorziening, maar wordt niet makkelijk verstrekt. Uit een reguliere zaken weet de kinderombudsman dat Wmo-vervoersvoorzieningen niet voor kinderen bestemd zijn, althans, dat was in die zaak een argument. De vraag rijst dan waarom niet. Juist voor kinderen met een beperking is zelf bewegen belangrijk. En ook al word je gefietst en fiets je niet zelf, het contact met andere fietsers is dan veel natuurlijker en directer dan vanuit een auto.

26

activiteiten moeten kunnen doen met normale kinderen.’ (kind)

Daarnaast zijn er voorzieningen als zwembaden die ook gewoon voor kinderen met een beperking toegankelijk zijn. In de praktijk blijkt dat toch ingewikkeld, leren veel kinderen wel zwemmen maar gaan daarna niet voor hun plezier naar een zwembad.

‘Ik red het fysiek niet om met haar te zwemmen.

‘Als je praktijkonderwijs hebt gevolgd, wordt je

Zwembad in en uitkomen en in zwembad is zwaar

inschrijving voor een bijbaantje al gauw in de

Er is wel een tillift om het zwembad in te komen

prullen­­bak gegooid. Maar ik heb de leidinggevende

maar niet naar de aankleedtafel en je mag ook niet

gesproken en hem verteld dat het een praktijk­

met je eigen rolstoel zwembad in. Maar zij past niet

meisje is. Ik zei, ik wil dat ze iets gaat doen en uit

in rolstoel van het zwembad.’ (ouder)

huis is en iets betekenisvols gaat doen. Hij zei: We gaan het gewoon proberen. En ze zit er nog

g. Financiering Sommige voorzieningen voor kinderen met een beperking worden door de gemeente betaald, andere zaken worden door het rijk gefinancierd uit de Wet langdurige zorg, soms door zorgverzekeraars uit de Zorg­ verzekeringswet. Het voert te ver om het ingewikkelde stelsel hier uit te leggen. Kinderen begrijpen het ook niet. Maar erger, hun ouders vaak ook niet. Veel ouders maken gebruik van casemanagers of onafhankelijke cliëntondersteuning, maar niet altijd en soms weten zij ook de weg niet door het woud van regels.

steeds al 2 jaar lang. En het baantje doet haar De gemeente geeft aan dat er in Amsterdam een sportloket bestaat, speciaal voor kinderen met een beperking. Geen van de kinderen en ouders die wij spraken wist van dit loket. Het sport­loket werkt met inter­mediairs, zoals scholen en hulpverleners. Samen met de aan­melder wordt dan een sport­advies­traject opgesteld dat voor het kind haalbaar is. Het sport­loket organiseert ook na­schoolse sport­ lessen, bijvoorbeeld op het SO. Zoeken van een geschikte sport kan ook via www.unieksporten.nl. Deze mogelijk­heden moeten breder bekend worden en aanmelding zou ook voor ouders mogelijk moeten zijn.

f. Vrije tijd Veel kinderen willen graag een bijbaan, maar vinden die niet.

‘Wat ik belangrijk vind is gelijke kansen voor kinderen met een handicap. En bijbaantjes vind ik moeilijk. Ik kom niet makkelijk aan een bijbaan.

zo goed.’ (ouder)

‘Het PGB aanvragen is wel altijd rampzalig. Het voelt dat er wordt gekeken naar hoe kunnen we dit zo zuinig mogelijk doen? Of is het allemaal

Over het algemeen proberen kinderen zoveel mogelijk om gewoon mee te doen in de stad. Winkelen in grotere winkels lukt, maar in de kleinere winkeltjes is de toegang vaak een probleem, rolstoelplaten blijken niet te vinden. Er wordt veel geklaagd over stoepen die niet verlaagd zijn voor rol­stoelen en rollators. En over auto’s die de verlaagde stoep blokkeren. Daar is wel aandacht voor, maar kennelijk nog niet genoeg.

wel zo ernstig? Of is het wel waar? In plaats van dat er wordt gekeken: Hoe kunnen we je hier zo goed mogelijk bij ondersteunen? Dan voel je je heel alleen in een situatie waarin het allemaal heel lastig is. De papierstroom kan een stuk minder. Een vaste contactpersoon kan al helpen.’ (ouder)

‘Soms zijn stoepen niet verlaagd. En sommige winkels zijn te smal voor de rolstoel. Maar bioscoop en theater blijven we gewoon doen.’ (kind)

‘Je wordt stap voor stap op een bevoogdende manier aan het handje genomen, je mag het plan

Een krantenwijk is niet haalbaar. Er is geen

voor je eigen kind niet zelf maken. Stukje van je

platform om kinderen met een beperking aan een baantje te helpen. Bijvoorbeeld om dingen online

‘Nu word je bij veel bioscopen vooraan gezet

te doen.’ (kind)

en moet je stijf omhoog kijken en dat voelt niet lekker.’ (kind)

27

waardig­heid als ouder wordt van je afgenomen.’ (ouder)

7.2 WAT WILLEN DE KINDEREN? In 7.1 is aangegeven wat kinderen (en ouders) ons vertellen. Hieronder volgen hun meest aansprekende wensen.

‘Een school dichterbij huis!!’ (kind)

vorm en in welke situatie inclusief onderwijs het meest passend is. Kinderen willen geen onderzoek, maar gewoon beginnen met die Samen naar Schoolklassen. In dat verband wordt verwezen naar www.samennaarschool.nl. De Kinderombudsman vraagt de gemeente daarom om op korte termijn serieus te beginnen met Samen naar Schoolklassen en de Samen­werkings­verbanden in de gelegenheid te stellen om de daar­aan verbonden extra (zorg-)kosten te financieren.

Alle kinderen die wij spraken willen echt inclusief onderwijs. Zij realiseren zich dat ze niet zomaar bij andere kinderen in de klas kunnen zitten, al is het alleen al omdat juist zij vaak kleine klassen nodig hebben. Eén jongen die wij spraken had op een basisschool in Amstelveen gezeten waar een speciale klas was voor kinderen met een beperking. Een kleine klas, met de nodige extra aandacht en zorg, van waaruit kinderen konden uitvliegen naar reguliere klassen. Voor een uurtje of voor hele dagen, al naar de behoefte. Samen spelen op het schoolplein gebeurde eveneens. Deze jongen was daar heel enthousiast over en heeft dit enorm gemist toen hij door moest naar het VSO.

