CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

07. Onderzoeksrapport Evaluatie bestuurlijk stelsel Amsterdam.pdf

Raadscommissie Sociaal, Economische zaken en Democratisering 2 juli 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bespreken van de discussienota over de voorgenomen bestuurlijke reactie op de evaluatie bestuurlijk stelsel Amsterdam 2025 (VN2025-008497)25.849 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

38.

In het verlengde daarvan is de voorzitter van het DB op grond van artikel 10, eerste lid, van de Verordening belast met (1) de leiding over de vergaderingen van het DB, en (2) de uitoefening van de taken en bevoegdheden die de burgemeester aan hem heeft gemandateerd. Delegatie is bij de taken en bevoegdheden van de burgemeester niet aan de orde. Verder rust op de voorzitter een aantal zorgplichten. Het gaat om de zorgplichten die artikel 170, eerste lid, onder a, c, d en e, van de Gemeentewet oplegt aan de burgemeester. Dat betekent dat de voorzitter onder meer moet toezien op een tijdige voorbereiding, vaststelling en uitvoering van het beleid en de daaruit voortvloeiende besluiten en op de kwaliteit van procedures op het vlak van burgerparticipatie. Voor de takenlijst en het bevoegdhedenregister, waarin de specifieke taken van het DB en de voorzitter opgenomen zijn, geldt dat steeds is aangegeven om welke taak of bevoegdheid het gaat, wat hier de wettelijke grondslag van is, of het om mandaat of delegatie gaat en wat de bijzonderheden of beperkingen zijn. Daarnaast bevatten de takenlijst en het bevoegdhedenregister een aantal algemene bepalingen en beperkingen. Voor alle taken en bevoegdheden geldt bijvoorbeeld de beperking dat hiervan slechts gebruik kan worden gemaakt binnen de door de (oorspronkelijk) bevoegde bestuursorganen vastgestelde stedelijke kaders.

Verder is er een algemeen afwegingskader opgesteld, waarin de vier principes staan op basis waarvan de taken en bevoegdheden verdeeld zijn. Die principes zijn: 1) stedelijke kaderstelling en regelgeving, 2) lokale aansturing van taken en voorzieningen die vooral een lokale functie dan wel een lokaal bereik hebben, 3) ruimte voor diversiteit, maatwerk en integraliteit en 4) uitvoering op passende schaal. Voor de financiën van de stadsdelen is van belang dat het DB op grond van artikel 20, eerste lid, van de Verordening jaarlijks een budget ontvangt. De hoogte van dat budget wordt volgens artikel 20, tweede lid, van de Verordening bepaald in de begroting die de gemeenteraad vaststelt. In artikel 31 van de Verordening is de rol van de stadscommissie bij de besteding van het budget door het DB vastgelegd. Geregeld is dat het college jaarlijks tegelijk met het vaststellen van de gemeentebegroting transparant maakt welke budgetten voor welke doeleinden beschikbaar worden gesteld aan de stadsdelen en dat het DB de SDC vervolgens vooraf over de inzet van de middelen moet informeren. De SDC kan daarover dan advies uitbrengen en ook voorstellen doen voor een andere inzet. Het DB moet de SDC tot slot informeren over de daadwerkelijke inzet van de middelen en een toelichting geven als is afgeweken van het advies van de SDC.

Taken, bevoegdheden en instrumenten in de praktijk Tijdens de gevoerde gesprekken is enerzijds kenbaar gemaakt dat de takenlijst en het bevoegdhedenregister voor wat betreft het DB helder zijn en dat die helderheid ook bijdraagt aan de goede werking van het bestuurlijk stelsel. Er is volgens de gesprekspartners wel een vanzelfsprekende spanning tussen het college en het DB, maar het stelsel biedt het DB volgens de gesprekspartners ook kansen en het DB van sommige stadsdelen zoekt hier ook nadrukkelijk de ruimte in op. Anderzijds is tijdens verschillende gesprekken ook kenbaar gemaakt dat de leden van het DB in de praktijk weinig invloed lijken te hebben op de aan hen toebedeelde taken en bevoegdheden en dat zij ook moeite ervaren met de invulling daarvan. Het college neemt soms bijvoorbeeld besluiten die onderdeel zijn van het takenpakket van het DB. Als voorbeeld is de Afvalstoffenverordening genoemd. Het DB mag in mandaat uitvoeringsbesluiten nemen over de nadere uitwerking van de

39.

Afvalstoffenverordening, zodat er in de stadsdelen maatwerk geleverd kan worden. Het college blijft bij mandaat ook zelf bevoegd en in dit geval heeft het college die bevoegdheid gebruikt om een uitvoeringsbesluit voor de hele stad vast te stellen. Verder kwam in de gesprekken naar voren dat de taakverdeling voor de bestuurders zelf wellicht helder is, maar dat de duidelijkheid richting het ambtelijk apparaat vaak ontbreekt. Directies richten zich vooral op het college en niet op het DB. Uit de gesprekken blijkt ook dat de taken en bevoegdheden van de SDC ten aanzien van de budgetten vragen oproept. Tijdens verschillende gesprekken is naar voren gekomen dat de SDC voor de budgetten wel een controlerende rol heeft gekregen, maar dat stadsdelen die wisselend invullen. Sommige SDC’s adviseren hier tot nu toe niet over, terwijl andere SDC’s juist alle instrumenten benutten om hierop te sturen. Ook maken verschillende gesprekspartners kenbaar dat voor SDC’s vaak niet duidelijk is hoe de budgetten tot stand komen. Er is wel een leidraad financiële zeggenschap opgesteld om op dit punt voor meer grip te zorgen, maar de beelden over de precieze hoogte van de budgetten, de ruimte die het DB heeft om hier keuzes in te maken en de reikwijdte van het adviesrecht van de SDC zijn wisselend.

Doorontwikkeling taken, bevoegdheden en instrumenten Het DB is een bestuurscommissie van het college en de Gemeentewet vereist dat aan een bestuurscommissie bevoegdheden zijn overgedragen. Oftewel, het college moet bevoegdheden aan het DB delegeren om het DB als bestuurscommissie in te stellen.36 Door het college zijn inderdaad verschillende taken en bevoegdheden aan het DB gedelegeerd. Uit de takenlijst en het bevoegdhedenregister blijkt echter dat voor veruit de meeste taken en bevoegdheden een mandaat is verleend. Het DB voert de taken en bevoegdheden dan namens het college uit. Het college kan een bevoegdheid bij een mandaat altijd ook zelf uitoefenen en dus bijvoorbeeld het uitvoeringsbesluit over de uitwerking van de Afvalstoffenverordening nemen. Hoewel taken en bevoegdheden ook aan een bestuurscommissie kunnen worden gemandateerd, is het wel van belang dat voor alle betrokkenen helder is wat het verschil is tussen mandaat en delegatie. Dit heeft namelijk gevolgen voor de ruimte die het DB heeft om besluiten te kunnen nemen en de ruimte die het college heeft om hierop te sturen. In verschillende gesprekken is naar voren gekomen dat die duidelijkheid ontbreekt. Verder zijn er vragen over de ruimte die het DB in de praktijk heeft om bepaalde taken uit te voeren of bevoegdheden uit te oefenen.

