09012f978054b50a
Tekst van het document
KINDERRECHTENSCAN vervolgonderzoek
(On)beperkt opgroeien in Amsterdam?
januari 2022
INHOUD
1.
INLEIDING
3
8.
WAT VALT NOG MEER OP?
29
2.
SAMENVATTING
5
9.
WAT DOET AMSTERDAM ALLEMAAL AL?
32
3.
OPZET EN UITVOERING
10.
CONCLUSIES EN ADVIEZEN
3.1 3.2
Opzet Gesprekken
8 8 9
10.1 10.2 10.3 10.4
Protectie Participatie Provisie Ten slotte
35 35 35 36 36
4. KINDERRECHTEN VOOR KINDEREN MET EEN BEPERKING
10
5.
PROTECTIE
11. AANBEVELINGEN KINDEROMBUDSMAN VAN AMSTERDAM
37
5.1 5.2
Wat zeggen de kinderen? Wat willen de kinderen?
14 14 16
BIJLAGE 1 WERKWIJZE EN METHODIEK
39
6.
PARTICIPATIE
BIJLAGE 2 KINDERRECHTENKADER DEFENCE FOR CHILDREN
41
6.1 6.2
Wat zeggen de kinderen? Wat willen de kinderen?
18 18 20
BIJLAGE 3 GESPREKSLEIDRAAD KINDERRECHTENSCAN
42
7.
PROVISIE
7.1 7.2
Wat zeggen de kinderen en hun ouders? Wat willen de kinderen?
21 21 28
2
1. INLEIDING
Toen het college van B&W mij in 20191 vroeg
kinderrechtenscan in mei 2020 afgerond zonder
om een kinderrechtenscan uit te voeren was
speciale aandacht voor deze groep. Ik heb wel
het de bedoeling om daarbij speciaal aandacht
gezegd dat ik van plan was om alsnog een
te besteden aan kinderen met een beperking
onderzoek uit eigen beweging (artikel 9:26
of van ouders met een beperking. Het bleek
Algemene wet bestuursrecht) te starten naar
echter lastig om kinderen met een beperking
de naleving van kinderrechten in Amsterdam
te spreken, hun omgeving was vaak bang dat
bij kinderen die opgroeien met een beperking.
een gesprek te belastend voor hen zou zijn.
Dat onderzoek ligt nu voor u. Ik heb mij daarbij
In maart 2020 maakten de coronamaatregelen
beperkt tot de kinderen met een beperking,
het bovendien niet langer mogelijk om de
de groep kinderen die opgroeien bij een ouder
geplande panelgesprekken met grotere groepen
met een beperking is bij dit onderzoek buiten
kinderen uit te voeren. We hebben daarom de
beschouwing gebleven.
In 2019 gaf het OIS aan dat zes procent van de Amsterdamse jeugd behoort tot de meest kwetsbaren. Dat zijn niet allemaal kinderen met een beperking, beperkingen worden niet apart geteld. Een beperking draagt wel bij aan kwetsbaarheid en er zijn volgens OIS dus een kleine 9000 Amsterdamse kinderen kwetsbaar. Hoewel ieder kind en elke jongere zich ontwikkelt op zijn eigen manier, is er iets wat zij allemaal delen. Alle kinderen en jongeren hebben dezelfde rechten. Kinderrechten, die zijn vastgelegd in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind van de Verenigde Naties (IVRK). In deze scan wordt onderzocht hoe de kinderen die leven met een beperking ervaren dat Amsterdam met hun kinderrechten om gaat. Omdat ieder kind zich op zijn eigen manier ontwikkelt zal ik kinderen met een beperking vanaf hier gewoon ‘kinderen’ noemen. Ieder kind zijn eigen ontwikkeling, daar is niets bijzonders of beperkends aan. Toch voelen deze kinderen zich te vaak anders. En dat vinden ze niet fijn. Ook al zeggen sommigen stoer dat als mensen er moeite mee hebben, dat hun probleem is. Kinderen komen ook met oplossingen. Bijvoorbeeld veel meer mogelijkheden voor jonge kinderen om samen buiten te spelen. Of om samen naar school te gaan.
‘Als we met elkaar op school zitten leren we om met elkaar om te gaan. En beperkingen te accepteren.’ (kind) 1 Aansluitend bij het voorstel dat de gemeenteraad op 10 december 2018 aan het college deed om jaarlijks en mensenrechtenscan uit te voeren, te beginnen met een kinderrechtenscan.
3
Kinderen wijzen ons er op dat er heel snel gekeken wordt naar de dingen die je niet kunt.
‘Maar wat heel belangrijk is, is dat men kijkt naar datgene wat je wel kunt en wat je heel goed kunt. En dat je naar die talenten moet kijken. Dan voel je je ook prettiger en voel je je niet anders dan de rest.’ (kind)
Ook deze scan is een momentopname. Er zijn 31 kinderen gesproken. Deze kinderen vertelden vaak ongeveer hetzelfde als de kinderen bij de eerste kinderrechtenscan. Bovendien kwamen er een aantal onderwerpen naar boven die naar mijn mening direct aandacht van de gemeente nodig hebben. Want wat betekent een recht op onder wijs dat moet aansluiten bij de belevingswereld en het leerniveau van een kind2 als de schoolkeuze uiteindelijk bepaald wordt door het al dan niet beschikbaar zijn van leerlingenvervoer? En wat kan de gemeente doen om de feitelijke uitvoering van passend onderwijs te verbeteren, samen met de Amsterdamse samenwerkingsverbanden? Helaas zijn er ook zaken waar de gemeente slechts beperkt invloed heeft. Zoals de omstandigheid dat op cluster 3 scholen zeer moeilijk lerende kinderen de klas moeten delen met kinderen met alleen fysieke beperkingen. Hoewel kinderen zelfs daar voor oplossingen aandragen. Daarvoor verwijs ik naar de volgende pagina’s, waarin ik een beeld hoop te schetsen van de kansen en verwachtingen die deze Amsterdamse kinderen op grond van het IVRK in Amsterdam hebben.
2 Artikel 29 IVRK
4
2. SAMENVATTING
In mei 2020 kwam de Kinderombudsman van Amsterdam op verzoek van het College met de eerste kinderrechtenscan. Daarin werd een algemeen beeld geschetst van de situatie rondom kinderrechten in Amsterdam en werd antwoord gegeven op de vraag of Amsterdamse kinderen krijgen waar zij recht op hebben volgens het Kinderrechtenverdrag (IVRK). Kortom, in hoeverre worden kinderrechten in Amsterdam nageleefd? Geconcludeerd werd dat om te voldoen aan de eisen die het IVRK stelt, aan een drietal aanbevelingen moest worden voldaan: 1. Zorg voor een kindvriendelijke structuur in het bestuur van de stad, 2. Zorg voor een grootschalig informatienetwerk voor en vooral ook door alle kinderen van deze stad, 3. Verander het stelsel van armoedevoorzieningen, samen met diensten als Onderwijs en Jeugd, om te komen tot een eigen pas voor (alle) kinderen; de Amsterdammertje-pas.
Zoals aangegeven was in de eerste kinderrechtenscan geen speciale aandacht voor kinderen met een beperking. Voor, met en over hen is nu deze kinderrechtenscan gemaakt, waarin antwoord wordt gegeven op de vraag in hoeverre de kinderrechten van kinderen met een beperking in Amsterdam worden nageleefd. Naast het IVRK is het VN-Verdrag Handicap voor deze kinderen van belang. Dit verdrag en de daarop gebaseerde regelgeving heeft tot doel om de positie van mensen – en daarmee van kinderen – met een beperking te verbeteren. Amsterdam heeft de verplichtingen uit dit verdrag uitgewerkt in een inclusieagenda en er zijn speerpunten geformuleerd. De vraag is echter in hoeverre kinderen betrokken zijn bij de totstandkoming van deze speerpunten. De Voortgangsrapportage Toegankelijkheid 20203 is gericht op mensen, er is geen bijzondere aandacht voor kinderen. Net als bij de eerste kinderrechtenscan is aangesloten bij het hoofd onderscheid dat binnen het IVRK gemaakt wordt door diverse kinderrechtenorganisaties, de drie P’s: provisie-, protectie- en participatierechten. Kort gezegd gaan provisierechten over voor zieningen die een kind nodig heeft om goed te kunnen leven, zich te kunnen ontwikkelen en om veilig op te groeien. Protectierechten gaan over de gevaren en risico’s waar kinderen tegen beschermd moeten worden.