Daarbij wijst de Kinderombudsman er op dat door deze Samen naar Schoolklassen extra zorgcapaciteit op scholen beschikbaar komt, die ook voor reguliere leerlingen nuttig kan zijn. Zo blijkt het voor kinderen met diabetes type 1 ingewikkeld om een reguliere school te vinden waar voldoende kennis aanwezig is om de insuline-intake te controleren. Een handeling die nauwelijks tijd vraagt, maar die door een leerkracht als extra belastend ervaren kan worden. Als zorg regulier op de school aanwezig is hoeft die controle geen probleem meer te zijn. Alle reden dus om haast te maken met Samen naar Schoolklassen.

Amsterdam heeft veel aandacht voor specialistische jeugdhulp in het (speciaal) onderwijs. Reguliere scholen bieden binnen hun mogelijk­ heden extra ondersteuning aan kinderen die dat nodig hebben. De gemeente komt in beeld als er naast onderwijs­ondersteuning ook jeugdhulp nodig is. Samen met de samen­werkings­verbanden primair en voortgezet onderwijs zijn ambities opgesteld in een Werkagenda 2019-2022. In Amsterdam gaan relatief weinig kinderen naar het speciaal onderwijs. Toch spraken wij bij speciaal onderwijs-scholen kinderen die graag naar het regulier onderwijs zouden willen en daar alleen niet heen konden omdat de zorg die zij nodig hebben op die reguliere school niet voorhanden was. Het is de Kinderombudsman bekend dat in 2019 een initiatiefvoorstel is ingediend om in elk stadsdeel tenminste één Samen naar Schoolklas aan te bieden. Het college wilde echter eerst een analyse om te bepalen in welke

‘Als ik burgemeester van Amsterdam zou zijn zou ik het schoolsysteem willen aanpassen. Dat je niet perse speciaal onderwijs hebt. Omdat ik toch merk als je op speciaal zit is de buitenwereld heel anders. 1 school voor alle kinderen. Dat het systeem zo wordt dat iedereen zijn eigen plek heeft. En iedereen met elkaar kan spelen. Als je iedereen op 1 school zet dan begrijpen mensen elkaar beter.’ (kind)

28

‘Mooi als er gezamenlijke scholen zouden zijn, zodat kinderen kunnen groeien en meegroeien. Dat ze elkaar zien als normaal.’ (moeder)

Daarnaast willen kinderen zich vrijer kunnen bewegen en minder afhankelijk zijn van vast leerlingenvervoer. Het valt op dat deze mogelijkheden er al wel zijn, maar niet voldoende bekend. Tenslotte: een vacaturebank voor bijbanen die geschikt zijn voor kinderen met een beperking zou ook zeer worden gewaardeerd. Mogelijk kunnen de kinderen bij de ontwikkeling daarvan zelf een rol spelen.

8. WAT VALT NOG MEER OP?

Tijdens de gesprekken kwam er vanuit de ouders

‘Mijn andere dochter gaat dus op zaterdag en

Routekaart

van kinderen met een beperking een aantal

zondag ook niet naar buiten, zij is nog te jong om

onderwerpen naar voren die niet zo gemakkelijk

alleen naar buiten te gaan.’ (ouder)

Ouders geven aan dat het hen erg zou helpen om een routekaart te hebben, die inzicht geeft welke route/pad bewandeld kan worden voor hun kind, onder meer op het gebied van voorzieningen, best practices en wetgeving. Onderwerpen die daarom zeker in de Routekaart terug moeten komen volgens de ouders zijn het Moedernetwerk, sportclub Only Friends, wanneer de Wet Langdurige Zorg van toepassing is in plaats van de WMO of de Jeugdwet, de OV-coach en AOV-pas, wanneer je in aanmerking komt voor dubbele kinderbijslag, welke speeltuinen toegankelijk zijn voor kinderen met een beperking, welke logeermogelijkheden er zijn en hoe de financiering is geregeld voor kinderen met een beperking die 18 jaar worden.

waren onder te verdelen bij een van de drie P’s. Daarbij wilden we ons met name richten op de ervaringen van de kinderen en minder op die van hun ouders. Toch zijn het onderwerpen die we in dit rapport niet ongenoemd willen laten, omdat ze van wezenlijk belang blijken in het leven van kinderen met een beperking en hun naasten.

Isolatie van (andere kinderen in) het gezin Veel ouders geven aan door de zorg voor hun kind met een beperking in een isolement terecht te zijn gekomen. Enerzijds door de intensiteit van de zorg, anderzijds ook omdat ze het gevoel hebben met weinig te mensen te kunnen delen wat het betekent om een kind met een beperking te hebben en op te voeden.

Ook geven de ouders aan dat de impact van het hebben van een kind met een beperking groot is op de rest van het gezin. De tijd en aandacht die uitgaat naar het kind met de beperking, gaat ten koste van de (tijd met) andere kinderen in het gezin. Ook die kunnen daardoor in een isolement raken. Als mogelijke oplossing dragen ouders aan dat er meer logeerplekken voor kinderen met een beperking moeten komen (respijtzorg). Dit is erg belangrijk ter ontlasting van de ouders, maar zeker zo belangrijk voor de andere kinderen in het gezin.

‘Ik wil graag een logeerplek voor mijn zoon vinden. Maar ik kan niks vinden. Of er zijn geen speciale

‘Als hij ergens heengaat, dan … het is moeilijk met andere kinderen. Als hij iets wil, wil hij het. En als

bedden, of het zit vol, of er zijn alleen trappen en geen lift.’ (ouder)

hij het dan niet krijgt, gaat hij schreeuwen en op de grond slaan. Het wordt een drama. Dus blijven we liever alleen thuis.’ (ouder)

29

Bij veel ouders is ook onduidelijkheid hoe / of de financiering van de zorg voor hun kind doorloopt als hun kind 18 jaar wordt. Of op welke manier ze na hun 18e verzekerd moeten worden, of dat ze in aanmerking komen voor een Wajong uitkering. Is het verstandig om bewind of mentorschap aan te vragen en hoe doe je dat dan? Veel ouders vertellen dat ze weten dat ze al jaren voor de meerderjarigheid van hun kind moeten beginnen met van alles te regelen, maar dat ze niet weten waar ze moeten beginnen en waar ze moeten zijn.