De algemene bepalingen en beperkingen in de takenlijst en het bevoegdhedenregister lijken daar wel handvatten voor te bieden, maar het verdient aanbeveling dit in de Verordening verder uit te werken en duidelijker te beschrijven wat bij de verschillende taken en bevoegdheden of beleidsterreinen de rol is van het DB. Tot slot zou het voor meer helderheid zorgen als duidelijk is wat de precieze verhouding is tussen de takenlijst en het bevoegdhedenregister. Niet aan alle taken is bijvoorbeeld een bevoegdheid gekoppeld, maar onduidelijk is wat dit betekent. De takenlijst en het bevoegdhedenregister zouden ook kunnen worden samengevoegd. Dit zou de onderlinge samenhang verder kunnen verduidelijken. Voor de budgetten geldt dat de beelden wisselend zijn. Er is tijdens één van de gesprekken kenbaar gemaakt dat er in totaal ongeveer een miljard euro beschikbaar is voor de stadsdelen en dat de DB’s besluiten over de besteding van circa € 400 miljoen, maar er is tijdens een ander gesprek gesteld dat er sprake is van een budget van € 40 miljoen voor één stadsdeel. Verder is tijdens de gesprekken kenbaar 36 B.R. Tadema en S.A.J. Munneke, ’Delegatie en mandaat van raadsbevoegdheden aan SDC’s in Amsterdam’, Rijksuniversiteit

Groningen, februari 2023, p. 6. Overigens heeft G. Boogaard op verzoek van de gemeente Rotterdam ook een advies uitgebracht dat hieraan raakt en hij stelt zich op het standpunt dat voor het instellen van een bestuurscommissie niet vereist is dat er een bevoegdheid aan die commissie wordt overgedragen. Hij stelt op basis van de geest van de wet dat beslissend is of de commissie voldoet aan de vereisten die de wet aan een bestuurscommissie stelt en dus of de bestuurscommissie eventueel is toegerust om een gedelegeerde bevoegdheid uit te oefenen.

40.

gemaakt dat de SDC over de besteding van het volledige budget adviseert, maar ook dat de SDC de meeste invloed heeft op de gebiedsbudgetten. Duidelijk is in elk geval wel dat er behoefte is aan meer zicht op de budgetten van de stadsdelen en de rol van het DB en de SDC hierin. De leidraad financiële zeggenschap zou dat zicht moeten bieden, maar de vraag is of dat afdoende is. De artikelen over het budget in de Verordening roepen in elk geval vooral vragen op. Op grond van de Verordening ontvangt het DB jaarlijks een budget, maar er is in de Verordening en de toelichting nauwelijks aandacht besteed aan wat de hoogte van dit budget is (of hoe dat wordt vastgesteld), waar dit budget voor bedoeld is en wat de reikwijdte van het adviesrecht van de SDC over de besteding van dit budget is. En de Verordening gaat ook niet in op de verhouding met de gebiedsopgaven en de middelen die daarvoor beschikbaar zijn. In de Verordening is wel geregeld dat het budget is opgenomen in de begroting die de gemeenteraad vaststelt, dat de gebiedsopgaven eveneens onderdeel uitmaken van de jaarlijkse begrotingscyclus en dat het DB voor elk gebied de gebiedsopgaven met de belangrijkste vierjarendoelstellingen vaststelt, maar een toelichting op de verhouding tussen deze taken, bevoegdheden en instrumenten ontbreekt.

4.1.3 Duidelijke en stevigere positie SDC In de Hoofdlijnennotitie is de wens uitgesproken dat de SDC een duidelijke en stevigere positie krijgt. Inzet is om in de Verordening te beschrijven welke instrumenten de SDC heeft om richting te geven aan het DB en het DB te controleren. Verder is kenbaar gemaakt dat in de Verordening wordt vastgelegd dat het DB alleen met zeer zwaarwegende redenen (zoals strijdigheid met de wet of stedelijke dwingende kaders), voorstellen of adviezen van de SDC, die in de SDC op een meerderheid kunnen rekenen, naast zich neer kan leggen. In deze paragraaf komt aan de orde hoe dit is ingevuld. Duidelijke en stevigere positie SDC in de Verordening Op grond van artikel 23, eerste lid, van de Verordening is de SDC, net als het DB, een bestuurscommissie. Een belangrijk verschil is dat de SDC niet is ingesteld door het college, maar door de gemeenteraad. En dat dus ook niet door het college, maar door de gemeenteraad taken en bevoegdheden aan de SDC zijn overgedragen. Verder zijn de leden van het DB op grond van artikel 2, tweede lid van de Verordening, benoemd en de leden van de SDC op grond van artikel 23, tweede lid van de Verordening, gekozen. Door de gemeenteraad is aan de SDC de bevoegdheid overgedragen om trouwlocaties aan te wijzen.37 Naast die bevoegdheid, heeft de SDC een adviserende en controlerende rol.

De kern van de adviserende taak van de SDC is neergelegd in artikel 30, tweede lid, van de Verordening. Daarin staat dat de SDC gevraagd of ongevraagd advies uitbrengt aan het DB over aangelegenheden die het stadsdeel betreffen. Ten aanzien van het budget heeft de SDC ook een specifieke adviserende taak. In artikel 31, tweede lid van de Verordening, is opgenomen dat de SDC in de gelegenheid wordt gesteld om advies uit te brengen over de inzet van middelen zoals die door het DB is voorgesteld en voorstellen voor een andere inzet kan doen.

37 Zie onder 23.1 in de takenlijst en 23.Z.61 in het bevoegdhedenregister. In de takenlijst krijgt de SDC onder 24.5 ook de taak

om de raad advies te geven bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsactiviteit waarbij een bindend advies van de raad benodigd is. Dit betreft echter geen delegatie of mandaat. Verder lijkt het bevoegdhedenregister onder 4.E.10 aan de SDC een bevoegdheid te delegeren ten aanzien van het aanwijzen of wijzigen van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten. Uit de wijzigingsgeschiedenis blijkt echter dat delegatie niet de bedoeling is geweest en uit het advies van Munneke en Tadema volgt ook dat delegatie niet in de rede ligt (en mogelijk zelfs uitgesloten is).