Participatierechten gaan over het luisteren naar, informeren van en betrekken van kinderen. Defence for Children heeft op basis van het IVRK en het VN- Verdrag Handicap criteria opgesteld waaraan beleid en praktijk moeten
3 Bron Gemeente Amsterdam 2020, zie verder hoofdstuk 9 van deze scan.
5
voldoen om de kinderrechten van kinderen met een beperking te waarborgen. Deze criteria zijn opgenomen in een Kinderrechtenkader (bijlage 2). In de conclusie (hoofdstuk 10) zal dit Kinderrechtenkader worden gebruikt om de resultaten van het onderzoek te duiden in de kinderrechtelijke context. Op deze manier kan worden getoetst in hoeverre de kinderrechten van Amsterdamse kinderen met een beperking worden nageleefd. Uit kinderrechten-oogpunt is het belangrijk om opnieuw te noemen dat alle rechten uit het IVRK voor alle kinderen gelden. Dat volgt immers uit het non-discriminatiebeginsel van het IVRK: alle kinderen hebben dezelfde rechten. Maar kinderen met een beperking blijken soms toch tegen barrières aan te lopen. Het IVRK legt een verplichting op aan ons allen, waaronder aan de stad Amsterdam, om haar kinderen met een beperking een zo normaal en inclusief mogelijk leven te laten leiden. We moeten daarvoor allemaal een stapje extra zetten om die barrières weg te nemen. De ervaringen van de 31 kinderen die we gesproken hebben vormen de kern van het onderzoek. Hun ervaringen zijn uitgebreid in dit rapport opgenomen, met citaten uit de gesprekken die met hen zijn gevoerd. In het kort kan over de protectierechten van kinderen met een beperking worden gezegd dat het daarmee best goed zit.
Met name omdat ouders hun kind goed beschermen en er vaak iemand bij hen is als ze de straat op gaan. De kinderen geven hier onder andere over aan dat er meer bewustwording moet komen over kinderen met een beperking, om buitensluiting tegen te gaan en om meer begrip te krijgen.
Ook met de participatierechten van kinderen met een beperking zit het over het algemeen wel goed. De verhalen die zij daarover vertellen zijn niet anders dan in de Kinderrechtenscan uit 2020 vermeld. Hun mogelijkheden tot participatie komen voornamelijk tot uiting in hun directe omgeving, zoals door leerlingenraden op school en omdat hun ouders goed naar hen luisteren en voor hen opkomen. Maar participeren blijft een vaag begrip, ook voor deze kinderen. Zij worden vaak niet betrokken bij de totstandkoming van beleid en de uitvoering in de praktijk, zoals bij de inrichting van de openbare ruimte. Daarnaast blijft het lastig voor deze kinderen om hun stem te laten horen, zeker als het gaat om zaken die verder van hen af liggen. Daarbij speelt de aard van de beperking ook een rol; soms zijn de kinderen simpelweg niet in staat om letterlijk hun stem te laten horen of kunnen zij door anderen moeilijk worden verstaan. Dan moeten wij dus luisteren naar diegenen die namens hen spreken. Op het gebied van provisie is er al veel gedaan, maar is er ook nog veel te doen om barrières weg te nemen. Kinderen geven aan dat zij op het gebied van inclusief onderwijs, vervoer, meer en toegankelijkere speel-, sport- en recreatiemogelijkheden en huisvesting nog veel belemmeringen ondervinden. Met name de wens tot inclusief onderwijs sprong er uit.
Vrijwel alle kinderen gaven aan dat ze veel liever samen naar school gaan met kinderen zonder een beperking. In hun ogen leidt dat tot meer acceptatie van kinderen met een beperking, waardoor zij niet als anders dan de rest worden gezien. Iets dat voor alle kinderen erg belangrijk is.
Deze kinderrechtenscan sluit af met een
Leerlingenvervoer beperkter interpreteren dan
aantal aanbevelingen:
nodig is, waardoor ouders een andere school kiezen of zelfs geen leerlingenvervoer aanvragen
1. De gemeente dient een aanjagende rol
(aansluitend bij speerpunt 6 en Actiepunt
te spelen op het gebied van het vorm
Voortgangsrapportage Toegankelijkheid).
geven van meer inclusief onderwijs
De mogelijkheden voor Leerlingenvervoer, AOV
samen met de Samenwerkingsverbanden
en vervoer op basis van landelijke regelgeving
(aansluitend bij speerpunt 6 en Actiepunt
zouden op elkaar aan moeten sluiten;
Voortgangsrapportage Toegankelijkheid);
4. Kinderen en jongeren met een beperking
2. De gemeente kan zo’n aanjagende rol
moeten betrokken worden bij de inrichting
effectueren door schoolgebouwen te realiseren
van de openbare ruimte in Amsterdam,
die inclusief onderwijs mogelijk maken, dus meer
zoals speeltuinen, OV-aangelegenheden,
vierkante meters voor ondersteuning en zorg,
zwembaden ed. (aansluitend bij
toegankelijk voor leerlingen en ouders met een
speerpunt 1, 2, 5 en 10 en Actiepunt
beperking. Daarmee worden de Samenwerkings
Voortgangsrapportage Toegankelijkheid);
verbanden uitgedaagd om geld vrij te maken
5. Bij de totstandkoming van en inspraak in
om schoolbesturen in staat te stellen daad
gemeentelijk beleid en verordeningen, moet
werkelijk iets te doen: Samen naar schoolklassen
expliciet aandacht worden besteed aan
en vergelijkbare initiatieven opzetten. Als het
kinderen en jongeren met een beperking.
gebouw er staat is er geen goede reden meer om
Betrek hen onder meer bij de totstandkoming
het niet te gebruiken;
van de Voortgangspunten Toegankelijkheid
3. De verschillende mogelijkheden om zich door de
en de criteria over toewijzing van rolstoel
stad te verplaatsen verdienen meer aandacht.
woningen in de Huisvestingsverordening
De mogelijkheden van de OV-coach en het
(speerpunt 1, 2, 5 en 10 en Actiepunt
bestaan van de AOV-pas voor aanvullend vervoer
Voortgangsrapportage Toegankelijkheid);
zijn onvoldoende bekend. Het blijkt dat scholen
6. Maak een digitale routekaart voor (ouders van)
zelf in hun voorlichting het criterium dichtst
kinderen met een beperking op het gebied
bijzijnde passende school in de verordening
van zorg en respijtzorg (zoals logeerhuizen),
6
voorzieningen inclusief maatjestrajecten en ervaringsdeskundigen, de mogelijkheden voor vervoer (zoals leerlingenvervoer, AOV en ook de OV-coach), sport en het Amsterdamse Sportloket en best practices, ook voor de over gang naar 18+. Houd daarbij rekening met de verschillende regelingen die voor deze kinderen van toepassing kunnen zijn, op basis van de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg, de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke onder
Ik hecht er aan om hierbij aan te geven dat er voor mensen met een beperking in Amsterdam (al) veel wordt gedaan. En ook veel op stapel staat, zo blijkt bijvoorbeeld uit de speer- en actiepunten Toegankelijkheid die de gemeente heeft geformuleerd.4 De aanbevelingen moeten dan ook in dat licht worden gezien, ze sluiten eigenlijk aan bij de acties en voornemens die er al zijn om de positie van mensen met een beperking te versterken en om iedereen een zo fijn en inclusief mogelijk leven te laten leiden in Amsterdam. Het is alleen wel zaak om bij alle voornemens die er zijn kinderen met een beperking niet uit het oog te verliezen. Zij moeten expliciet worden betrokken bij vraagstukken over toegankelijkheid en inclusiviteit. Daarmee krijgen ze een stem en dragen zij zelf bij aan die inclusiviteit. Zij verdienen het dat wij allemaal een stapje extra voor hen zetten.
steuning. Deze digitale routekaart dient steeds beschikbaar te zijn en kan door ambtenaren, cliëntondersteuners etc waar nodig worden toegelicht (aansluitend bij speerpunt 8 en Actie punt Voortgangsrapportage Toegankelijkheid); 7. Besteed bij de uitwerking van de aanbevelingen uit de Kinderrechtenscan van mei 2020 expliciet aandacht aan kinderen en jongeren met een beperking.
4
Zie daarvoor hoofdstuk 9 van deze kinderrechtenscan.