‘Vanuit gemeente moet er een soort van … ja, waar

‘Ik hoorde een verhaal van een moeder bij het

Je moet gewoon weten: als je werkt, wat is welke

ik altijd voor pleit: je krijgt als ouder een diagnose

Moedernetwerk, haar kind met een beperking is

wet! Ouders komen overspannen bij het Moeder­

over je kind. Dan moet er een melding gaan bij

net 18. Ze vroeg curatorschap aan voor het kind. Als

netwerk en dan denk je: dit had helemaal niet

gemeente: dit kind heeft beperking, vanuit daar

je dan een PGB aanvraagt, je kan niet tegelijk

gehoeven.’ (ouder)

wordt u doorverwezen naar stichting MEE of

curator zijn EN PGB’er. Ze moet wel curatorschap

Moeder­netwerk, of…. Dat iemand laat zien aan de

opvragen. Je kunt regels omzeilen door…… gaven ze

ouder wat de mogelijkheden zijn voor het kind met

als tip. Maar zij dacht waarom zou ik regels

een beperking in Amsterdam. Uw kind heeft

omzeilen als het gewoon normaal is. Waarom zo

beperking, en dit, dit en dit zijn de mogelijkheden.

krom?’ (ouder)

Je verwacht bepaald gedrag bij een kind en bij

Vanuit de gemeente moet er een Zorgkaart komen van wat je moet weten als je bepaalde zorgen hebt.’

Acceptatie en ondersteuning

(ouder)

Ouders geven aan dat het best lastig voor hen bleek om te accepteren dat ze een kind met een beperking kregen. Initiatieven als het Moeder­netwerk zijn voor moeders erg belangrijk, zo geven zij aan. Het Moedernetwerk is een plek waar moeders met kinderen met een beperking samen kunnen komen, om lotgenoten met elkaar te verbinden om ervaringen uit te wisselen en van elkaar te kunnen leren als aanvulling op de professionele zorg. Praten met moeders die ook een kind met een beperking hebben helpt bij de acceptatie. Ook geeft het ondersteuning en kunnen moeders advies krijgen over allerlei zaken, zoals over aanvraag van PGB’s, of welke logeerplekken of sportclubs er zijn voor kinderen met een beperking.

voerder? Dan moeten we in een rechtszaak aan­ tonen dat wij als ouders dat kunnen zijn, terwijl we het al 18 jaar hebben gedaan.’ (ouder)

Waarom is mijn kind zo anders? Je hebt bepaalde verwachtingen als moeder die een kind baart.

Niet dat ouders zelf alles moeten gaan uitzoeken.

‘Straks zijn ze 18… Wie is dan voogd of bewind­

‘Het verwerken van verlies, moeite met acceptatie.

sommige ouders is dat niet zo. En daar moet ook aandacht voor komen, dat mensen daarover kunnen praten.’ (ouder)

PGB Het is vaak onduidelijk voor ouders of zij bij het zorgkantoor of bij de gemeente moeten zijn voor de aanvraag van een PGB. De combinatie van verschillende PGB’s naast elkaar voor één zorgverlener wordt als lastig ervaren. De verschillende aanvragen duren allemaal erg lang en de procedures zijn allemaal erg verschillend. Het steeds opnieuw moeten aanvragen van een PGB onder de Jeugdwet, ook al is er in de beperking/ de situatie van het kind (nog steeds) niets veranderd, vinden ouders erg bureaucratisch.

30

‘Ander probleem is de PGB-aanvraag. Je wordt stap voor stap op bevoogdende manier aan het handje genomen, je mag plan voor je eigen kind niet zelf maken. Stukje van je waardigheid als ouder wordt van je afgenomen.’ (ouder)

‘Wij zijn best bezig geweest met een PGB krijgen, dat heeft 3 jaar geduurd. We kregen heel erg van de gemeente het gevoel dat we niet gewenst zijn. Een PGB voor de WLZ is drie keer afgewezen. Het geeft een naar gevoel dat je moet vechten voor de zorg.’ (kind)

‘We hebben een PGB. Er zijn zoveel fantastische voorzieningen waar ik heel dankbaar voor ben. Het is ook niet vanzelfsprekend dat het er allemaal is. Maar je moet wel capaciteit hebben om het allemaal bij te houden. Het is een job erbij om het allemaal te regelen. En sommige mensen die kunnen het allemaal niet. En dat is vreselijk.’ (ouder)

31

9. WAT DOET AMSTERDAM ALLEMAAL AL?

Elke gemeente is verplicht om een lokale

Speerpunten en (re)actie Amsterdam

inclusieagenda op te stellen. Ook in Amsterdam

Hieronder worden de 10 speerpunten opgesomd, die de gemeente heeft geformuleerd. Per speerpunt wordt aangegeven welke actie daarop wordt ondernomen, volgend uit de Voortgangsrapportage Toegankelijkheid 202010.

is hieraan gewerkt. In 2019 heeft de gemeente een aantal bijeenkomsten gehouden met 139 Amsterdammers met én zonder beperking. Deze verhalen en antwoorden vormden de basis voor de lokale inclusie­agenda met de belang­rijkste aanbevelingen voor het toegankelijkheid­beleid voor de komende drie jaar. Naar aanleiding

1. Regels rond toegankelijkheid en inclusie handhaven. Het handhaven van afspraken van de openbare ruimte moet worden aangescherpt, zodat gebouwen, trottoirs, fietsenstallingen vrij toegankelijk zijn voor mensen met een beperking en met eventuele hulpmiddelen, zoals een rolstoel.

2. Inclusieve mobiliteit: het OV. Zo moet iedereen onder andere goed kunnen instappen, moet het mogelijk worden dat mensen met een beperking van deur tot deur kunnen reizen, en moeten loopafstanden tussen tram- en bushaltes verminderd worden.

Het college geeft aan dat het de mobiliteit van alle Amsterdammers en de toegankelijkheid van het OV belangrijk vindt. Er wordt continu gewerkt aan het verbeteren van de toegankelijkheid van

van de bijeenkomsten zijn er tien speerpunten geformuleerd die in de lokale inclusie­agenda

Het college geeft aan dat ze gebouwen van de

zijn opgenomen. De vraag is wel in hoeverre

gemeente gefaseerd toegankelijker willen maken.

kinderen betrokken zijn bij de totstandkoming van

Het college maakt afspraken met corporaties

deze punten.

over het aantal aanpasbare woningen en rolstoel­ woningen in de nieuwbouw. Met subsidies wil het college dat organisaties, ondernemers en instellingen de toegankelijkheid vergroten.