41.

Voor wat betreft de wijze waarop wordt omgegaan met adviezen van de SDC, staat als hoofdregel in artikel 19, vijfde lid van de Verordening, dat de adviezen van de SDC, die binnen de commissie op een meerderheid kunnen rekenen en binnen het stedelijke en budgettaire kader passen, over worden genomen. Alleen met zeer zwaarwegende redenen kan het DB hier schriftelijk en gemotiveerd van afwijken. Dit betreft een zware motiveringsplicht, aldus de toelichting. Naast de adviserende taak, heeft de SDC zoals gezegd ook een controlerende rol. Op basis hiervan kan de SDC op grond van de Verordening moties en voorstellen bij het DB indienen.38 Ook biedt de Verordening de bevoegdheid om vragen te stellen over de wijze waarop het DB de taken en bevoegdheden uitoefent.39 Verder kan de SDC de inzet van middelen controleren, doordat het DB over de daadwerkelijke inzet van de middelen moet rapporteren en afwijkingen moet toelichten.40 Tot slot beschikt de SDC op grond van artikel 30, vierde lid van de Verordening, over het agenderingsrecht: de SDC kan onderwerpen voor de overlegvergaderingen met het DB agenderen. Dit voor zover dit naar het oordeel van de SDC noodzakelijk is en het gaat om onderwerpen die het stadsdeel betreffen. Ook onderhoudt en versterkt de SDC volgens de toelichting op de Verordening netwerken van inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties.

‘Zij benut, faciliteert en stimuleert verschillende vormen van burgerparticipatie.’41 In het verlengde van deze taken en bevoegdheden bevat de Verordening een artikel dat ziet op de verhouding tussen de SDC en de gemeenteraad. In artikel 36 van de Verordening staat dat een SDC op eigen verzoek of op verzoek van een raadscommissie een toelichting kan geven op het standpunt van de SDC als in de vergadering van een raadscommissie een onderwerp behandeld wordt waarover de SDC advies heeft uitgebracht of waarover het DB de SDC om advies had moeten vragen, maar dit niet is gebeurd.42 Ook kan de SDC in een raadscommissie een toelichting geven als een onderwerp daar naar aanleiding van het agenderingsrecht van de SDC aan de orde komt of de SDC het onderwerp voor agendering bij de raadscommissie heeft aangedragen.43 Duidelijke en stevigere positie SDC in de praktijk In alle gesprekken is aandacht gevraagd voor de positie van de SDC. De beelden die er van de taken en bevoegdheden van de SDC zijn, maar ook de opvattingen over de rol van de SDC binnen het bestuurlijk stelsel, de verwachtingen die er leven over de impact van de adviezen en de gedachten over het samenspel met bijvoorbeeld het DB en de gemeenteraad, lopen sterk uiteen. In de paragrafen 1.2 en 1.3 is dit uitgebreid aan de orde gekomen. De belangrijkste vraag die daarbij aan de orde is, is wat de rol van de SDC is.

Is het een volksvertegenwoordigend orgaan dat op stadsdeelniveau vergelijkbaar is met de gemeenteraad, of vormt zij de ‘ogen en oren’ van het stadsdeel en adviseert zij dus met name over de lokale uitwerking binnen het stadsdeel? Dat hier geen duidelijkheid over is en de Verordening daar ook geen houvast in biedt, leidt volgens de gesprekspartners tot grote verschillen in de invulling van de rol van de SDC in de praktijk, maar ook tot verwarring en teleurstelling. Bij de leden van de SDC, maar ook bij Amsterdammers.

38 Artikel 30, derde lid, van de Verordening. 39 Artikel 30, derde lid, van de Verordening. 40 Artikel 31, derde lid, van de Verordening.

41 Toelichting bij hoofdstuk 3 van de Verordening. 42 Artikel 36, eerste lid, onder a en b, van de Verordening.

43 Artikel 36, eerste lid, onder c, en artikel 36, tweede lid, van de Verordening.

42.

Daar komt bij dat er tijdens de gesprekken is gesteld dat hierdoor ook onduidelijkheid ontstaat over de positie van de SDC ten opzichte van het DB en de gemeenteraad en dat ook hier weinig over is vastgelegd. Dit beperkt voor de SDC de mogelijkheden om effectief invulling te geven aan haar rol, maar zorgt er ook voor dat de SDC de toegekende instrumenten niet op de juiste manier kan inzetten. Als de SDC uitsluitend advies geeft, wat is dan het verschil tussen een advies, motie of voorstel? En als de SDC alleen een toelichting kan geven aan een raadscommissie, hoe legt de SDC dan uiteindelijk verantwoording af aan de gemeenteraad als geheel? Tijdens verschillende gesprekken zijn deze vragen ook nadrukkelijk gesteld. Doorontwikkeling duidelijke en stevigere positie SDC Uit de Hoofdlijnennotitie spreekt de wens om binnen het bestuurlijk stelsel voor meer balans te zorgen. Voor een deel is dat ook gelukt. Op grond van de Verordening is de SDC, net als het DB, een bestuurscommissie.44 In beginsel zijn er dus twee gelijkwaardige organen. Bovendien is de ene bestuurscommissie door het college en de andere bestuurscommissie door de gemeenteraad ingesteld. Daaruit lijkt te spreken dat de rol en functie van het DB en het college enerzijds en van de SDC en de gemeenteraad anderzijds, vergelijkbaar zijn.

Verder is de positie van de SDC in de Verordening ook op andere punten verduidelijkt en verstevigd. De SDC beschikt op grond van de Verordening over verschillende instrumenten om invulling te geven aan haar controlerende rol ten opzichte van het DB en ook de verhouding met de gemeenteraad heeft in de Verordening meer invulling gekregen. Tegelijkertijd is door nagenoeg alle gesprekspartners aangegeven dat de balans meer invulling zou kunnen krijgen. Daarbij is met name aandacht gevraagd voor de taken en bevoegdheden die aan de SDC zijn toegekend en het feit dat uit onderzoek blijkt dat de mogelijkheden voor het delegeren van meer taken en bevoegdheden aan de SDC zeer beperkt zijn.45 Maar uit de Verordening blijkt ook dat de verhouding tussen de verschillende organen en het doel van de verschillende instrumenten maar beperkt is toegelicht. Nu daarover wel vragen worden gesteld, ligt het voor de hand de toelichting op de Verordening op dit punt nader aan te vullen. In de eerste plaats zou de toelichting op de Verordening nader kunnen ingaan op het verschil tussen het geven van advies, het aannemen van een motie of het stellen van vragen. Verder zou ook de verhouding tussen de verschillende organen meer uitwerking kunnen krijgen. Met name als het aankomt op de verhouding tussen de SDC en het DB, en de SDC en de gemeenteraad.