7
3. OPZET EN UITVOERING
3.1 OPZET Het doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in de wijze waarop en mate waarin kinderen, jongeren en ouders van kinderen met een beperking ervaren dat hun rechten zoals neergelegd in het IVRK en VN-Verdrag Handicap in Amsterdam gestalte krijgen, om vervolgens verbeterpunten op te stellen. De gemeente kan met deze informatie een onderbouwd actieplan opstellen om de naleving van kinderrechten voor kinderen met een beperking in de stad te verbeteren. Een dergelijk actieplan kan aansluiten bij de speerpunten die al in de lokale inclusieagenda worden genoemd. Het onderzoek naar Amsterdamse kinderen met een beperking gaat over de ervaringen van deze kinderen en jongeren met opgroeien in Amsterdam. Een aantal respondenten was net ouder dan 185, maar wat zij vertelden over opgroeien in Amsterdam is de laatste jaren niet veranderd. Als we in dit onderzoek spreken over kinderen bedoelen we daarmee deze hele groep. Het onderzoek is specifiek gericht
5 De oudste respondent was 21 op het moment van het gesprek
op kinderen met een beperking in de breedste zin van het woord. Denk hierbij aan kinderen met een (licht) verstandelijke beperking, lichamelijke beperking, psychiatrische aandoening, somatische aandoening of meervoudige beperkingen.
In het jaar 2020/2021 gingen in Amsterdam bijna 4.600 kinderen of jongeren met een beperking naar het speciaal onderwijs, waarvan 1247 in het speciaal basis onderwijs en 3329 kinderen in (voortgezet) speciaal onderwijs, cluster 1 t/m 4. (Bron: OIS, De Staat van de Stad Amsterdam 2020-2021) We hebben beoogd een dwarsdoorsnede van Amsterdam na te streven door verdeeld over de stad kinderen met een beperking op te zoeken. Hoewel er oog is voor de omvang van het scala aan mogelijke beperkingen, is in de zoektocht bewust geen onderscheid gemaakt op grond van het soort beperking. Dit achten wij ook niet nodig, alle kinderen die wij spraken noemden barrières in hun leven waar andere kinderen geen last van hebben. Om hun kinderrechten te waarborgen is voor hen dus iets extra’s nodig. In het onderzoek is aandacht besteed aan de verschillende domeinen waarmee kinderen met een beperking te maken hebben, zoals regulier of speciaal onderwijs, sport-, spel-, en recreatiemogelijkheden en hun woonomgeving. Vergelijkbaar met de methodiek die toegepast is in de eerste Kinderrechtenscan, is in de structuur van dit onderzoek aansluiting gezocht bij het hoofdonderscheid dat binnen het IVRK gemaakt wordt door diverse kinderrechtenorganisaties,
8
de zogenoemde drie P’s: provisie-, protectie- en participatierechten. Ook is er inhoudelijk verbinding gemaakt met het aanvullend kinderrechtenkader van Defence for Children (bijlage 2) en de inclusie-agenda van de Gemeente Amsterdam, die speerpunten bevat over toegankelijkheid.
ONDERZOEKSVRAGEN De hoofdvragen van het onderzoek luiden: 1. Hoe ervaren kinderen, jongeren en ouders van kinderen met een beperking het opgroeien en opvoeden in Amsterdam vanuit het normatieve perspectief van het IVRK en het VN-Verdrag Handicap? 2. Wat zijn actie- en verbeterpunten voor beleid en praktijk?
3.2 GESPREKKEN Er zijn gesprekken gevoerd met kinderen, zowel individueel als in groepsverband. Zo is bijvoorbeeld met een leerlingenraad van een school voor (middelbaar) speciaal onderwijs gesproken. De gesprekken vonden live plaats, of via Teams vanwege de coronabeperkingen. Er zijn totaal 31 kinderen gesproken, waarvan 12 kinderen in individuele gesprekken en met totaal 19 kinderen in vier groepsgesprekken. In een aantal gevallen zaten ouders bij de gesprekken met hun kinderen en ondersteunden zij hun kinderen of vulden hen aan. Daarnaast zijn zeven ouders zonder hun kinderen gesproken over hun ervaringen met de beperking van hun kind en waar hun kind bij het opgroeien tegenaan loopt. Ook zijn er negen interviews geweest met professionals van organisaties die met Amsterdamse kinderen met een beperking werken en met ambtenaren die bezig zijn met onderwerpen die deze kinderen aangaan6. Tenslotte is gesproken met de directies Onderwijs en Jeugd en met de beide Samenwerkingsverbanden (PO en VO). Er is voorafgaand aan de gesprekken één keer gesproken met de klankbordgroep over de opzet van het onderzoek.
6 Voor een nadere beschrijving van de opzet en werkwijze wordt verwezen naar bijlage 1 van deze kinderrechtenscan.
9
4. KINDERRECHTEN VOOR KINDEREN MET EEN BEPERKING Als kinderombudsman van Amsterdam en
Verwelkomen we ze, als ze moeten vluchten uit
als kinderrechter zie ik in de praktijk dat
hun eigen land? Krijgen ze wat ze nodig hebben
kinderrechten op een aantal manieren worden
en gebeurt dat zonder vertraging en wachttijden?
gebruikt. Kinderrechten moeten de basis zijn
En zorgen we voor inclusief onderwijs, waarin
voor gemeentelijk beleid dat over kinderen gaat,
kinderen vanuit allerlei achtergronden met én
maar ze worden ook gebruikt in rechtszaken
zonder beperkingen samen spelen, werken en
waarbij kinderen betrokken zijn, zoals in zaken
leren? Kinderrechten geven ons het antwoord op al
over de lange wachtlijsten in de (specialistische)
die vragen. In het licht van de drie P’s komt het in
jeugdzorg. Het is toe te juichen en hard nodig dat
de kern hierop neer: we moeten voor onze kinderen
kinderrechten steeds meer deel gaan uitmaken van
zorgen, we moeten ze beschermen en we moeten
het dagelijks leven in de stad. Het allerbelangrijkste
naar hun mening luisteren en die serieus nemen.
vind ik dat kinderrechten als een pedagogische
Die verplichting hebben we naar ál onze kinderen,
leidraad worden gezien. Zowel door de (lokale)
mét of zonder beperking. Maar degenen mét een
beleidsmakers, als door ouders of professionals
beperking zijn extra kwetsbaar. Als gemeente
die met kinderen werken. Kinderrechten geven
moeten we daarom extra ons best doen om hen
namelijk aan hoe we in ons land, in onze stad,
een zo normaal en inclusief mogelijk leven te laten
met onze kinderen zouden moeten omgaan.
leiden. Dat zijn we aan hen verplicht.
Alle kinderen hebben rechten. Deze rechten staan beschreven in het IVRK. Alle rechten uit het IVRK gelden ook voor alle kinderen met een beperking. Dat volgt immers uit het non-discriminatiebeginsel van het IVRK: alle kinderen hebben dezelfde rechten. Maar kinderen met een beperking blijken soms toch tegen barrières aan te lopen. Om die reden is in het IVRK een bepaling opgenomen die specifiek gaat over hun rechten. Uit dat artikel volgt dat kinderen met een beperking een volwaardig en behoorlijk leven moeten kunnen leiden. Dat brengt met zich mee dat de samenleving als geheel inclusiever ingericht moet worden, zodat alle kinderen echt mee kunnen doen. Maar de praktijk leert dat kinderen met een beperking vaak meer moeite hebben om dezelfde dingen te doen als kinderen zonder beperking. Amsterdam moet daarom als het ware een stapje extra zetten voor kinderen met een beperking, zodat zij dezelfde dingen kunnen doen, van dezelfde voorzieningen gebruik kunnen maken en dezelfde rechten kunnen uitoefenen als kinderen zonder beperking. Ook in het VN- Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (hierna: VN-Verdrag Handicap) staan artikelen die gaan over kinderen met een beperking.
Uit die artikelen volgt onder andere dat Nederland maatregelen moeten treffen om uitsluiting van kinderen op basis van een beperking tegen te gaan en dat de beperking geen belemmering mag vormen voor participatie van kinderen. Voor deze kinderrechtenscan is, net als bij de eerste kinderrechten scan, aangesloten bij de drie P’s van het IVRK: Participatie, Provisie en Protectie. Defence for Children heeft op basis van het IVRK en het VN- Verdrag Handicap criteria uitgewerkt waaraan beleid en praktijk moeten voldoen om de participatie-, provisie-en protectierechten van
10
kinderen met een beperking te waarborgen. Deze criteria zijn in kaders opgenomen in de tekst, samen met de meest relevante artikelen uit het IVRK en VN-Verdrag Handicap. Het uitgebreide Kinderrechtenkader is als bijlage 2 bij dit rapport gevoegd. In de conclusie (zie hoofdstuk 10) zullen deze criteria worden gebruikt om de resultaten van het onderzoek te duiden in de kinderrechtelijke context. Op deze manier kan worden getoetst in hoeverre de kinderrechten van Amsterdamse kinderen met een beperking worden nageleefd.