10 Bron Gemeente Amsterdam 2020

32

de diverse haltes. Daarnaast zijn er projecten als een OV-coach, die bijdraagt aan de bereikbaarheid van de stad en is er het AOV, voor mensen die niet zelfstandig met het OV kunnen reizen.

3. Sociale bewustwording en inclusie. De gemeente acht het essentieel dat de sociale bewustwording en bejegening door burgers en professionals wordt bevorderd. Met name in relatie tot zichtbare, maar vooral ook onzichtbare beperkingen.

Het college erkent het belang van inclusie en wil dat in Amsterdam op de juiste manier wordt omgegaan met alle Amsterdammers. Hiervoor worden trainingen aangeboden aan ambtenaren en aan professionals van andere organisaties.

5. Inclusieve mobiliteit: looproutes door de stad. Amsterdam is een drukke stad, daarom moet het voetgangersnetwerk toegankelijker worden gemaakt. Dit kan door rolstoelvriendelijke opritten, trottoirs zonder losliggende tegels en oversteekplaatsen met voldoende tijd om over te steken.

Het college herkent het belang dat door bewoners wordt gehecht aan ruimte voor voetgangers en veilige en toegankelijke looproutes. Dit punt staat op het beleid. De komende jaren is er in de planvorming en uitvoering aandacht voor ruimte

7. Meer toegankelijke toiletten. Er zijn nu te weinig toegankelijke openbare toiletten in de stad. De gemeente wil om ongeveer elke 200 meter een toegankelijk openbaar toilet beschikbaar maken met een verbeterde informatievoorziening.

Het college constateert dat de benodigde budgetten om op grote schaal openbare toiletten bij te bouwen op dit moment niet beschikbaar zijn. De komende periode doet het college onderzoek naar openstelling van meer gemeente toiletten.

voor voetgangers en veilige routes. 4. Inclusie van ervaringsdeskundigheid. Ervaringsdeskundigen moeten tijdig worden betrokken in de bouw, planning en aanpassing van gebouwen, woningen en de openbare ruimte zodat deze toegankelijk worden.

Het college vindt de inzet van ervarings­deskundigen net als de opstellers van het speer­punt belangrijk.

6. Inclusief onderwijs. Kinderen met een beperking moeten meer in contact komen met andere kinderen en gelijke kansen krijgen. Reguliere scholen moeten ook mogelijkheden hebben, zodat kinderen met een beperking zo veel mogelijk aansluiting vinden in regulier onderwijs waardoor ze samen naar school kunnen en goed in de samenleving integreren.

8. Toegankelijkheid Wmo-voorzieningen. De gemeente wil dat de toegang en indicatiestelling voor Wmo-voorzieningen wordt verbeterd. Een aanbeveling is dat er één Wmo-loket komt waar men terecht kan voor vragen om een betere communicatie te realiseren en maatwerk te leveren.

Het college werkt aan de invoering van Buurtteams om de toegang tot de Wmo-

Het college geeft aan dat ze bij steeds meer dossiers in de stad ervarings­deskundigen betrekken en dat

Over inclusief onderwijs zegt het college dat het

ze inzetten op het versterken van de ervarings­

belangrijk is dat kinderen waar mogelijk samen

deskundigheid in de stad, onder andere door het

naar school gaan. Maar het college geeft aan dat

vormen van een netwerk van ervarings­kennis, het

de verantwoordelijkheid van het onderwijs bij de

geven van trainingen en bieden van themasessies

scholen ligt. Door de gemeente wordt samen met

en colleges.

partners in het onderwijs een analyse gemaakt

voorziening te verbeteren.

9. Toegankelijkheid informatievoorziening. Informatie en meld­ voorzieningen van de gemeente moeten toegankelijk zijn op diverse manieren, omdat mensen met beperkingen verschillende behoeftes hebben voor contact.

en gesproken over de mogelijkheden voor meer Het college wil zich blijven inzetten voor het

inclusief onderwijs.

beschikbaar stellen van dienstverlening voor alle Amsterdammers.

33

10. Sociale inclusie: vrijetijdsbesteding. De gemeente wil dat publieke evenementen en openbare plekken toegankelijk zijn. Denk aan theaters met boven- en ondertiteling, toegankelijke speeltuinen en buitenschoolse activiteiten voor kinderen met een beperking in iedere buurt.

Het college is van mening dat inclusie van alle Amsterdammers belangrijk is. Hier zal het college in het komende jaar hard aan blijven trekken, op het gebied van toegankelijke speelvoorzieningen, sport, kunst en cultuur en de sociale basis in de wijk.

Speerpunten en acties ook voor kinderen met een beperking Bij het maken van deze kinderrechtenscan is er rekening mee gehouden dat de gemeente deze speerpunten heeft ontwikkeld en acties heeft geformuleerd. Bij het schrijven van onze bevindingen, conclusies en aan­bevelingen verder­ op in dit rapport wordt dan ook aan­sluiting gezocht bij de initiatieven van de gemeente. Maar we zien ook dat de speer­punten en acties vooral zijn gericht op het verbeteren van de toegankelijkheid van de stad, dus op provisie (voorzieningen). De protectie- en participatie­rechten komen minder duidelijk terug in de speer­punten en/of de ingezette acties. Daarbij komt ook dat de speer­punten en acties vooral gericht zijn op mensen met een beperking en niet zozeer op kinderen met een beperking.

34

10. CONCLUSIES EN ADVIEZEN

Hiervoor is beschreven hoe Amsterdamse kinderen en jongeren met een beperking ervaren dat wordt omgegaan met hun kinderrechten op grond van de drie P’s; Protectie, Participatie en Provisie. Wat kunnen we daar uit opmaken als we deze resultaten afzetten tegen het licht van het kinderrechtenkader, zoals dat is ontwikkeld door Defence for Children (zie bijlage 2)? En wat betekent dat voor Amsterdam?