Daarbij geldt voor de verhouding tussen de SDC en de gemeenteraad ook dat er op grond van de Gemeentewet geregeld moet zijn hoe de SDC verantwoording aflegt aan de gemeenteraad.46 Hierin lijkt nog niet te zijn voorzien. Met name voor de meer controlerende rol van de SDC is dat wel van belang. Tot slot blijkt uit de gesprekken dat het budgetbestedingsadviesrecht vragen oproept. Ook hier zou in de toelichting meer aandacht aan kunnen worden besteed. In de Leidraad zeggenschap in de praktijk staat bijvoorbeeld: ‘Het budgetbestedingsadviesrecht beperkt zich tot de afzonderlijke taken. Omdat prioritering plaatsvindt op het niveau van de stad, kunnen de commissies hun DB niet adviseren over verschuiving tussen taken. Deze rol is voorbehouden aan de gemeenteraad.’47 Dit roept de vraag op wat

44 Artikel 23, eerste lid, van de Verordening.

45 B.R. Tadema en S.A.J. Munneke, ’Delegatie en mandaat van raadsbevoegdheden aan SDC’s in Amsterdam’, Rijksuniversiteit

Groningen, februari 2023. 46 Artikel 85, eerste lid, van de Gemeentewet. 47 Bestuurlijk stelsel Amsterdam: Leidraad zeggenschap in de praktijk, 18 maart 2025, p. 13.

43.

de betekenis is van artikel 31, tweede lid van de Verordening, waarin staat dat de SDC voorstellen voor een andere inzet van de budgetten kan doen.

4.1.4 Verruiming passief en actief kiesrecht In de Verordening is het passief en actief kiesrecht verruimd. Amsterdammers kunnen vanaf 16 jaar de leden van de SDC kiezen of zich voor de SDC verkiesbaar stellen en Amsterdammers van buiten de EU kunnen dit al nadat zij twee jaar rechtmatig in Nederland verblijven. Bij de gemeenteraadsverkiezingen is dit vijf jaar. De verruiming van het kiesrecht heeft tot doel het burgerschap en de betrokkenheid van jonge bewoners te stimuleren.48 Daarbij kent Amsterdam veel internationale inwoners die direct geraakt worden door het beleid van hun stadsdeel.49 Verruiming van het passief en actief kiesrecht in de Verordening Het actief kiesrecht voor de verkiezingen van de SDC heeft een plaats gekregen in de artikelen 24 en 40 van de Verordening. Het passief kiesrecht is in de artikelen 25 en 41 van de Verordening vastgelegd. Daarbij verklaart de Verordening de bepalingen voor verkiezingen van de gemeenteraad van overeenkomstige toepassing op de verkiezingen van de SDC’s.50 Verruiming van het passief en actief kiesrecht in de praktijk en doorontwikkeling Uit de gesprekken en de documentanalyse is niet naar voren gekomen dat zich bij de verruiming van het kiesrecht knelpunten voordoen. Er is dus geen aanleiding dit bij de doorontwikkeling te betrekken.

4.2 Volledigheid en passendheid Deze paragraaf gaat in op de vraag in hoeverre de Verordening volledig is en past bij de inrichting van het beoogde bestuurlijk stelsel. Bij de volledigheid draait het om de elementen waarvan tijdens de gesprekken en de documentanalyse is vastgesteld dat die in de Verordening nog missen. Bij de passendheid komen punten naar voren die bij de analyse van de Verordening opgevallen zijn.

4.2.1 Kernbevindingen Volledigheid: ambtelijke ondersteuning, fractievertegenwoordiging en evaluatie  De Verordening voorziet in ambtelijke ondersteuning van het DB en de SDC, maar in de praktijk heeft met name de SDC behoefte aan meer inhoudelijke ondersteuning. In de Verordening is wel in de ambtelijke ondersteuning van het DB en de SDC voorzien in die zin, dat er een bestuurssecretaris is die het DB en de voorzitter van het DB terzijde staat in de uitoefening van hun taken en een SDC-secretaris die dezelfde rol voor de SDC vervult. Uit de gesprekken en documentanalyse komt echter naar voren dat met name de SDC ook behoefte heeft aan meer inhoudelijke ondersteuning. Denk aan het verstrekken van informatie of het geven van advies vergelijkbaar met de ambtelijke bijstand die er voor leden van de gemeenteraad is. In de praktijk levert dit knelpunten op. Niet alle directies zijn bereid deze ondersteuning te geven en er zijn vragen over de reikwijdte ervan. Het verdient dan ook aanbeveling alsnog in de inhoudelijke ondersteuning van de SDC te voorzien en in elk geval kenbaar te maken waar zij met inhoudelijke vragen terecht kunnen.  Het gebruik kunnen maken van fractievertegenwoordigers door SDC’s krijgt plaats in de doorontwikkeling van de Verordening.

De gemeenteraad heeft op 17 februari 2023 een motie aangenomen waarin het college wordt verzocht te onderzoeken of het aanstellen van formele fractievertegenwoordigers voor de fracties in de SDC’s mogelijk en wenselijk is. Naar aanleiding 48 Definitieve hoofdlijnen bestuurlijk stelsel vanaf 2022, p. 21. 49 Motie 2021/139 van de leden Vroege, Grooten, Biemond, Yilmaz en Veldhuyzen inzake verruimen actief kiesrecht non-EU. 50 Artikel 24, eerste lid, van de Verordening.

44.

van die motie heeft het college met zijn brief van 1 juni 2023 kenbaar gemaakt dat SDC’s wel gebruik kunnen maken van fractievertegenwoordigers, maar alleen onder bepaalde voorwaarden. Verder is aangekondigd dat dit bij de nieuwe bestuursperiode een plaats krijgt in de Verordening. Het is dus van belang dat dit bij de doorontwikkeling ook in de Verordening meegenomen wordt. Gebruikers van het stelsel pleiten voor het opnemen van een evaluatiebepaling in de Verordening. Tijdens de gesprekken is aandacht gevraagd voor het feit dat er in de Verordening geen evaluatiebepaling is opgenomen. Of het stelsel geëvalueerd wordt, is volgens de gesprekspartners daardoor afhankelijk van of de raad hierover een motie indient. Er is dus gepleit voor het opnemen van een evaluatiebepaling in de Verordening, waarbij ook is vastgelegd wanneer evaluatie plaatsvindt. Het verdient aanbeveling hier het gesprek verder over te voeren.