In het licht van de artikelen uit het IVRK en VN-Verdrag Handicap over participatie heeft Defence for Children onder andere de volgende criteria opgesteld voor beleid en praktijk: •
om hun mening te geven over zaken die hen aangaan en aan hun mening wordt passend
Participatie Participatierechten zijn rechten die gaan over het luisteren naar, informeren van- en betrekken van kinderen. Kinderen moeten hun mening kunnen geven over zaken die hen aangaan afhankelijk van hun leeftijd en ontwikkeling. In artikel 12 IVRK is vastgelegd dat ieder kind het recht heeft om zijn mening te geven over alle zaken die het kind aangaan. Bij de beoordeling van de belangen van het kind dient ook rekening te worden gehouden met de kwetsbare situatie waarin het kind zich bevindt, zoals een kind met een beperking. Een kind dient in de gelegenheid te worden gesteld zijn mening te geven, er moet serieus naar worden geluisterd en er dient passend belang aan te worden gehecht. Het uitgangspunt is dat ieder kind in staat is om zijn mening te uiten, ongeacht zijn leeftijd. De leeftijd mag wel worden betrokken bij het gewicht dat aan de mening van het kind wordt gehecht. Ook op grond van artikel 7 lid 3 VN-verdrag Handicap hebben kinderen met een beperking het recht om hun opvattingen over alle aangelegenheden die hen betreffen te uiten, waarbij gelijk met andere kinderen en in overeenstemming met hun leeftijd en ontwikkeling naar behoren rekening wordt gehouden met hun opvattingen. Zij dienen bij hun beperking en leeftijd passende ondersteuning te krijgen om dat recht te realiseren. Daarbij geldt dat hun belang de eerste overweging is.
Kinderen met een beperking hebben het recht
belang gehecht overeenkomstig hun leeftijd en rijpheid. •
Gemeenten en uitvoering hebben een belang rijke taak om participatie van kinderen met een beperking mogelijk te maken en hen de daarbij benodigde ondersteuning te bieden.
•
Kinderen met een beperking krijgen infor matie op een voor hen toegankelijke en geschikte manier.
•
Voor kinderen met een beperking worden procedures vastgesteld om te kunnen participeren.
•
De gemeente dient ervoor te zorgen dat kinderen met een beperking beschikken over communicatiemiddelen waarmee zij hun mening makkelijker kunnen uiten.
•
Gemeenten betrekken kinderen met een beperking bij het opstellen, uitvoeren en evalueren van beleid.
11
Provisie Provisierechten zijn rechten die gaan over wat een kind nodig heeft om goed te kunnen leven, zich te kunnen ontwikkelen en om veilig op te groeien. Zoals het recht op een veilige plek om op te groeien, het recht op onderwijs, gezondheidszorg en ruimte om te spelen. Er moeten passende maatregelen worden genomen om de actieve deelneming van kinderen met een beperking aan de gemeenschap te realiseren. Voorzieningen dienen gericht te zijn op een zo maximaal mogelijke inclusie van kinderen met een beperking en het bevorderen van hun zelfstandigheid, zo volgt uit de artikelen 2 en 23 IVRK en artikel 7 lid 1 VN-Verdrag Handicap. Kinderen met een beperking moeten dus van dezelfde voorzieningen gebruik kunnen maken als kinderen zonder een beperking. Hierbij gaat het onder meer om het recht op gezondheid en gezondheidszorg (artikel 24 IVRK en 25 VN- Verdrag Handicap), het recht op onderwijs (artikel 24 lid 2 sub a en 8 lid 2b VN- Verdrag Handicap) en het recht op vrije tijd, spel en recreatie (artikel 31 IVRK en 30 VN- Verdrag Handicap).
In het licht van de artikelen uit het IVRK en VN-
•
De gemeente zorgt er, in samenwerking met
Verdrag Handicap over provisie heeft Defence
de overheid, voor dat gezondheidszorg toe
for Children onder andere de volgende criteria
gankelijk en betaalbaar is met aandacht voor
opgesteld voor beleid en praktijk:
preventie. Daarbij zijn er gerichte regelingen
•
Kinderen met een beperking hebben recht op
voor de specifieke behoeften van kinderen met
extra ondersteuning en zorg.
een beperking.
•
•
De gemeente is verantwoordelijk voor de toe
de behoeften van jongeren met een beperking
beperking gericht op het vergemakkelijken van
doorlopen of worden overgenomen door nieuwe
actieve deelname aan de samenleving.
zorgverleners op het moment dat zij achttien
Maatregelen die de gemeente neemt zijn gericht
jaar worden. •
De gemeente en uitvoering waarborgen
kinderen met een beperking.
effectieve toegang tot het (inclusief) onderwijs,
Openbaar vervoer is waar mogelijk veilig,
waarbij de nodige aanpassingen worden gedaan
gemakkelijk toegankelijk en kosteloos, rekening
en leraren worden voorbereid op het lesgeven
houdend met de financiële middelen van de
aan allerlei kinderen.
ouders of anderen die zorgen voor kinderen met •
Gemeenten en uitvoering zorgen ervoor dat
gang tot hulp op maat voor kinderen met een
op een zo maximaal mogelijke inclusie van •
•
•
Gemeenten en uitvoering zorgen ervoor dat
een beperking.
kinderen met een beperking op voet van gelijk
Openbare gebouwen zoals scholen, winkel
heid met andere kinderen toegang hebben tot
gebieden dienen noodzakelijke aanpassingen
spel-, recreatie-, sport- en vrijetijdsactiviteiten,
te ondergaan die ze zo toegankelijk
met inbegrip van het gewone schoolsysteem.
mogelijk maken.
Maar ook om deel te nemen aan culturele en kunstzinnige activiteiten en samen te kunnen spelen. Onder meer door bewustmaking van volwassenen en leeftijdgenoten.
12
Protectie Protectierechten zijn rechten die gaan over de gevaren en risico’s waar kinderen tegen beschermd moeten worden. Zoals het recht op bescherming tegen mishandeling, uitbuiting en geweld. Artikel 23 IVRK beschrijft dat kinderen met een beperking extra zorg en ondersteuning nodig hebben. Zij kunnen het best opgroeien in hun eigen gezinsomgeving, waarbij de nodige ondersteuning wordt geboden, zo volgt ook uit de artikelen 9 IVRK en 23 VN-Verdrag Handicap. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor de kwetsbaarheid van kinderen met een beperking en de grotere kans die zij lopen om slachtoffer te worden van misbruik en geweld. Waar mogelijk dienen alle benodigde maatregelen genomen te worden ter voorkoming van misbruik en geweld tegen kinderen met een beperking. Een veilige omgeving is extra belangrijk voor opgroeiende kinderen met een beperking. Voor veel kinderen geldt dat zij zich wel eens onveilig voelen, maar kinderen met een beperking lopen een extra risico slachtoffer te worden van pesten, (seksueel) misbruik, verwaarlozing, intimidatie, geweld of uitbuiting. Geweld kan zich voordoen in de speeltuin, de wijk, op school en ook thuis. Belangrijk is dat kinderen en jongeren weten waar en bij wie ze terecht kunnen.
Staten en specifiek de gemeente hebben een belangrijke taak om passende maatregelen te treffen, volgend uit de artikelen 19, 32 t/m 36 en 38 IVRK en artikel 16 lid 5 VN-Verdrag Handicap.
In het licht van de artikelen uit het IVRK en VN-
belangrijke taak in het bieden van extra waar
Verdrag Handicap over protectie heeft Defence
borgen om te zorgen voor een veilige omgeving
for Children onder andere de volgende criteria
voor kinderen met een beperking.
opgesteld voor beleid en praktijk: •
De stem van kinderen met een beperking wordt
Gemeenten zorgen ervoor dat kinderen met
betrokken bij de ontwikkeling, het toezicht en de
een beperking in hun eigen gezinsomgeving
beoordeling van de maatregelen ter voorkoming
opgroeien en bieden ouders en verzorgers de
van geweld.
benodigde ondersteuning om dit te realiseren,
•
Kinderen met een beperking die slachtoffer
waaronder voorlichting, psychologische onder
worden van geweld en andere vormen van
steuning, les in een gezamenlijk te gebruiken
verwaarlozing en mishandeling, krijgen
taal, materiële ondersteuning, ondersteuning
passende zorg en bijstand.
thuis en respijtzorg. •
•
•
Extra aandacht is nog voor kinderen en jongeren
De gemeente en uitvoering hebben aandacht
met een beperking in armoede of die dakloos
voor de kwetsbare positie van kinderen met
(dreigen te) raken.
een beperking en nemen alle benodigde maat regelen ter voorkoming van misbruik en geweld. •
Gemeenten en uitvoerende partijen hebben een
13
5. PROTECTIE
Protectierechten zijn rechten die gaan over de gevaren en risico’s waar kinderen tegen beschermd moeten worden. Zoals het recht op bescherming tegen mishandeling, uitbuiting en geweld. Over protectierechten werden - onder andere - de volgende vragen aan kinderen en jongeren gesteld: • • • • •
Wat wil je hierover vertellen? Wie beschermt jou? Heb je het idee dat jij extra kwetsbaar bent vanwege je beperking? Heb je het idee dat jij wordt gepest met of vanwege je beperking? Heb jij het idee dat over het algemeen kinderen en jongeren in Amsterdam met een beperking voldoende beschermd worden tegen gevaren en risico’s?