10.1 PROTECTIE

zelfstandig dingen te ondernemen, zichzelf dus steeds meer moeten zien te redden in het leven en in de samenleving. Ook moet het duidelijker worden dat er in Amsterdam OV-coaches zijn die kinderen en jongeren met een beperking kunnen leren om zelfstandig te reizen of om hen naar school of een sportclub te begeleiden. En zouden kinderen die geen gebruik kunnen maken van het gewone OV zonder ingewikkeld gedoe en screening door het IAB in aanmerking kunnen komen voor een AOV-pas. Daarbij verdient opmerking dat deze kinderen veelal ooit zijn gescreend om voor leerlingenvervoer in aanmerking te komen, deze kinderen en hun beperking zijn dus bij de gemeente bekend.

Meer aandacht en bewustwording

geen losliggende tegels zijn en moet er voldoende tijd zijn om over te kunnen steken. En dient er meer aandacht te zijn voor het vrijhouden van de doorgang, ook bij die rolstoelvriendelijke opritten. Handhavers dienen daar aandacht voor te hebben.

10.2 PARTICIPATIE Met de participatierechten van kinderen met een beperking zit het over het algemeen best wel goed, met name omdat zij vertegenwoordigd worden door hun ouders en door de leerlingenraden op school. Maar het blijft lastig voor kinderen om hun stem te laten horen, soms ook letterlijk, zeker als het gaat om zaken die verder van hen af liggen. Om tegemoet te komen aan de eisen die het IVRK en het VN-Verdrag Handicap stelt aan participatierechten van kinderen met een beperking, is er een aantal onderwerpen waarvoor Amsterdam meer aandacht moet hebben.

Met de protectierechten van kinderen met een beperking zit het best wel goed, met name omdat ouders hun kind met een beperking goed beschermen en er vaak iemand bij hen is als ze de straat op gaan. Ze voelen zich dus met name goed beschermd en veilig door mensen die dichtbij hen staan en dichtbij hen zijn, zoals ouders, PGB-ers en vertrouwenspersonen op school. Om tegemoet te komen aan de eisen die het IVRK en het VN-Verdrag Handicap stelt aan protectierechten van kinderen met een beperking, is er een aantal onderwerpen waarvoor de gemeente meer aandacht moet hebben.

Er moet meer aandacht zijn voor kinderen met een beperking, zodat er meer begrip voor hen komt en zij minder worden gepest of buitengesloten. Meer contact tussen kinderen met en kinderen zonder beperking zou daarbij zeker helpend zijn. Dat kan volgens de kinderen door klassen en/of scholen te mixen en door meer voorzieningen te maken om van jongs af aan samen buiten te spelen. Ook buurthuizen en voorzieningen voor jongeren zouden inclusiever kunnen werken en alle kinderen kunnen uitdagen om mee te doen. Een beperking moet als normaal worden gezien, dingen samen doen en samen beleven bevordert het samen normaal zijn. Ieder op zijn eigen manier.

Zelfredzaamheid

Verkeer

Vertegenwoordiging en representatie

Om met name jongeren met een beperking (zichzelf) beter te (laten) beschermen, zouden er meer projecten op het gebied van zelfredzaamheid moeten komen. Dit speelt bijvoorbeeld voor kwetsbare tieners met een beperking die er klaar voor zijn om

Om kinderen met een beperking, bijvoorbeeld kinderen in een rolstoel of die moeilijker lopen, veiliger deel te kunnen laten nemen aan het verkeer moeten er in Amsterdam meer rolstoelvriendelijke opritten komen. Ook moet de stoep zo worden aangelegd dat er

In de kinderraad zou ook een kind met een beperking moeten zitten, die de belangen van kinderen met een beperking behartigt.

35

Inspraak Kinderen met een beperking moeten actief betrokken worden bij de inrichting van de openbare ruimte, zoals bij speeltuinen en zwembaden in de stad. Ook moeten ze een rol spelen bij de totstandkoming van beleid, zoals bij de Toegankelijkheidspunten 2020 van de gemeente Amsterdam (hoofdstuk 4.2).

Daarnaast verdient het aanbeveling dat ook Amsterdamse jongeren met een beperking structureler vertegenwoordigd worden. Dat kan bijvoorbeeld door middel van een jongerenraad, waaraan ook jongeren met een beperking deel kunnen nemen. Ook in het kader van representatie van kinderen met een beperking is het belangrijk dat zij meer worden vertegenwoordigd, waaronder in gemeentelijke (advies) organen. Zo zou het Jeugdplatform – dat zich richt op kinderen die gebruik maken van jeugdhulp en van speciaal onderwijs – actiever op zoek kunnen naar kinderen met een beperking. Tenslotte heeft de Kinderombudsman al in de eerste kinderrechten­ scan uit mei 2020 gepleit voor een jongerenraad, als vervolg op de kinderraad. Pubers willen ook meepraten over wat hen aangaat in de stad. Datzelfde geldt voor pubers met een beperking.

10.3 PROVISIE Op het gebied van provisie is er al veel gedaan, maar ook nog veel te doen voor kinderen met een beperking om tegemoet te komen aan de eisen die het IVRK en het VN-Verdrag Handicap stelt. Zeker onderwerpen als leerlingenvervoer, inclusief onderwijs, huisvesting, logeerplekken en meer en toegankelijkere speel-, sport- en recreatiemogelijkheden vragen nog veel aandacht en concrete actie van de gemeente.

Inclusief onderwijs Kinderen met een beperking willen het allerliefste zo samen mogelijk naar school. Er moet daarom op korte termijn vaart worden gemaakt met de Samen naar Schoolklassen. De gemeente moet de Samenwerkingsverbanden in de gelegenheid stellen om de daaraan verbonden extra (zorg-)kosten te financieren. Daarnaast wordt aan­dacht gevraagd voor de Proeftuinen Onderwijs­zorg­arrangementen van de ministeries van O&W en VWS, die op dit moment lopen en waar­ aan ook Amsterdamse voorzieningen mee doen. Naar verwachting start in augustus 2022 een experiment waarin organisaties kunnen afwijken van wet- en regelgeving die tijdens de proeftuinen als ongewenste belemmering wordt ondervonden. Zo blijken er problemen te worden ervaren wanneer een kind nog leerbaar is, maar daarnaast veel zorg

nodig is. Ouders melden dat de PGB-teams van de gemeente dan vaak nog een vrijstelling op grond van artikel 5a van de Leerplichtwet verlangen. Een vrijstelling die leerplichtambtenaren – terecht – niet wensen te geven.

Leerlingenvervoer Het is onvoldoende duidelijk dat de Amsterdamse verordening mogelijk­heid biedt om uitzondering te maken op het dichtstbijzijnde passende school criterium.