Passendheid: opvallende verschillen en structuur Verordening  Er zijn verschillen in de Verordening in wat er beschreven is voor het DB en voor de SDC’s. Op een aantal punten zijn er verschillen in de Verordening opgevallen als het aankomt op wat er voor het DB geregeld is en wat er ten aanzien van de SDC in de Verordening staat. Zo is in artikel 2, eerste lid, van de Verordening opgenomen dat het DB optreedt als verlengd lokaal bestuur van het college. Een soortgelijke kwalificatie voor de SDC ontbreekt echter in de Verordening. Dit terwijl uit de gesprekken blijkt dat er wel behoefte is aan duidelijkheid over de rol van de SDC en dit ook bij uitstek de plek is om duidelijkheid te geven over de rol van de SDC. Verder spreekt de Verordening voor wat betreft de taken en bevoegdheden van het DB in artikel 9, eerste lid, van de Verordening over ‘opdragen’. Dit betreft zowel delegatie als mandaat. In artikel 30, eerste lid, van de Verordening is voor wat betreft de taken en bevoegdheden van de SDC het woord ‘overdragen’ gebruikt. Dat woord verwijst in juridische zin naar delegatie. Beide artikelen hebben echter zowel delegatie als mandaat op het oog. Het verdient aanbeveling daarvoor dan ook dezelfde woorden te gebruiken.  De structuur van de Verordening kan bijdragen aan onduidelijkheid over rollen, verhoudingen en instrumenten.

In het verlengde hiervan is het van belang dat zowel uit verschillende gesprekken als uit de documentanalyse naar voren komt dat de rollen en verhoudingen tussen de verschillende organen binnen het bestuurlijk stelsel niet altijd helder zijn. Verder zijn er tijdens verschillende gesprekken vragen gesteld over het doel en het gebruik van de verschillende instrumenten die de organen ter beschikking staan, met name als het op de SDC aankomt. Denk aan de discussie of de SDC in essentie het DB in brede zin adviseert en controleert of juist primair zorgt voor de lokale inbreng bij besluitvorming. Maar ook het verschil tussen het geven van advies, het aannemen van een motie of het stellen van vragen, de precieze reikwijdte van het budgetbestedingsadviesrecht of de verhouding tussen de SDC en de gemeenteraad. Dit kan samenhangen met de structuur van de Verordening. Nu vormen de inrichting en samenstelling van het DB en de SDC de kern. Het advies is het besluitvormingsproces centraal te stellen, zoals bijvoorbeeld in een Reglement van orde gebruikelijk is. Dat biedt ruimte om de rollen en verhoudingen beter te duiden en de verschillende instrumenten in de juiste context te plaatsen.

4.2.2 Volledigheid: ambtelijke ondersteuning, fractievertegenwoordiging en evaluatie Voor wat betreft de volledigheid van de Verordening is van belang dat in de toelichting op de Verordening is opgemerkt dat het lokaal bestuur moet beschikken over (adequate) ambtelijke ondersteuning.51 Uit de gesprekken en documentanalyse blijkt echter dat dit in de praktijk voor de SDC knelpunten oplevert. Verder is toegezegd dat de ondersteuning van partijen in de SDC door

51 Zie de artikelsgewijze toelichting op artikel 20.

45.

fractievertegenwoordigers een plaats in de Verordening krijgt.52 Het is dus van belang dat dit bij de doorontwikkeling ook in de Verordening vastgelegd wordt. Ambtelijke ondersteuning In de Verordening is wel in ambtelijke ondersteuning van de SDC voorzien. De SDC beschikt op grond van artikel 34 van de Verordening over een SDC-secretaris die de SDC bij de uitoefening van haar taak terzijde staat. Uit de gesprekken en de documentanalyse komt echter naar voren dat deze secretaris met name een meer procesmatige rol heeft en maar beperkt inhoudelijk advies kan uitbrengen. Dit terwijl uit verschillende gesprekken, maar ook de documentanalyse, naar voren komt dat er aan dat inhoudelijke advies wel behoefte is. Bij de gemeenteraad is wel in dat inhoudelijke advies voorzien. De Verordening ambtelijke bijstand legt het recht van raadsleden vast op bijstand door ambtenaren bij bijvoorbeeld het opstellen van voorstellen en amendementen. Voor de leden van de SDC zou een soortgelijke regeling getroffen kunnen worden, en in elk geval kenbaar gemaakt kunnen worden waar zij met inhoudelijke vragen terechtkunnen. Dit draagt ook bij aan het verduidelijken en verstevigen van de positie van de SDC.

Tijdens verschillende gesprekken is aandacht gevraagd voor de vragen die er zijn over de reikwijdte van de informatie die aan de SDC moet worden verstrekt: beperkt dit zich tot het stadsdeel en de taken en bevoegdheden van het DB en de SDC of is het breder? Het lijkt dan ook goed om kenbaar te maken wat de reikwijdte van de ambtelijke ondersteuning is. Fractievertegenwoordiging Op 16 februari 2022 heeft de gemeenteraad motie 113 “Onderzoek fractievertegenwoordiging” van de leden Vroege en Grooten aangenomen. Met die motie wordt het college gevraagd om in afstemming met de griffie van de gemeenteraad en in overleg met vertegenwoordigers van de SDC nader te onderzoeken of het mogelijk en wenselijk is om formele fractievertegenwoordigers voor de fracties in de SDC aan te stellen.53 In reactie hierop heeft het college bij brief van 1 juni 2023 kenbaar gemaakt dat het aanstellen van formele fractievertegenwoordigers niet mogelijk is, maar dat er onder bepaalde voorwaarden wel een mogelijkheid bestaat om in het Reglement van orde nadere afspraken te maken over deelname aan de vergadering door anderen dan leden van de SDC. Daarbij is toegezegd dat deze mogelijkheid voor de nieuwe bestuursperiode in 2026 een plaats krijgt in de Verordening.54 Het is dus van belang dat dit bij de doorontwikkeling ook in de Verordening vastgelegd wordt.