5.1 WAT ZEGGEN DE KINDEREN?
Veel kinderen en jongeren geven aan zich over het algemeen veilig te voelen. Vrijwel altijd geven zij aan, net als bij de eerste kinderrechtenscan, dat het hun ouders zijn die hen beschermen en door wie zij zich veilig voelen. Van belang is hier ook dat kinderen en jongeren aangeven dat er vrijwel altijd iemand bij hen is als ze de straat op gaan. Omdat ze bijvoorbeeld in een rolstoel zitten, of moeilijker lopen en hulp nodig hebben. Zo komen zij dus bijna niet in hun eentje in gevaarlijke situaties terecht, of in contact met mensen door wie ze zich onveilig voelen. Het gevoel van veiligheid wordt dus voornamelijk bepaald door de bescherming van hun ouders en andere familieleden, zoals broertjes of zusjes. Ook door andere personen die dichtbij hen staan, zoals ingeschakelde PGB-ers of vertrouwenspersonen op school, voelen ze zich beschermd en veilig.
‘Ik word beschermd door m’n moeder. En door mijn zusje. Mijn zusje is overbezorgd. Daarom was het ook beter dat ze op een andere school zat.’ (kind)
‘Ze wordt constant begeleid door haar begeleider op school, je kan haar niet alleen laten. Ze is heel simpel. Als iemand zegt: kom met me mee, dan gaat ze mee. Ik laat haar ook nooit alleen. Ze is heel beschermd opgevoed. Mijn grootste zorg is, als zij vermist raakt, en je gaat naar politie, dan wordt er gereageerd alsof ze een 19-jarige is. Er wordt niet gekeken naar ontwikkelingsleeftijd.’ (ouder)
‘Op het speciaal onderwijs is gewoon een beschermd gevoel. Als je binnenkomt staat er iemand. Bij het weggaan staat er een juf en de directeur staat altijd buiten, als je binnenkomt zegt directeur altijd gedag.’ (kind)
a. Algemeen Er is over verschillende onderwerpen gesproken met kinderen en jongeren die het thema protectie betreffen. Naast hun gevoel van veiligheid in algemene zin, vertelden zij over specifieke zaken omtrent veiligheid en je beschermd voelen, ook in relatie tot hun beperking.
‘Ik word ook beschermd door de PGB’ers die ik heb. Door de jaren heen is het een soort familie geworden.’ (kind)
14
De meeste kinderen geven aan zich niet extra kwetsbaar te voelen door hun beperking, maar vinden het wel heel vervelend als ze worden aangestaard op straat. Dat overkomt hen veel, zo geven ze aan.
De meest besproken situaties waarin gevoelens van onveiligheid worden ervaren worden in de komende paragrafen beschreven.
‘Volgend jaar ga ik naar de middelbare school in
wat er mis was met die man, dat was raar.’ (kind)
b. Zelfredzaamheid
evenwicht en kan ik van mijn fiets vallen. Daarom mag ik van mijn moeder niet langs het Museum
‘Het is voor mij in Amsterdam gevaarlijker om te
Het zijn met name de ouders die aangeven dat er weinig projecten zijn op het gebied van (sociale) zelfredzaamheid voor hun kind met een beperking. De ouders geven aan dat het goed zou zijn als de kinderen en jongeren vaardigheden zouden leren waarmee ze zich in allerlei situaties kunnen redden. Ook met het oog op het moment dat ze het huis uit gaan en zichzelf moeten zien te redden in het leven en in de samenleving. In dat kader geven ouders aan dat zij beschermd wonen voor jongvolwassenen in Amsterdam als een groot probleem ervaren, er is te weinig aanbod.
‘Er was ook iemand die opeens over mijn hoofd aaide en “tjoeketjoeke treintje” zei. Ik vroeg mij af
fietsen dan om de tram of metro te nemen. Maar dat heeft er ook mee te maken dat je aan mij niet ziet dat ik een beperking heb, mijn CI’s (implantaten om te horen) zijn niet zichtbaar.’ (kind)
die weg kunnen rennen. Bijvoorbeeld je komt iemand op straat tegen en die pakt je vast bij je rolstoel. En normale kinderen die kunnen lopen die kunnen wegrennen. En ik kan dat niet.’ (kind)
plein fietsen, want daar is het heel druk. Dus dan fiets ik eerst naar tram 5 en dan neem ik de tram naar school. Dat vind ik wel irritant.’ (kind)
‘Ik ben eigenlijk nu heel blij dat ik doof ben. Als ik
‘Ik zeg vaak, laat me even zelfstandig zijn. Ik vraag
heel moe ben, kan ik namelijk mijn CI’s uitzetten en
hulp als ik nodig heb.’ (kind)
dan hoor ik niks meer. Dat is heel rustig en kan ik me veel beter op dingen concentreren. ’ (kind)
Ook geven kinderen aan dat de stad gevaarlijker is voor kinderen met een beperking dan voor kinderen die snel weg kunnen rennen.
‘De stad is voor mij gevaarlijker dan voor kinderen
Zuid. Maar omdat ik doof ben heb ik last van mijn
Kinderen zelf geven aan dat deelname aan het OV een obstakel voor hen is. Zij ervaren dat het voor hen vaak lastig is om zelfstandig aan het OV deel te nemen. Op de vraag of zij bekend zijn met de OV-coach die hen daarbij kan helpen, antwoorden zij vrijwel allemaal ontkennend. Ook ouders lijken weinig bekend te zijn met de OV-coach. De OV-coach kan hun kind zelfstandig leren reizen met het OV, de fiets of lopend van bijvoorbeeld huis naar school, of van een sportclub naar huis. Hoewel ouders aangeven dat zij hun kind graag zelfredzaam(er) en zelfstandig(er) maken (ook op weg naar volwassenheid) is het niet ondenkbaar dat het voor ouders van kinderen met een beperking moeilijk is om de zorg voor hun kind los te laten.
‘Het grootste gevaar buiten op straat is dat mensen nu meer schijt aan je hebben. Mensen denken eerst
c. Pesten en buitensluiten Op de vraag of kinderen het gevoel hebben dat ze worden gepest met of vanwege hun beperking, geven de meeste kinderen aan dat ze dat gevoel niet hebben. Ze zeggen dat iedereen op het speciaal onderwijs een vorm van beperking heeft, dus dat het daardoor wel zal komen dat er niet wordt gepest. Kinderen vertellen wel over pesten toen ze (nog) op het regulier onderwijs zaten. Het valt op dat pesten of buitensluiten vaker wordt genoemd door oudere kinderen/ jongeren met een verstandelijke beperking, bijvoorbeeld tijdens een stage of bijbaantje.
‘Nee, niet mee gepest. Maar wel mee buiten
aan zichzelf en dan pas aan een ander.’ (kind)
gesloten.’ (kind)
15
‘Nee op school wordt hier niet gepest, je bent gewoon even. Je kunt elkaar niet pesten, want iedereen heeft iets.’ (kind)
‘Ik zou willen dat er wat beter wordt gelet op kinderen die het moeilijk hebben.’ (kind)
d. Verkeer Kinderen en jongeren geven aan over het algemeen niet bang te zijn in het verkeer, of zich onveilig te voelen. De meest genoemde gevaarlijke situaties door kinderen is dat er te hard wordt gereden in Amsterdam en dat er door rood wordt gereden. Maar dit lijkt geen gevoel van onveiligheid met zich mee te brengen. Ook hier zal meespelen dat er vaak ouders of een begeleider bij hen is als de kinderen deelnemen aan het verkeer. Kinderen in een rolstoel geven aan dat er vaak stoeptegels losliggen, waardoor het lastig voor hen is om gemakkelijk met een rolstoel op of een stoep te komen of er weer vanaf. Ook levert dit wel eens gevaarlijke situaties op, zeggen ze.