OV-coach Het verdient aanbeveling dat de mogelijkheden van de OV-coach breder bekend worden bij kinderen en hun ouders, maar ook bij scholen en wijkteams. Het voortbestaan van de OV-coach dient gegarandeerd te worden.

Spelen, sporten, vrije tijd Hoewel de gemeente bezig is met speelvoorzieningen voor kinderen met een beperking, moet er nog een hoop gebeuren voordat kinderen met een beperking in de eigen buurt buiten kunnen spelen. Dat geldt ook voor (samen) sporten of andere activiteiten ondernemen. Buurthuizen en andere buurtvoorzieningen kunnen geactiveerd worden om hun activiteiten meer open te stellen voor kinderen met een beperking en hun gezin.

10.4 TEN SLOTTE Net als Amsterdamse kinderen zonder beperking klagen Amsterdamse kinderen mét een beperking eigenlijk niet over de borging van hun rechten. Of dat hun belangen niet (genoeg) worden mee­genomen. Toch zien we dat de rechten die zij hebben op grond van het VN-Kinderrechtenverdrag en het VN-Verdrag Handicap nog onvoldoende betrokken worden bij de totstand­koming van gemeentelijke beleids­ plannen en beleids­ontwikkeling. Terwijl we juist voor kinderen en jongeren met een beperking een stapje extra moeten zetten om hen een zo normaal en inclusief mogelijk leven te laten leiden.

36

11. AANBEVELINGEN KINDEROMBUDSMAN VAN AMSTERDAM Uit de gesprekken die wij voerden met kinderen en jongeren met een beperking, bleek al snel dat zij heel goed zelf kunnen aangeven wat zij nodig hebben voor een fijn leven. Daarbij denken zij niet aan de rechten die zij hebben op grond van het IVRK of het VN-Verdrag Handicap, of in termen als inclusiviteit en diversiteit. Zij geven simpelweg aan wat belangrijk voor hen is. De kinderen die wij spraken willen dezelfde kansen en mogelijkheden hebben als andere kinderen. Ze willen vrienden om zich heen, een leuke school, dagbesteding hebben en fijn wonen met hun ouders en broertjes en zusjes. Zij willen gehoord worden en mee kunnen praten over dingen die belangrijk voor hen zijn. En zij willen naarmate ze ouder worden steeds meer zelfstandigheid, net als ieder ander kind. Misschien wel het allerliefste willen ze zo samen mogelijk met andere kinderen zijn, of die nou wel of geen beperking hebben. Samen spelen en samen naar school gaan is daarin heel erg belangrijk, geven ze aan. Omdat kinderen van elkaar kunnen leren. En omdat het bij zal dragen aan de maatschappelijke bewustwording dat kinderen met een beperking onderdeel zijn van de samenleving en daaraan bijdragen, iedereen op zijn eigen manier.

De gevoelens, ervaringen en wensen van de kinderen en jongeren die we gesproken hebben, hebben we vertaald naar onderstaande aanbevelingen. Ze doen in onze ogen recht aan de rechten die zij

hebben op grond van het IVRK en VN-Verdrag Handicap. Met de naleving van de aanbevelingen zetten we een stapje extra voor kinderen met een beperking. Maar nog belangrijker, met de naleving van de aanbevelingen komen we een stapje dichterbij wat de kinderen zelf het allerliefste willen; een zo’n normaal en inclusief mogelijk leven. Laten we hen dat bieden in Amsterdam.

Aanbevelingen

klassen en vergelijk­bare initiatieven opzetten. Als het gebouw er staat is er geen goede reden meer om het niet te gebruiken; 3. De verschillende mogelijkheden om zich door de stad te verplaatsen verdienen meer aandacht. De mogelijk­heden van de OV-coach en het bestaan van de AOV-pas voor aan­vullend vervoer

1. De gemeente dient een aanjagende rol te

zijn onvoldoende bekend. Het blijkt dat scholen

spelen op het gebied van het vormgeven

zelf in hun voor­lichting het criterium dichtst­

van meer inclusief onder­wijs, samen

bijzijnde passende school in de verordening

met de Samen­werkings­verbanden

Leerlingen­vervoer beperkter inter­preteren dan

(aansluitend bij speerpunt 6 en Actiepunt

nodig is, waar­door ouders een andere school

Voortgangsrapportage Toegankelijkheid);

kiezen of zelfs geen leerlingen­vervoer aanvragen

2. De gemeente kan zo’n aanjagende rol

(aansluitend bij speerpunt 6 en Actiepunt

effectueren door school­gebouwen te realiseren

Voortgangsrapportage Toegankelijkheid).

die inclusief onder­wijs mogelijk maken, dus

De mogelijk­heden voor Leerlingenvervoer, AOV

meer vier­kante meters voor onder­steuning en

en vervoer op basis van landelijke regelgeving

zorg, toe­gankelijk voor leer­lingen en ouders met

zouden op elkaar aan moeten sluiten;

een beperking. Daarmee worden de Samen­

4. Kinderen en jongeren met een beperking

werking­verbanden uit­gedaagd om geld vrij te

moeten betrokken worden bij de inrichting

maken om school­besturen in staat te stellen

van de open­bare ruimte in Amsterdam,

daad­werkelijk iets te doen: Samen naar school­

zoals speel­tuinen, OV-aangelegenheden,

37

zwem­baden ed. (aansluitend bij

voor vervoer (zoals leerlingen­vervoer, AOV en

speer­punt 1, 2, 5 en 10 en Actiepunt

ook de OV-coach), sport en het Amsterdamse

Voortgangsrapportage Toegankelijkheid);

Sportloket en best practices, ook voor de over­

5. Bij de totstandkoming van en inspraak in

gang naar 18+. Houd daarbij rekening met

gemeentelijk beleid en verordeningen, moet

de verschillende regelingen die voor deze

expliciet aan­dacht worden besteed aan

kinderen van toe­passing kunnen zijn, op

kinderen en jongeren met een beperking.

basis van de Zorg­verzekerings­wet, de Wet

Betrek hen onder meer bij de tot­stand­koming

lang­durige zorg, de Jeugd­wet en de Wet

van de Voort­gangs­punten Toegankelijkheid

maatschappelijke ondersteuning. Deze digitale

en de criteria over toe­wijzing van rol­stoel­

route­kaart dient steeds beschik­baar te zijn en

woningen in de Huis­vestings­verordening

kan door ambtenaren, cliënt­ondersteuners

(speerpunt 1, 2, 5 en 1o en Actiepunt

etc. waar nodig worden toe­gelicht

Voort­gangsrapportage Toegankelijkheid);

(aan­sluitend bij speer­punt 8 en Actiepunt

6. Maak een digitale routekaart voor (ouders van)

Voortgangsrapportage Toegankelijkheid);

kinderen met een beperking op het gebied

7. Besteed bij de uitwerking van de aanbevelingen

van zorg en respijtzorg (zoals logeer­huizen),

uit de Kinderrechtenscan van mei 2020 expliciet

voor­zieningen inclusief maatjes­trajecten en

aandacht aan kinderen en jongeren met

ervarings­deskundigen, de mogelijk­heden

een beperking.