Evaluatie In de Verordening is geen evaluatiebepaling opgenomen. Tijdens de gesprekken is hier aandacht voor gevraagd. Volgens de gesprekspartners betekent dit dat het bestuurlijk stelsel alleen (blijvend) geëvalueerd wordt als de raad hierover een motie indient. Dat is volgens de gesprekpartners onwenselijk. De wens is dan ook uitgesproken dat er een evaluatiebepaling aan de Verordening wordt toegevoegd. In die bepaling zouden dan ook de evaluatiemomenten moeten staan. Daarbij gaf een deel van de gesprekspartners dat het bestuurlijk stelsel elke bestuursperiode zou moeten worden geëvalueerd. Een ander deel gaf juist aan dat niet elke bestuursperiode een evaluatie hoeft plaats te vinden. 52 Raadsinformatiebrief van 1 juni 2023, afdoening motie 113 “Onderzoek fractievertegenwoordiging” van de leden Vroege en

Grooten, p. 6. 53 Motie 2022/113 van de leden Vroege en Grooten inzake onderzoek fractieondersteuners. 54 Raadsinformatiebrief van 1 juni 2023, afdoening motie 113 “Onderzoek fractievertegenwoordiging” van de leden Vroege en Grooten, p. 6.

46.

4.2.3 Passendheid: opvallende verschillen en structuur Verordening Voor wat betreft de passendheid, is van belang dat bij de analyse van de Verordening een aantal verschillen opgevallen zijn tussen wat er voor het DB in de Verordening is vastgelegd en wat er voor de SDC in de Verordening geregeld is. Verder is bij de analyse een vraag opgekomen over de structuur van de Verordening. Opvallende verschillen DB en SDC Bij het analyseren van de Verordening zijn op een aantal punten opvallende verschillen gesignaleerd tussen wat er voor het DB geregeld is en wat er ten aanzien van de SDC in de Verordening staat. Zo is in artikel 2, eerste lid, van de Verordening opgenomen dat het DB optreedt als verlengd lokaal bestuur van het college. Een soortgelijke kwalificatie voor de SDC ontbreekt in de Verordening. Dit terwijl uit de gesprekken blijkt dat er wel behoefte is aan duidelijkheid over de rol van de SDC en dit ook bij uitstek de plek is om daar duidelijkheid over te geven. Is het een volksvertegenwoordigend orgaan dat op stadsdeelniveau vergelijkbaar is met de gemeenteraad, of vormt zij de ‘ogen en oren’ van het stadsdeel? Het advies is dus de Verordening op dit punt aan te vullen en ook voor de SDC een kwalificatie op te nemen. Verder spreekt de Verordening voor wat betreft de taken en bevoegdheden van het DB in artikel 9, eerste lid, van de Verordening over ‘opdragen’.

Dit is zowel delegatie als mandaat. In artikel 30, eerste lid, van de Verordening is voor de taken en bevoegdheden van de SDC het woord ‘overdragen’ gebruikt. Dat woord verwijst in juridische zin naar delegatie. De indruk bestaat dat in beide artikelen beoogd is naar zowel delegatie als mandaat te verwijzen. Gezien de onduidelijkheden over delegatie en mandaat verdient het aanbeveling hiervoor dan ook dezelfde woorden te gebruiken. Structuur Verordening Uit verschillende gesprekken en ook de documentanalyse komt naar voren dat de rollen en verhoudingen tussen de verschillende organen binnen het bestuurlijk stelsel niet altijd helder zijn. Verder zijn er door meerdere gesprekspartners vragen gesteld over het doel en het gebruik van de verschillende instrumenten die de organen ter beschikking staan. Met name als het op de SDC aankomt. Denk aan de vraag of de SDC een volksvertegenwoordigend orgaan is dat op stadsdeelniveau vergelijkbaar is met de gemeenteraad, of dat de SDC de ‘ogen en oren’ van het stadsdeel vormt en dus met name adviseert over de lokale uitwerking binnen het stadsdeel. Maar ook het verschil tussen het geven van advies, het aannemen van een motie of het stellen van vragen, de precieze reikwijdte van het budgetbestedingsadviesrecht of de verhouding tussen de SDC en de gemeenteraad roept in de praktijk vragen op.

Tegen die achtergrond valt op dat de Verordening de structuur van het bestuurlijk stelsel volgt. De kern wordt gevormd door de inrichting en samenstelling van het DB en de inrichting en samenstelling van de SDC en dus op de organen die binnen het bestuurlijk stelsel een rol vervullen en hun functie daarin. Het advies is het besluitvormingsproces centraal te stellen en in de Verordening meer de nadruk te leggen op de stappen die daarin worden gezet: welk orgaan vervult welke rol op welk moment als er een besluit genomen moet worden? Dit zoals bijvoorbeeld in een Reglement van orde gebruikelijk is. Dat biedt om de rollen en verhoudingen van de organen binnen het bestuurlijk stelsel beter te duiden en de instrumenten ook in de juiste context te plaatsen.

4.3 Conclusie juridische inrichting Er is in de huidige Verordening een duidelijkere verhouding tussen het DB en het college en de SDC en de gemeenteraad, de verruiming van het kiesrecht is helder verankerd, en de opgenomen instrumenten zorgen voor meer balans tussen het DB en de SDC en bieden de SDC meer handvatten om ten opzichte van het DB

47.

een meer controlerende rol te vervullen. Tegelijkertijd laat de Verordening ook onduidelijkheid bestaan over de precieze ruimte als het aankomt op bevoegdheden, budget, posities en instrumenten. Dit heeft te maken met of zaken beschreven zijn in de (toelichting op de) Verordening, hoe uitgebreid deze zaken zijn beschreven en de structuur van de Verordening. Andere keuzes hierin zouden een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het verder versterken van het bestuurlijk stelsel.

48.

Bijlage 1: Onderzoeksverantwoording Uitvoering van de evaluatie De onderzoekswerkzaamheden zijn uitgevoerd in de periode 3 maart – 7 april 2025. Hierna hebben de onderzoekers de conceptrapporten afgerond en op 14 april aangeleverd voor een toetsingsronde. De feedback in het kader van de toetsingsronde is op 17 april ontvangen. De onderzoekers hebben deze feedback vervolgens verwerkt en op 28 april de definitieve rapportages opgesteld.

Aanpak van de evaluatie Voor het onderzoek waren de volgende hoofd- en deelvragen leidend: 1. Hoe werkt het bestuurlijk stelsel in Amsterdam, bezien in het licht van de criteria die in 2021 leidend waren bij de aanpassingen van het bestuurlijk stelsel? a. Wat zijn de uitgangspunten van het bestuurlijk stelsel 2022-2026? b. Hoe is het bestuurlijk stelsel ingericht en vormgegeven? Hoe zijn taken en bevoegdheden belegd? c. Tot welke wijzigingen is in 2022 besloten en met welk doel en welke verwachting? Welke wijzigingen zijn sinds 2022 daadwerkelijk doorgevoerd? d. Hoe geven de professionele gebruikers in het bestuurlijk stelsel in de praktijk invulling aan hun taken en bevoegdheden? e. Hoe komt beleids- en besluitvorming in de praktijk tot stand binnen het bestuurlijk stelsel? f. Hoe zijn en worden Amsterdammers in de praktijk betrokken in het bestuurlijk stelsel? 2. Wat functioneert goed en wat minder goed in het bestuurlijk stelsel na de wijzigingen in 2022 in de ervaring van professionele gebruikers en Amsterdammers? a. Wat functioneert in juridisch opzicht goed en minder goed in het bestuurlijk stelsel ten opzichte van hoe het stelsel op papier is ingericht en bedoeld? b. Wat functioneert goed en minder goed in de totstandkoming van beleid en besluitvorming? c. Wat functioneert in de ervaring van professionele gebruikers goed en minder goed in het bestuurlijk stelsel? d.