‘Ik vind dat pesten gewoon verboden moet worden
5.2 WAT WILLEN DE KINDEREN? Aandacht en bewustwording Aandacht voor en bewustwording over kinderen met een beperking wordt meerdere malen door de kinderen genoemd om gevoelens van onveiligheid, buitensluiten of pesten te voorkomen of te verminderen. De kinderen geven aan dat er meer aandacht moet komen voor kinderen met een beperking. Op die manier komt er meer begrip voor hen en worden minder buitengesloten of raar aangekeken op straat. Als oplossing hiervoor noemen heel veel kinderen om klassen of scholen te mixen met kinderen met en zonder beperking7. Zij hebben het gevoel dat het speciaal onderwijs in stand houdt dat er “anders” naar hen wordt gekeken, omdat er weinig contact is tussen kinderen met en kinderen zonder beperking.
in NL. En discriminatie moet ook verboden
‘Ik voel me op straat in het dorp waar mijn vader
worden. Oorlog ook. Daklozen moeten huizen
woont niet veiliger dan hier. Maar als je hier 1x hou
krijgen. En als oorlog niet stopt en pesten ook niet,
je bek zegt… mensen zijn agressiever en grof
dan vind ik dat ze een boete moeten krijgen van
gebekter. En mondiger.’ (kind)
gewoon moeten vragen waarom ik zo loop.’ (kind)
‘De gemeente Amsterdam zou overal de hoge
‘Eigenlijk wordt een rolstoel gelinkt aan het idee
‘Mensen staren me eerst 3 minuten aan en dan kijk je ze aan en dan kijken ze gelijk weg. Ze zouden
800 euro ofzo.’ (kind)
In regulier onderwijs zie je ook gewoon dat mensen
stoepen moeten aanpassen voor iedereen die last
direct worden uitgescholden als ze in een rolstoel
heeft van een hoge stoep.’ (kind)
zitten. Rolstoelmensen moeten gelijk zijn als jezelf,
dat je een verstandelijke beperking hebt. En dat is stom. Want het werkt hieronder bij mijn benen niet helemaal goed, maar ik ben hartstikke slim. ’ (kind)
kinderen zijn toch gewoon hetzelfde.’ (kind)
7 Inclusief onderwijs komt in hoofdstuk 7 over Provisie uitgebreid aan bod.
16
‘Het is iets speciaals. Als mensen er moeite mee
‘Vroeger durfde ik dingen niet te vragen. Toen heb
‘Volgens mij wordt het allemaal wel gewoon
hebben, dan is het hun probleem.’ (kind)
ik training gehad dat het goed is om dingen te
redelijk geregeld. Maar ik ben gewoon niet echt
vragen. Normale dagelijkse dingen gaan nu best
gelukkig qua sociaal. Het gaat mij niet om de
makkelijk. Nu werk ik al 3 jaar bij AH. Het is gelukt
zakelijke dingen zoals goed onderwijs, dat gaat
met mijn doorzettingsvermogen.’ (kind)
namelijk allemaal heel erg goed, maar het is echt
‘In de speeltuin speelden de kinderen uit de buurt,
het sociale dat ik mis.’ (kind)
dan maakten ze ruimte op de vogelnestjes schommel. Bij een speeltuin begint het dat ze zich normaal voelen. Dat het niet twee werelden
‘Wat ik tegen mijn jongere zelf zou zeggen:
zijn.’ (kind)
je hoeft niet zo onzeker te zijn over dat mensen je
‘Ik neem geen OV, maar ik wil het wel oefenen.
niet begrijpen.’ (kind)
Mijn zus springt gewoon op de fiets en die is bij haar vrienden. Voordat ik mijn vrienden kan zien duurt dat heel lang.’ (kind)
Trainingen Andersom geldt ook dat met name jongeren met een verstandelijke beperking aangeven dat bewustwording bij henzelf over hun eigen beperking en/of problematiek hen erg heeft geholpen. Om zelf minder boze of verwarrende gevoelens te hebben, maar ook in hun relaties met anderen. Zoals in de relatie met hun ouders of met vrienden. Daarbij noemen zij onder andere agressieregulatie-training, om beter om te gaan met boze gevoelens en mediation, om vervelende situaties beter met anderen te kunnen bespreken en het niet op ruzie uit te laten draaien.
‘Mediation was voor mij heel belangrijk. Om goed met elkaar te leren praten. Dat heb je niet op alle scholen.’ (kind)
‘We hebben een sociaal emotioneel vak op school om te kijken wat je sterke en minder sterke punten zijn en hoe je dingen samen kan oplossen.’ (kind)
‘Ik heb pijn en hoofdpijn. Maar als ik met vrienden ben, vergeet ik mijn hele beperking.’ (kind)
Maatjes Kinderen geven aan hun PGB-er ook vaak als maatje te zien, met wie ze leuke dingen doen, zoals naar de McDonalds gaan. Andere kinderen geven aan best een maatje of buddy te kunnen gebruiken, die hen bijvoorbeeld helpt met dingen te ondernemen. Zij geven aan dat zij niet weten of die er zijn in Amsterdam. Zeker op het gebied van het vergroten van zelfstandigheid en zelfredzaamheid zou dat kinderen met een beperking enorm helpen, zo geven zowel kinderen als hun ouders aan. De OV-coach die kan helpen om zelfstandig deel te nemen aan het verkeer zou voor veel kinderen en jongeren met een beperking een enorme hulp zijn.
17
6. PARTICIPATIE
Participatierechten zijn rechten die gaan over het luisteren naar, informeren van en betrekken van kinderen. Kinderen moeten hun mening kunnen geven over zaken die hen aangaan afhankelijk van
blijkt ook voor hen een vaag begrip, maar desgevraagd komen ze wel met voorbeelden. Belangrijk is dat zij aangeven dat zij het gevoel hebben dat er naar hen wordt geluisterd en dat zij zich begrepen voelen door hun directe omgeving. Daarmee bedoelen ze bovenal hun ouders en op school.
‘Ik ben laatst in Kidsweekkrant gekomen, toen mocht ik mijn verhaal doen. En ik zit bij NSGK, dus er wordt goed naar me geluisterd.’ (kind)
hun leeftijd en ontwikkeling. Over participatierechten werden – onder andere – de volgende vragen aan kinderen en jongeren gesteld: • • • • •
Wat wil je hierover vertellen? Heb jij het idee dat er goed naar jou wordt geluisterd? Heb je het idee dat je echt invloed hebt op grote beslissingen in je leven? Heb je het idee dat je invloed hebt op beslissingen die gaan over kinderen met een beperking? Heb je het idee dat er over het algemeen goed naar kinderen en jongeren met een beperking in Amsterdam wordt geluisterd?
6.1 WAT ZEGGEN DE KINDEREN? a. Algemeen Wat kinderen ons vertellen over hun mogelijkheden om mee te praten en invloed te hebben op wat er in hun leven gebeurt verschilt niet wezenlijk van de verhalen uit de eerste kinderrechtenscan. Participatie
‘Ik heb het gevoel dat ik mijn eigen keuzes kan
‘Heel vaak vragen volwassenen wat aan je en dan
maken, maar soms overtuigen m’n ouders me wat
zeggen ze meteen “laat maar” als je het niet
ik moet doen.’ (kind)
meteen begrijpt.’ (kind)
Opvallend is ook dat de kinderen zeggen weinig invloed te hebben op de keuze van hun school. Feit is dat er ook niet veel te kiezen valt, niet iedere school is voor hen geschikt. Voor veel kinderen wordt de keuze bovendien beperkt door het aanbod van leerlingenvervoer. Meer daarover in hoofdstuk 7. Maar, eenmaal op school, hebben ze wel het gevoel dat er daar naar hen wordt geluisterd. Kinderen geven aan dat zij weinig ervaring hebben met inspraak en participatie op breder niveau, zoals gemeentelijk beleid. Anderzijds geven kinderen en jongeren aan dat zij de kans krijgen om hun mening te geven en dat zij zich over het algemeen gehoord te voelen. Zij hebben dus het gevoel best wel invloed te hebben op belangrijke dingen in hun leven.
18
b. Op school Collectieve participatie wordt vaak vormgegeven door leerlingenraad op school. Meerdere kinderen kennen het bestaan van een leerlingenraad op hun school, hebben er zelf aan deelgenomen, of nemen er momenteel aan deel. Onderwerpen die door de leerlingenraad worden behandeld zijn bijvoorbeeld de uitbreiding van het schoolplein, de keuze voor een schooluitje, of het aanbod in de kantine. Soms kunnen leerlingen zich gewoon opgeven voor de leerlingenraad, soms worden er verkiezingen gehouden. De leerlingen geven aan de verkiezingen de leukste en meest eerlijke manier te vinden.