38

BIJLAGE 1 WERKWIJZE EN METHODIEK Om de meningen en ervaringen van kinderen en jongeren op te halen is ervoor gekozen om, evenals in de Kinderrechtenscan 2020, een kwalitatieve onderzoeksmethode te hanteren. Kwalitatief onderzoek kenmerkt zich door: de focus op percepties en ervaringen van de deelnemers, een systematische wijze van dataverzameling en interpretatie en de ontwikkeling van concepten die ondersteunend zijn in het interpreteren en exploreren van sociale verschijnselen. In het onderzoek is gebruik gemaakt van verschillende methodes om data te verzamelen: Tot aan dit concept is gesproken met 31 kinderen, waarvan 12 kinderen in individuele gesprekken en vier groepsgesprekken met in het totaal 19 kinderen. Daarnaast zijn zeven ouders gesproken en zijn er negen interviews geweest met organisaties en ambtenaren in Amsterdam, belast met de zorg voor kinderen met een beperking. Tenslotte is gesproken met de directies Onderwijs en Jeugd en met de beide Samenwerkingsverbanden (PO en VO). Er is voorafgaand aan het onderzoek één keer gesproken met de klank­ bord­groep en het laatste concept is met de individuele leden van de klankbordgroep besproken.

Representativiteit Representativiteit binnen kwalitatief onderzoek betekent dat de resultaten een afspiegeling zijn van de resultaten zoals die uit de

totale populatie naar voren zouden komen. Anders dan bij kwantitatief onder­zoek gaat het hierbij niet om een getalsmatige afspiegeling, maar om een afspiegeling van mogelijke varianten in mening, houding en gedrag die voor­komen binnen een bepaalde doelgroep. De bevindingen van een kwalitatief onderzoek zijn dus representatief als alle mogelijke meningen, houdingen en gedragingen die de populatie kent, ook in de interviews en groepsgesprekken naar voren kunnen komen. Binnen dit onderzoek hebben we zoveel mogelijk gestreefd naar representativiteit door de volgende interventies: • Doorgaan met interviewen tot inhoudelijk ‘verzadiging’ is bereikt: op een gegeven moment hoor je binnen de doelgroep geen nieuwe verhalen meer, maar zijn de gesprekken een bevestiging van wat eerder is verteld. • Er zijn (ouders van) kinderen en jongeren gesproken met diverse beperkingen, zoals downsyndroom, motorische beperking, ADHD, licht verstandelijke beperking, ontwikkelingsachterstand, stof­ wisselings­ziekte, spierziekte of andere lichamelijke en geestelijke beperkingen. Daarnaast is gesproken met een aantal relevante stakeholders uit het werkveld over hun ervaringen en inzichten. • Aanvullende interviews met relevante stakeholders uit het werkveld, om hun ervaringen en inzichten ook mee te kunnen nemen.

Werving De deelnemers aan de gesprekken zijn geworven door de kinder­ ombudsman. De kinderen en ouders konden zelf kiezen of ze wilden deelnemen aan een groepsgesprek of een persoonlijk interview. Hierbij hadden zij tevens de keuze om het gesprek online te voeren

39

via Microsoft Teams of in persoon met inachtneming van de nodige voorzorgsmaatregelen. Voor de werving van deelnemers heeft de kinderombudsman de contacten binnen haar eigen professionele netwerk benut. Daarnaast is gebruik gemaakt van ‘koude’ werving via speciale scholen en andere organisaties die veel contact hebben met Amsterdamse kinderen met een beperking, zoals organisaties voor gehandicaptensport. Er is contact gezocht met scholen en organisaties via de mail en telefonisch. Ook is aan deze partijen gevraagd om verdere navraag te doen binnen hun eigen netwerk(en). Daarnaast zijn er oproepen geplaatst op het Instagram-account van de Kinderombudsman en op LinkedIn.

Gespreksleidraad Tijdens de gesprekken en interviews is gebruik gemaakt van een leid­ raad vergelijkbaar met de gespreksleidraad uit de Kinderrechtenscan 2020. Daarin zijn de onderzoeksvragen geoperationaliseerd in een aantal open vragen waarin de deelnemers wordt gevraagd naar ervaring, beleving en voorbeelden. De gespreksleidraad sluit aan bij het Kinderrechtenverdrag en de drie P’s (Protectie, Participatie en Provisie) en is te vinden in bijlage 3. Er is gekozen voor halfopen/semigestructureerde interviews en gesprekken. Dit wil zeggen dat de gespreksleidraad gebruikt is als checklist om te controleren of alle onderwerpen aan bod zijn gekomen. De volgorde van de onderwerpen, de formulering van de vragen en de formulering van de antwoorden lagen niet vast, maar werden bepaald door de loop van het gesprek en de richting die de deelnemers zelf aan gaven.

Onderzoeksteam

Klankbordgroep

De Kinderombudsman Metropool Amsterdam heeft het onderzoek geleid in samen­werking met mr. Marieke Simons, jurist/juridisch adviseur jeugd­zorg en kinder­rechten. Tijdens de eerste fase van het onder­zoek hebben de kinder­ombudsman en Marieke Simons de gesprekken en inter­views geleid. Na afronding van de data-verzameling hebben mede­ werkers van de kinder­ombudsman de gesprekken getranscribeerd, waarna de data zijn geanalyseerd door de (medewerkers van de) kinderombudsman en Marieke Simons.