Wat functioneert goed en minder goed in het betrekken van Amsterdammers in het bestuurlijk stelsel? e. Hoe kan wat er goed en minder goed functioneert in het bestuurlijk stelsel worden geduid en begrepen? 3. Welke aanbevelingen zijn er te doen om het huidige stelsel beter te laten functioneren en welke doorontwikkeling is daarvoor noodzakelijk? a. Hoe verhoudt wat goed en minder goed gaat zich tot de criteria die leidend waren bij de aanpassing in 2021? b. In hoeverre en op welke onderdelen is doorontwikkeling van het bestuurlijk stelsel noodzakelijk? c. Op wat voor manier kan dat worden vormgegeven voor de verschillende bestuursorganen?

49.

De onderzoeksvragen hebben we in vier onderzoekstappen beantwoord. Hieronder lichten we de stappen en de bijbehorende werkzaamheden nader toe.

Stap 1: Start – uitvoering op de rails Voorbereidende werkzaamheden Voor deze stap hebben de onderzoekers diverse voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd. Vanaf 3 maart hebben de onderzoekers openbaar beschikbare documentatie verzameld en aan de hand daarvan geïnventariseerd welke aanvullende informatie nodig was. Hiervoor hebben de onderzoekers een overkoepelend informatieverzoek, een informatieverzoek ten bate van de analyse instrumentariumgebruik (zie verderop) en een lijst met te interviewen betrokkenen opgesteld, die op 10 maart met de organisatie zijn gedeeld. Op 17 maart hebben de onderzoekers het merendeel van de benodigde informatie van de organisatie ontvangen. In de tussentijd is daarnaast het grootste deel van de te voeren interviews gepland. Startgesprek Op 12 maart heeft de projectleider van het onderzoek een startgesprek gevoerd met de projectleider van de gemeente Amsterdam. In dit gesprek hebben zij werkafspraken gemaakt over onderlinge rolverdeling en communicatie, informatievoorziening, de vragenlijst (respondenten, communicatie, beschikbaar stellen) en het plannen en faciliteren van gesprekken. Ook hebben zij in het startgesprek gesproken over de rol van de bestuurlijke klankbordgroep en het ambtelijk begeleidingsteam.

Stap 2: Inventariseren – de inrichting en werking van het stelsel op papier Documentanalyse inrichting bestuurlijk stelsel In de week van 17 maart startten de onderzoekers met de documentanalyse. Hiervoor zijn kerndocumenten geanalyseerd, zoals het hoofdlijnenbesluit 2022, de Verordening op de stadsdelen en het stadsgebied Weesp, de leidraad financiële zeggenschap, raads- en collegebesluiten over het bestuurlijk stelsel en diverse interne documenten over de doorvoering van de stelselwijziging sinds 2022. In de documentanalyse is ook gebruikgemaakt van de eerdere evaluatie van het bestuurlijk stelsel uit 2020. Op basis van de documentanalyse is een eerste overzicht verkregen van de juridische inrichting van het stelsel en (de inzet van) het instrumentarium. Kwantitatieve analyse werking stelsel en instrumentariumgebruik In dezelfde week brachten de onderzoekers het proces voor gevraagde en ongevraagde adviezen en andere instrumenten van DB’s en SDC’s en documentatie zoals die op papier zijn vastgelegd, in beeld. Vervolgens analyseerden de onderzoekers hoe het instrumentarium daadwerkelijk wordt ingezet. Dat deden zij aan de hand van een kwantitatieve analyse waarbij onder meer in beeld is gebracht hoeveel adviezen er sinds 2022 zijn uitgebracht, op wiens initiatief, in welk stadsdeel, over welk thema, met welk gevolg et cetera.

Ook is gekeken naar de inzet van andere instrumenten zoals initiatiefvoorstellen die zijn gedaan of de mondelinge en schriftelijke vragen die door leden van SDC’s zijn gesteld. Consulteren professionele gebruikers Voor de consultatie van professionele gebruikers van het bestuurlijk stelsel hebben de onderzoekers een digitale vragenlijst opgesteld. De vragenlijst is uitgezet onder bestuurders en de ambtelijke organisatie, waarin zij werden bevraagd over hun ervaring met het bestuurlijk stelsel sinds 2022. In de vraagstelling ligt de focus op de doorgevoerde stelselwijzigingen en wat daarin goed en minder goed functioneert. Omdat de inwonersconsultatie niet langer een onderdeel vormt van de opdracht, is er in de vragenlijst aandacht voor de ervaring van professionele gebruikers met de betrokkenheid van Amsterdammers na

50.

de stelselwijzigingen. In de vragenlijst is een routing gehanteerd voor verschillende doelgroepen van professionele gebruikers (raadsleden, SDC-leden, collegeleden, DB-leden, ambtenaren), zodat zij alleen de voor hen relevante vragen te zien kregen. De conceptvragenlijst is op 12 maart met de projectleider en de klankbordgroep gedeeld, om hen in de gelegenheid te stellen aandachtspunten mee te geven. De vragenlijst is op 17 maart uitgezet onder professionele gebruikers. Oriënterende interviews Op 17, 18 en 25 maart voerden de onderzoekers vijf oriënterende interviews met sleutelfiguren in het bestuurlijk stelsel. Hierin is tevens besproken voor welke elementen van de stelselwijziging extra aandacht moet zijn en welke voorbeelden hier behulpzaam bij zijn.