‘Ik denk ook dat iedereen een andere mening heeft, want we zijn niet allemaal hetzelfde. En daarom wilde ik graag meedoen met de leerlingenraad.’
doen, bijvoorbeeld welke sport ze graag willen beoefenen of welk muziekinstrument ze willen bespelen. Ook hebben ze het gevoel dat ze, voor zover mogelijk, mochten meebeslissen over naar welke middelbare school ze zouden gaan.
‘Kinderen gaan iets uitproberen. Iets wat niet mag, dat hoort nu eenmaal. Het moet een soort mix zijn
doen. Maar meestal vergeet de juf mij gewoon als zeggen!!! Dan is de les voorbij en dan heb ik niets meer te zeggen.’ (kind)
eigenlijk vindt van sommige onderwerpen in het tegen racisme. Daar heb ik soms last van op school.’ (kind)
tussen uitproberen en zelf keuzes maken.’ (kind)
Ik praat dan best wel heel veel en wil mijn zegje ik wat wil zeggen. Dan denk ik, ik wil ook wat
een partij, maar gewoon je stemgeluid. Wat jij leven. Zo vind ik dat er meer gedaan moet worden
(kind)
‘Op school luisteren ze niet zo vaak naar me.
‘Ik vind meepraten wel belangrijk. Niet stemmen op
‘Soms luistert mama niet naar mij en speelt zij de baas.’ (kind)
Opvallend is dat er in Amsterdam alleen een kinderraad is, met name voor kinderen uit groep 7 en 8. Ook is er een kinderburgemeester. Maar Amsterdamse jongeren hebben geen jongerenraad of iemand die hen vertegenwoordigd en een stem kan geven, zoals zij ook al aangaven tijdens de eerste kinderrechtenscan.
‘In kinderraad zou ook een kind met een beperking Ten aanzien van individuele participatie valt op dat kinderen ons over hun overgang naar speciaal onderwijs vertellen alsof ze geen keus hebben gehad. Dit terwijl ons vanuit het samenwerkingsverband (VO) wordt verzekerd dat het gesprek hierover met de leerling gaat, ongeacht zijn of haar cognitief en sociaal-emotionele niveau. Het is de vraag waar dit verschil in beleving vandaan komt.
c. Thuis Kinderen en jongeren geven net als bij de eerste kinderrechtenscan aan dat zij het gevoel hebben dat er goed naar hen wordt geluisterd en dat zij zich begrepen voelen door hun ouders. Zo vinden zij dat er goed naar hen wordt geluisterd over wat ze in hun vrije tijd willen
moeten zitten.’ (kind)
d. Gemeente De kinderen en jongeren die geïnterviewd zijn, hebben niet veel ervaring met de gemeente die hen betrekt bij zaken die hen aangaan, zoals de inrichting van speeltuinen en schoolpleinen. Ze weten niet waar ze bij de gemeente moeten zijn met problemen of ideeën. Kinderen vinden dat er in de kinderraad ook een kind met een beperking zou moeten zitten en dat het raar is dat daar niet over na is gedacht bij de oproep voor de verkiezingen. Niet alleen om de stem van kinderen met een beperking te laten horen, maar deze persoon kan ook een rolmodel zijn8.
8 In verband hiermee is de oproep aan kandidaten voor de kinderraad 2021-2022 is ook verspreid op de (basis)scholen voor speciaal onderwijs.
19
6.2 WAT WILLEN DE KINDEREN? Representatie Uit de gesprekken blijkt dat sommige kinderen zich graag meer zouden “terugzien” in de samenleving, zoals op televisie of in de bioscoop. Deze representatie is voor hen erg belangrijk. Om bijvoorbeeld beter geaccepteerd te worden en minder buitengesloten. En dat zij ook als normaal worden gezien. Als je bijna nergens gerepresenteerd wordt, dan ervaar je hoe erg je afwijkt van wat als normaal wordt gezien. Daarnaast houdt het ook vooroordelen in stand over kinderen met een beperking. Namelijk dat je zielig bent als je in een rolstoel zit, of een andere beperking hebt. Terwijl kinderen en jongeren juist aangeven dat zij helemaal niet zielig zijn of heel erg bezig zijn met hun beperking.
‘Maar ze zijn helemaal niet zielig, ze kunnen heel veel!’ (ouder)
‘Ik zie heel weinig kinderen met een beperking op televisie. Maar ik heb wel het idee dat ze meer hun best doen om die meer op televisie te laten zien.’ (kind)
‘Waar ze erg tegenaan lopen is participatie: mijn ene zoon is heel erg bezig zich te vergelijken met anderen. Op die leeftijd, ze zijn 14, heb je het nodig om je te kunnen spiegelen aan leeftijdsgenootjes. Niet alleen aan school. Ze zijn best wel eenzaam. Mijn ene zoon uit dat wat minder. Maar mijn andere zoon vindt dat wel heel moeilijk. Die wordt daar ook heel onzeker doen, hij kan moeilijk oefenen in zijn sociale contacten.’ (ouder)
Informatievoorziening Kinderen en jongeren willen graag beter weten waar ze naast hun ouders en school informatie kunnen vinden die belangrijk voor hen is, net als bij de eerste kinderrechtenscan. Daarnaast weten ze ook niet waar ze naar toe kunnen met goede ideeën en hoe ze die kunnen realiseren.
Meer invloed en inspraak Kinderen en jongeren geven aan dat ze meer betrokken willen worden bij dingen die hen aangaan. Bijvoorbeeld bij de inrichting van openbare ruimtes, zoals een speeltuin, waar een speciale schommelstoel of extra brede trappen handig zouden zijn. Of dat zij kunnen meedenken over waar kinderen in een rolstoel kunnen zitten in een bioscoop. De gemeente zou actief kinderen met een beperking moeten benaderen bij verkiezingen voor de kinderraad. Ook zou er een jongerenraad moeten komen die jongeren (in de puberleeftijd) een stem kan geven en die de gemeenteraad en het college kan adviseren wat jongeren bezighoudt en aangaat. Hierin moet ook een jongere met een beperking zitten.
20
‘Gewoon plezier maken!’ (kind)
7. PROVISIE
kind nodig heeft om goed te kunnen leven, zich
7.1 WAT ZEGGEN DE KINDEREN EN HUN OUDERS?
te kunnen ontwikkelen en om veilig op te groeien.
a. Algemeen
Provisierechten zijn rechten die gaan over wat een
Zoals het recht op een veilige plek om op te groeien, het recht op onderwijs, gezondheidszorg en ruimte om te spelen. Over provisierechten werden - onder andere - de volgende vragen aan kinderen en jongeren gesteld: Kies 3 thema’s waar jij het over wil hebben. • school • wonen • leerlingenvervoer en openbaar vervoer • werk • dingen te doen in je vrije tijd zoals sport, muziek, hobby’s • plek om te spelen en te zijn • Hoe ervaar je (dit thema) in Amsterdam voor kinderen en jongeren met een beperking? • Heb je het idee dat (dit thema) goed is geregeld in Amsterdam voor kinderen en jongeren met een beperking?
Op het gebied van provisie is er al veel gedaan, maar ook nog heel veel te doen volgens de kinderen. Onder andere meer en beter toegankelijke speel-, sport- en recreatie-mogelijkheden, inclusief onderwijs, vervoer en huisvesting vragen nog veel aandacht en concrete actie van de gemeente, wordt ons verteld. Door ouders wordt meerdere malen genoemd dat er weinig tot geen logeerplekken zijn voor hun kind, terwijl dit voor de ontlasting van de ouders en broertjes en zusjes ontzettend belangrijk is.