Voor het samenstellen van de klankbordgroep heeft de kinder­ ombudsman aansluiting gezocht bij de klankbordgroep van de Kinder­rechten­scan 2020. Deze klankbordgroep functioneerde als sparring­partner voor het onder­zoeks­team. Door corona­perikelen is met de klank­bord­groep slechts één keer gesproken, over de opzet van het onder­zoek. In de loop van het onder­zoek zijn wel contacten geweest met individuele leden over de voortgang. De klank­bord­ groep bestond onder andere uit afgevaardigden van organisaties die zich met kinderrechten bezighouden, zoals Defence for Children, Universiteit Leiden, Stichting Alexander en de Kinder- en Jongerenrechtswinkel Amsterdam.11

Analyse en rapportage De gesprekken met kinderen en ouders zijn – met toestemming van de respondenten – opgenomen en getranscribeerd, om zo geen essentiële informatie te missen, uitspraken op de juiste manier te interpreteren en uitspraken gedetailleerd weer te kunnen geven. Persoonlijke gegevens van de deelnemende respondenten zijn geanonimiseerd. De opgenomen gesprekken zijn zo letterlijk mogelijk uitgewerkt. De data zijn geanalyseerd door Marieke Simons en (de medewerkers van) de kinderombudsman. Hierbij zijn de meest voorkomende en opvallendste resultaten geclusterd opgenomen in de rapportage.

11 De leden van de klankbordgroep zijn: Coby de Graaf (directeur van Centre for Children’s Rights Amsterdam), Ellen Lindeman en Idske de Jong (beiden onderzoeker bij Onder­ zoek, Informatie en Statistiek van de gemeente Amsterdam), Katrien Klep (onderzoeker en universitair docent Jeugdrecht aan de Universiteit Leiden), Maartje Berger (juridisch adviseur Jeugdrecht bij Defence for Children) ondersteund door Charlotte Vanderhilt (projectmedewerker Jeugdrecht bij Defence for Children), Masja Hermans (voorzitter kinderen jongerenrechtswinkel Amsterdam) en Ien van der Waal-Krijbolder (beleidsad­ viseur Jeugd bij de gemeente Utrecht).

40

BIJLAGE 2 KINDERRECHTENKADER DEFENCE FOR CHILDREN Klik hier om naar kinderrechtenkader te gaan

41

BIJLAGE 3 GESPREKSLEIDRAAD KINDERRECHTENSCAN GESPREKSLEIDRAAD KINDER­RECHTEN­ SCAN KINDEREN MET EEN BEPERKING Deze generieke gespreksleidraad is bedoeld als ondersteuning voor de interviewer tijdens de gesprekken met kinderen en jongeren met een beperking over kinderrechten. Tijdens de gesprekken laat de interviewer zich leiden door wat de kinderen en jongeren zelf inbrengen, (de aard van) hun beperking en kunnen onder­staande vragen dienen als checklist (heb ik alle informatie die ik nodig heb?) en voor verdieping (doorvragen).

Onderdelen: Intro: de onderzoeker legt uit: ―

Doel onderzoek/ onderzoeksvragen, privacy/ anonimiteit/ toestemming ouders, wat gebeurt er met de resultaten, agenda voor het gesprek (wat gaan we doen, hoe lang duurt het gesprek?)

1. Kennis over kinderrechten Korte kennisquiz: waar denk jij aan als ik ‘kinderrechten’ zeg?

Dan korte uitleg. Kinderrechtenverdrag is onder te verdelen in 3 grote thema’s: 1. Participatie (wordt er voldoende naar je mening geluisterd, heb je invloed?) 2. Bescherming (ben je goed beschermd tegen gevaren en risico’s?) 3. Voorzieningen (zijn er voldoende goede voorzieningen zodat jij je goed kan ontwikkelen?) 2. Participatie a. Wat wil je hierover vertellen? b. Heb je het gevoel dat er goed naar je geluisterd wordt? (Hoe, wat, waar, met wie, waarom?) c. Geef eens een voorbeeld van dat er echt goed naar je mening is geluisterd. d. Geef eens een voorbeeld van dat er niet goed naar je mening is geluisterd. e. Heb je het idee dat je echt invloed hebt op grote beslissingen in je leven? f. Heb je het idee dat je voldoende informatie hebt over belangrijke beslissingen? g. Heb je het idee dat er over het algemeen goed naar jongeren in Amsterdam wordt geluisterd? 3. Bescherming a. Wat wil je hierover vertellen? b. Door wie word jij het meest beschermd? c. Word je wel eens gediscrimineerd/ gepest/ buitengesloten door je beperking? d. Wat zijn de grootste gevaren of risico’s waar jongeren met een beperking in Amsterdam mee te maken hebben?

42

e. Heb je het idee dat jijzelf voldoende beschermd wordt tegen deze gevaren of risico’s? f. Heb jij het idee dat over het algemeen kinderen met een beperking in Amsterdam voldoende beschermd worden tegen deze gevaren en risico’s? Indien nodig prompts: veilig in de buurt, stad en thuis, beschermd zijn tegen uitbuiting, geweld, onveiligheid 4. Voorzieningen a. Wat wil je hierover vertellen? b. Toegang onderwijs: welke school zit je? c. Hoe ben je op deze school/ in deze voorziening terecht gekomen? En hoe heb je dat ervaren? Zat je eerder op een voorziening voor kinderen zonder beperking? d. Zijn er gebouwen waar jij regelmatig naartoe gaat? Ondervind je belemmeringen bij toegang tot deze gebouwen? Bv. met rolstoel e. Verdere navraag op thema’s als: • dingen te doen in je vrije tijd zoals sport, muziek, hobby’s • openbaar vervoer • plek om te spelen en te zijn • wonen • stage/ bijbaantje • hulp als dingen niet zo makkelijk gaan f. Heb je het idee dat de voorzieningen goed geregeld zijn in Amsterdam voor kinderen met een beperking? 5. Welk cijfer geef jij de stad Amsterdam als stad om in op te groeien?

6. Stel: jij bent burgemeester van Amsterdam. Wat zou jij morgen meteen doen om de stad nog het beter voor kinderen/jongeren te maken? 7. Zijn er nog dingen die je wil vertellen, waar we het nu nog niet over hebben gehad? Bijvoorbeeld wat gaat er heel goed in je leven/ waar ben je blij mee, of wat zou je juist willen veranderen? 8. Afsluiting Bedanken, informeren over wat er met de resultaten gaat gebeuren.

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11755440/1