Stap 3: Verdiepen en wegen – de werking van het stelsel in de praktijk Analyse respons digitale consultatie professionele gebruikers Op 24 maart sloot de digitale vragenlijst onder professionele gebruikers. Het onderzoeksteam heeft vervolgens de respons geanalyseerd. De bevindingen zijn zowel kwantitatief als kwalitatief verwerkt om de vraag te beantwoorden wat in de ervaring van gebruikers goed en minder goed functioneert. Daarnaast werden de bevindingen uit de vragenlijst benut voor de verdiepende gesprekken met professionele gebruikers. Procesreconstructie vijf adviezen stadsdelen Voor het onderzoekspoor beleids- en besluitvorming hebben de onderzoekers een procesreconstructie van vijf stadsdeeladviezen uitgevoerd. Uit een groslijst van vijf adviezen per stadsdeel heeft het onderzoeksteam vijf adviezen geselecteerd op basis van een aantal criteria (onder andere leereffect, spreiding over de stadsdelen en scope van het advies). Voor elk geselecteerd advies volgden de onderzoekers aan de hand van documentatie en observaties van vergaderopnames het volledige procesverloop. In aanvulling daarop hebben de onderzoekers voor vier van de vijf casussen duidingsgesprekken gevoerd met relevante ambtelijk betrokkenen. Voor de casus Gebiedsopgaven en Masterplan Zuidoost waren vanwege onderbezetting en beperkte beschikbaarheid geen ambtelijk betrokkenen beschikbaar om te interviewen.

Juridische toetsing van het stelsel in de praktijk Op basis van interviews en een aantal specifieke besluitvormingsprocessen (waaronder binnen de vijf adviezen) is een juridische analyse uitgevoerd van de verschillen tussen de inrichting en werking van het stelsel in de praktijk. Hierin komt ook de effectiviteit van de werking van het stelsel in de praktijk en de gevolgen voor democratisering, de transparantie in de besluitvorming en de spreiding van en controle op de macht aan de orde. Er zijn door de raadsgriffie en de directie Juridische Zaken aanbevelingen voorbereid voor technische wijzigingen in de Verordening op de stadsdelen en het stadsgebied Weesp. Deze hebben de onderzoekers tevens benut voor de juridische toetsing. Verdieping op inwonersbetrokkenheid Tijdens de looptijd van dit onderzoek zijn de resultaten van uw eigen evaluatie van de bewonersloketten beschikbaar gesteld aan de onderzoekers. Ook hebben er op 25 en 26 maart focusgroepen plaatsgevonden met Amsterdammers, waarin zij door Ipsos zijn bevraagd over hun ervaringen met het bestuurlijk stelsel. De bevindingen uit deze focusgroepen zijn door Ipsos verwerkt in een rapportage en ter beschikking gesteld aan de onderzoekers. De focusgroepen zijn bovendien opgenomen, waarbij de onderzoekers de sessies konden meekijken.

De resultaten van zowel de interne evaluatie naar de bewonersloketten als de focusgroepen zijn geanalyseerd in het licht van de uitgangspunten voor het

51.

bestuurlijk stelsel, in het bijzonder in het onderzoekspoor Participatie van Amsterdammers. Daarnaast hebben de onderzoekers twee gesprekken gevoerd met de onderzoekers van de evaluatie naar de stadsdeelpanels. De resultaten van de evaluatie naar stadsdeelpanels worden voor de zomer verwacht. Om die reden is er enkel gesproken over de voorlopige bevindingen. Verdieping consultatie professionele gebruikers Ter verdieping op de digitale consultatie en de bevindingen uit de eerdere onderzoekswerkzaamheden hebben de onderzoekers 22 verdiepende gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van de ambtelijke organisatie, bestuur en enkele relevante externe partijen (Rekenkamer en Ombudsman). Een overzicht van de gehouden interviews is verderop weergegeven.

Stap 4: Rapporteren en feedbackronde Gedurende de evaluatie is er al geschreven aan de rapportages. Op 14 april zijn de conceptrapportages afgerond. Op deze datum zijn de conceptrapportages voor feedback teruggelegd bij de projectleider, portefeuillehouder en de klankbordgroep. Hiervoor hebben de onderzoekers een format aangeleverd, zodat feedback makkelijk en overzichtelijk aangeleverd kan worden. Op 17 april hebben de onderzoekers de verzamelde feedback ontvangen. Deze feedback is vervolgens verwerkt en de definitieve rapportages zijn op 28 april aan de opdrachtgever verstrekt.

Schriftelijke documentatie Voor de geraadpleegde schriftelijke documentatie wordt verwezen naar de voetnoten in de rapportage.

Gehouden interviews Voor deze evaluatie is een groot aantal gesprekken gevoerd met diverse betrokkenen. Voor deze gesprekken hebben de onderzoekers een vaste methode gehanteerd. Voorafgaand aan ieder gesprek ontvingen de gesprekspartners een gespreksvoorbereiding met te bespreken onderwerpen en het interviewprotocol van Necker. Bij ieder gesprek waren steeds twee onderzoekers van Necker aanwezig. Van ieder gesprek is een verslag gemaakt dat aan de gesprekspartners is voorgelegd ter accordering. Alle gespreksverslagen zijn geaccordeerd. Hieronder staat een overzicht van alle gevoerde gesprekken. Datum gesprek

Gesprekspartner(s)

17 maart 2025

Afvaardiging raadsgriffie

17 maart 2025

Afvaardiging hoofden BMA

17 maart 2025

Afvaardiging hoofden B&O stadsdelen

18 maart 2025

Ambtelijk betrokkenen bij notitie stelselwijzigingen

25 maart 2025

Afvaardiging SDC-secretarissen

27 maart 2025

Afvaardiging SDC-leden (groep 1)

27 maart 2025

Afvaardiging SDC-leden (groep 2)

1 april 2025

Ambtelijk betrokkenen innovatie bestuurlijke besluitvorming

1 april 2025

Afvaardiging college van burgemeester en wethouders

2 april 2025

Ambtelijke betrokkenen adviescasus 1

2 april 2025

Afvaardiging stadsdeeldirecteuren

2 april 2025

Ombudsman Metropool Amsterdam

2 april 2025

Onderzoeker Rekenkamer Amsterdam-Zaanstad

52.

2 april 2025

Afvaardiging stedelijk directeuren

3 april 2025

Onderzoeker stadsdeelpanels

3 april 2025

Afvaardiging gemeenteraadsleden

3 april 2025

Ambtelijk betrokkenen adviescasus 3

3 april 2025

Afvaardiging SDC-voorzitters

3 april 2025

Afvaardiging SDC-leden (groep 3)

3 april 2025

Afvaardiging SDC-leden (groep 4)

4 april 2025

Ambtelijk betrokkenen adviescasus 2

4 april 2025

Afvaardiging DB-leden (groep 1)

4 april 2025

Ambtelijk betrokkenen adviescasus 4

4 april 2025

Afvaardiging DB-leden (groep 2)

7 april 2025

Onderzoeker stadsdeelpanels

7 april 2025

Afvaardiging DB-leden (groep 3)

10 april 2025

Afvaardiging college van burgemeester en wethouders

53.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15701034/1