‘De dichtstbijzijnde passende logeervoorziening voor hen is in Arnhem, daar gaan ze ongeveer 10 keer per jaar heen. Daar hebben ze ook vrienden. Dat is fantastisch. Het is een vakantieplek met huisjes voor mensen met handicap. Met speciale bedden en liften, alles is rolstoeltoegankelijk. De begeleiders weten over
b. School Veel van de kinderen die wij spraken gaan naar speciaal onderwijs. Het speciaal onderwijs is er voor leerlingen die specialistische of intensieve onderwijsbegeleiding nodig hebben. Er is speciaal basisonderwijs (sbo), speciaal onderwijs (so) en voortgezet speciaal onderwijs (vso).9 Het speciaal onderwijs bestaat uit 4 clusters: • Cluster 1: blinde, slechtziende kinderen; • Cluster 2: dove, slechthorende kinderen en kinderen met een taalspraakontwikkelingsstoornis; • Cluster 3: motorisch gehandicapte, verstandelijk gehandicapte en langdurig zieke kinderen; • Cluster 4: kinderen met psychische stoornissen en gedragsproblemen. Scholen in cluster 3 en 4 zijn onderdeel van het Samenwerkings verband Amsterdam Diemen. Er is een Samenwerkingsverband PO en een Samenwerkingsverband VO. Kinderen met een verstandelijke handicap gaan dus samen naar school met kinderen die cognitief volop in staat zijn om zich te ontwikkelen, maar waarmee lichamelijk iets aan de hand is. Dat wordt door leerlingen uit deze cluster 3 scholen als probleem ervaren.
autisme. Dat hebben we nergens anders kunnen vinden. De logeeropvangen dichterbij die rolstoel toegankelijk zijn, zijn vaak voor ernstig ver standelijke gehandicapte kinderen, maar niet voor autisten.’ (ouder) 9 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/passend-onderwijs/speciaal-onderwijs
21
‘In de klas was een constante onveilige sfeer. Dat
‘Het is vechten voor je plek in regulier onderwijs en
‘Ik denk dat ik veel meer geleerd heb, omdat ik van
had echt effect op mij, ik was uitgeput. Het kwam
hier hoeft dat niet. En toch mis je het.’ (kind)
de dovenschool naar de normale basisschool ben
eigenlijk door de ongelijkheid in de klas. Kinderen
gegaan. Sommige dingen kun je namelijk niet
met een fysieke beperking zaten samen in de klas
uitleggen in doventaal, zoals dingen van taal en
met kinderen met een mentale beperking en dat botste.’ (kind)
‘Met autisme is het vaak dat je IQ hoog is, maar je emotionele ontwikkeling laag. Maar het is niet zo omdat haar IQ zo hoog is, dat ze het echt trekt op het regulier onderwijs.’ (ouder)
De kinderen die wij spraken voelen zich vaak beperkt in hun ontwikkeling. De vak- en pakketkeuze op het speciaal onderwijs is beperkt, terwijl een overgang naar het regulier onderwijs door hun lichamelijke beperkingen vaak niet mogelijk is.
rekenen. Daarom kan ik ook naar het Havo-VWO, denk ik. De meeste kinderen met een beperking halen niet hoger dan kader of VMBO, ik denk dat dat er wel mee te maken heeft.’ (kind)
‘Mijn school is leuk, maar jammer dat er niet zoveel vakken op school zijn. Niet zoals een echte middelbare. Daar krijg je les in geschiedenis of natuurkunde. Dat de leraar gaat vertellen wie Abraham Lincoln was of wat de Romeinen deden.
Kinderen vertellen dat zij weinig contact hebben met andere kinderen, zonder beperking. Eventuele contacten van vroeger verwateren snel. Kinderen missen het dat ze niet samen naar school kunnen.
Dat wil ik maar dat heb ik niet op school.’ (kind) ‘Ik vind zelf dat er gemengde scholen moeten zijn. ‘Op de reguliere basisschool kreeg ik wel extra hulp
Als we met elkaar op school zitten leren we om
bij gym. Ik werd er niet mee gepest. Maar wel
met elkaar om te gaan. En beperkingen te
buitengesloten, bijvoorbeeld op kamp wilde niemand bij mij op de kamer. Op speciaal onderwijs ging het beter, ik was niet de enige met een probleem. Maar daar kan je niet afspreken, niet met vrienden mee. Ik heb heel erg het idee dat ik niet bij het normale onderwijs hoor. Maar ook niet bij speciaal. Ik val er tussen. Ik heb het idee dat ik geen tienertijd gehad heb.’ (kind)
‘Voor mijn zoon die naar het VMBO gaat is er maar 1 profiel: economie en ondernemen. Maar dat vindt hij
accepteren.’ (kind)
niks aan. En hij zou nooit ondernemer worden. We zijn in overleg of hij nu deelcertificaten mag doen. Omdat we willen dat hij dingen kan ontwikkelen
‘Ik wil naar een normale school, alleen dat kan niet
waar hij wel talenten voor heeft en waar hij gelukkig
door de beademing.’ (kind)
van wordt. We realiseren dat de kans klein is dat hij een baan krijgt. Maar willen wel dat hij een zinvolle levensontwikkeling heeft. Hij heeft heel veel talenten. Daarom is het jammer als dat niet zou lukken.’ (ouder)
22
Kinderen vertellen dat ze van het regulier onderwijs af moeten omdat ze daar niet genoeg extra aandacht kunnen krijgen. Dan gaat het om extra aandacht omdat ze bijvoorbeeld lastig verstaanbaar zijn, dat gaat echt om onderwijs. Maar ook omdat ze bijvoorbeeld niet zelfstandig naar de WC kunnen, dan gaat het dus om zorg.
‘Meer dagen naar de reguliere basisschool kon niet omdat je altijd iemand naast je nodig hebt, naar de WC helpen of iets pakken. Dat kost geld. Cordaan betaalde dat voor die ene dag, meer dagen was geen optie.’ (ouder)
Als gekozen wordt voor speciaal onderwijs duurt het toelatingsproces soms lang. We spraken een meisje dat na de TLV snel een week mocht wennen op de nieuwe school. Daarna duurde het nog een jaar voordat daar daadwerkelijk plek was. In dat jaar zat ze grotendeels thuis, omdat ze het – door pesten – op het regulier onderwijs niet langer volhield. Ze heeft daardoor een schooljaar verloren. Ouders van kinderen die vastlopen binnen het regulier onderwijs wijzen er op dat tijdens zo’n wachtperiode geen extra ondersteuning is voor deze kinderen.
‘Ik merkte dat kinderen die hoog begaafd zijn, die kregen wel extra hulp. Waarom geen extra hulp voor onze kinderen, wat is het verschil?’ (ouder)
‘Ja, je hebt vrijheid van onderwijs. Maar als een kind
‘Opvallend is dat samenwerkingsverbanden hier
gehandicapt is, dan houdt het snel op.’ (ouder)
wisselend mee omgaan. Het SWV Amsterdam Diemen lijkt aan te sturen op in ieder geval van school af met 18, daarna is het steeds strijd voor de
Kinderen vertelden ook over hun problemen met vervolgonderwijs. Het speciaal voortgezet onderwijs gaat in beginsel tot 18. Voor de toelating tot het speciaal onderwijs is een toelaatbaarheidsverklaring (TLV) nodig, af te geven door het Samenwerkingsverband. Kinderen ervaren al voor hun 18e problemen met het verkrijgen van zo’n TLV. Na hun 18e lijkt er helemaal geen recht op onderwijs meer te bestaan en zijn ouders en scholen eindeloos bezig om het SWV ervan te overtuigen dat hun kinderen echt nog leerbaar zijn.
‘Nu hij 18 is en nog veel gaten heeft in zijn schoolloopbaan en daardoor flinke leerachterstanden heeft opgelopen, dreigt hij te worden afgeschaald naar dagbesteding terwijl hij nog volop leerbaar is ondanks autisme en TOS.’ (ouder)
Het gaat hier om landelijke regelgeving, uit te voeren door de samen werkingsverbanden. Wat dat betreft heeft de gemeente dus weinig invloed. Overigens landelijke regelgeving die tot het 20e jaar onderwijs mogelijk maakt. Dat roept de vraag op waarom het in Amsterdam blijkbaar zo ingewikkeld wordt gemaakt voor deze jongeren om verder te leren.
23
school om verlenging.’ (directie school speciaal onderwijs)
Lang niet iedereen kan een startkwalificatie of eindexamen halen. Maar veel kinderen zijn wel leerbaar en willen ook dingen leren die ze later kunnen helpen om volwaardig mee te doen in de maatschappij. Bovendien hebben kinderen met een beperking in hun schoolcarrière vaak al vertraging opgelopen, bijvoorbeeld doordat het even duurde voor hun beperkingen werden onderkend of doordat de zoektocht naar een geschikte school langer duurde. Veel van deze kinderen willen en kunnen na hun 20e jaar nog doorleren. De vraag is wat het verschil rechtvaardigt tussen deze kinderen en andere jongeren, die tot 23 jaar hulp krijgen van Regionale Meld- en Coördinatiepunten (RMC-regio’s) om toch een startkwalificatie te halen en dus naar school kunnen blijven gaan. Een jongere tot 27 jaar die een bijstandsuitkering aanvraagt is zelfs verplicht om eerst te kijken of hij alsnog een opleiding kan vinden. Kinderen voor wie een startkwalificatie niet haalbaar is en die ook geen beroep doen op een reguliere bijstandsuitkering, maar waarvan ouders en school ervan overtuigd zijn dat er nog nuttige schoolse vaardigheden, zowel cognitief als sociaal, aangeleerd kunnen worden, mogen dat niet. Een vraag voor de politiek om in Den Haag te stellen.